Skip to main content

9006781250 vwo maatschappijwetenschappen

Page 1

examen bundel examenbundel.nl

examenbundel 2020 2021

examenbundel vwo Nederlands vwo Engels vwo Duits vwo Frans vwo Economie vwo Bedrijfseconomie vwo Maatschappijwetenschappen vwo Geschiedenis vwo Aardrijkskunde vwo Wiskunde A vwo Wiskunde B vwo Wiskunde C vwo Scheikunde vwo Biologie vwo Natuurkunde

samengevat vwo Economie vwo Bedrijfseconomie vwo Maatschappijwetenschappen vwo Geschiedenis vwo Aardrijkskunde vwo Wiskunde A

Meer dan alleen oefenexamens

Tips, tricks en informatie die jou helpen bij het slagen voor je eindexamen vind je op examenbundel.nl! Nog meer kans op slagen? Volg ons ook op social media. #geenexamenstress

vwo Wiskunde B vwo Wiskunde C vwo Scheikunde vwo Biologie vwo Natuurkunde

vwo

havo/vwo Nederlands 3F/4F havo/vwo Rekenen 3F/4F

examenidioom vwo Engels vwo Duits

Maatschappijwetenschappen

examenidioom + examenbundel + samengevat + zeker slagen! = #geenexamenstress

2020 2021

vwo

Maatschappijwetenschappen

vwo Frans

zeker slagen ! voor vmbo, havo ĂŠn vwo

EB_vwo_MSW_170x240.indd 1

9 789006 781250

3/06/20 08:22


EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 18

30/04/20 15:27


examenbundel.nl

examen bundel Meer dan alleen oefenexamens

2020 2021

vwo

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 1

Rogier Braspennincx Ties Pauwels Koen Vossen Winifred Wouters

Maatschappijwetenschappen

30/04/20 15:27


Colofon Auteurs Koen Vossen Rogier Braspennincx Ties Pauwels Winifred Wouters (eindredactie) In samenwerking met de NVLM (Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer) Met bijdragen van: Coen Gelinck Lieke Meijs Arthur Pormes

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl

Vormgeving binnenwerk Maura van Wermeskerken, Apeldoorn Opmaak Crius Group, Hulshout Auteur stappenplan T.H.J. Heutmekers Vormgeving stappenplan OudZuid Ontwerp, Dieren

ISBN 978 90 06 78125 0 Eerste druk, eerste oplage 2020 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2020 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechten­onderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 2

25/05/20 14:45


Voorwoord Met deze examenbundel kun je je goed voorbereiden op het schoolexamen en het centraal examen voor het vak maatschappijwetenschappen op vwo-niveau. De examenbundel bevat de volgende onderdelen: De oriëntatietoets: Deze bestaat uit vragen over alle onderwerpen die in 2021 centraal geëxamineerd worden. Zo kun je nagaan of je de kern van de examenonderwerpen beheerst. De antwoorden vind je op www.examenbundel.nl. Na het invullen van je scores krijg je een studieadvies. Deel 1: Hier vind je per examenonderwerp een ruim aantal opgaven met uitwerkingen. In de uitwerkingen staan de antwoorden en de daarbij horende toelichtingen. Deel 2a: In dit deel vind je de examens 2017-I, 2018-I en 2019-I met uitwerkingen. In de uitwerkingen vind je uitleg en toelichting bij de antwoorden. Deel 2b: Hierin vind je een stappenplan dat je kan helpen bij het werken met deze examenbundel. Bijlagen: Achter in deze bundel vind je o.a. tabellen om je ‘cijfer’ te bepalen na het maken van de oefenexamens, suggesties voor verder lezen en belangrijke internetadressen. Met deze examenbundel kun je oefenen voor het examen in je eigen tijd en in eigen tempo. Oefenen houdt in dat je probeert een opgave eerst zelf te maken. Daarna controleer je jouw antwoorden met de uitwerkingen. Het centraal examen maatschappijwetenschappen vwo 2021 wordt afgenomen op vrijdag 21 mei tussen 9.00 en 12.00 uur. De makers van de examenbundel wensen je daarbij alvast heel veel succes! Voor suggesties en commentaar op deze bundel is dank verschuldigd aan de meelezers van de NVLM (de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer). Voor reacties, zowel van leerlingen als van docenten, houden wij ons graag aanbevolen. Mail naar vo@thiememeulenhoff.nl. Amersfoort, mei 2020

Opmerkingen De overheid stelt regels op die betrekking hebben op de specifieke examenonderwerpen, de hulpmiddelen die je tijdens je examen mag gebruiken, duur en datum van je examen, etc. Hoewel deze examenbundel met de grootst mogelijke zorgvuldigheid is samengesteld, kunnen auteur en uitgever geen aansprakelijk­heid aanvaarden voor de aanwijzingen die betrekking hebben op publicaties van de overheid. Het is altijd raadzaam je docent of onze website www.examenbundel.nl te raadplegen voor actuele informatie die voor jouw examen van belang kan zijn.

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 3

3

25/05/20 14:45


Begin met het stappenplan! Wil je weten hoe je het best leert en oefent met deze examenbundel? Bekijk dan eerst het stappenplan in deel 2b.

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 4

26/05/20 16:13


Inhoud

3 Voorwoord 6 Wat je moet kennen voor het examen 11 Examenprogramma 14 Vaardigheden bij maatschappijwetenschappen

OriĂŤntatietoets

Deel 2a

Examens met uitwerkingen

19 Opgaven

Deel 1

Oefenen op onderwerp

1 Vaardigheden 31 Opgaven 49 Uitwerkingen

2 Vorming 55 Opgaven 62 Uitwerkingen

3 Verhouding 65 Opgaven 79 Uitwerkingen

4 Binding 87 Opgaven 102 Uitwerkingen 5 Verandering 110 Opgaven 132 Uitwerkingen

Š ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 5

Examen 2017-I (pilot) 145 Opgaven 158 Uitwerkingen Examen 2018-I (pilot) 170 Opgaven 183 Uitwerkingen Examen 2019-I (pilot) 194 Opgaven 205 Uitwerkingen

Deel 2b 219

Stappenplan Bijlagen

Cijferbepaling Suggesties voor verder lezen Internetadressen

5

25/05/20 14:45


Wat je moet kennen voor het examen maatschappijwetenschappen in 2021 Het nieuwe programma Het examen van 2021 bestaat uit kernconcepten (centrale begrippen) en uit drie contexten (maatschappelijk thema’s of vraagstukken). Deze kernconcepten en contexten zijn gerangschikt onder de volgende vier hoofdconcepten. Hoofdconcepten

vorming

verhouding

binding

verandering

Kernconcepten

socialisatie cultuur acculturatie identiteit politieke socialisatie ideologie

(on)gelijkheid macht gezag samenwerking conflict

sociale cohesie sociale institutie groepsvorming cultuur politieke institutie representatie representativiteit

rationalisering individualisering institutionalisering democratisering staatsvorming globalisering

Voorgeschreven contexten

machts­­ geen voor het centraal verhoudingen in de wereld examen

natievorming en de rol van de staat

de wording van de moderne, westerse samenleving

Als je de titel van een opgave in een centraal examen leest, herken je niet altijd meteen over welke concepten of contexten de opgave gaat. Lees je vervolgens de vragen, dan wordt het je wel duidelijk om welke context het gaat en over welk hoofdconcept. Bij dit examenprogramma beperken de opgaven zich echter nooit tot maar één hoofdconcept (met de kernconcepten die daarbij centraal staan), maar er worden ook altijd vragen over andere hoofd- en kernconcepten gesteld. Een voorbeeld: De eerste opgave in het vwo examen van 2017 heeft als titel ‘Solidariteit in het pensioenstelsel’. Dit past bij de context natievorming en de rol van de staat en het hoofdconcept binding, maar in dezelfde opgave staan ook vragen over het hoofdconcept verandering en over de context de wording van de moderne, westerse samenleving. Een aantal vragen heeft betrekking op het domein vaardigheden. Een van de vaardigheden in dit nieuwe programma is het werken met sociaalwetenschappelijke paradigma’s. Een paradigma bevat bepaalde theorieopvattingen en voorschriften van methodologische aard, ofwel voorschriften ten aanzien van de onderzoeksmethode, en daarmee ook wat er wordt bestudeerd, wat de onderzoeksvragen zijn en hoe de antwoorden moeten worden geïnterpreteerd.1 De hoofdconcepten en kernconcepten kunnen in verschillende paradigma’s een andere betekenis hebben. De sociaalwetenschappelijke paradigma’s in het programma zijn: • functionalisme-paradigma • conflict-paradigma, • sociaalconstructivisme-paradigma • rationele actor-paradigma.

