Skip to main content

9006781366 vwo geschiedenis

Page 1

examen bundel examenbundel.nl

examenbundel 2020 2021

examenbundel vwo Nederlands vwo Engels vwo Duits vwo Frans vwo Economie vwo Bedrijfseconomie vwo Maatschappijwetenschappen vwo Geschiedenis vwo Aardrijkskunde vwo Wiskunde A vwo Wiskunde B vwo Wiskunde C vwo Scheikunde vwo Biologie vwo Natuurkunde

samengevat vwo Economie vwo Bedrijfseconomie vwo Maatschappijwetenschappen vwo Geschiedenis vwo Aardrijkskunde vwo Wiskunde A

Meer dan alleen oefenexamens

Tips, tricks en informatie die jou helpen bij het slagen voor je eindexamen vind je op examenbundel.nl! Nog meer kans op slagen? Volg ons ook op social media. #geenexamenstress

vwo Wiskunde B vwo Wiskunde C vwo Scheikunde vwo Biologie vwo Natuurkunde

vwo

havo/vwo Nederlands 3F/4F havo/vwo Rekenen 3F/4F

Geschiedenis

examenidioom + examenbundel + samengevat + zeker slagen! = #geenexamenstress

2020 2021

vwo

Geschiedenis

examenidioom vwo Engels vwo Duits vwo Frans

zeker slagen ! voor vmbo, havo ĂŠn vwo

EB_vwo_geschiedenis_170x240.indd 1

9 789006 781366

3/06/20 08:30


KA 

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 20

24/04/20 09:54


examenbundel.nl

examen bundel Meer dan alleen oefenexamens

2020 2021

vwo

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 1

M.M.P.C. Bolink Y. Bouw

Geschiedenis

24/04/20 09:54


Colofon Auteurs M.M.P.C. Bolink Y. Bouw Vormgeving binnenwerk Maura van Wermeskerken, Apeldoorn Opmaak Crius Group, Hulshout Auteur stappenplan T.H.J. Heutmekers Vormgeving stappenplan OudZuid Ontwerp, Dieren

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 78136 6 Eerste druk, eerste oplage, 2020 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2020 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechten­onderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 2

25/05/20 15:00


Voorwoord Wanneer je examen gaat doen, wil je natuurlijk vertrouwd zijn met de examenstof en het soort vragen dat je moet beantwoorden. Met deze examenbundel kun je je goed voor­ bereiden op het centraal examen geschiedenis voor het vwo. Wat moet je weten? Het centraal examen geschiedenis 2021 toetst domein A en domein B. Domein A heeft betrekking op historisch denken en redeneren, domein B op de tien tijdvakken en de bijbehorende kenmerkende aspecten (oriëntatiekennis). Er zijn ken­merkende aspecten die uitgewerkt zijn in vier historische contexten (gedefinieerde kenmerkende aspecten) en kenmerkende aspecten die dat niet zijn (niet-gedefinieerde kenmerkende aspecten). Het centraal examen toetst beiden. De 1 2 3 4

vier historische contexten zijn: De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1515-1648) Verlichtingsideeën en de democratische revoluties (1650-1848) Duitsland (1871-1945) De Koude Oorlog (1945-1991)

Deze examenbundel bevat zowel vragen over deze vier historische contexten (de gedefinieerde kenmerkende aspecten), als vragen over de niet-gedefinieerde kenmerkende aspecten. Bovendien stellen de vragen je in staat te oefenen met historisch denken en redeneren. De examenbundel bevat de volgende onderdelen: • oriëntatietoets Door deze toets te maken kun je bepalen welke onderdelen uit de historische contexten je al wel of nog niet voldoende beheerst. De antwoorden staan op www.examenbundel.nl. Op grond van je score krijg je een studieadvies. • deel 1a: proefexamen met uitwerkingen. Het proefexamen is representatief voor wat je kunt verwachten bij het centraal examen geschiedenis 2021. Bij alle uitwerkingen staan ‘aandachtspunten’, die je helpen tot een goed antwoord op de vraag te komen. • deel 1b: oefenvragen over de vier historische contexten met uitwerkingen. Dit deel toetst je kennis over de vier historische contexten en de daarbij behorende voorbeelden. Je moet een verband kunnen leggen tussen historische gebeurtenissen en de voorbeelden en een bepaald kenmerkend aspect. Daarom staat steeds bij elke vraag het betreffende kenmerkend aspect (KA) met bijbehorend nummer. Alle voorbeelden die je moet kennen bij de historische contexten worden in deze examenbundel getoetst. • deel 2a: de examens van 2018 en 2019, beide van het eerste tijdvak, met uitwerkingen en aandachtspunten. • deel 2b: hierin vind je een stappenplan dat je kan helpen bij het werken met deze examenbundel. • bijlagen: achterin de bundel vind je een tabel om je ‘cijfer’ te bepalen na het maken van de examens van 2018 en 2019, een overzicht van belangrijke internetsites en de bronvermeldingen.

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 3

3

25/05/20 15:00


Examenbundel 2020 | 2021

Na het doornemen van de examenbundel kun je de Quickscan maken op www.examenbundel.nl. Dat is een digitale toets waarmee je snel je kennis test. Deze examenbundel geeft je volop de gelegenheid in je eigen tijd en in je eigen tempo met alle onderwerpen van de examenstof vertrouwd te raken. De uitwerkingen bij de oefenvragen zijn voorbeelden van een juist antwoord en zijn bedoeld om jezelf te controleren. Probeer eerst een opgave zelf te maken. Bekijk de uitwerking pas als je zelf een antwoord hebt gegeven. Raadpleeg ook andere onderdelen van deze examenbundel. Al doende leer je steeds meer over de onderwerpen en oefen je de vaardigheden die voor het centraal examen geschiedenis van belang zijn. Het examen geschiedenis vwo wordt afgenomen op dinsdag 18 mei 2021 tussen 09:00-12:00. We wensen je daarbij alvast veel succes. Wil je reageren op deze examenbundel of heb je suggesties, dan kun je ons mailen: vo@thiememeulenhoff.nl. Amersfoort, mei 2020 De overheid stelt regels op die betrekking hebben op specifieke examenonderwerpen, de hulpmiddelen die je tijdens je examen mag gebruiken, duur en datum van je examen, etc. Hoewel deze examenbundel met de grootst mogelijke zorgvuldigheid is samengesteld, kunnen auteurs en uitgever geen aansprakelijkheid aanvaarden voor aanwijzingen die betrekking hebben op publicaties van de overheid. Het is altijd raadzaam je docent of onze website www.examenbundel.nl te raadplegen voor actuele informatie die voor jouw examen van belang kan zijn.

Begin met het stappenplan! Wil je weten hoe je het best leert en oefent met deze examenbundel? Bekijk dan eerst het stappenplan in deel 2b.

