BLOK 4 Untitled-1 1
groep 6
handleiding
24/07/20 12:56 2/11/2020 08:59
Untitled-1 2
2/11/2020 08:59
groep 6
handleiding
BLOK 4
© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 1
24/07/20 12:54
Blok 4 | Les 1 LESDOEL De leerling oefent kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 10.000. Instructie: • kolomsgewijs optellen en aftrekken
BASIS
Blz. 2-3
tot 10.000 met overschrijdingen of tekorten. Vervolg op: • optellen en aftrekken met overschrijding en tekort bij eenheden;
PLUS
Blz. 2-3
OVER DE OPGAVEN Opgave 2 Basis: De leerlingen rekenen de plus- en minsommen uit op het printblad. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met minder sommen en 2 sommen worden uitgerekend in het werkschrift. Opgave 3 Basis: De leerlingen rekenen de plus- en minsommen uit die bij de contexten horen. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen. Opgave 4 Basis: De leerlingen rekenen de totale aantallen bladzijden uit van de boeken. Plus en Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 5 Basis: De leerlingen rekenen de plus- en minsommen uit en kleuren de vakken met de juiste antwoorden. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen. Opgave 6 Basis: De leerlingen rekenen de somparen van plus- en minsommen uit op het printblad. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met minder sommen.
• optellen en aftrekken met overschrijding en tekort bij tientallen. Materiaal: • printblad Kolomsgewijs rekenen (per leerling); • klimkaart Trotskaart.
MAAT
Blz. 2-3
Opgave 7 Basis en plus: De leerlingen geven de vakken met de sommen en de vakken met de antwoorden dezelfde kleur. Maat: De leerlingen rekenen de plus- en minsommen kolomsgewijs uit. Opgave 8 | signaalopgave Basis en Maat: De leerlingen vullen in de schema’s voor kolomsgewijs optellen en aftrekken de cijfers en getallen in die de sommen kloppend maken. Plus: Gelijk aan Basis, met meer ontbrekende cijfers en getallen.
LES 1 INSTRUCTIE De leerling oefent kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 10.000. • Bespreek kort het lesdoel met de leerlingen. • Bekijk samen met de leerlingen de sommen op het bord en vraag hen wat de stappen zijn bij kolomsgewijs rekenen (honderdtallen, tientallen en eenheden optellen of aftrekken, aan het eind alles bij elkaar optellen). • Laat de leerlingen de plussom op het bord kolomsgewijs uitrekenen op het printblad. • Bespreek na en vraag leerlingen hoe zij rekenen met overschrijdingen en hoe zij deze noteren. • Laat de leerlingen de minsom op het bord kolomsgewijs uitrekenen op het printblad. • Bespreek na en bespreek de hoe leerlingen rekenen met tekorten en hoe zij het antwoord noteren. (het tekort haal je er aan het eind, bij het bij het elkaar tellen van de
2
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 2
24/07/20 12:54
tussenantwoorden, van af). • Bekijk samen met de leerlingen de sommen op het bord en vraag hen wat de stappen zijn bij kolomsgewijs rekenen (honderdtallen, tientallen en eenheden optellen of aftrekken, aan het eind alles bij elkaar optellen). • Laat de leerlingen de plussom op het bord kolomsgewijs uitrekenen op het printblad. • Bespreek na en vraag leerlingen hoe zij rekenen met overschrijdingen en hoe zij deze noteren. • Laat de leerlingen de minsom op het bord kolomsgewijs uitrekenen op het printblad. • Bespreek na en bespreek hoe leerlingen rekenen met tekorten en hoe zij het antwoord noteren (het tekort haal je er aan het eind, bij het bij het elkaar tellen van de tussenantwoorden, van af).
BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! • Laat de leerlingen opgave 1 maken door de plussom en de minsom kolomsgewijs uit te rekenen in het werkschrift. • Bespreek na en besteed aandacht aan de overschrijdingen over 1000 en het rekenen met tekort.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Besteed aandacht aan het splitsen van getallen met behulp van het positieschema. • Besteed aandacht aan het splitsen van getallen met behulp van DHTE. • Laat de leerlingen het getal 875 in honderdtallen, tientallen en eenheden splitsen en bespreek na. • Maak samen met de leerlingen 1 plussom en 1 minsom. Besteed aandacht aan de stappen (eerst honderdtallen, dan tientallen, dan eenheden, aan het eind bij elkaar optellen). • Bespreek het tekort bij de minsommen. Besteed aandacht voor het goed opschrijven van het tekort en hoe het eindantwoord wordt berekend (het tekort wordt afgetrokken).
