naam:
Einddoelenschrift rekenen 1F van groep 7 naar 8
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 1
9/04/2021 16:44
Hoe gaat het? Kleur bij elk lesdoel hoe het gaat.
Ik snap het nog niet helemaal
Ik ben goed op weg
Ik heb het lesdoel afgerond
Heb je alle lesdoelen gemaakt? Vul de achterkant van dit schrift in en schrijf je naam op de medaille. Succes en veel plezier!
lesdoel 1 Ik oefen optellen en aftrekken.
lesdoel 2 Ik oefen vermenigvuldigen en delen.
lesdoel 3 Ik oefen rekenen met breuken.
lesdoel 4 Ik oefen rekenen met kommagetallen.
lesdoel 5 Ik oefen rekenen met procenten.
lesdoel 6 Ik oefen rekenen met verhoudingen.
lesdoel 7 Ik oefen met grote getallen.
lesdoel 8 Ik oefen rekenen met lengte, oppervlakte, inhoud en gewicht.
lesdoel 9 Ik oefen aflezen en invullen van diagrammen en grafieken.
lesdoel 10 Ik oefen met assenstelsel en coördinaten.
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 2
9/04/2021 16:44
Einddoelenschrift rekenen 1F van groep 7 naar 8
© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 1
Powered by
9/04/2021 16:44
1
LESdoel 1
lesdoel Ik oefen optellen en aftrekken.
Reken uit.
3 0 2
6 5 7
2 1 8 +
3 3 6
2 9 +
5 4 8
8 1 +
2 3 3 +
2 Reken uit.
2 6 2
7 9 0
1 0 3 –
6 8 0 –
6 5 9
9 5 1
7 1 –
2 6 8
8 6 4
7 3 –
7 0 –
3 1 5 –
7 4 5
9 2 9
6 9 2 –
5 0 3 –
3 Reken uit. 521 leerlingen in de onderbouw. 469 leerlingen in de bovenbouw.
153 tekstboeken. 91 werkboeken.
Samen
Samen
leerlingen.
boeken.
4 Reken uit.
Aanbieding
Aanbieding – Vakantie € 935 Nu € 129 korting! De vakantie kost nog €
Vakantiehuis per week € 575 Nu € 57 korting! Het vakantiehuisje kost nog €
–
per week.
2
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 2
9/04/2021 16:44
5
LESdoel 1 Reken uit. 460
+
=
+ 153
+ +
36
=
120
+
+
=
= +
552
=
+ + +
=
=
741
485
=
216
+ =
= +
236
= =
817
6 Reken uit.
€ 805
€ 905
€ 203 € 789 Ik koop 1 fiets en 1 step.
Ik koop 1 step en 1 scooter.
Ik koop 1 fiets en 1 scooter.
Ik koop 1 mountainbike en 1 step.
Samen €
Samen €
Samen €
Samen €
Ik reken zo:
Ik reken zo:
Ik reken zo:
Ik reken zo:
7 Streep door: waar of niet waar. dorp
aantal inwoners
Workum
810
Stavoren
915
IJlst
3215
Sloten
738
Franeker
9435
Franeker heeft 7710 inwoners meer dan Stavoren en Workum samen.
waar / niet waar
Franeker heeft 6590 inwoners meer dan IJlst en Sloten samen.
waar / niet waar
IJlst heeft 2405 inwoners meer dan Workum.
waar / niet waar
IJlst heeft 2585 inwoners meer dan Sloten.
waar / niet waar
3
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 3
9/04/2021 16:44
8
LESdoel 1
lesdoel Ik oefen optellen en aftrekken.
Reken uit. 254 – 136 =
4325 – 713 =
3247 – 2152 =
2863 –
= 1591
456 – 277 =
5678 – 919 =
6457 – 3789 =
5981 –
= 1853
859 – 547 =
9165 – 344 =
7389 – 5798 =
4658 –
= 2531
912 – 265 =
2564 – 653 =
8345 – 4369 =
9512 –
= 2617
9 Schrijf de som en reken uit.
Ik reken zo: Ik heb € 849 op mijn spaarrekening. Ik koop een computer voor € 495. Ik houd €
over.