4

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 4

© ThiemeMeulenhoff

26/05/20 16:22


Inhoud

3 Voorwoord 6 Informatie 6 Examenvoorbereiding 12 Examen doen 13 Begrippen geschiedenis 16 Een overzicht van de 49 kenmerkende aspecten en de 10 tijdvakken Oriëntatietoets

Deel 2a

Examens met uitwerkingen

21 Opgaven

Deel 1a

Oefenen met examenvragen

Proefexamen 39 Opgaven 57 Uitwerkingen met aandachtspunten

Examen 2018-I 145 Opgaven 157 Uitwerkingen met aandachtspunten Examen 2019-I 169 Opgaven 180 Uitwerkingen met aandachtspunten

Deel 2b Deel 1b

Oefenen op onderwerp

Historische contexten 73 1  De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 1515-1648 Opgaven 85 2  Verlichtingsideeën en de ­democratische revoluties 1650-1848 Opgaven 97 3  Duitsland 1871-1945 Opgaven 112 4  De Koude Oorlog 1945-1991 Opgaven 125 1  De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 1515-1648 Uitwerkingen 129 2  Verlichtingideeën en de democratische revoluties 1650-1848 Uitwerkingen 133 3  Duitsland 1871-1945 Uitwerkingen 137 4  De Koude Oorlog 1945-1991 Uitwerkingen

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 5

193

Stappenplan Bijlagen

Cijferbepaling Internetadressen Bronnen

5

25/05/20 15:00


Informatie Examenvoorbereiding Om goed voorbereid te zijn op het centraal examen is een drietal zaken belangrijk: 1 het oefenen met historisch denken en redeneren (domein A); 2 het oefenen met de historische contexten (de kenmerkende aspecten uit tijdvak 5 t/m 10 die wel zijn uitgewerkt); 3 het oefenen met oriëntatiekennis (tijdvak 1 t/m 10). Deze examenbundel veronderstelt dat je in de lessen geschiedenis kennis hebt gemaakt met tijdvak 1 t/m 10 en de historische contexten. Het veronderstelt ook dat je hebt geoefend met historisch denken en redeneren. Deze bundel stelt je in staat om in het examenjaar zelf te oefenen met bovenstaande drie zaken. Een overzicht van de negenenveertig kenmerkende aspecten en de tien tijdvakkken vind je verderop in deze bundel. Voor het centraal examen is het van belang dat je op een historische manier kunt denken en redeneren. Dit wordt hieronder beschreven in domein A. In domein B wordt beschreven wat je moet weten van de kenmerkende aspecten. Verder is er aandacht voor de manier waarop je bronnen beoordeelt, welke soorten vragen er op het examen worden gesteld en welke formuleringen daarbij worden gebruikt en hoe je antwoorden worden beoordeeld. In dit hoofdstuk zie je belangrijke begrippen rood gedrukt. Bij elke eindterm wordt ten minste een voorbeeldvraag uit de bundel genoemd. Aan het eind van dit hoofdstuk vind je een woordenlijst waarin alle roodgedrukte begrippen nog eens worden toegelicht. Domein A: Historisch denken en redeneren Hieronder volgen de eindtermen. Ze zijn genummerd van 1 t/m 8. 1 De examenkandidaat kan: – gebeurtenissen uit zijn eigen leven alsmede verschijnselen, gebeurtenissen en personen uit de geschiedenis met behulp van een tijdbalk of een andere vorm van chronologische schematisering ordenen en daarbij de volgende aanduidingen van tijd en tijdsindeling gebruiken: jaren, eeuwen, tijdvakken, perioden en jaartellingen. – met gebruikmaking van voorbeelden uit de perioden- en tijdvakkenindeling, de westers-christelijke jaartelling en een ander voorbeeld van een jaartelling of periodisering / meerdere andere voorbeelden van jaartellingen of periodiseringen uitleggen dat chronologische indelingen interpretatief van aard zijn en (mede) afhangen van de standplaats die men inneemt en/of de vraag die men wil beantwoorden. Voorbeeldvragen bij eindterm 1 zijn: • Vraag 2, Oriëntatietoets • Vraag 12, HC Verlichtingsideeën en democratische revoluties • Vraag 11, Examen 2018-I 2 De examenkandidaat kan: – de volgende tijdvakken met bijbehorende tijdsgrenzen in chronologische volgorde noemen en als referentiekader gebruiken: – tijdvak 1: tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus) / Prehistorie; – tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen (3000 voor Christus - 500 na Christus) / Oudheid; – tijdvak 3: tijd van monniken en ridders (500-1000) / Vroege Middeleeuwen; – tijdvak 4: tijd van steden en staten (1000-1500) / Hoge en Late Middeleeuwen;

6

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 6

© ThiemeMeulenhoff

24/04/20 09:54


Geschiedenis vwo

– tijdvak 5: tijd van ontdekkers en hervormers (1500-1600) / Renaissancetijd / zestiende eeuw; – tijdvak 6: tijd van regenten en vorsten (1600-1700) / Gouden Eeuw / zeventiende eeuw; – tijdvak 7: tijd van pruiken en revoluties (1700-1800) / eeuw van de Verlichting / achttiende eeuw; – tijdvak 8: tijd van burgers en stoommachines (1800-1900) / industrialisatietijd / negentiende eeuw; – tijdvak 9: tijd van de wereldoorlogen (1900-1950) / eerste helft twintigste eeuw; – tijdvak 10: tijd van televisie en computer (vanaf 1950) / tweede helft twintigste eeuw.

Voorbeeldvragen bij eindterm 2 zijn: • Vraag 6, Oriëntatietoets • Vraag 20, Proefexamen • Vraag 1, Examen 2018-I 3 De examenkandidaat kan: – de tijdvakken van eindterm 2 plaatsen in de periodes Prehistorie, Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne Tijd en Moderne Tijd. – uitleggen dat de indeling in perioden en tijdvakken een westers perspectief op de geschiedenis vertegenwoordigt en wat de beperkingen en bezwaren daarvan kunnen zijn. – in historische processen de samenhang tussen veranderingen en continuïteit beschrijven. Voorbeeldvragen bij eindterm 3 zijn: • Vraag 15, Oriëntatietoets • Vraag 28, Oriëntatietoets • Vraag 15, HC Koude Oorlog 4 De examenkandidaat kan: – de betekenis van historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen voor het heden aangeven. – verschillende soorten historische verandering onderscheiden. – door het onderscheiden van continuïteiten van langere en kortere duur onderkennen hoe elementen afkomstig uit verschillende tijdvakken zich gelijktijdig in één tijdvak kunnen manifesteren (de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige). Voorbeeldvragen bij eindterm 4 zijn: • Vraag 10, Oriëntatietoets • Vraag 6, Proefexamen • Vraag 12, HC Duitsland 5 De examenkandidaat kan: – een vraag en een daarop aansluitende hypothese formuleren. – voor een vraag bruikbaar bronnenmateriaal verwerven en gegevens eruit selecteren. Zie verderop in de tekst onder Aandachtspunten bij het beoordelen van bronnen. Voorbeeldvragen bij eindterm 5 zijn: • Vraag 27, Oriëntatietoets • Vraag 4, Proefexamen • Vraag 7, HC Republiek

