BLOK 6 Untitled-1 1
groep 5
handleiding
16/11/2020 1/07/20 15:31 08:47
Untitled-1 2
16/11/2020 08:47
groep 5
handleiding
BLOK 6
© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 3 HL G5B6.indd 1
16/11/2020 1/07/20 15:25 08:47
Blok 6 | Les 1 LESDOEL
Instructie: • schattend vermenigvuldigen en schattend delen; • introductie van het ≈ teken als vergelijkingsteken voor ‘ongeveer’.
De leerling leert schattend vermenigvuldigen en delen.
BLOK 6
LES 1
BLOK 6
lesdoel Ik leer schattend vermenigvuldigen en delen.
1
5 Nu jij! a 9 × 32 ≈ 270
LES 1
BLOK 6 5
6 × 79 ≈ 480
8 × 53 ≈ 400
4 × 88 ≈ 360
635 : 7 ≈ 90
482 : 6 ≈ 80
323 : 8 ≈ 40
273 : 3 ≈ 90
6 × 79 ≈ 480
8 × 53 ≈ 400
4 × 88 ≈ 360
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
162 : 4 ≈ 40
269 : 3 ≈ 90
248 : 5 ≈ 50
239 : 6 ≈ 40
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
162 : 4
6 × 80
8 × 50
4 × 90
809 : 9 ≈ 90
561 : 8 ≈ 70
492 : 7 ≈ 70
633 : 7 ≈ 90
9 × 30
6 × 80
8 × 50
4 × 90
809 : 9 ≈ 90
561 : 8 ≈ 70
321 : 8 ≈ 40
353 : 7 ≈ 50
185 : 3 ≈ 60
399 : 5 ≈ 80
321 : 8
353 : 7
185 : 3 ≈ 60
b 252 : 5 ≈ 50
= 400
= 360
448 : 9 ≈ 50
212 : 3 ≈ 70
359 : 4 ≈ 90
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
250
450
210
360
: 5 = 50
: 9 = 50
: 3 = 70
Kleur de sommen met ongeveer hetzelfde antwoord.
2 Schrijf de som en schat het antwoord. entree dierentuin € 28
dagkaart pretpark € 61
entree museum € 19
entree theater € 32
Ik kom met 6 personen:
Ik kom met 7 personen:
Ik kom met 5 personen:
8 × € 28
6 × € 61
7 × € 19
5 × € 32
≈ € 240
≈ € 360
≈ € 140
6 × 62
7 × 82
31 × 2
3 × 19
9 × 38
8 × 41
3 × 21
2 × 19
422 : 7
239 : 6
352 : 7
6 x 59
8 × 69
361 : 6
4 × 89
323 : 8
445 : 9
198 : 4
282 : 7
8 × 39
4 × 82
182 : 3
21 × 2
8 × 72
3 Schat het antwoord.
2 × € 48
≈ € 100
5 × 79 ≈ 400
4 × 48 ≈ 200
6 × 29 ≈ 180
4 × 79 ≈ 320
1 × € 49 ≈ € 50
1 × € 19
≈ € 20
7 × 41 ≈ 280
8 × 32 ≈ 240
8 × 61 ≈ 480
6 × 62 ≈ 360
totaalbedrag ≈ € 230
totaalbedrag ≈ € 120
9 × 48 ≈ 450
3 × 89 ≈ 270
9 × 38 ≈ 360
7 × 88 ≈ 630
3 × 62 ≈ 180
6 × 51 ≈ 300
4 × 72 ≈ 280
3 × € 61 ≈ € 180
SCHOENPALEIS 2 x sneakers €48 € 19 1 x schoenpoets TOTAAL
2 × 71 ≈ 140
ZWEMPARADIJS 3 x entree € 21 € 12 3 x lunch TOTAAL
4 Schrijf de som en schat het antwoord.
449
562
pingpongballen 236 stuks
≈ € 60
1 × € 79
≈ € 80
≈ € 30
8 × € 13
≈ € 80
9 stuks
6 stuks
Hoeveel verpakkingen?
Hoeveel verpakkingen?
236
449
: 9 ≈ 50
Hoeveel verpakkingen?
Hoeveel verpakkingen?
562
318
: 7 ≈ 80
4
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 2
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
250
450
210
360
: 5 = 50
: 9 = 50
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 3
Blz. 2-3
: 3 = 70
dagkaart pretpark € 61
Ik kom met 5 personen:
7 × € 19
5 × € 32
≈ € 120
4 × 88 ≈ 360
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
9 × 30
6 × 80
8 × 50
4 × 90
≈ 50
31 × 2
3 × 19
9 × 38
8 × 41
2 × 19
422 : 7
239 : 6
352 : 7
6 × 59
8 × 69
361 : 6
4 × 89
323 : 8
445 : 9
198 : 4
282 : 7
8 × 39
4 × 82
182 : 3
21 × 2
8 × 72
2 × € 48
≈ € 100
4 × 79 ≈ 320
1 × € 49 ≈ € 50
1 × € 19
≈ € 20
6
totaalbedrag ≈ € 230
totaalbedrag ≈ € 120
6
3
9 × 38 ≈ 360
× 48 ≈ 300
4
× 89 ≈ 270
× 72 ≈ 280
× 61 ≈ 480
2
3 × € 61 ≈ € 180
SCHOENPALEIS 2 x sneakers €48 € 19 1 x schoenpoets TOTAAL
6 × 29 ≈ 180
× 48 ≈ 200
× 71 ≈ 140
× 62 ≈ 360
7 × 88 ≈ 630
ZWEMPARADIJS 3 x entree € 21 € 12 3 x lunch TOTAAL
449
totaalbedrag ≈ € 360
562
pingpongballen 236 stuks
9 stuks
6 stuks
≈ € 60
1 × € 79
≈ € 80
≈ € 30
8 × € 13
≈ € 80
4
truien Hoeveel verpakkingen?
236
449
: 6 ≈ 40
3 × € 21
: 9 ≈ 50
Hoeveel verpakkingen?
Hoeveel verpakkingen?
562
318
: 7 ≈ 80
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 2
PLUS
Opgave 2 Basis: De leerlingen schrijven de keersommen op die bij de contexten horen en schatten de antwoorden. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 3 Basis: De leerlingen schatten de antwoorden van de keersommen. Plus: Zelfde soort opdrachten als Basis, de leerlingen vullen soms getallen op andere plekken in. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 4 Basis: De leerlingen schatten de antwoorden van de deelsommen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 5 Basis: De leerlingen schatten de antwoorden van de deelsommen. Plus: Zelfde soort opdrachten als Basis, de leerlingen vullen soms getallen op andere plekken in Maat: Gelijk aan Basis.
359 : 4 ≈ 90
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
Ik schat met de som:
250
450
210
360
: 5 = 50
entree dierentuin € 28
2 × € 42
≈ € 80
2 × € 32
≈ € 60
: 9 = 50
: 3 = 70
482 : 6 ≈ 80
323 : 8 ≈ 40
273 : 3 ≈ 90
269 : 3 ≈ 90
248 : 5 ≈ 50
239 : 6 ≈ 40
809 : 9 ≈ 90
561 : 8 ≈ 70
492 : 7 ≈ 70
633 : 7 ≈ 90
321 : 8 ≈ 40
353 : 7 ≈ 50
185 : 3 ≈ 60
399 : 5 ≈ 80
Kleur de sommen met ongeveer hetzelfde antwoord.
: 4 = 90
4 × € 33
≈ € 120
8 × € 28
≈ € 240
dagkaart pretpark € 61
entree museum € 19
entree theater € 32
Ik kom met 8 personen:
Ik kom met 6 personen:
Ik kom met 7 personen:
Ik kom met 5 personen:
8 × € 28
6 × € 61
7 × € 19
5 × € 32
≈ € 240
≈ € 360
≈ € 140
7 × 82
31 × 2
3 × 19
9 × 38
8 × 41
3 × 21
2 × 19
422 : 7
239 : 6
352 : 7
6 × 59
8 × 69
361 : 6
4 × 89
323 : 8
445 : 9
198 : 4
282 : 7
8 × 39
4 × 82
182 : 3
21 × 2
8 × 72
7 Schrijf de som en schat.
≈ € 150
MEDIAWERELD 3 x computerspel € 61 €49 1 x controller set TOTAAL
Schat het antwoord.
2 × € 48
≈ € 100
4 × 48 ≈ 200
6 × 29 ≈ 180
4 × 79 ≈ 320
1 × € 49 ≈ € 50
1 × € 19
≈ € 20
8 × 32 ≈ 240
8 × 61 ≈ 480
6 × 62 ≈ 360
totaalbedrag ≈ € 230
totaalbedrag ≈ € 120
9 × 48 ≈ 450
3 × 89 ≈ 270
9 × 38 ≈ 360
7 × 88 ≈ 630
6 × 51 ≈ 300
4 × 72 ≈ 280
3 × € 61 ≈ € 180
2 × 71 ≈ 140
ZWEMPARADIJS 3 x entree € 21 € 12 3 x lunch TOTAAL
Schrijf de som en schat het antwoord.
449
totaalbedrag ≈ € 360
562
pingpongballen 236 stuks
3 × € 21
≈ € 60
1 × € 79
≈ € 80
≈ € 30
8 × € 13
≈ € 80
9 stuks
6 stuks
Hoeveel verpakkingen?
Hoeveel verpakkingen?
236
449
: 9 ≈ 50
Hoeveel verpakkingen?
Hoeveel verpakkingen?
562
318
: 7 ≈ 80
4
4 × € 33
≈ € 120
8 × € 28
≈ € 240
totaalbedrag ≈ € 360
Meerdere antwoorden mogelijk.
Loes betaalde ≈ € 90. Een trui kost € 28. Hoeveel truien heeft Loes gekocht?
3
personen
Schrijf op hoe je hebt gerekend:
≈ € 60
truien
Schrijf op hoe je hebt gerekend:
: 8 ≈ 40
3
2 9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 2
MAAT
totaalbedrag ≈ € 160
Reken uit. Peter betaalde ≈ € 120. 1 kaartje kost € 29. Voor hoeveel personen heeft Peter betaald?
≈ € 80
2 × € 32
SAFARIPARK 4 x volwassenen € 33 €28 8 x kinderen TOTAAL
8 8
7
: 6 ≈ 40
KLIMPARK 2 x volwassenen €42 € 32 2 x kinderen TOTAAL
2 × € 42
totaalbedrag ≈ € 140
SPEELGOEDZO 1 x poppenhuis € 79 € 13 8 x meubeltjes TOTAAL
3 × € 12
totaalbedrag ≈ € 90
318
pingpongballen
truien
09/04/2020 17:17
SCHOENPALEIS 2 x sneakers €48 € 19 1 x schoenpoets TOTAAL
5 × 79 ≈ 400
4
Schrijf op hoe je hebt gerekend:
6 × 62
7 × 41 ≈ 280
3 × 62 ≈ 180
Meerdere antwoorden mogelijk.
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 3
635 : 7 ≈ 90 162 : 4 ≈ 40
6
3
Blz. 2-3
OVER DE OPGAVEN
212 : 3 ≈ 70
3 09/04/2020 17:17
= 360
448 : 9 ≈ 50
Loes betaalde ≈ € 90. Een trui kost € 28. Hoeveel truien heeft Loes gekocht?
3
personen
Schrijf op hoe je hebt gerekend:
= 400
Schrijf de som en schat het antwoord.
: 8 ≈ 40
2
= 480
2
SAFARIPARK 4 x volwassenen € 33 €28 8 x kinderen TOTAAL
totaalbedrag ≈ € 160
Reken uit. Peter betaalde ≈ € 120. 1 kaartje kost € 29. Voor hoeveel personen heeft Peter betaald?
= 270
b 252 : 5 ≈ 50
totaalbedrag ≈ € 140
8 8
7
Hoeveel verpakkingen?
≈ 90
KLIMPARK 2 x volwassenen €42 € 32 2 x kinderen TOTAAL
SPEELGOEDZO 1 x poppenhuis € 79 € 13 8 x meubeltjes TOTAAL
3 × € 12
totaalbedrag ≈ € 90
318
pingpongballen
Meerdere antwoorden mogelijk.
a 9 × 32 ≈ 270
≈ 90
399 : 5 ≈ 80
7 × 82
8
6 × 51 ≈ 300
≈ 70
3 × 21
8 × 32 ≈ 240
4
273 : 3
≈ 40
6 × 62
MEDIAWERELD 3 x computerspel € 61 €49 1 x controller set TOTAAL
Schrijf de som en schat het antwoord.
04/04/2020 15:46
8 × 53 ≈ 400
Ik schat met de som:
633 : 7
7 × 41 ≈ 280
× 69 ≈ 350
Schat het antwoord. 6 × 79 ≈ 480
239 : 6 ≈ 40
492 : 7
Schrijf de som en schat.
4
Schrijf op hoe je hebt gerekend:
≈ 40
323 : 8
248 : 5 ≈ 50
≈ 90
7
≈ € 150
Vul in. 3 × 62 ≈ 180
≈ € 240
≈ € 140
3
5
4 × € 33
≈ € 360
5
482 : 6 ≈ 80 269 : 3
Kleur de sommen met ongeveer hetzelfde antwoord.
entree theater € 32
Ik kom met 7 personen:
6 × € 61
≈ € 240
≈ € 60
8 × € 28
entree museum € 19
Ik kom met 6 personen:
8 × € 28
≈ 40
6
: 4 = 90
Ik kom met 8 personen:
3 04/04/2020 15:46
BASIS
Ik schat met de som:
Loes betaalde ≈ € 90. Een trui kost € 28. Hoeveel truien heeft Loes gekocht?
3
personen
Schrijf op hoe je hebt gerekend:
Ik schat met de som:
≈ € 80
: 8 ≈ 40
2
359 : 4 ≈ 90
2 × € 32
SAFARIPARK 4 x volwassenen € 33 €28 8 x kinderen TOTAAL
totaalbedrag ≈ € 160
Reken uit. Peter betaalde ≈ € 120. 1 kaartje kost € 29. Voor hoeveel personen heeft Peter betaald?
212 : 3 ≈ 70
2 × € 42
totaalbedrag ≈ € 140
8 8
7
: 6 ≈ 40
3 × € 21 3 × € 12
totaalbedrag ≈ € 90
318
pingpongballen
635 : 7 ≈ 90
= 360
448 : 9 ≈ 50
entree dierentuin € 28
KLIMPARK 2 x volwassenen €42 € 32 2 x kinderen TOTAAL
SPEELGOEDZO 1 x poppenhuis € 79 € 13 8 x meubeltjes TOTAAL
= 400
Schrijf de som en schat het antwoord.
Schrijf de som en schat. MEDIAWERELD 3 x computerspel € 61 €49 1 x controller set TOTAAL
= 480
2
7
≈ € 150
= 270
b 252 : 5 ≈ 50
6
: 4 = 90
Ik kom met 8 personen:
a 9 × 32 ≈ 270
lesdoel Ik leer schattend vermenigvuldigen en delen.
Nu jij!
9 × 30
= 480
LES 1
1 Vul in.
Nu jij!
Ik schat met de som: = 270
LET OP: deze les bevat een signaal opgave.
lesdoel Ik leer schattend vermenigvuldigen en delen.
1 Schat het antwoord.
Vervolg op: • schattend rekenen; • tafels en deeltafels tot en met 10.
09/04/2020 17:12
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 3
09/04/2020 17:12
Blz. 2-3
Opgave 6 Basis: De leerlingen geven de vakken met dezelfde geschatte antwoorden dezelfde kleur. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 7 Basis: De leerlingen schatten de 2 afzonderlijke bedragen bij de contexten en rekenen het totaalbedrag uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 8 | signaalopgave Basis: De leerlingen rekenen de deelsommen uit die bij de contexten horen en leggen hun antwoorden uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
LES 1 INSTRUCTIE De leerling leert schattend vermenigvuldigen en delen. • Bespreek kort het lesdoel met de leerlingen. • Laat de leerlingen de 4 sommen op het bord oplossen. • Bespreek kort na en laat een paar leerlingen vertellen hoe ze de sommen hebben uitgerekend. Vertel de leerlingen dat ze vandaag dit type sommen gaan gebruiken. • Bespreek met de leerlingen wanneer het handig is om een som van tevoren te schatten (wanneer je even snel wilt uitrekenen wat het antwoord ongeveer is).
2
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 4 HL G5B6.indd 2
16/11/2020 1/07/20 15:25 08:47
• Bekijk samen met de leerlingen de afbeelding op het digibord. • Laat de leerlingen uitrekenen wat de som is je gebruikt om het totale bedrag voor 7 personen uit te rekenen. Schrijf de som op het bord. • Leg uit dat het handig is om het bedrag eerst schattend uit te rekenen. Vraag de leerlingen welke som zij zouden maken om het totaalbedrag te schatten (7 x € 40). • Bespreek waarom het niet verstandig is om voor de schatting het bedrag van € 30 te gebruiken (je rekent dan met een te laag bedrag, het schatantwoord verschilt te veel van het precieze antwoord). • Laat de leerlingen het antwoord van het geschatte totaalbedrag uitrekenen en opschrijven. Vraag de leerlingen welke keersom ze hebben gebruikt om het antwoord uit te rekenen. • Schrijf op het bord: 7 x € 39 ≈ € 280. Leg uit dat ≈ het ‘ongeveerteken’ is. Herhaal kort de andere vergelijkings tekens die de leerlingen hebben geleerd: <, > en =. • Vraag de leerlingen wat het geschatte totaalbedrag is voor 9 personen en schrijf de som ‘9 x € 39 ≈’ op het bord. Laat de leerling het antwoord schatten en schrijf het achter de som. • Vertel dat je kunt checken of het geschatte antwoord klopt door het bedrag precies uit te rekenen. Dat doe je alleen als je bijvoorbeeld zeker wilt weten of je echt genoeg geld bij je hebt. • Schrijf de som ‘9 x € 39 =’ op het bord en laat de leerlingen de som uitrekenen. • Bespreek na en vraag hoeveel verschil er tussen de schatting en het precieze antwoord zit.
BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! • Bekijk samen met de leerlingen opgave 1. Besteed aandacht aan het ‘ongeveer’teken en de som die wordt gebruikt om de schatting uit te rekenen. • Laat de leerlingen opgave 1 maken. • Bespreek na en laat een paar leerlingen vertellen hoe zij de antwoorden geschat hebben.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Besteed aandacht aan deelsommen met behulp van een hulpsom. • Herhaal kort het vermenigvuldigen en delen met tientallen en besteed aandacht aan het gebruiken van de hulpsom. • Laat de leerlingen de sommen op het bord uitrekenen en bespreek kort na. Vraag welke hulpsommen de leerlingen hebben gebruikt. • Maak samen met de leerlingen een schatting van de
antwoorden van de sommen. Besteed hierbij aandacht aan het gebruiken van het tiental dat het dichtstbij ligt. • Maak samen met de leerlingen de eerste opdracht van opgave 2. • Maak samen met de leerlingen de eerste opdracht van opgave 4.
REFLECTIE • Bespreek opgave 8 en vraag de leerlingen hoe ze de sommen hebben opgelost. Laat hen vertellen welke afrondingen ze hebben gebruikt om de antwoorden te schatten. • Herhaal kort het lesdoel van de les en vraag de leerlingen om met hun duim te laten zien of ze het lesdoel hebben behaald: duim omhoog: ik snap het helemaal; duim in het midden: ik snap het een beetje; duim omlaag: ik snap het nog niet. STRATEGIEËN Schatten Schatten is bepalen hoeveel het ongeveer is. Bij schatten refereer je aan een getal dat in de buurt ligt van de precieze uitkomst. Je rekent dus niet precies uit, maar gaat ook niet gokken. Schatten gaat over begrip. Bij schatten maak je namelijk gebruik van referentiegetallen; sommen die je kent of referentieopgaven in de context staan centraal. Schatten gaat over kritisch beredeneren en onderbouwen vanuit referentiegetallen. Schatten lijkt een soort intuïtie, zoals een slager die weet hoeveel 100 gram vlees is, of een volwassene die weet dat hij genoeg heeft aan € 100, om zijn boodschappen te betalen. Voor beiden geldt dat zij goed zicht hebben op referentie maten. Bij schatten zijn een aantal invalshoeken belangrijk: 1 Het schattend rekenen als voorwerk bij een bewerking. Dus eerst schatten en daarna precies uitrekenen. 2 Schatten als zelfstandige activiteit, bijvoorbeeld bij het schatten van grote hoeveelheden. Denk aan mensenme nigte of overvliegende spreeuwen. 3 Schatten als onderdeel van het opbouwen van gevoel voor maten bij Meten. Denk daarbij aan schatten van tijds duur, gewicht, lengte enz. Bij deze laatste vorm kan soms de schatting gecontroleerd worden door precies te meten, waardoor het eigenlijk een soort van mengvorm wordt. Schatten speelt een belangrijke rol bij het rekenen met de rekenmachine. Vooraf schat je wat de uitkomst van een som zou kunnen zijn. Met de rekenmachine reken je het antwoord precies uit, maar je moet dit nog wel afronden.