1

Vrancken, p.93.

6

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 6

© ThiemeMeulenhoff

30/04/20 15:27


Maatschappijwetenschappen vwo

Wat je moet kennen voor het examen

Het examen maatschappijwetenschappen Op het examen krijg je twee boekjes: het Vragenboekje en het Bronnenboekje. Het eerste boekje, het vragenboekje, bestaat uit 3-5 opgaven. Per opgave (met bijbehorende bronnen) worden 3-9 vragen gesteld met een totaal van 25-30 vragen. Verreweg de meeste vragen zijn open vragen. In totaal kun je ongeveer 62 punten halen. In de kantlijn bij iedere vraag staat het maximale puntenaantal dat je voor die vraag kunt halen. Het opgave boekje begint met de volgende Aanwijzing voor de kandidaat. Als in een vraag staat dat je een hoofd- of kernconcept moet gebruiken, dan gebruik je in het antwoord die elementen uit de omschrijving van het hoofd- of kernconcept die nodig zijn om de vraag juist te kunnen beantwoorden. Deze aanwijzing betekent dat het niet voldoende is als je de hele definitie van het kernconcept opschrijft. De definitie is een lange omschrijving, die bestaat uit verschillende delen (elementen genoemd in de aanwijzing). Bijvoorbeeld het kernconcept sociale cohesie. De definitie luidt: “Het aantal en de kwaliteit van de bindingen die mensen in een ruimer sociaal kader met elkaar hebben, het gevoel een groep te zijn, lid te zijn van een gemeenschap, de mate van verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn, en de mate waarin anderen daar ook een beroep op kunnen doen.” Maar daarin zijn verschillende elementen te onderscheiden. Het kan bij sociale cohesie gaan om: – het aantal en de kwaliteit van de bindingen die mensen in een ruimer sociaal kader met elkaar hebben; – het gevoel een groep te zijn; – het gevoel lid te zijn van een gemeenschap; – de mate van verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn; – de mate waarin anderen een beroep kunnen doen op de verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn. Afhankelijk van welke vraag er gesteld wordt, kies je een van de elementen uit dit lijstje. Zo werd in het vwo examen 2017-I, in vraag 2 gevraagd: “Beredeneer welke conclusie je op grond van tekst 1 en figuur 1 kunt trekken over de mate van binding in de Nederlandse samenleving. Betrek in je redenering (…) het kernconcept sociale cohesie (…): Het antwoordmodel van de examenmakers luidt als volgt: “Uit figuur 1 blijkt dat een meerderheid van de werknemers (mannen circa 68%, vrouwen circa 63%) vindt dat solidariteit binnen het pensioenfonds belangrijk is. Deze opvatting van solidariteit drukt uit dat een meerderheid van de werknemers in Nederland zich verantwoordelijk voelt voor elkaars welzijn.” Dit maakt duidelijk dat het element uit de definitie bij deze vraag moet zijn: – de mate van verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn. Het andere boekje, het bronnenboekje, bestaat uit de bronnen aan de hand waarvan de vragen zijn geformuleerd. De bronnen zijn vaak tekstgedeelten uit dagbladen of onderzoeken. Het kan ook gaan om tabellen, figuren of cartoons. Het examen wordt afgenomen in een zitting van drie uur. Bepaling van je cijfer en de normering van het examen Je gemaakte examen wordt eerst nagekeken door je eigen docent(e) aan de hand van een Correctievoorschrift, dat is vastgesteld door de Vaksectie maatschappijwetenschappen van het College voor Toetsing en Examens (CvTE). Daarna kijkt een docent(e) maatschappijwetenschappen van een andere school je examen na. Samen bepalen deze twee docenten het uiteindelijk aantal behaalde punten. Afhankelijk van de landelijke

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 7

7

30/04/20 15:27


Examenbundel 2020 | 2021

resultaten voor het examen bepaalt het CvTE de norm voor het examen. Die norm is de omrekening van punten naar cijfers. Voor de berekening van het eindcijfer voor maatschappijwetenschappen tellen schoolexamen en centraal examen ieder voor 50% mee. Voorbereiding voor het examen Voor een goede voorbereiding op het examen van 2021 zijn twee zaken van belang: – een gedegen kennis van de hoofdconcepten, bijbehorende kernconcepten en de voorgeschreven contexten (machtsverhoudingen in de wereld, natievorming en de rol van de staat, en de wording van de moderne westerse samenleving); – een goede beheersing van de in het examenprogramma voorgeschreven vaardigheden. Gebruik van het woordenboek Nederlands bij het examen Een eendelig verklarend woordenboek Nederlands is toegestaan bij het maken van het centraal schriftelijk examen. In plaats hiervan mag je ook een woordenboek van Nederlands naar een vreemde taal gebruiken, bijvoorbeeld naar de eigen thuistaal van de kandidaat. Een woordenboek kan een hulpmiddel zijn dat zekerheid geeft bij een enkel woord of begrip. Wel kan te veel opzoeken van woorden of begrippen tot tijdnood leiden. Een ander punt is dat omschrijvingen van begrippen in het woordenboek niet altijd overeenkomen met de omschrijvingen van deze begrippen in de vaktaal. Alleen de formulering van de begrippen zoals omschreven in de syllabus maatschappijwetenschappen vwo versie examen 20212 zijn geldig. Andere hulpmiddelen Naast het woordenboek Nederlands zijn er ook andere hulpmiddelen toegestaan, zij het dat die bij de beantwoording van de vragen van het examen maatschappijwetenschappen niet direct van belang zijn. Het gaat dan om schrijfmateriaal, tekenpotlood, blauw en rood kleurpotlood, liniaal, passer, geometrische driehoek, vlakgum en rekenmachine. Voorbereiding op het examen met deze bundel – Zorg ervoor dat je goed vertrouwd bent met de vereiste kennis en vaardigheden van het examenprogramma, zoals die beschreven staan in de syllabus maatschappijwetenschappen vwo voor het examen van 2021. – Gebruik de Samengevat maatschappijwetenschappen. Daarin staat de leerstof systematisch geordend. Het biedt een overzichtelijke voorbereiding op het examen. – Maak de oefenopgaven in deze bundel. Daarmee kun je nagaan of je de vragen correct kunt beantwoorden. Kijk ook goed naar de gegeven uitwerkingen. – Maak de examens maatschappijwetenschappen (nieuwe examenprogramma) van 2017, 2018, 2019 en 20203. Niet alleen heb je dan een beeld van hoe een examen er in zijn geheel uitziet, maar ook van wat de juiste antwoorden zijn die in het antwoordmodel beschreven staan. Goede antwoorden op de voor dat examen gestelde vragen geven een goede indicatie van je kennis en vaardigheden. – Neem kennis van de berichtgeving van de media over maatschappelijke en politieke onderwerpen; lees – eventueel naast een regionale krant – regelmatig een landelijke kwaliteitskrant (bijvoorbeeld de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw), en kijk regelmatig naar het NOS Journaal en/of RTL 4 Nieuws en/of luister regelmatig naar het NOS Radio 1 Journaal. – Het examen is echter al een jaar voor de dag waarop het examen plaatsvindt, gemaakt. Dus het is niet nodig enkele weken voor het examen een nieuwsitem uit te spitten. Dat zal niet voorkomen in het examen.

2 3

www.examenblad.nl. Kies hiervoor het pilotexamen op www.examenblad.nl.