REFLECTIE • Laat de leerlingen op de Trotskaart invullen op welke opgave zij het meest trots zijn en wat hen hierbij heeft geholpen. • Laat een paar leerlingen vertellen wat ze hebben ingevuld. Over de klimkaart ‘Trotskaart’: • Doelgroep: groep 3-8. • Bedoeling van de kaart: leerlingen benoemen waar zij trots op zijn. Dit kan een aanknopingspunt zijn voor een vervolgstap in het leerproces. • Hoe werkt de kaart?: - Geef aan dat er altijd wel iets is waar je trots op kunt zijn in de rekenles. Benoem enkele voorbeelden die passen bij de context van de les.
- Geef de context voor het invullen van de kaart weer. Leerlingen tekenen of beschrijven waar zij trots op zijn. - Hang de kaarten op een centrale plek in het lokaal op. Bespreek enkele Trotskaarten om leerlingen te bemoedigen in hun zelfvertrouwen. • Wanneer gebruik je de kaart?: leerlingen vullen zelfstandig of in tweetallen de kaart in na afloop van een les of blok. STRATEGIEËN Kolomsgewijs optellen Kolomsgewijs optellen gebruik je bij het optellen van grotere getallen. De getallen worden eerst gesplitst en daarna bij elkaar opgeteld: eerst de honderdtallen, daarna de tientallen en dan de eenheden. De antwoorden van deze splitsingen worden vervolgens hoofdrekenend bij elkaar opgeteld. Bij kolomsgewijs optellen houd je rekening met de positie waarde van een getal. Daarmee is het een vervolg op splitsend optellen, waarmee de leerlingen bekend zijn. Met overschrijding bij de tientallen: Tussenstappen: 4 5 3 + 2 9 6 = 7 4 9 • De getallen worden ge4 5 3 2 9 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 5 0 + 9 0 = 1 4 0 plussommen genoteerd. 9 3 + 6 = 7 4 9 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. Daardoor wordt automatisch duidelijk dat bij 50 + 90, het antwoord 140 bestaat uit eenheden (0), tientallen (4) en honderdtallen (1). • Vervolgens worden de tussenantwoorden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 140 + 9 = 749. Kolomsgewijs aftrekken Kolomsgewijs aftrekken gebruik je bij het aftrekken van grotere getallen. De getallen worden eerst gesplitst en daarna als minsommen uitgerekend: eerst de honderdtallen, daarna de tientallen en dan de eenheden. De antwoorden van deze splitsingen worden vervolgens hoofdrekenend bij elkaar opgeteld. Bij kolomsgewijs aftrekken houd je rekening met de positiewaarde van een getal. Daarmee is het een vervolg op splitsend rekenen, waarmee de leerlingen bekend zijn. Tussenstappen: 7 5 8 – 2 7 6 = 4 8 2 • De getallen worden ge7 5 8 2 7 6 + splitst en als afzonderlijke 7 0 0 – 2 0 0 = 5 0 0 5 0 – 7 0 = 2 0 tekort minsommen genoteerd. 2 8 – 6 = 4 8 2 Daardoor wordt duidelijk dat bij 50 – 70 een tekort van 20 is. • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. Bij de tientallen wordt 20 tekort opgeschreven. • De tussenantwoorden worden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld, maar het tekort van 20 bij de tientallen wordt afgetrokken. De som wordt: 500 – 20 + 2 = 482.
3
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 3
24/07/20 12:54
Blok 4 | Les 2 LESDOEL De leerling oefent kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 10.000. Automatiseren & memoriseren: • tafels tot en met 10.
Verwerken: • kolomsgewijs optellen en aftrekken tot 10.000 met overschrijdingen of tekorten.
Herhalen: • schaal bij omtrek; • splitsend vermenigvuldigen. Materiaal: • printblad Kolomsgewijs rekenen (per leerling).
OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN Opgave 2 Basis: De leerlingen meten de omtrekken en gebruiken de schaallijnen om lengte van de werkelijke omtrekken uit te rekenen. Plus en Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 3 Basis: De leerlingen rekenen de keersommen uit met splitsend vermenigvuldigen. Plus en Maat: Gelijk aan Basis. BASIS
Blz. 4-5
Opgave 4 Basis: De leerlingen schrijven de keersommen op die bij de contexten horen en rekenen ze uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.