3
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 5 HL G5B6.indd 3
16/11/2020 1/07/20 15:25 08:47
Blok 6 | Les 2 LESDOEL
Automatiseren & memoriseren: • deeltafels tot en met 10.
De leerling leert schattend vermenigvuldigen en delen.
BLOK 6 1
LES 2 5
Schat het antwoord. a 5 × 42 ≈ 200
2 Vul in.
7 × 59 ≈ 420
9 × 38 ≈ 360
Ik schat:
Ik schat:
Ik schat:
5 × 40 = 200
7 × 60
b 629 : 7 ≈ 90
23
cm
230
mm
18
cm
180
mm
12
cm
120
mm
15
cm
150
mm
10
cm
100
mm
7
cm
70
mm
6
Vul in.
7 8000
9000
8250
8070 8130
8390
8570 8550
8480
8310
8690
8780
8910
6000
7000
6060
6150
6250
6920
6790
6380 6660 6510 6580 6340 6440
8
Vul de buurgetallen in. 3698
3699
3545
3546
3547
7560
5497
5498
5499
4868
4869
4870
8426
9240
9241
9242
8999
9000
9001
5788
5789
5790
7739
7740
7741
5598
5599
5600
Ik schat:
630 : 7 = 90
250
640
240
: 5 = 50
1
04/04/2020 15:46
per doos € 42
Je koopt 2 pakken:
Je koopt 4 spellen:
3 × € 42
2 × € 93
4 × € 38
≈ € 140
≈ € 120
564 : 8 ≈ 70
492 : 7 ≈ 70
485 : 6 ≈ 80
649 : 8 ≈ 80
209 : 4 ≈ 50
239 : 4 ≈ 60
269 : 3 ≈ 90
809 : 9 ≈ 90
479 : 6 ≈ 80
565 : 8 ≈ 70
362 : 9 ≈ 40
321 : 8 ≈ 40
299 : 5 ≈ 60
541 : 6 ≈ 90
349 : 7 ≈ 50
Schrijf de som en schat het antwoord.
x7
x6
≈ € 280
≈ € 180
5
230
cm
18
mm
180
cm
mm
6
:8
≈ € 40
3 vrienden verkopen op de kleedjesmarkt samen voor € 61. Hoeveel euro krijgt elke vriend? Dit is de som: 61
:3
≈ € 20
12
cm
120
mm
15
cm
150
mm
10
cm
100
mm
7
cm
70
mm
7 × 59 ≈ 420
9 × 38 ≈ 360
Ik schat:
Ik schat:
5 × 40 = 200
7 × 60
7 9000
8000
8250 8130
8480
8390
8570 8550
8310
8690
8780
8910
6790
6920
6000
7000
6150
6250
6380 6510 6660 6580 6340 6440
8
Vul de buurgetallen in. 3698
3699
3545
3546
3547
7560
6 × 83 ≈ 480 Ik schat:
= 360
6 × 80
= 480
644 : 8 ≈ 80
239 : 6 ≈ 40
Ik schat:
Ik schat:
Ik schat:
Ik schat:
630 : 7 = 90
250
640
240
: 5 = 50
: 8 = 80
: 6 = 40
Schrijf de som en schat het antwoord.
per doos € 42 Je koopt 3 dozen:
Je koopt 2 pakken:
Je koopt 4 spellen:
3 × € 42
≈ € 120
2 × € 93
≈ € 180
4 × € 38
≈ € 160
162 : 4 ≈ 40
564 : 8
≈ 70
492 : 7 ≈ 70
485 : 6
≈ 80
649 : 8
209 : 4 ≈ 50
239 : 4
≈ 60
269 : 3 ≈ 90
809 : 9 ≈ 90
479 : 6
565 : 8 ≈ 70
362 : 9
321 : 8
299 : 5 ≈ 60
541 : 6
349 : 7 ≈ 50
≈ € 140
Vul in.
≈ 80
≈ 40
≈ 80
Een klas met 29 kinderen gaat naar het zwembad. De entree is € 6 per kind. Hoeveel euro betaalt de juf voor alle kinderen?
2581
5497
5498
5499
4868
4869
4870
8425
8426
9240
9241
9242
8999
9000
9001
5788
5789
5790
7739
7740
7741
5598
5599
5600
≈ 90
≈ 40
Schrijf de som en schat het antwoord.
Dit is de som: 42
2580
per spel € 38
7 × € 18
7562
2579
per pak € 93
Je koopt 7 boeken:
7561
8424
Dit is de som: 29
x7
x6
≈ € 280
≈ € 180
De sponsorloop heeft € 321 opgeleverd. Alle 8 groepen van de school mogen nu online boeken kopen. Voor hoeveel euro kan elke groep ongeveer bestellen? Dit is de som: 321
:8
≈ € 40
3 vrienden verkopen op de kleedjesmarkt samen voor € 61. Hoeveel euro krijgt elke vriend? Dit is de som: 61
4
:3
≈ € 20
09/04/2020 17:17
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 5
09/04/2020 17:17
Blz. 4-5
LES 2
Deze opgave maak je digitaal.
5
Schat het antwoord. a 5 × 42 ≈ 200
2 Vul in.
7 × 59 ≈ 420
9 × 38 ≈ 360
Ik schat:
Ik schat:
Ik schat:
5 × 40 = 200
7 × 60
b 629 : 7 ≈ 90
230
18
mm
180
cm
mm
6
12
cm
120
mm
15
cm
150
mm
10
cm
100
mm
7
cm
70
mm
Vul in.
7 8000
9000
8250 8130
8390
8480
8310
8570 8550
8690
8780
8910
7000
6000
6060
6150
6250
6510 6380 6660 6580 6340 6440
6790
6920
8
Vul de buurgetallen in. 3698
3699
3545
3546
3547
7560
5497
5498
5499
4868
4869
4870
8426
9240
9241
9242
8999
9000
9001
5788
5789
5790
7739
7740
7741
5598
5599
5600
Ik schat:
630 : 7 = 90
250
640
240
MAAT
: 5 = 50
: 8 = 80
: 6 = 40
Schrijf de som en schat het antwoord.
per doos € 42
per pak € 93
per spel € 38
Je koopt 7 boeken:
Je koopt 3 dozen:
Je koopt 2 pakken:
Je koopt 4 spellen:
7 × € 18
3 × € 42
2 × € 93
4 × € 38
≈ € 140
≈ € 120
≈ € 180
≈ € 160
Schat het antwoord. 162 : 4 ≈ 40
564 : 8 ≈ 70
492 : 7 ≈ 70
485 : 6 ≈ 80
649 : 8 ≈ 80
209 : 4 ≈ 50
239 : 4 ≈ 60
269 : 3 ≈ 90
809 : 9 ≈ 90
479 : 6 ≈ 80
565 : 8 ≈ 70
362 : 9 ≈ 40
321 : 8 ≈ 40
299 : 5 ≈ 60
541 : 6 ≈ 90
349 : 7 ≈ 50
Schrijf de som en schat het antwoord.
Dit is de som: 29
x7
x6
≈ € 280
≈ € 180
Opgave 7 Basis: De leerlingen schatten de antwoorden van de deelsommen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
De sponsorloop heeft € 321 opgeleverd. Alle 8 groepen van de school mogen nu online boeken kopen. Voor hoeveel euro kan elke groep ongeveer bestellen? Dit is de som: 321
:8
≈ € 40
3 vrienden verkopen op de kleedjesmarkt samen voor € 61. Hoeveel euro krijgt elke vriend? Dit is de som: 61
:3
≈ € 20
5
4 9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 4
= 480
Ik schat:
Een klas met 29 kinderen gaat naar het zwembad. De entree is € 6 per kind. Hoeveel euro betaalt de juf voor alle kinderen?
2581
8425
6 × 80
Ik schat:
Dit is de som: 42
2580
Ik schat:
Ik schat:
7562
2579
6 × 83 ≈ 480
= 360
239 : 6 ≈ 40
7561
8424
9 × 40
644 : 8 ≈ 80
Jesse kookt voor een goed doel. 42 mensen bestellen een maaltijd van € 7. Hoeveel euro is de opbrengst ongeveer?
4
3697
= 420
251 : 5 ≈ 50
per boek € 18
8070
Opgave 6 Basis: De leerlingen schrijven de keersommen op die bij de contexten horen en schatten de antwoorden. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
lesdoel Ik leer schattend vermenigvuldigen en delen.
cm
Opgave 5 Basis: De leerlingen schatten de antwoorden van de keer en deelsommen en schrijven op met welke sommen ze hebben geschat. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
5
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 4
PLUS
9 × 40
251 : 5 ≈ 50
Jesse kookt voor een goed doel. 42 mensen bestellen een maaltijd van € 7. Hoeveel euro is de opbrengst ongeveer?
4
3697
= 420
OVER DE OPGAVEN | VERWERKING
Vul in.
8070
Opgave 4 Basis: De leerlingen vullen de buurgetallen in. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
Schat het antwoord.
Ik schat:
per boek € 18
3
Dit is de som: 321
Opgave 3 Basis: De leerlingen schrijven de getallen op die bij de plekken op de getallenlijnen horen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
04/04/2020 15:47
a 5 × 42 ≈ 200
23
De sponsorloop heeft € 321 opgeleverd. Alle 8 groepen van de school mogen nu online boeken kopen. Voor hoeveel euro kan elke groep ongeveer bestellen?
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 5
b 629 : 7 ≈ 90
1
≈ € 160
Schat het antwoord. 162 : 4 ≈ 40
lesdoel Ik leer schattend vermenigvuldigen en delen.
Deze opgave maak je digitaal.
BLOK 6
≈ € 180
Opgave 2 Basis: De leerlingen schrijven de lengtes op de rolmaten op in cm en mm. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
Blz. 4-5
Vul in.
6060
per spel € 38
Je koopt 3 dozen:
7 × € 18
Dit is de som: 29
2
3
per pak € 93
Je koopt 7 boeken:
LES 2
23
: 6 = 40
5
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 4
BLOK 6
: 8 = 80
Schrijf de som en schat het antwoord.
4
BASIS
= 480
Ik schat:
Een klas met 29 kinderen gaat naar het zwembad. De entree is € 6 per kind. Hoeveel euro betaalt de juf voor alle kinderen?
2581
8425
6 × 80
Ik schat:
Dit is de som: 42
2580
Ik schat:
Ik schat:
7562
2579
6 × 83 ≈ 480
= 360
239 : 6 ≈ 40
7561
8424
9 × 40
644 : 8 ≈ 80
Jesse kookt voor een goed doel. 42 mensen bestellen een maaltijd van € 7. Hoeveel euro is de opbrengst ongeveer?
4
3697
= 420
251 : 5 ≈ 50
per boek € 18
3
OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN
lesdoel Ik leer schattend vermenigvuldigen en delen.
Deze opgave maak je digitaal.
Herhalen: • cm omrekenen in mm en andersom; • getallen plaatsen op de getallenlijn; • volgorde in de getallenrij tot 10.000.
09/04/2020 17:12
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 5
09/04/2020 17:12
Blz. 4-5
4
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 6 HL G5B6.indd 4
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Verwerken: • schattend vermenigvuldigen en schattend delen; • het ≈ teken als vergelijkingsteken voor ‘ongeveer’.
Opgave 8 Basis: De leerlingen schrijven de keer en deelsommen op die bij de contexten horen en schatten de antwoorden. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
LES 2 AUTOMATISEREN & MEMORISEREN De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.
OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.
TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES De leerling leert schattend vermenigvuldigen en delen. • Blik kort terug op de vorige les. • Bespreek kort de stappen bij het schatten: Rond een getal af op een tiental. Gebruik een hulpsom om het de som schattend uit te rekenen. • Oefen deze aanpak kort met de som ‘349 : 5 ≈ (50)'. Bekijk het lesdoel uit de vorige les.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
REFLECTIE • Laat de leerlingen twee contextsommen bedenken die schattend kunnen worden opgelost, een keersom en een deelsom. Laat hen voor inspiratie eventueel bladeren in het werkboek. • Laat de leerlingen door de klas lopen en geef na 1 minuut een kort signaal. • Laat leerlingen die nu dichtbij elkaar staan elkaar een high five geven en elkaars sommen oplossen. • Laat hen elkaar feedback op het antwoord geven. • Geef na 2 minuten weer een signaal waarbij de leerlingen op zoek gaan naar een ander maatje.
• Herhaal deze werkwijze een paar keer. Vraag na afloop aan de leerlingen wie er een bijzondere contextsommen is tegengekomen. Bespreek deze sommen klassikaal. STRATEGIEËN Schatten Schatten is bepalen hoeveel het ongeveer is. Bij schatten refereer je aan een getal dat in de buurt ligt van de precieze uitkomst. Je rekent dus niet precies uit, maar gaat ook niet gokken. Schatten gaat over begrip. Bij schatten maak je namelijk gebruik van referentiegetallen; sommen die je kent of referentieopgaven in de context staan centraal. Schatten gaat over kritisch beredeneren en onderbouwen vanuit referentiegetallen. Schatten lijkt een soort intuïtie, zoals een slager die weet hoeveel 100 gram vlees is, of een volwassene die weet dat hij genoeg heeft aan € 100, om zijn boodschappen te betalen. Voor beiden geldt dat zij goed zicht hebben op referentiematen. Bij schatten zijn een aantal invalshoeken belangrijk: 1 Het schattend rekenen als voorwerk bij een bewerking. Dus eerst schatten en daarna precies uitrekenen. 2 Schatten als zelfstandige activiteit, bijvoorbeeld bij het schatten van grote hoeveelheden. Denk aan mensenme nigte of overvliegende spreeuwen. 3 Schatten als onderdeel van het opbouwen van gevoel voor maten bij Meten. Denk daarbij aan schatten van tijds duur, gewicht, lengte enz. Bij deze laatste vorm kan soms de schatting gecontroleerd worden door precies te meten, waardoor het eigenlijk een soort van mengvorm wordt. Schatten speelt een belangrijke rol bij het rekenen met de rekenmachine. Vooraf schat je wat de uitkomst van een som zou kunnen zijn. Met de rekenmachine reken je het antwoord precies uit, maar je moet dit nog wel afronden.
5
Untitled-1 7 TMH_9789006639407_ATQ HL G5B6.indd 5
16/11/2020 08:47 1/07/20 15:26
Blok 6 | Les 3 LESDOEL
• referentiematen voor de meter (bordliniaal / grote stap), centimeter (de breedte van je nagel) en millimeter (dikte van je nagel); • 1 m = 1000 mm, 1 m = 10 cm en 1 m = 10 dm; • 1 dm = 10 cm, 1 dm = 100 mm;
De leerling rekent met meter, decimeter, centimeter en millimeter. Instructie: • introductie van de decimeter als maatverfijning van de meter;
LES 3
BLOK 6
4
Nu jij!
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
3 dm + 700
mm
20 cm + 80
cm
5 dm + 500
mm
5 dm + 50
cm
40 cm + 6
dm
8 dm + 200
mm
4 dm + 6
dm
90 cm + 100
mm
2 dm + 8
dm
400 mm + 6
dm
cm.
2 dm + 800
mm
55 cm + 45
cm
8 dm + 20
cm
250 mm + 75
cm
De breedte van het kussen is
6 60
4 40
dm, dat is 2
3
4
5
6
7
8
9
10
5 150 cm
150 cm
De lengte van het meisje is
140 130 120 110 100
70 60 50 40
120 110 100
110 11
90 80
cm, dat is
70 60 50 40
20
20
10
10
0
0
3 dm
cm, dat is dm.
6 20 dm = 2
m
m
50 mm = 5
cm
5 m = 50
dm
9 dm = 90
cm
2 dm = 20
cm
6 dm = 60
cm
20 cm = 2
dm
1 dm = 10
cm
5 cm = 50
mm
30 mm = 3
cm
300 cm = 3
m
3 m = 30
dm
cm
600 cm = 6
m
50 dm = 5
m
2 m = 200
m gu
lijm
7 sterk
dm
m
cm
dm
mm
cm
m
mm
dm
m
cm
dm
mm
cm
m
mm
dm
m
cm
dm
cm
40 cm
50 mm
2 dm
15 mm
3 dm
40 cm
15 mm
2 dm
25 cm
6 dm
50 cm
200 mm
8 dm
60 cm
400 mm
50 cm
6 dm
200 mm
60 cm
8 dm
1
dm 10 cm
3
m 30 dm
100
mm
12 m
120
dm
1200
cm
4 dm
40
6m
60
dm
600
cm
4
dm 40 cm
cm
400
mm
cm
2600 mm G
30 dm
O
75 dm
B
800 m
20 dm
A
470 cm
E
6m
D
5600 dm N
90 m
S
500 mm
I
7500 mm G
230 m
T
2300 cm
P
90 dm
6 km
R
40 m
U
980 mm W
De zin is: Goed
gedaan!!!
900 dm
A
6 km
G
A
5600 m
2300 m
D
7200 m
N
2 km
E
8 km
!!!
A
.
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 7
4
3
E
K
4 km
04/04/2020 15:47
lesdoel Ik reken met meter, decimeter, centimeter en millimeter.
Nu jij!
2
mm
4
5
6
7
8
9
10
De breedte van de tafel is
De breedte van het kussen is
6 60
4 40
dm, dat is cm.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
150 cm
150 cm
De lengte van het meisje is
130 120 110
cm.
100 80 70 60 50 40
130 120 110 100
110 11
90
De lengte van de jongen is
140
cm, dat is
90
dm.
60
140 14
80 70 50 40
30
30
20
20
10
10
0
6 m
50 mm = 5
cm
5 m = 50
dm
9 dm = 90
cm
2 dm = 20
cm
6 dm = 60
cm
20 cm = 2
dm
1 dm = 10
cm
5 cm = 50
mm
30 mm = 3
cm
300 cm = 3
m
3 m = 30
dm
cm
600 cm = 6
m
50 dm = 5
m
2 m = 200
mm cm
4 dm +
dm
3 dm
dm.
0
20 dm = 2
m
3 dm +
50 cm +
dm
80 500 20 300 mm + 70 20 cm +
cm
5 dm +
mm
8 dm +
cm
75 6 200 50 mm + 95
cm
100 45 8 400 mm + 6
25 cm
15 mm
250 mm +
cm
40 cm +
dm
8 dm +
mm
cm
90 cm +
mm
55 cm +
cm
2 dm +
dm
40 cm
50 mm
2 dm
50 mm
3 dm
40 cm
15 mm
2 dm
25 cm
400 mm
6 dm
50 cm
200 mm
8 dm
60 cm
400 mm
50 cm
6 dm
200 mm
60 cm
8 dm
Vul in.
1
dm 10 cm
3
m 30 dm
100
mm
12 m
120
dm
1200
cm
4 dm
40
6m
60
dm
600
cm
4
dm 40 cm
cm
400
mm
Kruis de maat aan.
m
gu
lijm
7 sterk
m
dm
cm
mm
m
dm
cm
mm
m
dm
cm
dm
cm
mm
m
dm
cm
mm
m
dm
cm
mm
2600 mm G
cm
30 dm
O
75 dm
B
800 m
20 dm
A
470 cm
E
6m
D
5600 dm N
90 m
S
500 mm
I
7500 mm G
230 m
T
2300 cm
P
90 dm
R
40 m
U
De zin is: Goed
mm
300
gedaan!!!
980 mm W
G
5600 m
A
2300 m
D
7200 m
N
2 km
E
8 km
!!!
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 7
4
Nu jij! De breedte van de tafel is
2
A
6 km
09/04/2020 17:17
3
4
5
6
7
8
9
10
6 60
De breedte van het kussen is
4 40
dm, dat is cm.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
dm, dat is cm.
5 150 cm 140 130 120 110 100 80 70 60 50 40
150 cm
De lengte van het meisje is
110 11
90
De lengte van de jongen is
140 130 120 110 100
cm, dat is
90
dm.
60
140 14
80 70 50 40
30
30
20
20
10
10
0
0
20 dm = 2
m
m
50 mm = 5
cm
20 cm = 2
dm
30 mm = 3
cm
300 cm = 3
m
m
50 dm = 5
m
cm
6 dm = 60
cm
1 dm = 10
cm
5 cm = 50
mm
3 m = 30
dm
cm
600 cm = 6
2 m = 200
mm
5 dm + 50
cm
60 cm + 400 mm
300 mm + 70 cm
mm
8 dm + 20
cm
30 cm + 700 mm
50 mm + 95 cm
4 dm + 600
mm
2 dm + 80
cm
25 cm + 750
mm
400 mm + 60 cm
2 dm + 800
mm
8 dm + 20
cm
54 cm + 460 mm
250 mm + 75 cm
Schrijf van kort naar lang. 30 cm
dm.
6
2 dm = 20
Vul aan tot 1 meter. 3 dm + 700 5 dm + 500
cm, dat is
Vul in. 10 dm = 1
Opgave 6 Basis: De leerlingen schrijven de lengte van de voorwerpen in cm en mm. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
lesdoel Ik reken met meter, decimeter, centimeter en millimeter.
