Skip to main content

klaar voor de brugklas | einddoelenschrift rekenen 1S | 8 naar brugklas

Page 1

naam:

Einddoelenschrift rekenen 1S van groep 8 naar de brugklas

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 1

9/04/2021 18:06


Hoe gaat het? Kleur bij elk lesdoel hoe het gaat.

Ik snap het nog niet helemaal

Ik ben goed op weg

Ik heb het lesdoel afgerond

Heb je alle lesdoelen gemaakt? Vul dan de achterkant van dit schrift in. Succes en veel plezier!

lesdoel 1 Ik oefen tafels en tientallentafels.

lesdoel 2 Ik oefen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

lesdoel 3 Ik oefen volgorde van bewerkingen.

lesdoel 4 Ik oefen rekenen met kommagetallen.

lesdoel 5 Ik oefen rekenen met breuken.

lesdoel 6 Ik oefen rekenen met procenten.

lesdoel 7 Ik oefen hoe breuken, kommagetallen, verhoudingen en procenten bij elkaar horen.

lesdoel 8 Ik oefen rekenen met het metriek stelsel.

lesdoel 9 Ik oefen rekenen met schaal.

lesdoel 10 Ik oefen rekenen met verhoudingen.

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 2

9/04/2021 18:06


Einddoelenschrift rekenen 1S van groep 7 naar 8

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 1

Powered by

9/04/2021 18:06


1

LESdoel 1

lesdoel Ik oefen tafels en tientallentafels.

Reken uit. 6×6=

5×7=

5×8=

8×9=

7×6=

7×7=

0×9=

12 × 4 =

4×9=

10 × 8 =

9×9=

6×4=

8×4=

3×4=

11 × 7 =

7×2=

2 Schrijf de som en reken uit. Er zijn 7 kinderen. Ieder kind krijgt 6 snoepjes. In totaal zijn er

snoepjes.

Een flatgebouw heeft 5 verdiepingen. Op iedere verdieping zijn 8 appartementen. Er zijn

Mijn som is:

appartementen.

Mijn som is: De juf maakt 8 groepjes van 4 kinderen. Er zitten

Bedenk nu zelf:

kinderen in de klas.

Mijn som is:

3 Vul in. × 2

×

8 18

63

14 6

24 4

9

54

42

72

36

5

9

35

72

4 Kleur. Kleur de sommen met antwoord: 36

24

18

Kleur de sommen met antwoord: 40

16

30

18

12

3×6

8×2

4 × 10

4×8

2×9

7×5

8×2

1×7

4×4

5×4

3×7

8×3

8×5

4×6

3×3

4×4

9×4

6×5

5×5

8×2

12 × 3

4×5

4×9

6×5

6×6

9×2

3 × 10

2×9

10 × 3

3×6

7×4

6×4

10 × 4

3×8

4×7

3×4

7×3

5×6

10 × 4

2×6

9×2

2×8

8×5

8×4

6×3

9×0

6×2

7×6

4×3

6×4

2

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 2

9/04/2021 18:06


5

LESdoel 1 Vul in. 32

16

40

4 1

2

6

4×

8

3 7

5

8×

64

6 12

7

10

36

16

40 8

54

6

36

72

45

12 10

2 7

6×

30

9

6

3 60

9×

72

1 3

4 63

6

6 Schrijf de som en reken uit. Er zijn 6 kinderen. Ieder kind heeft 9 knikkers.

Er zijn 7 briefjes van € 5.

Samen hebben ze

knikkers.

Samen is dat €

=

De som is

De som is:

×

×

=

Er zijn 8 zakjes. In ieder zakje gaan

Tess spaart 9 weken lang € 9 per week.

4 boterhammen. Er zijn

Ze heeft dan €

De som is:

×

boterhammen. =

De som is:

gespaard. ×

=

7 Reken uit. × 5 = 45

8×

= 56

× 6 = 30

× 3 = 21

7×

= 28

4×

= 36

× 4 = 16

9×

= 27

4×

= 24

× 7 = 42

5×

= 20

8×

= 24 × 3 = 18

4×

× 7 = 49

= 32 × 9 = 27

8 Vul in. × 8

×

3 40

7

4

6

49 36

7

48

28

6

64

36

3

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 3

9/04/2021 18:06


9

LESdoel 1

lesdoel Ik oefen tafels en tientallentafels.

Schrijf de som en reken uit. Ik koop 17 dozen.

De som is:

Ik koop 7 vellen.

× Ik heb

Ik heb 8 doosjes.

De som is: ×

Dieren stickervel 12 stuks

eieren.

De som is:

Ik heb

Ik heb 13 zakjes.

De som is:

× Ik heb

stickers.

× aardbeien.

Ik heb

knikkers.

10 Reken uit. 3 × 14 =

5 × 15 =

8 × 16 =

6 × 17 =

6 × 14 =

7 × 15 =

6 × 16 =

9 × 17 =

9 × 14 =

3 × 15 =

4 × 16 =

4 × 17 =

8 × 14 =

9 × 15 =

3 × 16 =

7 × 17 =

11 Reken uit. 12 × 4 =

5 × 13 =

6 × 12 =

19 × 3 =

4 × 12 =

13 × 5 =

12 × 6 =

3 × 19 =

8 × 12 =

13 × 6 =

12 × 3 =

9 × 19 =

12 × 8 =

6 × 13 =

3 × 12 =

19 × 9 =

12 Schrijf de som en reken uit. Ik heb 7 doosjes met 16 kaarten. Hoeveel kaarten heb ik?

Ik heb 13 zakjes met 5 druiven. Hoeveel druiven heb ik?

