Skip to main content

9789006639407_inkijkexemplaar_groep5_blok6_handleiding

Page 1

BLOK 6 Untitled-1 1

groep 5

handleiding

16/11/2020 1/07/20 15:31 08:47


Untitled-1 2

16/11/2020 08:47


groep 5

handleiding

BLOK 6

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 3 HL G5B6.indd 1

16/11/2020 1/07/20 15:25 08:47


Blok 6 | Les 1 LESDOEL

Instructie: • schattend vermenigvuldigen en schattend delen; • introductie van het ≈ teken als vergelijkingsteken voor ‘ongeveer’.

De leerling leert schattend vermenigvuldigen en delen.

BLOK 6

LES 1

BLOK 6

lesdoel Ik leer schattend vermenigvuldigen en delen.

1

5 Nu jij! a 9 × 32 ≈ 270

LES 1

BLOK 6  5

6 × 79 ≈ 480

8 × 53 ≈ 400

4 × 88 ≈ 360

635 : 7 ≈ 90

482 : 6 ≈ 80

323 : 8 ≈ 40

273 : 3 ≈ 90

6 × 79 ≈ 480

8 × 53 ≈ 400

4 × 88 ≈ 360

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

162 : 4 ≈ 40

269 : 3 ≈ 90

248 : 5 ≈ 50

239 : 6 ≈ 40

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

162 : 4

6 × 80

8 × 50

4 × 90

809 : 9 ≈ 90

561 : 8 ≈ 70

492 : 7 ≈ 70

633 : 7 ≈ 90

9 × 30

6 × 80

8 × 50

4 × 90

809 : 9 ≈ 90

561 : 8 ≈ 70

321 : 8 ≈ 40

353 : 7 ≈ 50

185 : 3 ≈ 60

399 : 5 ≈ 80

321 : 8

353 : 7

185 : 3 ≈ 60

b 252 : 5 ≈ 50

= 400

= 360

448 : 9 ≈ 50

212 : 3 ≈ 70

359 : 4 ≈ 90

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

250

450

210

360

: 5 = 50

: 9 = 50

: 3 = 70

Kleur de sommen met ongeveer hetzelfde antwoord.

2 Schrijf de som en schat het antwoord. entree dierentuin € 28

dagkaart pretpark € 61

entree museum € 19

entree theater € 32

Ik kom met 6 personen:

Ik kom met 7 personen:

Ik kom met 5 personen:

8 × € 28

6 × € 61

7 × € 19

5 × € 32

≈ € 240

≈ € 360

≈ € 140

6 × 62

7 × 82

31 × 2

3 × 19

9 × 38

8 × 41

3 × 21

2 × 19

422 : 7

239 : 6

352 : 7

6 x 59

8 × 69

361 : 6

4 × 89

323 : 8

445 : 9

198 : 4

282 : 7

8 × 39

4 × 82

182 : 3

21 × 2

8 × 72

3 Schat het antwoord.

2 × € 48

≈ € 100

5 × 79 ≈ 400

4 × 48 ≈ 200

6 × 29 ≈ 180

4 × 79 ≈ 320

1 × € 49 ≈ € 50

1 × € 19

≈ € 20

7 × 41 ≈ 280

8 × 32 ≈ 240

8 × 61 ≈ 480

6 × 62 ≈ 360

totaalbedrag ≈ € 230

totaalbedrag ≈ € 120

9 × 48 ≈ 450

3 × 89 ≈ 270

9 × 38 ≈ 360

7 × 88 ≈ 630

3 × 62 ≈ 180

6 × 51 ≈ 300

4 × 72 ≈ 280

3 × € 61 ≈ € 180

SCHOENPALEIS 2 x sneakers €48 € 19 1 x schoenpoets TOTAAL

2 × 71 ≈ 140

ZWEMPARADIJS 3 x entree € 21 € 12 3 x lunch TOTAAL

4 Schrijf de som en schat het antwoord.

449

562

pingpongballen 236 stuks

≈ € 60

1 × € 79

≈ € 80

≈ € 30

8 × € 13

≈ € 80

9 stuks

6 stuks

Hoeveel verpakkingen?

Hoeveel verpakkingen?

236

449

: 9 ≈ 50

Hoeveel verpakkingen?

Hoeveel verpakkingen?

562

318

: 7 ≈ 80

4

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 2

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

250

450

210

360

: 5 = 50

: 9 = 50

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 3

Blz. 2-3

: 3 = 70

dagkaart pretpark € 61

Ik kom met 5 personen:

7 × € 19

5 × € 32

≈ € 120

4 × 88 ≈ 360

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

9 × 30

6 × 80

8 × 50

4 × 90

≈ 50

31 × 2

3 × 19

9 × 38

8 × 41

2 × 19

422 : 7

239 : 6

352 : 7

6 × 59

8 × 69

361 : 6

4 × 89

323 : 8

445 : 9

198 : 4

282 : 7

8 × 39

4 × 82

182 : 3

21 × 2

8 × 72

2 × € 48

≈ € 100

4 × 79 ≈ 320

1 × € 49 ≈ € 50

1 × € 19

≈ € 20

6

totaalbedrag ≈ € 230

totaalbedrag ≈ € 120

6

3

9 × 38 ≈ 360

× 48 ≈ 300

4

× 89 ≈ 270

× 72 ≈ 280

× 61 ≈ 480

2

3 × € 61 ≈ € 180

SCHOENPALEIS 2 x sneakers €48 € 19 1 x schoenpoets TOTAAL

6 × 29 ≈ 180

× 48 ≈ 200

× 71 ≈ 140

× 62 ≈ 360

7 × 88 ≈ 630

ZWEMPARADIJS 3 x entree € 21 € 12 3 x lunch TOTAAL

449

totaalbedrag ≈ € 360

562

pingpongballen 236 stuks

9 stuks

6 stuks

≈ € 60

1 × € 79

≈ € 80

≈ € 30

8 × € 13

≈ € 80

4

truien Hoeveel verpakkingen?

236

449

: 6 ≈ 40

3 × € 21

: 9 ≈ 50

Hoeveel verpakkingen?

Hoeveel verpakkingen?

562

318

: 7 ≈ 80

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 2

PLUS

Opgave 2 Basis: De leerlingen schrijven de keersommen op die bij de contexten horen en schatten de antwoorden. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 3 Basis: De leerlingen schatten de antwoorden van de keersommen. Plus: Zelfde soort opdrachten als Basis, de leerlingen vullen soms getallen op andere plekken in. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 4 Basis: De leerlingen schatten de antwoorden van de deelsommen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 5 Basis: De leerlingen schatten de antwoorden van de deelsommen. Plus: Zelfde soort opdrachten als Basis, de leerlingen vullen soms getallen op andere plekken in Maat: Gelijk aan Basis.

359 : 4 ≈ 90

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

Ik schat met de som:

250

450

210

360

: 5 = 50

entree dierentuin € 28

2 × € 42

≈ € 80

2 × € 32

≈ € 60

: 9 = 50

: 3 = 70

482 : 6 ≈ 80

323 : 8 ≈ 40

273 : 3 ≈ 90

269 : 3 ≈ 90

248 : 5 ≈ 50

239 : 6 ≈ 40

809 : 9 ≈ 90

561 : 8 ≈ 70

492 : 7 ≈ 70

633 : 7 ≈ 90

321 : 8 ≈ 40

353 : 7 ≈ 50

185 : 3 ≈ 60

399 : 5 ≈ 80

Kleur de sommen met ongeveer hetzelfde antwoord.

: 4 = 90

4 × € 33

≈ € 120

8 × € 28

≈ € 240

dagkaart pretpark € 61

entree museum € 19

entree theater € 32

Ik kom met 8 personen:

Ik kom met 6 personen:

Ik kom met 7 personen:

Ik kom met 5 personen:

8 × € 28

6 × € 61

7 × € 19

5 × € 32

≈ € 240

≈ € 360

≈ € 140

7 × 82

31 × 2

3 × 19

9 × 38

8 × 41

3 × 21

2 × 19

422 : 7

239 : 6

352 : 7

6 × 59

8 × 69

361 : 6

4 × 89

323 : 8

445 : 9

198 : 4

282 : 7

8 × 39

4 × 82

182 : 3

21 × 2

8 × 72

7 Schrijf de som en schat.

≈ € 150

MEDIAWERELD 3 x computerspel € 61 €49 1 x controller set TOTAAL

Schat het antwoord.

2 × € 48

≈ € 100

4 × 48 ≈ 200

6 × 29 ≈ 180

4 × 79 ≈ 320

1 × € 49 ≈ € 50

1 × € 19

≈ € 20

8 × 32 ≈ 240

8 × 61 ≈ 480

6 × 62 ≈ 360

totaalbedrag ≈ € 230

totaalbedrag ≈ € 120

9 × 48 ≈ 450

3 × 89 ≈ 270

9 × 38 ≈ 360

7 × 88 ≈ 630

6 × 51 ≈ 300

4 × 72 ≈ 280

3 × € 61 ≈ € 180

2 × 71 ≈ 140

ZWEMPARADIJS 3 x entree € 21 € 12 3 x lunch TOTAAL

Schrijf de som en schat het antwoord.

449

totaalbedrag ≈ € 360

562

pingpongballen 236 stuks

3 × € 21

≈ € 60

1 × € 79

≈ € 80

≈ € 30

8 × € 13

≈ € 80

9 stuks

6 stuks

Hoeveel verpakkingen?

Hoeveel verpakkingen?

236

449

: 9 ≈ 50

Hoeveel verpakkingen?

Hoeveel verpakkingen?

562

318

: 7 ≈ 80

4

4 × € 33

≈ € 120

8 × € 28

≈ € 240

totaalbedrag ≈ € 360

Meerdere antwoorden mogelijk.

Loes betaalde ≈ € 90. Een trui kost € 28. Hoeveel truien heeft Loes gekocht?

3

personen

Schrijf op hoe je hebt gerekend:

≈ € 60

truien

Schrijf op hoe je hebt gerekend:

: 8 ≈ 40

3

2 9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 2

MAAT

totaalbedrag ≈ € 160

Reken uit. Peter betaalde ≈ € 120. 1 kaartje kost € 29. Voor hoeveel personen heeft Peter betaald?

≈ € 80

2 × € 32

SAFARIPARK 4 x volwassenen € 33 €28 8 x kinderen TOTAAL

8 8

7

: 6 ≈ 40

KLIMPARK 2 x volwassenen €42 € 32 2 x kinderen TOTAAL

2 × € 42

totaalbedrag ≈ € 140

SPEELGOEDZO 1 x poppenhuis € 79 € 13 8 x meubeltjes TOTAAL

3 × € 12

totaalbedrag ≈ € 90

318

pingpongballen

truien

09/04/2020 17:17

SCHOENPALEIS 2 x sneakers €48 € 19 1 x schoenpoets TOTAAL

5 × 79 ≈ 400

4

Schrijf op hoe je hebt gerekend:

6 × 62

7 × 41 ≈ 280

3 × 62 ≈ 180

Meerdere antwoorden mogelijk.

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 3

635 : 7 ≈ 90 162 : 4 ≈ 40

6

3

Blz. 2-3

OVER DE OPGAVEN

212 : 3 ≈ 70

3 09/04/2020 17:17

= 360

448 : 9 ≈ 50

Loes betaalde ≈ € 90. Een trui kost € 28. Hoeveel truien heeft Loes gekocht?

3

personen

Schrijf op hoe je hebt gerekend:

= 400

Schrijf de som en schat het antwoord.

: 8 ≈ 40

2

= 480

2

SAFARIPARK 4 x volwassenen € 33 €28 8 x kinderen TOTAAL

totaalbedrag ≈ € 160

Reken uit. Peter betaalde ≈ € 120. 1 kaartje kost € 29. Voor hoeveel personen heeft Peter betaald?

= 270

b 252 : 5 ≈ 50

totaalbedrag ≈ € 140

8 8

7

Hoeveel verpakkingen?

≈ 90

KLIMPARK 2 x volwassenen €42 € 32 2 x kinderen TOTAAL

SPEELGOEDZO 1 x poppenhuis € 79 € 13 8 x meubeltjes TOTAAL

3 × € 12

totaalbedrag ≈ € 90

318

pingpongballen

Meerdere antwoorden mogelijk.

a 9 × 32 ≈ 270

≈ 90

399 : 5 ≈ 80

7 × 82

8

6 × 51 ≈ 300

≈ 70

3 × 21

8 × 32 ≈ 240

4

273 : 3

≈ 40

6 × 62

MEDIAWERELD 3 x computerspel € 61 €49 1 x controller set TOTAAL

Schrijf de som en schat het antwoord.

04/04/2020 15:46

8 × 53 ≈ 400

Ik schat met de som:

633 : 7

7 × 41 ≈ 280

× 69 ≈ 350

Schat het antwoord. 6 × 79 ≈ 480

239 : 6 ≈ 40

492 : 7

Schrijf de som en schat.

4

Schrijf op hoe je hebt gerekend:

≈ 40

323 : 8

248 : 5 ≈ 50

≈ 90

7

≈ € 150

Vul in. 3 × 62 ≈ 180

≈ € 240

≈ € 140

3

5

4 × € 33

≈ € 360

5

482 : 6 ≈ 80 269 : 3

Kleur de sommen met ongeveer hetzelfde antwoord.

entree theater € 32

Ik kom met 7 personen:

6 × € 61

≈ € 240

≈ € 60

8 × € 28

entree museum € 19

Ik kom met 6 personen:

8 × € 28

≈ 40

6

: 4 = 90

Ik kom met 8 personen:

3 04/04/2020 15:46

BASIS

Ik schat met de som:

Loes betaalde ≈ € 90. Een trui kost € 28. Hoeveel truien heeft Loes gekocht?