OVER DE OPGAVEN | VERWERKING Opgave 5 Basis: De leerlingen rekenen de plus- en minsommen uit op het printblad. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met minder sommen en de leerlingen rekenen 2 sommen kolomsgewijs in het werkschrift uit. PLUS
Blz. 4-5
Opgave 6 Basis: De leerlingen rekenen de gezamenlijke gewichten of het verschil in gewicht uit op het printblad. Plus en Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 7 Basis: De leerlingen omcirkelen de juiste antwoorden. Plus en Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 8 Basis: De leerlingen bedenken rekenverhalen bij de plus- en minsom. Plus en Maat: Gelijk aan Basis.
MAAT
Blz. 4-5
4
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 4
24/07/20 12:54
LES 2 AUTOMATISEREN & MEMORISEREN De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.
OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.
TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES De leerling oefent kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 10.000. • Herhaal kort het lesdoel van de vorige les. • Laat de leerlingen de stappen noemen die je neemt bij kolomsgewijs rekenen (honderdtallen samen, tientallen samen en eenheden samen). Besteed aandacht aan het tekort bij minsommen: hoe je laat zien dat er een tekort is en wat je ermee doet (aftrekken). Bekijk het lesdoel uit de vorige les.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
REFLECTIE • Bespreek opgave 8 na. Laat een paar leerlingen hun verhaal voorlezen en een som op het bord uitrekenen.
komen, in positie, onder elkaar te staan. Daardoor wordt automatisch duidelijk dat bij 7 + 6, het antwoord 13 bestaat uit eenheden (3) en tientallen (1). • Vervolgens worden de tussenantwoorden hoofdrekenen bij elkaar opgeteld: 600 + 30 + 13 = 643. Daarna met overschrijding bij de tientallen: Tussenstappen: 4 5 3 + 2 9 6 = 7 4 9 • De getallen worden ge4 5 3 2 9 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 5 0 + 9 0 = 1 4 0 plussommen genoteerd. 9 3 + 6 = 7 4 9 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. Daardoor wordt automatisch duidelijk dat bij 50 + 90, het antwoord 140 bestaat uit eenheden (0), tientallen (4) en honderdtallen (1). • Vervolgens worden de tussenantwoorden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 140 + 9 = 749.En tenslotte met meerdere overschrijdingen: Tussenstappen: 4 5 7 + 2 9 6 = 7 5 3 • De getallen worden ge4 5 7 2 9 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 5 0 + 9 0 = 1 4 0 plussommen genoteerd. 1 3 7 + 6 = 7 5 3 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. De tussenantwoorden worden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 140 + 13 = 753.
STRATEGIEËN Kolomsgewijs optellen Kolomsgewijs optellen gebruik je bij het optellen van grotere getallen. De getallen worden eerst gesplitst en daarna bij elkaar opgeteld: eerst de honderdtallen, daarna de tientallen en dan de eenheden. De antwoorden van deze splitsingen worden vervolgens hoofdrekenend bij elkaar opgeteld. Bij kolomsgewijs optellen houd je rekening met de positie waarde van een getal. Daarmee is het een vervolg op splitsend optellen, waarmee de leerlingen bekend zijn. Tussenstappen: 4 2 3 + 2 1 6 = 6 3 9 • De getallen worden ge4 2 3 2 1 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 2 0 + 1 0 = 3 0 plussommen genoteerd. 9 3 + 6 = 6 3 9 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan, maar worden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 30 + 9 = 639. Eerst wordt het kolomsgewijs optellen zonder overschrijdingen aangeleerd, zie het voorbeeld hierboven. Vervolgens leren de leerlingen optellen met overschrijding bij de eenheden: Tussenstappen: 4 2 7 + 2 1 6 = 6 4 3 • De getallen worden ge4 2 7 2 1 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 2 0 + 1 0 = 3 0 plussommen genoteerd. 1 3 7 + 6 = 6 4 3 • De tussenantwoorden
Kolomsgewijs aftrekken Kolomsgewijs aftrekken gebruik je bij het aftrekken van grotere getallen. De getallen worden eerst gesplitst en daarna als minsommen uitgerekend: eerst de honderdtallen, daarna de tientallen en dan de eenheden. De antwoorden van deze splitsingen worden vervolgens hoofdrekenend bij elkaar opgeteld. Bij kolomsgewijs aftrekken houd je rekening met de positiewaarde van een getal. Daarmee is het een vervolg op splitsend rekenen, waarmee de leerlingen bekend zijn. Tussenstappen: 7 5 8 – 2 7 6 = 4 8 2 • De getallen worden ge7 5 8 2 7 6 + splitst en als afzonderlijke 7 0 0 – 2 0 0 = 5 0 0 5 0 – 7 0 = 2 0 tekort minsommen genoteerd. 2 8 – 6 = 4 8 2 Daardoor wordt duidelijk dat bij 50 – 70 een tekort van 20 is. • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. Bij de tientallen wordt 20 tekort opgeschreven. • De tussenantwoorden worden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld, maar het tekort van 20 bij de tientallen wordt afgetrokken. De som wordt: 500 – 20 + 2 = 482.