1
1
900 dm
A
Blz. 6-7
LES 3
BLOK 6
E
K
4 km
7 09/04/2020 17:17
Opgave 5 Basis: De leerlingen noteren de maten op volgorde van kort naar lang. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
mm
.
6 9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 6
PLUS
400
Opgave 4 Basis: De leerlingen vullen de maten aan tot 1 meter. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen en maten. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen en maten.
Kleur de weg van kort naar lang en vul in.
6 km
m
Opgave 3 Basis: De leerlingen kruisen de maten aan die bij de afbeeldingen horen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
dm
Schrijf van kort naar lang.
cm, dat is
Vul in. 10 dm = 1
Vul aan tot 1 meter.
700 50 6 200 mm + 8
dm, dat is
5 140
Opgave 2 Basis: De leerlingen herleiden de lengtes. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
7
1
1
400
Kleur de weg van kort naar lang en vul in.
mm
300
Blz. 6-7
LES 3
BLOK 6
3
25 cm
50 mm
Vul in.
mm
04/04/2020 15:47
BASIS
2
cm
400 mm
6 9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 6
3
cm
50 mm + 95
Kruis de maat aan.
m
2
300 mm + 70
Schrijf van kort naar lang.
30
Vul in. 10 dm = 1
3
140 14
90 80
dm.
30
2
De lengte van de jongen is
140 130
Vul aan tot 1 meter.
dm, dat is
De breedte van de tafel is
1
Vervolg op: • km, m, cm en mm.
OVER DE OPGAVEN
lesdoel Ik reken met meter, decimeter, centimeter en millimeter.
1
cm.
• meters, decimeters, centimeters en millimeters herleiden.
5 m = 50
dm
9 dm = 90
cm
50 mm
20 cm
25 cm
50 mm
30 cm
40 cm
15 mm
20 cm
25 cm
200 mm
40 cm
80 cm
60 cm
8 dm
2 dm
15 mm
25 cm
200 mm
60 cm
80 cm
2 dm
25 cm
8 dm
Opgave 7 | signaalopgave Basis: De leerlingen kleuren de weg van kort naar lang. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
Vul in.
1
dm 10 cm
3
m 30 dm
100
mm
12 m
120
dm
1200
cm
4 dm
40
6m
60
dm
600
cm
4
dm 40 cm
cm
400
mm
Kruis de maat aan.
m
gu
lijm
7 sterk
m
dm
cm
mm
m
dm
cm
mm
m
dm
cm
mm
2600 mm G
dm
cm
mm
m
dm
cm
mm
m
dm
cm
mm
MAAT
30 dm
O
75 dm
B
800 m
E
6m
D
5600 dm N
I
7500 mm G
P
90 dm
A
470 cm
S
500 mm
230 m
T
2300 cm
6 km
R
40 m
U
980 mm W
De zin is: Goed
6 9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 6
cm
90 m
20 dm
m
300
400
mm
Kleur de weg van kort naar lang en vul in.
gedaan!!!
E
K
900 dm
A
6 km
G
4 km
A
5600 m
A
2300 m
D
7200 m
N
2 km
E
8 km
!!!
.
7 09/04/2020 17:12
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 7
09/04/2020 17:12
Blz. 6-7
6
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 8 HL G5B6.indd 6
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Materiaal: • bordliniaal met centimeters, decimeters en meters (leerkracht); • liniaal van 30 cm (per leerling); • klimkaart 3-2-1-kaart.
LET OP: deze les bevat een signaal opgave. Signaalopgaven zitten in elke eerste en derde les. Deze opgave is een opgave van een opvolgend niveau. De opgaven zijn te herkennen aan het vuurtorensymbool. Dit betekent dat de maatleerlingen een basisopgave maken,
LES 3 INSTRUCTIE De leerling rekent met meter, decimeter, centimeter en millimeter. • Laat een bordliniaal zien en laat de leerlingen opschrijven welke maten ze herkennen (meter en centimeter). • Vertel de leerlingen dat er nog een andere maat is om te meten hoe lang iets is: de decimeter. • Vraag de leerlingen of ze kunnen bedenken hoe lang een decimeter is. • Bespreek het voorvoegsel ‘deci’: Dat staat voor ‘er passen er 10 in’. In een meter passen 10 decimeters. Dit is hetzelfde als bij de liter: hier passen 10 deciliters in. • Laat alle leerlingen op hun liniaal 10 centimeter aanwijzen door hun duim en pink zover uit elkaar te houden dat er 10 cm tussen zit. • Leg uit dat 10 centimeter hetzelfde is als een decimeter en dat je een handspan kunt gebruiken om een idee te hebben hoe lang een decimeter ongeveer is. • Wijs op een bordliniaal de decimeters en centimeters aan. • Vul samen met de leerlingen de vergelijkingen op het bord in.
BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! • Maak samen met de leerlingen opgave 1. Laat de lengte zien op je bordliniaal en herhaal dat 1 decimeter gelijk is aan 10 centimeter. • Laat de leerlingen de rest van opgave 1 maken en invullen hoeveel centimeter en hoeveel decimeter de verschillende lengtes zijn. • Bespreek na en besteed aandacht aan de lengtes van het jongen en het meisje. Die langer zijn dan 1 m. Vraag de leerlingen hoe zij het aantal centimeters en decimeters hebben bepaald.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
de basisleerlingen en plusleerlingen maken een plusopgave.
EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Herhaal kort de referentiematen voor een centimeter (de breedte van je vinger) en een decimeter (een handspan). • Herhaal dat er 10 decimeters / 10 keer een handspan achter elkaar in een meter passen. Laat de leerlingen 10 keer een handspan achter elkaar langs de bordliniaal leggen om dit te ervaren. • Laat de leerlingen op hun liniaal 10 centimeter aanwijzen. • Vraag de leerlingen hoeveel centimeter er in 1 decimeter zit. • Laat de leerlingen het rijtje opschrijven: 1 meter = 10 decimeter = 100 centimeter = 1000 millimeter en vertel hen dat ze dit rijtje kunnen gebruiken als ze de opgaven maken. • Herhaal nog een keer het verschil tussen decimeters en centimeters. • Laat de leerlingen een start maken met opgave 4.
REFLECTIE • Laat de leerlingen de klimkaart ‘321kaart’ invullen. • Laat hen in tweetallen bespreken wat zij hebben ingevuld. • Bespreek na en vraag 3 leerlingen naar ontdekkingen, 2 leerlingen naar interesses en 1 leerling naar een vraag die overblijft. Over de klimkaart ‘321kaart’: • Doelgroep: vanaf groep 58. • Bedoeling van de kaart: de kaart evalueert de lesstof en beleving daarvan met open vragen. • Hoe werkt de kaart?: Geef aan over welke les de leerlingen de kaart invullen. De leerlingen hebben 3 minuten om de kaart in te vullen. Neem de kaarten in of bespreek enkele kaarten steekproefsgewijs in de groep. Welk inzicht geeft de inhoud van de kaart in het leerproces? Wat betekent dit voor de volgende instructieles? • Wanneer gebruik je de kaart?: leerlingen vullen zelfstandig of in tweetallen de kaart in na afloop van een les.
7
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 9 HL G5B6.indd 7
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Blok 6 | Les 4 LESDOEL
Automatiseren & memoriseren: • optellen en aftrekken tot en met 1000.
De leerling rekent met meter, decimeter, centimeter en millimeter.
BLOK 6 LES 4
OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN
lesdoel Ik reken met meter, decimeter, centimeter en millimeter.
Deze opgave maak je digitaal.
1
Herhalen: • optellen en aftrekken tot en met 1000; • tijd meten in uren en minuten.
5 Vul in.
2 Vul in. a
+
7
27
127
427
60
67 241 335 442
87 261 355 462
187 361 455 562
487 661 755 862
234 328 435
b
–
8
28
120
228
850
842 226 320 427
822 206 300 407
730 114 208 315
622 6 100 207
234 328 435
3 Schrijf de som en reken uit. Er is 842 MB gebruikt, tot het eind van de maand is er nog 149 MB te gebruiken. Hoeveel MB is dat samen?
Er is 659 MB gebruikt, tot het eind van de maand is er nog 232 MB te gebruiken. Hoeveel MB is dat samen?
Er is 800 MB beschikbaar. Er is 645 MB gebruikt. Hoeveel MB is er over?
som:
som:
som:
842 + 149
= 991
MB
659 + 232
= 891
800 – 645
MB
= 155
6
m 50 dm
1 dm =
10 40 7 3
aankomsttijd
aankomsttijd
vertraging: 30 minuten
nieuwe aankomsttijd
vertraging: 40 minuten
nieuwe aankomsttijd
aankomsttijd
nieuwe aankomsttijd
8 vertraging: 20
minuten
vertraging: 15
30
dm
300
cm
4m
40
dm
400
cm
9 dm
90
cm
900
mm
50 m
500
dm
5000
cm
cm
cm
30 dm = 3
m
dm cm
600 cm = 6
m
m
20 dm = 2
m
cm
8 cm = 80
mm cm
800 cm = 8
4 m = 400
3 m = 30
dm
7 dm = 70
cm
minuten
50 cm
40 mm
3 dm
35 cm
20 mm
40 mm
2 dm
50 cm
20 mm
3 dm
35 cm
5 dm
350 mm
40 cm
100 mm
7 dm
50 cm
350 mm
40 cm
5 dm
100 mm
50 cm
7 dm
400 mm
2 dm
30 cm
70 cm
900 mm
8 dm
8 dm
900 mm
2 dm
30 cm
400 mm
70 cm
85 cm
950 mm
9 dm
300 mm
1 dm
20 cm
85 cm
9 dm
950 mm
1 dm
20 cm
300 mm
Kruis aan. Ik begrijp het verschil tussen dm en cm: heel goed
goed
een beetje
bijna goed
9
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 8
04/04/2020 15:47
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 9
04/04/2020 15:47
Blz. 8-9
BLOK 6 LES 4
lesdoel Ik reken met meter, decimeter, centimeter en millimeter.
Deze opgave maak je digitaal.
1
cm
50 cm = 5 60 mm = 6
7 dm = 70
m
8
BASIS
90 mm = 9
cm
5 Vul in.
2 Vul in. a
234
7 67 241
328
335
435
442
+ 60
127
27
87 261 355 462
187
361 455 562
b
427
487 661 755 862
–
8
850
842 226 320 427
234 328 435
28
120
730 114 208 315
822
206 300 407
228 622
6 100 207
3 Schrijf de som en reken uit. Er is 842 MB gebruikt, tot het eind van de maand is er nog 149 MB te gebruiken. Hoeveel MB is dat samen?
Er is 659 MB gebruikt, tot het eind van de maand is er nog 232 MB te gebruiken. Hoeveel MB is dat samen?
Er is 800 MB beschikbaar. Er is 645 MB gebruikt. Hoeveel MB is er over?
som:
som:
som:
842 + 149
= 991
MB
659 + 232
= 891
800 – 645
MB
6
5
m 50 dm
5 900 4 7 cm + 93
vertraging: 45 minuten
vertraging: 50 minuten aankomsttijd
nieuwe aankomsttijd
vertraging: 40 minuten
nieuwe aankomsttijd
aankomsttijd
nieuwe aankomsttijd
8 vertraging: 20
minuten
vertraging: 15
cm
3m
30
dm
300
cm
4m
40
dm
400
cm
9 dm
90
cm
900
mm
50 m
500
dm
5000
cm
90 600 80 300 mm + 70
mm dm cm
10 cm +
cm
4 dm +
mm
2 dm +
cm
minuten
50 cm
35 cm
20 mm
dm
8 dm +
mm
cm
90 cm +
mm
55 cm +
mm
2 dm +
dm
3 dm
40 mm
2 dm
50 cm
20 mm
3 dm
35 cm
5 dm
350 mm
40 cm
100 mm
7 dm
50 cm
350 mm
40 cm
5 dm
100 mm
50 cm
dm
7 dm
400 mm
2 dm
30 cm
70 cm
900 mm
8 dm
2 dm
30 cm
400 mm
70 cm
8 dm
900 mm
85 cm
950 mm
9 dm
300 mm
1 dm
20 cm
85 cm
9 dm
950 mm
1 dm
20 cm
300 mm
Kruis aan. Ik begrijp het verschil tussen dm en cm: heel goed
goed
een beetje
bijna goed
9
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 8
09/04/2020 17:17
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 9
09/04/2020 17:17
Blz. 8-9
BLOK 6 LES 4 1
cm
100 450 8 400 mm + 6
cm
40 cm +
40 mm
8
PLUS
75 6 200 50 mm + 95
250 mm +
Opgave 4 Basis: De leerlingen vullen de aankomsttijden in, rekening houdend met vertraging. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
Schrijf van kort naar lang.
b Vul de vertraging in. aankomsttijd
mm
Opgave 3 Basis: De leerlingen schrijven de plus en minsommen op die bij de contexten horen en rekenen ze uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Zelfde soort opdrachten als Basis, met andere getallen.
nieuwe aankomsttijd
aankomsttijd
vertraging: 30 minuten
500
dm
6 dm +
2 dm
nieuwe aankomsttijd
700
Vul aan tot 1 meter. 50 cm +
7 aankomsttijd
dm 70 cm
MB
Vul de nieuwe aankomsttijd in. nieuwe aankomsttijd
7
100 mm + = 155
4 a aankomsttijd
Opgave 2 Basis: De leerlingen vullen de optel en aftrektabellen in. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen vullen soms de getallen op andere plekken in. Maat: De leerlingen rekenen de plus en minsommen uit.
Schrijf van kort naar lang.
b Vul de vertraging in. aankomsttijd
3m
nieuwe aankomsttijd
vertraging: 50 minuten
nieuwe aankomsttijd
mm
500
dm
2 dm vertraging: 45 minuten
700
Vul in.
4 dm =
7 aankomsttijd
5
300 mm =
Vul de nieuwe aankomsttijd in. nieuwe aankomsttijd
dm 70 cm
70 dm = MB
4 a aankomsttijd
7
lesdoel Ik reken met meter, decimeter, centimeter en millimeter.
Deze opgave maak je digitaal.
5 Vul in.
2 Vul in. 60 +
7 = 67
234 +
7 = 241
220 –
8 = 112
228 –
8 = 220
60 + 27 = 87
234 + 27 = 261
220 – 28 = 192
228 – 28 = 200
60 + 127 = 187
234 + 127 = 361
220 – 120 = 100
228 – 120 = 108
60 + 427 = 487
234 + 427 = 661
220 – 128 = 92
228 – 128 = 100
7
dm 70 cm
5
m 50 dm
700
mm
3m
30
dm
300
cm
4m
40
dm
400
cm
9 dm
90
cm
900
mm
50 m
500
dm
5000
cm
50 mm = 5
3 Schrijf de som en reken uit. Er is 842 MB gebruikt, tot het eind van de maand is er nog 149 MB te gebruiken. Hoeveel MB is dat samen?
Er is 610 MB gebruikt, tot het eind van de maand is er nog 232 MB te gebruiken. Hoeveel MB is dat samen?
Er is 850 MB beschikbaar. Er is 645 MB gebruikt. Hoeveel MB is er over?
som:
som:
som:
842 + 149
= 991
MB
610 + 232
= 842
MB
850 – 645
= 205
6
MB
4 Vul de nieuwe aankomsttijd in. a aankomsttijd
nieuwe aankomsttijd
aankomsttijd
nieuwe aankomsttijd
vertraging: 45 minuten
vertraging: 50 minuten
aankomsttijd
aankomsttijd
nieuwe aankomsttijd
vertraging: 30 minuten
7
vertraging: 40 minuten
b Vul de vertraging in. aankomsttijd
vertraging: 20
nieuwe aankomsttijd
aankomsttijd
minuten
vertraging: 15
nieuwe aankomsttijd
minuten
8
1 dm = 10
cm
2 m = 200 cm
cm
50 cm = 5
dm
cm
6 m = 600 cm
20 mm = 2
cm
900 cm = 90
dm
m
5 m = 50
dm
300 mm = 3
dm
3 cm = 30
m
2 m = 20
dm
600 mm = 6
dm
400 mm
30 dm = 3
2 dm
3 dm
40 mm
2 dm
5 dm
2 dm
3 dm
400 mm
100 mm
70 cm
50 cm
300 mm
1 dm
20 mm
5 dm
40 mm
100 mm
50 cm
20 mm
1 dm
300 mm
85 cm
950 mm
90 cm
5 dm
350 mm
40 cm
85 cm
90 cm
950 mm
350 mm
40 cm
30 cm
35 cm
20 mm
50 cm
600 mm
5 cm
20 mm
30 cm
35 cm
5 cm
50 cm
600 mm
mm m
70 cm
5 dm
Kruis aan. Ik begrijp het verschil tussen dm en cm: heel goed
MAAT
500 cm = 5
Schrijf van kort naar lang.
goed
een beetje
bijna goed
9
8 9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 8
cm
4 dm = 40 70 dm = 7
2 dm
nieuwe aankomsttijd
500
Vul in.
09/04/2020 17:12
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 9
09/04/2020 17:12
Blz. 8-9
8
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 10 HL G5B6.indd 8
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Verwerken: • decimeters; • referentiematen voor de meter (bordliniaal / grote stap), centimeter (de breedte van je nagel) en millimeter (dikte van je nagel);
• 1 m = 1000 mm, 1 m = 10 cm en 1 m = 10 dm; • 1 dm = 10 cm, 1 dm = 100 mm; • meters, decimeters, centimeters en millimeters herleiden.
Materiaal: • klimkaart Schaalkaart.
OVER DE OPGAVEN | VERWERKING
LES 4
Opgave 5 Basis: De leerlingen vullen de lengtes in meters, decimeters, centimeters of millimeters. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
AUTOMATISEREN & MEMORISEREN
Opgave 6 Basis: De leerlingen herleiden de lengtematen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Zelfde soort opdrachten als Basis, met andere getallen.
TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES
Opgave 7 Basis: De leerlingen schrijven de lengtes van kort naar lang. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.
De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.
OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.
De leerling rekent met meter, decimeter, centimeter en millimeter. • Blik kort terug op de vorige les. • Herhaal dat 10 decimeter in 1 meter past en vraag de leerlingenhoeveel cm in een dm passen. • Laat de leerlingen het rijtje invullen: 1 m = ____ dm = ____ cm = ____ mm. Bekijk het lesdoel uit de vorige les.
VERWERKING Opgave 8 Basis: De leerlingen schrijven op hoe goed ze het verschil begrijpen tussen dm en cm: heel goed, goed, een beetje of bijna goed. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
REFLECTIE • Laat de leerlingen de klimkaart ‘Schaalkaart’ invullen. • Laat hen in tweetallen aan elkaar uitleggen waarom ze kozen voor een bepaalde schaal. • Bespreek na. • Laat leerlingen die ‘goed’ of ‘heel goed’ hebben ingevuld het verschil tussen cm en dm uitleggen. Over de klimkaart ‘Schaalkaart’: • Doelgroep: groep 48. • Bedoeling van de kaart: leerlingen schalen hun eigen kunnen in en denken op een andere manier na over hun volgende stap. • Hoe werkt de kaart?: Benoem het lesdoel of een onderwerp waarvoor leerlingen een kaart invullen. Leerlingen vullen zelfstandig de kaart in. Dat duurt 2 minuten. De leerlingen vragen elkaar in tweetallen wat nodig is om 1 punt te stijgen. Sluit de activiteit af door enkele tweetallen te vragen wat zij bespraken. • Wanneer gebruik je de kaart?: leerlingen vullen zelfstandig of in tweetallen de kaart in na afloop van een les of blok.
9
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 11 HL G5B6.indd 9
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Blok 6 | Les 5 LESDOELEN
Handig rekenen: • keersommen uitrekenen door compenseren.
• De leerling leert schattend vermenigvuldigen en delen. • De leerling rekent met meter, decimeter, centimeter en millimeter.
BLOK 6
LES 5
Afronden weektaken Nu even anders: • schattend vermenigvuldigen van geldbedragen.
extra oefenen
1
1
Reken handig.
OVER DE OPGAVEN
Schat het antwoord.
