Skip to main content

klaar voor de start | einddoelenschrift rekenen| 5 naar 6

Page 1

naam:

Einddoelenschrift rekenen van groep 5 naar 6

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 1

9/04/2021 15:55


Hoe gaat het? Kleur bij elk lesdoel hoe het gaat.

Ik snap het nog niet helemaal

Ik ben goed op weg

Ik heb het lesdoel afgerond

Heb je alle lesdoelen gemaakt? Vul de achterkant van dit schrift in en schrijf je naam op de medaille. Succes en veel plezier!

lesdoel 1 Ik oefen optellen en aftrekken tot en met 10.000. lesdoel 2 Ik oefen kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000. lesdoel 3 Ik oefen tafels en deeltafels tot en met 10. lesdoel 4 Ik oefen vermenigvuldigen en delen. lesdoel 5 Ik oefen rekenen met geld. lesdoel 6 Ik oefen klokkijken en rekenen met tijdsduur. lesdoel 7 Ik oefen rekenen met lengte, inhoud en gewicht. lesdoel 8 Ik oefen met oppervlakte en omtrek. lesdoel 9 Ik oefen rekenen met verhoudingstabellen en verhoudingen. lesdoel 10 Ik oefen aflezen en invullen van diagrammen en grafieken.

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 2

9/04/2021 15:55


Einddoelenschrift rekenen van groep 5 naar 6

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 1

Powered by

9/04/2021 15:55


LESdoel 1

lesdoel Ik oefen optellen en aftrekken tot en met 10.000.

1 Vul in < > of = 240 + 190

400

230 –   40

190

185 + 312

490

470 –   95

375

204 +   92

300

267 –   34

230

56 +   17

73

392 –   67

340

70 + 190

250

460 – 190

265

240 +   80

330

381 – 258

125

405 +   47

450

320 – 280

30

150 + 153

310

240 – 180

45

2 Reken uit en vul in. 394

495

232 81

27

53

140

151

210

32

400 190

350

110

140

200

70

80

50

150

20

20

110 60

30

3 Reken uit en geef de sommen de juiste kleur. tussen 501 en 600 tussen 601 en 700

498 + 103 555 + 101

tussen 701 en 800

251 + 298 297 + 397 209 + 551 356 + 299 394 + 394

tussen 801 en 900

396 + 402 802 + 153

91 + 905

854 + 99

698 + 245 105 + 705

207 + 298 556 + 391

tussen 901 en 1000

4 Reken uit. +6

+ 46

+ 146

–4

+ 546

90

900

234

234

328

328

435

435

– 24

– 220

– 224

2

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 2

9/04/2021 15:55


LESdoel 1 5

Schrijf de som en reken uit.

645 rode stenen en 120 grijze stenen. samen:

580 rode stenen en 70 grijze stenen. samen:

320 rode stenen en 224 grijze stenen. samen:

som:

som:

som:

460 bakstenen. Er worden 115 weggehaald. over:

600 bakstenen. Er worden 164 weggehaald. over:

720 bakstenen. Er worden 130 weggehaald. over:

som:

som:

som:

6 Schat en maak vast. 397 + 101

105 + 292

850

500

600

203 + 406

1000

443 + 413

400

52 + 298

350

108 + 641

806 + 191

700

900

397 + 297

101 + 203

300

750

594 + 305

7 Reken uit. a Suze en Ishvar spelen samen een game. In de eerste ronde heeft Suze 389 punten en Ishvar 448 punten. In de tweede ronde heeft Suze 402 punten en Ishvar 332 punten. Wie heeft de meeste punten na 2 rondes? b Sem en Tom houden een hardloopwedstrijd. Over de eerste ronde doet Sem 359 seconden en Tom 412 seconden. Over de tweede ronde doet Sem 406 seconden en Tom 270 seconden. Wie rent de 2 rondes samen het snelst?

