






![]()





























In een activiteitencentrum voor mensen met een verstandelijke beperking is een spelmiddag georganiseerd. Deelnemers doen in tweetallen spelletjes als Memory, Domino en puzzels. De begeleider heeft de materialen klaargezet en duidelijke afspraken gemaakt over hoelang ieder groepje een spelletje speelt en wanneer de groepjes een ander spelletje gaan spelen.
Zijn de volgende uitspraken juist of onjuist?
De spelmiddag is een individuele activiteit.
De activiteit speelt zich binnen af.
De activiteit is gepland.
De activiteit kunnen de deelnemers zonder begeleiding doen.
Het doel van de activiteit is iets leren.
De begeleider laat de groepjes vrij om te kiezen wat ze doen.
5 Kenmerken van een activiteit
Wat hoort niet bij de kenmerken van een activiteit?
◯ De activiteit past bij de doelgroep.
◯ De activiteit is altijd sportief.
◯ De activiteit is bewust gekozen en voorbereid.
◯ De activiteit kan binnen of buiten plaatsvinden.

In een jongerencentrum organiseert een stagiaire een creatieve middag. De activiteit is schilderen op canvas. De stagiaire heeft alle materialen klaargezet en heeft de tafels in groepjes geplaatst. Ze geeft de deelnemers een duidelijke instructie en vraagt of iedereen begrijpt wat de bedoeling is.
a Is deze activiteit gepland of spontaan?
◯ Gepland
◯ Spontaan
b Hoe weet je dat de begeleider goed is voorbereid? Noem drie voorbeelden.
c Noem twee taken van de begeleider die in deze situatie voorkomen. 1 2
Maak een infographic (uitlegtekening) over wat een activiteit is in de sector Zorg & Welzijn. Gebruik pijlen, blokken of symbolen. Je mag tekenen en/of woorden gebruiken.
Je infographic bevat:
✖ een definitie van ‘activiteit’;
✖ vier mogelijke doelen van een activiteit;
✖ vier kenmerken (zoals individueel/groep);
✖ de rol van de begeleider.

Een vrijwilliger organiseert spontaan een knutselactiviteit met zes kinderen. De ruimte is klein, er zijn te weinig materialen en de uitleg is rommelig. Eén kind doet niet mee, een ander raakt gefrustreerd.
a Waarom verliep deze activiteit niet goed? Geef voorbeelden bij je uitleg.
b Welke onderdelen van een goede voorbereiding zijn hier vergeten?
c Wat had jij als begeleider anders gedaan?
Als je werkt in de sector Zorg & Welzijn, begeleid je vaak activiteiten voor anderen. Maar voor wie precies? De mensen die meedoen aan jouw activiteit noemen we de doelgroep. Elke doelgroep is anders. Leeftijd, mogelijkheden, beperkingen en interesses spelen allemaal een rol. Als begeleider moet je je goed verdiepen in wie je voor je hebt. Zo zorg je ervoor dat de activiteit goed aansluit en dat iedereen mee kan doen.
Hieronder lees je per leeftijdsgroep wat belangrijke kenmerken zijn en waar je rekening mee moet houden.
0–1 jaar: baby
✖ Een baby kan nog niet zelf zitten of lopen.
✖ Een baby is gevoelig voor licht, geluid en aanraking.
✖ Activiteiten draaien om zintuigen (zien, horen, voelen): rustige muziek, zachte materialen, wiegen/bewegen.
✖ Let op rust, veiligheid en nabijheid (dichtbij zijn).
✖ Een dreumes leert lopen, klimmen en eerste woorden zeggen.
✖ Een dreumes wil veel zelf proberen.
✖ Kan zich maar heel kort concentreren.
✖ Activiteiten zijn kort en afwisselend: voelen, stapelen, rollen, eenvoudige liedjes.
2–4 jaar: peuter
✖ Een peuter praat meer.
✖ Speelt graag alleen én naast andere kinderen.
✖ 'Zelf doen!’ is belangrijk voor een peuter.
✖ Een peuter kan nog niet lang stilzitten.
✖ Activiteiten: ontdekken en bewegen. Denk aan bouwen, verven, muziek maken, eenvoudige spelletjes.
4–6 jaar: kleuter
✖ Een kleuter heeft veel fantasie.
✖ Een kleuter houdt van samen spelen.
✖ Een kleuter begrijpt eenvoudige regels en stappen.
✖ Activiteiten: rollenspel, knutselen, dansen, eenvoudige opdrachten met begin–midden–eind.