5
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 5
24/07/20 12:54
Blok 4 | Les 3 LESDOEL De leerling leert rekenen met schaal.
Instructie: • schaallijn gebruiken; • schaal in de vorm van bijvoorbeeld 1 : 100 gebruiken; • rekenen met schaal (meters en kilometers).
Vervolg op: • rekenen met schaal bij omtrek en oppervlakte.
OVER DE OPGAVEN Opgave 2 Basis: De leerlingen meten de afstanden op de plattegronden en gebruiken de schaalijnen om de werkelijke afstanden uit te rekenen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
BASIS
Blz. 6 - 7
Opgave 3 Basis: De leerlingen gebruiken de schaallijnen om de werkelijke afstanden uit te rekenen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 4 Basis: De leerlingen rekenen uit hoe groot de voorwerpen op papier zijn en tekenen ze in hun werkschrift. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 5 Basis: De leerlingen gebruiken de schaallijn en de plattegrond om de vragen te beantwoorden. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met soms andere vragen.
PLUS
Blz. 6 - 7
MAAT
Blz. 6 - 7
Opgave 6 | signaalopgave Basis: De leerlingen tekenen de schaallijnen en schrijven de bijbehorende schaal op. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
6
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 6
24/07/20 12:54
Materiaal: • liniaal (per leerling).
LET OP: deze les bevat een signaalopgave. Signaalopgaven zitten in elke eerste en derde les. Deze opgave is een opgave van een opvolgend niveau. De opgaven zijn te herkennen aan het vuurtorensymbool. Dit betekent dat de maatleerlingen een basis-
LES 3 INSTRUCTIE De leerling leert rekenen met schaal. • Bespreek kort het lesdoel met de leerlingen. • Bekijk opgave 3 uit les 13 op het digibord met de leerlingen. • Laat hen vertellen wat zij nog weten over het rekenen met schaal. Bespreek de schaallijn en het verschil tussen de afstand op papier en in het echt. • Bekijk samen met de leerlingen de afbeeldingen op het digibord. • Laat de leerlingen vertellen wat het verschil is tussen de schaallijnen bij de plattegronden. • Vertel dat wanneer je inzoomt bij een plattegrond het aantal meters of kilometers bij de schaallijn kleiner wordt, omdat het dichterbij is en wanneer je uitzoomt bij een plattegrond het aantal meters of kilometers bij de schaallijn groter wordt, omdat het verder weg is. • Start op het Internet Google Maps op en laat zien hoe de schaallijn verandert bij in- en uitzoomen. • Bekijk met de leerlingen de afbeelding op het bord. • Meet met een liniaal op hoe lang de schaallijn op het bord is. • Bespreek wat de schaallijn betekent (4 cm op de kaart is 20 kilometer in het echt). • Meet op het bord de afstand tussen Boxtel en Erp (6 cm). • Laat de leerlingen uitrekenen hoeveel kilometer dit in het echt is (30 km). • Bespreek na en besteed aandacht aan de manier van uitrekenen. • Bekijk met de leerlingen de afbeelding op het bord. • Vraag hen wat 1 : 50 000 betekent. Leg kort uit dat 50 000 staat voor 50.000. In plaats van de punt staat er een spatie. • Leg uit dat dit ook een manier is om schaal aan te duiden: 1 stukje op de kaart is in het echt 50.000 van deze stukjes. (1 cm op de kaart is in het echt 50.000 cm, bijvoorbeeld).
opgave maken, de basisleerlingen en plusleerlingen maken een plusopgave.
BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! • Laat de leerlingen opgave 1 maken door de afstanden op te meten met een liniaal en met de schaallijn uit te rekenen hoe lang deze afstanden in het echt zijn. • Bespreek na en laat de leerlingen vertellen hoe ze de afstanden hebben berekend. • Vraag hen wat de schaal is (2 cm is in het echt 200 m) en laat hen vertellen of ze de berekening makkelijk of moeilijk vonden.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Gebruik opgave 2 en bespreek de schaallijn • Laat zoveel mogelijk de leerlingen verwoorden hoe ze rekenen en ondersteun met uitleg waar nodig. De schaallijn is 2 cm en geeft 20 km aan. Dat betekent dat 1 centimeter in het boek 10 km in het echt is.
EXTRA INSTRUCTIE | PLUS • Bekijk de afbeeldingen op het digibord.
REFLECTIE • Bespreek opgave 7 na. Laat een paar leerlingen vertellen hoe ze de afstand in het echt hebben bepaald, welke schaallijn ze hebben gebruikt en welke maten ze daarbij hebben gekozen.
7
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 7
24/07/20 12:54
Blok 4 | Les 4 LESDOEL De leerling leert rekenen met schaal.
Automatiseren & memoriseren: • Splitsend vermenigvuldigen met de tafels van 12 tot en met 19.
Herhalen: • rekenen met kommagetallen met 1 decimaal; • splitsend delen.
OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN Opgave 2 Basis: De leerlingen kleuren de vakken met plus- en minsommen. Het antwoord bepaalt de kleur. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 3 Basis: De leerlingen rekenen de plus- en minsommen uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met minder sommen en afbeeldingen van getallenlijnen ter ondersteuning. BASIS
Blz. 8-9 Opgave 4 Basis: De leerlingen rekenen de deelsommen splitsend uit. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen schrijven geen splitsingen op. Maat: Gelijk aan Basis, de splitsingen zijn gedeeltelijk al gegeven.
PLUS
Blz. 8-9
MAAT
Blz. 8-9
8
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 8
24/07/20 12:54
Verwerken: • rekenen met schaal (meters en kilometers).
Materiaal: klimkaart Schaalkaart (per leerling).
OVER DE OPGAVEN | VERWERKING
LES 4
Opgave 5 Basis: De leerlingen gebruiken de plattegronden en schaallijnen om de werkelijke afstanden te berekenen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
AUTOMATISEREN & MEMORISEREN
Opgave 6 Basis: De leerlingen tekenen de schaallijnen bij de afbeeldingen en schrijven de schaal op. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES
Opgave 7 Basis: De leerlingen rekenen de hoogtes van de voorwerpen op papier uit en tekenen de voorwerpen in het werkschrift. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.
OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.
De leerling leert rekenen met schaal. • Bespreek kort het lesdoel van de vorige les. • Bespreek kort het gebruik van de schaallijn. • Laat de leerlingen vertellen hoe je rekent met schaal. Bekijk het lesdoel uit de vorige les.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
REFLECTIE Opgave 8 Basis: De leerlingen vullen in wat de afstanden in werkelijkheid of op papier zijn. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen vullen soms de getallen op andere plekken in. Maat: Gelijk aan Basis, de leerlingen vullen alleen de werkelijke afstanden in.
• Laat de leerlingen de Schaalkaart invullen. • Bespreek na en vraag de leerlingen wat al goed gaat en waar ze nog hulp bij nodig hebben. Over de klimkaart ‘schaalkaart’: • Doelgroep: groep 4-8. • Bedoeling van de kaart: leerlingen schalen hun eigen kunnen in en denken op een andere manier na over hun volgende stap. • Hoe werkt de kaart?: - Benoem het lesdoel of een onderwerp waarvoor leerlingen een kaart invullen. Leerlingen vullen zelfstandig de kaart in. Dat duurt 2 minuten. - De leerlingen vragen elkaar in tweetallen wat nodig is om 1 punt te stijgen. - Sluit de activiteit af door enkele tweetallen te vragen wat zij bespraken. • Wanneer gebruik je de kaart?: leerlingen vullen zelfstandig of in tweetallen de kaart in na afloop van een les of blok.