3

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 3

9/04/2021 15:55


LESdoel 1 8

lesdoel Ik oefen optellen en aftrekken tot en met 10.000.

a Vul in. 6000

9000

2000

5000

b Maak vast. 0

3000

200

600

800

1000

1400

1500

1600

2400

2500

2900

9271 =

+

+

+

6419 =

+

+

+

2002 =

+

4309 =

+

+

5667 =

+

+

8037 =

+

+

9 b Vul in.

a Maak vast. 5000

0

10.000

6758 6500

6000

7000

6758 6750

6700

+

6800

6758

6755

6750

6760

6758

10

Tel met sprongen en vul in. 950

1000

1050

1200

1150

1100

1730

1780

1830

1900

1850

1800

750

760

770

5000

4975

4950

1925

1935

1945

7500

7475

7450

4

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 4

9/04/2021 15:55


LESdoel 1 11 Schrijf in cijfers. vijfduizend vierhonderdvijf

vierduizend vijfhonderdzevenentachtig

vierennegentighonderd

zevenduizend vierhonderdvijfennegentig

drieentachtighonderdeen

tweeduizend driehonderdzesentwintig

vierduizendhonderdzestig

drieduizend negenhonderdachtenzeventig

12 Kleur het getal dat het dichtstbij is.

3000

3600

4000

3994

4000

4005

3200

3350

3450

5400

5420

5500

5993

6000

4000

7197

7200

7202

8000

8750

9000

1794

1800

1809

9400

9630

9800

2300

2380

2400

6746

6750

6752

1882

1900

1907

13 Vul in. 10 minder, 10 meer

100 minder, 100 meer

1000 minder, 1000 meer

4876

7840

8650

6524

6990

6300

1800

3867

7503

6750

8050

3207

14 Reken uit. +

+

–

4240

90

8480

30

7860

3000

70

3030

80

6190

1500

120

5

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 5

9/04/2021 15:55


LESdoel 2

lesdoel Ik oefen kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.

1 Vul in. H

T

E

H

T

E

H

T

E

3

2

7

7

3

6

5

7

4

327 =

+

+

736 =

+

+

574 =

+

412 =

+

+

800 + 30 + 1 =

70 + 3 + 900 =

649 =

+

+

600 + 10 + 2 =

7 + 300 =

798 =

+

+

200 + 40 + 8 =

80 + 7 + 600 =

333 =

+

+

400 + 60 + 7 =

900 + 1 + 90 =

+

2 Schrijf het getal. plus 2 tientallen:

plus 3 honderdtallen: min 2 tientallen:

min 3 honderdtallen:

631  651

669 

483 

863 

572 

367 

837 

903 

259 

555 

326 

445 

163 

243 

148 

420 

3 Kleur de getallen. n 3 is 300 waard. n 3 is 30 waard. n 3 is 3 waard. n 7 is 700 waard. n 7 is 7 waard. n 9 is 90 waard. n 1 is 100 waard.

917

382

934

483

913

939

696

751

417

152

372

358

591

190

741

894

434

148

591

174

4 Maak vast en bedenk zelf. 900 + 60 + 1

200 + 40 + 7

700 + 60 + 8

691

247

724

961

600 + 90 + 1

768

700 + 20 + 4

867

453

345

400 + 50 + 3

6

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 6

9/04/2021 15:55


LESdoel 2 5 Reken uit. 400 + 30 + 6 =

800 + 50 + 5 =

50 + 9 + 400 =

20 + 7 + 300 =

600 + 50 + 9 =

900 + 40 + 6 =

90 + 6 + 700 =

60 + 4 + 900 =

500 + 80 + 1 =

700 + 60 + 7 =

30 + 8 + 500 =

10 + 2 + 800 =

300 + 40 + 3 =

200 + 90 + 3 =

40 + 1 + 100 =

70 + 3 + 600 =

6 Reken uit. som:

tussenstap:

251 + 624 =

som:

naar het antwoord:

+

=

+

=

+

=

+

tussenstap:

975 – 351 =

+

=

naar het antwoord:

–

=

–

=

–

=

+

+

=

7 Schrijf de som en reken uit. Je mag het printblad gebruiken.

vrijdag: 326 bezoekers zaterdag: 132 bezoekers meer

vanmorgen: 708 stappen vanmiddag: 231 stappen meer

zaterdag:

vanmiddag:

+

=

bezoekers

8

+

Saar: 589 blokjes. Evandro: 182 blokjes minder Evandro: –

=

=

blokjes

stappen

Reken uit. Er zitten 645 mensen in de trein. 321 mensen stappen uit. som:

tussenstap:

naar het antwoord:

–

7

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 7

9/04/2021 15:55


LESdoel 2

lesdoel Ik oefen kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.

