












![]()













INHOUD


Als iemand hulp nodig heeft, noemen we dat een hulpvraag of hulpbehoefte. Als zorgverlener is het jouw taak om die hulpbehoefte op tijd te zien, goed te begrijpen en er iets mee te doen. De persoon die jouw zorg nodig heeft, noemen we de zorgvrager. Het is belangrijk dat je weet wie de zorg geeft en hoe die zorg wordt gegeven.
We bespreken drie soorten zorg:
1 professionele zorg: zorg die wordt gegeven door professionals, bijvoorbeeld verpleegkundigen of artsen
2 mantelzorg: zorg die door bekenden van de hulpvrager wordt gegeven, bijvoorbeeld familie of vrienden
3 vrijwilligerszorg
In de zorgsector kun je op verschillende manieren zorg verlenen. Als je weet welke zorgsoorten er zijn, kun je een cliënt met een hulpvraag goed doorverwijzen naar de juiste persoon of zelf gepaste hulp bieden.
Dit is zorg die wordt gegeven door opgeleide en gediplomeerde zorgverleners. Denk aan verpleegkundigen, artsen, fysiotherapeuten of pedagogisch medewerkers. Zij krijgen betaald voor hun werk. Professionele zorg vind je in zorginstellingen (zoals ziekenhuizen, verzorgingshuizen) of bij mensen thuis (thuiszorg).
Mantelzorg is onbetaalde zorg die lange tijd wordt gegeven aan iemand die hulp nodig heeft. Deze zorg wordt gegeven door iemand uit de directe omgeving van de zorgvrager, bijvoorbeeld een familielid, vriend of buurman of -vrouw.
Een mantelzorger heeft meestal geen opleiding in de zorg. Hij of zij helpt omdat hij de zorgvrager goed kent, niet omdat het zijn of haar beroep is.

Het werk van een apothekersassistente is een voorbeeld van professionele zorg.

Een dochter die voor haar moeder zorgt, is een mantelzorger.
Dit is zorg en hulp die wordt gegeven door vrijwilligers (mensen die ervoor kiezen in hun vrije tijd onbetaald te helpen). Vrijwilligerszorg lijkt op mantelzorg, maar verschilt omdat de vrijwilliger geen bekende of familielid van de zorgvrager hoeft te zijn. Vrijwilligers zetten zich voor anderen in, meestal via een organisatie. Vrijwilligers bepalen zelf hoeveel tijd ze aan de zorg willen besteden, terwijl een mantelzorger vaak moet zorgen, soms 24 uur per dag.

Een voorbeeld van vrijwilligerszorg is een vrijwilliger die elke week komt voorlezen in een verzorgingshuis.
Mantel- en vrijwilligerszorg worden ook wel informele zorg genoemd. Professionele zorg wordt formele zorg genoemd. Informele zorg is erg belangrijk, maar vaak aanvullend: als de zorgvraag te groot wordt, is professionele ondersteuning nodig. Als zorgverlener moet je daarom kunnen samenwerken met mantelzorgers en vrijwilligers.
Uit de praktijk
Amara werkt in de thuiszorg. Een van haar cliënten is meneer Jackson van 82 jaar. Hij krijgt ook hulp van zijn dochter (mantelzorger). Amara zorgt voor zijn medicijnen en zijn dochter kookt voor hem en houdt hem ’s middags gezelschap. Amara overlegt samen met de dochter van meneer Jackson wat de beste zorg is voor hem, ieder vanuit de eigen rol.
1

Verschillende soorten zorg
Vul per zorgsoort de tabel in.
Soort zorg Wel / niet betaald Wel / geen opleiding nodig
Professionele zorg
Mantelzorg
Vrijwilligerszorg
Formeel / informeel
Zelf aantal uren bepalen
2
Zorg voor Joep
Joep is 1 jaar. Hij heeft het syndroom van Down en heeft moeite met bewegen. Daarom komt er een fysiotherapeut bij hem thuis om hem te helpen met bewegen.
a Hoe heet deze zorgvorm?
◯ Professionele zorg
◯ Mantelzorg
◯ Vrijwilligerszorg
◯ Informele zorg
b Leg je antwoord uit.