8

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 8

© ThiemeMeulenhoff

30/04/20 15:27


Maatschappijwetenschappen vwo

Wat je moet kennen voor het examen

Wat voor vragen kun je verwachten op het examen? Verschillende typen vragen zijn mogelijk. Hieronder staat een aantal mogelijkheden. – vraag over voorgeschreven contexten. Aan de hand van een bron (tekst, tabel, figuur of politieke prent) moet je je kennis/inzicht laten zien over een van de drie voorgeschreven contexten, voor vwo kan dat bijvoorbeeld machtsverhoudingen in de wereld zijn. – vraag over hoofd- en kernconcepten. Je moet kennis/inzicht tonen over de hoofd- en kernconcepten. – vraag waarin hoofd- en kernconcepten toegepast moeten worden in een van de drie voorgeschreven contexten. Een dergelijke vraag kan voorschrijven welk kernconcept je moet toepassen of je moet zelf een selectie maken uit de kernconcepten die bij een hoofdconcept horen. De toepassing van hoofd- en kernconcepten bij een voorgeschreven context (bijvoorbeeld machtsverhoudingen in de wereld) staat soms ook al in de syllabus beschreven. – vraag waarin hoofd- en kernconcepten toegepast moeten worden in een nieuwe context. Een dergelijke vraag kan voorschrijven welk kernconcept je moet toepassen of je moet zelf een selectie maken uit de kernconcepten die bij een hoofdconcept aan bod komen. De toepassing van hoofd- en kernconcepten bij een nieuwe context staat niet beschreven in de syllabus en moet je zelf beredeneren. – vraag over onderzoek doen. Het kan zijn dat je zelf een hypothese of vraagstelling moet bedenken, vanuit bijvoorbeeld een paradigma of een theorie. Het kan ook zijn dat je een gegeven onderzoek moet beoordelen: op afhankelijke en onafhankelijke variabele, op betrouwbaarheid, validiteit en representativiteit. – redeneervraag. Hierbij bouw je vanuit een paradigma, theorie of ideologie een redenering op, bijvoorbeeld om een probleem op te lossen, een voorspelling te doen of een conclusie te trekken. – argumentenvraag. Er wordt een stelling gegeven. Je moet een argument vóór en/ of een argument tegen geven. Soms moet je in de argumentatie nog aanvullende informatie gebruiken, bijvoorbeeld een specifiek kernconcept. – vraag over grafieken en tabellen. Dat kan een vraag zijn waarbij je elementaire statistische informatie uit grafieken en tabellen moet kunnen interpreteren en hierover conclusies moet kunnen trekken ten aanzien van bijvoorbeeld hoofd- en kernconcepten. Vraagformuleringen zoals je die kunt verwachten – Leg uit dat/of/hoe/welke/waarom ... – Geef een beschrijving van ... – Geef een verklaring voor ... – Beargumenteer of ... (je moet de argumenten voor een positie/stelling geven) – Beredeneer dat/of/waarom ... (je moet de stappen van een redenering beschrijven) – Maak een onderzoeksopzet ... – Welke voorspelling ... – Noem twee (andere) kenmerken ... – Geef twee redenen voor ... Bij de vragen staat een aanwijzing wat je moet gebruiken om de vraag te beantwoorden. Bijvoorbeeld: – maak in je uitleg gebruik van het hoofdconcept binding en een kernconcept dat hierbij hoort; – gebruik per reden een ander kernconcept van een willekeurig hoofdconcept; – gebruik in je argument een voorbeeld uit tekst 3.

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 9

9

30/04/20 15:27


Examenbundel 2020 | 2021

Tijdens het examen Neem de tijd om de vraag goed te lezen! Kijk ook naar het aantal punten dat voor de vraag staat (1p; 2p; 3p; 4p). Het ligt voor de hand dat correcte antwoorden voor vragen waar je meer punten voor kunt halen, bijdragen aan een goed eindcijfer. Als je in tijdnood komt en niet meer alle resterende vragen kunt beantwoorden, kan een keuze voor een vraag waar meer dan één punt voor te behalen is, een goede zijn. Het aantal punten dat voor een vraag te behalen is, is ook een aanwijzing voor het aantal onderdelen dat een antwoord moet bevatten. Wordt er gevraagd naar twee kernconcepten, dan zijn er meestal twee punten te behalen voor ieder kernconcept één punt. Wordt er gevraagd naar één kernconcept, maar ook nog om een toelichting, dan valt er één punt te behalen voor het kernconcept maar een tweede punt voor de toelichting.

10

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 10

© ThiemeMeulenhoff

30/04/20 15:27


Maatschappijwetenschappen vwo

Examenprogramma Hieronder staan de officiële (lees: wettelijke) exameneisen maatschappijwetenschappen per domein en een uitwerking daarvan. Het totaal geeft aan welke kennis en vaardigheden bij het centraal examen van 2021 worden verwacht.

Domein A: Vaardigheden Subdomein A1: Informatievaardigheden 1 De kandidaat kan: – benodigde informatie verwerven en selecteren uit digitale en niet-digitale bronnen; – informatie verwerken en daaruit beredeneerde conclusies trekken; – de resultaten van een leeractiviteit beschrijven en presenteren. Subdomein A2: Concept-contextbenadering 2 De kandidaat kan: – denkvaardigheden toepassen op de hoofdconcepten vorming, verhouding, binding en verandering en de bijbehorende kernconcepten: socialisatie, acculturatie, identiteit, cultuur, politieke socialisatie ideologie, sociale (on)gelijkheid, macht, gezag, conflict, samenwerking, sociale cohesie, sociale institutie, politieke institutie, representatie, representativiteit, groepsvorming, institutionalisering, individualisering, rationalisering, democratisering, globalisering en staatsvorming. – denkvaardigheden toepassen op contexten, daarbij gebruikmakend van hoofd- en kernconcepten. Het betreft zowel de in de domeinen beschreven contexten als andere contexten. – verbanden leggen tussen en binnen de in de domeinen beschreven contexten met behulp van hoofd- en kernconcepten. – verbanden leggen tussen en binnen andere contexten met behulp van hoofd- en kernconcepten. – de sociaalwetenschappelijke paradigma’s functionalisme-paradigma, conflict-paradigma, sociaalconstructivisme-paradigma en rationele actorparadigma betreffende de hoofd- en kernconcepten onderscheiden en deze sociaalwetenschappelijke paradigma’s herkennen in visies op maatschappelijke verschijnselen en ontwikkelingen. Subdomein A3: Onderzoeksvaardigheden 3 De kandidaat kan: – gegeven onderzoeksresultaten beoordelen op betrouwbaarheid, validiteit en representativiteit; – een eenvoudig onderzoek opzetten en uitvoeren over een concreet maatschappelijk verschijnsel; – basiskennis over statistiek toepassen.

Domein B: Vorming (binnen een specifieke context) Subdomein B1: Socialisatie 4 De kandidaat kan ontleden hoe cultuuroverdracht en cultuurverwerving door socialisatie plaatsvinden. Hij kan tevens verbanden tussen persoonlijke identiteit en collectieve identiteit beschrijven en culturen classificeren op basis van verschillende culturele dimensies.

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 11

11

30/04/20 15:27


E xamenprogramma

Examenbundel 2020 | 2021

Subdomein B2: Politieke socialisatie 5 De kandidaat kan beredeneren wanneer er in een gegeven situatie sprake is van politieke socialisatie. Hij kan tevens standpunten classificeren op basis van ideologieën en politieke dimensies. Subdomein B3: Visies vanuit paradigma’s op socialisatie en politieke socialisatie. 6 De kandidaat kan verschillende visies op socialisatie en politieke socialisatie vanuit drie sociaalwetenschappelijke paradigma’s onderscheiden. Subdomein B4: Socialisatie binnen een specifieke context 7 De kandidaat kan in hoofdlijnen maatschappelijke ontwikkelingen beschrijven die van invloed zijn op socialisatieprocessen in een specifieke context en op de rol van socialisatoren daarin. Hij kan tevens conclusies trekken over de veranderde socialisatieprocessen. Subdomein B5: Overheidsbeleid en standpunten van politieke partijen 8 De kandidaat kan weergeven op welke wijze de overheid invloed tracht uit te oefenen op het proces van (politieke) socialisatie. Hij kan tevens afleiden welke opvattingen aanhangers van politieke stromingen hebben over de rol van de overheid binnen een specifieke context.

