naam:
Einddoelenschrift rekenen 1F van groep 8 naar de brugklas
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 1
9/04/2021 17:53
Hoe gaat het? Kleur bij elk lesdoel hoe het gaat.
Ik snap het nog niet helemaal
Ik ben goed op weg
Ik heb het lesdoel afgerond
Heb je alle lesdoelen gemaakt? Vul dan de achterkant van dit schrift in. Succes en veel plezier!
lesdoel 1 Ik oefen tafels en tientallentafels.
lesdoel 2 Ik oefen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
lesdoel 3 Ik oefen volgorde van bewerkingen.
lesdoel 4 Ik oefen rekenen met kommagetallen.
lesdoel 5 Ik oefen rekenen met breuken.
lesdoel 6 Ik oefen rekenen met procenten.
lesdoel 7 Ik oefen hoe breuken, kommagetallen, verhoudingen en procenten bij elkaar horen.
lesdoel 8 Ik oefen rekenen met het metriek stelsel.
lesdoel 9 Ik oefen rekenen met schaal.
lesdoel 10 Ik oefen rekenen met verhoudingen.
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 2
9/04/2021 17:53
Einddoelenschrift rekenen 1F van groep 7 naar 8
© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 1
Powered by
9/04/2021 17:53
1
LESdoel 1
lesdoel Ik oefen tafels en tientallentafels.
Reken uit. 6×6=
5×7=
5×8=
8×9=
7×6=
7×7=
0×9=
12 × 4 =
4×9=
10 × 8 =
9×9=
6×4=
8×4=
3×4=
11 × 7 =
7×2=
2 Schrijf de som en reken uit. Er zijn 7 kinderen. Ieder kind krijgt 6 snoepjes. In totaal zijn er
snoepjes.
Een flatgebouw heeft 5 verdiepingen. Op iedere verdieping zijn 8 appartementen. Er zijn
Mijn som is:
appartementen.
Mijn som is: De juf maakt 8 groepjes van 4 kinderen. Er zitten
Bedenk nu zelf:
kinderen in de klas.
Mijn som is:
3 Vul in. ×
9
8
×
7
2
7
3
6
4
8
5
9
9
8
7
4 Kleur. Kleur de sommen met antwoord: 36
24
18
Kleur de sommen met antwoord: 40
16
30
18
12
3×6
8×2
4 × 10
4×8
2×9
7×5
8×2
1×7
4×4
5×4
3×7
8×3
8×5
4×6
3×3
4×4
9×4
6×5
5×5
8×2
12 × 3
4×5
4×9
6×5
6×6
9×2
3 × 10
2×9
10 × 3
3×6
7×4
6×4
10 × 4
3×8
4×7
3×4
7×3
5×6
10 × 4
2×6
9×2
2×8
8×5
8×4
6×3
9×0
6×2
7×6
4×3
6×4
2
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 2
9/04/2021 17:53
5
LESdoel 1 Vul in.
8
2
10
1 6
4×
8×
8
6
9 4
1
7
5
3
4
3
2
10 5
7
8
9
6
4
9 7
6× 3 4
10
8
5
10
5
2
2
9×
9
6
1 7
1
3
6 Schrijf de som en reken uit. Er zijn 6 kinderen. Ieder kind heeft 9 knikkers.
Er zijn 7 briefjes van € 5.
Samen hebben ze
knikkers.
Samen is dat €
=
De som is
De som is:
×
×
=
Er zijn 8 zakjes. In ieder zakje gaan
Tess spaart 9 weken lang € 9 per week.
4 boterhammen. Er zijn
Ze heeft dan €
De som is:
×
boterhammen. =
De som is:
gespaard. ×
=
7 Reken uit. 6×8=
3×9=
4×7=
6×6=
5×8=
6×9=
8×7=
0×6=
3×8=
7×9=
5×7=
3×6=
9×8=
2×9=
7×7=
7×6=
8 Vul in. ×
4
5
×
6
4
4
6
8
8
9
10
10
7
8
9
3
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 3
9/04/2021 17:53
9
LESdoel 1
lesdoel Ik oefen tafels en tientallentafels.
Schrijf de som en reken uit. Ik koop 17 dozen.
De som is:
Ik koop 7 vellen.
× Ik heb
Ik heb 8 doosjes.
De som is: ×
Dieren stickervel 12 stuks
eieren.
De som is:
Ik heb
Ik heb 13 zakjes.
De som is:
× Ik heb
stickers.
× aardbeien.
Ik heb
knikkers.