De som is:

De som is:

Ik heb

× kaarten.

Ik heb

× druiven.

Er zijn 17 trays met 3 kiwi’s.

Er zijn 8 vellen met 14 stickers.

De som is:

De som is:

In totaal

× kiwi’s.

In totaal

× stickers.

4

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 4

9/04/2021 18:06


13

LESdoel 1 Schrijf de som en reken uit. Er zijn 13 kinderen. Ieder kind raapt 30 golfballen. Dat zijn totaal

Ieder kind springt 29 keer. Er zijn 300 kinderen. Er is samen

× golfballen.

× = keer gesprongen.

=

Jente rent 60 rondjes van 88 meter. Dat is samen ×

m=

Je koopt 23 pakjes met 40 kaarten. Dat zijn samen × kaarten.

Je spaart iedere week 57 euro. Je hebt 60 weken gespaard. Je hebt in totaal

Anita verkoopt 34 bossen rozen. In iedere bos zitten 30 rozen. Dat zijn in totaal

meter.

×

=

× = euro gespaard.

=

rozen.

14 Schrijf de som en reken uit.

Juf: ‘Ik koop 30 pakjes voor mijn klas.’

Ik koop 3 netjes mandarijnen.

Juf: ‘Geef alle 20 leerlingen een pakje.’

5 kleine voetballen

6

×

=

×

‘Ik koop er 8 voor Oma: mijn kleinkinderen.’ 20

=

×

pa: ‘Ik koop voor mijn 6 Okleindochters een doosje.’

=

9 kinderen krijgen een vel stickers. Dieren stickervel 40 stuks

kn

ikk er

s

×

15

=

×

=

×

=

Vul in.

30 4

×

50 7

400

×

4 ×

32

30 3

5

×

60

120

5

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 5

9/04/2021 18:06


1

LESdoel 2

lesdoel Ik oefen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

Reken uit. 1

1 2 7

6 8 8

4 5 6

7 9 0

5 4 6 +

2 0 4 +

1 3 8 –

3 4 2 –

7 5 2

9 7 8

4 2 3

3 4 8

3 4 9 –

6 2 5 –

1 6 8 +

3 4 5 +

Zaterdag kwamen er 330 bezoekers in de dierentuin, op zondag 142 en op maandag 105 bezoekers,

De bakker verkocht woensdag 222 broodjes, donderdag 103 en vrijdag 442 broodjes,

Vandaag waren er 315 bezoekers in de bioscoop, gisteren 240 en eergisteren 424 bezoekers,

samen: bezoekers.

samen: broodjes.

samen: bezoekers.

6 7 3

2 Schrijf de som onder elkaar. Reken uit. Maandag verkocht Ivan 325 ijsjes, dinsdag 150 en vandaag 212 ijsjes, samen:

ijsjes.

+

+

+

+

3 Vul in. 897 −

= 236 + 23 = 299

458 – 363 + 621 =

= 323

997 –

= 369

541 –

= 308 + 617 = 759

359 + 513 =

416 + 354 =

560 –

+ 156 = 472 874 –

= 626 – 117 = 426

= 325

515 + 246 = – 123 = 748 132 + 360 =

4 Reken uit. 938 – 721 =

546 + 326 =

384 + 109 =

181 –   28 =

539 + 142 =

525 – 119 =

261 – 137 =

351 – 219 =

392 –   85 =

690 – 514 =

482 – 363 =

724 + 167 =

147 + 203 =

876 + 109 =

268 + 125 =

326 + 117 =

6

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 6

9/04/2021 18:06


5

LESdoel 2 Vul in. 274

+

= 672

238

– 111 =

193

+

= 996

+ 527 = 821

411

+

201

+

= 700

501

– 246 =

597

–

= 619

+ 223 = 971

= 265

901

–

– 321 = 424

= 596

811

–

868

–

= 729

+ 211 = 564 789

= 308

– 311 = + 323 = 735

6 Schat eerst. Reken daarna precies. De som:

Ik schat:

2768 + 3976 =

3000

Ik reken precies:

+ 4000 =

8244 – 1879 =

–

=

1988 + 6266 =

+

=

9105 – 1833 =

–

=

3409 + 4220 =

+

=

1698 + 7832 =

+

=

8432 – 6540 =

–

=

4890 – 1653 =

–

=

7 Reken uit. 553 + 383 =

215 + 735 =

298 + 648 =

155 + 765 =

489 + 268 =

628 + 282 =

318 + 403 =

138 + 426 =

527 + 157 =

119 + 791 =

657 + 68 =

625 + 285 =

438 + 426 =

326 + 554 =

538 + 370 =

243 + 285 =

8 Schrijf de som en reken uit.

516 flessen

–

Er worden 107 flessen verkocht. Er zijn

flessen over.

383 stenen

Er worden 257 stenen verkocht. Er zijn

–

stenen over. ZAND ZAND

ZAND

ZAND

ZAND ZAND

776 schroeven

–

Er worden 439 schroeven verkocht. Er zijn

schroeven over.

586 kg zand

Er wordt 274 kg gebruikt. Er is

–

kg zand over.