Domein C: Verhouding (binnen een specifieke context) Subdomein C1: Verhoudingen: nationaal en internationaal 9 De kandidaat kan vanuit wetenschappelijke paradigma’s verklaringen geven voor sociale ongelijkheid tussen staten en binnen een staat. Tevens kan hij beschrijven wat gevolgen van sociale ongelijkheid zijn en kan hij weergeven met welke andere factoren sociale ongelijkheid samenhangt. Subdomein C2: Macht en gezag 10 De kandidaat kan vanuit wetenschappelijke paradigma’s hypothesen formuleren over verschillen in macht en gezag tussen staten en binnen een staat. Ook kan hij wetenschappelijke onderzoeksmethoden onderscheiden, waarmee onderzoekers actoren en hun machtsbronnen in kaart brengen. Subdomein C3: Internationale conflicten en internationale samenwerking 11 De kandidaat kan vanuit wetenschappelijke paradigma’s maatschappelijke en politieke conflicten en samenwerking benoemen, ontleden welke oorzaken eraan ten grondslag liggen op de verschillende niveaus en wat de gevolgen ervan zijn. Subdomein C4: Machtsverhoudingen binnen een specifieke context 12 De kandidaat kan in hoofdlijnen aangeven hoe machtsverhoudingen veranderen, wat daarvan de gevolgen zijn en hoe ze kunnen leiden tot vormen van conflict en samenwerking. Subdomein C5: Overheidsbeleid ten aanzien van het buitenland 13 De kandidaat kan weergeven wat de positie van Nederland is in het internationale krachtenveld en hoe de Nederlandse overheid hierop invloed tracht uit te oefenen.

12

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 12

© ThiemeMeulenhoff

30/04/20 15:27


Maatschappijwetenschappen vwo

ďťż

Domein D: Binding (binnen een specifieke context) Subdomein D1: Sociale cohesie: mate van binding 14 De kandidaat kan onderscheiden welke indicatoren van sociale cohesie wetenschappers vanuit verschillende paradigma’s onderzoeken. Subdomein D2: Politieke instituties en representatie/ representativiteit 15 De kandidaat kan bindingen in de samenleving illustreren aan de hand van politieke instituties en beschrijven wat het belang is van representativiteit/representatie voor een democratische rechtsstaat. Tevens kan de kandidaat uitleggen hoe representatie en representativiteit bijdragen aan politieke binding. Subdomein D3: Voorbeeld binnen een specifieke context van effecten van ontwikkelingen op politieke bindingen in een samenleving 16 De kandidaat kan binnen een specifieke context beredeneren wat de effecten zijn van bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen op politieke bindingen in een samenleving. Subdomein D4: Voorbeeld binnen een specifieke context van effecten van ontwikkelingen op affectieve bindingen in een samenleving 17 De kandidaat kan binnen een specifieke context beredeneren wat de effecten zijn van bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen op affectieve bindingen in een samenleving. Subdomein D5: Overheidsbeleid en standpunten van politieke partijen 18 De kandidaat kan overheidsbeleid en standpunten van politieke partijen ten aanzien van een bindingsvraagstuk onderscheiden.

Domein E: Verandering (binnen een specifieke context) Subdomein E1: Veranderingsprocessen rationalisering, individualisering en institutionalisering 19 De kandidaat kan beschrijven hoe rationalisering, individualisering en institutionalisering worden beschouwd als typerend voor de ontwikkeling van westerse samenlevingen van traditioneel naar modern. Subdomein E2: Veranderingsprocessen staatsvorming, democratisering en globalisering 20 De kandidaat kan beschrijven hoe staatsvorming, democratisering en globalisering worden beschouwd als typerend voor de ontwikkeling van westerse samenlevingen van traditioneel naar modern. Subdomein E3: Effecten van veranderingen binnen een specifieke context op andere maatschappelijke vraagstukken 21 De kandidaat kan uitleggen welke veranderingen zich hebben voorgedaan binnen een specifieke context en wat daarvan de effecten zijn op vraagstukken van identiteit, binding en ongelijkheid. Tevens kan hij maatschappelijke vraagstukken relateren aan drie paradoxen van modernisering. Subdomein E4: Standpunten van aanhangers van politieke stromingen over vraagstukken die samenhangen met veranderingsprocessen 22 De kandidaat kan binnen een specifieke context onderscheiden welke standpunten aanhangers van de verschillende politieke stromingen innemen ten aanzien van veranderingsprocessen in een samenleving.

Š ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 13

13

30/04/20 15:27


Examenbundel 2020 | 2021

Vaardigheden bij maatschappijwetenschappen Bij het vak maatschappijwetenschappen leer je niet alleen over de hoofd- en kernconcepten en over de contexten machtsverhoudingen in wereld, natievorming en de rol van de staat en de wording van de moderne westerse wereld. Je leert ook bepaalde vaardigheden aan. In het vwo-examenprogramma worden drie subdomeinen onderscheiden waarin vaardigheden beschreven staan: informatievaardigheden (A1), concept contextbenadering (A2) en onderzoeksvaardigheden (A3) (zie onderdeel Examenprogramma in deze bundel). De vaardigheden die bij A1, A2 en A3 genoemd worden, moet je kunnen gebruiken op het centraal schriftelijk examen. Om je geheugen even op te frissen vind je hieronder een aantal nuttige tips en een korte uitleg over een aantal vaardigheden die je voor je centraal schriftelijk examen moet beheersen en moet kunnen toepassen. Informatievaardigheden (A1) Op het centraal schriftelijk examen krijg je bronnen waar je op basis van vakinhoudelijke kennis informatie of gegevens uit moet kunnen halen. Bronnen zijn krantenartikelen, cartoons maar ook tabellen en/of grafieken. In dit examenprogramma staan hoofden kernconcepten centraal. Daarom wordt ook gevraagd of je specifieke hoofd- en kernconcepten kunt herkennen in bronnen. Ook over de bronnen zelf moet je een oordeel kunnen geven: of die betrouwbaar en representatief zijn door na te gaan waar de bron vandaan komt, wie de schrijver is, met welk doel de bron geschreven is, of het om feiten gaat of om een mening etc. Concept-contextbenadering (A2) Het vak maatschappijwetenschappen bestudeert de samenleving en de vele sociale en politieke verschijnselen die erin voorkomen. Om tot inzicht te komen in deze complexe materie is gekozen voor een kennisbasis met een beperkt kader aan hoofd- en kernconcepten. Deze vier hoofdconcepten en 23 kernconcepten vormen de kern van de examenstof. Je moet het volgende kennen en kunnen: – De letterlijke definitie van de hoofd- en kernconcepten (zie Bijlage 3 syllabus) kunnen noemen. – In bepaalde definities komen meerdere elementen (onderdelen) voor. Ook die moet je kunnen onderscheiden en kunnen selecteren welke je moet noemen in een bepaald antwoord. – Je moet weten welke kernconcepten bij welk hoofdconcept aan bod komen. – Je moet in bronnen hoofd- en kernconcepten kunnen herkennen. – Je moet verbanden kunnen leggen tussen kernconcepten, ook tussen kernconcepten die bij verschillende hoofdconcepten aan bod komen. – Je moet de hoofd- en kernconcepten kunnen gebruiken bij de drie voorgeschreven contexten en bij andere nieuwe contexten. Deze kennisbasis moet je in principe bij alle contexten (gebeurtenissen, maatschappelijke vraagstukken en ontwikkelingen) kunnen gebruiken. Maar er zijn drie contexten verplicht voorgeschreven: machtsverhoudingen in de wereld (hoofdconcept verhouding), natievorming en de rol van de staat (hoofdconcept binding) en de wording van de moderne westerse samenleving (hoofdconcept verandering). Daarvan moet je het volgende kennen en kunnen: – De subdomeinen die gaan over de voorgeschreven contexten. – Je moet het hoofdconcept en de kernconcepten waaronder de context is gerangschikt, kunnen gebruiken om deze context te verhelderen. – Daarnaast moet je ook andere hoofd- en kernconcepten kunnen gebruiken in deze context. – En je moet aan de hand van hoofd- en kernconcepten verbanden kunnen leggen tussen de voorgeschreven contexten.