3
Zorgtaken
Welke zorgverlener past bij welke zorgtaak?
Kies uit: professionele zorgverlener – mantelzorger – vrijwilliger
Let op: soms kan een zorgtaak door meer dan één zorgverlener worden gedaan. Vul dan meerdere zorgverleners in.
Zorgtaak
Wondverzorging doen na een operatie
Meegaan naar de bingoavond
Helpen met aankleden
Samen koffiedrinken op een terras
Pleister plakken bij een klein wondje
Financiële administratie afhandelen
Dagelijkse insuline-injecties geven
Samen kleding kopen in de stad
Zorgverlener
4
Mantelzorg en professionele zorg
Lees de uitspraken over professionele zorg en mantelzorg.
a Welke uitspraak is juist?
◯ (1) Alleen een professionele zorgverlener mag met een zorgvrager praten over eenzaamheid.
◯ (2) Een mantelzorger krijgt een kleine vergoeding voor het werk.
◯ (3) Professionele zorg vindt nooit thuis plaats.
◯ (4) Een mantelzorger kan meestal niet zelf bepalen hoeveel uren hij werkt.
b Kijk terug naar je keuze bij de vorige vraag.
Leg uit waarom de andere uitspraken niet juist zijn.
Uitspraak is onjuist, omdat .
Uitspraak is onjuist, omdat
Uitspraak is onjuist, omdat
5 Vrijwilligerszorg
Welke situatie hoort bij vrijwilligerszorg?
◯ De buurvrouw doet de boodschappen voor een oudere man.
◯ Een bibliotheekmedewerker leest elke woensdagmiddag voor in een verzorgingshuis.
◯ Een zoon helpt zijn vader elke ochtend met douchen en aankleden.
◯ Een verpleegkundige komt thuis bij mevrouw Yilmaz om haar wond te verzorgen.
Lees de situaties.
Gaat het hier om formele of informele zorg?
Een arts stelt een behandelplan op voor een patiënt in het ziekenhuis.
Een vrijwilliger van het Rode Kruis bezoekt eenzame ouderen.
Een moeder zorgt langdurig voor haar zieke zoon.
Een moeder praat met een maatschappelijk werkster over de problemen in haar gezin.
Formele zorg
Informele zorg
7 Benoem de verschillen
Noem drie verschillen tussen een mantelzorger en een vrijwilliger in de zorg.
1.
2. 3.
8 Samenwerken in de zorg
Jij werkt in de thuiszorg bij meneer De Vries (85 jaar). Hij kan niet meer goed voor zichzelf zorgen, vergeet vaak zijn medicijnen en koken kan hij niet. Hij is nog wel vitaal en wandelt graag. Ook houdt hij van lezen, maar zijn ogen worden slechter. Elke dag komt zijn zoon langs, hij is mantelzorger voor zijn vader. Soms komt er een vrijwilliger langs die leuke dingen met hem doet.
a Wat doe jij als zorgverlener voor meneer De Vries?
Geef twee voorbeelden.
1.
2.
b Wat doet de zoon van meneer De Vries als mantelzorger?
Geef twee voorbeelden.
1.
2.
c Wat kan de vrijwilliger doen?
Geef twee voorbeelden.
1.
2.
d Waarom is het belangrijk dat jij als professionele zorgverlener goed overlegt met de mantelzorger en de vrijwilliger?
Zorg gaat niet alleen over wie het geeft, maar ook over waar en hoe gespecialiseerd de zorg is. Daarom is het belangrijk dat je weet welk zorgniveau of welke voorziening het beste past bij een zorgvrager.
Eerstelijnszorg is het eerste niveau van zorg. Bij eerstelijnszorg kan iedereen direct terecht zonder verwijzing. Dit is meestal basiszorg dicht bij huis. Professionals die in de eerstelijnszorg werken, zijn bijvoorbeeld huisartsen, tandartsen, fysiotherapeuten, wijkverpleegkundigen, apothekers en maatschappelijk werkers. Eerstelijnszorg is breed en algemeen.
De huisarts heeft vaak een centrale rol: die bepaalt na een consult of iemand moet worden doorverwezen naar een andere zorgverlener. Voorbeeld: bij griep of een verstuikte enkel ga je eerst naar de huisarts (eerstelijnszorg). Heb je je enkel gebroken, dan stuurt de huisarts je door naar het ziekenhuis (tweedelijnszorg).