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 7

7

24/04/20 09:54


Informatie

Examenbundel 2020 | 2021

6 De examenkandidaat kan: – in het kader van een historische vraagstelling verklaringen geven voor historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen. – onderscheid maken tussen verschillende soorten oorzaken en gevolgen. Voorbeeldvragen bij eindterm 6 zijn: • Vraag 19, HC Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden • Vraag 7, HC Verlichting • Vraag 4, HC Duitsland 7 De examenkandidaat kan: – bij het geven van oordelen over het verleden rekening houden met: – het onderscheid tussen feiten en meningen; – tijd- en plaatsgebondenheid van interpretaties en oordelen afkomstig van personen uit het verleden en afkomstig van hedendaagse personen, onder wie hij zelf; – de rol van waardepatronen (normen en waarden) in heden en verleden; – het ondersteunen van uitspraken met behulp van argumenten. Voorbeeldvragen bij eindterm 7 zijn: • Vraag 7, Oriëntatietoets • Vraag 12, HC Duitsland • Vraag 10, Examen 2018-I Domein B: Oriëntatiekennis 8 De examenkandidaat kan voor elk van de tien tijdvakken: – de kenmerkende aspecten voor ieder tijdvak noemen. – bij elk kenmerkend aspect van een tijdvak een passend voorbeeld geven van een gebeurtenis, ontwikkeling, verschijnsel of handeling dan wel gedachtegang van een persoon en dit voorbeeld gebruiken om het betreffende aspect te verduidelijken. – uitleggen hoe kennis van het betreffende tijdvak de oriëntatie op de hedendaagse werkelijkheid beïnvloedt. – uitleggen dat de betekenis die aan tijdvakken wordt toegekend mede afhangt van de tijd, plaats en omstandigheden waarin mensen zich met het verleden bezighouden. Voorbeeldvragen bij eindterm 8 zijn: • Vraag 17, HC Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden • Vraag 1, HC Verlichtingsideeën en democratische revoluties • Vraag 8, HC Koude Oorlog Aandachtspunten bij het beoordelen van bronnen (zie domein A, eindterm 5) Door het bestuderen van bronnen kan een gebeurtenis uit het verleden zo betrouwbaar mogelijk worden weergegeven. Voor verschillende typen bronnen staan hierna enkele aandachtspunten op een rij. Dit helpt bij het beoordelen van de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid en representativiteit van een bron. I Wat voor soort bron is het? – Geschreven of ongeschreven. – Bijvoorbeeld: is het een prent, kaart, foto, cartoon, affiche, grafiek of tabel? II Uit welke tijd is de bron afkomstig? – Is de bron gemaakt in de tijd waarover de bron gaat? – Is de bron later gemaakt? Zo ja, wanneer?

8

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 8

© ThiemeMeulenhoff

24/04/20 09:54


Geschiedenis vwo

III Waarvandaan is de bron afkomstig? – Bijvoorbeeld: komt de bron uit een boek, tijdschrift of een krant? – Bijvoorbeeld: is het een overheidsbron of geen overheidsbron? IV

Wat is er bekend over de maker van de bron? – Wie? Wat voor iemand? Welke functie? Verhouding tot de gebeurtenis? – Was de maker aanwezig bij de gebeurtenis die in de bron wordt weergegeven? – Met welke bedoeling (reden) heeft de maker de bron gemaakt (motief)? Wil de maker informeren, propaganda maken, voorlichten of misschien misleiden? – Was de maker zelf betrokken bij de gebeurtenis? – Wat weet je van de plaatsgebondenheid van de maker?

V De inhoud van de bron? a Geschreven bron. – Waarover gaat de informatie? – Voor wie is de informatie in de bron bestemd? – Wat is het doel van de informatie: voorlichting, propaganda? – Wat voor feiten, meningen, (voor)oordelen, opvattingen worden gegeven in de bron? – Gelden deze feiten, meningen, (voor)oordelen, opvattingen voor een groep, een volk of een persoon? b Beeldbron. – Wat staat er centraal in de afbeelding (bijvoorbeeld een cartoon, foto, tekening, prent, schilderij)? – Hoe heeft de maker van de afbeelding ervoor gezorgd dat bepaalde personen meer opvallen dan anderen? – Zijn bepaalde zaken overdreven weergegeven? – Wat doen de personen op de afbeelding? – Waar kijken de personen naar? – Welke voorwerpen zie je op de afbeelding en waarvoor dienen ze? – Welke symbolen zie je en waar verwijzen ze naar? – Welke woorden, namen en begrippen staan in de afbeelding? – Welk onderschrift staat er bij de afbeelding? – Op welke manier maakt het onderschrift deel uit van de afbeelding? – Waarom is de afbeelding gemaakt? Cartoons/spotprenten drijven vooral de spot, niet zozeer met een gebeurtenis alswel met een persoon (of personen). Affiches zijn vaak bedoeld om een partij, een organisatie of een bepaald standpunt onder de aandacht te brengen. Propagandaposters zijn bedoeld om mensen van een bepaalde mening te overtuigen. Om dit te bereiken wordt bij propaganda geen middel geschuwd om de publieke opinie te beïnvloeden.

V.l.n.r. foto (bron 17, Proefexamen), verkiezingsposter (bron 6, HC Duitsland) en spotprent (bron 17, Oriëntatietoets).

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 9

9

24/04/20 09:54


Informatie

Examenbundel 2020 | 2021

VI Hoe betrouwbaar is de bron? De betrouwbaarheid van een bron heeft betrekking op de vraag of de bron gegevens oplevert die als feitelijk juist kunnen worden beschouwd. Vragen die je dan moet stellen zijn: – is de bron geschreven of gemaakt in de tijd waarover hij gaat of in een (veel) latere tijd? – is de schrijver/maker van de bron goed geïnformeerd? – met welke bedoelingen heeft de schrijver/maker zijn bron gemaakt? – wordt de bron door andere bronnen bevestigd of tegengesproken? – staan er bij de mening in de bron argumenten die controleerbaar zijn? VII Is de maker van de bron representatief voor de groep waarvan hij/zij deel uitmaakt? VIII Hoe bruikbaar is de bron? De bruikbaarheid van een bron hangt af van wat je wilt onderzoeken (de hoofdvraag of de onderzoeksvraag). Welke soorten vragen kun je op het centraal examen verwachten? De meest voorkomende soorten vragen uit de centrale examens van de afgelopen jaren zijn: 1 vragen bij een tekstbron. 2 vragen zonder bron over de examenstof. 3 vragen bij een beeldbron: bijvoorbeeld een prent, foto, schilderij, affiche, cartoon of propagandaposter. 4 vragen waarbij je een aantal gebeurtenissen in de juiste tijdvolgorde moet plaatsen, van vroeger naar later. 5 vragen naar aanleiding van een bewering. Je moet zo’n bewering toelichten, ondersteunen met argumenten of juist weerleggen. 6 vragen die duidelijk maken dat je een verband kunt leggen tussen verschillende gebeurtenissen of beweringen. 7 vragen waarbij je moet laten zien dat je weet wat een historisch onderzoek inhoudt. Je bent dan bezig met het beoordelen van bronnen op bruikbaarheid, betrouwbaarheid en/of representativiteit. 8 vragen bij een cijfermatige bron, zoals een tabel of grafiek.