10 Reken uit. 3 × 14 =
5 × 15 =
8 × 16 =
6 × 17 =
6 × 14 =
7 × 15 =
6 × 16 =
9 × 17 =
9 × 14 =
3 × 15 =
4 × 16 =
4 × 17 =
8 × 14 =
9 × 15 =
3 × 16 =
7 × 17 =
11 Reken uit. 12 × 4 =
5 × 13 =
6 × 12 =
19 × 3 =
4 × 12 =
13 × 5 =
12 × 6 =
3 × 19 =
8 × 12 =
13 × 6 =
12 × 3 =
9 × 19 =
12 × 8 =
6 × 13 =
3 × 12 =
19 × 9 =
12 Schrijf de som en reken uit. Ik heb 7 doosjes met 16 kaarten. Hoeveel kaarten heb ik?
Ik heb 13 zakjes met 5 druiven. Hoeveel druiven heb ik?
De som is:
De som is:
Ik heb
× kaarten.
Ik heb
× druiven.
Er zijn 17 trays met 3 kiwi’s.
Er zijn 8 vellen met 14 stickers.
De som is:
De som is:
In totaal
× kiwi’s.
In totaal
× stickers.
4
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 4
9/04/2021 17:53
13
LESdoel 1 Reken uit. 3 × 60 =
2 × 40 =
4 × 50 =
2 × 80 =
5 × 60 =
4 × 40 =
6 × 50 =
4 × 80 =
7 × 60 =
6 × 40 =
9 × 50 =
7 × 80 =
9 × 60 =
8 × 40 =
7 × 50 =
9 × 80 =
14 Schrijf de som en reken uit. Er zijn 13 kinderen. Ieder kind raapt 30 golfballen. Dat zijn totaal
Ieder kind springt 29 keer. Er zijn 300 kinderen. Er is samen
× golfballen.
× = keer gesprongen.
=
Jente rent 60 rondjes van 88 meter. Dat is samen ×
m=
Anita verkoopt 34 bossen rozen. In iedere bos zitten 30 rozen. Dat zijn in totaal
meter.
×
=
Je koopt 23 pakjes met 40 kaarten. Dat zijn samen × kaarten.
=
Je spaart iedere week 57 euro. Je hebt 60 weken gespaard. Je hebt in totaal × = euro gespaard.
rozen.
15 Schrijf de som en reken uit.
Juf: ‘Ik koop 30 pakjes voor mijn klas.’
Ik koop 3 netjes mandarijnen.
Juf: ‘Geef alle 20 leerlingen een pakje.’
5 kleine voetballen
6
×
=
×
‘Ik koop er 8 voor Oma: mijn kleinkinderen.’ 20
=
×
pa: ‘Ik koop voor mijn 6 Okleindochters een doosje.’
=
9 kinderen krijgen een vel stickers. Dieren stickervel 40 stuks
kn
ikk er
s
×
=
×
=
×
=
5
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 5
9/04/2021 17:53
1
LESdoel 2
lesdoel Ik oefen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
Reken uit. 1
1 2 7
6 8 8
4 5 6
7 9 0
5 4 6 +
2 0 4 +
1 3 8 –
3 4 2 –
7 5 2
9 7 8
4 2 3
3 4 8
3 4 9 –
6 2 5 –
1 6 8 +
3 4 5 +
De bakker verkocht woensdag 222 broodjes en donderdag 103,
Vandaag waren er 315 bezoekers in de bioscoop en gisteren
6 7 3
2 Schrijf de som onder elkaar. Reken uit. Maandag verkocht Ivan 325 ijsjes en vandaag 212, samen:
ijsjes.
Zaterdag kwamen er 330 bezoekers in de dierentuin en op zondag 142, samen: bezoekers.
+
samen: broodjes.
+
424, samen: bezoekers.
+
+
3 Reken uit.
9 3 8
5 3 9
7 2 1 –
1 4 2 +
3 9 2
1 4 7
8 5 –
2 0 2 +
4 Reken uit.
Ik heb € 568. Ik koop een fiets van € 259. Ik houd €
over.
Ik heb € 896. Ik koop een laptop van € 783. Ik houd €
over.
Ik heb € 286. Ik koop een tablet van € 158. Ik houd €
over.
Ik heb € 524. Ik koop een telefoon van € 316. Ik houd €
over.
6
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 6
9/04/2021 17:53
5
LESdoel 2 Reken uit. 616 + 156 =
252 + 191 =
661 + 257 =
812 – 115 =
402 – 238 =
294 + 361 =
800 – 171 =
592 – 293 =
485 + 161 =
891 – 140 =
685 – 184 =
159 + 433 =
341 – 148 =
521 – 199 =
509 + 282 =
462 + 369 =
6 Schrijf de som en reken uit. Op de bouwplaats staat een bak met 346 schroeven en een bak met 349 schroeven. Samen
+
Samen
schroeven.
Op de bouwplaats staat een stapel van 425 stenen en een stapel van 158 stenen. Samen
Samen
stenen.
Samen
+
planken.
Op de bouwplaats staat een bak met 347 spijkers en een bak met 235 spijkers.
+
+
bouten.
Op de bouwplaats staat een stapel met 429 planken en een stapel met 153 planken.