3

personen

Schrijf op hoe je hebt gerekend:

Ik schat met de som:

≈ € 80

: 8 ≈ 40

2

359 : 4 ≈ 90

2 × € 32

SAFARIPARK 4 x volwassenen € 33 €28 8 x kinderen TOTAAL

totaalbedrag ≈ € 160

Reken uit. Peter betaalde ≈ € 120. 1 kaartje kost € 29. Voor hoeveel personen heeft Peter betaald?

212 : 3 ≈ 70

2 × € 42

totaalbedrag ≈ € 140

8 8

7

: 6 ≈ 40

3 × € 21 3 × € 12

totaalbedrag ≈ € 90

318

pingpongballen

635 : 7 ≈ 90

= 360

448 : 9 ≈ 50

entree dierentuin € 28

KLIMPARK 2 x volwassenen €42 € 32 2 x kinderen TOTAAL

SPEELGOEDZO 1 x poppenhuis € 79 € 13 8 x meubeltjes TOTAAL

= 400

Schrijf de som en schat het antwoord.

Schrijf de som en schat. MEDIAWERELD 3 x computerspel € 61 €49 1 x controller set TOTAAL

= 480

2

7

≈ € 150

= 270

b 252 : 5 ≈ 50

6

: 4 = 90

Ik kom met 8 personen:

a 9 × 32 ≈ 270

lesdoel Ik leer schattend vermenigvuldigen en delen.

Nu jij!

9 × 30

= 480

LES 1

1 Vul in.

Nu jij!

Ik schat met de som: = 270

LET OP: deze les bevat een signaal­ opgave.

lesdoel Ik leer schattend vermenigvuldigen en delen.

1 Schat het antwoord.

Vervolg op: • schattend rekenen; • tafels en deeltafels tot en met 10.

09/04/2020 17:12

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 3

09/04/2020 17:12

Blz. 2-3

Opgave 6 Basis: De leerlingen geven de vakken met dezelfde geschatte antwoorden dezelfde kleur. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 7 Basis: De leerlingen schatten de 2 afzonderlijke bedragen bij de contexten en rekenen het totaalbedrag uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 8 | signaalopgave Basis: De leerlingen rekenen de deelsommen uit die bij de contexten horen en leggen hun antwoorden uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

LES 1 INSTRUCTIE De leerling leert schattend vermenigvuldigen en delen. • Bespreek kort het lesdoel met de leerlingen. • Laat de leerlingen de 4 sommen op het bord oplossen. • Bespreek kort na en laat een paar leerlingen vertellen hoe ze de sommen hebben uitgerekend. Vertel de leerlingen dat ze vandaag dit type sommen gaan gebruiken. • Bespreek met de leerlingen wanneer het handig is om een som van tevoren te schatten (wanneer je even snel wilt uitrekenen wat het antwoord ongeveer is).

2

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 4 HL G5B6.indd 2

16/11/2020 1/07/20 15:25 08:47


• Bekijk samen met de leerlingen de afbeelding op het digibord. • Laat de leerlingen uitrekenen wat de som is je gebruikt om het totale bedrag voor 7 personen uit te rekenen. Schrijf de som op het bord. • Leg uit dat het handig is om het bedrag eerst schattend uit te rekenen. Vraag de leerlingen welke som zij zouden maken om het totaalbedrag te schatten (7 x € 40). • Bespreek waarom het niet verstandig is om voor de schatting het bedrag van € 30 te gebruiken (je rekent dan met een te laag bedrag, het schat­antwoord verschilt te veel van het precieze antwoord). • Laat de leerlingen het antwoord van het geschatte totaalbedrag uitrekenen en opschrijven. Vraag de leerlingen welke keersom ze hebben gebruikt om het antwoord uit te rekenen. • Schrijf op het bord: 7 x € 39 ≈ € 280. Leg uit dat ≈ het ‘ongeveer­teken’ is. Herhaal kort de andere vergelijkings­ tekens die de leerlingen hebben geleerd: <, > en =. • Vraag de leerlingen wat het geschatte totaalbedrag is voor 9 personen en schrijf de som ‘9 x € 39 ≈’ op het bord. Laat de leerling het antwoord schatten en schrijf het achter de som. • Vertel dat je kunt checken of het geschatte antwoord klopt door het bedrag precies uit te rekenen. Dat doe je alleen als je bijvoorbeeld zeker wilt weten of je echt genoeg geld bij je hebt. • Schrijf de som ‘9 x € 39 =’ op het bord en laat de leerlingen de som uitrekenen. • Bespreek na en vraag hoeveel verschil er tussen de schatting en het precieze antwoord zit.

BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! • Bekijk samen met de leerlingen opgave 1. Besteed aandacht aan het ‘ongeveer’­teken en de som die wordt gebruikt om de schatting uit te rekenen. • Laat de leerlingen opgave 1 maken. • Bespreek na en laat een paar leerlingen vertellen hoe zij de antwoorden geschat hebben.

VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.

EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Besteed aandacht aan deelsommen met behulp van een hulpsom. • Herhaal kort het vermenigvuldigen en delen met tientallen en besteed aandacht aan het gebruiken van de hulpsom. • Laat de leerlingen de sommen op het bord uitrekenen en bespreek kort na. Vraag welke hulpsommen de leerlingen hebben gebruikt. • Maak samen met de leerlingen een schatting van de

antwoorden van de sommen. Besteed hierbij aandacht aan het gebruiken van het tiental dat het dichtstbij ligt. • Maak samen met de leerlingen de eerste opdracht van opgave 2. • Maak samen met de leerlingen de eerste opdracht van opgave 4.

REFLECTIE • Bespreek opgave 8 en vraag de leerlingen hoe ze de sommen hebben opgelost. Laat hen vertellen welke afrondingen ze hebben gebruikt om de antwoorden te schatten. • Herhaal kort het lesdoel van de les en vraag de leerlingen om met hun duim te laten zien of ze het lesdoel hebben behaald: ­ duim omhoog: ik snap het helemaal; ­ duim in het midden: ik snap het een beetje; ­ duim omlaag: ik snap het nog niet. STRATEGIEËN Schatten Schatten is bepalen hoeveel het ongeveer is. Bij schatten refereer je aan een getal dat in de buurt ligt van de precieze uitkomst. Je rekent dus niet precies uit, maar gaat ook niet gokken. Schatten gaat over begrip. Bij schatten maak je namelijk gebruik van referentiegetallen; sommen die je kent of referentieopgaven in de context staan centraal. Schatten gaat over kritisch beredeneren en onderbouwen vanuit referentiegetallen. Schatten lijkt een soort intuïtie, zoals een slager die weet hoeveel 100 gram vlees is, of een volwassene die weet dat hij genoeg heeft aan € 100,­ om zijn boodschappen te betalen. Voor beiden geldt dat zij goed zicht hebben op referentie­ maten. Bij schatten zijn een aantal invalshoeken belangrijk: 1 Het schattend rekenen als voorwerk bij een bewerking. Dus eerst schatten en daarna precies uitrekenen. 2 Schatten als zelfstandige activiteit, bijvoorbeeld bij het schatten van grote hoeveelheden. Denk aan mensenme­ nigte of overvliegende spreeuwen. 3 Schatten als onderdeel van het opbouwen van gevoel voor maten bij Meten. Denk daarbij aan schatten van tijds­ duur, gewicht, lengte enz. Bij deze laatste vorm kan soms de schatting gecontroleerd worden door precies te meten, waardoor het eigenlijk een soort van mengvorm wordt. Schatten speelt een belangrijke rol bij het rekenen met de rekenmachine. Vooraf schat je wat de uitkomst van een som zou kunnen zijn. Met de rekenmachine reken je het antwoord precies uit, maar je moet dit nog wel afronden.

3

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 5 HL G5B6.indd 3

16/11/2020 1/07/20 15:25 08:47


Blok 6 | Les 2 LESDOEL

Automatiseren & memoriseren: • deeltafels tot en met 10.

De leerling leert schattend vermenigvuldigen en delen.

BLOK 6  1

LES 2 5

Schat het antwoord. a 5 × 42 ≈ 200

2 Vul in.

7 × 59 ≈ 420

9 × 38 ≈ 360

Ik schat:

Ik schat:

Ik schat:

5 × 40 = 200

7 × 60

b 629 : 7 ≈ 90

23

cm

230

mm

18

cm

180

mm

12

cm

120

mm

15

cm

150

mm

10

cm

100

mm

7

cm

70

mm

6

Vul in.

7 8000

9000

8250

8070 8130

8390

8570 8550

8480

8310

8690

8780

8910

6000

7000

6060

6150

6250

6920

6790

6380 6660 6510 6580 6340 6440

8

Vul de buurgetallen in. 3698

3699

3545

3546

3547

7560

5497

5498

5499

4868

4869

4870

8426

9240

9241

9242

8999

9000

9001

5788

5789

5790

7739

7740

7741

5598

5599

5600

Ik schat:

630 : 7 = 90

250

640

240

: 5 = 50

1

04/04/2020 15:46

per doos € 42

Je koopt 2 pakken:

Je koopt 4 spellen:

3 × € 42

2 × € 93

4 × € 38

≈ € 140

≈ € 120

564 : 8 ≈ 70

492 : 7 ≈ 70

485 : 6 ≈ 80

649 : 8 ≈ 80

209 : 4 ≈ 50

239 : 4 ≈ 60

269 : 3 ≈ 90

809 : 9 ≈ 90

479 : 6 ≈ 80

565 : 8 ≈ 70

362 : 9 ≈ 40

321 : 8 ≈ 40

299 : 5 ≈ 60

541 : 6 ≈ 90

349 : 7 ≈ 50

Schrijf de som en schat het antwoord.

x7

x6

≈ € 280

≈ € 180

5

230

cm

18

mm

180

cm

mm

6

:8

≈ € 40

3 vrienden verkopen op de kleedjesmarkt samen voor € 61. Hoeveel euro krijgt elke vriend? Dit is de som: 61

:3

≈ € 20

12

cm

120

mm

15

cm

150

mm

10

cm

100

mm

7

cm

70

mm

7 × 59 ≈ 420

9 × 38 ≈ 360

Ik schat:

Ik schat:

5 × 40 = 200

7 × 60

7 9000

8000

8250 8130

8480

8390

8570 8550

8310

8690

8780

8910

6790

6920

6000

7000

6150

6250

6380 6510 6660 6580 6340 6440

8

Vul de buurgetallen in. 3698

3699

3545

3546

3547

7560

6 × 83 ≈ 480 Ik schat:

= 360

6 × 80

= 480

644 : 8 ≈ 80

239 : 6 ≈ 40

Ik schat:

Ik schat:

Ik schat:

Ik schat:

630 : 7 = 90

250

640

240

: 5 = 50

: 8 = 80

: 6 = 40

Schrijf de som en schat het antwoord.

per doos € 42 Je koopt 3 dozen:

Je koopt 2 pakken:

Je koopt 4 spellen:

3 × € 42

≈ € 120

2 × € 93

≈ € 180

4 × € 38

≈ € 160

162 : 4 ≈ 40

564 : 8

≈ 70

492 : 7 ≈ 70

485 : 6

≈ 80

649 : 8

209 : 4 ≈ 50

239 : 4

≈ 60

269 : 3 ≈ 90

809 : 9 ≈ 90

479 : 6

565 : 8 ≈ 70

362 : 9

321 : 8

299 : 5 ≈ 60

541 : 6

349 : 7 ≈ 50

≈ € 140

Vul in.

≈ 80

≈ 40

≈ 80

Een klas met 29 kinderen gaat naar het zwembad. De entree is € 6 per kind. Hoeveel euro betaalt de juf voor alle kinderen?

2581

5497

5498

5499

4868

4869

4870

8425

8426

9240

9241

9242

8999

9000

9001

5788

5789

5790

7739

7740

7741

5598

5599

5600

≈ 90

≈ 40

Schrijf de som en schat het antwoord.

Dit is de som: 42

2580

per spel € 38

7 × € 18

7562

2579

per pak € 93

Je koopt 7 boeken:

7561

8424

Dit is de som: 29

x7

x6

≈ € 280

≈ € 180

De sponsorloop heeft € 321 opgeleverd. Alle 8 groepen van de school mogen nu online boeken kopen. Voor hoeveel euro kan elke groep ongeveer bestellen? Dit is de som: 321

:8

≈ € 40

3 vrienden verkopen op de kleedjesmarkt samen voor € 61. Hoeveel euro krijgt elke vriend? Dit is de som: 61

4

:3

≈ € 20

09/04/2020 17:17

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 5

09/04/2020 17:17

Blz. 4-5

LES 2

Deze opgave maak je digitaal.

5

Schat het antwoord. a 5 × 42 ≈ 200

2 Vul in.

7 × 59 ≈ 420

9 × 38 ≈ 360

Ik schat:

Ik schat:

Ik schat:

5 × 40 = 200

7 × 60

b 629 : 7 ≈ 90

230

18

mm

180

cm

mm

6

12

cm

120

mm

15

cm

150

mm

10

cm

100

mm

7

cm

70

mm

Vul in.