Dit som is:
Ik reken zo: Ik heb € 473 op mijn spaarrekening. Ik koop spullen voor € 281. Ik houd €
over.
Dit som is:
10 Reken uit. 1850 + 50 = 1900
691 + 206 =
223 + 332 =
678 + 122 =
328 + 72 =
482 + 118 =
572 + 328 =
431 + 216 =
11 Maak vast. 4 7 4
3 3 3
9 5 1
3 5 4
2 8 3 –
1 2 9 –
6 6 0 –
2 2 9 –
291
191
204
125
4 6 2
8 2 1
6 3 4
8 7 5
2 7 1 –
7 1 6 –
3 2 5 –
4 1 8 –
105
457
191
309
4
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 4
9/04/2021 16:44
12
LESdoel 1 Streep door en vul in.
2 1 7
6 0 8
7 6 5
7 7 7 +
2 2 7 +
1 1 5 +
9 2 4
8 3 5
8 8 1
Het antwoord op de som klopt wel/ niet. Het juiste antwoord is:
Het antwoord op de som klopt wel/ niet. Het juiste antwoord is:
Het antwoord op de som klopt wel/ niet. Het juiste antwoord is:
13 Reken uit.
Ik heb € 165. Ik koop een tas van € 72.
Ik heb € 295. Ik koop skates van € 223. Ik houd €
over.
Ik houd €
Ik heb € 315. Ik koop een telefoon van € 208.
over.
Ik houd €
over.
14 Vul in. Op de middelbare school zitten 1426 leerlingen. 253 leerlingen zijn op schoolreis.
Bij de voorstelling zijn 543 mensen aanwezig. 153 hiervan zijn volwassen.
De fietsenstalling heeft 746 plaatsen. 622 plaatsen zijn bezet.
–
–
Er zijn nog op school.
leerlingen
Er zijn nog vrij.
–
plaatsen
Er zijn kinderen bij de voorstelling..
15 Reken uit. 1478
1114
780
457
407 135
156
106 122
316
35
186
207 115
148
37
515 345
5
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 5
9/04/2021 16:44
1
LESdoel 2
lesdoel Ik oefen vermenigvuldigen en delen.
Reken uit. 2
7 ×
5 ×
9 ×
4 ×
1 1 3
1 0 9
1 0 8
2 0 6
8 2 4
4 ×
3 ×
8 ×
5 ×
2 1 8
2 2 6
1 0 7
1 1 4
2 Vul in. Ewout tankt 3 keer per maand. Iedere tankbeurt kost hem € 73 euro.
Amira tankt 5 keer per maand. Iedere tankbeurt kost haar € 61 euro.
Ewout geeft €
Amira geeft €
per maand uit aan tanken.
per maand uit aan tanken.
3 Reken uit.
1 4 5
2 1 2
3 0 4
1 2 ×
1 6 ×
1 7 ×
+
+
+
4 Reken uit. € 35 150 gram Thomas koopt 12 bananen. De bananen wegen in totaal
De judomeester koopt 108 judomatten. gram.
De judomatten kosten in totaal €
6
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 6
9/04/2021 16:44
5
LESdoel 2 Vul in. 3 7 8 : 7 =
5 6 7 : 9 =
7 2 0 : 8 0 =
6 Reken uit. De leerlingen van groep 6, 7 en 8 hebben koeken verkocht voor een goed doel. groep:
aantal leerlingen:
sponsorgeld totaal:
sponsorgeld per leerling:
6
20
€ 220
€
7
12
€ 180
€
8
15
€ 300
€
De leerlingen van groep het meeste geld verzameld.
hebben per leerling
7 Vul in.
In elk bakje passen 15 tomaten. tomaten 48
aantal bakjes
over
3
3
In elke zak passen 20 walnoten. walnoten aantal zakken
4
88
294
227
403
310
over
8
8 Reken uit.
Ik verdeel 498 kaasblokjes in bakjes van 12. Ik vul Ik houd over.
bakjes. kaasblokjes
Ik verdeel 169 mandarijnen onder 7 dozen. In iedere doos mandarijnen. Ik houd over.