+
Op de bouwplaats staat een bak met 361 klemmen voor de dakgoot en een bak met 426 klemmen. Samen
Op de bouwplaats staat een bak met 315 bouten en een bak met 521 bouten.
+
spijkers.
klemmen.
7 Reken uit. 553 + 383 =
215 + 735 =
298 + 648 =
155 + 765 =
489 + 268 =
628 + 282 =
318 + 403 =
138 + 426 =
527 + 157 =
119 + 791 =
657 + 68 =
625 + 285 =
438 + 426 =
326 + 554 =
538 + 370 =
243 + 285 =
8 Schrijf de som en reken uit.
516 flessen
–
Er worden 107 flessen verkocht. Er zijn
flessen over.
383 stenen
Er worden 257 stenen verkocht. Er zijn
–
stenen over.
7
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 7
9/04/2021 17:53
9
LESdoel 2
lesdoel Ik oefen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen.
Reken cijferend uit. :
=
×
1 laptop kost € 320. De school koopt 9 laptops. Samen € Het gezin koopt 4 fietsen. Ze betalen in totaal € 928.
1 fiets kost €
10 Schat eerst, reken daarna precies. De som:
Ik reken precies:
Ik schat:
De som:
7 × 496 =
365 : 4 =
6 × 963 =
643 : 8 =
19 × 205 =
425 : 7 =
15 × 103 =
543 : 6 =
Ik schat:
Ik reken precies:
11 Reken uit. Hanna heeft 324 voetbalplaatjes. Er passen 9 plaatjes op 1 bladzijde.
De sportvereniging kreeg een gift van € 368 voor nieuwe sporttassen. Een tas kost € 8.
Hanna kan
De sportvereniging kan kopen.
bladzijden inplakken.
sporttassen
12 Schrijf de som en reken uit.
Ik reken zo:
De school koopt nieuw meubilair. Elk setje kost € 198. De school koopt 14 setjes. Dat kost samen € De som is:
8
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 8
9/04/2021 17:53
13
LESdoel 2 Reken uit. Leo verdeelt 5150 ansichtkaarten over 50 winkels.
Een winkel verkoopt puzzels voor € 12 per stuk. Na 1 maand zijn 109 puzzels verkocht.
Iedere winkel ontvangt
Totaal is er voor €
ansichtkaarten.
Ik schat:
Ik schat:
Ik reken precies:
Ik reken precies:
aan puzzels verkocht.
14 Schat eerst, reken daarna precies. De som is:
Ik schat:
Ik reken precies:
165 : 15 = 120 : 5 = 927 : 3 = 693 : 11 =
15 Reken uit. In het magazijn liggen 448 zakken chips. In een doos gaan 14 zakken.
Er worden 680 doosjes koek verkocht. In een grote doos gaan 20 doosjes.
Er zijn
Er zijn
dozen nodig.
grote dozen nodig. :
De som is:
4 4 8 : 1 4 =
Ik schat:
:
= =
Ik reken precies: :
=
16 Reken uit. 2 6 6 : 7 =
4 0 5 : 9 =
2 4 8 : 8 =
9
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 9
9/04/2021 17:53
1
LESdoel 3
lesdoel Ik oefen volgorde van bewerkingen.
Schrijf de som en reken uit. Sophia bakt 6 chocolade muffins. Daarna bakt ze nog 2 keer 6 vanille muffins. Sophia bakt
muffins.
De som is: Ik reken zo:
Kaj heeft 50 knikkers. Hij verliest 3 potjes achter elkaar iedere keer 2 knikkers. Kaj heeft na de potjes
knikkers.
De som is: Ik reken zo:
2 Reken uit. Opbrengst vrijmarkt groep 6
€ 85,00*
groep 7
€ 134,00*
groep 8
€ 105,00*
Groep 8 gebruikt de opbrengst om nieuwe leesboeken te kopen. Ieder leesboek kost € 15. Met de opbrengst kunnen
leesboeken worden gekocht.
Groep 7 schenkt € 100 aan het goede doel en koopt met de rest 21 werkboeken.
*De school verdubbelt deze opbrengst.
Elk werkboek kost € Groep 6 koopt een klassentablet van € 135 en 2 leesboeken van € 15. Groep 6 heeft nog €
over.
3 Reken uit. 12 – 2 × 3 = 12
–6
=
9 + 3 × 7 =
=
8 : 2 – 3 =
=
18 – 3 × 2 =
=
Voorrangsregels: 1. V ermenigvuldigen en delen gaan voor optellen en aftrekken. 2. W erk van links naar rechts als de rekentekens gelijkwaardig zijn.