9 Reken uit. 4 6 3

7 6 8

2 3 5 +

3 5 4 –

+

+

10 Schrijf de som en reken uit. Je mag het printblad gebruiken.

vrijdag: 326 bezoekers zaterdag: 132 bezoekers meer

Er zijn al 311 kinderen in de school. 117 kinderen gaan ook naar binnen.

vanmorgen: 362 stappen vanmiddag: 407 stappen meer

zaterdag:

In totaal zijn er

vanmiddag:

+

=

bezoekers

woensdag: 522 punten zaterdag: 133 punten meer zaterdag: + punten

=

= school.

+

kinderen in de

Er zitten 834 mensen in de trein. 322 mensen stappen uit. Er zitten

–

=

mensen in de trein.

+ stappen

=

Danny: 646 blokjes Evelien: 132 blokjes minder Evelien heeft: – blokjes.

=

11 Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad. Koen heeft 678 knikkers. Anneke heeft 855 euro. Hij verliest er 136. Ze koopt een fiets van 233 euro. Hoeveel knikkers heeft Koen over? Hoeveel euro heeft Anneke over?

8

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 8

9/04/2021 15:55


LESdoel 2 12 Reken uit. 5 6 3 + 3 2 9 =

6 8 7 – 3 4 9 = +

+ + +

=

–

=

–

= +

13

–

+ +

–

= =

=

=

+

tekort

–

=

Reken uit. 5 3 8 + 2 4 4 =

3 5 3 – 2 4 8 = +

–

+

tekort

14 a Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad.

Ik heb 156 knikkers verloren.

over:

knikkers

Ik heb 226 knikkers verloren.

over:

knikkers

b Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad. Fatma heeft 539 stickers. Ze krijgt er 245 bij. Hoeveel stickers heeft ze nu?

Sarah heeft 354 euro. Ze krijgt voor haar verjaardag 127 euro. Hoeveel euro heeft ze nu?

Jayden heeft 458 voetbalplaatjes. Hij krijgt er 133 bij. Hoeveel voetbalplaatjes heeft hij nu?

15 Reken uit. Gebruik het printblad. 348 + 145 =

356 + 225 =

635 – 218 =

323 – 127 =

423 + 238 =

658 + 114 =

476 – 128 =

573 – 144 =

527 + 356 =

354 + 139 =

783 – 549 =

694 – 458 =

9

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 9

9/04/2021 15:55


LESdoel 3

lesdoel Ik oefen tafels en deeltafels tot en met 10.

1 Schrijf de deelsom en reken uit.

Verdeel de stickers over 4 kinderen. :

deelsom:

2

Verdeel de stickers over 3 kinderen.

=

:

deelsom:

Verdeel de stickers over 5 kinderen.

=

deelsom:

:

=

a Reken uit. 12

20

40

60

12 : 2 =

20 : 10 =

40 : 10 =

60 : 10 =

12 : 3 =

20 : 5 =

40 : 5 =

60 : 3 =

12 : 4 =

20 : 4 =

40 : 4 =

60 : 2 =

15 : 3 =

18 : 3 =

35 : 5 =

60 : 10 =

20 : 10 =

70 : 10 =

16 : 2 =

50 : 5 =

25 : 5 =

32 : 4 =

28 : 4 =

18 : 2 =

36 : 4 =

45 : 5 =

24 : 3 =

27 : 3 =

b Reken uit.

3 Vul in: < > of = 3×5

7×2

6×4

7×5

6×3

9×2

4×6

8×3

4×3

3×6

5×4

7×3

4 Kleur de antwoorden. tafel van 2

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

tafel van 3

11

12

13

14

15

16

17

18

19

20

tafel van 4

21

22

23

24

25

26

27

28

29

30

tafel van 5

31

32

33

34

35

36

37

38

39

40

tafel van 6

41

42

43

44

45

46

47

48

49

50

tafel van 10

51

52

53

54

55

56

57

58

59

60

10

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 10

9/04/2021 15:56


LESdoel 3 5

Vul in.

nog

4

weken

×7=

×7=

Dat zijn

×7=

×7=

dagen. Dat zijn

bananen. Dat zijn

potloden. Dat zijn

3×6=

4×4=

6×5=

9× 5=

5×4=

7×6=

8×3=

5× 5=

8×4=

9×4=

9×2=

7× 6=

7×4=

3×5=

8×6=

9 × 10 =

knikkers.