Ik verdeel 362 peren onder een klas met 20 kinderen. Ik geef elk kind Ik houd
peren.
peren over.
mandarijn(en)
7
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 7
9/04/2021 16:44
9
LESdoel 2
lesdoel Ik oefen vermenigvuldigen en delen.
Reken uit.
Ik reken zo: Op de veerboot kunnen 24 vrachtwagens. Hoe vaak moet de veerboot op en neer om 884 vrachtwagens naar Ameland te brengen? De veerboot moet keer op en neer.
10 Reken uit.
In een eierdoos gaan 6 eieren. De bakker bestelt 672 eieren. Hij krijgt
dozen.
De bakker verkoopt 9 broodjes per zak. Op 1 dag bakt hij 324 broodjes.
In een doosje gaan 12 koekjes. De bakker bakt 876 koekjes per dag.
Hij vult
Hij vult
zakken.
doosjes.
11 Reken uit. 650 : 50 =
560 : 40 =
690 : 30 =
441 : 7 =
774 : 9 =
976 : 8 =
693 : 9 =
680 : 40 =
12 Reken uit.
Een kok gebruikt 408 tomaten. Op 1 pizza zitten 6 tomaten. Hij maakt
pizza's.
Een kok gebruikt 693 champignons. Op 1 pizza zitten 9 champignons. Hij maakt
pizza's.
Een kok heeft 785 gram kaas. Op 1 pizza zit 90 gram kaas. Hij kan pizza's maken met de juiste hoeveelheid kaas.
8
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 8
9/04/2021 16:44
13
LESdoel 2 Reken uit. Elk paard krijgt 12 wortels. wortels
aantal paarden
Elke doos bevat 30 eieren. over
eieren
49
aantal dozen
over
4
22
19
23
93
149 513
255
699 902
996
14 Vul in. 397 : 3 =
rest
248 : 13 =
rest
987 : 18 =
rest
487 : 12 =
rest
648 : 17 =
rest
526 : 16 =
rest
683 : 18 =
rest
719 : 12 =
rest
368 : 17 =
rest
475 : 19 =
rest
765 : 18 =
rest
712 : 11 =
rest
15 Reken uit.
1 6
1 1 6
3 ×
1 1 5
6 ×
1 4
5 ×
1 7
5 ×
2 6
8 ×
3 ×
1 9 5 ×
2 1 8 4 ×
16 Streep door: waar of niet waar. 3 : 3 = 1
waar / niet waar
164 : 4 = 42
waar / niet waar
6 × 22 = 122
waar / niet waar
3 × 171 = 513
waar / niet waar
6 × 33 = 208
waar / niet waar
384 : 3 = 128
waar / niet waar
12 × 2 = 24
waar / niet waar
574 : 2 = 287
waar / niet waar
9
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 9
9/04/2021 16:44
1
LESdoel 3
lesdoel Ik oefen rekenen met breuken.
Vul in. Je mag een getallenlijn gebruiken. 0
1
2 3
1
1 4
2
1
1 3
1
2 4
3
4
5
2
1
3 4
7
8
9
9
3 5
9
1 5
4
4 5
7
4 10
7
1 10
6
8 10
10
2 Reken uit. samen 8
samen 10
samen 7
samen 5
5
7 8
3
4 5
2
5 6
1 3
2
7 9
2
5 12
1
3 7
2
3 7
6
1 10
9
1 8
3
4 9
4
5 8
4
3 4
6
5 7
2
5 11
2
6 9
3 Reken uit. 1 2 3 +2 = 4 4
4
1 8 +3 = 10 10
7
7 5 –3 = 8 8
2
1 1 +2 = 4 4
3
4 2 +5 = 10 10
6
4 1 –2 = 8 8
3
1 2 +4 = 4 4
3
2 5 +1 = 10 10
6
6 1 –5 = 8 8
6
2 1 +3 = 4 4
5
1 6 +1 = 10 10
3
4 2 –1 = 8 8
4 Schrijf de som en reken uit. In een emmer zit 5 liter kippenvoer. Na het bijvullen van de voerbakken is nog 3 2 liter over. 4 – Er is = liter gebruikt.