4 Reken uit. 30 : 2 – 11 =
=
20 – 2 × 3 =
=
12 – 3 × 2 =
=
44 – 2 × 2 =
=
15 × 2 – 16 =
=
15 × 3 + 6 =
=
7 × 2 + 16 =
=
4 + 3 × 12 =
=
60 : 2 – 5 =
=
18 : 3 – 6 =
=
5 × 2 + 10 =
=
7 × 2 – 10 =
=
10
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 10
9/04/2021 17:53
5
LESdoel 3 Geef de stappen die bij elkaar horen dezelfde kleur. 30 – 10 : 2 =
20 – 16 =
3
20 – 2 × 8 =
15 – 8 =
25
12 – 3 × 3 =
5 + 14 =
16
15 – 2 × 4 =
6 + 10 =
19
5+2×7=
30 – 5 =
7
6 + 30 : 3 =
12 – 9 =
4
6 Reken uit. Denk aan de voorrangsregels.
6 + 3 × 5 =
=
21 + 3 × 8 =
=
15 – 4 × 2 =
=
2 × 5 + 6 =
=
36 – 9 × 3 =
=
56 + 4 × 10 =
=
3 × 9 – 7 =
=
12 × 5 : 3 =
=
12 × 3 + 2 =
=
4 + 4 × 2,5 =
=
20 × 6 : 12 =
=
15 – 4 : 2 =
=
7 Reken uit. Claire en Rover hebben € 32 verdiend op de rommelmarkt. Ze verdelen het geld. Claire geeft daarna nog € 7 op de rommelmarkt uit.
Fay en Kyra hebben € 28 verdiend met een goochelshow. Ze verdelen het geld. Fay geeft daarna nog € 6 uit.
Simon en zijn broer hebben € 46 verdiend met het verkopen van limonade. Ze verdelen het geld. Simon geeft daarna nog € 10 uit.
Claire heeft nog €
Fay heeft nog €
Simon heeft nog €
over.
over.
De som is:
De som is:
over.
De som is:
8 Reken uit. 63 + 12 : 3 = 63
+4
=
40 + 4 : 4 =
=
90 : 30 × 4 =
=
48 : 6 + 4 =
=
72 – 9 × 2 =
=
63 + 8 × 3 =
=
55 : 11 : 5 =
=
75 : 25 – 3 =
=
11
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 11
9/04/2021 17:53
9
LESdoel 3
lesdoel Ik oefen volgorde van bewerkingen.
Kruis aan. Maaike heeft 10 snoepjes. Jaimy heeft 20 snoepjes. Ze verdelen de snoepjes eerlijk.
Layla heeft 4 cavia’s. Taco heeft er 2 keer zoveel. Ze verzorgen de cavia’s samen.
Lea heeft € 50 gespaard. Lea heeft € 10 gekregen. Lea heeft € 20 uitgegeven.
De som is:
De som is:
De som is:
10 + 20 : 2 = 15
4 + 2 × 4 = 12
50 + 10 – 20 = 40
(10 + 20) : 2 = 15
(4 + 2) × 4 = 2
50 + (10 – 20) = 40
10 + 20 : 2 = 20
4 + 2 × 4 = 24
50 + 10 – 20 = 60
(10 + 20) : 2 = 20
(4 + 2) × 4 = 24
50 + (10 – 20) = 60
10 Reken uit. (2 + 4) × 4 =
3 × (3 – 1) =
(22 : 2) – 5 =
15 : 3 – 2 =
14 – (5 + 4) =
(4 – 2) × 2 =
5 × (1 + 1) =
15 : (3 – 2) =
(6 + 3) : 3 =
5 – 2 × 2 =
(6 – 3) × 2 =
(7 – 5) × 2 =
(8 + 6) × 2 =
6 + 6 : 2 =
5 × 3 + 2 =
8 + 6 × 2 =
11 Kruis aan. Gebruik de voorrangsregels. 3 × 4 + 6 = 18
20 – 6 × 3 = 2
2 × (5 + 4) = 16
5×4–3
Ik reken eerst uit:
Ik reken eerst uit:
Ik reken eerst uit:
Ik reken eerst uit:
3 × 4
20 – 6
2 × 5
6 × 3
5+4
5 × 4
6 × (6 – 3)
15 – 8 : 4
(2 – 3) × 4 + 6
12 – 2 × 3
Ik reken eerst uit:
Ik reken eerst uit:
Ik reken eerst uit:
Ik reken eerst uit:
6 – 3
15 – 8
2–3
12 – 2
8:4
4+6
2×3
4+6
6×6
4–3
12 Reken uit. Zeno gaat op vakantie. Hij heeft 2 × € 300 gespaard. Er gaat 100 euro af. Zeno houdt €
over.