8 × 39 = 8 × 40
–8×1
= 312
9 × 51 = 9 × 50
+9×1
= 459
251 : 5 ≈ 50
721 : 8 ≈ 90
642 : 8 ≈ 80
393 : 5 ≈ 80
6 × 41 = 6 × 40
+6×1
= 246
5 × 29 = 5 × 30
–5×1
= 145
629 : 7 ≈ 90
299 : 5 ≈ 60
119 : 4 ≈ 30
364 : 4 ≈ 90
4 × 69 = 4 × 70
–4×1
= 276
3 × 79 = 3 × 80
–3×1
= 237
719 : 8 ≈ 90
424 : 6 ≈ 70
285 : 7 ≈ 40
322 : 8 ≈ 40
7 × 61 = 7 × 60
+7×1
= 427
2 × 91 = 2 × 90
+2×1
= 182
422 : 6 ≈ 70
239 : 4 ≈ 60
481 : 6 ≈ 80
458 : 9 ≈ 50
2 2
SPORTPALEIS 4 x sportshirt € 31 € 68 1 x sneakers TOTAAL
≈ € 100
4 × € 31
≈ € 120
4 × € 62
≈ € 240
3 × € 29
≈ € 90
1 × € 68
≈ € 70
2 × € 32
≈ € 60
FIETSSHOP 1 x sportfiets € 269 € 41 2 x fietshelm TOTAAL
≈ € 100
1 × € 269
≈ € 270
5× € 33
≈ € 150
1 × € 59
≈ € 60
2 × € 41
≈ € 80
5 × € 19
≈ € 100
130
1300
dm
8
cm
dm 80 cm
800
mm
50
dm
500
80 mm = 8
cm
mm
9 dm = 90
cm
30 cm = 3
dm
3 m = 30
dm
40 dm = 4 3 cm = 30
mm
90 mm = 9
cm
500 cm = 5
m
6 dm = 60
cm
cm
200 cm = 2
m
50 dm = 5
m
m
m
3 m = 300
5 m = 50
dm
5 dm = 50
cm
11
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 10
04/04/2020 15:47
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 11
04/04/2020 15:47
Blz. 10-11
LES 5
extra oefenen
1
1
Reken handig. –8×1
= 312
9 × 51 = 9 × 50
+9×1
= 459
6 × 41 = 6 × 40
+6×1
= 246
5 × 29 = 5 × 30
–5×1
= 145
629 :7
4 × 69 = 4 × 70
–4×1
= 276
3 × 79 = 3 × 80
–3×1
= 237
719 : 8 ≈ 90
251 : 5 ≈ 50
424 : 6 ≈ 70
7 × 61 = 7 × 60
+7×1
= 427
2 × 91 = 2 × 90
+2×1
= 182
422 : 6
239 : 4
481 : 6 ≈ 80
2 2
≈ 90
≈ 70
721 : 8 ≈ 90
642 : 8
299 : 5
119 : 4 ≈ 30
364 : 4 ≈ 90
285 : 7
322 : 8
≈ 40
Opgave 2 Basis: De leerlingen schrijven de keersommen op die bij de contexten horen en schatten de antwoorden en de totaalbedragen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
≈ 80
≈ 40
458 : 9 ≈ 50
SPORTPALEIS 4 x sportshirt € 31 € 68 1 x sneakers TOTAAL
DIERENTUIN 4 x volwassenen € 62 € 32 2 x kinderen TOTAAL
≈ € 100
4 × € 31
≈ € 120
4 × € 62
≈ € 240
3 × € 29
≈ € 90
1 × € 68
≈ € 70
2 × € 32
≈ € 60
totaalbedrag ≈ € 190
SPEELGOEDZO 2 x Lego Kasteel € 53 € 59 1 x surfboard TOTAAL
totaalbedrag ≈ € 300
FIETSSHOP 1 x sportfiets € 269 € 41 2 x fietshelm TOTAAL
ETEN EN DRINKEN 5 x diner € 33 € 19 5 x dessert TOTAAL
2 × € 53
≈ € 100
1 × € 269
≈ € 270
5× € 33
≈ € 150
1 × € 59
≈ € 60
2 × € 41
≈ € 80
5 × € 19
≈ € 100
totaalbedrag ≈ € 160
totaalbedrag ≈ € 350
totaalbedrag ≈ € 250
Vul in.
13 m
4
≈ 60
393 : 5
≈ 80
2 × € 49
totaalbedrag ≈ € 190
3
≈ 60
Schrijf de som en schat. MEDIAWERELD 2 x computerspel € 49 € 29 3 x DVD TOTAAL
Nu even anders. Speel domino en plak de stenen op.
Opgave 1 Basis: De leerlingen schatten de antwoorden van de deelsommen. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen vullen soms de getallen op andere plekken in. Maat: Gelijk aan Basis.
Vul in.
8 × 39 = 8 × 40
130
1300
dm
cm
8
dm 80 cm
800
mm
5m
50
dm
500
cm
Vul in. 90 dm = 9
80 mm = 8
cm
2 dm = 200
mm
9 dm = 90
cm
30 cm = 3
dm
3 m = 30
dm
40 dm = 4 3 cm = 30
mm
90 mm = 9
cm
500 cm = 5
m
6 dm = 60
cm
cm
200 cm = 2
m
50 dm = 5
m
m
m
3 m = 300
10
5 m = 50
dm
5 dm = 50
cm
Opgave 3 Basis: De leerlingen schrijven de lengtes op in dm en cm. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
11
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 10
09/04/2020 17:17
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 11
09/04/2020 17:17
Blz. 10-11
LES 5
Opgave 4 Basis: De leerlingen herleiden de lengtematen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.
extra oefenen
1
1
Reken handig.
Schat het antwoord.
8 × 39 = 8 × 40
–8×1
= 312
9 × 51 = 9 × 50
+9×1
= 459
251 : 5 ≈ 50
721 : 8 ≈ 90
642 : 8 ≈ 80
393 : 5 ≈ 80
6 × 41 = 6 × 40
+6×1
= 246
5 × 29 = 5 × 30
–5×1
= 145
629 : 7 ≈ 90
299 : 5 ≈ 60
119 : 4 ≈ 30
364 : 4 ≈ 90
4 × 69 = 4 × 70
–4×1
= 276
3 × 79 = 3 × 80
–3×1
= 237
719 : 8 ≈ 90
424 : 6 ≈ 70
285 : 7 ≈ 40
322 : 8 ≈ 40
7 × 61 = 7 × 60
+7×1
= 427
2 × 91 = 2 × 90
+2×1
= 182
422 : 6 ≈ 70
239 : 4 ≈ 60
481 : 6 ≈ 80
458 : 9 ≈ 50
2 2
Schrijf de som en schat. MEDIAWERELD 2 x computerspel € 49 € 29 3 x DVD TOTAAL
Nu even anders. Speel domino en plak de stenen op.
SPORTPALEIS 4 x sportshirt € 31 € 68 1 x sneakers TOTAAL
≈ € 100
4 × € 31
≈ € 120
4 × € 62
≈ € 240
3 × € 29
≈ € 90
1 × € 68
≈ € 70
2 × € 32
≈ € 60
totaalbedrag ≈ € 190
SPEELGOEDZO 2 x Lego Kasteel € 53 € 59 1 x surfboard TOTAAL
≈ € 100
1 × € 269
≈ € 270
5× € 33
≈ € 150
1 × € 59
≈ € 60
2 × € 41
≈ € 80
5 × € 19
≈ € 100
HANDIG REKENEN INSTRUCTIE 130
dm
1300
cm
8
dm 80 cm
800
mm
5m
50
dm
500
cm
Vul in. 2 dm = 200 50 dm = 5 7 dm = 70
10
70 cm = 7
m
5 m = 500
cm
40 mm = 4
mm
2 m = 2000
mm
800 mm = 80
cm 800 cm = 80
m
3 m = 30
dm
600 mm = 6
dm
cm
6 m = 600
cm
400 mm = 4
dm 600 cm = 6
cm
4 cm = 40
dm dm mm m
11 09/04/2020 17:12
Blz. 10-11
totaalbedrag ≈ € 250
totaalbedrag ≈ € 350
Vul in.
80 dm = 8
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 10
LES 5
ETEN EN DRINKEN 5 x diner € 33 € 19 5 x dessert TOTAAL
2 × € 53
13 m
4
totaalbedrag ≈ € 300
FIETSSHOP 1 x sportfiets € 269 € 41 2 x fietshelm TOTAAL
totaalbedrag ≈ € 160
3
DIERENTUIN 4 x volwassenen € 62 € 32 2 x kinderen TOTAAL
2 × € 49
totaalbedrag ≈ € 190
MAAT
cm
2 dm = 200
10
BLOK 6
5m
Vul in. 90 dm = 9
PLUS
OVER DE OPGAVEN | EXTRA OEFENEN
totaalbedrag ≈ € 250
totaalbedrag ≈ € 350
Vul in.
13 m
BLOK 6
ETEN EN DRINKEN 5 x diner € 33 € 19 5 x dessert TOTAAL
2 × € 53
totaalbedrag ≈ € 160
BASIS
totaalbedrag ≈ € 300
totaalbedrag ≈ € 190
SPEELGOEDZO 2 x Lego Kasteel € 53 € 59 1 x surfboard TOTAAL
4
DIERENTUIN 4 x volwassenen € 62 € 32 2 x kinderen TOTAAL
2 × € 49
totaalbedrag ≈ € 190
3
Opgave 2 De leerlingen schatten de totaalbedragen van de geldsommen en zoeken de dominosteen met het antwoord erbij.
Schrijf de som en schat. MEDIAWERELD 2 x computerspel € 49 € 29 3 x DVD TOTAAL
Nu even anders. Speel domino en plak de stenen op.
Vervolg op: • schattend vermenigvuldigen.
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 11
09/04/2020 17:12
• Deel de printbladen uit. • Vertel de leerlingen dat ze gaan vermenigvuldigen waarbij ze gebruik gaan maken met ‘1 x meer’ of ‘1 x minder’. • Doe voor hoe je de som ‘7 x 39’ oplost door eerst de som ‘7 x 40’ uit te rekenen en dan ‘7 x 1’ eraf te trekken.
10
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 12 HL G5B6.indd 10
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Materiaal: • schaar (per leerling); • printblad Dominostenen (per leerling).
• Vraag of de leerlingen het principe 1 x meer / 1 x minder begrijpen. • Bekijk met de leerlingen opgave 1. • Laat hen opgave 1 maken. • Bespreek na.
NU EVEN ANDERS • Vertel de leerlingen dat ze de dominostenen gaan zoeken die bij elkaar horen. • Op elke ‘dominosteen’ staan 2 sommen die ze schattend moeten uitrekenen, op andere dominostenen staat het antwoord van die schatting. • Bespreek het voorbeeld op het bord. Rond daarbij de getallen af, reken de 2 sommen afzonderlijk uit en tel de antwoorden op. • Het antwoord in het voorbeeld is € 230. Dit antwoord staat op een andere dominosteen die tegen deze dominosteen wordt aangelegd. • Maak zo een lange rij dominostenen totdat je bij einde bent. • Laat de leerlingen de stenen op de goede volgorde in hun werkschriften plakken.
AFRONDEN WEEKTAKEN
STRATEGIEËN Schatten Schatten is bepalen hoeveel het ongeveer is. Bij schatten refereer je aan een getal dat in de buurt ligt van de precieze uitkomst. Je rekent dus niet precies uit, maar gaat ook niet gokken. Schatten gaat over begrip. Bij schatten maak je namelijk gebruik van referentiegetallen; sommen die je kent of referentieopgaven in de context staan centraal. Schatten gaat over kritisch beredeneren en onderbouwen vanuit referentiegetallen. Schatten lijkt een soort intuïtie, zoals een slager die weet hoe veel 100 gram vlees is, of een volwassene die weet dat hij ge noeg heeft aan € 100, om zijn boodschappen te betalen. Voor beiden geldt dat zij goed zicht hebben op referentiematen. Bij schatten zijn een aantal invalshoeken belangrijk: 1 Het schattend rekenen als voorwerk bij een bewerking. 2 Dus eerst schatten en daarna precies uitrekenen.
3 Schatten als zelfstandige activiteit, bijvoorbeeld bij het schatten van grote hoeveelheden. Denk aan mensenme nigte of overvliegende spreeuwen. 4 Schatten als onderdeel van het opbouwen van gevoel voor maten bij Meten. Denk daarbij aan schatten van tijds duur, gewicht, lengte enz. Bij deze laatste vorm kan soms de schatting gecontroleerd worden door precies te meten, waardoor het eigenlijk een soort van mengvorm wordt. Schatten speelt een belangrijke rol bij het rekenen met de rekenmachine. Vooraf schat je wat de uitkomst van een som zou kunnen zijn. Met de rekenmachine reken je het antwoord precies uit, maar je moet dit nog wel afronden. Vermenigvuldigen De eerste associatie bij ‘vermenigvuldigen’ zal bij veel mensen de ‘tafels’ zijn. Daaronder ligt eigenlijk het inzicht dat vermenig vuldigen in feite herhaald optellen is. Getalbegrip, en vervolgens het structureren, flexibel optellen en aftrekken zijn de basis van het vermenigvuldigen. Leerlingen leren in eerste instantie met concreet materiaal te structureren, dus gelijke groepjes te maken. Ook het springen in sprongen van 2, 5, 10 is al deel van het vermenigvuldigen. Leerlingen leren dat herhaald optellen sneller gaat door de notatie van tafels te hanteren. Uiteindelijk leren leerlingen ook grote getallen te vermenigvuldigen, zoals bij het cijferend vermenigvuldigen. Alles telt Q biedt bij vermenigvuldigen de tientallentafels aan door middel van analogie. 7 x 6, 70 x 6, 70 x 60, 7 x 600 Delen Delen begint bij Alles telt Q met hoeveelheden handelend in tweeën te delen of te splitsen, en vervolgens met hoeveelheden op papier, met een lijnmodel of een rechthoekmodel met aandacht voor herhaald aftrekken. Daarna wordt de formele som behandeld, uitlopend in cijferend dele n (kolomsgewijs, met grote happen en in groep 8 de ouderwetse staartdeling). Vanaf het begin is er ook aandacht voor het splitsen in meer dan 2 groepen. Een hoeveelheid verdelen is een vorm van splitsen en hangt samen met het delen en het leren van breuken. Als een hoeveelheid in gelijke porties te verdelen is, spreken we van opdelen. In groep 4 besteden we ook aandacht aan het verschil tussen opdelen en verdelen, niet direct qua terminologie naar de leerlingen, maar wel in de uitvoering van de les. De verdeelde hoeveelheden samen zijn evenveel waard als het oorspronkelijke getal. Een deelsom komt niet altijd precies uit. Dat wat overblijft, wordt ‘rest’ genoemd. Leerlingen leren dat sommen niet altijd precies uitkomen. Ze noteren de uitkomst van een som als 19 : 3 als ‘6 rest 1’. Bij delen biedt Alles telt Q ook analogie aan, bijvoorbeeld: 56 : 7, 560 : 7, 5600 : 7
11
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 13 HL G5B6.indd 11
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Blok 6 | Les 6 LESDOEL De leerling leert optellen en aftrekken tot en met 10.000.
BLOK 6
LES 6
Instructie: • optellen en aftrekken tot 10.000.
Materiaal: • klimkaart Kikkerkaart.
Vervolg op: • optellen en aftrekken tot 1.000.
LET OP: deze les bevat een signaal
opgave.
OVER DE OPGAVEN
lesdoel Ik leer optellen en aftrekken tot en met 10.000.
1
5 Nu jij!
Vul in.
2996 + 8 = 3004
4580 + 50 = 4630
8002 – 7 = 7995
5640 – 80 = 5560
2990 + 28 = 3018
4580 + 57 = 4637
8000 – 74 = 7926
5640 – 87 = 5553
+
2 Vul in. 2 minder
4997 7998 2999 2996
4999 8000 3001 2998
2 meer
50 minder
5001 8002 3003 3000
2910 6980 5520 2990
50 meer
100 minder
3010 7080 5620 3090
5920 4878 4992 6856
2960 7030 5570 3040
100 meer
6
6120 5078 5192 7056
6020 4978 5092 6956
4240
90
70
3030
4310
3120
+
5
6
7
9
5004 7001 5999 2998
5005 7002 6000 2999
5006 7003 6001 3000
5008 7005 6003 3002
– 4003 6001 9006 2004
30
80
6190
8560
6220
3
4000 5998 9003 2001
4
7
3999 5997 9002 2000
40
60
70
90
4120 5700 9510 7890
4140 5720 9530 7910
4150 5730 9540 7920
4170 5750 9560 7940
9470 7850
–
9
3996 5994 8999 1997
+ 4080 5660
3994 5992 8997 1995
6720 8320 2410 5550
90
80
6630 8230 2320 5460
50
6640 8240 2330 5470
30
6670 8270 2360 5500
7
8
6690 8290 2380 5520
+
8510 6270
7860
50
60
2470
7920
2520
7910 2530
7160
+ 80
+ 20
+ 30
+ 40
+ 30
+ 300
+ 10
+ 50
+ 70
+ 200
+ 60
+ 90
+ 200
+ 10
+ 400
+ 80
+ 30
+ 100
+ 50
+ 30
+ 10
+ 60
+ 70
+ 90
+40
+100
2980
3880
4999
2993
8480
2530
3440
Vul in.
5994
+
Kleur de route door het rekendoolhof.
3
6996
4330 3100
+ 500
7790
Vul in. 9001 – 8 = 8993
8004 – 6
= 7998
7620 – 56 = 7564
5640 – 73
= 5567
3005 – 9 = 2996
6001 – 5
= 5996
9850 – 66 = 9784
9340 – 59
= 9281
7002 – 3 = 6999
2003 – 8
= 1995
3780 – 91 = 3689
3280 – 96
= 3184
5005 – 7 = 4998
4004 – 7
= 3997
6570 – 84 = 6486
4720 – 37
= 4683
Meerdere antwoorden mogelijk.
Bedenk verschillende sommen.
4
+
= 8849
+
= 6545
+
= 8849
+
= 6545
+
= 8849
+
= 6545
+
= 8849
+
= 6545
Reken uit. 4998 + 7 = 5005
4998 + 9
= 5007
8880 + 47 = 8927
4730 + 89
= 4819
8999 + 5 = 9004
5997 + 7
7993 + 9 = 8002
2992 + 8
3995 + 6 = 4001
6995 + 6
= 6004
6570 + 69 = 6639
3620 + 93
= 3713
= 3000
4240 + 87 = 4327
8480 + 28
= 8508
= 7001
2460 + 42 = 2502
6560 + 72
= 6632
9
Kruis aan. Het optellen en aftrekken tot en met 10.000 kan ik: heel goed
goed
bijna goed
12
13
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 12
04/04/2020 15:47
BASIS BLOK 6
een beetje goed
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 13
04/04/2020 15:47
lesdoel Ik leer optellen en aftrekken tot en met 10.000.
1
5 Nu jij! 4580 + 50 = 4630
8002 – 7 = 7995
5640 – 80 = 5560
2990 + 28 = 3018
4580 + 57 = 4637
8000 – 74 = 7926
5640 – 87 = 5553
+
2 Vul in. 2 minder
4997 7998 2999 2996
4999 8000 3001 2998
2 meer
50 minder
5001 8002 3003 3000
2910 6980 5520 2990
50 meer
100 minder
3010 7080 5620 3090
5920 4878 4992 6856
2960 7030 5570 3040
100 meer
6
6120 5078 5192 7056
6020 4978 5092 6956
4240
96
72
3030
4312
3126
+ 8550
86
65
4650
8615
4736
7160
+ 80
+ 20
+ 30
+ 40
+ 30
+ 300
+ 10
+ 50
+ 70
+ 200
+ 60
+ 90
+ 200
+ 10
+ 400
+ 80
+ 30
+ 100
+ 50
+ 30
+ 10
+ 60
+ 70
+ 90
+40
+100
2980
3880
+
5
6
4999
5004 7001 5999 2998
5005 7002
–
3
4000 5998
6001 9006
9003
2004
2001
7 5006
7003 6001 3000
6000
2999 4
9
+
5008 7005 6003 3002
4080
40 4120
5660
5700
9470
9510 7890
7
7850
9
–
3999
3996
3994
6720
5997 9002 2000
5994
5992 8997 1995
8999 1997
60
70
4140 5720
4150 5730 9540 7920
9530
7910 80 6640 8240
90
2410
6630 8230 2320
2330
5550
5460
5470
8320
90 4170
30
50
6670
6690
8270
8290 2380 5520
2360 5500
7
5750 9560 7940 8
+
8636 4715
2530
3440
Vul in.
4003
4336 3102
Kleur de route door het rekendoolhof.
3
5994
Meerdere antwoorden mogelijk.
Vul in en bedenk zelf.
2996 + 8 = 3004
2993
7790
Vul in. 8004 – 6
= 7998
7620 – 56 = 7564
5640 – 73
= 5567
3050 – 64 = 2986
6010 – 55
= 5955
9850 – 66 = 9784
9340 – 59
= 9281
7020 – 79 = 6941
2030 – 84
= 1946
3780 – 91 = 3689
3280 – 96
= 3184
4998 – 7 = 4991
4004 – 7
= 3997
6570 – 84 = 6486
4720 – 37
= 4683
Meerdere antwoorden mogelijk.
Bedenk verschillende sommen. +
= 8849
+
= 6545
+
= 8849
+
= 6545
+
= 8849
+
= 6545
+
= 8849
+
= 6545
Reken uit. 4998 + 7 = 5005
4998 + 9
= 5007
8880 + 47 = 8927
4730 + 89
= 4819
8999 + 5 = 9004
5997 + 7
= 6004
6570 + 69 = 6639
3620 + 93
= 3713
7993 + 9 = 8002
2992 + 8
= 3000
4240 + 87 = 4327
8480 + 28
= 8508
3995 + 6 = 4001
6995 + 6
= 7001
2460 + 42 = 2502
6560 + 72
= 6632
9
Kruis aan. Het optellen en aftrekken tot en met 10.000 kan ik: heel goed
goed
12 09/04/2020 17:17
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 13
09/04/2020 17:17
Blz. 12-13
LES 6
lesdoel Ik leer optellen en aftrekken tot en met 10.000.