Op het land staat een kist met 20 kg appels. 3 Er wordt nog 13 kg bij in gedaan. 4 Samen is dit
+
=
kg appels.
In een tank zit 7 liter melk. 1 kg voer. 3 = kg voer bij.
In een bak van 7 liter zit 3 Er kan nog
–
2 over. 5 liter gebruikt.
Na het vullen van 6 flessen is er 1 Er is
–
=
10
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 10
9/04/2021 16:44
5
LESdoel 3 Vul in. 2 = 8
1 4
4 = 12
3 = 6
4 = 16
6 Vereenvoudig. 8 = 16 2
5 = 10 2
4 = 20
6 = 9
3 = 9 3
12 = 18 3
4 = 12
3 = 12
6 = 10 5
8 = 10 5
2 = 6
5 = 15
6 = 8 4
4 = 10 5
10 = 15
3 = 15
4 = 8
2 = 8
4 = 10
5 = 15
8 = 12
2 = 20
3 = 6
4 = 16
7 Vul in. Vereenvoudig de breuk waar mogelijk.
8 Kleur.
2 10
1 2
1 4
1 5
2 6
2 3
2 8
4 6
2 4
1 3
11
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 11
9/04/2021 16:44
9
LESdoel 3
lesdoel Ik oefen rekenen met breuken.
Kleur en vul in. Kleur
1 1 en . 6 3
Kleur
De grootste breuk is
1 1 en . 2 3
Kleur
De grootste breuk is
2 2 en . 3 4
De grootste breuk is
10 Reken uit. 4 1 + = 8 2
4 8
+
4 8
=
8 8
of 1
1 2 + = 2 8
+
=
of
1 1 + = 4 8
+
=
of
1 1 + = 3 6
+
=
1 1 – = 2 4
–
=
3 3 – = 5 10
–
=
3 2 + = 5 10
+
=
3 1 + = 8 4
+
=
3 1 + = 4 8
+
=
2 1 + = 6 3
+
=
of
1 4 + = 5 10
+
=
of
1 4 + = 4 8
+
=
of
6 1 – = 10 5
–
=
of
4 1 – = 8 4
–
=
of
3 1 – = 8 4
–
=
6 1 + = 9 3
+
=
of
11 Reken uit.
12 Maak vast. 1 4
3 9
4 6
1 2
6 8
2 10
2 3
1 5
2 4
3 4
2 8
1 3
12
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 12
9/04/2021 16:44
13
LESdoel 3 Kleur en reken uit. 1 Jan eet deel van een witte chocoladereep 4 1 en deel van een pure chocoladereep. 2 deel van een chocoladereep. Jan eet +
1 Sanne heeft deel van een appel, 2 1 en geeft deel aan Jip. 4 deel over. Sanne heeft nog
=
–
=
14 Kleur en schrijf de som. – −
= −
=
=
+
=
– −
+ +
=
= −
= =
+ +
=
=
=
= +
=
15 Reken uit. 1 Ibtisam heeft liter mangosap 5 1 en liter appelsap. 10 liter sap. Ibtisam heeft
2 Roan heeft liter perensap. 3 2 Hij drink liter op. 6 liter perensap. Roan heeft nog
1 Pim heeft liter tomatensap 4 3 en liter sinaasappelsap. 8 liter sap. Pim heeft
8 Rowdy heeft liter vruchtensap. 10 2 Hij drinkt liter op. 5 liter vruchtensap. Rowdy heeft nog
16 Vul in. 1 1 + = 2 6
1 1 + = 6 3
1 1 + = 12 4
2 1 − = 6 3
1 1 + = 2 4
3 1 − = 4 8
4 1 − = 8 2
7 1 + = 9 3
2 1 − = 4 2
1 1 − = 2 8
1 1 + = 10 5
1 3 + = 5 15
1 1 − = 3 6
2 1 + = 5 10
13 1 − = 15 3
9 1 − = 10 5
13
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 13
9/04/2021 16:44
LESdoel 4
1
lesdoel Ik oefen rekenen met kommagetallen.