De som is:
12
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 12
9/04/2021 17:53
LESdoel 3
13
Omcirkel het juiste antwoord. 6 + (250 – 25) = 231
230
40 : 2 × 5 =
4
100
78 – 8 × 2 = 140
62
25 : (1 + 4) =
5
29
45 + 45 –10 = 70
80
110 – 25 × 4 = 340 10
200
55 + 125 : 5 =
80
36
25
90 – (25 + 15) =
55
50
(300 – 50) × 2 = 500
(7 – 2) × 5 = 45
14 Maak vast. Verbind de sommen met het juiste antwoord. 24 : 3 × 4
54
(25 + 25) × 4
100 : (10 – 5)
32
55 – 15 : 3
20
200 – (60 + 15)
6 × (90 : 10)
50
200
125
15 Geef de som en het antwoord dezelfde kleur. 90 – 7 + 3
28 + 4 × 3
60
90 : 5 + 6
(12 + 8) × 5
(25 + 5) : 6
6
20 × 5 – 35
31
86
24
150 – 6 × 20
100
5
99 : 3 – 2
16 + (50 – 6)
40
30
42 : (4 + 3)
65
16 a Reken uit. (14 + 3) × 2 =
24 : 3 × 2 =
4 + 2 × 3 =
18 : (6 – 3) =
14 + 3 × 2 =
24 : (3 × 2) =
(4 + 2) × 3 =
5 + 3 × 9 =
(53 – 8) × 2 =
(3 + 5) × 4 =
25 + 25 : 25 =
(5 + 3) × 9 =
53 – 8 × 2 =
3 + 5 × 4 =
(25 + 25) : 25 =
18 : 6 – 3 =
b Vul in + of – 10 = 25
5×3 30
5 – 1 = 34
4
3 × 2 = 10
4×8
2 = 30
90 : 9 2
5=5
3–1=4
Vul in × of : 2=4
16 : 8 12
2–3=3
20 × 2 4
4 = 10
6 – 20 = 4
3 + 10 30
5=5 (10 + 5) = 2
13
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 13
9/04/2021 17:53
1
LESdoel 4
lesdoel Ik oefen rekenen met kommagetallen.
Vul in < > of = 6,1
6,2
2,08
2,02
3,8
3,9
4,30
4,300
6,8
6,7
2,08
2,09
3,16
3,08
4,008
4,009
6,7
6,4
5,26
5,28
8,79
8,90
7,047
7,046
8,5
8,50
5,26
5,36
8,4
8,40
7,112
7,258
2 Streep door en reken uit. De som:
Ik reken zo:
Het antwoord:
523 × 13 = Uit mijn hoofd / met de rekenmachine 4000 : 10 = Uit mijn hoofd / met de rekenmachine 21 + 11 = Uit mijn hoofd / met de rekenmachine 584 – 375 = Uit mijn hoofd / met de rekenmachine 10 × 513 = Uit mijn hoofd / met de rekenmachine
3 a Reken uit en vul in. Steeds × 5
Steeds + 0,92
Steeds × 6
Steeds – 2,34
Steeds : 7
3
2
7
15
1.529.437
15 75
b Vul in. Ik kom na de laatste × 5 uit op 46.875.
ja
nee
Ik kom na de laatste + 0,92 uit op 7,52.
ja
nee
Ik kom na de laatste × 6 uit op 326.592.
ja
nee
Ik kom na de laatste – 2,34 uit op 0,96.
ja
nee
Ik kom na de laatste : 7 uit op 13.
ja
nee
Probeer de reeksen waarop je 'nee' hebt geantwoord nogmaals uit te rekenen.
14
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 14
9/04/2021 17:53
4
LESdoel 4 Vul in. 1 = 10
% =
op de
6 = 10
% =
op de
1 = 4
% =
op de
4 = 5
% =
op de
1 = 5
% =
op de
3 = 4
% =
op de
2 = 10
% =
2 = 66,7% = 3
op de
op de
5 Vul aan. Vul aan tot 5:
Vul aan tot 10:
Vul aan tot 50:
Vul aan tot 100:
4,7 +
9,1 +
49,01 +
99,32 +
4,05 +
9,15 +
49,8 +
99,4 +
2,8 +
4,2 +
35,7 +
73,91 +
1,35 +
1,78 +
12,27 +
88,52 +
6 Schrijf de som en reken uit.
Ik heb 43,2 meter stalen draad. Ik knip er een stuk van 6,1 meter af.
Ik heb 74,71 meter wol. Ik knip er een stuk van 3,25 meter af.
Ik heb 12,9 meter tuinslang. Ik snijd er 5,05 meter af.
Ik heb nog
Ik heb nog
Ik heb nog
meter over.
De som is:
meter over.
De som is:
meter over.
De som is:
7 Kleur welk getal het dichtst bij ligt.
4,81
5
5,2
2,45
2,8
3,09
7,05
7,7
8,15
1,12
1,99
2,6
2,99
3,08
3,2
7,3
8
8,69
5,77
6
6,3
4,3
4,67
5,01
15
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 15
9/04/2021 17:53
8
LESdoel 4
lesdoel Ik oefen rekenen met kommagetallen.
Vul in. lengte
breedte
3,5 m
2m
oppervlakte m²
2m
m cm
8 m²
10 cm
12,5 dm
50 cm²
2 dm
m
dm²
6m
54 m²
9 Reken de oppervlakte uit.
5 cm
3 cm
5,5 cm
4,1 cm
8,2 cm
3x5= 3 x 0,5 =
9 cm
cm2
cm2
cm2
cm2
cm2
cm2
De oppervlakte is
cm2.