6–12 jaar: schoolkind
✖ Een schoolkind kan langer samenwerken.
✖ Een schoolkind wil graag iets leren of bereiken.
✖ Denkt logischer en kan instructies in stappen volgen.
✖ Activiteiten: sport en spel met regels, opdrachten met een doel, projecten (bijvoorbeeld iets maken of onderzoeken).
12–21 jaar: puber/adolescent
✖ Een puber zoekt zelfstandigheid.
✖ Een puber heeft behoefte aan contact met leeftijdsgenoten.
✖ Identiteit (wie ben ik?) is belangrijk voor een puber.
✖ Motivatie is belangrijk: het moet leuk of zinvol zijn.
✖ Activiteiten: muziek, media, sport, creatieve projecten, sociale acties. Laat ruimte voor eigen keuzes.
Vanaf 21 jaar: volwassene
✖ Er zijn grote verschillen: werk, gezin, hobby’s, tijd en energie variëren.
✖ Een volwassene wil vaak iets wat past bij persoonlijke doelen (ontspanning, gezondheid, ontwikkeling).
✖ Activiteiten: cursussen, sport, creatieve hobby’s, bijeenkomsten rond interesse of netwerk.
60 jaar en ouder: oudere
✖ Een oudere heeft vaak behoefte aan contact, herkenning en een rustig tempo.
✖ Een oudere heeft mogelijk fysieke klachten (bijvoorbeeld minder horen/zien) of minder energie.
✖ Activiteiten: geheugenspellen, muziek van vroeger, rustig bewegen (wandelen, gym), samen praten/ herinneren.
80 jaar en ouder: (hoog)bejaarde
✖ Een (hoog)bejaarde is kwetsbaarder, sneller moe.
✖ Soms is er sprake van dementie (geheugenproblemen).
✖ Een (hoog)bejaarde heeft veel behoefte aan veiligheid, nabijheid en duidelijke structuur (vaste volgorde).
✖ Activiteiten: eenvoudige, korte momenten met herkenning (foto’s, bekende liedjes), lichte beweging, tast- en geurervaringen.





Sommige deelnemers hebben extra ondersteuning nodig door een beperking. Ook dat beïnvloedt je activiteit.
Fysieke (lichamelijke) beperking
✖ Bijvoorbeeld iemand in een rolstoel of met beperkte handfunctie.
✖ Zorg voor bereikbaarheid, aangepaste materialen of extra begeleiding.

Verstandelijke beperking
✖ Moeite met begrijpen, onthouden of communiceren.
✖ Activiteiten moeten eenvoudig en duidelijk zijn, met herhaling en voorbeeld.

Zintuiglijke beperking
✖ Bijvoorbeeld slechtziend, blind, slechthorend of doof.
✖ Zorg voor alternatieven in communicatie: grote afbeeldingen, gebaren, duidelijke spraak, sensorische materialen (materialen die je kunt voelen).

De belevingswereld is wat iemand boeiend, leuk of belangrijk vindt. Dit is anders voor kinderen dan voor ouderen. Stem je activiteit hierop af:
✖ Kinderen: fantasie, spel, avontuur;
✖ Jongeren: vriendschap, zelfstandigheid;
✖ Ouderen: rust, structuur, herinneringen.
Als begeleider stem je je uitleg, toon, tempo en houding af op je doelgroep. Zo voelen deelnemers zich gezien én lukt de activiteit beter.
Uit de praktijk
Op de bso begeleidt Ruben een groep kinderen van 6 tot 12 jaar. Tijdens een sport- en spelmiddag merkt hij dat de jongste kinderen vooral behoefte hebben aan korte uitleg en eenvoudige regels. De oudere kinderen willen juist meer uitdaging. Ruben besluit de groep te splitsen. De jongsten doen een simpel estafettespel. De oudsten krijgen een moeilijkere versie met extra opdrachten. Zo kan iedereen meedoen op zijn eigen niveau en blijft de sfeer positief.
1 Activiteit