Een consult is een afspraak met een zorgverlener, zoals een arts, verpleegkundige of therapeut, om te praten over je gezondheid of klachten.
Tijdens een consult:
✖ vertelt de patiënt wat er aan de hand is (bijvoorbeeld: pijn, vragen of zorgen);
✖ stelt de zorgverlener vragen en kijkt wat er aan de hand is;
✖ doet de zorgverlener soms een onderzoekje of meet iets (zoals bloeddruk);
✖ krijgt de patiënt advies, een behandeling of een doorverwijzing.

Consult bij de huisarts om je gezondheidsklacht te bespreken.
Tweedelijnszorg is gespecialiseerde zorg waarvoor je een verwijzing nodig hebt van een professional uit de eerstelijnszorg. Professionals die in de tweedelijnszorg werken, zijn bijvoorbeeld specialisten in een ziekenhuis of revalidatiecentrum, of psychologen in een ggz-instelling.
Tweedelijnszorg is vaak duurder en ingewikkelder, daarom ga je er alleen heen als het echt nodig is. Voorbeeld: een orthopedisch chirurg in het ziekenhuis (tweede lijn) opereert een versleten heup na verwijzing door de huisarts.
Eerstelijnszorg zonder verwijzing Tweedelijnszorg met verwijzing
Eerstelijnszorg en tweedelijnszorg.
Intramurale zorg betekent letterlijk ‘zorg binnen de muren’. Deze zorg krijg je als je dag en nacht in een zorginstelling blijft. Een zorginstelling is een plek waar mensen hulp of zorg krijgen, zoals een ziekenhuis, verpleeghuis of psychiatrische kliniek.
Extramurale zorg is zorg die je krijgt terwijl je gewoon thuis woont. Je hoeft niet in een zorginstelling te blijven. De zorg komt naar jou toe of jij gaat ernaartoe. Voorbeelden:
✖ Je gaat naar de fysiotherapeut.
✖ Een verpleegkundige komt bij jou thuis (thuiszorg).
Ambulante zorg is een soort extramurale zorg, maar dan vooral hulp bij problemen (bijvoorbeeld psychische problemen of begeleiding). Je blijft thuis wonen en krijgt hulp op afspraak. Voorbeelden:
✖ Een gesprek met een psycholoog.
✖ Begeleiding bij geld- of opvoedproblemen.
zorginstelling binnen de muren opname
zorgvrager woont thuis, maar krijgt zorg bij zorginstelling
Intramurale, ambulante en extramurale zorg.
of
zorgvrager woont thuis zorg komt naar jou toe of jij gaat er naartoe geen opname

Lisa (26 jaar) is gevallen tijdens een volleybaltraining. Ze heeft last van haar knie, maar denkt dat het wel meevalt en gaat naar huis. De volgende dag is haar knie pijnlijk en dik, ze kan niet op haar been staan. Na een paar dagen rust is de pijn nog niet weg. Daarom gaat ze naar haar huisarts. De huisarts voelt aan de knie en denkt dat een van de kniebanden gescheurd kan zijn. Ze verwijst Lisa door naar een orthopedisch chirurg in het ziekenhuis en geeft haar een recept mee voor pijnstillers die ze bij haar apotheek kan ophalen. In het ziekenhuis wordt een foto van de knie gemaakt en een kruisband blijkt inderdaad gescheurd. Lisa wordt opgenomen om te worden geopereerd. De dag na de operatie mag Lisa naar huis. Ze moet thuis elke dag oefeningen doen en krijgt de eerste tijd fysiotherapie aan huis.
Lisa heeft gebruikgemaakt van de volgende zorgniveaus: eerstelijnszorg (huisarts en fysiotherapeut) en tweedelijnszorg (orthopedisch chirurg). Ze heeft de volgende zorgvormen gehad: extramurale zorg (huisarts, apotheker), intramurale zorg (ziekenhuisopname) en ambulante zorg (fysiotherapie).
1
Eerstelijns- en tweedelijnszorg
Test je kennis over de theorie.
a Welke zorg hoort bij eerstelijnszorg?