Vul in en maak vast. a 0
2
0,2
b 0
1
6
6,015
c
6,007
6,004
6,009
6,003
6,006
6,002
6,005
6,010
6,008
6,014
2 Maak vast. 0,4
0,8 0,15
0,42
0,68
0,51
0,44
0,59
0,45
0,55
0,28
0,16
0,42
0,35
0,85 0,25
0,76
0,51
0,46
0,82
0,69
0,65
0,4
0,61
0,29
0,54
0,7 0,55
0,3
0,36
0,68
0,51
0,44
0,59
0,39
0,63
0,95
0,64
0,56
0,91
0,77
0,84
3 Reken uit. +
+
+
3,21
2,16
1,51
2,24
5,07
3,62
1,18
3,12
2,23
3,12
4,34
3,12
14
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 14
9/04/2021 16:44
4
LESdoel 4 Reken uit en kleur. Antwoorden tussen: 0 – 0,5
0,51 – 1
1,01 – 1,5
1,5 – 2
1,48 – 0,23
1,65 + 0,16
0,81 – 0,53
0,99 – 0,25
0,98 – 0,53
0,78 – 0,15
2,75 – 0,38
2,23 + 0,25
1,11 + 0,33
0,21 + 0,25
0,45 + 0,14
1,25 + 0,23
1,21 + 0,75
1,6 – 0,42
2,06 + 0,35
2,92 – 0,65
2,01 – 2,5
5 Rond af. a op hele meters en hele euro's:
b op tienden:
17,84 m
m
€ 31,58 €
54,42
16,39
60,03 m
m
€ 53,32 €
15,68
75,52
3,15 m
m
€ 101,69 €
34,72
21,49
14,95 m
m
€ 547,98 €
29,42
37,21
6 Vul in. Karim gooit de bal 25,4 m ver. Linda gooit de bal 25,5 m ver.
Zoë werpt de speer 18,51 m ver. Christel werpt de speer 18,43 m ver.
Wie gooit het verst?
Wie werpt het verst?
7 Kruis de goedkoopste aan en leg uit. € 2,00 250 g
€ 4,50 500 g
€ 3,00 500 g
€ 2,50 400 g
KAAS
Ik reken zo:
€ 1,50 1 l melk
Ik reken zo:
€Melk 1,00Melk 500 ml
Melk
Melk
1l
Ik reken zo:
€ 1,50 0,25 l
€ 2,00 50 dl rt
Yoghu
Ik reken zo:
15
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 15
9/04/2021 16:44
8
LESdoel 4
lesdoel Ik oefen rekenen met kommagetallen.
Omcirkel het kleinste getal. 6,038
7,5 7,25
6,38 6,05
7,025
5,41
9,105 9,015
0,21
4,515
9,15
0,012 5,4
0,031
9 Zet op volgorde van klein naar groot. 123,87
478,76
300,25
289,56
300,08
123,865
864,45
485,46
864,32
789,674
321,567
164,09
128,97
647,98
222,536
128,097
559,47
817,785
167,372
975,55
678,125
982,34
975,65
689,078
289,56
485,896
328,76
485,06
328,198
485,63
10 Reken uit. 1 bolletje ijs is € 1,95. We nemen 7 bolletjes ijs.
De som is: Ik schat: Ik reken precies: €
1 tapasplank is € 7,75. Ik koop 18 tapasplanken.