14

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 14

© ThiemeMeulenhoff

30/04/20 15:27


Maatschappijwetenschappen vwo

Paradigma’s Binnen de concept-contextbenadering horen ook de vaardigheden die te maken hebben met de sociaalwetenschappelijke paradigma’s. Het maakt uit of je de maatschappelijke verschijnselen bekijkt vanuit het ene of het andere paradigma: bijvoorbeeld welke vragen je formuleert, wat je waarneemt, hoe je het verklaart, en welke accenten je legt. Zo kan eenzelfde verschijnsel op meerdere manieren geanalyseerd worden en verschillende uitkomsten laten zien. Bij maatschappijwetenschappen onderscheiden we vier sociaalwetenschappelijke paradigma’s: functionalisme-paradigma, conflict-paradigma, sociaalconstructivisme-paradigma, rationele actor-paradigma. Deze moet je kennen en kunnen toepassen. – Je moet de paradigma’s betreffende de hoofd- en kernconcepten kunnen onderscheiden (hoe wordt er bijvoorbeeld vanuit de verschillende paradigma’s naar macht gekeken, hoe naar conflict, naar socialisatie en naar verandering?). – Je moet in een visie op maatschappelijke verschijnselen en ontwikkelingen een paradigma kunnen herkennen. – Je moet vanuit de paradigma’s redeneringen kunnen opzetten (bijvoorbeeld hoe verklaar je vanuit het functionalisme-paradigma het verschijnsel arbeidsmarktdiscriminatie, en hoe vanuit het rationele-actor paradigma?). – Je moet vanuit de paradigma’s oorzaak-gevolg verbanden kunnen formuleren. – Je moet kunnen aangeven vanuit welk paradigma of ideologie wordt geredeneerd in de bron. – Je moet vanuit een paradigma een hypothese kunnen formuleren. Onderzoeksvaardigheden (A3) Veel informatie over de maatschappij wordt verzameld door onderzoekers. Het is belangrijk om te weten wat voor onderzoek zij uitgevoerd hebben, hoe ze dat gedaan hebben en waarom op die manier. Daar worden soms vragen over gesteld in het examen. De vraag of het onderzoek betrouwbaar is: dat wil zeggen dat bij herhaling van het onderzoek weer dezelfde meetresultaten gevonden worden. De vraag of het onderzoek valide is: dat wil zeggen of het onderzoek meet wat de onderzoeker wil meten (waar de hypothese over gaat). De vraag of het onderzoek representatief is: dat wil zeggen dat de steekproef een dwarsdoorsnede is van de totale onderzoekspopulatie. Verder kan gevraagd worden om een hypothese of een vraagstelling te formuleren, soms met aanvullende eis, bijvoorbeeld dat een bepaald kernconcept voorkomt in die vraagstelling of hypothese, of dat de hypothese vanuit een van de paradigma’s wordt geformuleerd. Een vraagstelling is een onderzoeksvraag, een vertrekpunt bij een sociaalwetenschappelijk onderzoek. Een voorbeeld: Waarom is de gemiddelde leeftijd waarop jongeren het ouderlijk huis verlaten en zelfstandig gaan wonen tussen 2006 en 2016 gestegen van 23,6 naar 24,6 jaar? Een hypothese is een veronderstelling over de werkelijkheid die getoetst kan worden. Na afloop van je onderzoek kun je zeggen of de hypothese juist was of niet. Afhankelijk van het paradigma dat je kiest, zal ook je hypothese anders zijn. Een vraag in het examen kan bijvoorbeeld zijn: Formuleer op grond van de onderzoeksvraag een hypothese vanuit het rationale actorparadigma. Een juist antwoord bevat dan een goed geformuleerde hypothese die onderzocht kan worden en elementen van het rationele actor-paradigma bevat. Dit paradigma gaat ervan uit dat actoren een afweging maken tussen alternatieven en het alternatief kiezen dat de meest gunstige kosten-baten analyse heeft. Dit moet in de hypothese zichtbaar zijn. Een voorbeeld van een juist antwoord is dan: Wanneer jongeren meer voor- dan nadelen ervaren door in het ouderlijk huis te blijven wonen, zullen zij ervoor kiezen thuis te blijven wonen. In hypothesen moet je variabelen kunnen onderscheiden. In bovengenoemd voorbeeld zijn dat de variabele ‘het meer voor- dan nadelen ervaren’ en de variabele ‘keuze om

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 15

15

30/04/20 15:27


Vaardigheden bij maatschappijwetenschappen

Examenbundel 2020 | 2021

thuis te blijven wonen’. Het worden ‘variabelen’ genoemd omdat ze in het onderzoek variëren: meer of minder voor- dan nadelen ervaren en kiezen om wel of niet thuis te blijven wonen. De gevonden variabelen moet je kunnen onderscheiden in onafhankelijke en afhankelijke variabelen. Een onafhankelijke variabele wordt door de onderzoeker gekozen omdat hij vermoedt dat deze van invloed is op de afhankelijke variabele. Het vermoeden is dat de keuze om thuis te blijven wonen afhangt van de ervaring of het meer of minder voordeel oplevert dan nadeel. De keuze om thuis te blijven wonen is dus de afhankelijke variabele en de ervaring van de jongere dat het meer voor- dan nadelen oplevert in het ouderlijk huis te blijven wonen is dus de onafhankelijke variabele. En als laatste kan gevraagd worden variabelen verder te operationaliseren. Dat wil zeggen ‘meetbaar maken’, zo concreet maken dat ze onderzocht kunnen worden. Dit doe je door indicatoren te formuleren. In genoemd voorbeeld is een indicator voor de onafhankelijke variabele: het aantal voordelen en nadelen dat door de jongere ervaren wordt. Naast een onafhankelijke en afhankelijke variabele kan er ook sprake zijn van een interveniërende variabele. Dat is een variabele die er ‘tussenkomt’ en mogelijk meer als oorzaak gezien kan worden voor de keuze om thuis te blijven wonen. In genoemd voorbeeld zou het kunnen zijn dat er een tekort is aan betaalbare woningen voor jongeren. Het feit dat er helemaal geen alternatief is, is dan bepalender dan de afweging die de jongere maakt. Dat zou een interveniërende variabele kunnen zijn, maar dat moet onderzoek uitwijzen. Door middel van onderzoek willen wetenschappers achterhalen of er een correlatie is tussen variabelen: dat wil zeggen ze willen weten of er een verband is tussen de variabelen. Dat verband is soms een specifiek oorzaak/gevolg verband. Dan is er sprake van causaliteit. Bij Deel 1, staan bij Vaardigheden vragen die gaan over onderzoeksvaardigheden. Denkvaardigheden Belangrijk bij de voorbereiding op het centraal examen is dat je niet alleen weet wat je moet kennen maar ook hoe hierover vragen gesteld worden. Het gaat bij de examens maatschappijwetenschappen maar in beperkte mate om het uit het hoofd leren van definities en andere kennis. Het hoofddoel van de conceptcontextbenadering is dat je inzicht krijgt in de examenstof. Je leert het hoofdconcept verhouding en de daaronder gerangschikte kernconcepten aan de hand van de context machtsverhoudingen in de wereld. Maar op het examen krijg je vaak andere contexten die je nog niet eerder gezien hebt. Daar moet je dan ook jouw kennis en inzicht op kunnen toepassen. Bijvoorbeeld door zelf met verklaringen te komen op basis van aangeleverde bronnen of zelf verbanden te kunnen leggen. In Deel 2a waar eerdere examens zijn te vinden van 2017-I, 2018-I en 2019-I, zal bij de uitwerking toegelicht worden waaraan je kunt zien wat voor type vraag gesteld is: meer gericht op het reproduceren van geleerde kennis of juist meer het testen van je inzicht over een nieuw onderwerp, waarbij je ook wel weer die kennis moet gebruiken zij het op een andere manier.

16

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 16

© ThiemeMeulenhoff

30/04/20 15:27


De antwoorden vind je op www.examenbundel.nl.

OriĂŤntatietoets

17

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 17

30/04/20 15:27


EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 18

30/04/20 15:27


Oriëntatietoets Opgave 1  Nederlandse troepen in Afghanistan Inleiding bij deze opgave Afghanistan kent een bewogen geschiedenis. Na een periode van veel politieke onrust bezetten de Russen Afghanistan. Met deze invasie wilden de Russen economische, militaire en politieke invloed in Centraal-Azië behouden. Ook de VS wilden invloed in de regio en werkten de bezetting tegen door het steunen van de opstandelingen in Afghanistan, de Moedjahedien, wat strijders voor de islam betekent. In de jaren 80 trokken de Russen zich terug. Het land viel vervolgens ten prooi aan een reeks burgeroorlogen die veel verwoestingen met zich meebrachten. In deze politieke chaos kwamen in 1996 eerst de Moedjahedien aan de macht en vervolgens de Taliban, nadat ze zich van de Moedjahedien hadden afgesplitst. De Taliban is een groepering van religieuze extremisten die streven naar een streng islamitische staat. In korte tijd wisten ze vrijwel het hele land te veroveren, In 2001 vielen de Verenigde Staten Afghanistan binnen, op zoek naar Osama bin Laden1. Bin Laden werd niet in Afghanistan gevonden, maar de Talibanregering werd afgezet. Er werd een overgangsregering aangewezen om het land te besturen. In 2004 werden de eerste vrije verkiezingen gehouden en werd ook een nieuwe grondwet opgesteld. Sindsdien is de wederopbouw moeizaam verlopen. De nieuwe Afghaanse regering, ondersteund door een NAVO-vredesmacht, bracht iets meer rust en stabiliteit. Hierdoor konden vanaf 2002 steeds meer vluchtelingen terugkeren naar Afghanistan. In 2014 trok de internationale gemeenschap zich terug uit veel humanitaire en veiligheidsoperaties. Sindsdien worstelt Afghanistan met afnemende veiligheid en een krimpende economie. Geweld blijft het leven van miljoenen mensen ontregelen en de ontwikkeling van het land belemmeren. In 2016 nam het Taliban-geweld in het hele land toe, met honderden doden en ruim 550.000 ontheemde burgers tot gevolg. In 2017 besloot de NAVO daarom weer meer troepen in te zetten. Ook Nederland participeert in deze NAVO-troepenmacht.