7

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 7

9/04/2021 18:06


9

LESdoel 2

lesdoel Ik oefen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.

Reken uit. :

=

×

+

1 laptop kost € 324. De school koopt 12 laptops.

Het gezin koopt 4 fietsen. Ze betalen in totaal € 1928.

Samen €

1 fiets kost €

10 Schat eerst, reken daarna precies. 32 × 215 ≈

49 × 297 ≈

369 : 6 ≈

506 : 9 ≈

32 × 215 =

49 × 297 =

369 : 6 =

506 : 9 =

15 × 768 ≈

25 × 407 ≈

456 : 24 ≈

798 : 19 =

15 × 768 =

25 × 407 =

456 : 24 =

798 : 19 =

11 Reken uit. Hanna heeft 328 voetbalplaatjes. Er passen 9 plaatjes op 1 bladzijde.

De sportvereniging krijgt een gift van € 855 voor nieuwe sporttassen. Een sporttas kost € 45.

Hanna kan

De sportvereniging kan

bladzijden inplakken.

sporttassen kopen.

Simon heeft 882 glazen limonade. Er passen 21 glazen op 1 dienblad.

De tennisclub heeft € 780 voor nieuwe stoelen in de kantine. Een stoel kost € 65.

Simon kan

De tennisclub kan

dienbladen vullen.

nieuwe stoelen kopen.

12 Reken uit. De bakkerij bakt iedere dag 361 croissants. In 2 weken heeft de bakkerij croissants gebakken. Ik reken zo:

Voor 12 appeltaarten is 3840 gram bloem nodig

Voor 1 brood is 525 gram meel nodig.

Voor 1 appeltaart is gram bloem nodig.

Voor 15 broden is meel nodig.

Ik reken zo:

Ik reken zo:

gram

8

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 8

9/04/2021 18:06


13

LESdoel 2 Reken uit. 53 × 125 =

81 × 106 =

8954 : 11 =

19 × 282 =

9180 : 18 =

31 × 251 =

13 × 41 =

9576 : 12 =

26 × 316 =

5535 : 45 =

9020 : 41 =

41 × 135 =

7215 : 15 =

16 × 457 =

71 × 105 =

29 × 318 =

14 Schat eerst, reken daarna precies. De som is:

Ik schat:

Ik reken precies:

3165 : 15 = 3775 : 25 = 4950 : 45 = 3366 : 11 =

15 Reken uit op beide manieren. Reken uit op beide manieren: 1 2 / 6 7 3 2 \

6 7 3 2 : 1 2 =

−

−

Er zijn 6734 appels geoogst. Ze worden verdeeld in zakken met 12 appels. Er worden gevuld.

−

zakken

16 a Reken uit. 1 7 / 6 5 9 6 \

2 1 / 9 3 2 4 \

–

–

b Reken uit. Gebruik uitrekenpapier. 4158 : 18 = 8857 : 17 =

–

–

5184 : 36 = 5544 : 42 =

–

–

9

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 9

9/04/2021 18:06


1

LESdoel 3

lesdoel Ik oefen volgorde van bewerkingen.

Schrijf de som en reken uit. Sophia bakt muffins. Ze bakt 4 keer in de oven. Boven in de oven passen 5 bakblikken, onder passen 3 bakblikken. Sophia bakt

muffins.

De som is: Ik reken zo: Kaj heeft 50 knikkers. Hij verliest bij 3 potjes achter elkaar iedere keer 2 knikkers, dan wint hij bij 2 potjes achter elkaar iedere keer 1 knikker. Kaj heeft na de potjes

knikkers.

De som is: Ik reken zo:

2 Reken uit. Opbrengst vrijmarkt groep 6

€   85,00*

groep 7

€ 134,00*

groep 8

€ 105,00*

Groep 8 gebruikt de opbrengst om nieuwe leesboeken te kopen. Ieder leesboek kost € 15. Met de opbrengst kunnen

leesboeken worden gekocht.

Groep 7 schenkt € 100 aan het goede doel en koopt met de rest 21 werkboeken.

*De school verdubbelt deze opbrengst.

Elk werkboek kost € Groep 6 koopt een klassentablet van € 135 en 2 leesboeken van € 15. Groep 6 heeft nog €

over.