9
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 9
24/07/20 12:54
Blok 4 | Les 5 LESDOELEN • De leerling oefent kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 10.000. • De leerling leert rekenen met schaal.
Handig rekenen: • relatie tussen delen en vermenigvuldigen.
Nu even anders: • tekenen op schaal.
OVER DE OPGAVEN Opgave 2 De leerlingen tekenen het raam op schaal in hun werkschrift. Daarna tekenen ze de muis op schaal op een groot blad of op het schoolplein.
OVER DE OPGAVEN | EXTRA OEFENEN
BASIS
Blz. 10-11
Opgave 1 Basis: De leerlingen rekenen de plus- en minsommen uit op het printblad. Plus: De leerlingen bedenken zelf 2 plus- en minsommen met per som 2 overschrijdingen of tekorten en rekenen de antwoorden uit. Maat: Gelijk aan Basis, met minder sommen en de leerlingen rekenen ook 2 sommen kolomsgewijs in het werkschrift uit. Opgave 2 Basis: De leerlingen rekenen op het printblad de plus- en minsommen uit die bij de contexten horen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.
PLUS
Blz. 10-11
Opgave 3 Basis: De leerlingen gebruiken de plattegrond en de schaallijn om vragen te beantwoorden over de werkelijke afstanden. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 4 Basis: De leerlingen tekenen de schaallijnen bij de afbeeldingen en vullen de schaal in. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.
MAAT
Blz. 10-11
10
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 10
24/07/20 12:54
Vervolg op: • rekenen met schaal.
Afronden weektaken
LES 5 HANDIG REKENEN INSTRUCTIE • Bekijk met de leerlingen de afbeelding op het bord. • Vertel dat je 72 koekjes verdeelt over 6 zakjes. Laat de leerlingen uitrekenen hoeveel koekjes in elk zakje gaan en schrijf het antwoord (12) in de 6 vakjes onder het getal 72. • Bespreek daarna de relatie van deze deelsom met de keersom 6 x 12 = 72. Leg uit dat je keersommen kunt gebruiken bij het uitrekenen van deelsommen. • Laat de leerlingen opgave 1 maken door de getallen over de vakjes te verdelen en de bijbehorende deel- en keersommen op te schrijven.
NU EVEN ANDERS • Laat de leerlingen in tweetallen het raam van de klas in hun werkschrift tekenen volgens de aangegeven schaal (verkleining). • Laat hen ook op een groot blad of het schoolplein de muis uit het werkschrift tekenen volgens de aangegeven schaal (vergroting).
AFRONDEN WEEKTAKEN
STRATEGIEËN Delen met behulp van vermenigvuldigen In Alles telt Q wordt delen met behulp van vermenigvuldigen aangeboden. De tafels zijn een hulpmiddel om de deeltafels te doorzien. Bij de som 42 : 6 = wordt bijvoorbeeld gevraagd naar de keersom die leerlingen hierin herkennen, namelijk 6 x 7 = 42.
11
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 11
24/07/20 12:55
Blok 4 | Les 6 LESDOEL De leerling leert over kommagetallen als 0,01.
Instructie: • volgorde in de getallenrij van kommagetallen met 2 decimalen; • kommagetallen met 2 decimalen plaatsen op de getallenlijn; • optellen en aftrekken met kommagetallen met 2 decimalen.
Vervolg op: • kommagetallen in de context van geld; • kommagetallen met 1 decimaal.
OVER DE OPGAVEN Opgave 2 Basis: De leerlingen schrijven de getallen op die bij de plekken op de getallenlijnen horen en de leerlingen verbinden de getallen met de juiste plekken op de getallenlijnen. Plus en Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 3 Basis: De leerlingen rekenen de plus- en minsommen uit. Plus: Gelijk aan Basis, zonder afbeelding van de getallenlijn als hulp. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen. BASIS
Blz. 12 - 13 Opgave 4 Basis en Maat: De leerlingen verbinden steeds 2 getallen die samen 0,75 zijn. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen. Opgave 5 Basis: De leerlingen kleuren de vakken met sommen. De antwoorden bepalen de kleuren. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen. Maat: Gelijk aan Basis.
PLUS
Blz. 12 - 13
Opgave 6 Basis: De leerlingen zetten de getallen op volgorde van klein naar groot. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met minder en andere getallen en minder opdrachten. Opgave 7 Basis: De leerlingen rekenen de plus- en minsommen uit. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen en soms overschrijding van een hele. Maat: De leerlingen vullen de getallen in die passen bij de plekken op de getallenlijnen.