7 8000

9000

8250 8130

8390

8480

8310

8570 8550

8690

8780

8910

7000

6000

6060

6150

6250

6510 6380 6660 6580 6340 6440

6790

6920

8

Vul de buurgetallen in. 3698

3699

3545

3546

3547

7560

5497

5498

5499

4868

4869

4870

8426

9240

9241

9242

8999

9000

9001

5788

5789

5790

7739

7740

7741

5598

5599

5600

Ik schat:

630 : 7 = 90

250

640

240

MAAT

: 5 = 50

: 8 = 80

: 6 = 40

Schrijf de som en schat het antwoord.

per doos € 42

per pak € 93

per spel € 38

Je koopt 7 boeken:

Je koopt 3 dozen:

Je koopt 2 pakken:

Je koopt 4 spellen:

7 × € 18

3 × € 42

2 × € 93

4 × € 38

≈ € 140

≈ € 120

≈ € 180

≈ € 160

Schat het antwoord. 162 : 4 ≈ 40

564 : 8 ≈ 70

492 : 7 ≈ 70

485 : 6 ≈ 80

649 : 8 ≈ 80

209 : 4 ≈ 50

239 : 4 ≈ 60

269 : 3 ≈ 90

809 : 9 ≈ 90

479 : 6 ≈ 80

565 : 8 ≈ 70

362 : 9 ≈ 40

321 : 8 ≈ 40

299 : 5 ≈ 60

541 : 6 ≈ 90

349 : 7 ≈ 50

Schrijf de som en schat het antwoord.

Dit is de som: 29

x7

x6

≈ € 280

≈ € 180

Opgave 7 Basis: De leerlingen schatten de antwoorden van de deelsommen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

De sponsorloop heeft € 321 opgeleverd. Alle 8 groepen van de school mogen nu online boeken kopen. Voor hoeveel euro kan elke groep ongeveer bestellen? Dit is de som: 321

:8

≈ € 40

3 vrienden verkopen op de kleedjesmarkt samen voor € 61. Hoeveel euro krijgt elke vriend? Dit is de som: 61

:3

≈ € 20

5

4 9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 4

= 480

Ik schat:

Een klas met 29 kinderen gaat naar het zwembad. De entree is € 6 per kind. Hoeveel euro betaalt de juf voor alle kinderen?

2581

8425

6 × 80

Ik schat:

Dit is de som: 42

2580

Ik schat:

Ik schat:

7562

2579

6 × 83 ≈ 480

= 360

239 : 6 ≈ 40

7561

8424

9 × 40

644 : 8 ≈ 80

Jesse kookt voor een goed doel. 42 mensen bestellen een maaltijd van € 7. Hoeveel euro is de opbrengst ongeveer?

4

3697

= 420

251 : 5 ≈ 50

per boek € 18

8070

Opgave 6 Basis: De leerlingen schrijven de keersommen op die bij de contexten horen en schatten de antwoorden. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

lesdoel Ik leer schattend vermenigvuldigen en delen.

cm

Opgave 5 Basis: De leerlingen schatten de antwoorden van de keer­ en deelsommen en schrijven op met welke sommen ze hebben geschat. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

5

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 4

PLUS

9 × 40

251 : 5 ≈ 50

Jesse kookt voor een goed doel. 42 mensen bestellen een maaltijd van € 7. Hoeveel euro is de opbrengst ongeveer?

4

3697

= 420

OVER DE OPGAVEN | VERWERKING

Vul in.

8070

Opgave 4 Basis: De leerlingen vullen de buurgetallen in. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

Schat het antwoord.

Ik schat:

per boek € 18

3

Dit is de som: 321

Opgave 3 Basis: De leerlingen schrijven de getallen op die bij de plekken op de getallenlijnen horen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

04/04/2020 15:47

a 5 × 42 ≈ 200

23

De sponsorloop heeft € 321 opgeleverd. Alle 8 groepen van de school mogen nu online boeken kopen. Voor hoeveel euro kan elke groep ongeveer bestellen?

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 5

b 629 : 7 ≈ 90

1

≈ € 160

Schat het antwoord. 162 : 4 ≈ 40

lesdoel Ik leer schattend vermenigvuldigen en delen.

Deze opgave maak je digitaal.

BLOK 6

≈ € 180

Opgave 2 Basis: De leerlingen schrijven de lengtes op de rolmaten op in cm en mm. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

Blz. 4-5

Vul in.

6060

per spel € 38

Je koopt 3 dozen:

7 × € 18

Dit is de som: 29

2

3

per pak € 93

Je koopt 7 boeken:

LES 2

23

: 6 = 40

5

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 4

BLOK 6

: 8 = 80

Schrijf de som en schat het antwoord.

4

BASIS

= 480

Ik schat:

Een klas met 29 kinderen gaat naar het zwembad. De entree is € 6 per kind. Hoeveel euro betaalt de juf voor alle kinderen?

2581

8425

6 × 80

Ik schat:

Dit is de som: 42

2580

Ik schat:

Ik schat:

7562

2579

6 × 83 ≈ 480

= 360

239 : 6 ≈ 40

7561

8424

9 × 40

644 : 8 ≈ 80

Jesse kookt voor een goed doel. 42 mensen bestellen een maaltijd van € 7. Hoeveel euro is de opbrengst ongeveer?

4

3697

= 420

251 : 5 ≈ 50

per boek € 18

3

OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN

lesdoel Ik leer schattend vermenigvuldigen en delen.

Deze opgave maak je digitaal.

Herhalen: • cm omrekenen in mm en andersom; • getallen plaatsen op de getallenlijn; • volgorde in de getallenrij tot 10.000.

09/04/2020 17:12

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 5

09/04/2020 17:12

Blz. 4-5

4

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 6 HL G5B6.indd 4

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Verwerken: • schattend vermenigvuldigen en schattend delen; • het ≈ teken als vergelijkingsteken voor ‘ongeveer’.

Opgave 8 Basis: De leerlingen schrijven de keer­ en deelsommen op die bij de contexten horen en schatten de antwoorden. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

LES 2 AUTOMATISEREN & MEMORISEREN De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.

OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.

TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES De leerling leert schattend vermenigvuldigen en delen. • Blik kort terug op de vorige les. • Bespreek kort de stappen bij het schatten: ­ Rond een getal af op een tiental. ­ Gebruik een hulpsom om het de som schattend uit te rekenen. • Oefen deze aanpak kort met de som ‘349 : 5 ≈ (50)'. Bekijk het lesdoel uit de vorige les.

VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.

REFLECTIE • Laat de leerlingen twee contextsommen bedenken die schattend kunnen worden opgelost, een keer­som en een deelsom. Laat hen voor inspiratie eventueel bladeren in het werkboek. • Laat de leerlingen door de klas lopen en geef na 1 minuut een kort signaal. • Laat leerlingen die nu dichtbij elkaar staan elkaar een high five geven en elkaars sommen oplossen. • Laat hen elkaar feedback op het antwoord geven. • Geef na 2 minuten weer een signaal waarbij de leerlingen op zoek gaan naar een ander maatje.

• Herhaal deze werkwijze een paar keer. Vraag na afloop aan de leerlingen wie er een bijzondere contextsommen is tegengekomen. Bespreek deze sommen klassikaal. STRATEGIEËN Schatten Schatten is bepalen hoeveel het ongeveer is. Bij schatten refereer je aan een getal dat in de buurt ligt van de precieze uitkomst. Je rekent dus niet precies uit, maar gaat ook niet gokken. Schatten gaat over begrip. Bij schatten maak je namelijk gebruik van referentiegetallen; sommen die je kent of referentieopgaven in de context staan centraal. Schatten gaat over kritisch beredeneren en onderbouwen vanuit referentiegetallen. Schatten lijkt een soort intuïtie, zoals een slager die weet hoeveel 100 gram vlees is, of een volwassene die weet dat hij genoeg heeft aan € 100,­ om zijn boodschappen te betalen. Voor beiden geldt dat zij goed zicht hebben op referentiematen. Bij schatten zijn een aantal invalshoeken belangrijk: 1 Het schattend rekenen als voorwerk bij een bewerking. Dus eerst schatten en daarna precies uitrekenen. 2 Schatten als zelfstandige activiteit, bijvoorbeeld bij het schatten van grote hoeveelheden. Denk aan mensenme­ nigte of overvliegende spreeuwen. 3 Schatten als onderdeel van het opbouwen van gevoel voor maten bij Meten. Denk daarbij aan schatten van tijds­ duur, gewicht, lengte enz. Bij deze laatste vorm kan soms de schatting gecontroleerd worden door precies te meten, waardoor het eigenlijk een soort van mengvorm wordt. Schatten speelt een belangrijke rol bij het rekenen met de rekenmachine. Vooraf schat je wat de uitkomst van een som zou kunnen zijn. Met de rekenmachine reken je het antwoord precies uit, maar je moet dit nog wel afronden.

5

Untitled-1 7 TMH_9789006639407_ATQ HL G5B6.indd 5

16/11/2020 08:47 1/07/20 15:26


Blok 6 | Les 3 LESDOEL

• referentiematen voor de meter (bordliniaal / grote stap), centimeter (de breedte van je nagel) en millimeter (dikte van je nagel); • 1 m = 1000 mm, 1 m = 10 cm en 1 m = 10 dm; • 1 dm = 10 cm, 1 dm = 100 mm;

De leerling rekent met meter, decimeter, centimeter en millimeter. Instructie: • introductie van de decimeter als maatverfijning van de meter;

LES 3

BLOK 6

4

Nu jij!

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

3 dm + 700

mm

20 cm + 80

cm

5 dm + 500

mm

5 dm + 50

cm

40 cm + 6

dm

8 dm + 200

mm

4 dm + 6

dm

90 cm + 100

mm

2 dm + 8

dm

400 mm + 6

dm

cm.

2 dm + 800

mm

55 cm + 45

cm

8 dm + 20

cm

250 mm + 75

cm

De breedte van het kussen is

6 60

4 40

dm, dat is 2

3

4

5

6

7

8

9

10

5 150 cm

150 cm

De lengte van het meisje is

140 130 120 110 100

70 60 50 40

120 110 100

110 11

90 80

cm, dat is

70 60 50 40

20

20

10

10

0

0

3 dm

cm, dat is dm.

6 20 dm = 2

m

m

50 mm = 5

cm

5 m = 50

dm

9 dm = 90

cm

2 dm = 20

cm

6 dm = 60

cm

20 cm = 2

dm

1 dm = 10

cm

5 cm = 50

mm

30 mm = 3

cm

300 cm = 3

m

3 m = 30

dm

cm

600 cm = 6

m

50 dm = 5

m

2 m = 200

m gu

lijm

7 sterk

dm

m

cm

dm

mm

cm

m

mm

dm

m

cm

dm

mm

cm

m

mm

dm

m

cm

dm

cm

40 cm

50 mm

2 dm

15 mm

3 dm

40 cm

15 mm

2 dm

25 cm

6 dm

50 cm

200 mm

8 dm

60 cm

400 mm

50 cm

6 dm

200 mm

60 cm

8 dm

1

dm 10 cm

3

m 30 dm

100

mm

12 m

120

dm

1200

cm

4 dm

40

6m

60

dm

600

cm

4

dm 40 cm

cm

400

mm

cm

2600 mm G

30 dm

O

75 dm

B

800 m

20 dm

A

470 cm

E

6m

D

5600 dm N

90 m

S

500 mm

I

7500 mm G

230 m

T

2300 cm

P

90 dm

6 km

R

40 m

U

980 mm W

De zin is: Goed

gedaan!!!

900 dm

A

6 km

G

A

5600 m

2300 m

D

7200 m

N

2 km

E

8 km

!!!

A

.

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 7

4

3

E

K

4 km

04/04/2020 15:47

lesdoel Ik reken met meter, decimeter, centimeter en millimeter.

Nu jij!

2

mm

4

5

6

7

8

9

10

De breedte van de tafel is

De breedte van het kussen is

6 60

4 40

dm, dat is cm.

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

150 cm

150 cm

De lengte van het meisje is

130 120 110

cm.

100 80 70 60 50 40

130 120 110 100

110 11

90

De lengte van de jongen is

140

cm, dat is

90

dm.

60

140 14

80 70 50 40

30

30

20

20

10

10

0

6 m

50 mm = 5

cm

5 m = 50

dm

9 dm = 90

cm

2 dm = 20

cm

6 dm = 60

cm

20 cm = 2

dm

1 dm = 10

cm

5 cm = 50

mm

30 mm = 3

cm

300 cm = 3

m

3 m = 30

dm

cm

600 cm = 6

m

50 dm = 5

m

2 m = 200

mm cm

4 dm +

dm

3 dm

dm.

0

20 dm = 2

m

3 dm +

50 cm +

dm

80 500 20 300 mm + 70 20 cm +

cm

5 dm +

mm

8 dm +

cm

75 6 200 50 mm + 95

cm

100 45 8 400 mm + 6

25 cm

15 mm

250 mm +

cm

40 cm +

dm

8 dm +

mm

cm

90 cm +

mm

55 cm +

cm

2 dm +

dm

40 cm

50 mm

2 dm

50 mm

3 dm

40 cm

15 mm

2 dm

25 cm

400 mm

6 dm

50 cm

200 mm

8 dm

60 cm

400 mm

50 cm

6 dm

200 mm

60 cm

8 dm

Vul in.

1

dm 10 cm

3

m 30 dm

100

mm

12 m

120

dm

1200

cm

4 dm

40

6m

60

dm

600

cm

4

dm 40 cm

cm

400

mm

Kruis de maat aan.

m

gu

lijm

7 sterk

m

dm

cm

mm

m

dm

cm

mm

m

dm

cm

dm

cm

mm

m

dm

cm

mm

m

dm

cm

mm

2600 mm G

cm

30 dm

O

75 dm

B

800 m

20 dm

A

470 cm

E

6m

D

5600 dm N

90 m

S

500 mm

I

7500 mm G

230 m

T

2300 cm

P

90 dm

R

40 m

U

De zin is: Goed

mm

300

gedaan!!!