1
5 Nu jij! 2996 + 8 = 3004
4580 + 50 = 4630
8002 – 7 = 7995
5640 – 80 = 5560
2990 + 28 = 3018
4580 + 57 = 4637
8000 – 74 = 7926
5640 – 87 = 5553
Reken uit. Je mag de getallenlijn gebruiken. 4998 + 7 = 5005 5995 + 9 = 6004 3992 + 9 = 4001
2 Vul in.
4998 5029 2598 8954
5000 5031 2600 8956
2 meer
50 minder
5002 5033 2602 8958
8490 6980 6600 2990
50 meer
100 minder
8590 7080 6700 3090
6220 8452 2430 7347
8540 7030 6650 3040
100 meer 6320 8552 2530 7447
6420 8652 2630 7547
6
Kleur de route door het rekendoolhof. 5100
3000
3
6700
+ 80
+ 20
+ 30
+ 10
+ 50
+ 30
+ 70
+ 20
+ 60
+ 60
+ 10
+ 70
+ 20
+ 10
+ 70
+ 10
+ 50
+ 10
+ 20
+ 80
+ 40
+ 40
+ 30
+ 50
Vul in. 5
6
7
8
+
40
50
60
70
5005 7002 6000 2999
5006 7003 6001 3000
5007 7004 6002 3001
4080
2993
5004 7001 5999 2998
7850
4120 5700 9510 7890
4130 5710 9520 7900
4140 5720 9530 7910
4150 5730 9540 7920
–
3
4
5
6
–
30
40
50
60
4003
4000 5998 9003 2001
3999 5997 9002 2000
3998 5996 9001 1999
3997 5995 9000 1998
6720
6690 8290 2380 5520
6680 8280 2370 5510
6670 8270 2360 5500
6660 8260 2350 5490
5660 9470
7
+ 90
+ 40
5300
3200
+ 4999
5994
+ 60
6900
Vul in. Je mag de getallenlijn gebruiken. 2008 – 9 = 1999 9004 – 6 = 8998 5006 – 8 = 4998
6001 9006 2004
8320 2410 5550
3001 – 7 = 2994
8
+
= 8849
+
= 6545
+
= 8849
+
= 6545
+
= 8849
+
= 6545
+
= 8849
+
= 6545
Reken uit. 8 + 7 = 15
8 + 4 = 12
12 – 4 = 8
17 – 9 = 8
98 + 7 = 105
80 + 40 = 120
120 – 40 = 80
170 – 90 = 80
998 + 7 = 1005
480 + 40 = 520
520 – 40 = 480
670 – 90 = 580
4998 + 7 = 5005
8480 + 40 = 8520
7620 – 40 = 7580
5870 – 90 = 5780
9
Kruis aan. Het optellen en aftrekken tot en met 10.000 kan ik: heel goed
12 9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 12
goed
bijna goed
een beetje goed
13 09/04/2020 17:12
Blz. 12-13
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 13
Opgave 7 Basis: De leerlingen rekenen de minsommen uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen rekenen de minsommen uit en bedenken zelf ook een rijtje minsommen.
Meerdere antwoorden mogelijk.
Bedenk verschillende sommen.
4
MAAT
Opgave 6 Basis: De leerlingen kleuren de route in die vanaf het startpunt door op te tellen tot het eindgetal leidt. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
8998 + 5 = 9003
2 minder
6996
Opgave 5 Basis: De leerlingen vullen de plustabellen in. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen verzinnen zelf ook een plustabel. Maat: De leerlingen rekenen de plussommen uit en bedenken zelf ook een rijtje plussommen.
een beetje goed
13
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 12
PLUS
bijna goed
Opgave 4 Basis: De leerlingen rekenen de plussommen uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met opbouw binnen de rijtjes en andere getallen.
+ 500
9001 – 8 = 8993
4
BLOK 6
Opgave 3 Basis: De leerlingen vullen de plus en mintabellen in. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen vullen de getallen soms op andere plekken in. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.
Blz. 12-13
LES 6
6996
Opgave 2 Basis: De leerlingen vullen de getallen in die 2 minder en 2 meer zijn dat de middelste getallen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.
09/04/2020 17:12
Opgave 8 | signaalopgave Basis: De leerlingen bedenken plussommen bij de gegeven antwoorden. Meerdere antwoorden mogelijk. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
12
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 14 HL G5B6.indd 12
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Opgave 9 Basis: De leerlingen kruisen aan hoe goed ze kunnen optellen en aftrekken tot en met 10.000. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
LES 6 INSTRUCTIE De leerling leert optellen en aftrekken tot en met 10.000. • Bespreek kort het lesdoel met de leerlingen. • Bekijk samen met de leerlingen de sommen op het digibord. • Bereken samen met de leerlingen de antwoorden op de bovenste 2 sommen. Gebruik Springen op de Getallenlijn ter ondersteuning. Spring hierbij eerst naar het dichtstbijzijnde tiental en maak daarna de rest van de sprong af. • Herhaal dat voor de onderste 2 sommen. • Laat de leerlingen in tweetallen de 4 sommen op het digibord uitrekenen. Ze gebruiken uitrekenpapier om de sprongen op de getallenlijn te maken. • Bespreek na en besteed aandacht aan de gebruikte strategieën. Gebruik Springen op de getallenlijn om het rekenen via het duizendtal te verduidelijken.
BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! • Laat de leerlingen opgave 1 maken door de plus en minsommen uit te rekenen. Ze mogen uitrekenpapier gebruiken om zelf lege getallenlijnen te tekenen. • Bespreek na. Besteed aandacht aan de overschrijding van het 1000 tal. Gebruik Springen op de Getallenlijn om de 1e sommen van elk rijtje voor te doen. Reken hierbij via het duizendtal (1e en 3e rijtje) en via het honderdtal (2e en 4e rijtje).
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Maak samen met de leerlingen het 1e en 3e rijtje van opgave 4. Besteed aandacht aan de opbouw van de rijtjes, en het rekenen via het tiental, honderdtal en duizendtal. • Check bij de 1e som van de rijtjes of het rekenen over het tiental bij de leerlingen is geautomatiseerd. • Laat de leerlingen bij het maken van de sommen een uitrekenblad gebruiken, waar ze legen getallenlijnen op kunnen tekenen. • Laat de leerlingen het 2e en 4e rijtje zelf maken. • Bespreek na.
REFLECTIE • Laat de leerlngen in hun werkschriften terugbladeren naar opgave 8. Laat hen over die opgave de klimkaart ‘Kikkerkaart’ invullen. • Bespreek na. Vraag wat de leerlingen hebben ingevuld en waarom. Laat hen vertellen wat zij nodig hebben om het lesdoel nog beter te beheersen. Over de klimkaart kikkerkaart: • Doelgroep: groep 35. • Bedoeling van de kaart: de bedoeling is dat leerlingen hun gevoel bij het onderwerp van de les beschrijven, waardoor ook naar voren komt hoe de leerlingen rekenen, en wat zij moeilijk en makkelijk vinden. • Hoe werkt de kaart?: • Bespreek de emoties van de kikkers met de leerlingen. Laat ze vervolgens nadenken over welke kikker het beste bij hen en hun rekenles past. • Laat de leerlingen vervolgens in tweetallen uitwisselen hoe zij erbij zitten: ben je tevreden met deze emotie? Wanneer gebruik je de kaart?: de kaart kan zowel voorafgaand, als ter afsluiting van een les worden ingezet. STRATEGIEËN Optellen en aftrekken: rijgen De strategie rijgen is gebaseerd op een lijnmodel waarbij getallen op een lijn liggen. Op die lijn kan je je bewegen, oftewel springen. Alle getallen zijn ergens op de lijn te plaatsen. Je start met het rijgend rekenen bij het eerste getal van de som en rekent van daaruit door of terug. Dat doe je in stappen, door bijvoorbeeld in tientallen, en vervolgens in eenheden steeds te bewegen op de lijn. Zo kom je bij de uitkomst van een som terecht. Optellen en aftrekken: rekenen met analogieën Analogie betekent ‘net als’. We leren de leerlingen om bij rekenen met grote getallen de overeenkomsten met rekenen met kleine, bekende getallen te zien. Het rekenen met grote getallen is vergelijkbaar met het rekenen met kleine en bekende getallen. Het gaat om sommen met grote getallen vanaf 10.000, die net als sommen met kleine getallen worden uitgerekend. Bijvoorbeeld 3500 – 1700 lijkt op 350 – 170, of 35 – 17. Aandachtspunten: Alles telt Q gebruikt een punt bij getallen vanaf 10.000. Alternatieve strategieën: gebruik van verschillende getallen. Een leerling kan in bovenstaand voorbeeld ook 35.000 of 3,5 gebruiken; cijferend optellen en aftrekken. Als het de bedoeling is dat leerlingen de analogie zien, is cijferen niet aan te raden.
13
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 15 HL G5B6.indd 13
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Blok 6 | Les 7 LESDOEL
Automatiseren & memoriseren: • tafels met tientallen.
De leerling leert optellen en aftrekken tot en met 10.000.
Verwerken: • optellen en aftrekken tot 10.000.
Herhalen: • oppervlakte berekenen; • splitsend delen.
Blok 6 LES 7 1
OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN
lesdoel Ik leer optellen en aftrekken tot en met 10.000.
Deze opgave maak je digitaal.
5 Reken uit.
2
Meerdere antwoorden mogelijk.
Teken verschillende figuren met een oppervlakte van 12 cm².
6698 + 7 = 6705
3999 + 9
= 4008
6580 + 46 = 6626
4730 + 84
= 4814
4592 + 9 = 4601
7992 + 9
= 8001
8560 + 79 = 8639
7850 + 58
= 7908
9496 + 7 = 9503
5998 + 5
= 6003
4320 + 91 = 4411
2210 + 99
= 2309
5099 + 9 = 5108
8996 + 7
= 9003
6530 + 72 = 6602
8660 + 57
= 8717
6 Vul in. +
oppervlakte: 12 cm²
oppervlakte: 12 cm²
3660
90
70
7030
3730
7120
+
3750 7100
8770
50
80
5560
8850
5610
+
8820 5640
2880
40
30
6490
2910
6530
2920 6520
7 Reken uit.
oppervlakte: 12 cm²
oppervlakte: 12 cm²
8
3
som: 112
:7
Verdeel 135 kinderen over 9 busjes. =
16
som: 135
Verdeel 72 broodjes over 4 tafels.
:9
=
15
kinderen per busje
plaatjes per kind
som: 72
:4
Verdeel 70 schroeven over 5 zakjes. =
18
som: 70
:5
=
broodjes per tafel
48 : 4 = 12 66 : 6 = 11 126 : 7 = 18
42 : 3 = 14
171 : 9 = 19
5110 – 75
= 5035
8840 – 63 = 8777
8330 – 51
= 8279
= 2996
4980 – 92 = 4888
2150 – 87
= 2063
8002 – 8 = 7994
5066 – 69
= 4997
2220 – 56 = 2164
6880 – 99
= 6781
Kleur de route door het rekendoolhof.
128 : 8
= 16
64 : 4
= 16
98 : 7
= 14
108 : 9
= 12
57 : 3
= 19
65 : 5
= 13
104 : 8
= 13
102 : 6
= 17
+ 70
+ 200
+ 90
+ 200
+ 60
+ 50
+ 200
+ 10
+ 20
+ 30
+ 60
+ 300
+ 20
+ 80
+ 60
+ 100
+ 40
+ 100
+ 50
+ 30
+ 50
+ 60
+ 10
+ 70
+ 30
+ 90
Kruis aan. Het optellen en aftrekken tot en met 10.000 kan ik: heel goed
goed
bijna goed
een beetje goed
15 04/04/2020 15:47
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 15
04/04/2020 15:47
Blz. 14-15
Blok 6 LES 7 1
7010
8930
14 9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 14
BASIS
6770
8420
+ 80
5880
9
80 : 5 = 16
7650 – 88 = 7562
= 8996
3021 – 25
schroeven per zakje
Reken uit. Gebruik uitrekenpapier. 78 : 6 = 13
= 7996
9045 – 49
7056 – 63 = 6693
14
4
112 : 8 = 14
8004 – 8
8075 – 79 = 7996
5440
Schrijf de som en reken uit. Verdeel 112 voetbalplaatjes over 7 kinderen.
9005 – 8 = 8997
lesdoel Ik leer optellen en aftrekken tot en met 10.000.
Deze opgave maak je digitaal.
5 Reken uit.
2
Meerdere antwoorden mogelijk.
Teken verschillende figuren met een oppervlakte van 12 cm².
6698 + 7 = 6705
3999 + 9
= 4008
6580 + 46 = 6626
4730 + 84
= 4814
4592 + 9 = 4601
7992 + 9
= 8001
8560 + 79 = 8639
7850 + 58
= 7908
9496 + 7 = 9503
5998 + 5
= 6003
4320 + 91 = 4411
2210 + 99
= 2309
5099 + 9 = 5108
8996 + 7
= 9003
6530 + 72 = 6602
8660 + 57
= 8717
6
Meerdere antwoorden mogelijk.
Vul in en bedenk zelf. +
oppervlakte: 12 cm²
oppervlakte: 12 cm²
3660
90
70
7030
3730
7120
+
3750 7100
Opgave 2 Basis: De leerlingen tekenen 4 verschillende figuren die een oppervlakte van 12 cm2 hebben. Meerdere antwoorden mogelijk. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
8770
59
81
5560
8851
5619
+
8829 5641
7
Opgave 3 Basis: De leerlingen schrijven de deelsommen op die bij de contexten horen en rekenen ze uit. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 4 Basis: De leerlingen rekenen de deelsommen uit. Ze gebruiken uitrekenpapier. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.
Reken uit.
oppervlakte: 12 cm²
oppervlakte: 12 cm²
8
3
som: 112
:7
Nog 98 dagen te gaan tot de vakantie. =
Dat zijn 16 plaatjes per kind.
som: 98
8004 – 8
= 7996
7650 – 88 = 7562
5110 – 75
= 5035
8075 – 79 = 7996
9045 – 49
= 8996
8840 – 63 = 8777
8330 – 51
= 8279
7056 – 63 = 6693
3021 – 25
= 2996
4980 – 92 = 4888
2150 – 87
= 2063
8002 – 8 = 7994
5066 – 69
= 4997
2220 – 56 = 2164
6880 – 99
= 6781
:7
=
Dat zijn 14 weken.
Verdeel 144 tulpen over bosjes van 8 tulpen.
Evi heeft 171 kilometer gelopen in 9 dagen.
som: 144
som: 171
Dat zijn 18 tulpen.
:8
=
bosjes
:9
=
+ 80
+ 70
+ 200
+ 90
+ 200
+ 60
+ 50
+ 200
+ 10
+ 20
+ 30
+ 60
+ 300
+ 20
+ 80
+ 60
+ 100
+ 40
+ 100
+ 50
+ 30
+ 50
+ 60
+ 10
+ 70
+ 30
+ 90
Dat is 19 kilometer per dag.
9
Reken uit. Gebruik uitrekenpapier. 78 : 6 = 13
48 : 4 = 12
128 : 8
= 16
64 : 4
= 16
112 : 8 = 14
66 : 6 = 11
98 : 7
= 14
108 : 9
= 12
80 : 5 = 16
126 : 7 = 18
57 : 3
= 19
65 : 5
= 13
42 : 3 = 14
171 : 9 = 19
104 : 8
= 13
102 : 6
= 17
Kruis aan. Het optellen en aftrekken tot en met 10.000 kan ik: heel goed
goed
bijna goed
een beetje goed
15 09/04/2020 17:17
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 15
09/04/2020 17:17
Blz. 14-15
Blok 6 LES 7 1
7010
8930
14 9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 14
PLUS
6770
8420
5880
4
5 Reken uit. Je mag de getallenlijn gebruiken.
2
5994 + 7 = 6001
Meerdere antwoorden mogelijk.
Teken verschillende figuren met een oppervlakte van 12 cm².
2998 + 6 = 3004 6995 + 7 = 7002 3998 + 3 = 4001
6 Vul in. 3 minder oppervlakte: 12 cm²
3996 4994 5622 8711
oppervlakte: 12 cm²
3999 4997 5625 8714
3 meer
20 minder
4002 5000 5628 8717
8500 4970 3640 4980
20 meer
200 minder
8540 5010 3680 5020
8450 3160 1580 4280
8520 4990 3660 5000
200 meer 8650 3360 1780 4480
8850 3560 1980 4680
7 Vul in. Je mag de getallenlijn gebruiken. 9003 – 8 = 8995 oppervlakte: 12 cm²
8008 – 8 = 8000
oppervlakte: 12 cm²
2004 – 6 = 1998 3003 – 5 = 2998
3 Schrijf de som en reken uit. Verdeel 112 voetbalplaatjes over 7 kinderen. som: 112
16
:7
plaatjes per kind
Verdeel 135 kinderen over 9 busjes. =
som: 135
Verdeel 72 broodjes over 4 tafels.
:9
=
15
kinderen per busje
som: 72
18
:4
broodjes per tafel
8
Verdeel 70 schroeven over 5 zakjes. =
som: 70
:5
Kleur de route door het rekendoolhof. 4000
=
14
schroeven per zakje
4
+ 80
+ 20
+ 50
+ 90
+ 50
+ 60
+ 50
+ 20
+ 10
+ 20
+ 20
+ 60
+ 10
+ 20
+ 80
+ 60
+ 10
+ 40
+ 10
+ 50
+ 30
+ 50
+ 60
+ 10
+ 70
+ 30
+ 90
4210
Reken uit. Gebruik uitrekenpapier. 70 : 7 = 10
90 : 9 = 10
40 : 4 = 10
60 : 6 = 10
77 : 7 = 11
99 : 9 = 11
44 : 4 = 11
66 : 6 = 11
84 : 7 = 12
135 : 9 = 15
68 : 4 = 17
84 : 6 = 14
98 : 7 = 14
144 : 9 = 16
72 : 4 = 18
90 : 6 = 15
9
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 14
8620
Opgave 7 Basis: De leerlingen rekenen de minsommen uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen rekenen de minsommen uit en bedenken zelf ook minsommen.
6850
Kruis aan. Het optellen en aftrekken tot en met 10.000 kan ik: heel goed
goed
bijna goed
een beetje goed
15
14
MAAT
6700
8400
Opgave 5 Basis: De leerlingen rekenen de plussommen uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen rekenen de plussommen uit en bedenken zelf ook plussommen. Opgave 6 Basis: De leerlingen vullen de plustabellen in. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
lesdoel Ik leer optellen en aftrekken tot en met 10.000.
Deze opgave maak je digitaal.
OVER DE OPGAVEN | VERWERKING
Kleur de route door het rekendoolhof. 5440
Schrijf de som en reken uit. Verdeel 112 voetbalplaatjes over 7 kinderen.
9005 – 8 = 8997
09/04/2020 17:12
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 15
09/04/2020 17:12
Blz. 14-15
14
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 16 HL G5B6.indd 14
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Materiaal: • klimkaart Kikkerkaart.
Opgave 8 Basis: De leerlingen kleuren de route in die vanaf het startpunt door op te tellen tot het eindgetal leidt. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 9 Basis: De leerlingen kruisen aan hoe goed ze kunnen optellen en aftrekken tot en met 10.000. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
REFLECTIE • Laat de leerlingen over opgave 7 de klimkaart ‘Kikkerkaart’ invullen. • Bespreek na. Vraag wat de leerlingen wie er bij deze les iets anders heeft ingevuld dan bij de vorige les. Laat deze leerlingen vertellen hoe dat komt. • Vraag de leerlingen of zij nu een andere leerlingen kunnen uitleggen hoe je deze sommen goed moet aanpakken. Over de klimkaart kikkerkaart • Doelgroep: groep 35. • Bedoeling van de kaart: de bedoeling is dat leerlingen hun gevoel bij het onderwerp van de les beschrijven, waardoor ook naar voren komt hoe de leerlingen rekenen, en wat zij moeilijk en makkelijk vinden. • Hoe werkt de kaart?: Bespreek de emoties van de kikkers met de leerlingen. Laat ze vervolgens nadenken over welke kikker het beste bij hen en hun rekenles past. Laat de leerlingen vervolgens in tweetallen uitwisselen hoe zij erbij zitten: ben je tevreden met deze emotie? • Wanneer gebruik je de kaart?: de kaart kan zowel voorafgaand, als ter afsluiting van een les worden ingezet.
LES 7
STRATEGIEËN
AUTOMATISEREN & MEMORISEREN
Optellen en aftrekken: rijgen De strategie rijgen is gebaseerd op een lijnmodel waarbij getallen op een lijn liggen. Op die lijn kan je je bewegen, oftewel springen. Alle getallen zijn ergens op de lijn te plaatsen. Je start met het rijgend rekenen bij het eerste getal van de som en rekent van daaruit door of terug. Dat doe je in stappen, door bijvoorbeeld in tientallen, en vervolgens in eenheden steeds te bewegen op de lijn. Zo kom je bij de uitkomst van een som terecht.