10

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 10

© ThiemeMeulenhoff

24/04/20 09:54


Geschiedenis vwo

ďťż

Vraagformuleringen De meest voorkomende vraagformuleringen zijn: 1 Leg uit welk verband er bestaat tussen ... met een of twee argumenten ... welk(e) ... waardoor ... waarom ... 2 Noem een kenmerk ... een argument ... een reden ... de maatregel die ... dit verschil van mening. 3 Zet deze gebeurtenissen in de juiste tijdvolgorde, van vroeger naar later. 4 Licht dit toe door ... met voorbeelden toe ... beide beweringen toe. 5 Toon aan dat ... dit aan door ... 6 Ondersteun elke bewering met de bron. beide onderdelen van deze interpretatie. 7 Beredeneer of beargumenteer ... dat ... waarom ... deze bewering ... 8 Verklaar

Š ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 11

11

24/04/20 09:54


Informatie

Examenbundel 2020 | 2021

Examen doen Hoe ziet het centraal examen geschiedenis eruit en hoe lang duurt het examen? Op het examen krijg je twee boekjes: 1 een boekje met bronnen (het aantal bronnen is naar schatting 15); 2 een boekje met vragen (het aantal vragen is naar schatting 28). De vragen zijn onderverdeeld naar de periodes Prehistorie, Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne Tijd en Moderne Tijd. Voor elke vraag staat het aantal te behalen punten en eventueel een verwijzing als je een bron dient te gebruiken. In totaal kunnen er ongeveer vijfenzeventig punten worden behaald. De vragen over de historische contexten en de daarbij behorende kenmerkende aspecten beslaan ongeveer 65% van de examenvragen, de oriëntatiekennis de overige ongeveer 35% (zie tabel hieronder). Het aantal te behalen punten wordt op deze manier verdeeld. Het centraal examen duurt drie uur en je krijgt voor het merendeel open vragen. Deze examenbundel geeft je op drie manieren de mogelijkheid te wennen aan het maken van een centraal examen: – Het bevat een Proefexamen (deel 1a) dat representatief is voor het centraal examen 2021. De enige afwijking is dat er wel bronnen zijn, maar geen apart bronnenboekje. Daarnaast kunnen het aantal bronnen en te behalen punten iets afwijken. – Het bevat de examens van 2018, 2019 en 2020, eerste tijdvak. ± 35% van de scorepunten:

± 65% van de scorepunten:

Oriëntatiekennis: tijdvak 1 t/m 4

Historische contexten

Oriëntatiekennis: kenmerkende aspecten van tijdvak 5 t/m 10 die niet voorkomen in de historische contexten

Oriëntatiekennis: kenmerkende aspecten die voorkomen in de historische contexten

Tijdens het examen Uit het aantal punten dat voor een vraag staat, kun je afleiden uit welke onderdelen je antwoord moet bestaan. Voor het antwoord op een standaardvraag krijg je 2 punten, er wordt dan vaak een voorbeeld, argument of begrip gevraagd. Bij een vraag waarmee je 3 punten kunt verdienen, moet het antwoord drie onderdelen hebben: een naam, begrip, gebeurtenis of omschrijving met daarbij twee voorbeelden of argumenten. 4 punten worden gegeven bij vragen waar je in het antwoord twee personen of begrippen moet noemen met bijbehorende voorbeelden, argumenten of toelichting. De vragen waarmee je 5 of meer punten kunt verdienen, bestaan vaak uit meerdere onderdelen. Je moet bijvoorbeeld eerst een aspect van een bron toelichten en die bron vervolgens met voor- en tegenargumenten beoordelen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid. De normering van het centraal examen en de vaststelling van je cijfer Je examen wordt eerst nagekeken door je eigen docent. Vervolgens wordt het beoordeeld door een geschiedenisdocent van een andere school. Samen stellen deze docenten het uiteindelijke puntentotaal vast. Afhankelijk van de landelijke examenresultaten wordt door de centrale examencommissie de norm vastgesteld, dat is de omrekening van punten naar cijfers. Hulpmiddelen Bij het centraal examen geschiedenis is alleen het basispakket aan hulpmiddelen toegestaan. Het basispakket bestaat uit schrijfmateriaal, tekenpotlood, blauw en rood kleurpotlood, liniaal met millimeterverdeling, passer, geodriehoek, gum, elektronisch rekenapparaat, een eendelig verklarend woordenboek Nederlands of een woordenboek van het Nederlands naar een vreemde taal.