3 Reken uit. = 10

5 × 8 : 10 =

=

16 – 6 : 2 =

=

15 × 2 : 10 =

=

4 × 4 : 2 =

=

25 × 8 – 4 =

=

4 × 4 : 4 =

=

9 : 3 × 7 =

=

8 : 2 × 7 =

=

8 – 3 × 2 =

=

6 : 2 × 9 =

=

4 + 4 × 2,5 =

=

7 + 9 : 3 = 7

+ 3

4 Vul in × : + of – 32

15

11 = 6

3

4

1 = 12

5

22

15 = 125

36

10

2 = 31

44

3

2 = 39

20

5

4 = 25

64

8

8=0

27

12

3 = 63

14

12

6 = 20

16

4

16 = 20

32

2

14 = 78

78

15

15 = 48

5

21

7 = 15

12

6

12 = 60

68

2

2 = 17

12

6

48 = 96

10

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 10

9/04/2021 18:06


5

LESdoel 3 Geef de stappen die bij elkaar horen dezelfde kleur. 30 – 10 : 2 =

20 – 16 =

3

20 – 2 × 8 =

15 – 8 =

25

12 – 3 × 3 =

5 + 14 =

16

15 – 2 × 4 =

6 + 10 =

19

5+2×7=

30 – 5 =

7

6 + 30 : 3 =

12 – 9 =

4

6 Reken uit.

6 + 3 × 5 =

=

21 : 3 × 5 × 2 =

=

2 × 5 + 6 =

=

36 : 9 × 4 × 5 =

=

3 × 9 – 7 =

=

12 × 5 : 3 : 5 =

=

4 + 4 × 2,5 =

=

20 × 6 : 12 : 2 =

=

5 × 8 : 10 =

=

25 × 2 – 2 × 3 =

=

4 × 4 : 2 =

=

16 : 4 + 8 : 2 =

=

9 : 3 × 7 =

=

700 × 3 + 4 × 20 =

=

6 : 2 × 9 =

=

420 : 10 – 2 × 12 =

=

7 Reken uit.

314 – 352 : 8 =

11 × 696 – 279 =

13 × 235 – 1800 : 60 =

4130 : 5 + 877=

789 + 18 × 844 =

640 : 32 × 16 – 180 =

340 : 4 + 252 : 6 =

101 × 49 – 245 : 5 =

18 × 225 + 16 × 336 =

142 × 191 – 199 × 114 =

304 : 4 + 155 × 141 =

3710 : 14 – 12 × 13 =

8 Bedenk de som. +

+

= 55

+

×

= 20

+

–

= 28

×

×

= 80

×

–

×

:

+

–

+

:

=3

+

×

= 55

= 64

= 19

11

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 11

9/04/2021 18:06


9

LESdoel 3

lesdoel Ik oefen volgorde van bewerkingen.

Omcirkel of het gebruik van haakjes wel of niet zinvol is. (2 + 4) + 7 wel / niet zinvol

(2 × 3) : 3

wel / niet zinvol

(9 : 3) × 4

wel / niet zinvol

(3 + 4) × 5 wel / niet zinvol

(6 – 2) × 2 wel / niet zinvol

(3 + 2) : 3

wel / niet zinvol

(2 + 3) – 5 wel / niet zinvol

(3 + 4 ) – 6 wel / niet zinvol

(6 – 4) – 1 wel / niet zinvol

Het gebruik van haakjes is niet altijd zinvol, omdat de uitkomst zonder het gebruik van haakjes hetzelfde / anders is.

10 Reken uit. 10 + 6 × 10 + 20 =

48 – 16 : 8 × 15 =

24 – 3 : 3 + 6 =

(10 + 6) × (10 + 20) =

(48 – 16) : 8 × 15 =

(24 – 3) : 3 + 6 =

35 + 15 × 7 – 6 =

12 : 4 + 2 + 3 =

25 – 5 × 3 + 12 =

(35 + 15) × (7 – 6) =

12 : (4 + 2) + 3 =

(25 – 5) × (3 + 12) =

11 Reken uit. (2 + 4) × 4 =

3 × (3 – 1) =

(22 : 2) – 5 =

15 : 3 – 2 =

14 – (5 + 4) =

(4 – 2) × 2 =

5 × (3 + 2) =

15 : (3 – 2) =

(6 + 30) : 3 =

4 – 2 × 2 =

5 × 3 + 2 =

18 + 6 : 3 =

6 + 30 : 3 =

(6 – 3) × 8 =

(7 – 5) × 22 =

(18 + 6) : 3 =

12 Maak vast. Verbind de sommen met het juiste antwoord. 21 : 3 × (4 + 3)

14 × 6 : 4

100

49

90 : 10 × 6 – 7

(25 + 25) × 4 : 5

20

(60 + 15) × 3 – 200

52

100 : (10 – 5)

55 – 15 : (3 + 2)

40

25

21

47

30 × 7 : 3 + (15 + 15)

12

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 12

9/04/2021 18:06


13

LESdoel 3 Omcirkel het juiste antwoord. 60 × 60 : 6 + (250 – 25) = 825

875

75 : (15 – 2 × 5) + 12 : 2 = 1

21 20

78 – 8 × 2 – 30 + 2 = 112

34

(38 – 4 × 3) : (1 + 4 – 3) = 13 27 103

45 + 45 – 10 × 3 – 6 = 234

54

(300 – 50) + 27 : 9 + 3 × 2 = 259

66

55 + 125 : (5 + 20) – 35 = 25 65 21

(75 – 25) × (30 – 5) – 500 = 500

750

90 – (25 + 15) : 5 + 12 = 28 80 94

110 – 25 × 4 + 34 : 2 = 187 27 22

14 Maak de som kloppend door haakjes toe te voegen. 14 + 3 × 2 – 1 = 33

5 + 3 × 9 – 6 = 24

15 : 3 × 3 + 2 = 25

53 – 8 × 2 : 6 – 2 = 49

3 + 4 + 2 × 3 = 21

12 – 5 × 4 = 28

23 + 18 : 8 – 5 = 29

34 – 15 – 4 = 23

15 Geef de som en het antwoord dezelfde kleur. 90 – 7 + 3 × 4

28 + 4 × 3

60

90 : 5 + 6

(12 + 8) × (8 – 3)

(25 + 5) : (4 + 2)

36

20 × 5 – 35

66

95

24

6 × 20 : (33 + 7)

100

5

99 : 3 × (5 – 3)

4 × 4 + (50 – 6)

40

3

42 : (4 + 3) × 6

65

16 Schrijf de som. Let op het plaatsen van haakjes.

Vera heeft 7 stiften. Jens heeft 3 stiften. Yana heeft 11 stiften. Ze verdelen de stiften eerlijk. stiften per persoon. De som is:

Zoe heeft 3 rozen en 2 tulpen. Iris heeft 4 keer zoveel bloemen als Zoe. Tony heeft 2 keer zoveel bloemen als Zoe.