◯ Een operatie door een chirurg in het ziekenhuis
◯ Een gesprek met een psycholoog in een ggz-instelling
◯ Een bezoek aan de huisarts zonder verwijzing
◯ Een opname in een verpleeghuis
b Welke zorgverlener hoort bij de tweede lijn?
◯ Maatschappelijk werker
◯ Cardioloog
◯ Wijkverpleegkundige
◯ Apotheker
Wat is een belangrijk verschil tussen intramurale en extramurale zorg?
◯ Bij extramurale zorg blijft de zorgvrager in een zorginstelling slapen, bij intramurale zorg niet.
◯ Intramurale zorg krijg je alleen van een huisarts, extramurale zorg krijg je van andere zorgverleners.
◯ Extramurale zorg is altijd eerstelijnszorg, intramurale zorg kan ook tweedelijns zijn.
◯ Bij intramurale zorg is de zorgvrager opgenomen, bij extramurale zorg woont de zorgvrager thuis.
3
Zet het juiste zorgniveau en de juiste zorgvorm bij elk voorbeeld.
Kies uit: eerstelijnszorg – tweedelijnszorg – intramurale zorg – extramurale zorg – ambulante zorg.
Voorbeeldsituatie
Je gaat naar de tandarts voor controle.
Een dementerende oudere is opgenomen in een verpleeghuis.
Een psycholoog helpt een jongen wekelijks in een ggz-instelling, hij slaapt gewoon thuis.
Je krijgt thuishulp van een wijkverpleegkundige.
Je wordt geopereerd door een chirurg in het ziekenhuis.
Zorgniveau Zorgvorm
4
Begrippen kennen
Test je kennis over de theorie.
a Wat is eerstelijnszorg?
◯ Gespecialiseerde zorg in een zorginstelling
◯ Topzorg van de eerste kwaliteit
◯ Gratis gezondheidszorg
◯ Basiszorg waar je zonder verwijzing naartoe kunt
b Wat is een consult?
◯ Een herseninfarct
◯ Een adviesgesprek met een zorgverlener
◯ Een overeenstemming tussen een zorgverlener en een zorgvrager
◯ Een behandeling in een ziekenhuis
c Wat is extramurale zorg?
◯ Zorg buiten de muren van een zorginstelling
◯ Zorg binnen de muren van een zorginstelling
◯ Zorg binnen een zorginstelling, zonder dat de zorgvrager er blijft slapen
◯ Zorg op de spoedeisende hulp van een ziekenhuis
5 Chemotherapie
Oscar heeft kanker en wordt opgenomen in het ziekenhuis. Hij overnacht hier zolang de chemotherapie duurt. Daarna gaat hij naar huis, waar hij ondersteuning krijgt van een thuiszorgteam.
Welke zorgvormen krijgt Oscar?
◯ Intramurale zorg en ambulante zorg
◯ Alleen extramurale zorg
◯ Alleen intramurale zorg
◯ Intramurale zorg en extramurale zorg
Verdiepingsopdrachten
6 Steunkousen
Thijmen werkt als thuiszorgmedewerker en komt twee keer per dag langs bij mevrouw Bergkamp voor het aan- en uittrekken van haar steunkousen.
a Welke zorgvorm verricht Thijmen voor mevrouw Bergkamp?
Leg je antwoord uit.
b Is de zorg die Thijmen geeft eerstelijns- of tweedelijnszorg?
Leg je antwoord uit.
c Mevrouw Bergkamp wil weten welke oefeningen goed zijn voor haar benen. Kan ze daarvoor zonder verwijzing naar een fysiotherapeut?
Leg je antwoord uit.
Sophie is 30 jaar en heeft psychische klachten, waaronder een depressie. Ze gaat wekelijks voor therapie naar een psycholoog en heeft daarnaast veel steun van haar vrienden.
Leg uit welke zorg Sophie krijgt.
Vul de juiste woorden in op de lege plekken.
Kies uit: ambulante | extramurale | informele | intramurale | professionele
Sophie krijgt zorg van een psycholoog en zorg van haar vrienden. De professionele zorg is zorg, want ze blijft thuis wonen.