Gebruik de inleiding bij deze opgave voor het beantwoorden van vraag 1 t/m 5. 1 Leg uit waarom de politieke situatie in Afghanistan geanalyseerd kan worden als een verhoudingsvraagstuk en als een veranderingsvraagstuk. Gebruik in je uitleg: – per hoofdconcept een passend kernconcept; – per kernconcept een voorbeeld uit de tekst. De belangrijkste afspraak van de NAVO is dat de bondgenoten zullen ingrijpen als één van de deelnemende landen bedreigd wordt. Afghanistan is geen lid van de NAVO. 2 Leg uit waarom er desondanks toch een NAVO-troepenmacht in Afghanistan aanwezig is.

3 Geef vanuit het functionalisme-paradigma een verklaring voor de beslissing van de NAVO in 2017 om weer meer troepen naar Afghanistan te sturen.

4 Leg uit hoe men vanuit het conflict-paradigma zal aankijken tegen de politieke situatie in Afghanistan. Maak in je uitleg gebruik van: – het kernconcept conflict. – van de twee stromingen/conflicttheorieën die binnen het conflict-paradigma onderscheiden worden, de van toepassing zijnde stroming/conflicttheorie.

1

sama Bin Laden, werd verantwoordelijk gehouden voor de aanslagen in New York op 11 september O 2001 en werd daarom gezocht door de VS.

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 19

19

30/04/20 15:27


Oriëntatietoets

Examenbundel 2020 | 2021

Afghanistan behoort tot de armste landen ter wereld. Afghanistan staat op plaats 167 (van de 189 landen), met een gemiddeld inkomen van $1957 per jaar per hoofd van de bevolking. Nederland staat op plaats 15. Er zijn twee groepen theorieën die een verklaring geven voor onderontwikkeling. 5 Geef een verklaring voor de onderontwikkeling van Afghanistan aan de hand van de afhankelijkheidstheorieën. Lees tekst 1.

tekst 1 Fragmenten uit de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken aan de Eerste Kamer In overeenstemming met artikel 100 van de Grondwet, en onder verwijzing naar de eerdere artikel-100 brieven ter zake, informeren wij u hierbij over het besluit van het kabinet de Nederlandse bijdrage aan de NAVO-missie Resolute Support te intensiveren met ongeveer 60 militairen, de bijdrage te verlengen tot en met 31 december 2021 en uw Kamer hierover voortgangsrapportages te sturen ten 5 behoeve van een jaarlijks evaluatiemoment. (...) Afghanistan anno 2018 is een land met vele gezichten. Zo zijn er steden waar sprake is van modernisering en waar Afghaanse mannen én vrouwen de ruimte krijgen zich te ontwikkelen. Hierdoor kunnen inmiddels bijna negen miljoen kinderen naar school en is de alfabetiseringsgraad 10 verdrievoudigd sinds 2001. Tegelijkertijd blijft de veiligheidssituatie in Afghanistan zorgelijk en zijn er rurale gebieden waar ontwikkeling achterblijft. In deze gebieden breiden gewapende groeperingen zoals de Taliban hun invloed uit, hoewel hun groei sinds de tweede helft van 2017 afneemt door optreden van de Afghaanse regering ondersteund door de internationale gemeenschap. Ook bereiden terroristische groeperingen hier hun dodelijke (zelfmoord-)aanslagen voor, zoals de aanslag op 9 mei 15 2018 in Kaboel. De verdere opbouw van een stabiel Afghanistan met veilige steden en een veilig platteland blijft essentieel voor de Afghaanse bevolking. Voor Nederland staat de bestrijding van terrorisme en het wegnemen van de grondoorzaken van irreguliere migratie voorop. (...) De Nederlandse aanwezigheid in Afghanistan dient de belangen van Afghanistan en van Nederland. 20 Zonder de steun van partners zoals Nederland, is het aannemelijk dat de in Afghanistan geboekte

vooruitgang verloren gaat. Het Afghaanse veiligheidsapparaat is op dit moment nog niet in staat volledig zelfstandig de veiligheid van het land te garanderen. Afghanistan kan opnieuw een vrijhaven worden voor internationaal terrorisme en een bron van grote instabiliteit in een al turbulente regio. (....) Veiligheid is een gedeelde opgave van de internationale gemeenschap. Nederland neemt daarbij in 25 nauwe samenwerking met internationale partners zijn verantwoordelijkheid. Daarnaast geldt dat verbetering van de veiligheidssituatie in Afghanistan kan helpen bij het voorkomen van irreguliere migratie naar Europa. Zoals vastgelegd in de Nederlandse Grondwet vindt de Nederlandse inzet plaats in het kader van de bevordering van de internationale rechtsorde door bij te dragen aan de verzelfstandiging en verbetering van de Afghaanse veiligheidstroepen en instellingen. 30 Met internationale partners hamert Nederland erop dat de uitkomst van het vredes- en verzoeningsproces moet zijn dat de mensenrechten van alle Afghaanse burgers, inclusief vrouwen en minderheden, worden beschermd. De mensenrechtensituatie in Afghanistan is namelijk zorgelijk, specifiek waar het gaat om het grote aantal burgerslachtoffers in het conflict, de positie van vrouwen en het gebrek aan toegang tot eerlijke rechtspraak. Nederland spreekt de Afghaanse overheid aan op 35 mensenrechtenkwesties en verantwoordelijkheden, maar levert ook ondersteuning waar mogelijk. (...)

bron: www.rijksoverheid.nl, 15 juni 2018

20

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 20

© ThiemeMeulenhoff

30/04/20 15:27


Maatschappijwetenschappen vwo

Oriëntatietoets

Gebruik tekst 1 voor de beantwoording van onderstaande vragen.

6 Leg uit dat Afghanistan een fragiele staat genoemd kan worden. Maak in je uitleg gebruik van: – de drie kenmerken van een fragiele staat (fundamenteel kenmerk en twee neveneffecten). – per kenmerk een passend citaat uit tekst 1. Nederland benadrukt in haar buitenlandbeleid regelmatig het belang van de mensenrechten en democratische waarden zoals politieke en economische zelfbeschikking. Het bevorderen van ideële waarden is in lijn met de verplichting die Nederland zichzelf in zijn grondwet heeft opgelegd. Toch is in de kamerbrief ook een meer rationele overweging in het belang van Nederland te herkennen. 7 Leg uit hoe in het Nederlandse beleid ten aanzien van Afghanistan ook het rationele actor-paradigma te herkennen is. Maak in je uitleg gebruik van een voorbeeld uit de tekst. Het Nederlandse buitenlandbeleid wordt vaak gekenschetst als dat van de koopman en de dominee. 8 – Leg uit dat in tekst 1 de dominee te herkennen is. – Leg uit dat ook de belangen van de koopman meegespeeld kunnen hebben bij de Nederlandse deelname aan de NAVO-missie. De inzet van Nederland in Afghanistan kan niet worden losgezien van ontwikkelingssamenwerking. Nederland helpt landen die hun armoedeproblemen niet zelf kunnen oplossen. Bijvoorbeeld landen waar oorlog is geweest. Of landen met een zwak bestuur en grote etnische en politieke spanningen (fragiele staten). Deze landen zijn economisch onderontwikkeld. Afghanistan is een van die landen. Er zijn verschillende theorieën die onderontwikkeling verklaren: de evolutionistische theorieën en de afhankelijkheidstheorieën. 9 Leg aan de hand van tekst 1 uit dat de Nederlandse regering bij haar keuze om troepen in te zetten in Afghanistan, uitgaat van de evolutionistische theorieën. Nederland heeft belang bij ingrijpen in Afghanistan omdat niet ingrijpen risico’s met zich meebrengt. In de kamerbrief wordt genoemd het risico dat Afghanistan een vrijhaven voor internationaal terrorisme wordt en irreguliere migratie. Om dit aan te kunnen pakken is internationale samenwerking nodig. 10 Leg uit welk kernconcept tegelijk de oorzaak voor het ontstaan van de genoemde risico’s is als het gevolg van de gezamenlijke aanpak ervan? 11 Leg uit in welke fase van het systeemmodel de brief van de Minister aan de Eerste Kamer zit.