De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.
OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.
TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES De leerling leert optellen en aftrekken tot en met 10.000. • Blik kort terug op de vorige les. • Bekijk samen met de leerlingen de sommen op het digibord. • Laat een paar leerlingen vertellen hoe ze de sommen zouden uitrekenen. • Teken een lege getallenlijn of Gebruik Springen op de getallenlijn om te laten zien hoe je de sommen rijgend uitrekent. Bekijk het lesdoel uit de vorige les.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
Optellen en aftrekken: rekenen met analogieën Analogie betekent ‘net als’. We leren de leerlingen om bij rekenen met grote getallen de overeenkomsten met rekenen met kleine, bekende getallen te zien. Het rekenen met grote getallen is vergelijkbaar met het rekenen met kleine en bekende getallen. Het gaat om sommen met grote getallen vanaf 10.000, die net als sommen met kleine getallen worden uitgerekend. Bijvoorbeeld 3500 – 1700 lijkt op 350 – 170, of 35 – 17. Aandachtspunten: Alles telt Q gebruikt een punt bij getallen vanaf 10.000. Alternatieve strategieën: gebruik van verschillende getallen. Een leerling kan in bovenstaand voorbeeld ook 35.000 of 3,5 gebruiken; cijferend optellen en aftrekken. Als het de bedoeling is dat leerlingen de analogie zien, is cijferen niet aan te raden.
15
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 17 HL G5B6.indd 15
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Blok 6 | Les 8 LESDOEL
Instructie: • oppervlakte berekenen met de formule ‘lengte x breedte’.
De leerling leert oppervlakte uitrekenen met l x b.
BLOK 6
LES 8
OVER DE OPGAVEN
lesdoel Ik leer oppervlakte uitrekenen met l × b.
1
4
Nu jij.
Reken uit. lengte
6
10
cm²
18
cm²
8
cm²
cm²
6
24
cm²
36 cm²
6m
4m
24 m²
28 cm²
3m
27 m²
5 cm
6 cm
30 cm²
9m 7m
7m
49 m²
8 cm
8 cm
64 cm²
4m
3m
12 m²
De lengte van een tuin is 30 m. De oppervlakte is 270 m².
De lengte van het zwembad is 50 m. De oppervlakte is. 350 m².
De breedte van het bosje is 90 m. De oppervlakte is 720 m².
De breedte van de vijver is 60 m. De oppervlakte is 360 m².
De breedte is 9
De breedte is 7
De lengte is 8
De lengte is 6
m
m
m
m
Kruis de juiste oppervlaktemaat aan.
cm²
m²
cm²
m²
cm²
30 cm²
cm²
2m
8 cm² De oppervlakte is 64
8m m².
17
16 9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 16
04/04/2020 15:47
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 17
04/04/2020 15:47
Blz. 16-17
LES 8
lesdoel Ik leer oppervlakte uitrekenen met l × b.
1
4
Nu jij.
Reken uit. lengte
6
m²
12 m
4m
14 cm²
BLOK 6
cm²
Reken uit.
21 cm²
BASIS
m²
7
35 cm²
10
cm²
18
cm²
8
cm²
cm²
6
24
cm²
lengte
breedte oppervlakte
12 cm
9 cm
108 cm²
16 m
5m
80 m²
17 cm
7 cm
119 cm²
13 m
8m
104 m²
18 cm
4 cm
72 cm²
17 m
3m
51 m²
6 cm
84 cm²
18 m
9m
162 m²
14 cm
Reken uit.
Meet en reken uit.
20
breedte oppervlakte
5
2
De lengte van een tuin is 30 m. De oppervlakte is 270 m².
De lengte van het zwembad is 50 m. De oppervlakte is. 350 m².
De breedte van het bosje is 90 m. De oppervlakte is 720 m².
De breedte van de vijver is 60 m. De oppervlakte is 360 m².
De breedte is 9
De breedte is 7
De lengte is 8
De lengte is 6
m
m
m
m
Kruis de juiste oppervlaktemaat aan.
m²
cm²
m²
cm²
m²
cm²
m²
cm²
7 Reken uit. 5m
35 cm²
5m 2m
21 cm²
8m
1m 2m
14 cm²
30 cm² 8 cm²
14 m
figuren samen is 126 cm².
De oppervlakte is 104
4m De oppervlakte is 10
m².
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 16
BLOK 6
09/04/2020 17:17
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 17
4
Nu jij.
10
18
cm²
8
cm²
cm²
6
24
9 cm 4 cm
5 cm
6 cm
8 cm
8 cm
lengte
36 cm² 28 cm² 30 cm² 64 cm²
breedte oppervlakte
6m
4m
9m
3m
7m
7m
4m
3m
24 m² 27 m² 49 m² 12 m²
Reken uit.
Meet en reken uit.
cm²
breedte oppervlakte
4 cm 7 cm
5
2
20
Opgave 6 Basis: De leerlingen kruisen aan welke oppervlaktematen bij de afbeeldingen horen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
Reken uit. lengte
cm²
De lengte van een tuin is 3 m. De oppervlakte is 27 m².
De lengte van het zwembad is 5 m. De oppervlakte is 35 m².
De breedte van het bosje is 9 m. De oppervlakte is 72 m².
De breedte van de vijver is 6 m. De oppervlakte is 36 m².
De breedte is 9
De breedte is 7
De lengte is 8
De lengte is 6
m
m
m
m
Kruis de juiste oppervlaktemaat aan.
cm²
Meet en reken uit. m²
cm²
m²
cm²
m²
cm²
m²
cm²
7
18 cm²
Reken uit. 12 m
35 cm² 21 cm²
A
4m
B
14 cm²
30 cm²
Ik reken zo:
8 cm²
A = 16
m²
B = 48
m²
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 16
Opgave 7 | signaalopgave Basis: De leerlingen rekenen de oppervlakte van de figuur uit. Plus: Gelijk aan Basis, met een andere figuur en andere getallen. Maat: Gelijk aan Basis, de leerlingen schrijven de tussenstappen op.
2m
De totale oppervlakte is 64
16
MAAT
Opgave 5 Basis: De leerlingen berekenen de lengtes of breedtes die bij de contexten horen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.
09/04/2020 17:17
lesdoel Ik leer oppervlakte uitrekenen met l × b.
1
6
m².
Blz. 16-17
LES 8
Opgave 4 Basis: De leerlingen vullen in elke regel van de tabellen de lengte, breedte of oppervlakte in. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, de leerlingen rekenen de oppervlaktes uit bij de gegeven lengtes en breedtes.
17
16
PLUS
4m
2m
De totale oppervlakte van de
Opgave 3 Basis: De leerlingen meten de zijden van de rechthoeken op en rekenen de oppervlaktes uit. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen rekenen ook de oppervlakte van de totale figuur uit. Maat: Gelijk aan Basis.
cm²
Meet en reken uit.
18 cm²
3
Opgave 2 Basis: De leerlingen meten de zijden van de rechthoeken op en rekenen de oppervlaktes uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
Meet en reken uit.
18 cm²
3
breedte oppervlakte
9 cm 4 cm
Reken uit.
Meet en reken uit.
20
lengte
breedte oppervlakte
4 cm 7 cm
5
2
3
Vervolg op: • oppervlakte berekenen in m2 en cm2.
8m m².
17 09/04/2020 17:12
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 17
09/04/2020 17:12
Blz. 16-17
16
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 18 HL G5B6.indd 16
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Materiaal: • liniaal (per leerling).
LET OP: deze les bevat een signaal opgave. Signaalopgaven zitten in elke eerste en derde les. Deze opgave is een opgave van een opvolgend niveau. De opgaven zijn te herkennen aan het vuurtorensymbool. Dit betekent dat de maatleerlingen een basisopgave maken,
LES 8 INSTRUCTIE De leerling leert oppervlakte uitrekenen met l x b. • Herhaal de begrippen ‘oppervlakte’, ‘vierkante meter’ en ‘vierkante centimeter’. • Laat de leerlingen voorbeelden geven van een oppervlakte in m2 (bijvoorbeeld een sportveld) en in cm2 (bijvoorbeeld een tegel of een tekenblaadje). • Bekijk samen met de leerlingen de afbeelding op het digibord. • Leg uit dat je de oppervlakte kunt berekenen door lengte x breedte te doen. • Bekijk samen de afbeelding met de leerlingen en laat hen vertellen hoe je om de oppervlakte te berekenen ook de som ‘8 cm x 4 cm = 32 cm2’ kunt uitrekenen, lengte x breedte dus. • Besteed aandacht aan de notatie cm2. • Laat de leerlingen de oppervlakte uitrekenen van de rechthoek op het digibord. • Bespreek na. Schrijf de omtrek op het bord: 9 cm x 8 cm = 72 cm2. • Bekijk samen met de leerlingen de afbeelding op het digibord en vraag of hen iets opvalt. (er worden nu meters gebruikt in plaats van centimeters). • Laat de leerlingen de oppervlakte berekenen. • Bespreek na en schrijf de om op het bord: 9 m x 12 m = 108 m2.
de basisleerlingen en plusleerlingen maken een plusopgave.
EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Maak samen met de leerlingen opgave 2. Herhaal de formule ‘lengte x breedte’. • Laat de leerlingen de rechthoeken zelf meten en bereken samen de oppervlakte.
REFLECTIE • Bespreek opgave 7 na. Laat de leerlingen vertellen welke stappen ze hebben genomen om de oppervlakte uit te rekenen.
BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! • Laat de leerlingen opgave 1 maken door de lengtes en breedtes van de figuren op te meten en de oppervlaktes uit te rekenen met de formule ‘lengte x breedte’. • Bespreek na. Besteed aandacht aan het goed en nauwkeurig meten, de juiste toepassing van de formule en de notatie.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
17
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 19 HL G5B6.indd 17
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Blok 6 | Les 9 LESDOEL
Automatiseren & memoriseren: • tafels tot en met 10.
De leerling leert oppervlakte uitrekenen met l x b.
BLOK 6 LES 9 1
OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN
lesdoel Ik leer oppervlakte uitrekenen met l × b.
Deze opgave maak je digitaal.
5 Reken uit.
6m
2
8m
Reken uit en kleur de rest. 8m rest 3
rest 3 35 : 8 = 4
27 : 4 = 6
rest 4
rest 2 29 : 7 = 4
rest 4
17 : 2 = 8
rest 3
rest 2
rest 4 48 : 5 = 9
rest 3
rest 3 10 m
rest 4
rest 4
rest 1
rest 1
21 : 9 = 2
rest 3
9m
rest 2
rest 3
29 : 3 = 9
rest 2
14 m
12 m
rest 2
rest 2 53 : 7 = 7
rest 2
rest 5
Herhalen: • splitsend optellen en aftrekken tot en met 1000; • tijdsduur in dagen en uren.
8m
16 m
20 m
rest 4
De oppervlakte is 188
rest 3
20 m De oppervlakte is 208
m².
m².
6
3
Reken uit.
Reken uit. 26 : 5 = 5
rest 1
26 : 5 = 5
rest 1
15 : 4 = 3
rest 3
15 : 2 = 7
rest 1
38 : 8 = 4
rest 6
42 : 8 = 5
rest 2
De lengte van een tuin is 4 m. De oppervlakte is 28 m².
De breedte van het terras is 7 m. De oppervlakte is 56 m².
De breedte van het veld is 9 m. De oppervlakte is 54 m².
De lengte van de tuin is 7 m. De oppervlakte is 49 m².
45 : 7 = 6
rest 3
22 : 3 = 7
rest 1
61 : 7 = 8
rest 5
De breedte is 7
De lengte is 8
De lengte is 6
De breedte is 7
43 : 9 = 4
rest 7
55 : 7 = 7
rest 6
13 : 2 = 6
rest 1
m
m
m
m
7 Meet en reken uit.
4
Opgave 2 Basis: De leerlingen kleuren de vakken met de resten die bij de deelsommen horen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
Teken de wijzers en vul in. vertrek:
aankomst:
vertrek:
aankomst:
18 cm² 24 cm²
ochtend
Het is 1
ochtend
Het is 7
reisduur 4 uur
in de middag
reisduur 13 uur
in de avond
vertrek:
aankomst:
vertrek:
aankomst:
avond
Het is 4
middag
Het is 1
reisduur 9 uur
in de nacht
reisduur 8 uur
in de nacht
uur
15 cm²
uur
Opgave 3 Basis: De leerlingen rekenen de deelsommen uit. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen vullen soms getallen op andere plekken in. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.
25 cm²
20 cm² 12 cm²
uur
uur
18
19
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 18
04/04/2020 15:47
BASIS
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 19
04/04/2020 15:47
Blz. 18-19
BLOK 6 LES 9 1
lesdoel Ik leer oppervlakte uitrekenen met l × b.
Deze opgave maak je digitaal.
5 Reken uit.
6m
2
8m
Reken uit en kleur de rest. 8m rest 3 35 : 8 = 4
27 : 4 = 6
rest 5
53 : 7 = 7
rest 1 17 : 2 = 8
rest 1
rest 2
10 m
9m
rest 2 29 : 3 = 9
rest 3
8m
16 m
20 m
rest 4
De oppervlakte is 188
rest 3
rest 2
14 m
12 m
rest 3 rest 4
rest 4 48 : 5 = 9
rest 3
rest 3
21 : 9 = 2
rest 3 rest 4
rest 2
rest 2 29 : 7 = 4
rest 4
rest 2
rest 2
rest 3
rest 4
20 m De oppervlakte is 208
m².
m².
6
3
Reken uit.
Reken uit. 26 : 5 = 5
rest 1
26 : 5 = 5
rest 1
52 : 8
15 : 2 = 7
rest 1
38 : 8 = 4
rest 6
45 : 7 = 6
rest 3
22 : 3 = 7
rest 1
42 61
43 : 9 = 4
rest 7
55 : 7 = 7
rest 6
13 : 2
= 6 rest 4 : 8 = 5 rest 2 : 7 = 8 rest 5 = 6 rest 1
De lengte van een tuin is 4 m. De oppervlakte is 56 m².
De breedte van het terras is 17 m. De oppervlakte is 136 m².
De breedte van het veld is 9 m. De oppervlakte is 144 m².
De lengte van de tuin is 17 m. De oppervlakte is 119 m².
De breedte is 14
De lengte is 8
De lengte is 16
De breedte is 7
m
m
m
m
7 Meet en reken uit.
4 Teken de wijzers en vul in. vertrek:
aankomst:
vertrek:
Opgave 4 Basis: De leerlingen geven de klokken de tijden die bij de reistijden horen en vullen in welk dagdeel de aankomsttijd heeft. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
OVER DE OPGAVEN | VERWERKING
aankomst:
18 cm² 24 cm²
ochtend
Het is 1
uur
ochtend
Het is 7
reisduur 4 uur
in de middag
reisduur 13 uur
in de avond
vertrek:
aankomst:
vertrek:
aankomst:
avond
Het is 4
middag
Het is 1
reisduur 9 uur
in de nacht
reisduur 8 uur
in de nacht
15 cm²
uur
25 cm²
20 cm² 12 cm²
uur
De totale oppervlakte van de figuren samen is 114
uur
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 18
09/04/2020 17:17
PLUS
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 19
09/04/2020 17:17
Blz. 18-19
BLOK 6 LES 9 1
cm².
19
18
lesdoel Ik leer oppervlakte uitrekenen met l × b.
Deze opgave maak je digitaal.
5 Reken uit.
6m
2
8m
Reken uit en kleur de rest. 8m rest 3 35 : 8 = 4
27 : 4 = 6
rest 5
rest 4
53 : 7 = 7
17 : 2 = 8
rest 3
rest 2
48 : 5 = 9
rest 3
10 m
rest 4
9m
8m
16 m
20 m
rest 4
De oppervlakte is 188
rest 3
rest 2
rest 3
rest 3
rest 2 29 : 3 = 9
14 m
12 m
rest 2 21 : 9 = 2
rest 4
rest 1
rest 1
rest 3 rest 4
rest 2
rest 2 29 : 7 = 4
rest 2
rest 3
rest 4
20 m De oppervlakte is 208
m².
m².
Opgave 5 Basis: De leerlingen rekenen de oppervlaktes van de figuren uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 6 Basis: De leerlingen berekenen de lengtes of breedtes die bij de contexten horen. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen. Maat: Gelijk aan Basis.
6
3
Reken uit.
Reken uit. 12 : 5 = 2
rest 2
29 : 3 = 9
rest 2
26 : 6 = 4
rest 2
17 : 5 = 3
rest 2
13 : 3 = 4
rest 1
9:6=1
rest 3
De lengte van een tuin is 4 m. De oppervlakte is 28 m².
De breedte van het terras is 7 m. De oppervlakte is 56 m².
De breedte van het veld is 9 m. De oppervlakte is 54 m².
De lengte van de tuin is 7 m. De oppervlakte is 49 m².
43 : 5 = 8
rest 3
16 : 3 = 5
rest 1
45 : 6 = 7
rest 3
De breedte is 7
De lengte is 8
De lengte is 6
De breedte is 7
26 : 5 = 5
rest 1
23 : 3 = 7
rest 2
58 : 6 = 9
rest 4
m
m
m
m
7 Meet en reken uit.
4 Teken de wijzers en vul in. vertrek:
aankomst:
vertrek:
aankomst:
18 cm² 24 cm²
ochtend
Het is 1
ochtend
Het is 7
reisduur 4 uur
in de middag
reisduur 13 uur
in de avond
vertrek:
aankomst:
vertrek:
aankomst:
middag
Het is 1
reisduur 8 uur
in de nacht
uur
15 cm²
uur
25 cm²
20 cm² 12 cm²
avond
Het is 4
reisduur 9 uur
in de nacht
uur
uur
19
18 9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 18
MAAT
Opgave 7 Basis: De leerlingen meten de lengtes en breedtes van de vakken en rekenen de oppervlaktes uit. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen rekenen ook de oppervlakte van de hele figuur uit. Maat: Gelijk aan Basis.
09/04/2020 17:12
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 19
09/04/2020 17:13
Blz. 18-19
18
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 20 HL G5B6.indd 18
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Verwerken: • oppervlakte berekenen met de formule ‘lengte x breedte’.
Materiaal: • uitrekenpapier (per leerling); • liniaal (per leerling).
LES 9 AUTOMATISEREN & MEMORISEREN De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.
OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.
TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES De leerling leert oppervlakte uitrekenen met l x b. • Blik kort terug op de vorige les. • Herhaal de formule ‘oppervlakte = lengte x breedte. • Laat de leerlingen de oppervlakte van de rechthoek op het bord uitrekenen. • Bespreek na. Besteed ook aandacht aan het gebruiken van cm2 bij het opschrijven van de oppervlakte. Bekijk het lesdoel uit de vorige les.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
REFLECTIE • Bespreek of de leerlingen nu weten hoe je de oppervlakte berekent. Vraag hen wat ze nog lastig vinden en wat al goed gaat. • Vraag hen of ze een andere leerling kunnen uitleggen hoe je de oppervlakte van een rechthoek berekent. Laat een paar leerlingen dit uitleggen aan de groep.
19
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 21 HL G5B6.indd 19
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Blok 6 | Les 10 LESDOELEN
Handig rekenen: • splitsend delen.
• De leerling leert optellen en aftrekken tot en met 10.000. • De leerling leert oppervlakte uitrekenen met l x b.
BLOK 6
LES 10
extra oefenen
1
1
Reken handig. 279 : 9 = 31 270 : 9 = 30 9:9=1
328 : 4 = 82 320 : 4 = 80 8:4=2
366 : 6 = 61 360 : 6 = 60 6:6=1
648 : 8 = 81 640 : 8 = 80 8:8=1
189 : 3 = 63
255 : 5 = 51
166 : 2 = 83
426 : 6 = 71
180 : 3 = 60 9:3=3
250 : 5 = 50 5:5=1
160 : 2 = 80 6:2=3
420 : 6 = 70 6:6=1
2
5 minder
4994 7993 3996 1999 2
3
50 minder
5004 8003 4006 2009
4998 5952 4939 6971
7998 4001 2004
50 meer
200 minder
5098 6052 5039 7071
8740 3800 2925 7755
5048 6002 4989 7021
200 meer.
9140 4200 3325 8155
8940 4000 3125 7955
Opgave 2 De leerlingen vullen het getallenmuurtje in tweetallen in.
Meerdere antwoorden mogelijk.
+
= 7498
+
= 2568
–
= 6770
+
= 7498
+
= 2568
–
= 6770
+
= 7498
+
= 2568
–
= 6770
+
= 7498
+
= 2568
–
= 6770
Reken uit.
4
De lengte van een tuin is 8 m. De oppervlakte is 56 m².
De breedte van het zwembad is 8 m. De oppervlakte is 40 m².
De lengte van de muur is 5 m. De oppervlakte is 10 m².
De breedte van de parkeerplaats is 3 m. De oppervlakte is 30 m².
De breedte is 7
De lengte is 5
De breedte is 2
De lengte is 10
m
m
m
12 m
OVER DE OPGAVEN | EXTRA OEFENEN
6m 4m
5m
7995
Opgave 3 De leerlingen vullen het getallenmuurtje in tweetallen in.
m
Reken uit.