Sem heeft 6 actiefiguren. Fay heeft 3 keer zoveel actiefiguren als Sem. Finn heeft de helft van de actiefiguren van Fay.

Samen

Samen

bloemen.

De som is:

actiefiguren.

De som is:

13

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 13

9/04/2021 18:06


1

LESdoel 4

lesdoel Ik oefen rekenen met kommagetallen.

Vul in < > of = 6,020

6,211

2,008

2,002

8,009

8,01

6,18

6,19

6,88

6,789

2,088

2,089

7,321

7,322

5,1

5,19

6,752

6,451

5,265

5,389

4,897

4,896

5,9

5,10

8,5

8,500

5,265

5,266

4,000

4,00

4,9

4,90

2 Streep door en reken uit. De som:

Ik reken zo:

Het antwoord:

523 × 12,2 = Uit mijn hoofd / met de rekenmachine 4212 : 13 = Uit mijn hoofd / met de rekenmachine 20,25 + 10,75 = Uit mijn hoofd / met de rekenmachine 53,78 – 49,9 = Uit mijn hoofd / met de rekenmachine 20 × 51 = Uit mijn hoofd / met de rekenmachine

3 Schat eerst, reken daarna precies. De som:

Ik schat:

Ik reken precies:

Een zak rode appels weegt 3,6 kg. Een zak groene appels weegt 2,5 kg. De zak groene appels weegt

Bij supermarkt “Klaver” kost het brood € 1,89. Bij supermarkt “Ster” kost het brood € 1,65.

minder dan de zak rode appels. Mijn som:

Het prijsverschil is

47,58 : 12,2 = 33.200 – 140,23 = 9,32 + 11,8 = 16,28 : 4,4 =

4 Reken uit en vul in.

Mijn som:

Een groene kikker met een rode buik springt 1,1 m ver. Een groene kikker met een gele buik springt 0,7 m ver.

. Samen springen ze Mijn som:

m ver.

14

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 14

9/04/2021 18:06


5

LESdoel 4 Reken uit.   0,8 + 0,7

=

2,987 – 1,6 =

4,12 + 0,5

=

4,81 – 3,10 =

4,6 – 2,82 =

3,3

+ 5,8 =

2,19 + 0,507 =

2,42 + 3,55 =

2,5 + 3,513 =

6,3

– 3,75 =

7,53 – 2,42 =

6,64 – 2,33 =

10,5 – 6,53 =

7,65 + 2,64 =

8,61 + 10,32 =

0,92 + 1,006 =

Vul aan. tot 5:

tot 10:

tot 50:

tot 100:

3,7 +

2,105 +

20,911 +

89,34 +

1,05 +

8,12 +

49,001 +

4,997 +

2,243 +

4,7 +

1,256 +

35,6 +

4,37 +

6,23 +

16,76 +

78,537 +

6

7 Schrijf de som en reken uit.

Ik heb 43,7 meter stalen draad. Ik knip de draad in stukken van 2,3 meter.

Ik heb 74,71 meter wol. Ik knip de draad in stukken van 0,31 meter.

Ik heb 12,92 meter tuinslang. Ik knip de slang in stukken van 0,17 meter.

Ik knip

Ik knip

Ik knip

stukken.

De som is:

stukken.

De som is:

stukken.

De som is:

8 Rond af. op helen:

op tienden:

op honderdsten:

op duizendsten:

4,598 ≈

8,078 ≈

1,147 ≈

5,97418 ≈

9,047 ≈

0,67 ≈

10,008 ≈

3,15475 ≈

0,86 ≈

14,576 ≈

6,3453 ≈

33,09809 ≈

6,495 ≈

22,2059 ≈

23,8766 ≈

22,64533 ≈

15

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 15

9/04/2021 18:06


9

LESdoel 4

lesdoel Ik oefen rekenen met kommagetallen.

Vul in. lengte

breedte

3m

2,8 m

7m

oppervlakte m²

m cm

10 cm

lengte

breedte

12,5 dm

3 dm

8,4 m²

m

56,5 cm²

oppervlakte dm²

6m

4,6 cm

54,9 m² cm

36,8 cm²

10 Reken de oppervlakte uit. De oppervlakte is

Ik reken zo:

m². 3,75 m

5m 5m

De oppervlakte is

1,2 m

Ik reken zo:

m².