12

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 12

© ThiemeMeulenhoff

24/04/20 09:54


Geschiedenis vwo

Begrippen geschiedenis In deze lijst staan veelvoorkomende begrippen uit examenvragen. Elk begrip wordt kort uitgelegd, soms met behulp van een voorbeeld. De lijst is niet volledig. In overleg met je docent kun je de lijst uitbreiden met andere begrippen die je in vragen of bronnen tegenkomt. Aanleiding  Een gebeurtenis die iets in beweging zet. De aanleiding van een gebeurtenis is de meest directe oorzaak. Argument  Wat men zegt om iets aan te tonen. Beeldelement  Onderdeel van een tekening (spotprent), schilderij, poster, foto, etc. Betrouwbaarheid  De betrouwbaarheid van een bron gaat om de vraag of de bron gegevens kan opleveren die als feitelijk juist kunnen worden beschouwd. Een betrouwbare bron wordt door andere bronnen bevestigd en bevat informatie die controleerbaar is. Bewering  Een uitspraak of een mening. Deze uitspraak ondersteun of weerleg je met behulp van argumenten. Bron  Een overblijfsel uit het verleden waardoor je meer over het verleden te weten komt. Er zijn verschillende soorten bronnen (primair/secundair, geschreven/ ongeschreven), en niet elke bron is even betrouwbaar en bruikbaar. Bruikbaarheid  De bruikbaarheid van een bron hangt af van wat je wilt onderzoeken (de onderzoeksvraag). Chronologie  Volgorde waarin de dingen gebeuren. Gebeurtenissen in de geschiedenis kunnen in chronologische volgorde worden geplaatst, van vroeger naar later. Continuïteit  Wanneer iets in de loop van de tijd niet wezenlijk verandert, is er sprake van continuïteit. Het woord continuïteit betekent een voortzetting / ononderbroken samenhang. Discontinuïteit  Is er in de loop van de tijd een duidelijke breuk of verandering merkbaar, dan is er sprake van discontinuïteit. Doel  Datgene wat een persoon wil bereiken. Feit  Een feit wordt door vrijwel iedereen gezien als iets dat werkelijk is gebeurd, iets dat vaststaat. Functie  Een officiële positie die iemand bekleedt, bijvoorbeeld de stadhouder van een gewest, een generaal in het leger of de president van de Verenigde Staten. Gebeurtenis  Een gebeurtenis is een (belangrijk) voorval, zoals de bouw van de Berlijnse muur in 1961. Gevolg  Bij een gevolg gaat het om een (causaal, oorzakelijk) verband. Er zijn verschillende soorten gevolgen, bijvoorbeeld: – gevolgen op korte termijn en gevolgen op langere termijn, – gewilde en ongewilde, bedoelde en onbedoelde gevolgen, – gevolgen van meer en minder belang op grond van bijvoorbeeld schaal, intensiteit, duur. Hypothese  Een nog onbewezen stelling, een aanname. Inleving  Het zich verplaatsen in iets (gebeurtenis) of iemand (persoon). © ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 13

13

24/04/20 09:54


Informatie

Examenbundel 2020 | 2021

Interpretatie  Verklarende uitleg. Bij de interpretatie van een bron onderzoek je de bedoeling van de schrijver of maker van de bron. Je probeert de betekenis van de bron vast te stellen en er een conclusie aan te verbinden. Jaartelling  In de wereld bestaan verschillende jaartellingen. In het Westen wordt de christelijke jaartelling aangehouden. Andere jaartellingen zijn bijvoorbeeld de islamitische of de joodse. Mening  Opvatting, gebaseerd op persoonlijke argumenten, die niet per se door anderen gedeeld hoeft te worden. Middel  Datgene wat je gebruikt om je doel te bereiken. Motief  Reden om iets juist wel of niet te doen. Normen  Regels zoals die gelden in de persoonlijke omgang tussen mensen in de maatschappij. In de loop van de tijd kunnen normen in een maatschappij veranderen. Een norm wordt doorgaans gekoppeld aan een waarde (zie waarden). Nuancering  Het bijstellen of verfijnen van iets, bijvoorbeeld een mening. Objectief  Onbevooroordeeld, niet beïnvloed door eigen voorkeuren. Ontwikkeling  Voortgang of groei, bijvoorbeeld de ontwikkeling van de landbouw in het gewest Holland in de zestiende eeuw. Oordeel  Mening, waarbij het vaak gaat om goedkeuring of afkeuring, met argumenten. Oriëntatiekennis  Algemene kennis van de geschiedenis. De kennis die in staat stelt tot oriëntatie in een chronologische ontwikkeling van eeuwen, met name in de Europese geschiedenis. Oorzaak  Datgene wat een gevolg met zich meebrengt. Historici proberen achteraf uit te leggen waarom een historische gebeurtenis, zoals de Tweede Wereldoorlog, heeft plaatsgevonden. Er zijn verschillende soorten oorzaken te herkennen, bijvoorbeeld: – directe en indirecte oorzaken, aanleiding (meest directe oorzaak), – structurele oorzaken en incidentele oorzaken, – oorzaken op politiek-bestuurlijk, sociaaleconomisch en cultureel-mentaal terrein. Opvatting Mening. Orgaan  Een orgaan is onderdeel van een groter geheel. Een bekend internationaal orgaan is de NAVO. Periode  Tijdvak tussen twee jaren of gebeurtenissen, bijvoorbeeld de regeerperiode van president Kennedy. Het begrip periode kan ook betrekking hebben op een van de vijf historische perioden: Prehistorie, Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne tijd en Moderne tijd. Plaatsgebondenheid  Ieder mens denkt vanuit zijn tijd (zie tijdgebondenheid) en de plaats of de positie die hij op dat moment inneemt. Propaganda  Het opzettelijk verspreiden van informatie om mensen van een bepaalde mening te overtuigen. Totalitaire regimes maken veelvuldig gebruik van propaganda. Ook tijdens de Koude Oorlog maakten de twee ideologische blokken gebruik van propaganda om de publieke opinie te beïnvloeden. 14

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 14

© ThiemeMeulenhoff

24/04/20 09:54


Geschiedenis vwo

Rechtvaardiging  Verdediging van de handelingen van een persoon of groepering. Reden  Een grond of motief om iets te doen. Representativiteit  De mate waarin iets typerend is (voor hetgeen je wilt onderzoeken). Bij het vaststellen van de representativiteit van een bron gaat het vooral om twee vragen: – is hetgeen in de bron voorkomt een uitzondering of kwam het vaker voor? – beschikt de persoon in de bron over zo veel informatie dat zijn uitspraken als representatief kunnen worden opgevat? Revolutie  Een met geweld gepaard gaande snelle verandering. Standplaatsgebondenheid  Ieder mens denkt en handelt vanuit zijn eigen tijd (zie tijdgebondenheid), positie (zie plaatsgebondenheid), ervaringen en kennis. Behalve tijd en plaats zijn denken en handelen ook van invloed: leeftijd, sekse, maatschappelijke positie, godsdienst of levensbeschouwing, de staat of het volk waartoe iemand behoort en de politieke overtuiging die iemand heeft. Standpunt  Opvatting gebaseerd op persoonlijke motieven. Stereotype  Vaststaand beeld of oordeel over een groep, een volk of een ras. Zo’n oordeel is meestal gebaseerd op gevoelens en niet op feiten. Subjectief  Bevooroordeeld, omdat er vooral vanuit een persoonlijk standpunt wordt gekeken. Tijdgebondenheid  Iemand die vanuit een latere tijd op iets terugkijkt, zal een ­ontwikkeling of gebeurtenis anders interpreteren dan een tijdgenoot die de afloop niet kent (zie standplaatsgebondenheid). Er is een tijd geweest waarin de slavenhandel door de WIC als ‘normaal’ werd beschouwd, terwijl dat tegenwoordig algemeen wordt afgekeurd. Verandering  Er zijn gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen die verantwoordelijk zijn voor een duidelijke verandering in de loop van de geschiedenis. Er zijn verschillende soorten verandering te herkennen, bijvoorbeeld: – in tempo (plotseling of langzaam en geleidelijk), duur, schaal, intensiteit, omvang enz., – op politiek-bestuurlijk, sociaaleconomisch of cultureel-mentaal terrein. Verklaring  Uitleggen waarom iets gebeurt. Het aangeven van oorzakelijke verbanden tussen ontwikkelingen is lastig, omdat historische ontwikkelingen onvoorspelbaar zijn. Verschijnsel  Iets dat zich voordoet. Toestanden en instellingen die gedurende langere tijd min of meer onveranderd hebben bestaan. Verwijzing Aanduiding. Visie Zienswijze. Vooroordeel  Oordeel niet gebaseerd op feiten maar op persoonlijke gevoelens gericht op (een individu van) een groep, een volk of een ras. Waarden  Datgene wat mensen belangrijk vinden en waarvoor ze (desnoods) veel overhebben. Voorbeelden van waarden zijn trouw, eerlijkheid, vriendschap, rechtvaardigheid of streven naar rijkdom. Waarden zijn soms ook tijdgebonden: zaken die in de ene tijd als normaal of als wenselijk worden beschouwd, kunnen in een andere tijd als abnormaal of onwenselijk worden beschouwd. Een waarde wordt tot uiting gebracht middels de norm (zie normen). Bijvoorbeeld: opstaan voor ouderen in de bus (norm), omdat je respect hebt voor anderen (waarde). © ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 15