MAAT
Blz. 12 - 13
Opgave 8 | signaalopgave Basis: De leerlingen bedenken een plus- en minsom bij de gegeven antwoorden. Plus en Maat: Gelijk aan Basis.
12
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 12
24/07/20 12:55
Didactische aandachtspunten: • De getallenlijn wordt gebruikt als ondersteuning.
• Let op het uitspreken van de getallen. Besteed aandacht aan het verschil tussen 0,5 en 0,5 als dat nodig is.
BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! LET OP: deze les bevat een signaal opgave.
LES 6
• Laat de leerlingen de plus- en minsommen van opgave 1 maken. • Bespreek na en gebruik de getallenlijn om de stappen te laten zien. Besteed aandacht aan het uitspreken van de getallen en aan het verschil tussen 0,04 en 0,4 als dat nodig is.
INSTRUCTIE
VERWERKING
De leerling leert over kommagetallen als 0,01. • Bespreek kort het lesdoel. • Bekijk de getallenlijn op het bord samen met de leerlingen en herinner de leerlingen aan de les van de week ervoor waar werd gerekend met kommagetallen zoals 0,1 (één tiende). • Laat 1 van de leerlingen op het bord opschrijven waar op de getallenlijn het getal 0,1 ligt. • Bekijk met de leerlingen de afbeeldingen op het digibord en herhaal nog een keer dat de leerlingen eerder al gerekend hebben met 0,1 (één tiende). • Schrijf het getal 0,01 op het bord en laat de leerlingen nadenken hoe dit getal heet, als 0,1 één tiende is. • Vertel dat 0,01 gelijk is aan één honderdste, dat 0,01 tien keer kleiner is dan 0,1 en dat de getallenlijn van 0 tot 1 is onderverdeeld in 100 stukjes van 0,01. • Leg de link tussen het getal 0,01 met geld, waar het rekenen met 2 cijfers achter de komma al bekend is. Vertel dat in 1 euro 100 cent zitten en dat je dit schrijft als € 0,01. • Schrijf de breuk boven het getal 0,01 en vertel dat je één honderdste deel ook als breuk kunt schrijven. • Maak het kaartje met het getal 0,01 vast aan de getallenlijn. • Laat de leerlingen de getallen op de getallenkaartjes uitspreken (één honderdste, zeven honderdste, vierendertig honderdste en één twaalf honderdste) en alle getallen behalve 1,12 op de juiste plekken vastmaken aan de getallenlijn. • Wijs 0,3 aan op de getallenlijn en laat de leerlingen voor zichzelf bedenken welk getal je aanwijst. Leg uit dat dit getal zowel als 0,3 en als 0,30 kan worden opgeschreven. • Laat de leerlingen het verschil uitleggen tussen 0,03 en 0,30 uitleggen. Het kan helpen om hen de getallen hardop te laten uitspreken. • Besteed aandacht aan het getal 1,12. Laat de leerlingen uitleggen hoe je dit getal kunt plaatsen op de getalenlijn (van 1,1 doortellen tot 1,12). • Schrijf de getallen die aan de getallenlijn zijn vastgemaakt in het schema op het bord. • Laat de leerlingen de sommen op het bord uitrekenen. • Bespreek na en gebruik de getallenlijn om de stappen te laten zien.
Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Besteed aandacht aan positioneren met behulp van de getallenlijn. • Herhaal de structuur van tienden en honderdsten uit met de getallenlijn van de 1e opdracht. • Maak samen opgave 2. Laat de leerlingen de getallen uitspreken en help hen om hardop vertellen hoe ze de juiste getallen en plekken op de getallenlijn kunnen vinden.