Meerdere antwoorden mogelijk.
Nu even anders. Hoe ver kom je?
5 meer 4999
Bedenk verschillende sommen.
9000
3
OVER DE OPGAVEN
Vul in.
Meerdere antwoorden mogelijk.
Nu even anders. Hoe ver kom je?
Nu even anders: • optellen en aftrekken tot 10.000.
8m
7m
10 m 2m 6m
14 m De oppervlakte is 80
De oppervlakte is 108
m².
20 9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 20
BASIS BLOK 6
m².
21 04/04/2020 15:47
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 21
04/04/2020 15:47
Blz. 20-21
LES 10
extra oefenen
1
1
Reken handig. 279 : 9 = 31 270 : 9 = 30 9:9=1
328 : 4 = 82 320 : 4 = 80 8:4=2
366 : 6 = 61 360 : 6 = 60 6:6=1
648 : 8 = 81 640 : 8 = 80 8:8=1
189 : 3 = 63
255 : 5 = 51
166 : 2 = 83
426 : 6 = 71
180 : 3 = 60 9:3=3
250 : 5 = 50 5:5=1
160 : 2 = 80 6:2=3
420 : 6 = 70 6:6=1
2
Vul in. 15 minder
4984 2981 7999 5987 2
15 meer
51 minder
5014 3011 8029 6017
4997 5951 4938 6970
4999 2996 8014 6002
5996 5200 796 300 496
3
8440 3825 2625 7455
4989 7021
500 meer
9440 4825 3625 8455
8940 4325 3125 7955
8780
3880
3550
460
40
8280
420
3310
330 90
240
Reken uit.
4
De lengte van een tuin is 8 m. De oppervlakte is 56 m².
De breedte van het zwembad is 8 m. De oppervlakte is 40 m².
De lengte van de muur is 5 m. De oppervlakte is 10 m².
De breedte van de parkeerplaats is 3 m. De oppervlakte is 30 m².
De breedte is 7
De lengte is 5
De breedte is 2
De lengte is 10
m
m
m
Reken uit.
Meerdere antwoorden mogelijk.
Nu even anders. Hoe ver kom je?
500 minder
5099 6053 5040 7072
6002
8320
4900
9000
3
51 meer 5048
Vul in.
Meerdere antwoorden mogelijk.
Nu even anders. Hoe ver kom je?
m
6m
5m
5m
7995
12 m
3m
12 m 6m
14 m
6m
6m De oppervlakte is 72
De oppervlakte is 180
m².
20
PLUS BLOK 6
09/04/2020 17:17
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 21
09/04/2020 17:17
Blz. 20-21
LES 10
extra oefenen
1
1
Reken handig. 279 : 9 = 31 270 : 9 = 30 9:9=1
m².
21
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 20
328 : 4 = 82 320 : 4 = 80 8:4=2
366 : 6 = 61 360 : 6 = 60 6:6=1
255 : 5 = 51
166 : 2 = 83
426 : 6 = 71
180 : 3 = 60 9:3=3
250 : 5 = 50 5:5=1
160 : 2 = 80 6:2=3
420 : 6 = 70 6:6=1
2
Vul in.
648 : 8 = 81 640 : 8 = 80 8:8=1
189 : 3 = 63
5 minder
4994 7993 3996 1999 2
5 meer
50 minder
5004 8003 4006 2009
4998 5952 4939 6971
4999 7998 4001 2004
9000
3
4989 7021
50 meer
100 minder
5098 6052 5039 7071
8660 5455 3025 3260
100 meer. 8760 5555 3125 3360
8860 5655 3225 3460
Meerdere antwoorden mogelijk.
+
= 7498
+
= 2568
–
= 6770
+
= 7498
+
= 2568
–
= 6770
+
= 7498
+
= 2568
–
= 6770
+
= 7498
+
= 2568
–
= 6770
De lengte van een tuin is 8 m. De oppervlakte is 56 m².
De breedte van het zwembad is 8 m. De oppervlakte is 40 m².
De lengte van de muur is 5 m. De oppervlakte is 10 m².
De breedte van de parkeerplaats is 3 m. De oppervlakte is 30 m².
De breedte is 7
De lengte is 5
De breedte is 2
De lengte is 10
m
Ik reken zo:
Opgave 3 Basis: De leerlingen berekenen de lengtes of breedtes die bij de contexten horen Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, de leerlingen schrijven ook op hoe ze hebben gerekend. Opgave 4 Basis: De leerlingen rekenen de oppervlaktes van de vlakken uit. Plus: Gelijk aan Basis, met andere figuren en getallen. Maat: Gelijk aan Basis, met andere figuren en getallen.
m
Ik reken zo:
m
Ik reken zo:
m
Ik reken zo:
Reken uit.
Meerdere antwoorden mogelijk.
Nu even anders. Hoe ver kom je?
6002
Opgave 2 Basis: De leerlingen bedenken plussommen die de gegeven antwoorden hebben. Meerdere antwoorden mogelijk. Plus: De leerlingen vullen de getallenmuurtjes in. Maat: Gelijk aan Basis.
Reken uit.
4
3
5048
Bedenk verschillende sommen.
Meerdere antwoorden mogelijk.
Nu even anders. Hoe ver kom je?
Opgave 1 Basis: De leerlingen vullen getallen in die 5, 50 of 200 minder en meer zijn dan de getallen in het midden. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen. Maat: Gelijk aan Basis, met soms andere getallen.
3m 6m
7995
2m
2m
3m
4m 5m
5m
3m 3m 9m 7m De oppervlakte is 39
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 20
MAAT
De oppervlakte is 27 m².
m².
21
20 09/04/2020 17:13
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 21
09/04/2020 17:13
Blz. 20-21
20
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 22 HL G5B6.indd 20
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Vervolg op: • optellen en aftrekken tot 1000.
Afronden weektaken
LES 10 HANDIG REKENEN INSTRUCTIE • Vraag de leerlingen op welke manier ze de sommen zouden uitrekenen. • Maak samen de sommen door splitsend te delen. Schrijf de tussenstappen op het bord. • Laat de leerlingen de sommen maken door splitsend te delen en de splitsingen onder de sommen te schrijven.
NU EVEN ANDERS • Bekijk het getallenmuurtje op het digibord. • Vul samen met de leerlingen het getallenmuurtje op het digibord in. Laat de leerlingen verschillende mogelijkheden noemen en schrijf de meest eenvoudige mogelijkheid in het getallenmuurtje op voor de zwakke rekenaars. • Opgave 2 en 3 kunnen in 2 varianten worden gemaakt: • De leerlingen vullen de getallenmuurtjes in tweetallen hun werkschriften in. • De leerlingen tekenen de getallenmuurtjes op het schoolplein en vullen ze in tweetallen in. • Bespreek kort na.
AFRONDEN WEEKTAKEN
STRATEGIEËN Rijgen De strategie rijgen is gebaseerd op een lijnmodel waarbij getallen op een lijn liggen. Op die lijn kan je je bewegen, oftewel springen. Alle getallen zijn ergens op de lijn te plaatsen. Je start met het rijgend rekenen bij het eerste getal van de som en rekent van daaruit door of terug. Dat doe je in stappen, door bijvoorbeeld in tientallen, en vervolgens in eenheden steeds te bewegen op de lijn. Zo kom je bij de uitkomst van een som terecht.
21
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 23 HL G5B6.indd 21
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
Blok 6 | Les 11 LESDOEL
BLOK 6
De leerling leert kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.
Vervolg op: • splitsend optellen en aftrekken tot en met 1000.
Instructie: • introductie kolomsgewijs optellen en aftrekken zonder overschrijdingen.
Didactische aandachtspunten: • Eerste kennismaking met kolomsge wijs rekenen dus geen overschrijding
LES 11
BLOK 6
lesdoel Ik leer kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.
2 4 7
4 6 3
5 2 2 +
2 3 5 +
2 0 0+ 5 0 0 = 7 0 0 4 0+ 2 0 = 6 0 7+ 2 = 9 7 6 9
4 0 0+ 2 0 0 = 6 0 0 6 0+ 3 0 = 9 0 3 + 5 = 8+ 6 9 8
678 – 136 = 542 6
9 7 6
3 5 4 –
6 4 2 –
7 0 0 - 3 0 0 = 4 0 0 6 0 - 5 0 = 1 0 8 - 4 = 4 4 1 4
9 0 0 - 6 0 0 = 3 0 0 7 0 - 4 0 = 3 0 6 - 2 = 4 3 3 4
+
Leg de fout uit.
+
7 6 8
533 + 356 = 889
769 – 215 = 554
583 – 472 = 111
642 + 203 = 845
679 – 223 = 456
778 – 628 = 150
152 + 531 = 683
759 – 232 = 527
999 – 128 = 871
360 + 403 = 763
310 + 419 = 729
994 – 130 = 864
739 – 313 = 426
5 0 0
4 0 + 5 0 =
9 0
5 – 4 =
+
8 0
7 0 –
8 +
4 –
2
5 0 =
=
2 0 2 –
2 Fatma heeft 532 stickers. Ze krijgt er 245 bij. Hoeveel stickers heeft ze nu?
Sarah heeft 354 euro. Ze krijgt voor haar verjaardag 145 euro. Hoeveel euro heeft ze nu?
Jayden heeft 243 voetbalplaatjes. Hij krijgt er 133 bij. Hoeveel voetbalplaatjes heeft hij nu?
532 + 245 = 777
354 + 145 = 499
243 + 133 = 376
2 0 0 +
5 0 5 +
4 0 0
583 – 472 = 111
679 – 223 = 456
778 – 628 = 150
152 + 531 = 683
759 – 232 = 527
999 – 128 = 871
360 + 403 = 763
310 + 419 = 729
994 – 130 = 864
739 – 313 = 426
7 0
5 0 0
8
4
+ 3 0 =
2
5
5
3
2
5 +
2
5 0 0
8 0
=
6 8
7
9 0 –
9
+
7
9
7
9
4
8 –
7 0
=
2
– 8 = 3 2
04/04/2020 15:47
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 23
4 –
2
– 2 0 0 = 3 0 0
5 0
=
2 0
=
2 +
1 +
Jayden heeft 243 voetbalplaatjes. Hij krijgt er 133 bij. Hoeveel voetbalplaatjes heeft hij nu?
1
532 + 245 = 777
354 + 145 = 499
243 + 133 = 376
2 0 0 +
5 0 5 +
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 22
PLUS
4 0 0
+ 3 0 =
2
4
5
5
3 9 5 Fout is: Bij de honderdtallen is een optelfout gemaakt, dit moet een plussom zijn. 500 + 200 = 700 en nu staat er 300
3
2
5 +
2
5 0 0
= 6 0 0 8 0
=
6 8
7
9 0 –
9
+
9
7
9
3
8 –
7 0
=
2
– 8 =
7
3 2
09/04/2020 17:17
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 23
Opgave 2 Basis: De leerlingen rekenen de plussommen en minsommen uit met het printblad voor kolomsgewijs optellen en aftrekken. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen rekenen de plussommen en minsom men uit in hun werkschrift en met het printblad voor koloms gewijs optellen en aftrekken. Minder sommen dan Basis. Opgave 3 Basis: De leerlingen vullen de lege plekken in zodat de kolomsgewijze plussom en minsom kloppen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen schrijven de plussommen op die bij de contexten horen en rekenen de antwoorden uit met het printblad voor kolomsgewijs optellen en aftrekken. Opgave 4 Basis: De leerlingen schrijven de plussommen op die bij de contexten horen en rekenen de antwoorden uit met het printblad voor kolomsgewijs optellen en aftrekken. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen schrijven de minsommen op die bij de contexten horen en rekenen de antwoorden uit in hun werkschrift. Opgave 5 Basis: De leerlingen schrijven de minsommen op die bij de contexten horen en rekenen de antwoorden uit met het printblad voor kolomsgewijs optellen en aftrekken. Plus: Gelijk aan Basis.
+
3 0 + 1 0 =
+
8 + 9 4 8
600 + 10 + 4 is niet goed opgeteld.
700 + 100 is niet goed opgeteld.
3 – 1 = 2 en niet 4.
30 + 10 is niet goed opgeteld.
De getallen zijn niet juist gesplitst.
De getallen zijn niet juist gesplitst.
Vul de lege plaatsen in. 759 – 232 = 527
716 + 242 = 958
994 – 130 = 864
2
2 0 0 +
5 0
Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad.
1
532 + 245 = 777
354 + 145 = 499
243 + 133 = 376
5 +
4 0 0
+ 3 0 =
2
4
5 3
5
5
2
2
+
5 0 0
= 6 0 0 8 0
=
6 8
7
9 0 –
9
+
7
9
7
9 8 –
– 2 0 0 = 3 0 0
7 0
=
2
– 8 =
0 1 +
3 2
1
23
22
MAAT
4 0
1 + 7 =
4 +
6
158 + 831 = 989
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 22
1 0
6 1 4
1 +
09/04/2020 17:17
1 1 7 + 7 0 0 + 1 0 0 = 9 0 0
6 0 – 5 0 = –
Jayden heeft 243 voetbalplaatjes. Hij krijgt er 133 bij. Hoeveel voetbalplaatjes heeft hij nu?
Blz. 22-23
OVER DE OPGAVEN
+
8 0 0 – 2 0 0 = 6 0 0
3 – 1 =
Sarah heeft 354 euro. Ze krijgt voor haar verjaardag 145 euro. Hoeveel euro heeft ze nu?
0
7 3 1
2 5 1 – 759 – 232 = 527
7 5 9 2 3 2 7 0 0 - 2 0 0 = 5 0 0 5 0 - 3 0 = 2 0 9 - 2 = 7 5 2 7
+
Kruis aan wat er niet goed is gegaan.
Fatma heeft 532 stickers. Ze krijgt er 245 bij. Hoeveel stickers heeft ze nu?
– 2 0 0 = 3 0 0
5 0 0+ 3 0 0 = 8 0 0 6 0+ 3 0 = 9 0 2 +7 = 9 8 9 9
+
5
+
b Reken uit. Gebruik het printblad.
23
22 04/04/2020 15:47
5 +
Vul de lege plaatsen in. 2
5 6 2 3 3 7 +
1 3 6 –
6 0 0 - 1 0 0 = 5 0 0 7 0 - 3 0 = 4 0 8 - 6 = 2 5 4 2
5 6 3
2 3 7 3 5 2 2 0 0+ 3 0 0 = 5 0 0 3 0+ 5 0 = 8 0 7+ 2 = 9 5 8 9
7
3 2 2
6 4 2 –
237 + 352 = 589
9 0
2 + 3 =
1 +
Fout is: Bij de tientallen is er een aftrekfout gemaakt. Er staat nu 80 – 10 = 90, maar dat antwoord moet 70 zijn.
2 5 2 –
5 0 0 7 0 –
8 +
Sarah heeft 354 euro. Ze krijgt voor haar verjaardag 145 euro. Hoeveel euro heeft ze nu?
0
9 0
1 9 1
Fatma heeft 532 stickers. Ze krijgt er 245 bij. Hoeveel stickers heeft ze nu?
– 2 0 0 = 3 0 0
4 0 + 5 0 =
Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad.
23
Blz. 22-23
+
8 0
=
8 0 – 1 0 =
562 + 337 = 899 6 7 8
a Reken uit.
2 5 3 + 5 0 0 + 2 0 0 = 3 0 0
3 5 4 –
9 0 0 - 6 0 0 = 3 0 0 7 0 - 4 0 = 3 0 6 - 2 = 4 3 3 4
Eline heeft 562 punten met een spel. Ze krijgt er 337 bij. Hoeveel punten heeft ze nu?
678 – 136 = 542 +
9 7 6
+
Schrijf de som en reken uit. Koen heeft 678 knikkers. Hij verliest er 136. Hoeveel knikkers heeft Koen over?
2
5 4 2
5 8 5
5 7 4
= 7 0 0
+ 1 0 =
2 + 3 5 2
de tientallen is een fout gemaakt, een plussom in plaats van een minsom. 30 – 20 = 10 en er staat nu 50.
4 1 4 –
2 0 0+ 5 0 0 = 7 0 0 4 0+ 2 0 = 6 0 7+ 2 = 9 7 6 9
7 6 8
7 0 0 - 3 0 0 = 4 0 0 6 0 - 5 0 = 1 0 8 - 4 = 4 4 1 4
5 0
3 – 1 =
Fout is: Bij
5 0 0 – 4 0 0 = 1 0 0
5 – 4 =
7 8 9
= 6 0 0
22
BASIS
769 – 215 = 554
642 + 203 = 845
2 0 0 +
3 0 – 2 0 =
4 + 6 1 4
de eenheden zijn de getallen opgeteld in plaats van afgetrokken. 3 – 1 = 2 en nu staat er 4.
533 + 356 = 889
1 +
Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad.
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 22
Fout is: Bij de honderdtallen is een optelfout gemaakt, dit moet een plussom zijn. 500 + 200 = 700 en nu staat er 300
1 0
3 – 1 =
716 + 242 = 958
2 7 1 5 1 8
6 0 0 – 3 0 0 = 3 0 0
Fout is: Bij
158 + 831 = 989
Vul de lege plaatsen in.
3 2 1 –
6 0 – 5 0 =
+
Vul de lege plaatsen in.
7
3 2 2
9 0 0 - 6 0 0 = 3 0 0 7 0 - 4 0 = 3 0 6 - 2 = 4 3 3 4
+
6 3 3
8 0 0 – 2 0 0 = 6 0 0
237 + 352 = 589
3 9 5
Fout is: Bij de tientallen is er een aftrekfout gemaakt. Er staat nu 80 – 10 = 90, maar dat antwoord moet 70 zijn.
– 2 0 0 = 3 0 0
6 4 2 –
3
5 +
1 9 1
2 5 2 –
5 0 0
= 7 0 0
9 0
2 + 3 =
1 +
5 7 4
7 8 9
4
8 0 – 1 0 =
3 5 4 –
5 6 3 2 5 1 –
5 2 2 +
2 3 5 +
Leg de fout uit.
+
9 7 6
4 2 4 7
4 6 3
4 0 0+ 2 0 0 = 6 0 0 6 0+ 3 0 = 9 0 3 + 5 = 8+ 6 9 8
855 – 233 = 622
6
Reken uit. Gebruik het printblad.
2 5 3 + 5 0 0 + 2 0 0 = 3 0 0
678 – 136 = 542
2
5 4 2
5 8 5
Vul de lege plaatsen in.
=
2 – 3 5 2
de tientallen is een fout gemaakt, een plussom in plaats van een minsom. 30 – 20 = 10 en er staat nu 50.
5 0 0 – 4 0 0 = 1 0 0
2 0 0+ 5 0 0 = 7 0 0 4 0+ 2 0 = 6 0 7+ 2 = 9 7 6 9
7 6 8
7 0 0 - 3 0 0 = 4 0 0 6 0 - 5 0 = 1 0 8 - 4 = 4 4 1 4
5 0
3 – 1 =
Fout is: Bij
4 1 4 –
3
8
3 0 – 2 0 =
4 – 6 1 4
de eenheden zijn de getallen opgeteld in plaats van afgetrokken. 3 – 1 = 2 en nu staat er 4.
716 + 242 = 958
+ 1 0 =
1 0
3 – 1 =
158 + 831 = 989
2 7 1 5 1 8
6 0 0 – 3 0 0 = 3 0 0
Fout is: Bij
Reken uit. Gebruik het printblad.
1 +
3 2 1 –
6 0 – 5 0 =
+
237 + 352 = 589
7 0
6 3 3
8 0 0 – 2 0 0 = 6 0 0
2
2 0 0 +
5 6 3 2 5 1 –
5 2 2 +
2 3 5 +
lesdoel Ik leer kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.
Nu jij!
Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad. Koen heeft 678 knikkers. Anneke heeft 855 euro. Hij verliest er 136. Ze koopt een fiets van 233 euro. Hoeveel knikkers heeft Koen over? Hoeveel euro heeft Anneke over?
2 4 7
4 6 3
LES 11
1
5
4 0 0+ 2 0 0 = 6 0 0 6 0+ 3 0 = 9 0 3 + 5 = 8+ 6 9 8
855 – 233 = 622
Materiaal: • printblad Kolomsgewijs Optellen (per leerling); • MABmateriaal (per leerling bij de extra instructie).
BLOK 6
lesdoel Ik leer kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.
Nu jij!
Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad. Koen heeft 678 knikkers. Anneke heeft 855 euro. Hij verliest er 136. Ze koopt een fiets van 233 euro. Hoeveel knikkers heeft Koen over? Hoeveel euro heeft Anneke over?
Nu jij!
LES 11
1
5
1
met tientallen en honderdtallen.
09/04/2020 17:13
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 23
09/04/2020 17:13
Blz. 22-23
Maat: De leerlingen kruisen de fouten aan die zijn gemaakt bij het kolomsgewijs aftrekken en optellen. Opgave 6 Basis: De leerlingen leggen de fouten uit die zijn gemaakt bij het kolomsgewijs aftrekken. Plus: Gelijk aan Basis. Maat | signaalopgave: De leerlingen vullen de lege plekken in zodat de kolomsgewijze plussom en minsom kloppen. Opgave 7 | signaalopgave Basis: De leerlingen vullen de lege plekken in zodat de kolomsgewijze plussom en minsom kloppen. Plus: Gelijk aan Basis.