15

24/04/20 09:54


Informatie

Examenbundel 2020 | 2021

Een overzicht van de 49 kenmerkende aspecten en de 10 tijdvakken PREHISTORIE (tot 3000 voor Christus) tijdvak 1: tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus) / Prehistorie   1 De levenswijze van jagers-verzamelaars   2 Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen   3 Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen OUDHEID (3000 voor Christus - 500 na Christus) tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen (3000 voor Christus - 500 na Christus) / Oudheid   4 De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en de ontwikkeling van het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat   5 De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur   6 De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde   7 De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa   8 De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten MIDDELEEUWEN (500-1500) tijdvak 3: tijd van monniken en ridders (500-1000) / Vroege Middeleeuwen   9 De verspreiding van het christendom in geheel Europa 10 Het ontstaan en de verspreiding van de islam 11 De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid 12 Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur tijdvak 4: tijd van steden en staten (1000-1500) / Hoge en Late Middeleeuwen 13 De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving 14 Opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden 15 Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de ­geestelijke macht het primaat behoorde te hebben 16 De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de Kruistochten 17 Het begin van staatsvorming en centralisatie VROEGMODERNE TIJD (1500-1800) tijdvak 5: tijd van ontdekkers en hervormers (1500-1600) / Renaissancetijd 18 Het begin van de Europese overzeese expansie 19 Het veranderende mens- en wereldbeeld van de Renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling 20 Een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de Klassieke Oudheid 21 De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in ­West-Europa tot gevolg had 22 Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een ­Nederlandse staat

16

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 16

© ThiemeMeulenhoff

24/04/20 09:54


Geschiedenis vwo

tijdvak 6: tijd van regenten en vorsten (1600-1700) / Gouden Eeuw 23 Het streven van vorsten naar absolute macht 24 De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek 25 Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een ­wereldeconomie 26 De wetenschappelijke revolutie tijdvak 7: tijd van pruiken en revoluties (1700-1800) / eeuw van de Verlichting 27 Rationeel optimisme en een ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen 28 Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme) 29 Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel en de opkomst van het ­abolitionisme 30 De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over ­grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap MODERNE TIJD (1800-heden) tijdvak 8: tijd van burgers en stoommachines (1800-1900) / industrialisatietijd 31 De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving 32 Discussies over de ‘sociale kwestie’ 33 De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie 34 De opkomst van emancipatiebewegingen 35 Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en ­uiteindelijk ook vrouwen aan het politiek proces 36 De opkomst van de politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme tijdvak 9: tijd van de twee wereldoorlogen (1900-1950) / eerste helft twintigste eeuw 37 De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van ­massaorganisatie 38 Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/ nationaalsocialisme 39 De crisis van het wereldkapitalisme 40 Het voeren van twee wereldoorlogen 41 Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden 42 De Duitse bezetting van Nederland 43 Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering 44 Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme tijdvak 10: tijd van televisie en computer (vanaf 1950) / tweede helft twintigste eeuw 45 De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een ­wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog 46 De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld 47 De eenwording van Europa 48 De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen 49 De ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 17

17

24/04/20 09:54


EB_vwo_gesch_Deel1.indd 18

24/04/20 09:54


De antwoorden vind je op www.examenbundel.nl.

OriĂŤntatietoets

19

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 19

24/04/20 09:54


KA 

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 20

24/04/20 09:54


Oriëntatietoets Oriëntatietoets Historische contexten De volgende oriëntatietoets telt ongeveer het evenredig aantal vragen van een centraal examen. Met behulp van deze toets kun je nagaan welke onderdelen van de historische contexten jij nog niet helemaal beheerst. Wanneer je de scores invoert op www.examenbundel.nl bij het onderdeel Antwoorden Oriëntatietoets voor vwo geschiedenis, krijg je een studieadvies en tips over welke vragen uit deze examenbundel je zou kunnen oefenen.

2p KA 17,21

Een geschiedenis: In 1546 brak een oorlog uit tussen Karel V en een aantal protestantse Duitse vorsten, die een jaar later in de Slag bij Mühlberg door Karel V werd gewonnen. In 1555 sloten Karel V en de Duitse vorsten de Vrede van Augsburg waarin de afspraak “cuius regio, eius religio” (Latijn voor: wiens gebied, diens gebed) werd opgenomen. Een historicus concludeert over deze geschiedenis dat Karel V de oorlog won, maar de vrede verloor. 1 Geef aan: – dat de oorlog tussen Karel V en de Duitse vorsten verband hield met ontwikkelingen sinds het optreden van Luther op de Rijksdag in Worms, en – waarom het vredesverdrag een nederlaag was voor het beleid van Karel V. Bron: centraal examen 2018-II, vwo.

bron 1  Anoniem, ‘Vrede maant de kerken tot verdraagzaamheid’, ca. 1625-1650:

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 21

21

24/04/20 09:54


Oriëntatietoets

Examenbundel 2020 | 2021

Toelichting: Op het schilderij zijn de personificaties van vier verschillende religies te zien. Calvijn (bij een gebraden kalf – calf –), de paus (met een kom pap – paap – en twee katten – katholieken – op schoot) en Martin Luther (spelend op een luit) zitten aan tafel te twisten. Rechts doopt de wederdoper zijn brood in de dekschaal bij de haard. Bij elke figuur is een paneeltje met een vierregelig gedichtje geplaatst. Vergelijkbaar met een tekstballonnetje in een stripverhaal waarmee de gedachten en overtuigingen van de afzonderlijke figuren worden weergegeven. Vrij vertaald: Calvijn knijpt boven zijn vlees een sinaasappel uit en verwijst hiermee naar de nauwe band tussen de gereformeerden en het huis van Oranje. Hij wil ook een stukje sinaasappel in de soep van de katholieke paus gooien. De paus moet daar alleen niets van hebben. Hij verzucht dat het beter zou zijn als er een Spaanse kok was, die de rest van het gezelschap zal verjagen. Luther wil met zijn luit harmonie brengen, maar begrijpt dat hij voor dovemans oren speelt. De doopsgezinde kruipt in de hoek. Als de heren aan tafel het voor het zeggen zouden hebben, zou hij in het vuur gegooid worden. Rechts boven op de kast staat een schilderij met Charitas, de liefde. Eronder staat: ‘Als de liefde in de harten zou zijn, zou ik hier niet op de kast hoeven te staan.’ Er is dus een hoop te doen voor de Vrede, de vrouw die wuivend met een olijftak binnenkomt. Zij maant de aanwezigen de onderlinge vrede te bewaren. Tegelijkertijd verzucht zij dat verdraagzaamheid voor velen niet vanzelfsprekend is: “van honderd die dit lezen, zullen het er maar tien begrijpen”.

3p

Gebruik bron 1. Het schilderij illustreert een kenmerkend aspect uit de zestiende eeuw. 2 Licht dit kenmerkend aspect toe met behulp van drie beeldelementen uit de prent.

KA 21

bron 2  Op 17 oktober 1565 schrijft Filips II vanuit zijn buitenverblijf in de buurt van het Spaanse Segovia aan zijn halfzuster Margaretha van Parma, landvoogdes in de Nederlanden:

“Mevrouw mijn geliefde zuster, Ik beantwoord uw brief van 22 juli waarin u me vertelde, (…) hoe u bent begonnen de instructies ten uitvoer te brengen die de prins van Gavere1 heeft overgebracht, en dat u probeert de religieuze problemen op te lossen. (…) Wat betreft de onvrede die u hebt bemerkt over sommige dingen die ik volgens de prins van Gavere aan hem heb verteld en die niet lijken te kloppen met mijn brieven uit Valladolid (van 13 mei 1565), (…) zie ik niet dat ik in die brieven iets anders heb geschreven dan wat ik de prins van Gavere heb gezegd. Want met betrekking tot de inquisitie, is het mijn bedoeling dat die door de inquisiteurs ten uitvoer wordt gebracht zoals zij dat tot nu hebben gedaan en zoals zij behoren te doen volgens het goddelijk en het menselijk recht. (…) Als iemand bang is voor ordeverstoringen: er is geen reden te geloven dat die eerder zullen optreden of omvangrijker zullen zijn wanneer men de inquisiteurs toestaat hun plichten te vervullen en hen daarbij ondersteunt. U kent het belang hiervan en ik beveel u dringend in deze kwestie alles te doen wat noodzakelijk is en niet in te stemmen met een ander beleid.” 1 De prins van Gavere is beter bekend als Lamoraal graaf van Egmont. In het begin van 1565 verblijft hij enkele maanden aan het hof van Filips II in Spanje als afgevaardigde van de Nederlandse edelen.

22

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 22

© ThiemeMeulenhoff

24/04/20 09:54

KA


Geschiedenis vwo

2p KA 22

2p KA 22

2p KA 22

2p KA 22, 24

Oriëntatietoets

Gebruik bron 2. In deze brief wordt verwezen naar de argumentatie van de Nederlandse edelen voor hun verzet tegen het religieuze beleid van Filips II. 3 Geef aan wat hun bezwaar is tegen dit beleid en geef de verklaring voor hun standpunt vanuit hun maatschappelijke taak. Bron: centraal examen 2016-I, vwo. Gebruik nogmaals bron 2. Volgens de Franse historicus Ferdinand Braudel spelen geografische factoren een rol in de slechte relatie tussen Filips II en zijn Nederlandse gewesten bij het uitbreken van de Opstand. Voor zijn bewijsvoering maakt hij onder andere gebruik van deze brief. 4 Ontleen aan de bron een argument dat Braudel kan hebben gebruikt voor zijn opvatting. Bron: centraal examen 2016-I, vwo. In 1585 voerden de Staten van Holland een discussie over de positie van Maurits, de zoon van Willem van Oranje. Er werd besloten hem wel tot stadhouder te benoemen, maar om hem niet de titel ‘Graaf van Holland’ te verlenen. 5 Licht dit besluit toe door: – aan te geven welke continuïteit de Staten van Holland wilden uitdragen met het benoemen van Maurits tot stadhouder, en – een bestuurlijke verklaring te geven om Maurits niet de titel ‘Graaf van Holland’ te verlenen. Bron: centraal examen 2019-II, vwo. De onderstaande gebeurtenissen uit de politieke carrière van Johan van Oldenbarnevelt staan in willekeurige volgorde: 1 Johan van Oldenbarnevelt sloot het Drievoudig Verbond met Engeland en Frankrijk, die daarmee de soevereiniteit van de Republiek erkenden. 2 Johan van Oldenbarnevelt onderhandelde over vrede met Spanje, wat leidde tot het Twaalfjarig Bestand. 3 Johan van Oldenbarnevelt onderhandelde als secretaris van de afvaardiging van de Staten van Holland over de totstandkoming van de Unie van Utrecht. 4 Johan van Oldenbarnevelt werd veroordeeld wegens hoogverraad. 5 Johan van Oldenbarnevelt zette zich in voor de benoeming van Maurits tot stadhouder van Holland en Zeeland na de moord op Willem van Oranje. 6 Johan van Oldenbarnevelt nam het initiatief tot oprichting van de VOC. 6 Zet deze gebeurtenissen in de juiste chronologische volgorde, van vroeger naar later. Noteer alleen de nummers. Bron: centraal examen 2018-II, vwo.

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 23

23

24/04/20 09:54


Oriëntatietoets

Examenbundel 2020 | 2021

bron 3  Een fragment uit het artikel “Waarom het Amsterdam Museum de term ‘Gouden Eeuw’ niet langer zal gebruiken”, De Volkskrant, 12 september 2019:

“In de westerse geschiedschrijving neemt de ‘Gouden Eeuw’ een belangrijke plek in die sterk gekoppeld is aan nationale trots, maar positieve associaties met de term zoals voorspoed, vrede, weelde en onschuld dekken de lading van de historische werkelijkheid in deze periode niet. Denk aan armoede, oorlog, dwangarbeid en mensenhandel in een context waarin Amsterdam regeerde over verschillende bezette gebieden overzee. (…) Daarnaast draagt de term ertoe bij dat de geschiedenis van de Nederlandse 17de eeuw slechts vanuit het perspectief van de machthebbers wordt bezien. Immers, wie bepaalt dat je een eeuw ‘goud’ noemt als vele van onze voorouders niet meedeelden in dat goud en de voorspoed of slachtoffer waren van de honger naar macht en rijkdom, in de vorm van uitbuiting, moord en slavernij? Het Amsterdam Museum wil ruimte bieden aan die verhalen uit de 17de eeuw die nog niet verteld worden en wil daarmee relevant zijn voor meer mensen.”