REFLECTIE • Bespreek opgave 8. Laat de leerlingen vertellen hoe ze hebben gedacht en gerekend. • Vraag of leerlingen hebben gerekend met een getallenlijn, of ze uitrekenpapier hebben gebruikt of dat ze alles uit het hoofd hebben uitgerekend. STRATEGIEËN Positioneren van getallen (op de getallenlijn) Getallen ten opzichte van andere getallen. De positiewaarde van een getal geeft aan welke waarde het heeft op een bepaalde plaats in het getal. De 4 in 24 is 4 waard, maar de 4 in 42 is 40 waard. Getallen hebben een bepaalde volgorde en opbouw. Het gaat over minder en meer, buurgetallen en de relatie die getallen ten opzichte van elkaar hebben. Hoe weet je dat 75 hoger is dan 59? En de 9 is toch hoger dan de 7 of 5? De positiewaarde van getallen wordt o.a. aangeboden met DHTE-model als ondersteuning en door het op volgorde zetten van getallen met dezelfde cijfers. Modellen daarbij zijn: • getallenlijn; • kralensnoer; • MAB-materiaal.
13
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 13
24/07/20 12:55
Blok 4 | Les 7 LESDOEL De leerling leert over kommagetallen als 0,01.
Automatiseren & memoriseren: • splitsend delen.
Herhalen: • grafieken aflezen en interpreteren; • rekenen met kommagetallen met 1 decimaal.
OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN Opgave 2 Basis: De leerlingen beantwoorden de vragen door de grafiek af te lezen. Plus en Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 3 Basis: De leerlingen rekenen de plus- en minsommen uit. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen kiezen ook de vergelijkingstekens die de vergelijkingen kloppend maken. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen. BASIS
Blz. 14-15
Opgave 4 Basis: De leerlingen verbinden telkens 3 getallen die samen 4 zijn. Plus en Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.
OVER DE OPGAVEN | VERWERKING Opgave 5 Basis en Plus: De leerlingen verbinden de getallen met de juiste plekken op de getallenlijnen. Maat: Gelijk aan Basis, de leerlingen vullen ook getallen in die bij de plekken op de getallenlijnen passen.
PLUS
Blz. 14-15
Opgave 6 Basis: De leerlingen vullen de rekentekens in die de sommen kloppend maken. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen. Maat: Gelijk aan Basis, de leerlingen vullen soms 1 rekenteken in. Opgave 7 Basis: De leerlingen kleuren een route door het doolhof waarbij de opeenvolgende getallen steeds 0,05 groter zijn. Plus en Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 8 Basis en Plus: De leerlingen vullen de rekendriehoeken verder in. Maat: De leerlingen vullen de plustabellen in.
MAAT
Blz. 14-15
Opgave 9 Basis, Plus en Maat: De leerlingen kruisen aan hoe goed ze kommagetallen als 0,01 begrijpen.
14
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 14
24/07/20 12:55
Verwerken: • volgorde in de getallenrij van kommagetallen met 2 decimalen; • kommagetallen met 2 decimalen plaatsen op de getallenlijn; • optellen en aftrekken met kommagetallen met 2 decimalen.
LES 7
STRATEGIEËN
AUTOMATISEREN & MEMORISEREN
Positioneren van getallen (op de getallenlijn) Getallen ten opzichte van andere getallen. De positiewaarde van een getal geeft aan welke waarde het heeft op een bepaalde plaats in het getal. De 4 in 24 is 4 waard, maar de 4 in 42 is 40 waard. Getallen hebben een bepaalde volgorde en opbouw. Het gaat over minder en meer, buurgetallen en de relatie die getallen ten opzichte van elkaar hebben. Hoe weet je dat 75 hoger is dan 59? En de 9 is toch hoger dan de 7 of 5? De positiewaarde van getallen wordt o.a. aangeboden met DHTE-model als ondersteuning en door het op volgorde zetten van getallen met dezelfde cijfers. Modellen daarbij zijn: • getallenlijn; • kralensnoer; • MAB-materiaal.
De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.
OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.
TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES De leerling leert over kommagetallen als 0,01. • Bespreek kort het doel van de vorige les. • Herhaal met de afbeelding van de vorige les hoe honderdsten passen in de structuur van getallen. • Laat de leerlingen vertellen wat de verschillen en overeenkomsten zijn tussen de getallen 0,3, 0,30 en 0,03. Bekijk het lesdoel uit de vorige les.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
REFLECTIE • Laat de leerlingen vertellen wat ze hebben ingevuld, wat ze al goed weten over 0,01 en wat ze nog moeilijk vinden. • Vraag hen wat hen helpt om honderdsten te begrijpen.
15
ATQ_9789006639445_HL GR6B4.indd 15
24/07/20 12:55
BLOK 4 handleiding
ATQ_9789006639445_HL OMSLAG GR6B4.indd All Pages Untitled-1 3
2/11/2020 08:59