De oppervlakte is
cm2.
De oppervlakte is
3m
2m
4,5 m
3m
4,2 m
3,4 m
m
2
m
m2
m2
m2
m2
2
De oppervlakte is
cm2.
m2
De oppervlakte is
m2
De oppervlakte is
m2
10 Vul de tabel in. maand:
gemiddelde temperatuur overdag:
gemiddelde temperatuur ’s nachts:
verschil in temperatuur:
februari
8,0 °C
2,9 °C
°C
maart
9,0 °C
3,7 °C
°C
april
14,6 °C
5,0 °C
°C
mei
15,9 °C
6,0 °C
°C
juni
21,7 °C
9,1 °C
°C
16
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 16
9/04/2021 17:53
11
LESdoel 4 Teken de grafiek. 10 9
11:00 12:00 13:00 14:00 15:00
temperatuur in °C tijd in uren
5,4
6,1
8,3
9,1
9,4
16:00 17:00 18:00 19:00
temperatuur in °C 10,4
10,2
8,2
5,1
8
temperatuur in °C
tijd in uren
7 6 5 4 3 2 1 11:00 12:00
13:00
14:00 15:00 16:00
17:00
18:00 19:00
12 Reken uit. 2 × 40 cm =
cm =
m
2 × 35 cm =
cm =
m
2 × 45 cm =
cm =
m
3 × 30 cm =
cm =
m
13 Reken uit. school
huis Yousra
5 keer van huis Yousra naar school en terug Ik reken zo:
R
4 keer van huis Beau naar school en terug 2,5 km 1,1 km 3,1 km
Ik reken zo: 2 km
2 keer van huis Yousra naar de supermarkt en terug.
2,5 km huis Beau
Ik reken zo: supermarkt
6 keer van huis Beau naar de supermarkt en terug. Ik reken zo: Beau heeft 8,1 km gefietst. Waar is hij geweest?
14 Reken handig. € 12,15 : 3 is iets meer / minder dan €
€ 15,75 : 3 is iets meer / minder dan €
€ 12,15 : 4 is iets meer / minder dan €
€ 15,75 : 4 is iets meer / minder dan €
€ 29,00 : 3 is iets meer / minder dan €
€ 48,55 : 3 is iets meer / minder dan €
€ 29,00 : 4 is iets meer / minder dan €
€ 48,55 : 5 is iets meer / minder dan €
17
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 17
9/04/2021 17:53
1
LESdoel 5
lesdoel Ik oefen rekenen met breuken.
Kleur de breuken en vul in. 1 deel. 6
Kleur
1 deel. 7
deel is groter dan
2 deel. 3
Kleur
Kleur
Kleur
Kleur
deel.
4 deel. 5
deel is groter dan
Kleur
deel.
1 deel. 4
Kleur
3 deel. 8
deel is groter dan
3 deel. 5
Kleur
deel.
5 deel. 8
deel is groter dan
deel.
2 Vul in.
Anke en Bernd lopen hard. 4 Anke heeft deel gelopen. 5 2 deel gelopen. 3 heeft meer gelopen.
Bernd heeft
Henry en Chantal karten. 3 Henry is op deel. 8 3 deel. 7 is verder.
Adrie en Wim doen een fietswedstrijd. Adrie is op
2 9
2 deel. 8 is verder.
Chantal is op
deel. Wim is op
0
1
0
1
0
1
0
1
0
1
0
1
3 Kleur en vul in < > of =
1 6
1 7
1 3
1 2
2 5
2 4
18
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 18
9/04/2021 17:53
4
LESdoel 5 Reken uit. 2 3 + = 6 6
1 3 + = 3 6
+
=
2 1 + = 4 8
+
=
1 2 + = 4 4
2 1 + = 3 6
+
=
2 1 + = 3 6
+
=
5 b Streep door: waar of niet waar. Als het antwoord onjuist is, zet je het goede antwoord erachter.
a Omcirkel de grootste breuk. 3 1 7 of 14
6 2 8 of 4
4 6 5 of 10
2 3 3 of 9
3 2 1 – = waar / niet waar 7 7 14
5 3 12 of 6
3 3 12 of 6
4 3 2 – = waar / niet waar 5 5 5
2 6 16 of 8
5 2 10 of 5
6 1 5 – = waar / niet waar 8 4 8
6 Vul in. 3 Jozef mengt liter witte 4 1 verf met liter blauwe verf. 8 Jozef heeft
liter verf.
liter verf.
4 5
liter verf aan Anja. Sacha heeft nog
1 Daan mengt van de gele 6 2 verf met liter rode verf. 3 Daan heeft
Sacha geeft de helft van
liter verf over.