980 mm W

G

5600 m

A

2300 m

D

7200 m

N

2 km

E

8 km

!!!

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 7

4

Nu jij! De breedte van de tafel is

2

A

6 km

09/04/2020 17:17

3

4

5

6

7

8

9

10

6 60

De breedte van het kussen is

4 40

dm, dat is cm.

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

dm, dat is cm.

5 150 cm 140 130 120 110 100 80 70 60 50 40

150 cm

De lengte van het meisje is

110 11

90

De lengte van de jongen is

140 130 120 110 100

cm, dat is

90

dm.

60

140 14

80 70 50 40

30

30

20

20

10

10

0

0

20 dm = 2

m

m

50 mm = 5

cm

20 cm = 2

dm

30 mm = 3

cm

300 cm = 3

m

m

50 dm = 5

m

cm

6 dm = 60

cm

1 dm = 10

cm

5 cm = 50

mm

3 m = 30

dm

cm

600 cm = 6

2 m = 200

mm

5 dm + 50

cm

60 cm + 400 mm

300 mm + 70 cm

mm

8 dm + 20

cm

30 cm + 700 mm

50 mm + 95 cm

4 dm + 600

mm

2 dm + 80

cm

25 cm + 750

mm

400 mm + 60 cm

2 dm + 800

mm

8 dm + 20

cm

54 cm + 460 mm

250 mm + 75 cm

Schrijf van kort naar lang. 30 cm

dm.

6

2 dm = 20

Vul aan tot 1 meter. 3 dm + 700 5 dm + 500

cm, dat is

Vul in. 10 dm = 1

Opgave 6 Basis: De leerlingen schrijven de lengte van de voorwerpen in cm en mm. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

lesdoel Ik reken met meter, decimeter, centimeter en millimeter.

1

1

900 dm

A

Blz. 6-7

LES 3

BLOK 6

E

K

4 km

7 09/04/2020 17:17

Opgave 5 Basis: De leerlingen noteren de maten op volgorde van kort naar lang. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

mm

.

6 9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 6

PLUS

400

Opgave 4 Basis: De leerlingen vullen de maten aan tot 1 meter. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen en maten. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen en maten.

Kleur de weg van kort naar lang en vul in.

6 km

m

Opgave 3 Basis: De leerlingen kruisen de maten aan die bij de afbeeldingen horen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

dm

Schrijf van kort naar lang.

cm, dat is

Vul in. 10 dm = 1

Vul aan tot 1 meter.

700 50 6 200 mm + 8

dm, dat is

5 140

Opgave 2 Basis: De leerlingen herleiden de lengtes. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

7

1

1

400

Kleur de weg van kort naar lang en vul in. 

mm

300

Blz. 6-7

LES 3

BLOK 6

3

25 cm

50 mm

Vul in.

mm

04/04/2020 15:47

BASIS

2

cm

400 mm

6 9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 6

3

cm

50 mm + 95

Kruis de maat aan.

m

2

300 mm + 70

Schrijf van kort naar lang.

30

Vul in. 10 dm = 1

3

140 14

90 80

dm.

30

2

De lengte van de jongen is

140 130

Vul aan tot 1 meter.

dm, dat is

De breedte van de tafel is

1

Vervolg op: • km, m, cm en mm.

OVER DE OPGAVEN

lesdoel Ik reken met meter, decimeter, centimeter en millimeter.

1

cm.

• meters, decimeters, centimeters en millimeters herleiden.

5 m = 50

dm

9 dm = 90

cm

50 mm

20 cm

25 cm

50 mm

30 cm

40 cm

15 mm

20 cm

25 cm

200 mm

40 cm

80 cm

60 cm

8 dm

2 dm

15 mm

25 cm

200 mm

60 cm

80 cm

2 dm

25 cm

8 dm

Opgave 7 | signaalopgave Basis: De leerlingen kleuren de weg van kort naar lang. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

Vul in.

1

dm 10 cm

3

m 30 dm

100

mm

12 m

120

dm

1200

cm

4 dm

40

6m

60

dm

600

cm

4

dm 40 cm

cm

400

mm

Kruis de maat aan.

m

gu

lijm

7 sterk

m

dm

cm

mm

m

dm

cm

mm

m

dm

cm

mm

2600 mm G

dm

cm

mm

m

dm

cm

mm

m

dm

cm

mm

MAAT

30 dm

O

75 dm

B

800 m

E

6m

D

5600 dm N

I

7500 mm G

P

90 dm

A

470 cm

S

500 mm

230 m

T

2300 cm

6 km

R

40 m

U

980 mm W

De zin is: Goed

6 9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 6

cm

90 m

20 dm

m

300

400

mm

Kleur de weg van kort naar lang en vul in.

gedaan!!!

E

K

900 dm

A

6 km

G

4 km

A

5600 m

A

2300 m

D

7200 m

N

2 km

E

8 km

!!!

.

7 09/04/2020 17:12

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 7

09/04/2020 17:12

Blz. 6-7

6

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 8 HL G5B6.indd 6

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Materiaal: • bordliniaal met centimeters, decimeters en meters (leerkracht); • liniaal van 30 cm (per leerling); • klimkaart 3-2-1-kaart.

LET OP: deze les bevat een signaal­ opgave. Signaalopgaven zitten in elke eerste en derde les. Deze opgave is een opgave van een opvolgend niveau. De opgaven zijn te herkennen aan het vuurtorensymbool. Dit betekent dat de maatleerlingen een basisopgave maken,

LES 3 INSTRUCTIE De leerling rekent met meter, decimeter, centimeter en millimeter. • Laat een bordliniaal zien en laat de leerlingen opschrijven welke maten ze herkennen (meter en centimeter). • Vertel de leerlingen dat er nog een andere maat is om te meten hoe lang iets is: de decimeter. • Vraag de leerlingen of ze kunnen bedenken hoe lang een decimeter is. • Bespreek het voorvoegsel ‘deci’: Dat staat voor ‘er passen er 10 in’. In een meter passen 10 decimeters. Dit is hetzelfde als bij de liter: hier passen 10 deciliters in. • Laat alle leerlingen op hun liniaal 10 centimeter aanwijzen door hun duim en pink zover uit elkaar te houden dat er 10 cm tussen zit. • Leg uit dat 10 centimeter hetzelfde is als een decimeter en dat je een handspan kunt gebruiken om een idee te hebben hoe lang een decimeter ongeveer is. • Wijs op een bordliniaal de decimeters en centimeters aan. • Vul samen met de leerlingen de vergelijkingen op het bord in.

BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! • Maak samen met de leerlingen opgave 1. Laat de lengte zien op je bordliniaal en herhaal dat 1 decimeter gelijk is aan 10 centimeter. • Laat de leerlingen de rest van opgave 1 maken en invullen hoeveel centimeter en hoeveel decimeter de verschillende lengtes zijn. • Bespreek na en besteed aandacht aan de lengtes van het jongen en het meisje. Die langer zijn dan 1 m. Vraag de leerlingen hoe zij het aantal centimeters en decimeters hebben bepaald.

VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.

de basisleerlingen en plusleerlingen maken een plusopgave.

EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Herhaal kort de referentiematen voor een centimeter (de breedte van je vinger) en een decimeter (een handspan). • Herhaal dat er 10 decimeters / 10 keer een handspan achter elkaar in een meter passen. Laat de leerlingen 10 keer een handspan achter elkaar langs de bordliniaal leggen om dit te ervaren. • Laat de leerlingen op hun liniaal 10 centimeter aanwijzen. • Vraag de leerlingen hoeveel centimeter er in 1 decimeter zit. • Laat de leerlingen het rijtje opschrijven: 1 meter = 10 decimeter = 100 centimeter = 1000 millimeter en vertel hen dat ze dit rijtje kunnen gebruiken als ze de opgaven maken. • Herhaal nog een keer het verschil tussen decimeters en centimeters. • Laat de leerlingen een start maken met opgave 4.

REFLECTIE • Laat de leerlingen de klimkaart ‘3­2­1­kaart’ invullen. • Laat hen in tweetallen bespreken wat zij hebben ingevuld. • Bespreek na en vraag 3 leerlingen naar ontdekkingen, 2 leerlingen naar interesses en 1 leerling naar een vraag die overblijft. Over de klimkaart ‘3­2­1­kaart’: • Doelgroep: vanaf groep 5­8. • Bedoeling van de kaart: de kaart evalueert de lesstof en beleving daarvan met open vragen. • Hoe werkt de kaart?: ­ Geef aan over welke les de leerlingen de kaart invullen. De leerlingen hebben 3 minuten om de kaart in te vullen. ­ Neem de kaarten in of bespreek enkele kaarten steekproefsgewijs in de groep. ­ Welk inzicht geeft de inhoud van de kaart in het leerproces? Wat betekent dit voor de volgende instructieles? • Wanneer gebruik je de kaart?: leerlingen vullen zelfstandig of in tweetallen de kaart in na afloop van een les.

7

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 9 HL G5B6.indd 7

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Blok 6 | Les 4 LESDOEL

Automatiseren & memoriseren: • optellen en aftrekken tot en met 1000.

De leerling rekent met meter, decimeter, centimeter en millimeter.

BLOK 6  LES 4

OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN

lesdoel Ik reken met meter, decimeter, centimeter en millimeter.

Deze opgave maak je digitaal.

1

Herhalen: • optellen en aftrekken tot en met 1000; • tijd meten in uren en minuten.

5 Vul in.

2 Vul in. a

+

7

27

127

427

60

67 241 335 442

87 261 355 462

187 361 455 562

487 661 755 862

234 328 435

b

–

8

28

120

228

850

842 226 320 427

822 206 300 407

730 114 208 315

622 6 100 207

234 328 435

3 Schrijf de som en reken uit. Er is 842 MB gebruikt, tot het eind van de maand is er nog 149 MB te gebruiken. Hoeveel MB is dat samen?

Er is 659 MB gebruikt, tot het eind van de maand is er nog 232 MB te gebruiken. Hoeveel MB is dat samen?

Er is 800 MB beschikbaar. Er is 645 MB gebruikt. Hoeveel MB is er over?

som:

som:

som:

842 + 149

= 991

MB

659 + 232

= 891

800 – 645

MB

= 155

6

m 50 dm

1 dm =

10 40 7 3

aankomsttijd

aankomsttijd

vertraging: 30 minuten

nieuwe aankomsttijd

vertraging: 40 minuten

nieuwe aankomsttijd

aankomsttijd

nieuwe aankomsttijd

8 vertraging: 20

minuten

vertraging: 15

30

dm

300

cm

4m

40

dm

400

cm

9 dm

90

cm

900

mm

50 m

500

dm

5000

cm

cm

cm

30 dm = 3

m

dm cm

600 cm = 6

m

m

20 dm = 2

m

cm

8 cm = 80

mm cm

800 cm = 8

4 m = 400

3 m = 30

dm

7 dm = 70

cm

minuten

50 cm

40 mm

3 dm

35 cm

20 mm

40 mm

2 dm

50 cm

20 mm

3 dm

35 cm

5 dm

350 mm

40 cm

100 mm

7 dm

50 cm

350 mm

40 cm

5 dm

100 mm

50 cm

7 dm

400 mm

2 dm

30 cm

70 cm

900 mm

8 dm

8 dm

900 mm

2 dm

30 cm

400 mm

70 cm

85 cm

950 mm

9 dm

300 mm

1 dm

20 cm

85 cm

9 dm

950 mm

1 dm

20 cm

300 mm

Kruis aan. Ik begrijp het verschil tussen dm en cm: heel goed

goed

een beetje

bijna goed

9

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 8

04/04/2020 15:47

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 9

04/04/2020 15:47

Blz. 8-9

BLOK 6  LES 4

lesdoel Ik reken met meter, decimeter, centimeter en millimeter.

Deze opgave maak je digitaal.

1

cm

50 cm = 5 60 mm = 6

7 dm = 70

m

8

BASIS

90 mm = 9

cm

5 Vul in.

2 Vul in. a

234

7 67 241

328

335

435

442

+ 60

127

27

87 261 355 462

187

361 455 562

b

427

487 661 755 862

–

8

850

842 226 320 427

234 328 435

28

120

730 114 208 315

822

206 300 407

228 622

6 100 207

3 Schrijf de som en reken uit. Er is 842 MB gebruikt, tot het eind van de maand is er nog 149 MB te gebruiken. Hoeveel MB is dat samen?

Er is 659 MB gebruikt, tot het eind van de maand is er nog 232 MB te gebruiken. Hoeveel MB is dat samen?