1m 2,6 m

3m

11 Vul de tabel in. maand:

gemiddelde temperatuur overdag:

gemiddelde verschil in temperatuur ’s nachts: temperatuur:

februari

8,4°C

2,9°C

°C

maart

9,3°C

3,7°C

°C

april

14,6°C

5,8°C

°C

mei

15,9°C

°C

9,6°C

juni

°C

9,1°C

12,6°C

juli

°C

17,9°C

4,4°C

12 Reken uit. 4 × 2,25 =

8 × 2,20 =

10 × 1,35 =

10 × 2,22 =

8 × 2,25 =

7 × 2,20 =

9 × 1,35 =

5 × 2,22 =

6 × 3,5 =

6 × 3,15 =

4 × 4,3 =

2 × 3,12 =

5 × 3,5 =

3 × 3,15 =

8 × 4,3 =

4 × 3,12 =

16

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 16

9/04/2021 18:06


13

LESdoel 4 Teken de grafiek. 10 9

11:00 12:00 13:00 14:00 15:00

temperatuur in °C tijd in uren

5,4

6,1

8,3

9,1

9,4

16:00 17:00 18:00 19:00

temperatuur in °C 10,4

10,2

8,2

5,1

8

temperatuur in °C

tijd in uren

7 6 5 4 3 2 1 11:00 12:00

13:00

14:00 15:00 16:00

17:00

18:00 19:00

14 Reken uit. 2 × 40 cm =

m

4 × 1,95 m =

m

6 × 20 cm =

m

2 × 2,35 m =

m

2 × 45 cm =

m

3 × 1,05 m =

m

15 × 10 cm =

m

4 × 1,15 m =

m

2 × 35 cm =

m

5 × 2,05 m =

m

3 × 75 cm =

m

7 × 2,10 m =

m

3 × 30 cm =

m

6 × 2,15 m =

m

4 × 15 cm =

m

3 × 1,25 m =

m

15 Reken uit. school

huis Yousra

Ik reken zo:

R

Beau fietst 4 keer per week heen en weer naar school. Hoeveel km fietst Beau in 1 week?

2,6 km 1,1 km 2,9 km

Ik reken zo:

1,8 km

Beau loopt 3 keer per week heen en weer naar de supermarkt. Hoeveel km loopt Beau in 2 weken?

2,1 km huis Beau

Yousra fietst 5 keer per week heen en weer naar school. Hoeveel km fietst Yousra in 1 week?

Ik reken zo: supermarkt

Yousra loopt 2 keer per week de kortste route heen en weer naar de supermarkt. Hoeveel km loopt Yousra in 2 weken? Ik reken zo:

16 Reken handig. € 12,15 : 3 is iets meer / minder dan €

€ 15,75 : 3 is iets meer / minder dan €

€ 12,15 : 4 is iets meer / minder dan €

€ 15,75 : 4 is iets meer / minder dan €

€ 29,00 : 3 is iets meer / minder dan €

€ 48,55 : 3 is iets meer / minder dan €

€ 29,00 : 4 is iets meer / minder dan €

€ 48,55 : 5 is iets meer / minder dan €

17

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 17

9/04/2021 18:06


1

LESdoel 5

lesdoel Ik oefen rekenen met breuken.

Vul in < > of = 1 3

1 4

4 5

9 10

3 9

3 7

6 7

7 8

2 8

2 9

3 4

10 12

1 3

1 5

3 10

1 5

2 6

1 3

1 2

3 6

8 9

8 10

7 9

2 3

4 7

4 6

5 9

3 6

7 8

2 3

6 8

3 7

2 Vul in en reken uit.

Anke en Bernd lopen hard. 4 Anke heeft deel gelopen. 5 2 deel gelopen. 3 heeft meer gelopen.

Bernd heeft

Het verschil is

deel.

Henry en Chantal karten. 3 Henry is op deel. 8 3 deel. 7 is verder.

Chantal is op

Het verschil is

deel.

Adrie en Wim doen een fietswedstrijd. Adrie is op

2 deel. 9

1 deel. 4 is verder.

Wim is op

Het verschil is

deel.

3 Vul in. Ton en Sharona wandelen een route. 1 Ton heeft deel afgelegd. 7

Micha en Kiki fietsen een route. 1 Micha heeft deel afgelegd. 2

1 deel afgelegd. 6 is verder.

Kiki heeft

Sharona heeft

2 deel afgelegd. 5 is verder.

4 Reken uit. 1 3 + = 3 6

2 6

+

3 6

=

5 6

2 1 + = 4 8

+

=

4 7 + = 5 10

+

=

2 1 + = 3 6

+

=

3 4 + = 12 6

+

=

3 1 + = 4 12

+

=

5 8 + = 6 12

+

=

1 1 + = 12 6

+

=

3 3 + = 7 14

+

=

1 7 + = 6 12

+

=

1 2 + = 9 3

+

=

5 7 + = 6 12

+

=

18

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 18

9/04/2021 18:07


5

LESdoel 5 Streep door: waar of niet waar. Als het antwoord onjuist is, zet je het goede antwoord erachter. 3 2 1 – =   waar / niet waar 7 7 14

1 7

6 1 5 – =   waar / niet waar 8 4 8

4 3 2 – =   waar / niet waar 5 5 5

2 3 1 – =   waar / niet waar 3 9 3

6 Vul in. 1 Jozef mengt liter witte 2 1 verf met liter blauwe verf. 5 Jozef heeft

liter verf.

5 liter van de 9 2 gele verf met liter rode 3 verf.

Daan mengt

Daan heeft

liter verf.

Sacha geeft de helft van

3 5

1 Maud mengt liter gele 3 1 verf met liter rode verf. 4

liter verf aan Anja. liter verf over.

Sacha heeft nog

Maud heeft

5 liter verf over, 6 hij stoot de pot om waarbij hij 5 liter verf verliest. 12

3 Rosa heeft liter verf en 4 1 geeft liter verf aan haar 6 broertje.

Mike heeft nog

Mike heeft nog

liter verf.

liter verf.