3 liter verf over, 10 hij stoot de pot om waarbij hij 1 liter verf verliest. 5 Mike heeft nog
Mike heeft nog
liter verf.
1 Maud mengt liter gele 3 2 verf met liter rode verf. 9 Maud heeft
liter verf.
1 Rosa heeft liter verf en 2 1 geeft liter verf aan haar 8 broertje. Rosa heeft nog
liter verf.
7 Reken uit. Vereenvoudig waar mogelijk. 1 1 + = 8 4
3 1 – = 4 8
2 7 – = 3 12
3 3 – = 7 14
2 2 + = 3 9
1 1 – = 5 10
1 1 + = 15 5
1 2 + = 15 3
1 1 + = 4 2
1 2 – = 3 9
1 3 – = 2 8
1 1 – = 6 12
3 1 + = 10 5
5 1 – = 6 2
1 3 + = 12 4
1 1 + = 3 6
19
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 19
9/04/2021 17:53
8
LESdoel 5
lesdoel Ik oefen rekenen met breuken.
Teken en vul in. 2 personen hebben 1 ieder koek. 2
3 personen hebben 1 ieder pizza. 4
4 personen hebben 1 ieder pizza. 3
Samen hebben ze
Samen hebben ze
Samen hebben ze
koek.
pizza.
pizza.
9 Reken uit. 1 5× = 7 4×
1 = 9
2×
2 = 5
6×
1 = 5
8×
1 = 9
5×
1 = 6
4×
4 = 20
3×
2 = 7
10 Reken uit. 1 deel van de pizza 4 6 personen krijgen 1 stuk.
1 deel van de taart. 3 4 personen krijgen 1 stuk. Ieder stuk is
Ieder stuk is
deel van de pizza. Samen krijgen ze
Samen krijgen ze
deel van de taart.
11 Maak vast en vul in.
3×
1 = 4
2×
1 = 4
of
3×
1 = 2
2×
1 = 2
20
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 20
9/04/2021 17:53
12
LESdoel 5 Schrijf de som en reken uit. 1 Verdeel pizza over 4 personen. 2
Verdeel
De som is:
Verdeel 1
1 pizza over 2 personen. 4 De som is:
1 pizza over 3 personen. 2
Verdeel 1
3 pizza over 3 personen. 4
De som is:
De som is:
13 Reken uit.
In de fles zit 2 liter. 1 In ieder glas past liter. 8 glazen vullen. Ik kan
In de zak zit 3 kilogram bloem. 1 Voor 1 taart is kilogram 2 bloem nodig.
In de fles sap zit 2 liter. 1 In ieder glas past liter. 4 glazen vullen. Ik kan
taarten bakken.
Ik kan
14 Reken uit. 1 :2= 2
1 :4= 2
3 :3= 4
10 :5= 12
8 :8= 12
1 :3= 4
1 :4= 5
4 :4= 7
1 :2= 5
4 :2= 6
1 :3= 2
6 :3= 11
15 Reken uit.
2×1
1 banaan = 2
banaan
2×2
1 = 4
grapefruit
21
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 21
9/04/2021 17:53
1
LESdoel 6
lesdoel Ik oefen rekenen met procenten.
Vul in.
voetbalplaatjes
Lieke spaart voetbalplaatjes. Ze heeft al 60% van de plaatjes.
Irene leest een boek. Ze heeft al 80% gelezen. Ze moet nog % lezen voordat het boek uit is.
Ze moet nog % van de plaatjes sparen.
2 Kruis aan. Samen met mijn vriendin verkoop ik limonade. We verdelen het verdiende geld eerlijk. Hoeveel procent krijgt ieder? Ik deel de kersenvlaai eerlijk met mijn opa, oma en mijn ouders. Hoeveel procent krijgt ieder?
70% 35% 50%
25% 5% 20%
Ik deel mijn traktatie eerlijk met de hele klas. In de klas zitten 25 kinderen. Hoeveel procent krijgt ieder?
25%
Het geld dat verdiend is met de sponsorloop wordt eerlijk verdeeld over 10 goede doelen. Hoeveel procent krijgt ieder goed doel?
30%
4% 5%
10% 20%
3 Vul in.
geel
%
geel
%
geel
%
geel
%
geel
%
groen
%
groen
%
groen
%
groen
%
groen
%
4 Reken uit. Gebruik de procentenstrook. In de wijk staan 300 huizen. 20% van de huizen heeft een plat dak.
Op de school zitten 400 kinderen. 90% van de kinderen komt op de fiets naar school.
huizen hebben een plat dak.
kinderen komen op de fiets naar school.
0
300
0
400
0%
100%
0%
100%
Op de school zitten 400 kinderen. 30% van kinderen komt met auto.
In de tuin staan 50 bloemen. 60% van de bloemen is een roos.
kinderen komen met de auto.
bloemen zijn rozen.