Opgave 2  Saamhorigheid in Nederland Inleiding bij deze opgave In Nederland groeit de aandacht voor de nationale identiteit, zowel in het publiek als politiek debat. Ook de 4 mei herdenking is in dit kader onderwerp van discussie. Bas Heijne, destijds nog columnist van de NRC, schrijft hierover in tekst 2.

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 21

21

30/04/20 15:27


Oriëntatietoets

Examenbundel 2020 | 2021

tekst 2 Saamhorigheid Nederlanders vinden herdenken steeds belangrijker, meldde Trouw op de voorpagina – opvallend, vond de krant, aangezien steeds minder mensen de oorlog hebben meegemaakt. Dus wat is de reden? Er volgde een rondje duiding. “We zijn bang. We willen het idee van ‘dat nooit weer’ met elkaar 5 bevestigen, juist in deze tijd”, aldus oud-politicus Job Cohen, voorzitter van het Amsterdamse 4 en 5 mei comité. Volgens hem heeft het te maken met het oplopen van de internationale spanningen. Zoals de verkiezing van Trump, “die zorgen oproept of zijn land met hem nog wel in goede handen is”. En dan is er Poetin, zegt hij, die de Krim annexeerde. Zou het? 10 Cohen: “Er zit misschien ook iets nationalistisch in, zo van: wij Nederlanders herdenken met elkaar.” Goed dat hij dat laatste er nog even aan toevoegt – want ik zag de afgelopen week nauwelijks bezorgdheid over de dreiging van de grote, boze wereld. Ik zag vooral hoe de aanhoudende Hollandse cultuurstrijd zich nu ook al meester maakte van het herdenken van de doden. Het ging op z’n Hollands over wie er herdacht mocht worden en wie juist niet, of nieuwe Nederlanders wel een 15 avondje mochten discussiëren over hoe er in tijden van migratie herdacht zou kunnen worden.

Ik kreeg er een naargeestig gevoel van. Ging het in voorgaande jaren nog over de vloek van het dreigend relativisme – geen Duitse ambassadeur op de Dam, niet langs graven van gesneuvelde Duitsers lopen! – afgelopen week ging het vooral over van wie de herdenking eigenlijk was – er zijn geen Marokkaanse soldaten gesneuveld voor Nederland! 20 Er is behoefte aan saamhorigheid, zegt Cohen. Misschien, maar als die saamhorigheid zich uit in een benepen obsessie met wat de juiste manier van herdenken is, elkaar eindeloos langs de morele maatlat leggen, over wie ruim zeventig jaar na het einde van de oorlog alsnog goed en fout is – dan sla ik graag een jaartje saamhorigheid over. 25 “We zoeken op dit moment naar onze eigen identiteit. De dodenherdenking is daarmee verbonden.”,

verklaarde Kim Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau in Trouw. “In onze onderzoeken naar wat Nederlanders belangrijk vinden komt de Dodenherdenking altijd naar voren, samen met Koningsdag.” Daar zit ’m de kneep, denk ik. Wanneer identiteit iets wordt dat voortdurend als bedreigd wordt gezien 30 en dus beschermd moet worden, bestaat het gevaar dat het een gesloten circuit wordt, een vluchtheuvel voor de grote boze wereld. In de documentaire-reeks Onbehagen zit een fragment van een opvallend interview met Pim Fortuyn (voor het eerst uitgezonden in 2012). Daarin stelt hij nationaal gevoel voor als een noodzakelijke bedding in tijden van globalisering, houvast in een complexe wereld. Dat betekende niet dat je die 35 grote wereld kon ontkennen, integendeel, je kon die wereld met open vizier tegemoet treden, juist omdat je “vaste grond onder de voeten” had. Juist de nadruk op identiteit, niet als stevig houvast in een complexe wereld, maar als uitdrukking van onvervreemdbare eigenheid, maakt het vrijwel onmogelijk om tegenstemmen te accepteren, de ander nog als een gelijke te zien. Bovendien is men voortdurend bang dat men zijn eigenheid verliest, dat de 40 ander je iets afpakt. Omdat het een aanslag is op je gevoel van eigenwaarde, op je essentie. ‘Vrijheid’ is allang geen vrijblijvend, feestelijk cliché meer, een excuus voor relaxed een dagje meezingen en zuipen. Maak van 5 mei een dag van saamhorigheid – in het besef hoe verdomde moeilijk dat is geworden.

bron: nrc.nl, 5 mei 2018 (bewerkt en ingekort)

Gebruik regel 10 t/m 19 voor het beantwoorden van vraag 12 en 13

Nederlanders vinden herdenken steeds belangrijker volgens dagblad Trouw. Job Cohen en Bas Heijne duiden dit gegeven op een andere manier. 12 Leg uit aan welk hoofdconcept je de duiding van Job Cohen kunt koppelen? Maak in je uitleg gebruik van een passend kernconcept bij dat hoofdconcept.

22

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 22

© ThiemeMeulenhoff

30/04/20 15:27


Maatschappijwetenschappen vwo

Oriëntatietoets

13 Leg uit aan welk hoofdconcept je de duiding van Bas Heijne kunt koppelen? Maak in je uitleg gebruik van een passend kernconcept bij dat hoofdconcept. Kies een ander hoofdconcept dan bij vraag 12. In de eerste regel van de tekst schrijft Bas Heijne dat dagblad Trouw het opvallend vindt dat Nederlanders herdenken steeds belangrijker vinden, terwijl het aantal mensen dat de oorlog heeft meegemaakt afneemt. Er is dus geen verband tussen het al dan niet mee gemaakt hebben van de oorlog en het belangrijk vinden van de herdenking. 14 Leg uit vanuit welk sociaalwetenschappelijk paradigma je dit het best kunt verklaren? Maak in je uitleg gebruik van: – een kenmerk van het gekozen paradigma. – het kernconcept sociale institutie. – een kenmerk van instituties in het algemeen. Binnen het hoofdconcept verandering wordt ook gekeken naar de effecten op de andere hoofdconcepten. Bijvoorbeeld wat verandering voor invloed heeft op de vorming van mensen in de moderne samenleving. Dat de dodenherdenking is verbonden met de zoektocht naar onze identiteit, zoals Kim Putters van het SCP stelt, kan hiermee in verband worden gebracht. 15 Leg uit waarom de genoemde zoektocht naar onze identiteit samenhangt met verandering in de vorming van mensen in de moderne samenleving. Maak in je uitleg gebruik van de begrippen persoonlijke en collectieve identiteit. In regel 33 en 34 wordt globalisering als een van de verklaringen gegeven voor de aandacht voor een nationale identiteit, nationaal bewustzijn. 16 Verklaar met een ander kernconcept bij het hoofdconcept verandering waarom de aandacht voor een nationale identiteit groeit. Een nationale identiteit kan zorgen voor een houvast in een complexe wereld. Maar als het iets is dat voortdurend als bedreigd wordt gezien en dus beschermd moet worden, bestaat het gevaar dat het een gesloten circuit wordt, schrijft Heijne in regel 29 t/m 31. Dit heeft gevolgen voor de saamhorigheid op nationaal niveau. 17 Leg uit welk gevolg dit heeft voor saamhorigheid op nationaal niveau. Maak in je uitleg gebruik van het kernconcept groepsvorming. De Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) onderscheidt drie dimensies in identificatieprocessen. 18 Leg uit voor welke van de drie dimensies Heijne een gevaar schetst. Geef in je uitleg een passend citaat. Gebruik figuur 1. Toelichting op figuur 1 Figuur 1 laat zien hoeveel mensen 4 mei belangrijk en heel belangrijk vinden uitgedrukt in percentage van de Nederlandse bevolking

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 23

23

30/04/20 15:27


Oriëntatietoets

Examenbundel 2020 | 2021

figuur 1 N=1063

Belang van 4 mei door de jaren heen 100

in %

90 80 70 34 60

37 35 34 38 40 32 40 30 36 32 35 42 42

50

40 44 40

40 30 52

20

48 45 48 45 48 47 46 48 49 50 42 45

37 35

41 39

10 0

2002

2004

2006

2008

belangrijk

2010

2012

2014

2016

2018 jaar

heel belangrijk

bron: https://www.4en5mei.nl/media/documenten/nationaalvrijheidsonderzoek2018.pdf

Gebruik figuur 1 voor vraag 19 t/m 21.