Rosa heeft nog

liter verf.

7 Reken uit. Vereenvoudig waar mogelijk. 1 1 + = 4 5

1 1 = – 14 3

2

6 1 + = 12 3

3

1 1 – = 3 12

1 2 + = 3 4

6 2 – = 12 9

5

3 5 + = 10 6

2

1 2 + = 4 5

1 3 + = 4 5

7 1 – = 9 3

3–

1 = 6

2–

5 = 12

8 Vul in < > of = 2 1 10 + 4 5

4

2 5

6 1 8 + 2 4

2

1 4

6

4 3 – 3 5 10

3

2 5

7

6 1 – 1 8 4

5

1 4

3

5 1 – 2 12 4

1

3 12

2

2 3 + 15 5

2

1 3

2

4 1 –   8 6

2

1 3

2

1 2 + 6 3

3

1 2

7

5 1 – 3 12 3

4

1 12

2

1 2 + 2 4

2

2 2 + 6 3

6

3 1 – 2 5 15

4

8 15

3

1 1 + 4 3 6

7

1 2

19

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 19

9/04/2021 18:07


9

LESdoel 5

lesdoel Ik oefen rekenen met breuken.

Teken en vul in. 3 personen hebben 1 ieder koek. 2

5 personen hebben 1 ieder meloen. 4

7 personen hebben 3 ieder pizza. 4

Samen hebben ze

Samen hebben ze

Samen hebben ze

koek.

meloen.

pizza.

10 Reken uit. 1 5× = 7

2×

2 = 5

6×

1 = 5

8×

1 = 9

4×

1 = 9

5×

1 = 6

4×

4 = 20

3×

2 = 7

2×

1 = 2

3×

2 = 8

5×

1 = 12

7×

1 = 8

3×

2 = 3

3×

1 = 4

3×

3 = 16

4×

2 = 5

11 Reken uit. Geef het antwoord als breuk. touw: 2

3 meter 5

plank: 2

Arnoud heeft 4 stukken touw nodig.

3 meter 4

balk: 4

Stijn heeft 3 planken nodig. De som is Stijn heeft

Janiek heeft 3 balken nodig. De som is

De som is Arnoud heeft touw nodig.

7 meter 10

meter nodig. Janiek heeft nodig.

meter

meter

12 Reken uit. 2 × 1

1 = 3

5 × 2

3 = 8

6×2

1 = 2

5 × 3,4  =

4 × 2

7 = 12

7×1

3 = 9

4×3

4 = 12

6 × 2,25 =

20

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 20

9/04/2021 18:07


13

LESdoel 5 Schrijf de som en reken uit. 1 Verdeel pizza over 4 personen. 2

Verdeel

De som is:

Verdeel 1

1 pizza over 2 personen. 4 De som is:

1 pizza over 3 personen. 2

Verdeel 1

3 pizza over 3 personen. 4

De som is:

De som is:

14 Reken uit.

In de fles zit 3 liter. 1 In ieder glas past liter. 5 glazen vullen. Ik kan

In de zak zit 2 kilogram suiker. 1 Voor 1 taart is kilogram 4 suiker nodig.

1 liter. 2 1 In ieder glas past liter. 4 glazen vullen. Ik kan In de fles sap zit 2

taarten bakken.

Ik kan

15 Reken uit. 1

1 :3= 2

8 :4= 12

3

3 :3= 10

1 :6= 2

2 :4= 5

1 :3= 3

1 :3= 4

1 :4= 2

1 6 :2=

1 :2= 3

1 3 :4=

1

1 :2= 4

1 4 :2=

1 :2= 5

2 3 :4=

5 6 :2=

16 Reken uit. 3×2 7

5 = 8

7 :7= 8

5×1

1 = 3

5×1 5

2 = 3

4×4

5 :5= 8

8×2

5

2 = 9

1 = 5

3 :3= 5

7×1

2 = 3

13

1 :  6= 5

8×1 8

1 = 5

1 :  2= 5

21

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 21

9/04/2021 18:07


1

LESdoel 6

lesdoel Ik oefen rekenen met procenten.

Vul in.

voetbalplaatjes

Lieke spaart voetbalplaatjes. Ze heeft al 60% van de plaatjes.

Irene leest een boek. Ze heeft al 80% gelezen. Ze moet nog % lezen voordat het boek uit is.

Ze moet nog % van de plaatjes sparen.

2 Kruis aan. Samen met mijn vriendin verkoop ik limonade. We verdelen het verdiende geld eerlijk. Hoeveel procent krijgt ieder? Ik deel de kersenvlaai eerlijk met mijn opa, oma en mijn ouders. Hoeveel procent krijgt ieder?

70% 35% 50%

25% 5% 20%

Ik deel mijn traktatie eerlijk met de hele klas. In de klas zitten 25 kinderen. Hoeveel procent krijgt ieder?

25%

Het geld dat verdiend is met de sponsorloop wordt eerlijk verdeeld over 10 goede doelen. Hoeveel procent krijgt ieder goed doel?