Elke zorgvrager is anders. Als zorgverlener is het belangrijk dat je op een neutrale manier goed kijkt, luistert en vraagt om te zien hoe het met iemand gaat. Dat heet observeren. Als je speciaal let op veranderingen in gedrag, gezondheid of stemming, noemen we dat signaleren. Ook kijk je of iemand nog zelfredzaam is. Dat betekent: kan iemand zichzelf nog redden bij dagelijkse dingen zoals aankleden, eten of naar het toilet gaan.
Bij signaleren gaat het erom dat je het opmerkt als er iets niet goed gaat, of als iemand ergens moeite mee krijgt. Bijvoorbeeld:
✖ Je ziet dat een oudere man veel moeite heeft met opstaan uit de stoel.
✖ Je merkt dat een dementerende vrouw steeds vergeet te eten of te drinken.
✖ Een alleenwonende vrouw van middelbare leeftijd zegt dat zij niet meer durft te koken, omdat zij slecht ziet.
Dit zijn signalen. Als je zulke dingen opmerkt, bespreek je ze met de zorgvrager of met collega’s. Ook noteer je het in het zorgdossier
Niek werkt in een zorginstelling. Hij merkt dat een zorgvrager, meneer Benali, steeds vaker vergeet zijn medicijnen in te nemen. Meneer Benali heeft al eerder aangegeven dat hij het lastig vindt om te onthouden wanneer hij zijn medicijnen moet nemen. Dit kan gevaarlijk zijn, dus Niek schrijft dit signaal duidelijk op in het zorgdossier.

Signaleren is iets wat je steeds doet tijdens je werk. Het helpt om problemen op tijd te herkennen.
Let extra goed op bij speciale doelgroepen. Soms is het belangrijk om te kijken of iemand door een ziekte of beperking extra zorg nodig heeft. Bijvoorbeeld:
✖ Heeft iemand dementie? Dan kan die persoon misschien vergeten het gasfornuis uit te doen, of de weg kwijtraken op straat.
✖ Heeft iemand een verstandelijke beperking? Dan is het belangrijk om eenvoudige taal te gebruiken.
Bij inventariseren ga je een stapje verder dan alleen signaleren. Inventariseren betekent dat je stap voor stap onderzoek doet naar wat iemand wel of niet kan. Net als bij signaleren doe je dit op een objectieve manier. Dat betekent dat je zo neutraal mogelijk kijkt (je observeert). Daarbij stel je de volgende vragen:
✖ Wat kan de zorgvrager nog zelf?
✖ Waar heeft de zorgvrager hulp bij nodig?
Je inventariseert de mogelijkheden en beperkingen van een zorgvrager bijvoorbeeld tijdens een intakegesprek of bij een eerste huisbezoek. Je stelt dan vragen, je observeert en vult soms een standaardformulier of digitaal zorgdossier in. Je kijkt naar de ADL (Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen), zoals:
✖ Kan iemand zichzelf wassen of zich aankleden?
✖ Kan iemand zelf naar het toilet gaan?
✖ Kan iemand zelf eten koken?
Ook kijk je naar de woonsituatie, of er mantelzorgers zijn en welke hulpmiddelen iemand al gebruikt, zoals een douchestoel of een rollator.
Signaleren
Inventariseren
Wanneer? Tijdens je werk, op elk moment Vaak aan het begin, bij intake of start van zorg
Wat doe je? Je merkt dingen op (bijvoorbeeld problemen of gedrag) Je onderzoekt wat iemand zelf kan en waar hulp bij nodig is Hoe? Kijken, luisteren, vragen Gesprek, observatie, vragenlijst, zorgdossier
Doel? Problemen op tijd herkennen Zorg goed afstemmen op wat iemand nodig heeft
Goed inventariseren is belangrijk. Je wilt mensen niet onnodig helpen met iets wat ze zelf kunnen. Dat noem je betuttelen. Maar je wilt ook geen belangrijke hulp vergeten. Inventariseren helpt je om de juiste zorg te geven. De zorg sluit dan precies aan bij wat iemand nodig heeft.
Uit de praktijk
Mevrouw Nowak (78) is net thuis na een ziekenhuisopname. Emine gaat bij haar langs voor een intake. Ze stelt vragen en kijkt wat ze nog zelf kan. Ze ontdekt de volgende dingen bij mevrouw Nowak:
✖ Ze kan haar gezicht en bovenlichaam zelf wassen, maar komt niet goed bij haar benen en voeten.