De som is: Ik schat: Ik reken precies: €
11 Schrijf de som en reken uit. 2 stukken staaldraad zijn 0,40 m. Ik koop 10 stukken staaldraad. Dit is
5 schakels zijn samen 0,25 m. 100 schakels zijn samen
m.
m. Mijn som:
Mijn som:
16
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 16
9/04/2021 16:44
12
LESdoel 4 Reken uit. 4 × 1,25 =
2 × 1,4 =
8 × 1,25 =
3 × 1,1 =
5 × 2,1 =
4 × 3,2 =
5 × 3,05 =
9 × 4,05 =
6 × 2,5 =
3 × 2,2 =
2 × 4,25 =
6 × 1,25 =
5 × 3,2 =
5 × 1,1 =
4 × 6,15 =
2 × 6,35 =
13 Schat eerst, reken daarna precies. Een groep vrienden bestelt 5 verse muntthee. De som is: Ik schat: Ik reken precies: € 2 vriendinnen bestellen een high tea. theehuis: Thee bij Renée
De som is:
gewone thee
€ 1,95
Ik schat:
verse muntthee
€ 2,85
Ik reken precies: €
high tea hapjes en onbeperkt thee
€ 23,15 3 vrienden bestellen 2 gewone thee en 1 verse muntthee. De som is: Ik schat: Ik reken precies: €
14 Reken uit. Steeds – 1,4
Steeds + 25,9
Steeds × 2
43,5
131,4
18,25
15 Van breuk naar kommagetal en andersom. 1 4 =
3 4 =
0,75 =
0,5 =
1 = 2
1 10 =
0,8 =
0,9 =
17
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 17
9/04/2021 16:44
1
LESdoel 5
lesdoel Ik oefen rekenen met procenten.
Vul in.
voetbalplaatjes
Lieke spaart voetbalplaatjes. Ze heeft al 60% van de plaatjes.
Irene leest een boek. Ze heeft al 80% gelezen. Ze moet nog % lezen voordat het boek uit is.
Ze moet nog % van de plaatjes sparen.
2 Vul in.
75% is voltooid. Nog
% downloaden.
70% is voltooid. % downloaden.
Nog
85% is voltooid. Nog
% downloaden.
3 Kleur. 10% 15% 25% 50%
4 Reken uit. Je mag een procentenstrook gebruiken. 50% van de 80 leerlingen heeft een broer of zus.
20% van de 50 leerlingen houdt van lezen.
leerlingen hebben een broer of zus.
lezen.
leerlingen gaan mee op schoolreis.
20% van de 30 leerlingen houdt van vis.
20% van de 40 leerlingen bespeelt een muziekinstrument.
30% van de 60 leerlingen heeft een huisdier.
leerlingen houden van vis.
leerlingen bespelen een muziekinstrument.
leerlingen hebben een huisdier.
leerlingen houden van
75% van de 400 leerlingen gaat mee op schoolreis.
18
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 18
9/04/2021 16:44
5
LESdoel 5 Reken uit. Gebruik de procentenstrook. 20% korting op een bank van € 300. De korting is €
€0
€ 300
Ik betaal nog €
0%
100%
10% korting op een vaas van € 50. € 0
€ 50
De korting is € Ik betaal nog €
0%
100%
6 Vul in < > of = 10% van 200
1% van 2000
50% van 300
10% van 3000
10% van 200
10% van 300
50% van 100
50% van 30
10% van 150
1% van 1000
10% van 50
10% van
50
50% van 20
10% van 500
1% van 3000
50% van 60
1% van 500
1% van 400
20% van 5000
50% van 1000
20% van 10
1% van 100
1% van 300
10% van 3000
7 Vul in. De prijs : € 200
De prijs : €
De prijs : € 80
Korting : 25%
Korting : 10%
Korting :
Ik betaal : €
Ik betaal : € 18
Ik betaal : € 40
De prijs : € 900 %
Korting :
%
Ik betaal : € 630
8 Reken uit.
witte chocolade
melk chocolade
20% cacao
40% cacao
200 gram
200 gram
In een reep witte chocolade zit In de reep melk chocolade zit In een reep pure chocolade zit In de reep hazelnoot chocolade zit
puur chocolade
hazelnoot chocolade
70% cacao
50% cacao
200 gram
200 gram
g cacao. g cacao. g cacao. g cacao.