6 Vul in.

7 Vul in. 1 × minder:

×7=

1 × minder:

5×7=

×7=

1 × minder:

7×7=

1 × meer:

×7=

1 × meer:

×7=

9×7= ×7=

1 × meer:

×7=

8 Vul in. thee

thee

thee

thee

thee thee

thee thee

thee

thee

thee

thee

thee

thee

thee thee

thee thee

thee

thee thee

thee

thee thee

thee

thee

thee thee

thee

thee thee

thee

thee

thee

Er zijn

= vakjes.

thee

thee thee

thee

thee thee

thee thee

thee

thee

thee

thee thee

×

thee

thee thee

thee

Er zijn

thee

thee thee

thee

thee thee

thee

thee thee

thee

×

thee

thee thee

thee

thee

thee

thee

thee thee

thee

thee thee

thee thee

thee

thee thee

thee thee

thee

thee

thee

thee

thee

thee

thee thee

thee thee

thee

thee

thee

thee thee

thee thee

thee thee

thee

= vakjes.

× Er zijn

= poten.

× Er zijn

= poten.

11

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 11

9/04/2021 15:56


LESdoel 3

lesdoel Ik oefen tafels en deeltafels tot en met 10.

9 Reken uit en vul in. 1

3

2

3

5

4 5

0 7

8

9

10

11 13

16

1. 3. 5. 8. 10. 11. 14. 16. 17.

6

12 14

15

17

2. 4. 6. 7. 9. 12. 13. 15.

5×7 9×9 4×6 6×6 10 × 9 6×7 2×9 0×8 9×7

5 × 10 3×4 6×8 7×7 8×8 3×7 7×8 10 × 8

10 Vul in. 6×

= 48

6×

×9=0

3×

× 7 = 56

= 56

7×

= 24

× 9 = 63

5×

× 6 = 36

= 40

5×

= 12

× 9 = 27

× 9 = 90

= 36

9×

= 35

= 42

7×

× 7 = 21

× 9 = 18

11 Kleur de sommen met antwoord: 36

24

18

40

16

30

18

12

3×6

8×2

4 × 10

4×8

2×9

7×5

8×2

1×7

4×4

5×4

3×7

8×3

8×5

4×6

3×3

4×4

9×4

6×5

5×5

8×2

12 × 3

4×5

4×9

6×5

6×6

9×2

3 × 10

2 × 9 10 × 3

3×6

7×4

6×4

10 × 4

3×8

4×7

3×4

7×3

5×6

10 × 4

2×6

9×2

2×8

8×5

8×4

6×3

9×0

6×2

7×6

4×3

6×4

12 Bedenk keersommen. 4 met oneven antwoord

4 met antwoord tussen 20 en 30

4 met antwoord tussen 50 en 80

4 met even antwoord boven de 40

×

=

×

=

×

=

×

=

×

=

×

=

×

=

×

=

×

=

×

=

×

=

×

=

×

=

×

=

×

=

×

=

12

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 12

9/04/2021 15:56


LESdoel 3 13

Vul in. 42

42 :

40

=

want

40 :

× 6 = 42

72

= ×

want =

72 :

=

want

×

=

14 Reken uit. 28 : 7 =

want

×

=

72 : 8 =

want

×

=

30 : 6 =

want

×

=

42 : 6 =

want

×

=

56 : 8 =

want

×

=

48 : 6 =

want

×

=

36 : 6 =

want

×

=

32 : 4 =

want

×

=

15 Vul in en bedenk zelf. 28

7 ×

35

45

5

×

6

×

54

16

Schrijf de deelsom en reken uit. 80 eieren

28 stickers

Er zijn

volle bladzijden.

Som:

Er zijn

volle dozen.

Som:

Som:

groepjes.

Er zijn

volle vazen.

Som: Totaal 36 stoelpoten: hoeveel stoelen?

32 kinderen: maak groepjes van 4.

Er zijn

48 tulpen

Er zijn

15 pannenkoeken

stoelen.