✖ Ze ziet slecht en vindt koken op gas gevaarlijk.
✖ In huis heeft ze hulp nodig om te lopen. Buitenshuis lopen lukt niet.
Emine maakt de volgende inventarisatie:

✖ Bij het douchen heeft mevrouw Nowak hulp nodig met het wassen van haar onderlichaam.
✖ Voor het koken moet een maaltijdservice warme maaltijden brengen.
✖ In huis heeft mevrouw Nowak een rollator nodig om te lopen.
✖ Buitenshuis heeft mevrouw Nowak een rolstoel nodig.
✖ Mevrouw Nowak moet zoveel mogelijk gestimuleerd worden dingen zelf te doen die ze wél kan doen.
In het zorgdossier noteert Emine: "Mevrouw Nowak wast bovenlichaam zelf. Verzorgende helpt bij benen en voeten. Warme maaltijd wordt geleverd door maaltijdservice. Mevrouw loopt in huis met een rollator. Buitenshuis gebruikt mevrouw een rolstoel."
1 Signaleren
Test je kennis over de theorie.
a Wat is een goed voorbeeld van signaleren?
◯ Je helpt iemand met aankleden.
◯ Je merkt dat iemand steeds vergeet te eten.
◯ Je maakt een maaltijd klaar voor de zorgvrager.
◯ Je vult het digitale zorgdossier in na het douchen.
b Waarom is signaleren belangrijk in de zorg?
◯ Omdat je dan geen fouten maakt bij het douchen.
◯ Omdat je zo kunt bepalen of iemand goed heeft gegeten.
◯ Omdat je veranderingen bij een zorgvrager op tijd kunt zien.
◯ Omdat je dan weet hoeveel zorg je moet inplannen.
2 Moeite met opstaan
Emily werkt als verzorgende in een woonzorgcentrum. Mevrouw Kaya (80 jaar) is nog kwiek en kan zich nog goed bewegen. Maar de laatste dagen merkt Emily dat mevrouw Kaya steeds vaker hulp vraagt bij het opstaan uit haar stoel. Dit viel haar eerder niet op.
a Wat is het signaal dat Emily opmerkt bij mevrouw Kaya?
b Wat moet Emily doen nadat ze dit signaal heeft opgemerkt?
3 Inventariseren
Bij inventariseren ga je een stapje verder dan alleen signaleren.
a Wat hoort bij inventariseren?
◯ Je kijkt of iemand zelf naar het toilet kan.
◯ Je ruimt het bed van de zorgvrager op.
◯ Je maakt een afspraak met de fysiotherapeut.
◯ Je koopt nieuwe kleding voor de zorgvrager.
b Wat is een hulpmiddel dat je kunt gebruiken bij inventariseren?
◯ Een wandelstok
◯ Een boodschappenlijstje
◯ Een thermometer
◯ Een vragenlijst van een intakegesprek
4
Begrippen kennen
Test je kennis over de theorie.
a Wat is signaleren?
◯ Je vult een vragenlijst in tijdens een intakegesprek.
◯ Je ziet dat een zorgvrager steeds vergeet te drinken.
◯ Je helpt iemand met aankleden.
◯ Je helpt een zorgvrager met een spelletje.
b Wat betekent ADL?
◯ Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen
◯ Aankleden Douchen Lopen
◯ Advies Doelstelling Leren
◯ Algemeen Dossier Levensloop
c Wat betekent inventariseren?
◯ Uitzoeken welke spullen iemand heeft
◯ Luisteren naar de klachten van een zorgvrager
◯ Een lijst opstellen van de wensen en verwachtingen van een zorgvrager
◯ Onderzoeken wat de mogelijkheden en beperkingen van een zorgvrager zijn
5 Signaleren op school
Sara is 8 jaar. Ze heeft een lichamelijke beperking en zit in een rolstoel. Op school krijgt ze ondersteuning. Lucas loopt stage op haar school en helpt Sara bij het buitenspelen. Vandaag merkt hij dat er wat met haar aan de hand is: ze is stil en wil niet meespelen met de anderen. Ook ziet Lucas dat haar boterhammen onaangeraakt in haar tas zitten.
a Wat signaleert Lucas?
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.
□ Sara is stil.