Er is 800 MB beschikbaar. Er is 645 MB gebruikt. Hoeveel MB is er over?

som:

som:

som:

842 + 149

= 991

MB

659 + 232

= 891

800 – 645

MB

6

5

m 50 dm

5 900 4 7 cm + 93

vertraging: 45 minuten

vertraging: 50 minuten aankomsttijd

nieuwe aankomsttijd

vertraging: 40 minuten

nieuwe aankomsttijd

aankomsttijd

nieuwe aankomsttijd

8 vertraging: 20

minuten

vertraging: 15

cm

3m

30

dm

300

cm

4m

40

dm

400

cm

9 dm

90

cm

900

mm

50 m

500

dm

5000

cm

90 600 80 300 mm + 70

mm dm cm

10 cm +

cm

4 dm +

mm

2 dm +

cm

minuten

50 cm

35 cm

20 mm

dm

8 dm +

mm

cm

90 cm +

mm

55 cm +

mm

2 dm +

dm

3 dm

40 mm

2 dm

50 cm

20 mm

3 dm

35 cm

5 dm

350 mm

40 cm

100 mm

7 dm

50 cm

350 mm

40 cm

5 dm

100 mm

50 cm

dm

7 dm

400 mm

2 dm

30 cm

70 cm

900 mm

8 dm

2 dm

30 cm

400 mm

70 cm

8 dm

900 mm

85 cm

950 mm

9 dm

300 mm

1 dm

20 cm

85 cm

9 dm

950 mm

1 dm

20 cm

300 mm

Kruis aan. Ik begrijp het verschil tussen dm en cm: heel goed

goed

een beetje

bijna goed

9

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 8

09/04/2020 17:17

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 9

09/04/2020 17:17

Blz. 8-9

BLOK 6  LES 4 1

cm

100 450 8 400 mm + 6

cm

40 cm +

40 mm

8

PLUS

75 6 200 50 mm + 95

250 mm +

Opgave 4 Basis: De leerlingen vullen de aankomsttijden in, rekening houdend met vertraging. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

Schrijf van kort naar lang.

b Vul de vertraging in. aankomsttijd

mm

Opgave 3 Basis: De leerlingen schrijven de plus­ en minsommen op die bij de contexten horen en rekenen ze uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Zelfde soort opdrachten als Basis, met andere getallen.

nieuwe aankomsttijd

aankomsttijd

vertraging: 30 minuten

500

dm

6 dm +

2 dm

nieuwe aankomsttijd

700

Vul aan tot 1 meter. 50 cm +

7 aankomsttijd

dm 70 cm

MB

Vul de nieuwe aankomsttijd in. nieuwe aankomsttijd

7

100 mm + = 155

4 a aankomsttijd

Opgave 2 Basis: De leerlingen vullen de optel­ en aftrektabellen in. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen vullen soms de getallen op andere plekken in. Maat: De leerlingen rekenen de plus­ en minsommen uit.

Schrijf van kort naar lang.

b Vul de vertraging in. aankomsttijd

3m

nieuwe aankomsttijd

vertraging: 50 minuten

nieuwe aankomsttijd

mm

500

dm

2 dm vertraging: 45 minuten

700

Vul in.

4 dm =

7 aankomsttijd

5

300 mm =

Vul de nieuwe aankomsttijd in. nieuwe aankomsttijd

dm 70 cm

70 dm = MB

4 a aankomsttijd

7

lesdoel Ik reken met meter, decimeter, centimeter en millimeter.

Deze opgave maak je digitaal.

5 Vul in.

2 Vul in. 60 +

7 = 67

234 +

7 = 241

220 –

8 = 112

228 –

8 = 220

60 + 27 = 87

234 + 27 = 261

220 – 28 = 192

228 – 28 = 200

60 + 127 = 187

234 + 127 = 361

220 – 120 = 100

228 – 120 = 108

60 + 427 = 487

234 + 427 = 661

220 – 128 = 92

228 – 128 = 100

7

dm 70 cm

5

m 50 dm

700

mm

3m

30

dm

300

cm

4m

40

dm

400

cm

9 dm

90

cm

900

mm

50 m

500

dm

5000

cm

50 mm = 5

3 Schrijf de som en reken uit. Er is 842 MB gebruikt, tot het eind van de maand is er nog 149 MB te gebruiken. Hoeveel MB is dat samen?

Er is 610 MB gebruikt, tot het eind van de maand is er nog 232 MB te gebruiken. Hoeveel MB is dat samen?

Er is 850 MB beschikbaar. Er is 645 MB gebruikt. Hoeveel MB is er over?

som:

som:

som:

842 + 149

= 991

MB

610 + 232

= 842

MB

850 – 645

= 205

6

MB

4 Vul de nieuwe aankomsttijd in. a aankomsttijd

nieuwe aankomsttijd

aankomsttijd

nieuwe aankomsttijd

vertraging: 45 minuten

vertraging: 50 minuten

aankomsttijd

aankomsttijd

nieuwe aankomsttijd

vertraging: 30 minuten

7

vertraging: 40 minuten

b Vul de vertraging in. aankomsttijd

vertraging: 20

nieuwe aankomsttijd

aankomsttijd

minuten

vertraging: 15

nieuwe aankomsttijd

minuten

8

1 dm = 10

cm

2 m = 200 cm

cm

50 cm = 5

dm

cm

6 m = 600 cm

20 mm = 2

cm

900 cm = 90

dm

m

5 m = 50

dm

300 mm = 3

dm

3 cm = 30

m

2 m = 20

dm

600 mm = 6

dm

400 mm

30 dm = 3

2 dm

3 dm

40 mm

2 dm

5 dm

2 dm

3 dm

400 mm

100 mm

70 cm

50 cm

300 mm

1 dm

20 mm

5 dm

40 mm

100 mm

50 cm

20 mm

1 dm

300 mm

85 cm

950 mm

90 cm

5 dm

350 mm

40 cm

85 cm

90 cm

950 mm

350 mm

40 cm

30 cm

35 cm

20 mm

50 cm

600 mm

5 cm

20 mm

30 cm

35 cm

5 cm

50 cm

600 mm

mm m

70 cm

5 dm

Kruis aan. Ik begrijp het verschil tussen dm en cm: heel goed

MAAT

500 cm = 5

Schrijf van kort naar lang.

goed

een beetje

bijna goed

9

8 9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 8

cm

4 dm = 40 70 dm = 7

2 dm

nieuwe aankomsttijd

500

Vul in.

09/04/2020 17:12

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 9

09/04/2020 17:12

Blz. 8-9

8

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 10 HL G5B6.indd 8

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Verwerken: • decimeters; • referentiematen voor de meter (bordliniaal / grote stap), centimeter (de breedte van je nagel) en millimeter (dikte van je nagel);

• 1 m = 1000 mm, 1 m = 10 cm en 1 m = 10 dm; • 1 dm = 10 cm, 1 dm = 100 mm; • meters, decimeters, centimeters en millimeters herleiden.

Materiaal: • klimkaart Schaalkaart.

OVER DE OPGAVEN | VERWERKING

LES 4

Opgave 5 Basis: De leerlingen vullen de lengtes in meters, decimeters, centimeters of millimeters. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

AUTOMATISEREN & MEMORISEREN

Opgave 6 Basis: De leerlingen herleiden de lengtematen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Zelfde soort opdrachten als Basis, met andere getallen.

TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES

Opgave 7 Basis: De leerlingen schrijven de lengtes van kort naar lang. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.

De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.

OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.

De leerling rekent met meter, decimeter, centimeter en millimeter. • Blik kort terug op de vorige les. • Herhaal dat 10 decimeter in 1 meter past en vraag de leerlingenhoeveel cm in een dm passen. • Laat de leerlingen het rijtje invullen: 1 m = ____ dm = ____ cm = ____ mm. Bekijk het lesdoel uit de vorige les.

VERWERKING Opgave 8 Basis: De leerlingen schrijven op hoe goed ze het verschil begrijpen tussen dm en cm: heel goed, goed, een beetje of bijna goed. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.

REFLECTIE • Laat de leerlingen de klimkaart ‘Schaalkaart’ invullen. • Laat hen in tweetallen aan elkaar uitleggen waarom ze kozen voor een bepaalde schaal. • Bespreek na. • Laat leerlingen die ‘goed’ of ‘heel goed’ hebben ingevuld het verschil tussen cm en dm uitleggen. Over de klimkaart ‘Schaalkaart’: • Doelgroep: groep 4­8. • Bedoeling van de kaart: leerlingen schalen hun eigen kunnen in en denken op een andere manier na over hun volgende stap. • Hoe werkt de kaart?: ­ Benoem het lesdoel of een onderwerp waarvoor leerlingen een kaart invullen. Leerlingen vullen zelfstandig de kaart in. Dat duurt 2 minuten. ­ De leerlingen vragen elkaar in tweetallen wat nodig is om 1 punt te stijgen. ­ Sluit de activiteit af door enkele tweetallen te vragen wat zij bespraken. • Wanneer gebruik je de kaart?: leerlingen vullen zelfstandig of in tweetallen de kaart in na afloop van een les of blok.

9

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 11 HL G5B6.indd 9

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Blok 6 | Les 5 LESDOELEN

Handig rekenen: • keersommen uitrekenen door compenseren.

• De leerling leert schattend vermenigvuldigen en delen. • De leerling rekent met meter, decimeter, centimeter en millimeter.

BLOK 6

LES 5

Afronden weektaken Nu even anders: • schattend vermenigvuldigen van geldbedragen.

extra oefenen

1

1

Reken handig.

OVER DE OPGAVEN

Schat het antwoord.

8 × 39 = 8 × 40

–8×1

= 312

9 × 51 = 9 × 50

+9×1

= 459

251 : 5 ≈ 50

721 : 8 ≈ 90

642 : 8 ≈ 80

393 : 5 ≈ 80

6 × 41 = 6 × 40

+6×1

= 246

5 × 29 = 5 × 30

–5×1

= 145

629 : 7 ≈ 90

299 : 5 ≈ 60

119 : 4 ≈ 30

364 : 4 ≈ 90

4 × 69 = 4 × 70

–4×1

= 276

3 × 79 = 3 × 80

–3×1

= 237

719 : 8 ≈ 90

424 : 6 ≈ 70

285 : 7 ≈ 40

322 : 8 ≈ 40

7 × 61 = 7 × 60

+7×1

= 427

2 × 91 = 2 × 90

+2×1

= 182

422 : 6 ≈ 70

239 : 4 ≈ 60

481 : 6 ≈ 80

458 : 9 ≈ 50

2 2

SPORTPALEIS 4 x sportshirt € 31 € 68 1 x sneakers TOTAAL

≈ € 100

4 × € 31

≈ € 120

4 × € 62

≈ € 240

3 × € 29

≈ € 90

1 × € 68

≈ € 70

2 × € 32

≈ € 60

FIETSSHOP 1 x sportfiets € 269 € 41 2 x fietshelm TOTAAL

≈ € 100

1 × € 269

≈ € 270

5× € 33

≈ € 150

1 × € 59

≈ € 60

2 × € 41

≈ € 80

5 × € 19

≈ € 100

130

1300

dm

8

cm

dm 80 cm

800

mm

50

dm

500

80 mm = 8

cm

mm

9 dm = 90

cm

30 cm = 3

dm

3 m = 30

dm

40 dm = 4 3 cm = 30

mm

90 mm = 9

cm

500 cm = 5

m

6 dm = 60

cm

cm

200 cm = 2

m

50 dm = 5

m

m

m

3 m = 300

5 m = 50

dm

5 dm = 50

cm

11

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 10

04/04/2020 15:47

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 11

04/04/2020 15:47

Blz. 10-11

LES 5

extra oefenen

1

1

Reken handig. –8×1

= 312

9 × 51 = 9 × 50

+9×1

= 459

6 × 41 = 6 × 40

+6×1

= 246

5 × 29 = 5 × 30

–5×1

= 145

629 :7

4 × 69 = 4 × 70

–4×1

= 276

3 × 79 = 3 × 80

–3×1

= 237

719 : 8 ≈ 90

251 : 5 ≈ 50

424 : 6 ≈ 70

7 × 61 = 7 × 60

+7×1

= 427

2 × 91 = 2 × 90

+2×1

= 182

422 : 6

239 : 4

481 : 6 ≈ 80

2 2

≈ 90

≈ 70

721 : 8 ≈ 90

642 : 8

299 : 5

119 : 4 ≈ 30

364 : 4 ≈ 90

285 : 7

322 : 8

≈ 40

Opgave 2 Basis: De leerlingen schrijven de keersommen op die bij de contexten horen en schatten de antwoorden en de totaalbedragen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

≈ 80

≈ 40

458 : 9 ≈ 50

SPORTPALEIS 4 x sportshirt € 31 € 68 1 x sneakers TOTAAL

DIERENTUIN 4 x volwassenen € 62 € 32 2 x kinderen TOTAAL

≈ € 100

4 × € 31

≈ € 120

4 × € 62

≈ € 240

3 × € 29

≈ € 90

1 × € 68

≈ € 70

2 × € 32

≈ € 60

totaalbedrag ≈ € 190

SPEELGOEDZO 2 x Lego Kasteel € 53 € 59 1 x surfboard TOTAAL

totaalbedrag ≈ € 300

FIETSSHOP 1 x sportfiets € 269 € 41 2 x fietshelm TOTAAL

ETEN EN DRINKEN 5 x diner € 33 € 19 5 x dessert TOTAAL

2 × € 53

≈ € 100

1 × € 269

≈ € 270

5× € 33

≈ € 150

1 × € 59

≈ € 60

2 × € 41

≈ € 80

5 × € 19

≈ € 100

totaalbedrag ≈ € 160

totaalbedrag ≈ € 350

totaalbedrag ≈ € 250

Vul in.

13 m

4

≈ 60

393 : 5

≈ 80

2 × € 49

totaalbedrag ≈ € 190

3

≈ 60

Schrijf de som en schat. MEDIAWERELD 2 x computerspel € 49 € 29 3 x DVD TOTAAL

Nu even anders. Speel domino en plak de stenen op.

Opgave 1 Basis: De leerlingen schatten de antwoorden van de deelsommen. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen vullen soms de getallen op andere plekken in. Maat: Gelijk aan Basis.

Vul in.