2p

Gebruik bron 3. Mensen die over het verleden oordelen doen dat vanuit bepaalde waarden die zij hoogachten. 7 Maak duidelijk: – (met bron) welke waarden het Amsterdam Museum voorop stelt, en – dat de discussie over de term ‘Gouden Eeuw’ een goed voorbeeld is van tijd-en plaatsgebondenheid. KA

bron 4  Uit het ‘guldentijdperk’ bestaat een serie bankbiljetten met daarop afbeeldingen van bijzondere historische personages:

KA

Toelichting: Van Joost van den Vondel en Frans Hals tot Michiel de Ruyter; allen waren te zien op kleurrijke bankbiljetten ontworpen door Ootje Oxenaar. De ‘allergrootste’ Nederlander in deze reeks was de Nederlands filosoof en wiskundige Baruch Spinoza (1632-1677). De denker kreeg een plek op het briefje van 1000 gulden (1972).

2p KA 26,27

Gebruik bron 4. Baruch Spinoza was niet alleen een groot filosoof, hij was van 1970 tot 1990 ook het hoogst haalbare in de vaderlandse portemonnee. Stel, jij zit in de commissie van de Nederlandse Bank waarin de keuze voor de historische personages op de bankbiljetten bepaald wordt. 8 Beargumenteer je keuze voor Spinoza op het briefje van 1000. Ga daarbij in op de historische betekenis van zijn ideeën. 24

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 24

© ThiemeMeulenhoff

24/04/20 09:54


Geschiedenis vwo

Oriëntatietoets

bron 5  Een leerling van de filosoof Emmanuel Kant schreef het volgende over zijn lessen bij de leraar Kant:

“Met dankbare vreugde herinner ik me uit mijn jeugdjaren de omgang met en het onderricht van een filosoof die voor mij een ware leraar in de humaniteit was. (…) Hij streefde er niet naar om discipelen te werven of zelfs om zijn naam aan een volgelingenschaar te geven. Zijn filosofie stimuleerde het zelf denken, en ik kan me haast niets voortreffelijker en indrukwekkender voorstellen dan zijn colleges. Zijn gedachten leken op het ogenblik zelf uit hem te ontspringen, je moest met hem meedenken; van dicteren, doceren en dogmatiseren was geen sprake.”

2p KA 27

2p KA 27, 30

4p KA 30, 36

Gebruik bron 5. 9 Maak met een voorbeeld uit de bron duidelijk dat de manier waarop Emmanuel Kant zich als docent opstelde, aansloot bij zijn eigen filosofie van Verlichting. Twee gegevens over Catharina de Grote van Rusland: 1 In 1781 bestelde Catharina een marmeren beeld van Voltaire, die zij haar vriend en leermeester noemde, en liet dit plaatsen in haar museum de Hermitage. 2 In 1792 gaf Catharina opdracht het beeld van Voltaire te verwijderen uit de Hermitage. Uit deze gegevens blijkt een verandering in de houding van Catharina de Grote tegenover de denkbeelden van Voltaire. 10 Noem deze verandering en de politieke ontwikkeling die deze verandering verklaart. Bron: centraal examen 2017-II, vwo. Twee gebeurtenissen uit de geschiedenis van de kathedraal van Saint-Denis bij Parijs: 1 In 1793 werd de crypte, waar sinds de middeleeuwen de Franse koningen werden begraven, opengebroken op last van de regering. De lijken werden in een put gegooid. 2 In 1815 werden de lichamen van Lodewijk XVI en zijn vrouw Marie-Antoinette met eer herbegraven in de kathedraal van Saint-Denis. 11 Leg voor elk van beide gebeurtenissen uit dat deze past bij de politieke situatie van dat moment. Bron: centraal examen 2016-I, vwo.

bron 6  Een ambtenaar in de plaats Ploërmel in het westen van Frankrijk schrijft in juli 1789 aan de regering in Parijs:

“Alle boeren in de omgeving en in mijn district weigeren massaal om hun aandeel aan korenschoven af te staan aan de inzamelaar van de tienden1 en zeggen openlijk dat er geen inzameling zal komen zonder bloedvergieten. Zij baseren zich hierbij op het onredelijke argument dat de eis voor afschaffing van de tienden was opgenomen in de Cahiers des doléances van dit district. Hiermee is de afschaffing nu een feit geworden.” 1

2p KA 30

De tiende is de verplichting voor boeren om één tiende van de oogst af te staan aan de kerk of aan de regering.

Gebruik bron 6. Een historicus concludeert dat de pogingen van het ancien régime om de onvrede van de boeren weg te nemen, juist hebben bijgedragen aan het uitbreken van de Franse revolutie. 12 Geef de redenering weer die de historicus daarbij volgt. Bron: centraal examen 2019-II, vwo.

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_gesch_Deel1.indd 25

25

24/04/20 09:54


examen bundel examenbundel.nl

examenbundel 2020 2021

examenbundel vwo Nederlands vwo Engels vwo Duits vwo Frans vwo Economie vwo Bedrijfseconomie vwo Maatschappijwetenschappen vwo Geschiedenis vwo Aardrijkskunde vwo Wiskunde A vwo Wiskunde B vwo Wiskunde C vwo Scheikunde vwo Biologie vwo Natuurkunde

samengevat vwo Economie vwo Bedrijfseconomie vwo Maatschappijwetenschappen vwo Geschiedenis vwo Aardrijkskunde vwo Wiskunde A

Meer dan alleen oefenexamens

Tips, tricks en informatie die jou helpen bij het slagen voor je eindexamen vind je op examenbundel.nl! Nog meer kans op slagen? Volg ons ook op social media. #geenexamenstress

vwo Wiskunde B vwo Wiskunde C vwo Scheikunde vwo Biologie vwo Natuurkunde

vwo

havo/vwo Nederlands 3F/4F havo/vwo Rekenen 3F/4F

Geschiedenis

examenidioom + examenbundel + samengevat + zeker slagen! = #geenexamenstress

2020 2021

vwo

Geschiedenis

examenidioom vwo Engels vwo Duits vwo Frans

zeker slagen ! voor vmbo, havo ĂŠn vwo

EB_vwo_geschiedenis_170x240.indd 1

9 789006 781366

3/06/20 08:30


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9006781366 vwo geschiedenis by ThiemeMeulenhoff - Issuu