LES 11 INSTRUCTIE De leerling leert kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000. • Vertel de leerlingen dat ze een nieuwe manier gaan leren om 2 getallen kolomsgewijs op te tellen. • Laat de leerlingen de 2 getallen splitsen in honderdtallen, tientallen en eenheden en vertel dat ze deze splitsingen gaan gebruiken bij het optellen. • Tel eerst de 2 honderdtallen op en schrijf de som ‘700 + 200’ op het bord. Schrijf het antwoord van 900 in het schema. • Doe dit ook bij de tientallen en eenheden. • Tel daarna de 3 getallen in het schema (900, 50 en 7) hoofdrekenend op.
22
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 24 HL G5B6.indd 22
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
• Schrijf het antwoord (957) onderaan in het schema en achter de som ‘723 + 234 =’ bovenaan. • Vertel de leerlingen dat je op deze manier ook sommen kunt aftrekken. • Laat de leerlingen de 2 getallen splitsen in honderdtallen, tientallen en eenheden en vertel dat ze deze splitsingen gaan gebruiken bij het aftrekken. • Trek eerst de 2 honderdtallen van elkaar af en schrijf de som ‘600 300’ op het bord. Schrijf het antwoord van 300 in het schema. • Doe dit ook bij de tientallen en eenheden. • Tel daarna de 3 getallen in het schema (300, 20 en 2) hoofdrekenend op. • Schrijf het antwoord (322) onderaan in het schema en achter de som ‘674 352 =’ bovenaan. • Bespreek kort dat wanneer een som er moeilijk uitziet je hem toch kunt uitrekenen doordat je de tussenstappen niet hoeft te onthouden omdat je ze opschrijft in het schema.
BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! • Laat de leerlingen opgave 1 maken door 1 de 2 plus sommen kolomsgewijs uit te rekenen. • Bespreek na. Laat 2 de leerlingen de 2 plussommen op het bord maken.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Besteed aandacht aan kolomsgewijs optellen en aftrekken met behulp van het DHTEschema. • Maak de eerste plussom en de eerste minsom van opgave 2 samen met de lee rlingen. Besteed daarbij aandacht aan het splitsen van de getallen. Als ondersteuning kan hier eventueel MABmateriaal bij gebruikt worden. • Besteed bij de minsom aandacht aan het optellen van de 3 getallen in de kolom. Leg uit dat de 3 getallen allemaal een stukje van het antwoord zijn dus dat ze moeten worden opgeteld om het hele getal te zien.
REFLECTIE • Bespreek opgave 7 met de leerlingen. Laat hen (eventueel) vertellen hoe ze de ontbrekende getallen gevonden hebben.
STRATEGIEËN Kolomsgewijs optellen Kolomsgewijs optellen gebruik je bij het optellen van grotere getallen. De getallen worden eerst gesplitst en daarna bij elkaar opgeteld: eerst de honderdtallen, daarna de tientallen en dan de eenheden. De antwoorden van deze splitsingen worden vervolgens hoofdrekenend bij elkaar opgeteld. Bij kolomsgewijs optellen houd je rekening met de positie waarde van een getal. Daarmee is het een vervolg op splitsend optellen, waarmee de leerlingen bekend zijn. Tussenstappen: 4 2 3 + 2 1 6 = 6 3 9 • De getallen worden ge 4 2 3 2 1 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 2 0 + 1 0 = 3 0 plussommen genoteerd. 9 3 + 6 = 6 3 9 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan, maar worden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 30 + 9 = 639. Eerst wordt het kolomsgewijs optellen zonder overschrijdin gen aangeleerd, zie het voorbeeld hierboven. Vervolgens leren de leerlingen optellen met overschrijding bij de eenheden: Tussenstappen: 4 2 7 + 2 1 6 = 6 4 3 • De getallen worden ge 4 2 7 2 1 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 2 0 + 1 0 = 3 0 plussommen genoteerd. 1 3 7 + 6 = 6 4 3 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. Daardoor wordt automatisch duidelijk dat bij 7 + 6, het antwoord 13 bestaat uit eenheden (3) en tientallen (1). • Vervolgens worden de tussenantwoorden hoofdrekenen bij elkaar opgeteld: 600 + 30 + 13 = 643. Daarna met overschrijding bij de tientallen: Tussenstappen: 4 5 3 + 2 9 6 = 7 4 9 • De getallen worden ge 4 5 3 2 9 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 5 0 + 9 0 = 1 4 0 plussommen genoteerd. 9 3 + 6 = 7 4 9 • De tussenantwoorden k omen, in positie, onder elkaar te staan. Daardoor wordt automatisch duidelijk dat bij 50 + 90, het antwoord 140 bestaat uit eenheden (0), tientallen (4) en honderdtallen (1). • Vervolgens worden de tussenantwoorden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 140 + 9 = 749. En tenslotte met meerdere overschrijdingen: Tussenstappen: 4 5 7 + 2 9 6 = 7 5 3 • De getallen worden ge 4 5 7 2 9 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 5 0 + 9 0 = 1 4 0 plussommen genoteerd. 1 3 7 + 6 = 7 5 3 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. • De tussenantwoorden worden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 140 + 13 = 753.
23
Untitled-1 25 TMH_9789006639407_ATQ HL G5B6.indd 23
16/11/2020 08:47 1/07/20 15:26
Blok 6 | Les 12 LESDOEL
Herhalen: • rekenen met l, dl, cl en ml; • rekenen met kg en g; • delen met tientallen.
De leerling leert kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.
Materiaal: • printblad Kolomsgewijs Rekenen; • klimkaart Schaalkaart.
Automatiseren & memoriseren: • deeltafels met tientallen.
LES 12
BLOK 6 1
OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN
lesdoel Ik leer kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.
Deze opgave maak je digitaal.
Verwerken: • kolomsgewijs optellen en aftrekken zonder overschrijdingen.
5 Reken uit. Gebruik het printblad.
2 Vul in.
melk
op
siro
10l
1l
10 100 1000
l cl ml
411 + 275 = 686
743 – 411 = 332
829 – 428 = 401
267 + 220 = 487
631 + 345 = 976
988 – 485 = 503
798 – 412 = 386
213 + 362 = 575
164 + 605 = 769
677 – 554 = 123
689 – 546 = 143
504 + 495 = 999
604 + 252 = 856
448 – 310 = 138
584 – 232 = 252
500ml
3 30 300
l dl cl
6
250ml
3dl
1 100 1000
364 + 305 = 669
Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad.
700ml
250 25
dl cl
500 50 5
ml cl
ml
ml cl dl
700 70 7
ml cl dl
3 Kleur wat het zwaarst is. 600 g
4 kg
11 kg
5000 g
3000 g
6 kg
300 g
10.000 g
7 kg
4 kg
Ravi heeft € 867. Mieke heeft € 632. Hoeveel euro heeft Ravi meer?
Anke heeft € 353. Roel heeft € 326. Hoeveel hebben ze samen?
Jayden heeft € 204. Eline heeft € 382. Hoeveel euro heeft Eline meer?
Milou heeft € 171. Sam heeft € 125. Hoeveel hebben ze samen?
867 – 632 = 235 Ravi heeft € 235
353 + 326 = 679
382 – 204 = 178 Eline heeft € 178
171 + 125 = 296
Anke en Roel hebben samen
meer.
Milou en Sam hebben samen
meer.
€ 679
€ 296
7
4
1 kg
10.000 g
8 kg
2 kg
7000 g
100 g
1 kg
700 g
30.000 g
8 kg
Vul de lege plaatsen in. 2
2 0 0 +
Vul in. 1
5
0 4
0 6 9
2
8
3
9 5
0 7
8 10
0
3
9
9
7
6
0 8
0
0
6 0
6 0
verticaal:
horizontaal: 1. 400 : 8 = 50
1. 250 : 5 = 50
2. 270 : 9
= 30
6. 240 : 80
=3
3. 540 : 6
= 90
7. 810 : 90
=9
4. 300 : 10 = 30
8. 420 : 7 = 60
5. 350 : 5 = 70
11. 160 : 20
7. 720 : 90
13. 160 : 4 = 40
=8
0 +
11 14
1
12
2
6
13
0
0
4
0
0
6 –
10. 450 : 5 = 90 12. 180 : 60
7
+
1 0 0 + 5 2 0 + 3 0 7 + 2 =
7 +
1 0 0
9 +
7
7
6
5
9
7
6
5
4
7
1
1
3
4
–
5 0 0
4 0
4 0 –
=
7
5 +
5
5 4
=3
Opgave 3 Basis: De leerlingen kleuren de vakken met de zwaarste gewichten. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
5 0
5
= 5 0 0
+
0 0 = 6 0 0 =
6
– 3 0 =
1
7
1
7 0
=
6 0 0 –
7 0
3
1 2 7 5 3 2
0
= 5 0 0
+ 1 0 =
=8
9. 320 : 4 = 80
3 0 0
6
4
6 –
– 4 0 0 = 1 0 0
4 0
=
0
– 6 =
1 +
1
0
1
13. 120 : 3 = 40 14. 500 : 5 = 10
25
24 9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 24
04/04/2020 15:47
BASIS 1
9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 25
04/04/2020 15:47
Blz. 24-25
LES 12
BLOK 6
lesdoel Ik leer kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.
Deze opgave maak je digitaal.
5 Reken uit. Gebruik het printblad.
2 Vul in.
melk
p
o siro
10l
1l
10 100 1000
l cl ml
364 + 305 = 669
411 + 275 = 686
743 – 411 = 332
829 – 428 = 401
267 + 220 = 487
631 + 345 = 976
988 – 485 = 503
798 – 412 = 386
213 + 362 = 575
164 + 605 = 769
677 – 554 = 123
689 – 546 = 143
504 + 495 = 999
604 + 252 = 856
448 – 310 = 138
584 – 232 = 252
500ml
3 30 300
l dl cl
6
250ml
3dl
1 100 1000
Opgave 2 Basis: De leerlingen schrijven de inhouden in liters, deciliters, centiliters en milliliters. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.
Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad.
700ml
250 25
dl cl
500 50 5
ml cl
ml
ml cl dl
700 70 7
ml cl dl
3 Kleur wat het zwaarst is. 600 g
4 kg
11 kg
5000 g
3000 g
6 kg
300 g
10.000 g
7 kg
4 kg
Ravi heeft € 867. Mieke heeft € 632. Hoeveel euro heeft Ravi meer?
Anke heeft € 353. Roel heeft € 326. Hoeveel hebben ze samen?
Jayden heeft € 204. Eline heeft € 382. Hoeveel euro heeft Eline meer?
Milou heeft € 171. Sam heeft € 125. Hoeveel hebben ze samen?
867 – 632 = 235 Ravi heeft € 235
353 + 326 = 679
382 – 204 = 178 Eline heeft € 178
171 + 125 = 296
Anke en Roel hebben samen
meer.
OVER DE OPGAVEN | VERWERKING
Milou en Sam hebben samen
meer.
€ 679
Opgave 4 Basis: De leerlingen vullen de getallen in de puzzel in volgens de aanwijzingen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.
€ 296
7
4
1 kg
10.000 g
8 kg
2 kg
7000 g
100 g
1 kg
700 g
30.000 g
8 kg
Vul de lege plaatsen in. 2
2 0 0 +
Vul in. 1
5
4
0 6 9
2
0
8
3
5
0 7
8 0
10
2
12
3
9
9
9
0
6
0
7
6
0 8
0
6 0
horizontaal:
verticaal:
6 0
1. 400 : 8 = 50
1. 250 : 5 = 50
0 +
2. 270 : 9
= 30
6. 240 : 80
=3
3. 540 : 6
= 90
7. 810 : 90
=9
4. 300 : 10 = 30
8. 420 : 7 = 60
5. 350 : 5 = 70
11. 160 : 20
7. 720 : 90
13. 160 : 4 = 40
=8
1
13
0
4
0
0
+ 1 0 =
7
7 0
1 0 0
1
7
7
7
7
6
3
5
+
1 0 0 + 5 2 0 + 3 0 7 + 2 =
1
4 0
4 0 –
=
7
5 + 5 4
=
5 0 9 +
6
5
5
4
4
5 0 0
5
+
0 0 = 6 0 0
–
= 5 0 0
=3
1 2 7 3 2
0
7 +
– 3 0 =
1
1
7 0
6
6 0 0 –
6 –
6
=
=8
10. 450 : 5 = 90 12. 180 : 60
3
= 5 0 0
5
9. 320 : 4 = 80 11 14
3 0 0
4
9 7 6 –
– 4 0 0 = 1 0 0
4 0
=
0
– 6 =
1 +
1
0
1
13. 120 : 3 = 40 14. 500 : 5 = 10
24
25
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 24
09/04/2020 17:17
PLUS
09/04/2020 17:17
Blz. 24-25
LES 12
BLOK 6 1
9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 25
Opgave 6 Basis: De leerlingen schrijven de plus en minsommen op die bij de contexten horen en rekenen de antwoorden uit met het printblad voor kolomsgewijs optellen en aftrekken. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen rekenen de minsommen uit door kolomsgewijs aftrekken.
lesdoel Ik leer kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.
Deze opgave maak je digitaal.
5 a Reken uit. 364 + 305 = 669
2
743 – 411 = 332
3 6 4 3 0 5 6 0 0 6 0 9 6 6 9
Vul in.
melk
si
10l
1l
500ml
250ml
3dl
1 100 1000
10 100 1000
l cl ml
3 0 0 + 3 0 0 6 0 + 0 = 4 + 5 =
p roo
3 30 300
l dl cl
700ml
250 25
dl cl
500 50 5
ml cl
ml
ml cl dl
700 70 7
7 0 0 – 4 0 0 4 0 – 1 0 = 3 – 1 =
7 4 3 4 1 1 3 0 0 3 0 2 3 3 2
+
=
–
+
b Reken uit. Gebruik het printblad.
ml cl dl
3
411 + 275 = 686
988 – 485 = 503
213 + 362 = 575
677 – 554 = 123
6 Kleur wat het zwaarst is. 600 g
4
=
+
Schrijf de som en reken uit. .
4 kg
11 kg
5000 g
6 kg
300 g
10.000 g
7 kg
4 kg
1 kg
10.000 g
8 kg
2 kg
7000 g
100 g
1 kg
700 g
30.000 g
8 kg
5
0 4
0 6 9
2
8
5 5
5 7
3 0
3
10
9
8
7
3
0 8
0
0
6 0
horizontaal:
verticaal:
1. 400 : 8 = 50
1. 250 : 5 = 50
8 0 0 – 6 0 0 6 0 – 3 0 = 7 – 5 =
30
2.
40 : 8 = 5
6. 270 : 9 =
3.
30 : 10 = 3
7. 720 : 9 = 80
4.
50 : 10 = 5
8. 420 : 7 = 60
5. 350 : 5 = 70
11. 160 : 8 = 20
7. 720 : 9 = 80
13. 160 : 4 = 40
11
2
2 0
12
6
0
13
4
0
0
=
2
2 0 0 +
12. 180 : 3 = 60
6 0
13. 120 : 3 = 40
0 +
3 0 0
meer.
3 8 5 2 0 4 1 0 0 8 0 1 1 8 1
+
+
3
7
6 1
3 0 0 – 2 0 0 8 0 – 0 = 5 – 4 =
=
1 0 0 + 5 0 0 2 0 + 3 0 = 7 + 2 =
= 6 0 0
1 2
0
7
5
+
= 5 0 0
+ 1 0 =
7 0
=
7 + 5
14. 100 : 5 = 20
24
MAAT
8 6 7 6 3 2 2 0 0 3 0 2 2 3 5
–
Opgave 7 Basis: De leerlingen vullen de lege plekken in zodat de kolomsgewijze plussom en minsom kloppen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met minder opdrachten.
+
Vul de lege plaatsen in.
10. 450 : 5 = 90
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 24
Eline heeft € 181
meer.
7
9. 320 : 4 = 80 14
385 – 204 = 181
867 – 632 = 235 Ravi heeft € 235
Vul in. 1
Jayden heeft € 204 Eline heeft € 385. Hoeveel euro heeft Eline meer?
Ravi heeft € 867. Mieke heeft € 632. Hoeveel euro heeft Ravi meer?
3000 g
7
7
3
7 2 +
5 0 9 +
6
5
9
25 09/04/2020 17:13
9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 25
Opgave 5 Basis: De leerlingen rekenen de plus en minsommen uit met het printblad voor kolomsgewijs optellen en aftrekken. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen rekenen de plussommen uit door kolomsgewijs optellen.
09/04/2020 17:13
Blz. 24-25
24
TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 26 HL G5B6.indd 24
16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47
LES 12
STRATEGIEËN
AUTOMATISEREN & MEMORISEREN
Kolomsgewijs optellen Kolomsgewijs optellen gebruik je bij het optellen van grotere getallen. De getallen worden eerst gesplitst en daarna bij elkaar opgeteld: eerst de honderdtallen, daarna de tientallen en dan de eenheden. De antwoorden van deze splitsingen worden vervolgens hoofdrekenend bij elkaar opgeteld. Bij kolomsgewijs optellen houd je rekening met de positie waarde van een getal. Daarmee is het een vervolg op splitsend optellen, waarmee de leerlingen bekend zijn. Tussenstappen: 4 2 3 + 2 1 6 = 6 3 9 • De getallen worden ge 4 2 3 2 1 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 2 0 + 1 0 = 3 0 plussommen genoteerd. 9 3 + 6 = 6 3 9 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan, maar worden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 30 + 9 = 639. Eerst wordt het kolomsgewijs optellen zonder overschrijdin gen aangeleerd, zie het voorbeeld hierboven. Vervolgens leren de leerlingen optellen met overschrijding bij de eenheden: Tussenstappen: 4 2 7 + 2 1 6 = 6 4 3 • De getallen worden ge 4 2 7 2 1 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 2 0 + 1 0 = 3 0 plussommen genoteerd. 1 3 7 + 6 = 6 4 3 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. Daardoor wordt automatisch duidelijk dat bij 7 + 6, het antwoord 13 bestaat uit eenheden (3) en tientallen (1). • Vervolgens worden de tussenantwoorden hoofdrekenen bij elkaar opgeteld: 600 + 30 + 13 = 643. Daarna met overschrijding bij de tientallen: Tussenstappen: 4 5 3 + 2 9 6 = 7 4 9 • De getallen worden ge 4 5 3 2 9 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 5 0 + 9 0 = 1 4 0 plussommen genoteerd. 9 3 + 6 = 7 4 9 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. Daardoor wordt automatisch duidelijk dat bij 50 + 90, het antwoord 140 bestaat uit eenheden (0), tientallen (4) en honderdtallen (1). • Vervolgens worden de tussenantwoorden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 140 + 9 = 749. En tenslotte met meerdere overschrijdingen: Tussenstappen: 4 5 7 + 2 9 6 = 7 5 3 • De getallen worden ge 4 5 7 2 9 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 5 0 + 9 0 = 1 4 0 plussommen genoteerd. 1 3 7 + 6 = 7 5 3 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. • De tussenantwoorden worden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 140 + 13 = 753.
De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.
OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.
TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES De leerling leert kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000. • Blik kort terug op de vorige les. • Laat de leerlingen vertellen welke stappen je moet zetten om de plussom op het bord uit te rekenen. Schrijf de stappen in het schema. • Laat de leerlingen vertellen welke stappen je moet zetten om de minsom op het bord uit te rekenen. Schrijf de stappen in het schema. Vraag de leerlingen waarom je de getallen in de kolom moet optellen, terwijl dit een minsom is. Bekijk het lesdoel uit de vorige les.
VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.
REFLECTIE • Laat de leerlingen de klimkaart ‘Schaalkaart’ invullen over kolomsgewijs optellen. • Laat een paar leerlingen vertellen waar ze zichzelf hebben ingeschaald en waarom juist daar. Over de klimkaart 'Schaalkaart’: • Doelgroep: groep 48. • Bedoeling van de kaart: leerlingen schalen hun eigen kunnen in en denken op een andere manier na over hun volgende stap. • Hoe werkt de kaart?: Benoem het lesdoel of een onderwerp waarvoor leerlingen een kaart invullen. Leerlingen vullen zelfstandig de kaart in. Dat duurt 2 minuten. De leerlingen vragen elkaar in tweetallen wat nodig is om 1 punt te stijgen. Sluit de activiteit af door enkele tweetallen te vragen wat zij bespraken. • Wanneer gebruik je de kaart?: leerlingen vullen zelfstandig of in tweetallen de kaart in na afloop van een les of blok.
25
Untitled-1 27 TMH_9789006639407_ATQ HL G5B6.indd 25
16/11/2020 08:47 1/07/20 15:26
BLOK 6 handleiding
ATQ_9789006639407_HL Untitled-1 28 OMSLAG GR5B6.indd All Pages
16/11/2020 08:47