8 × 39 = 8 × 40

130

1300

dm

cm

8

dm 80 cm

800

mm

5m

50

dm

500

cm

Vul in. 90 dm = 9

80 mm = 8

cm

2 dm = 200

mm

9 dm = 90

cm

30 cm = 3

dm

3 m = 30

dm

40 dm = 4 3 cm = 30

mm

90 mm = 9

cm

500 cm = 5

m

6 dm = 60

cm

cm

200 cm = 2

m

50 dm = 5

m

m

m

3 m = 300

10

5 m = 50

dm

5 dm = 50

cm

Opgave 3 Basis: De leerlingen schrijven de lengtes op in dm en cm. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

11

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 10

09/04/2020 17:17

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 11

09/04/2020 17:17

Blz. 10-11

LES 5

Opgave 4 Basis: De leerlingen herleiden de lengtematen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.

extra oefenen

1

1

Reken handig.

Schat het antwoord.

8 × 39 = 8 × 40

–8×1

= 312

9 × 51 = 9 × 50

+9×1

= 459

251 : 5 ≈ 50

721 : 8 ≈ 90

642 : 8 ≈ 80

393 : 5 ≈ 80

6 × 41 = 6 × 40

+6×1

= 246

5 × 29 = 5 × 30

–5×1

= 145

629 : 7 ≈ 90

299 : 5 ≈ 60

119 : 4 ≈ 30

364 : 4 ≈ 90

4 × 69 = 4 × 70

–4×1

= 276

3 × 79 = 3 × 80

–3×1

= 237

719 : 8 ≈ 90

424 : 6 ≈ 70

285 : 7 ≈ 40

322 : 8 ≈ 40

7 × 61 = 7 × 60

+7×1

= 427

2 × 91 = 2 × 90

+2×1

= 182

422 : 6 ≈ 70

239 : 4 ≈ 60

481 : 6 ≈ 80

458 : 9 ≈ 50

2 2

Schrijf de som en schat. MEDIAWERELD 2 x computerspel € 49 € 29 3 x DVD TOTAAL

Nu even anders. Speel domino en plak de stenen op.

SPORTPALEIS 4 x sportshirt € 31 € 68 1 x sneakers TOTAAL

≈ € 100

4 × € 31

≈ € 120

4 × € 62

≈ € 240

3 × € 29

≈ € 90

1 × € 68

≈ € 70

2 × € 32

≈ € 60

totaalbedrag ≈ € 190

SPEELGOEDZO 2 x Lego Kasteel € 53 € 59 1 x surfboard TOTAAL

≈ € 100

1 × € 269

≈ € 270

5× € 33

≈ € 150

1 × € 59

≈ € 60

2 × € 41

≈ € 80

5 × € 19

≈ € 100

HANDIG REKENEN INSTRUCTIE 130

dm

1300

cm

8

dm 80 cm

800

mm

5m

50

dm

500

cm

Vul in. 2 dm = 200 50 dm = 5 7 dm = 70

10

70 cm = 7

m

5 m = 500

cm

40 mm = 4

mm

2 m = 2000

mm

800 mm = 80

cm 800 cm = 80

m

3 m = 30

dm

600 mm = 6

dm

cm

6 m = 600

cm

400 mm = 4

dm 600 cm = 6

cm

4 cm = 40

dm dm mm m

11 09/04/2020 17:12

Blz. 10-11

totaalbedrag ≈ € 250

totaalbedrag ≈ € 350

Vul in.

80 dm = 8

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 10

LES 5

ETEN EN DRINKEN 5 x diner € 33 € 19 5 x dessert TOTAAL

2 × € 53

13 m

4

totaalbedrag ≈ € 300

FIETSSHOP 1 x sportfiets € 269 € 41 2 x fietshelm TOTAAL

totaalbedrag ≈ € 160

3

DIERENTUIN 4 x volwassenen € 62 € 32 2 x kinderen TOTAAL

2 × € 49

totaalbedrag ≈ € 190

MAAT

cm

2 dm = 200

10

BLOK 6

5m

Vul in. 90 dm = 9

PLUS

OVER DE OPGAVEN | EXTRA OEFENEN

totaalbedrag ≈ € 250

totaalbedrag ≈ € 350

Vul in.

13 m

BLOK 6

ETEN EN DRINKEN 5 x diner € 33 € 19 5 x dessert TOTAAL

2 × € 53

totaalbedrag ≈ € 160

BASIS

totaalbedrag ≈ € 300

totaalbedrag ≈ € 190

SPEELGOEDZO 2 x Lego Kasteel € 53 € 59 1 x surfboard TOTAAL

4

DIERENTUIN 4 x volwassenen € 62 € 32 2 x kinderen TOTAAL

2 × € 49

totaalbedrag ≈ € 190

3

Opgave 2 De leerlingen schatten de totaalbedragen van de geldsommen en zoeken de dominosteen met het antwoord erbij.

Schrijf de som en schat. MEDIAWERELD 2 x computerspel € 49 € 29 3 x DVD TOTAAL

Nu even anders. Speel domino en plak de stenen op.

Vervolg op: • schattend vermenigvuldigen.

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 11

09/04/2020 17:12

• Deel de printbladen uit. • Vertel de leerlingen dat ze gaan vermenigvuldigen waarbij ze gebruik gaan maken met ‘1 x meer’ of ‘1 x minder’. • Doe voor hoe je de som ‘7 x 39’ oplost door eerst de som ‘7 x 40’ uit te rekenen en dan ‘7 x 1’ eraf te trekken.

10

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 12 HL G5B6.indd 10

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Materiaal: • schaar (per leerling); • printblad Dominostenen (per leerling).

• Vraag of de leerlingen het principe 1 x meer / 1 x minder begrijpen. • Bekijk met de leerlingen opgave 1. • Laat hen opgave 1 maken. • Bespreek na.

NU EVEN ANDERS • Vertel de leerlingen dat ze de dominostenen gaan zoeken die bij elkaar horen. • Op elke ‘dominosteen’ staan 2 sommen die ze schattend moeten uitrekenen, op andere dominostenen staat het antwoord van die schatting. • Bespreek het voorbeeld op het bord. Rond daarbij de getallen af, reken de 2 sommen afzonderlijk uit en tel de antwoorden op. • Het antwoord in het voorbeeld is € 230. Dit antwoord staat op een andere dominosteen die tegen deze dominosteen wordt aangelegd. • Maak zo een lange rij dominostenen totdat je bij einde bent. • Laat de leerlingen de stenen op de goede volgorde in hun werkschriften plakken.

AFRONDEN WEEKTAKEN

STRATEGIEËN Schatten Schatten is bepalen hoeveel het ongeveer is. Bij schatten refereer je aan een getal dat in de buurt ligt van de precieze uitkomst. Je rekent dus niet precies uit, maar gaat ook niet gokken. Schatten gaat over begrip. Bij schatten maak je namelijk gebruik van referentiegetallen; sommen die je kent of referentieopgaven in de context staan centraal. Schatten gaat over kritisch beredeneren en onderbouwen vanuit referentiegetallen. Schatten lijkt een soort intuïtie, zoals een slager die weet hoe­ veel 100 gram vlees is, of een volwassene die weet dat hij ge­ noeg heeft aan € 100,­ om zijn boodschappen te betalen. Voor beiden geldt dat zij goed zicht hebben op referentiematen. Bij schatten zijn een aantal invalshoeken belangrijk: 1 Het schattend rekenen als voorwerk bij een bewerking. 2 Dus eerst schatten en daarna precies uitrekenen.

3 Schatten als zelfstandige activiteit, bijvoorbeeld bij het schatten van grote hoeveelheden. Denk aan mensenme­ nigte of overvliegende spreeuwen. 4 Schatten als onderdeel van het opbouwen van gevoel voor maten bij Meten. Denk daarbij aan schatten van tijds­ duur, gewicht, lengte enz. Bij deze laatste vorm kan soms de schatting gecontroleerd worden door precies te meten, waardoor het eigenlijk een soort van mengvorm wordt. Schatten speelt een belangrijke rol bij het rekenen met de rekenmachine. Vooraf schat je wat de uitkomst van een som zou kunnen zijn. Met de rekenmachine reken je het antwoord precies uit, maar je moet dit nog wel afronden. Vermenigvuldigen De eerste associatie bij ‘vermenigvuldigen’ zal bij veel mensen de ‘tafels’ zijn. Daaronder ligt eigenlijk het inzicht dat vermenig­ vuldigen in feite herhaald optellen is. Getalbegrip, en vervolgens het structureren, flexibel optellen en aftrekken zijn de basis van het vermenigvuldigen. Leerlingen leren in eerste instantie met concreet materiaal te structureren, dus gelijke groepjes te maken. Ook het springen in sprongen van 2, 5, 10 is al deel van het vermenigvuldigen. Leerlingen leren dat herhaald optellen sneller gaat door de notatie van tafels te hanteren. Uiteindelijk leren leerlingen ook grote getallen te vermenigvuldigen, zoals bij het cijferend vermenigvuldigen. Alles telt Q biedt bij vermenigvuldigen de tientallentafels aan door middel van analogie. 7 x 6, 70 x 6, 70 x 60, 7 x 600 Delen Delen begint bij Alles telt Q met hoeveelheden handelend in tweeën te delen of te splitsen, en vervolgens met hoeveelheden op papier, met een lijnmodel of een rechthoekmodel met aandacht voor herhaald aftrekken. Daarna wordt de formele som behandeld, uitlopend in cijferend dele n (kolomsgewijs, met grote happen en in groep 8 de ouderwetse staartdeling). Vanaf het begin is er ook aandacht voor het splitsen in meer dan 2 groepen. Een hoeveelheid verdelen is een vorm van splitsen en hangt samen met het delen en het leren van breuken. Als een hoeveelheid in gelijke porties te verdelen is, spreken we van opdelen. In groep 4 besteden we ook aandacht aan het verschil tussen opdelen en verdelen, niet direct qua terminologie naar de leerlingen, maar wel in de uitvoering van de les. De verdeelde hoeveelheden samen zijn evenveel waard als het oorspronkelijke getal. Een deelsom komt niet altijd precies uit. Dat wat overblijft, wordt ‘rest’ genoemd. Leerlingen leren dat sommen niet altijd precies uitkomen. Ze noteren de uitkomst van een som als 19 : 3 als ‘6 rest 1’. Bij delen biedt Alles telt Q ook analogie aan, bijvoorbeeld: 56 : 7, 560 : 7, 5600 : 7

11

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 13 HL G5B6.indd 11

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Blok 6 | Les 6 LESDOEL De leerling leert optellen en aftrekken tot en met 10.000.

BLOK 6

LES 6

Instructie: • optellen en aftrekken tot 10.000.

Materiaal: • klimkaart Kikkerkaart.

Vervolg op: • optellen en aftrekken tot 1.000.

LET OP: deze les bevat een signaal­

opgave.

OVER DE OPGAVEN

lesdoel Ik leer optellen en aftrekken tot en met 10.000.

1

5 Nu jij!

Vul in.

2996 + 8 = 3004

4580 + 50 = 4630

8002 – 7 = 7995

5640 – 80 = 5560

2990 + 28 = 3018

4580 + 57 = 4637

8000 – 74 = 7926

5640 – 87 = 5553

+

2 Vul in. 2 minder

4997 7998 2999 2996

4999 8000 3001 2998

2 meer

50 minder

5001 8002 3003 3000

2910 6980 5520 2990

50 meer

100 minder

3010 7080 5620 3090

5920 4878 4992 6856

2960 7030 5570 3040

100 meer

6

6120 5078 5192 7056

6020 4978 5092 6956

4240

90

70

3030

4310

3120

+

5

6

7

9

5004 7001 5999 2998

5005 7002 6000 2999

5006 7003 6001 3000

5008 7005 6003 3002

– 4003 6001 9006 2004

30

80

6190

8560

6220

3

4000 5998 9003 2001

4

7

3999 5997 9002 2000

40

60

70

90

4120 5700 9510 7890

4140 5720 9530 7910

4150 5730 9540 7920

4170 5750 9560 7940

9470 7850

–

9

3996 5994 8999 1997

+ 4080 5660

3994 5992 8997 1995

6720 8320 2410 5550

90

80

6630 8230 2320 5460

50

6640 8240 2330 5470

30

6670 8270 2360 5500

7

8

6690 8290 2380 5520

+

8510 6270

7860

50

60

2470

7920

2520

7910 2530

7160 

+ 80

+ 20

+ 30

+ 40

+ 30

+ 300

+ 10

+ 50

+ 70

+ 200

+ 60

+ 90

+ 200

+ 10

+ 400

+ 80

+ 30

+ 100

+ 50

+ 30

+ 10

+ 60

+ 70

+ 90

+40

+100

 2980

 3880

4999

2993

8480

2530 

3440 

Vul in.

5994

+

Kleur de route door het rekendoolhof.

3

6996

4330 3100

+ 500

 7790

Vul in. 9001 – 8 = 8993

8004 – 6

= 7998

7620 – 56 = 7564

5640 – 73

= 5567

3005 – 9 = 2996

6001 – 5

= 5996

9850 – 66 = 9784

9340 – 59

= 9281

7002 – 3 = 6999

2003 – 8

= 1995

3780 – 91 = 3689

3280 – 96

= 3184

5005 – 7 = 4998

4004 – 7

= 3997

6570 – 84 = 6486

4720 – 37

= 4683

Meerdere antwoorden mogelijk.

Bedenk verschillende sommen.