19
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 19
9/04/2021 16:44
9
LESdoel 5
lesdoel Ik oefen rekenen met procenten.
Vul in. De prijs : € 120
De prijs : € 400
De prijs : € 150
De prijs : € 200
Korting : 10%
Korting : 25%
Korting : 40%
Korting : 50%
Ik betaal : €
Ik betaal : €
Ik betaal : €
Ik betaal : €
10 Vul in.
berkenbomen dennenbomen
Bos A heeft 200 bomen. Bos A
Bos B heeft 400 bomen. Bos B
Berk
% Dat zijn
bomen.
Berk
% Dat zijn
bomen.
Den
% Dat zijn
bomen.
Den
% Dat zijn
bomen.
11 Reken uit. 20% van 60 =
30 van 300 =
%
80% van 50 =
10 van 40 =
%
10% van 350 =
2,5 van 25 =
%
30% van 200 =
15 van 30 =
%
60% van 80 =
100 van 400 =
%
10% van 300 =
175 van 700 =
%
70% van 600 =
50 van 250 =
%
10% van 800 =
%
9 van 90 =
12 Kleur en vul in. Bloemen op veld 1.
Bloemen op veld 2.
Op een veld staan 300 bloemen.
Op een veld staan 700 bloemen.
80% is rood, dat zijn
bloemen.
10% is rood, dat zijn
bloemen.
10% is paars, dat zijn
bloemen.
40% is paars, dat zijn
bloemen.
10% is geel, dat zijn
boemen.
50% is geel, dat zijn
bloemen.
20
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 20
9/04/2021 16:44
13
LESdoel 5 Vul in. 100%
1%
2%
5%
10%
20%
€ 300
€
€
€
€
€
€ 2000
€
€
€
€
€
€ 7500
€
€
€
€
€
14 Omcirkel het grootste bedrag. 10% van € 200
2% van € 1000
10% van € 750
50% van € 60
15% van € 100
5% van € 600
20% van € 1000
10% van € 350
20% van € 120
20% van € 300
40% van € 150
20% van € 200
15 Reken uit. Huur: € 20. Een prijsverhoging van 10%. Ik reken zo: 0
20
0
100% 110%
De prijsverhoging is €
De nieuwe prijs wordt €
16 Reken uit. Gebruik de verhoudingstabel. In een normale zak chips zit 250 gram. Nu zit er 10% meer in.
Een broek kost € 80. Nu is hij 10% duurder.
In de nieuwe zak zit
De broek kost nu €
gram
250
%
100
gram.
10
110
€
€ 80
€
€
%
100
10
110
In een fles shampoo zit 400 milliliter. Nu zit er 25% meer in.
In een pak zit normaal 800 milliliter appelsap. Nu zit er 25% meer in.
In de nieuwe fles zit
In het nieuwe pak zit
milliliter.
milliliter 400 %
100
ml.
milliliter 800 25
125
%
100
25
125
In een pak koekjes zit 200 gram. Nu zit er 50% meer in.
Op de markt betaal je € 4 voor een grote verse stroopwafel. Deze wordt 50% duurder.
In het nieuwe pak zit
De grote verse stroopwafel kost nu €
gram
200
%
100
50
gram.
150
€
€4
€
€
%
100
50
150
21
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 21
9/04/2021 16:44
1
LESdoel 6
lesdoel Ik oefen rekenen met verhoudingen.
Reken uit. 500 ml €
dl € 0,22
250 ml €
,20 €2
cl € 0,44
4 dl €
1,5 l €
cl € 1,65
Boerderijvla
l
l
1 liter
€ 1,76
100 ml €
€ 4,40
2 Reken uit.
schaal 1:100 De auto is in het echt
schaal 1:50 De motor is in het echt
m lang.
m lang.
schaal De caravan is in het echt 6 m lang.