0
400
0
50
0%
100%
0%
100%
22
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 22
9/04/2021 17:53
5
LESdoel 6 Vul in < > of = 10% van 200
1% van 2000
50% van 300
10% van 3000
10% van 200
10% van 300
50% van 100
10% van 500
10% van
50
50% van 20
1% van 3000
50% van 60
6 Maak vast. € 30
€ 150
prijsverhoging van 10%
€ 300
korting van 10%
€ 33
€ 20
korting van 50%
€ 150
prijsverhoging van 50%
€ 30
€ 135
7 Reken uit. De prijs : € 200
De prijs : €
De prijs : € 80
Korting : 25%
Korting : 10%
Korting :
Ik betaal : €
Ik betaal : € 18
Ik betaal : € 40
De prijs : € 900 %
Korting :
%
Ik betaal : € 630
8 a Vul in. vogeltelling door Charlotte
huismus: vink: koolmees:
vogeltelling door Karoline
% %
vink:
%
huismus: %
duif:
vogeltelling door Tony
roodborstje: %
%
merel: huismus:
% % %
b Reken uit. Charlotte telt in totaal 500 vogels. Ze telt
huismussen.
Karoline telt in totaal 100 vogels. Ze telt Tony telt in totaal 400 vogels. Hij telt
huismussen. huismussen.
telt de meeste huismussen.
23
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 23
9/04/2021 17:53
9
LESdoel 6
lesdoel Ik oefen rekenen met procenten.
Reken uit. Normaal € 850. Nu met 2% korting! Ik krijg €
korting.
De nieuwe prijs van de fiets is € Ik reken zo: bedrag in euro’s
850
%
100
1
10 Vul in. 100%
1%
2%
5%
10%
20%
€ 300
€
€
€
€
€
€ 2000
€
€
€
€
€
€ 7500
€
€
€
€
€
11 Reken uit. Van € 500 nu voor € 450
Ik krijg
Van € 1000 nu voor € 800
% korting.
€
500
%
100
Ik krijg 50
1
Van € 200 nu voor € 190
% korting.
€ %
Ik krijg
% korting.
€ 100
1
%
100
1
12 Omcirkel.
Ik krijg 5% korting! Nu betaal ik maar € 95.
Ik krijg 10% korting! Nu betaal ik maar € 270.
Ik krijg 2% korting! Nu betaal ik maar € 490.
Ik krijg 5% korting! Nu betaal ik maar € 475.
Oude prijs was:
Oude prijs was
Oude prijs was
Oude prijs was
€ 100 / € 150 / € 200
€ 500 / € 400 / € 300
€ 400 / € 500 / € 600
€ 500 / € 550 / € 600
24
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 24
9/04/2021 17:53
13
LESdoel 6 Reken uit. De sinaasappels kosten normaal € 1,50 per net. Nu kosten ze €
per net.
De korting op het wasmiddel is
%.
De noten kosten normaal € 2,50 per zak. Deze week in de aanbieding: sinaasappels: 20% korting. wasmiddel: 4 voor de prijs van 3. noten: 1 zak voor € 2,25. sap: van € 1,00 voor € 0,80. rozen: 12 voor de prijs van 8.
De korting is
%.
Het sap is
% goedkoper.
Als 8 rozen 100% is, dan zijn 12 rozen
%.
14 Reken uit. 25% van 160 =
50% van 210 =
25% van 800 =
150% van 100 =
20% van 600 =
25% van 440 =
10% van 680 =
125% van 200 =
10% van 720 =
10% van 810 =
50% van 680 =
110% van 300 =
15 Reken uit. Gino heeft 400 voetbalplaatjes gespaard. De helft van de voetbalplaatjes is groen.
40 voetbalplaatjes zijn geel.
voetbalplaatjes zijn groen.
% van de voetbalplaatjes zijn geel.
10% van de voetbalplaatjes is blauw.
Rob heeft 125% van het aantal voetbalplaatjes dat Gino heeft. Rob heeft
voetbalplaatjes zijn blauw.
voetbalplaatjes
16 Bereken de percentages. De verkochte reizen naar Noorwegen zijn aantal verkochte reizen
verkochte reizen
met
4500 4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000 500 0
% gestegen.
De verkochte reizen naar Griekenland zijn met
% gestegen.
De verkochte reizen naar Dubai zijn met Noorwegen
vorig jaar
Griekenland dit jaar
Dubai
landen
Zuid Afrika
afgerond
% gestegen.
De verkochte reizen naar Zuid-Afrika zijn met
% gestegen.
25
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 25
9/04/2021 17:53
Klaar voor de brugklas 1 Van welk lesdoel heb jij het meest geleerd? nummer:
2 Ik ben klaar voor de brugklas omdat:
3 Hoe is je gevoel over rekenen na dit boekje?
Einddoelenschrift rekenen 1F van groep 8 naar de brugklas
9 789006 701692
BSSCHRFT_L8F-VO_DEF_060421.indd 6
9/04/2021 17:54