4

+

= 8849

+

= 6545

+

= 8849

+

= 6545

+

= 8849

+

= 6545

+

= 8849

+

= 6545

Reken uit. 4998 + 7 = 5005

4998 + 9

= 5007

8880 + 47 = 8927

4730 + 89

= 4819

8999 + 5 = 9004

5997 + 7

7993 + 9 = 8002

2992 + 8

3995 + 6 = 4001

6995 + 6

= 6004

6570 + 69 = 6639

3620 + 93

= 3713

= 3000

4240 + 87 = 4327

8480 + 28

= 8508

= 7001

2460 + 42 = 2502

6560 + 72

= 6632

9

Kruis aan. Het optellen en aftrekken tot en met 10.000 kan ik: heel goed

goed

bijna goed

12

13

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 12

04/04/2020 15:47

BASIS BLOK 6

een beetje goed

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 13

04/04/2020 15:47

lesdoel Ik leer optellen en aftrekken tot en met 10.000.

1

5 Nu jij! 4580 + 50 = 4630

8002 – 7 = 7995

5640 – 80 = 5560

2990 + 28 = 3018

4580 + 57 = 4637

8000 – 74 = 7926

5640 – 87 = 5553

+

2 Vul in. 2 minder

4997 7998 2999 2996

4999 8000 3001 2998

2 meer

50 minder

5001 8002 3003 3000

2910 6980 5520 2990

50 meer

100 minder

3010 7080 5620 3090

5920 4878 4992 6856

2960 7030 5570 3040

100 meer

6

6120 5078 5192 7056

6020 4978 5092 6956

4240

96

72

3030

4312

3126

+ 8550

86

65

4650

8615

4736

7160 

+ 80

+ 20

+ 30

+ 40

+ 30

+ 300

+ 10

+ 50

+ 70

+ 200

+ 60

+ 90

+ 200

+ 10

+ 400

+ 80

+ 30

+ 100

+ 50

+ 30

+ 10

+ 60

+ 70

+ 90

+40

+100

 2980

 3880

+

5

6

4999

5004 7001 5999 2998

5005 7002

–

3

4000 5998

6001 9006

9003

2004

2001

7 5006

7003 6001 3000

6000

2999 4

9

+

5008 7005 6003 3002

4080

40 4120

5660

5700

9470

9510 7890

7

7850

9

–

3999

3996

3994

6720

5997 9002 2000

5994

5992 8997 1995

8999 1997

60

70

4140 5720

4150 5730 9540 7920

9530

7910 80 6640 8240

90

2410

6630 8230 2320

2330

5550

5460

5470

8320

90 4170

30

50

6670

6690

8270

8290 2380 5520

2360 5500

7

5750 9560 7940 8

+

8636 4715

2530 

3440 

Vul in.

4003

4336 3102

Kleur de route door het rekendoolhof.

3

5994

Meerdere antwoorden mogelijk.

Vul in en bedenk zelf.

2996 + 8 = 3004

2993

 7790

Vul in. 8004 – 6

= 7998

7620 – 56 = 7564

5640 – 73

= 5567

3050 – 64 = 2986

6010 – 55

= 5955

9850 – 66 = 9784

9340 – 59

= 9281

7020 – 79 = 6941

2030 – 84

= 1946

3780 – 91 = 3689

3280 – 96

= 3184

4998 – 7 = 4991

4004 – 7

= 3997

6570 – 84 = 6486

4720 – 37

= 4683

Meerdere antwoorden mogelijk.

Bedenk verschillende sommen. +

= 8849

+

= 6545

+

= 8849

+

= 6545

+

= 8849

+

= 6545

+

= 8849

+

= 6545

Reken uit. 4998 + 7 = 5005

4998 + 9

= 5007

8880 + 47 = 8927

4730 + 89

= 4819

8999 + 5 = 9004

5997 + 7

= 6004

6570 + 69 = 6639

3620 + 93

= 3713

7993 + 9 = 8002

2992 + 8

= 3000

4240 + 87 = 4327

8480 + 28

= 8508

3995 + 6 = 4001

6995 + 6

= 7001

2460 + 42 = 2502

6560 + 72

= 6632

9

Kruis aan. Het optellen en aftrekken tot en met 10.000 kan ik: heel goed

goed

12 09/04/2020 17:17

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 13

09/04/2020 17:17

Blz. 12-13

LES 6

lesdoel Ik leer optellen en aftrekken tot en met 10.000.

1

5 Nu jij! 2996 + 8 = 3004

4580 + 50 = 4630

8002 – 7 = 7995

5640 – 80 = 5560

2990 + 28 = 3018

4580 + 57 = 4637

8000 – 74 = 7926

5640 – 87 = 5553

Reken uit. Je mag de getallenlijn gebruiken. 4998 + 7 = 5005 5995 + 9 = 6004 3992 + 9 = 4001

2 Vul in.

4998 5029 2598 8954

5000 5031 2600 8956

2 meer

50 minder

5002 5033 2602 8958

8490 6980 6600 2990

50 meer

100 minder

8590 7080 6700 3090

6220 8452 2430 7347

8540 7030 6650 3040

100 meer 6320 8552 2530 7447

6420 8652 2630 7547

6

Kleur de route door het rekendoolhof. 5100 

3000 

3

6700 

+ 80

+ 20

+ 30

+ 10

+ 50

+ 30

+ 70

+ 20

+ 60

+ 60

+ 10

+ 70

+ 20

+ 10

+ 70

+ 10

+ 50

+ 10

+ 20

+ 80

+ 40

+ 40

+ 30

+ 50

Vul in. 5

6

7

8

+

40

50

60

70

5005 7002 6000 2999

5006 7003 6001 3000

5007 7004 6002 3001

4080

2993

5004 7001 5999 2998

7850

4120 5700 9510 7890

4130 5710 9520 7900

4140 5720 9530 7910

4150 5730 9540 7920

–

3

4

5

6

–

30

40

50

60

4003

4000 5998 9003 2001

3999 5997 9002 2000

3998 5996 9001 1999

3997 5995 9000 1998

6720

6690 8290 2380 5520

6680 8280 2370 5510

6670 8270 2360 5500

6660 8260 2350 5490

5660 9470

7

+ 90

+ 40

 5300

 3200

+ 4999

5994

+ 60

 6900

Vul in. Je mag de getallenlijn gebruiken. 2008 – 9 = 1999 9004 – 6 = 8998 5006 – 8 = 4998

6001 9006 2004

8320 2410 5550

3001 – 7 = 2994

8

+

= 8849

+

= 6545

+

= 8849

+

= 6545

+

= 8849

+

= 6545

+

= 8849

+

= 6545

Reken uit. 8 + 7 = 15

8 + 4 = 12

12 – 4 = 8

17 – 9 = 8

98 + 7 = 105

80 + 40 = 120

120 – 40 = 80

170 – 90 = 80

998 + 7 = 1005

480 + 40 = 520

520 – 40 = 480

670 – 90 = 580

4998 + 7 = 5005

8480 + 40 = 8520

7620 – 40 = 7580

5870 – 90 = 5780

9

Kruis aan. Het optellen en aftrekken tot en met 10.000 kan ik: heel goed

12 9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 12

goed

bijna goed

een beetje goed

13 09/04/2020 17:12

Blz. 12-13

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 13

Opgave 7 Basis: De leerlingen rekenen de minsommen uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen rekenen de minsommen uit en bedenken zelf ook een rijtje minsommen.

Meerdere antwoorden mogelijk.

Bedenk verschillende sommen.

4

MAAT

Opgave 6 Basis: De leerlingen kleuren de route in die vanaf het startpunt door op te tellen tot het eindgetal leidt. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

8998 + 5 = 9003

2 minder

6996

Opgave 5 Basis: De leerlingen vullen de plustabellen in. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen verzinnen zelf ook een plustabel. Maat: De leerlingen rekenen de plussommen uit en bedenken zelf ook een rijtje plussommen.

een beetje goed

13

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 12

PLUS

bijna goed

Opgave 4 Basis: De leerlingen rekenen de plussommen uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met opbouw binnen de rijtjes en andere getallen.

+ 500

9001 – 8 = 8993

4

BLOK 6

Opgave 3 Basis: De leerlingen vullen de plus­ en mintabellen in. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen vullen de getallen soms op andere plekken in. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.

Blz. 12-13

LES 6

6996

Opgave 2 Basis: De leerlingen vullen de getallen in die 2 minder en 2 meer zijn dat de middelste getallen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.

09/04/2020 17:12

Opgave 8 | signaalopgave Basis: De leerlingen bedenken plussommen bij de gegeven antwoorden. Meerdere antwoorden mogelijk. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

12

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 14 HL G5B6.indd 12

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Opgave 9 Basis: De leerlingen kruisen aan hoe goed ze kunnen optellen en aftrekken tot en met 10.000. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

LES 6 INSTRUCTIE De leerling leert optellen en aftrekken tot en met 10.000. • Bespreek kort het lesdoel met de leerlingen. • Bekijk samen met de leerlingen de sommen op het digibord. • Bereken samen met de leerlingen de antwoorden op de bovenste 2 sommen. Gebruik Springen op de Getallenlijn ter ondersteuning. Spring hierbij eerst naar het dichtstbijzijnde tiental en maak daarna de rest van de sprong af. • Herhaal dat voor de onderste 2 sommen. • Laat de leerlingen in tweetallen de 4 sommen op het digibord uitrekenen. Ze gebruiken uitrekenpapier om de sprongen op de getallenlijn te maken. • Bespreek na en besteed aandacht aan de gebruikte strategieën. Gebruik Springen op de getallenlijn om het rekenen via het duizendtal te verduidelijken.

BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! • Laat de leerlingen opgave 1 maken door de plus­ en minsommen uit te rekenen. Ze mogen uitrekenpapier gebruiken om zelf lege getallenlijnen te tekenen. • Bespreek na. Besteed aandacht aan de overschrijding van het 1000 tal. Gebruik Springen op de Getallenlijn om de 1e sommen van elk rijtje voor te doen. Reken hierbij via het duizendtal (1e en 3e rijtje) en via het honderdtal (2e en 4e rijtje).

VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.

EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Maak samen met de leerlingen het 1e en 3e rijtje van opgave 4. Besteed aandacht aan de opbouw van de rijtjes, en het rekenen via het tiental, honderdtal en duizendtal. • Check bij de 1e som van de rijtjes of het rekenen over het tiental bij de leerlingen is geautomatiseerd. • Laat de leerlingen bij het maken van de sommen een uitrekenblad gebruiken, waar ze legen getallenlijnen op kunnen tekenen. • Laat de leerlingen het 2e en 4e rijtje zelf maken. • Bespreek na.

REFLECTIE • Laat de leerlngen in hun werkschriften terugbladeren naar opgave 8. Laat hen over die opgave de klimkaart ‘Kikkerkaart’ invullen. • Bespreek na. Vraag wat de leerlingen hebben ingevuld en waarom. Laat hen vertellen wat zij nodig hebben om het lesdoel nog beter te beheersen. Over de klimkaart kikkerkaart: • Doelgroep: groep 3­5. • Bedoeling van de kaart: de bedoeling is dat leerlingen hun gevoel bij het onderwerp van de les beschrijven, waardoor ook naar voren komt hoe de leerlingen rekenen, en wat zij moeilijk en makkelijk vinden. • Hoe werkt de kaart?: • Bespreek de emoties van de kikkers met de leerlingen. Laat ze vervolgens nadenken over welke kikker het beste bij hen en hun rekenles past. • Laat de leerlingen vervolgens in tweetallen uitwisselen hoe zij erbij zitten: ben je tevreden met deze emotie? Wanneer gebruik je de kaart?: de kaart kan zowel voorafgaand, als ter afsluiting van een les worden ingezet. STRATEGIEËN Optellen en aftrekken: rijgen De strategie rijgen is gebaseerd op een lijnmodel waarbij getallen op een lijn liggen. Op die lijn kan je je bewegen, oftewel springen. Alle getallen zijn ergens op de lijn te plaatsen. Je start met het rijgend rekenen bij het eerste getal van de som en rekent van daaruit door of terug. Dat doe je in stappen, door bijvoorbeeld in tientallen, en vervolgens in eenheden steeds te bewegen op de lijn. Zo kom je bij de uitkomst van een som terecht. Optellen en aftrekken: rekenen met analogieën Analogie betekent ‘net als’. We leren de leerlingen om bij rekenen met grote getallen de overeenkomsten met rekenen met kleine, bekende getallen te zien. Het rekenen met grote getallen is vergelijkbaar met het rekenen met kleine en bekende getallen. Het gaat om sommen met grote getallen vanaf 10.000, die net als sommen met kleine getallen worden uitgerekend. Bijvoorbeeld 3500 – 1700 lijkt op 350 – 170, of 35 – 17. Aandachtspunten: ­ Alles telt Q gebruikt een punt bij getallen vanaf 10.000. Alternatieve strategieën: ­ gebruik van verschillende getallen. Een leerling kan in bovenstaand voorbeeld ook 35.000 of 3,5 gebruiken; ­ cijferend optellen en aftrekken. Als het de bedoeling is dat leerlingen de analogie zien, is cijferen niet aan te raden.

13

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 15 HL G5B6.indd 13

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Blok 6 | Les 7 LESDOEL

Automatiseren & memoriseren: • tafels met tientallen.

De leerling leert optellen en aftrekken tot en met 10.000.

Verwerken: • optellen en aftrekken tot 10.000.

Herhalen: • oppervlakte berekenen; • splitsend delen.

Blok 6  LES 7 1

OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN

lesdoel Ik leer optellen en aftrekken tot en met 10.000.

Deze opgave maak je digitaal.

5 Reken uit.

2

Meerdere antwoorden mogelijk.