Som:

Hoeveel per kind?

pannenkoeken per kind. Som:

13

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 13

9/04/2021 15:56


LESdoel 4 1

lesdoel Ik oefen vermenigvuldigen en delen.

Schrijf de som en reken uit. Ik koop 17 dozen.

De som is:

Ik koop 7 vellen. Dieren stickervel 12 stuks

× Ik heb

Ik heb 8 doosjes.

eieren.

De som is:

De som is: × Ik heb

Ik heb 13 zakjes.

×

stickers.

De som is: ×

Ik heb

aardbeien.

Ik heb

knikkers.

2 Reken uit. 12 × 4 =

5 × 13 =

6 × 12 =

19 × 3 =

4 × 12 =

13 × 5 =

12 × 6 =

3 × 19 =

8 × 12 =

13 × 6 =

12 × 3 =

9 × 19 =

12 × 8 =

6 × 13 =

3 × 12 =

19 × 9 =

3 Reken uit en schrijf de letter. 4 × 13

17 × 4

7 × 12

14 × 7

14 × 8

6 × 14

14 × 6

9 × 16

52  h 68  g

15 × 7

18 × 4

98  o 105  d

6 × 12

72  a 84  e

7 × 16

112  l 144  m

Er staat:

4 Reken uit en kleur het antwoord. 103

90

77

104

81

6 × 16 =

3 × 17 =

110

88

51

67

73

14 × 7 =

12 × 7 =

98

105

74

99

96

8 × 13 =

5 × 18 =

65

57

135

84

86

15 × 9 =

19 × 3 =

14

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 14

9/04/2021 15:56


LESdoel 4 5 Reken uit. 12 : 2 =

rest

15 : 3 =

rest

21 : 4 =

rest

13 : 2 =

rest

16 : 3 =

rest

23 : 4 =

rest

17 : 2 =

rest

17 : 3 =

rest

24 : 4 =

rest

18 : 2 =

rest

19 : 3 =

rest

25 : 4 =

rest

6 Schrijf de deelsom en reken uit. 14 bidons

13 citroenen

Hoeveel volle houders zijn er en hoeveel bidons zijn er over?

Hoeveel volle netjes zijn er en hoeveel citroenen zijn er over?

Hoeveel volle pakjes zijn er en hoeveel koeken zijn er over?

som:

som:

som:

:

=

rest

7

17 koeken

:

=

rest

:

=

rest

Reken uit. 2 × 50 =

7 × 90 =

9 × 80 =

6 × 80 =

hulpsom:

hulpsom:

hulpsom:

hulpsom:

2×5=

7×

3 × 60 =

2 × 40 =

4 × 50 =

2 × 80 =

5 × 60 =

4 × 40 =

6 × 50 =

4 × 80 =

7 × 60 =

6 × 40 =

9 × 50 =

7 × 80 =

9 × 60 =

8 × 40 =

7 × 50 =

9 × 80 =

=

9×

=

=

6×

8 Vul in.

30 4

×

50 7

400

×

4 ×

32

30 3

5

×

60

120

15

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 15

9/04/2021 15:56


LESdoel 4

lesdoel Ik oefen vermenigvuldigen en delen.

9 Schrijf de som en reken uit.

Juf: ‘Ik koop 30 pakjes voor mijn klas.’

Ik koop 3 netjes mandarijnen.

Juf: ‘Geef alle 20 leerlingen een pakje.’

5 kleine voetballen

6

×

=

×

=

×

=

10 Reken uit. 3 × 30 =

2 × 20 =

3 × 70 =

7 × 90 =

8 × 30 =

9 × 20 =

8 × 70 =

9 × 90 =

6 × 30 =

5 × 20 =

6 × 70 =

6 × 90 =

9 × 30 =

7 × 20 =

9 × 70 =

3 × 90 =

Ik heb een 4 voor rekenen. Ik moet dan een halen om gemiddeld een 6 te krijgen.

Ik heb in totaal 6 cijfers voor rekenen. Bij elkaar is dat 42. Het gemiddelde cijfer is dan een

Ik heb voor taal een 7, 8, 5, 5 en 10 gehaald. Het gemiddelde cijfer is dan een

11 Reken uit. Ik heb voor taal een 5, 7, 7 en een 9 gehaald. Het cijfer op mijn rapport is dan een

12 Schrijf de som en reken uit. maand

regendagen

maand

oktober

12

maand

regendagen

november

20

maart

december

18

januari februari

zonnige dagen

juli

25

20

augustus

20

mei

14

september

13

22

juni

16

oktober

16

18

juli

14

november

11

Gemiddeld regendagen per maand.