3 Reken uit. Een auto rijdt 5 uur met een snelheid van
Een fietser rijdt 3 uur met een snelheid van
120 km/u. De auto rijdt
21 km/u. De fietser rijdt
afstand in km tijd in uren
km.
120 1
5
afstand in km
21
tijd in uren
1
km.
3
4 Vul de tabel in. Rachid loopt naar school. km/u 4
1 km duurt min
afstand naar school reis duurt 2 km
min
Joella fietst naar school. km/u 15
1 km duurt min
afstand naar school reis duurt 4 km
min
22
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 22
9/04/2021 16:45
5
LESdoel 6 Vul in. tijd
van naar
afstand
thuis
tram
10 minuten
30 km/u
km
treinstation Zwolle
auto
15 minuten
40 km/u
km
fiets
45 minuten
16 km/u
km
6 km/u
km
2 uur
45 min.
10 min.
15 min.
snelheid
wandelen 2 uur
6 Meet en reken uit. route:
B
A
afstand op de kaart:
afstand in het echt:
cm
km
A naar E via B
cm
km
D naar E via C
cm
km
B naar D via E
cm
km
A naar D
E
C D
500.000
7 Maak vast. Zoek de verhoudingen bij elkaar.
5:7
2:5
4:5 4 : 10
10 : 14 3:4
8 : 10
6:8
8 Reken uit. Je mag een verhoudingstabel maken. Voor 24 leerlingen zijn 6 pakken pasta nodig.
Voor 2 gezinnen is 5 kg rijst nodig.
Voor 480 leerlingen zijn
Voor 7 gezinnen is
pakken pasta nodig.
kg rijst nodig.
23
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 23
9/04/2021 16:45
9
LESdoel 6
lesdoel Ik oefen rekenen met verhoudingen.
Vul in. De plank is 1 meter lang. De plank is gezaagd op
cm.
deel, dat is
0
1
De plank is gezaagd op
cm.
deel, dat is
0
1
10 Maak vast wat bij elkaar hoort. 0,25
3 4
0,7
1 10
0,33
1 3
0,75
1 4
7 10
0,1
11 Vul in. 0
1 %
0 De koekoek is Dat is
100
100%
1 deel van het jaar in Nederland. 4 en
deel, dus 0,
%.
0
1 %
0
De egel verliest in de winter Dat is
100
deel, dus 0,
100% 3 deel van zijn lichaamsgewicht. 10 en
%.
24
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 24
9/04/2021 16:45
12
LESdoel 6 Vul in en kleur. =tegels
a Vul in.
b Kleur.
=bloemen
tegels:
=gras
gras: bloemen:
%
tegels:
0,1 3 gras: deel 10 bloemen: 60%
0, deel
13 Kleur wat bij elkaar hoort. 0,5
30%
1 4
0,25
50%
1 10
0,30
25%
3 10
0,1
1 2
10%
0
100%
0
1
0
100%
0
1
0
100%
0
1
0
100%
0
1
14 Teken de kledingstukken. 1 deel draagt een hoed. 2
1 op de 5 heeft een sjaal.
20% draagt bruine schoenen.
40% draagt handschoenen.
15 Vul in < > of = 1 3
20%
4 8
50%
6 10
65%
6 8
80%
3 4
60%
4 5
60%
2 4
40%
4 6
60%
1 5
25%
2 3
70%
4 5
75%
3 5
50%
3 10
30%
2 5
20%
3 3
99%
1 4
28%
25
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 25
9/04/2021 16:45
Klaar voor de start 1 Van welk lesdoel heb jij het meest geleerd? nummer:
2 Hoe is je gevoel over rekenen na dit boekje?
3 Heb je hulp gevraagd of gegeven tijdens het werken in dit boekje? ja
nee
enkampioe k e n r
Einddoelenschrift rekenen 1F van groep 7 naar 8
9 789006 701678
BSSCHRFT_L7F-8_DEF_060421.indd 6
9/04/2021 16:45