Noem per doelgroep één belangrijk kenmerk en één voorbeeld van een activiteit die bij de doelgroep past.
Doelgroep
Peuters (2-4 jr)

Jongeren (12-21 jr)

Ouderen (60-80 jr)

Kenmerk
Activiteit
2 Knutselen in het speciaal onderwijs
Je helpt bij een knutselactiviteit op een school voor speciaal onderwijs. In je groep zit één leerling die slechtziend is en één leerling met een licht verstandelijke beperking. Wat hebben deze leerlingen nodig om mee te kunnen doen?
Deelnemer Aanpassing aan activiteit Extra uitleg Rekening houden met belevingswereld
Slechtziende leerling
Leerling met verstandelijke beperking
3 Sport- en spelmiddag
Je loopt stage bij de bso van een basisschool. Je mag meehelpen bij het voorbereiden van een sport- en spelmiddag voor kinderen van 6 tot 12 jaar.
a Bedenk een activiteit die bij deze kinderen past.
b Wat is het doel van de activiteit die je bedacht hebt?
c Hoe past deze activiteit bij hun belevingswereld van kinderen van 6 tot 12 jaar.?
d Hoe moet je de activiteit, die je bedacht hebt, voorbereiden?
Herhalingsopdrachten
4 Belevingswereld
Wat is een kenmerk van de belevingswereld van pubers?
◯ Ze houden van structuur en herinneringen.
◯ Ze willen vooral fantaseren en bouwen.
◯ Ze willen alles naspelen en nadoen.
◯ Ze zoeken vriendschap en zelfstandigheid.
5 Aanpassingen
Welke aanpassing hoort bij welke beperking?
Slechtziend • • Gebaren en duidelijke spraak
Verstandelijke beperking • • Grote afbeeldingen en sensorische materialen
Doof of slechthorend • • Korte uitleg met voorbeeld en herhaling
Verdiepingsopdrachten
6 Instructiekaart
Maak een instructiekaart voor kleuters (4-6 jaar) voor de activiteit Samen schilderen.
Gebruik:
✖ grote letters en eenvoudige woorden;
✖ tekeningen of pictogrammen;
✖ maximaal drie duidelijke stappen.
Teken of schrijf je instructiekaart.
Muziekmiddag
Je werkt in een verzorgingstehuis voor ouderen. Er is een muziekmiddag georganiseerd. Eén deelnemer trekt zich stilletjes terug.
a Wat kan een reden zijn waarom deze deelnemer zich terugtrekt?
b Wat zegt dit over verschillen binnen een doelgroep?
c Hoe kun je als begeleider omgaan met verschillen?
Als je een activiteit organiseert, is het belangrijk om te weten hoe de groep is samengesteld.
Bestaat de groep uit mensen van dezelfde leeftijd? Hebben ze vergelijkbare interesses of juist niet? Zijn het bekenden van elkaar of vreemden? De samenstelling van de groep bepaalt hoe je de activiteit aanpakt.
Manieren om groepen in te delen.
Je kunt groepen op verschillende manieren indelen:
1 Leeftijd
- Horizontale groep: mensen van ongeveer dezelfde leeftijd, zoals een groep peuters of tieners. De mensen in de groep hebben meestal ook een vergelijkbaar doel, zoals ontspannen of iets nieuws leren.
- Verticale groep: verschillende leeftijden door elkaar, zoals een opa, moeder en kleinkind die samen iets doen. De mensen in de groep zitten in verschillende ontwikkelingsfasen en kunnen dus van elkaar leren.
2 Overeenkomsten of verschillen
- Homogene groep: deelnemers lijken op elkaar, bijvoorbeeld alleen mensen die moeilijk of helemaal niet kunnen lopen of alleen mensen met dementie.
- Heterogene groep: er is veel verschil tussen de deelnemers, bijvoorbeeld een groep met jongeren en ouderen, of mensen met en zonder beperking.
De groepssamenstelling heeft invloed op:
✖ je uitleg (bijvoorbeeld je taalgebruik);
✖ je tempo (sneller of rustiger);
✖ je keuzes voor materialen (eenvoudig of gevarieerd);
✖ de sfeer (bekenden of vreemden).
Bij heterogene groepen moet je vaak extra rekening houden met verschillende behoeften en niveaus. Je probeert dan een activiteit te kiezen waarbij iedereen kan meedoen op zijn of haar eigen manier. Bij homogene groepen kun je je uitleg en aanpak specifieker maken. Dat kan prettig zijn voor bijvoorbeeld kleuters of mensen met een verstandelijke beperking.
Als begeleider observeer je de groep en pas je je aan. Je zorgt ervoor dat iedereen zich veilig voelt, kan meedoen en zich serieus genomen voelt.
In het wijkcentrum begeleidt Mila een knutselactiviteit voor kinderen van verschillende leeftijden. In dezelfde groep zitten een kleuter, twee schoolkinderen en een tiener. Ze merkt dat iedereen iets anders nodig heeft. De jongsten willen vooral zien hoe het moet, de tiener helpt liever zelfstandig. Mila doet daarom de eerste stap voor aan de hele groep en geeft daarna verschillende opdrachten op maat. De oudere kinderen mogen de jongsten helpen. Zo werkt iedereen op zijn eigen niveau en blijft de sfeer rustig.
1 Begrippen uitleggen