Gemiddeld regendagen per maand.

Gemiddeld zonnige dagen per maand.

16

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 16

9/04/2021 15:56


LESdoel 4 13 Reken uit.

5kg

14

24 leerkrachten gaan op kamp met 6 groepen. Hoeveel leerkrachten per groep?

Verdeel 240 personen in 6 bussen. Hoeveel personen in elke bus?

Per bus van 40 personen staan er 5 tenten klaar. Hoeveel personen per tent?

De kok neemt 400 kilo aardappels mee. Hoeveel zakken van 5 kilo?

24 : 6 =

240 : 6 =

40 : 5 =

400 : 5 =

Reken uit. 80 : 8 =

42 : 6 =

40 : 8 =

24 : 6 =

800 : 8 =

420 : 6 =

400 : 8 =

240 : 6 =

180 : 9 =

240 : 3 =

720 : 9 =

540 : 9 =

270 : 9 =

210 : 3 =

810 : 9 =

630 : 9 =

160 : 4 =

100 : 2 =

360 : 4 =

250 : 5 =

120 : 4 =

120 : 2 =

320 : 4 =

450 : 5 =

252 : 5 ≈

448 : 9 ≈

212 : 3 ≈

359 : 4 ≈

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

15 Schat het antwoord.

:5=

:9=

:3=

:4=

16 Schat het antwoord. 3 × 62 ≈

6 × 51 ≈

4 × 72 ≈

2 × 71 ≈

5 × 79 ≈

4 × 48 ≈

6 × 29 ≈

4 × 79 ≈

635 : 7 ≈

482 : 6 ≈

323 : 8 ≈

273 : 3 ≈

162 : 4 ≈

269 : 3 ≈

248 : 5 ≈

239 : 6 ≈

17

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 17

9/04/2021 15:56


LESdoel 5

lesdoel Ik oefen rekenen met geld.

1 Reken uit. Het kost:

Ik betaal:

Terug:

Het kost:

Ik betaal:

Terug:

€ 139

€

€ 11

€ 145

€ 150

€

€ 176

€ 200

€

€ 288

€

€ 12

€

€ 200

€9

€

€ 400

€ 36

€ 226

€

€ 24

€ 466

€ 500

€

2 Schrijf de som en reken uit. Ik heb € 99. Een trainingspak kost € 119. sparen.

Ik moet nog € Som:

Ik heb € 90. Ik wil een hockeystick van € 105 en sokken van € 20 kopen.

Ik heb € 110. Ik wil een tablet van € 150 kopen.

Ik moet nog €

Ik moet nog €

sparen.

sparen.

Som:

Som:

€ 196 + € 353 + € 205

€ 204 + € 599 + € 99

€ 302 + € 149 + € 353

Ik denk:

Ik denk:

Ik denk:

3 Reken uit.

+€

€

+€

Het is ongeveer €

4

€

+€

+€

Het is ongeveer €

€

+€

+€

Het is ongeveer €

Schat het antwoord.

€ 206

€ 199

samen ongeveer €

€ 196 samen ongeveer €

€ 349

€ 248

€ 199

€ 299

€ 309

samen ongeveer €

€ 449

€ 348 samen ongeveer €

18

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 18

9/04/2021 15:56


LESdoel 5 5

Reken uit. Ik koop:

Ik schat: Het is precies:

Ik koop:

Ik schat: Het is precies:

€ 154 + € 399 €

€

€ 248 + € 453 €

€

€ 153 + € 199 €

€

€ 354 + € 449 €

€

€ 397 + € 351 €

€

€ 752 + € 151 €

€

6 Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad. € 137

€ 365

€ 345

€ 647

samen:

€ 328

samen: €

euro

€ 126 samen:

€

euro

€

Ik heb gespaard: € 878

Ik heb gespaard: € 591

Ik heb gespaard: € 452

Ik koop:

Ik koop:

Ik koop:

€ 249

€ 289

€ 137

Ik houd over:

Ik houd over:

Ik houd over:

€

€

€

euro

7 Reken uit en vul in.

€ 320 € 340 € 150

Ik heb gespaard:

Gekocht:

Over:

€

surfpak en schoenen

€ 320 € 180

€ 650

19

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 19

9/04/2021 15:56


LESdoel 5

lesdoel Ik oefen rekenen met geld.