Nederlanders vinden dodenherdenking steeds belangrijker, meldde Trouw volgens Bas Heijne op de voorpagina. 19 Leg op grond van figuur 1 uit dat deze formulering om twee redenen misleidend is. Inleiding bij vraag 20 en 21 De beleving, houding en het draagvlak ten aanzien van 4 en 5 mei zijn door onderzoeksbureau Kantar in kaart gebracht met een online enquête onder n=1.063 burgers van 13 jaar en ouder. Het veldwerk voor deze enquête is uitgevoerd in de periode van 23 maart tot en met 2 april. De respondenten voor dit onderzoek zijn a-select geworven door het onderzoeksbureau, dus niet via zelfaanmelding. Voor deelname aan het onderzoek zijn in totaal 1.550 respondenten benaderd. De respons lag op 69%. Ook zijn binnen deze steekproef niet- westerse allochtonen vertegenwoordigd (n=127). Om over de bevolking als geheel uitspraken te kunnen doen, is een herweging uitgevoerd op de kenmerken sekse, leeftijd, opleiding, grootte huishouden en regio. 20 Wat kun je op grond van de inleiding bij deze vraag concluderen over de representativiteit van het onderzoek? Leg je antwoord uit. Gebruik de inleiding bij vraag 20 bij het beantwoorden van deze vraag. De onderzoekers hebben een herweging uitgevoerd op een aantal kenmerken. 21 Leg met een voorbeeld uit wat dit betekent en om welk criterium van sociaalwetenschappelijk onderzoek het hier gaat. Gebruik in je uitleg de naam en betekenis van dit criterium.

24

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 24

© ThiemeMeulenhoff

30/04/20 15:27


Maatschappijwetenschappen vwo

Oriëntatietoets

Opgave 3  Gaan culturen steeds meer op elkaar lijken? tekst 3 Gaan culturen steeds meer op elkaar lijken? Globalisering maakt de wereld kleiner. En volgens een wijd verbreid idee worden culturen er eenvormiger door. Maar dat laatste klopt niet, zegt de Indiër Arjun Appadurai. Hij is de eerste antropoloog die zich heeft verdiept in de culturele dimensie van globalisering. 5 Culturele globalisering – lees: verwestersing – lokt allerlei lokale reacties uit, zei Appadurai in een gesprek. Westerse invloeden worden niet passief ondergaan. Globalisering kan ook leiden tot heftige culturele reflexen. Als voorbeeld noemt Appadurai zijn geboortestad, Bombay. Het was lang de meest kosmopolitische stad van India. Een knooppunt van internationale handel en geldverkeer, een schakel tussen Oost en West. Een stad van minderheden ook: Gujarati, Tamils, Farsi en Arabieren; hindoes 10 en moslims. Maar in de jaren negentig, toen India werd meegezogen in de maalstroom van globalisering, zorgde dat in Bombay juist voor een terugslag. De miljoenenstad werd een bolwerk van de uiterst rechts-nationalistische hindoepartij Shiva Sena. Die herdoopte hem in Mumbai en ontketende een gewelddadige etnische zuivering tegen Noord-Indiërs, Tamils en moslims. Doordat India zich in de jaren negentig opende naar de wereldmarkt, riep dat de vraag op ‘wat is er 15 bijzonder aan ons’? Hindoe-nationalisme2 is opgeleefd door de zorgen die Indiërs hebben over hun positie in een grotere wereld.

20

25

30

35

Jeans en fastfood Toegegeven, zegt Appadurai, de invloed van het Westen op de rest van de wereld is groot. Culturele globalisering verloopt via migratie en (elektronische) media, grensoverschrijdende stromen van mensen en ideeën. En het is waar dat migranten meestal naar het Westen trekken, en dat westers cultuurgoed de wijde wereld in gaat. Het Engels heeft de slag om de positie van wereldtaal ruimschoots gewonnen. Andere in het oog springende manifestaties van culturele mondialisering zijn moderne stedelijke architectuur, kleding ( jeans), drank (whisky, wijn en cola), fastfood (McDonald’s), populaire muziek, tv-series en films. Maar ook al is de aantrekkingskracht van het Westen groot, dat wil niet zeggen dat het ‘Oosten’ en het ‘Zuiden’ alles lijdzaam ondergaan, en zelf geen invloed hebben. Het kan ook zo zijn dat niet-westerse cultuuruitingen (films, muziek) hier aanslaan. (…) Een andere reden waarom globalisering niet leidt tot culturele homogenisering, is dat ‘verwestersing’ vaak alleen overname is van de vorm, en niet van de inhoud. De sociologen Kuipers en Kooijman hebben laten zien dat de Amerikaanse cultuur in Europa geen dwingende invloed van buitenaf is, die mensen passief ondergaan. Europeanen eigenen zich Amerikaanse cultuurelementen actief, maar selectief toe, en maken er iets van waarin ze zich herkennen. Iets dergelijks deed de Europese elite in de 17de eeuw met tabak uit Amerika, die daar een rituele en medicinale functie had en hier veranderde in een algemeen gebruikt genotmiddel. Een vergelijkbare toe-eigening voltrekt zich nu met westerse cultuurelementen in de niet-westerse wereld. (…) Gedragscodes

40 Cultuur is meer dan ritueel, beeldtaal en toonladders. Het hart van een cultuur bestaat uit

gedragscodes: omgangsvormen, denkbeelden over goed en kwaad, ideeën over de juiste inrichting van de samenleving. De hedendaagse westerse formule voor dit pakket is ‘democratie en mensenrechten’. Sinds de jaren zeventig is het aantal democratieën in de wereld spectaculair toegenomen, maar rond 2000, een hoogtepunt in de globalisering, stokte deze groei. Rusland deed 45 stappen terug en dat had invloed op zijn buren in de Kaukasus en Centraal-Azië. China heeft de laatste tijd de politieke hervormingen van de jaren negentig teruggedraaid, in weerwil van aanhoudende economische groei. 2

et hindoenationalisme is een nationalistische ideologie die India als een hindoeïstische natie ziet. H Ze streeft ernaar om de erfenis van het hindoeïsme te bewaren. Dit uit zich soms in gewelddadig optreden tegen andere etnische groeperingen in India.

© ThiemeMeulenhoff

EB_vwo_MSW_Deel1+2a.indd 25

25

30/04/20 15:27


examen bundel examenbundel.nl

examenbundel 2020 2021

examenbundel vwo Nederlands vwo Engels vwo Duits vwo Frans vwo Economie vwo Bedrijfseconomie vwo Maatschappijwetenschappen vwo Geschiedenis vwo Aardrijkskunde vwo Wiskunde A vwo Wiskunde B vwo Wiskunde C vwo Scheikunde vwo Biologie vwo Natuurkunde

samengevat vwo Economie vwo Bedrijfseconomie vwo Maatschappijwetenschappen vwo Geschiedenis vwo Aardrijkskunde vwo Wiskunde A

Meer dan alleen oefenexamens

Tips, tricks en informatie die jou helpen bij het slagen voor je eindexamen vind je op examenbundel.nl! Nog meer kans op slagen? Volg ons ook op social media. #geenexamenstress

vwo Wiskunde B vwo Wiskunde C vwo Scheikunde vwo Biologie vwo Natuurkunde

vwo

havo/vwo Nederlands 3F/4F havo/vwo Rekenen 3F/4F

examenidioom vwo Engels vwo Duits

Maatschappijwetenschappen

examenidioom + examenbundel + samengevat + zeker slagen! = #geenexamenstress

2020 2021

vwo

Maatschappijwetenschappen

vwo Frans

zeker slagen ! voor vmbo, havo ĂŠn vwo

EB_vwo_MSW_170x240.indd 1

9 789006 781250

3/06/20 08:22


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9006781250 vwo maatschappijwetenschappen by ThiemeMeulenhoff - Issuu