Deze paragraaf gaat over horizontale, verticale, homogene en heterogene groepen.
a Leg in je eigen woorden uit wat een horizontale groep is. Geef er een voorbeeld bij.
b Leg in je eigen woorden uit wat een verticale groep is. Geef er een voorbeeld bij.
c Leg in je eigen woorden uit wat een homogene groep is. Geef ook een voorbeeld.
d Leg in je eigen woorden uit wat een heterogene groep is. Geef er een voorbeeld bij.

In een activiteitencentrum wordt een schilderworkshop gegeven. De deelnemers zijn acht volwassenen tussen de 30 en 40 jaar, allemaal ouders van jonge kinderen. Ze kennen elkaar van school.
a Is dit een horizontale of verticale groep?
◯ Horizontale groep
◯ Verticale groep
b Is dit een homogene of heterogene groep?
◯ Homogene groep
◯ Heterogene groep
c Leg je antwoorden op de vorige twee vragen uit.
3 Vlaggetjesslinger
Voor de verjaardag van een van de leidsters van de bso ga je samen met een groepje kinderen van 4 tot 12 jaar een vlaggetjesslinger maken. Daarna gaan jullie de slinger ophangen.
a Wat is de groepssamenstelling?
Omcirkel de twee juiste woorden.
Het is een horizontale | verticale, homogene | heterogene groep.
b Wat moet je uitleggen, zodat de kinderen weten wat ze moeten doen?
c Waar moet je op letten als je de instructie geeft?
Maak je antwoord zo praktisch mogelijk, geef er voorbeelden bij.
4 Verticale groep
Wat is een voorbeeld van een verticale groep?
◯ Een groep van allemaal vijfjarigen.
◯ Een groep met kinderen, ouders en opa’s.
◯ Een groep ouderen met geheugenproblemen.
◯ Een team van collega’s op kantoor.
5 Groep herkennen in situatie
Welke groepskenmerken passen bij deze situaties?
Bij elke situatie horen twee kenmerken.
Activiteit met tieners van dezelfde school.
Spelmiddag in een wijkcentrum voor jong en oud.
Horizontale groep Verticale groep Homogene groep Heterogene groep
Met MIXED ga je praktisch aan de slag, zodat je kunt ontdekken wat jij écht leuk vindt en waar jij goed in bent. Geen saaie boeken, maar vooral praktische opdrachten waarbij je trots kunt zijn op de prestaties die je neerzet en de producten die je maakt. Door te doen ontdek je ook welke beroepen en beroepscontexten bij jouw interesses en kwaliteiten passen. We wensen jou veel succes, maar vooral ook veel plezier bij het uitvoeren van de opdrachten!
Team MIXED