□ Sara heeft vandaag geen zin in schoolwerk.
□ Sara eet haar boterhammen niet op.
□ Sara speelt niet mee met de anderen.
b Met wie zou Lucas deze signalen kunnen bespreken?
Anjali loopt stage in een verzorgingshuis. Ze helpt mevrouw Wieringa (76 jaar) elke ochtend met aankleden. Als Anjali de kamer van mevrouw Wieringa inkomt, ziet ze dat zij zich al heeft aangekleed. Ze heeft drie truien over elkaar aangetrokken. Als ze Anjali ziet, begint mevrouw Wieringa meteen te praten: ze moet nodig haar moeder bellen. Maar de moeder van mevrouw Wieringa is jaren geleden al overleden.
a Wat signaleert Anjali bij mevrouw Wieringa?
Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.
□ Mevrouw Wieringa is vergeten dat haar moeder is overleden.
□ Mevrouw Wieringa heeft drie truien over elkaar aangetrokken.
□ Mevrouw Wieringa heeft het koud.
□ Mevrouw Wieringa heeft geen hulp nodig.
b Wat moet Anjali met deze signalen doen?
Verdiepingsopdrachten
7 Woonzorgcentrum
Jan werkt in een woonzorgcentrum. Meneer Van Beek (88 jaar) lacht normaal altijd veel en maakt grapjes. De laatste dagen merkt Jan dat hij stil is, weinig eet en zijn bed niet uit wil.
a Wat signaleert Jan bij meneer Van Beek?
b Wat kan Jan hierover in het zorgdossier schrijven?
c Wat zou Jan kunnen doen met deze signalen?
8 Inventariseren in de thuiszorg
Stel, je werkt in de thuiszorg. Je gaat langs voor een intakegesprek bij meneer Manusama (75 jaar) die de zietke van Parkinson heeft. Hij woont nog zelfstandig. Hij vertelt dat hij zich 's ochtends niet goed kan aankleden door het trillen van zijn handen. Hij kan wel zelf koken als iemand helpt met voorbereiden. Hij gebruikt een rollator binnenshuis, maar gaat liever niet meer alleen naar buiten.
a Noem twee dingen die meneer Manusama nog zelfstandig kan. 1.
1.4 Observeren en rapporteren, objectief en subjectief
b Noem twee activiteiten waarbij hulp of aanpassing nodig is.
1.
2.
c Waarom is het belangrijk om goed te inventariseren waar meneer Manusama hulp bij nodig heeft en wat hij zelf kan?
Bij het geven van zorg aan een zorgvrager moet je altijd signaleren of er iets bijzonders of anders is dan normaal. Maar om goed te kunnen signaleren, moet je kunnen observeren. Ook moet je kunnen rapporteren (verwerken in een rapport) wat je hebt gesignaleerd.
Observeren betekent dat je bewust kijkt, luistert, ruikt, proeft en voelt met het doel om informatie (feiten) te verzamelen over iemand of over een situatie. Dit doe je zonder je mening te geven. Observeren doe je dus zo neutraal mogelijk, dan kijk en luister je objectief. Heb je een mening of een gevoel bij wat je ziet of hoort, dan ben je subjectief
Als je iets hebt gezien wat een ander moet weten, dan is het belangrijk hóé je dat vertelt. Je kunt iets objectief of subjectief zeggen.
Mevrouw at een halve boterham en gaf twee keer over.
Mevrouw vond het ontbijt vies en voelde zich misselijk.
In de zorg moet je regelmatig een verslag of rapport schrijven van wat er is gebeurd, wat je hebt gedaan en hoe het met iemand gaat. Dat heet rapporteren. Dat doe je op een objectieve manier. Je schrijft dus op wat je écht zag, hoorde, rook of hebt gemeten.
Met MIXED ga je praktisch aan de slag, zodat je kunt ontdekken wat jij écht leuk vindt en waar jij goed in bent. Geen saaie boeken, maar vooral praktische opdrachten waarbij je trots kunt zijn op de prestaties die je neerzet en de producten die je maakt. Door te doen ontdek je ook welke beroepen en beroepscontexten bij jouw interesses en kwaliteiten passen. We wensen jou veel succes, maar vooral ook veel plezier bij het uitvoeren van de opdrachten!
Team MIXED