30%

4% 5%

10% 20%

3 Vul in.

geel

%

geel

%

geel

%

geel

%

geel

%

groen

%

groen

%

groen

%

groen

%

groen

%

oranje

%

oranje

%

oranje

%

oranje

%

oranje

%

4 Reken uit. Gebruik de procentenstrook. 20% korting op een bank van € 300. De korting is €

€0

€ 300

Ik betaal nog €

0%

100%

10% korting op een vaas van € 50. € 0

€ 50

De korting is € Ik betaal nog €

0%

100%

22

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 22

9/04/2021 18:07


5

LESdoel 6 Vul in < > of = 10% van 200

5% van 400

5% van 1000

20% van 200

10% van 150

5% van 300

25% van 200

10% van 250

10% van 1000

20% van 500

50% van 10

10% van 50

50% van 30

10% van 150

75% van 100

30% van 300

20% van 200

10% van 100

6 Maak vast. € 30

oude prijs

€ 150

korting van 20%

nieuwe prijs

€ 300

korting van 10%

€ 24

€ 22

korting van 60%

€ 120

korting van 50%

€ 11

€ 135

7 Reken uit. De prijs : € 200

De prijs : €

De prijs : € 80

Korting : 25%

Korting : 10%

Korting :

Ik betaal : €

Ik betaal : € 18

Ik betaal : € 40

De prijs : € 900 %

Korting :

%

Ik betaal : € 630

8 a Vul in. vogeltelling door Charlotte

huismus: vink: koolmees:

vogeltelling door Karoline

% % %

roodborstje:

vogeltelling door Tony

%

pimpelmees:

merel:

%

merel:

ekster:

%

vink:

huismus:

%

b Reken uit. Charlotte telt in totaal 400 vogels. Ze telt

huismussen.

Karoline telt in totaal 100 vogels. Ze telt

huismussen.

Tony telt in totaal 500 vogels. Hij telt

huismussen.

% %

huismus: duif:

%

% %

telt de meeste huismussen.

23

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 23

9/04/2021 18:07


9

LESdoel 6

lesdoel Ik oefen rekenen met procenten.

Reken uit. Normaal € 450. Nu met 9% korting! Ik krijg €

korting.

De nieuwe prijs van de fiets is € Ik reken zo: bedrag in euro’s

450

%

100

1

Normaal € 850. Nu met 19% korting! Ik krijg €

korting.

De nieuwe prijs van de fiets is € Ik reken zo: bedrag in euro’s

850

%

100

1

10

10 Vul in. 100%

1%

7%

13%

19%

21%

40%

€150

€

€

€

€

€

€

€2000

€

€

€

€

€

€

€1800

€

€

€

€

€

€

€750

€

€

€

€

€

€

11 Reken uit.

De korting is

%.

De korting is

%.

De korting is

%.

12 Reken uit.

Ik krijg 5% korting! Nu betaal ik maar € 95. Oude prijs: €

Ik krijg 11% korting! Nu betaal ik maar € 270. Oude prijs: €

Ik krijg 25% korting! Nu betaal ik maar € 150. Oude prijs: €

Ik krijg 2% korting! Nu betaal ik maar € 475. Oude prijs: €

24

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 24

9/04/2021 18:07


13

LESdoel 6 Reken uit. De sinaasappels kosten normaal € 1,80 per net. Nu kosten ze €

per net.

De korting op het wasmiddel is

%.

De noten kosten normaal € 2,75 per zak. De korting is

Deze week in de aanbieding: sinaasappels: 20% korting. wasmiddel: 4 voor de prijs van 3. noten: 2 zakken voor € 5,00. sap: van € 1,60 voor € 1,40. rozen: 12 voor de prijs van 8.

Het sap kost

%. % minder.

Als 8 rozen 100% is, dan zijn 12 rozen

%.

14 Reken uit. 25% van 160 =

150% van 108 =

20 van de   80 =

%

90 van de 720 =

%

18% van 600 =

125% van 160 =

12 van de 400 =

%

30 van de   90 =

%

30% van 720 =

175% van 200 =

35 van de 500 =

%

90 van de 120 =

%

15 Reken uit. Gino heeft 400 voetbalplaatjes gespaard. 75% van de voetbalplaatjes is groen.

40 voetbalplaatjes zijn geel.

voetbalplaatjes zijn groen.

% van de voetbalplaatjes zijn geel.

1% van de voetbalplaatjes is blauw.

Rob heeft 125% van het aantal voetbalplaatjes dat Gino heeft.

voetbalplaatjes zijn blauw.

Rob heeft

voetbalplaatjes.

16 Bereken de percentages. De verkochte reizen naar Noorwegen zijn aantal verkochte reizen

verkochte reizen

met

4500 4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000 500 0

% gestegen.

De verkochte reizen naar Griekenland zijn met

% gestegen.

De verkochte reizen naar Dubai zijn met Noorwegen

vorig jaar

Griekenland dit jaar

Dubai

landen

Zuid Afrika

afgerond

% gestegen.

De verkochte reizen naar Zuid-Afrika zijn met

% gestegen.

25

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 25

9/04/2021 18:07


Klaar voor de brugklas 1 Van welk lesdoel heb jij het meest geleerd? nummer:

2 Ik ben klaar voor de brugklas omdat:

3 Hoe is je gevoel over rekenen na dit boekje?

Einddoelenschrift rekenen 1S van groep 8 naar de brugklas

9 789006 701708

BSSCHRFT_L8S_VO_DEF_060421.indd 6

9/04/2021 18:07


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
klaar voor de brugklas | einddoelenschrift rekenen 1S | 8 naar brugklas by ThiemeMeulenhoff - Issuu