8 Schrijf de deelsom en reken uit. Hoeveel krijgt ieder kind? Wij delen eerlijk.

9

Wij delen eerlijk.

Wij delen eerlijk.

Wij delen eerlijk.

som:

som:

som:

som:

Ieder kind krijgt €

Ieder kind krijgt €

Ieder kind krijgt €

Ieder kind krijgt €

Reken uit en vul in. De voetbalclub heeft een lotenactie. De prijs van 1 lot is € 7. De club mag hiervan € 2 houden. De rest is prijzengeld. Ik Ik De club verkoop: ontvang: krijgt:

Prijzengeld:

Ik Ik De club verkoop: ontvang: krijgt:

Prijzengeld:

3 loten

€

€

€

11 loten

€

€

€

5 loten

€

€

€

14 loten

€

€

€

8 loten

€

€

€

17 loten

€

€

€

10 Reken uit.

€3

€2

€ 13

€4

€5

€6

4 broden: €

3 fruitvlaaien: €

5 zakken broodjes: €

7 stokbroden: €

8 zakken krentenbollen: €

3 tulbanden €

samen €

samen €

samen €

11 Reken uit. Ik heb:

Ik krijg:

Ik koop:

Over:

Ik heb:

Ik krijg:

Ik koop:

Over:

€ 36

€8

€6

€

€ 54

€ 12

€ 14

€

€ 47

€ 32

€ 17

€

€ 62

€ 19

€ 22

€

20

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 20

9/04/2021 15:57


LESdoel 5 12 Vul in.   2 euro + 45 cent = €

€   1,05 =

0 euro + 69 cent = €

€ 16,05 =

10 euro +   5 cent = €

€   0,85 =

7 euro + 80 cent = €

€   3,95 =

13 Reken uit. 1 krentenbol kost € 0,45.

1 halfje bruin brood kost € 1,25 en 1 zak bolletjes € 2,55.

2 krentenbollen kosten: €

Dit kost samen: € 1 eierkoek kost € 0,35.

1 stokbrood kost € 1,10 en 1 tarwebrood kost € 1,55.

2 eierkoeken kosten €

Dit kost samen €

14

Een soeppakket kost € 5,35 en een krop sla kost € 0,60.

Een watermeloen kost € 4,65 en een honingmeloen kost € 3,30.

Het kost samen: €

Het kost samen: €

Een pak stroopwafels kost € 2,60, 1 zak mueslibollen kost € 2,35 en 1 zak bolletjes kost € 1,00.

Een kilo peren kost € 2,15, een kilo kiwi’s kost € 3,40 en een bakje druiven kost € 2,00.

Het kost samen: €

Het kost samen: €

Reken uit. €   1,55 + €

= €   2,00

€   3,55 + €

= €   4,00

€ 60,15 + €

= € 61,00

€ 45,65 + €

= € 46,00

€ 12,65 + €

= € 13,00

€ 12,35 + €

= € 13,00

€   3,05 + €

= €   4,00

€   7,95 + €

= €   8,00

€ 23,05 + €

= € 24,00

€ 27,95 + €

= € 28,00

€ 36,15 + €

= € 37,00

€ 39,75 + €

= € 40,00

15 Rond af op hele euro’s. €   1,55  €

€ 15,55  €

€ 25,63  €

€ 14,95  €

€ 19,98  €

€ 83,85  €

€ 37,41  €

€ 54,42  €

€   3,05  €

€ 91,10  €

€ 41,05  €

€   8,73  €

€ 21,35  €

€ 36,37  €

€ 62,99  €

€ 16,35  €

21

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 21

9/04/2021 15:57


LESdoel 6 1

2

lesdoel Ik oefen klokkijken en rekenen met tijdsduur.

Vul de tijd in.

5 minuten over 8

10 minuten over half 3

5 minuten voor 10

10 minuten voor half 7

ochtend:

avond:

ochtend:

middag:

5 minuten voor half 10

5 minuten voor 9

10 minuten voor half 8

10 minuten voor 4

Vul in. een kwartier geleden

het is nu

een kwartier later

3 Vul in.

Het is

minuten later.

Het is

minuten later.

22

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 22

9/04/2021 15:57


LESdoel 6 4 a Reken de reistijd uit. aankomsttijd trein:

vertrektijd

vertrektijd

vertrektijd

vertrektijd

uur en

uur en

uur en

uur en

minuten.

minuten.

minuten.

minuten.

b Reken de reistijd uit. aankomsttijd bus:

vertrektijd

vertrektijd

vertrektijd

vertrektijd

uur en

uur en

uur en

uur en

minuten.

minuten.

minuten.

minuten.

5 Teken de wijzers en vul het dagdeel in. ochtend

5 uur later

ochtend

dagdeel:

vertrek: maandagmiddag reistijd: 17 uur

3 uur later

dagdeel:

aankomst: dag

vertrek: zondagavond reistijd: 18 uur

aankomst: dag

23

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 23

9/04/2021 15:57


LESdoel 6

lesdoel Ik oefen klokkijken en rekenen met tijdsduur.

6 Vul in. De trein doet Utrecht-Arnhem.

uur en

minuten over het traject

De trein doet

uur over het traject Frankfurt-Wenen.

De tussenstops duren in totaal

uur en

De totale treinreis duurt

minuten.

Treinreis Utrecht - Wenen. 20:00 v Utrecht 21:30 a Arnhem 22:00 v Arnhem 02:00 a Frankfurt 03:00 v Frankfurt 11:00 a Wenen

7 Teken de wijzers. vertrektijd

aankomsttijd reistijd: 7 uur

vertrektijd aankomsttijd reistijd: 10 uur

reistijd: 8 uur

reistijd: 11 uur

8 Vul in. vertrek

reistijd aankomst

5 maart 11.00 uur

18 uur

4 januari 15.00 uur

27 uur

15 september 14.00 uur 30 uur 26 november 22.00 uur

23 uur

vertrek

reistijd aankomst

18 juni 19.00 uur

12 uur

8 april 8.00 uur

29 uur

20 augustus 17.00 uur

17 uur

12 december 2.00 uur

34 uur

24

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 24

9/04/2021 15:57


LESdoel 6 9 Reken uit en vul in. De treinreis van Amsterdam naar Dusseldorf duurt Reis Amsterdam - Innsbruck met 2 korte tussenstops 16.30 uur 19.00 uur 20.30 uur 21.00 uur 10.00 uur 18.00 uur 20.00 uur

v Amsterdam a Dusseldorf (avondeten) v Dusseldorf vertrek a Köln aankomst (slapen) v Köln vertrek Munchen doorkomst a Innsbruck aankomst

uur en

minuten.

De tussenstop voor avondeten in Dusseldorf duurt uur en

minuten.

De treinreis van Dusseldorf naar Köln duurt uur en

minuten. uur.

Het verblijf in Köln duurt dag

De totale reis duurt

uur en

minuten.

10 Vul de nieuwe aankomsttijd in. aankomsttijd

nieuwe aankomsttijd

aankomsttijd

vertraging: 45 minuten

nieuwe aankomsttijd

vertraging: 50 minuten

11 Teken de wijzers en vul in. vertrek:

aankomst:

vertrek:

aankomst:

ochtend

Het is

ochtend

Het is

reisduur 4 uur

in de

reisduur 13 uur

in de

vertrek:

aankomst:

vertrek:

aankomst:

avond

Het is

middag

Het is

reisduur 9 uur

in de

reisduur 8 uur

in de

uur

uur

uur

uur

25

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 25

9/04/2021 15:57


Klaar voor de start 1 Van welk lesdoel heb jij het meest geleerd? nummer:

2 Hoe is je gevoel over rekenen na dit boekje?

3 Heb je hulp gevraagd of gegeven tijdens het werken in dit boekje? ja

nee

enkampioe k e n r

Einddoelenschrift rekenen van groep 5 naar 6

9 789006 789006 701654 315202 9

BSSCHRFT_L5-6_DEF_060421.indd 46

9/04/2021 15:57


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
klaar voor de start | einddoelenschrift rekenen| 5 naar 6 by ThiemeMeulenhoff - Issuu