Teken verschillende figuren met een oppervlakte van 12 cm².

6698 + 7 = 6705

3999 + 9

= 4008

6580 + 46 = 6626

4730 + 84

= 4814

4592 + 9 = 4601

7992 + 9

= 8001

8560 + 79 = 8639

7850 + 58

= 7908

9496 + 7 = 9503

5998 + 5

= 6003

4320 + 91 = 4411

2210 + 99

= 2309

5099 + 9 = 5108

8996 + 7

= 9003

6530 + 72 = 6602

8660 + 57

= 8717

6 Vul in. +

oppervlakte: 12 cm²

oppervlakte: 12 cm²

3660

90

70

7030

3730

7120

+

3750 7100

8770

50

80

5560

8850

5610

+

8820 5640

2880

40

30

6490

2910

6530

2920 6520

7 Reken uit.

oppervlakte: 12 cm²

oppervlakte: 12 cm²

8

3

som: 112

:7

Verdeel 135 kinderen over 9 busjes. =

16

som: 135

Verdeel 72 broodjes over 4 tafels.

:9

=

15

kinderen per busje

plaatjes per kind

som: 72

:4

Verdeel 70 schroeven over 5 zakjes. =

18

som: 70

:5

=

broodjes per tafel

48 : 4 = 12 66 : 6 = 11 126 : 7 = 18

42 : 3 = 14

171 : 9 = 19

5110 – 75

= 5035

8840 – 63 = 8777

8330 – 51

= 8279

= 2996

4980 – 92 = 4888

2150 – 87

= 2063

8002 – 8 = 7994

5066 – 69

= 4997

2220 – 56 = 2164

6880 – 99

= 6781

Kleur de route door het rekendoolhof.

128 : 8

= 16

64 : 4

= 16

98 : 7

= 14

108 : 9

= 12

57 : 3

= 19

65 : 5

= 13

104 : 8

= 13

102 : 6

= 17

+ 70

+ 200

+ 90

+ 200

+ 60

+ 50

+ 200

+ 10

+ 20

+ 30

+ 60

+ 300

+ 20

+ 80

+ 60

+ 100

+ 40

+ 100

+ 50

+ 30

+ 50

+ 60

+ 10

+ 70

+ 30

+ 90

Kruis aan. Het optellen en aftrekken tot en met 10.000 kan ik: heel goed

goed

bijna goed

een beetje goed

15 04/04/2020 15:47

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 15

04/04/2020 15:47

Blz. 14-15

Blok 6  LES 7 1

 7010

 8930

14 9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 14

BASIS

6770 

8420 

+ 80

 5880

9

80 : 5 = 16

7650 – 88 = 7562

= 8996

3021 – 25

schroeven per zakje

Reken uit. Gebruik uitrekenpapier. 78 : 6 = 13

= 7996

9045 – 49

7056 – 63 = 6693

14

4

112 : 8 = 14

8004 – 8

8075 – 79 = 7996

5440 

Schrijf de som en reken uit. Verdeel 112 voetbalplaatjes over 7 kinderen.

9005 – 8 = 8997

lesdoel Ik leer optellen en aftrekken tot en met 10.000.

Deze opgave maak je digitaal.

5 Reken uit.

2

Meerdere antwoorden mogelijk.

Teken verschillende figuren met een oppervlakte van 12 cm².

6698 + 7 = 6705

3999 + 9

= 4008

6580 + 46 = 6626

4730 + 84

= 4814

4592 + 9 = 4601

7992 + 9

= 8001

8560 + 79 = 8639

7850 + 58

= 7908

9496 + 7 = 9503

5998 + 5

= 6003

4320 + 91 = 4411

2210 + 99

= 2309

5099 + 9 = 5108

8996 + 7

= 9003

6530 + 72 = 6602

8660 + 57

= 8717

6

Meerdere antwoorden mogelijk.

Vul in en bedenk zelf. +

oppervlakte: 12 cm²

oppervlakte: 12 cm²

3660

90

70

7030

3730

7120

+

3750 7100

Opgave 2 Basis: De leerlingen tekenen 4 verschillende figuren die een oppervlakte van 12 cm2 hebben. Meerdere antwoorden mogelijk. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

8770

59

81

5560

8851

5619

+

8829 5641

7

Opgave 3 Basis: De leerlingen schrijven de deelsommen op die bij de contexten horen en rekenen ze uit. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 4 Basis: De leerlingen rekenen de deelsommen uit. Ze gebruiken uitrekenpapier. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.

Reken uit.

oppervlakte: 12 cm²

oppervlakte: 12 cm²

8

3

som: 112

:7

Nog 98 dagen te gaan tot de vakantie. =

Dat zijn 16 plaatjes per kind.

som: 98

8004 – 8

= 7996

7650 – 88 = 7562

5110 – 75

= 5035

8075 – 79 = 7996

9045 – 49

= 8996

8840 – 63 = 8777

8330 – 51

= 8279

7056 – 63 = 6693

3021 – 25

= 2996

4980 – 92 = 4888

2150 – 87

= 2063

8002 – 8 = 7994

5066 – 69

= 4997

2220 – 56 = 2164

6880 – 99

= 6781

:7

=

Dat zijn 14 weken.

Verdeel 144 tulpen over bosjes van 8 tulpen.

Evi heeft 171 kilometer gelopen in 9 dagen.

som: 144

som: 171

Dat zijn 18 tulpen.

:8

=

bosjes

:9

=

+ 80

+ 70

+ 200

+ 90

+ 200

+ 60

+ 50

+ 200

+ 10

+ 20

+ 30

+ 60

+ 300

+ 20

+ 80

+ 60

+ 100

+ 40

+ 100

+ 50

+ 30

+ 50

+ 60

+ 10

+ 70

+ 30

+ 90

Dat is 19 kilometer per dag.

9

Reken uit. Gebruik uitrekenpapier. 78 : 6 = 13

48 : 4 = 12

128 : 8

= 16

64 : 4

= 16

112 : 8 = 14

66 : 6 = 11

98 : 7

= 14

108 : 9

= 12

80 : 5 = 16

126 : 7 = 18

57 : 3

= 19

65 : 5

= 13

42 : 3 = 14

171 : 9 = 19

104 : 8

= 13

102 : 6

= 17

Kruis aan. Het optellen en aftrekken tot en met 10.000 kan ik: heel goed

goed

bijna goed

een beetje goed

15 09/04/2020 17:17

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 15

09/04/2020 17:17

Blz. 14-15

Blok 6  LES 7 1

 7010

 8930

14 9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 14

PLUS

6770 

8420 

 5880

4

5 Reken uit. Je mag de getallenlijn gebruiken.

2

5994 + 7 = 6001

Meerdere antwoorden mogelijk.

Teken verschillende figuren met een oppervlakte van 12 cm².

2998 + 6 = 3004 6995 + 7 = 7002 3998 + 3 = 4001

6 Vul in. 3 minder oppervlakte: 12 cm²

3996 4994 5622 8711

oppervlakte: 12 cm²

3999 4997 5625 8714

3 meer

20 minder

4002 5000 5628 8717

8500 4970 3640 4980

20 meer

200 minder

8540 5010 3680 5020

8450 3160 1580 4280

8520 4990 3660 5000

200 meer 8650 3360 1780 4480

8850 3560 1980 4680

7 Vul in. Je mag de getallenlijn gebruiken. 9003 – 8 = 8995 oppervlakte: 12 cm²

8008 – 8 = 8000

oppervlakte: 12 cm²

2004 – 6 = 1998 3003 – 5 = 2998

3 Schrijf de som en reken uit. Verdeel 112 voetbalplaatjes over 7 kinderen. som: 112

16

:7

plaatjes per kind

Verdeel 135 kinderen over 9 busjes. =

som: 135

Verdeel 72 broodjes over 4 tafels.

:9

=

15

kinderen per busje

som: 72

18

:4

broodjes per tafel

8

Verdeel 70 schroeven over 5 zakjes. =

som: 70

:5

Kleur de route door het rekendoolhof. 4000 

=

14

schroeven per zakje

4

+ 80

+ 20

+ 50

+ 90

+ 50

+ 60

+ 50

+ 20

+ 10

+ 20

+ 20

+ 60

+ 10

+ 20

+ 80

+ 60

+ 10

+ 40

+ 10

+ 50

+ 30

+ 50

+ 60

+ 10

+ 70

+ 30

+ 90

 4210

Reken uit. Gebruik uitrekenpapier. 70 : 7 = 10

90 : 9 = 10

40 : 4 = 10

60 : 6 = 10

77 : 7 = 11

99 : 9 = 11

44 : 4 = 11

66 : 6 = 11

84 : 7 = 12

135 : 9 = 15

68 : 4 = 17

84 : 6 = 14

98 : 7 = 14

144 : 9 = 16

72 : 4 = 18

90 : 6 = 15

9

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 14

 8620

Opgave 7 Basis: De leerlingen rekenen de minsommen uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen rekenen de minsommen uit en bedenken zelf ook minsommen.

 6850

Kruis aan. Het optellen en aftrekken tot en met 10.000 kan ik: heel goed

goed

bijna goed

een beetje goed

15

14

MAAT

6700 

8400 

Opgave 5 Basis: De leerlingen rekenen de plussommen uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen rekenen de plussommen uit en bedenken zelf ook plussommen. Opgave 6 Basis: De leerlingen vullen de plus­tabellen in. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

lesdoel Ik leer optellen en aftrekken tot en met 10.000.

Deze opgave maak je digitaal.

OVER DE OPGAVEN | VERWERKING

Kleur de route door het rekendoolhof. 5440 

Schrijf de som en reken uit. Verdeel 112 voetbalplaatjes over 7 kinderen.

9005 – 8 = 8997

09/04/2020 17:12

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 15

09/04/2020 17:12

Blz. 14-15

14

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 16 HL G5B6.indd 14

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Materiaal: • klimkaart Kikkerkaart.

Opgave 8 Basis: De leerlingen kleuren de route in die vanaf het startpunt door op te tellen tot het eindgetal leidt. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 9 Basis: De leerlingen kruisen aan hoe goed ze kunnen optellen en aftrekken tot en met 10.000. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

REFLECTIE • Laat de leerlingen over opgave 7 de klimkaart ‘Kikkerkaart’ invullen. • Bespreek na. Vraag wat de leerlingen wie er bij deze les iets anders heeft ingevuld dan bij de vorige les. Laat deze leerlingen vertellen hoe dat komt. • Vraag de leerlingen of zij nu een andere leerlingen kunnen uitleggen hoe je deze sommen goed moet aanpakken. Over de klimkaart kikkerkaart • Doelgroep: groep 3­5. • Bedoeling van de kaart: de bedoeling is dat leerlingen hun gevoel bij het onderwerp van de les beschrijven, waardoor ook naar voren komt hoe de leerlingen rekenen, en wat zij moeilijk en makkelijk vinden. • Hoe werkt de kaart?: ­ Bespreek de emoties van de kikkers met de leerlingen. Laat ze vervolgens nadenken over welke kikker het beste bij hen en hun rekenles past. ­ Laat de leerlingen vervolgens in tweetallen uitwisselen hoe zij erbij zitten: ben je tevreden met deze emotie? • Wanneer gebruik je de kaart?: de kaart kan zowel voorafgaand, als ter afsluiting van een les worden ingezet.

LES 7

STRATEGIEËN

AUTOMATISEREN & MEMORISEREN

Optellen en aftrekken: rijgen De strategie rijgen is gebaseerd op een lijnmodel waarbij getallen op een lijn liggen. Op die lijn kan je je bewegen, oftewel springen. Alle getallen zijn ergens op de lijn te plaatsen. Je start met het rijgend rekenen bij het eerste getal van de som en rekent van daaruit door of terug. Dat doe je in stappen, door bijvoorbeeld in tientallen, en vervolgens in eenheden steeds te bewegen op de lijn. Zo kom je bij de uitkomst van een som terecht.

De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.

OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.

TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES De leerling leert optellen en aftrekken tot en met 10.000. • Blik kort terug op de vorige les. • Bekijk samen met de leerlingen de sommen op het digibord. • Laat een paar leerlingen vertellen hoe ze de sommen zouden uitrekenen. • Teken een lege getallenlijn of Gebruik Springen op de getallenlijn om te laten zien hoe je de sommen rijgend uitrekent. Bekijk het lesdoel uit de vorige les.

VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.

Optellen en aftrekken: rekenen met analogieën Analogie betekent ‘net als’. We leren de leerlingen om bij rekenen met grote getallen de overeenkomsten met rekenen met kleine, bekende getallen te zien. Het rekenen met grote getallen is vergelijkbaar met het rekenen met kleine en bekende getallen. Het gaat om sommen met grote getallen vanaf 10.000, die net als sommen met kleine getallen worden uitgerekend. Bijvoorbeeld 3500 – 1700 lijkt op 350 – 170, of 35 – 17. Aandachtspunten: ­ Alles telt Q gebruikt een punt bij getallen vanaf 10.000. Alternatieve strategieën: ­ gebruik van verschillende getallen. Een leerling kan in bovenstaand voorbeeld ook 35.000 of 3,5 gebruiken; ­ cijferend optellen en aftrekken. Als het de bedoeling is dat leerlingen de analogie zien, is cijferen niet aan te raden.

15

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 17 HL G5B6.indd 15

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Blok 6 | Les 8 LESDOEL

Instructie: • oppervlakte berekenen met de formule ‘lengte x breedte’.

De leerling leert oppervlakte uitrekenen met l x b.

BLOK 6

LES 8

OVER DE OPGAVEN

lesdoel Ik leer oppervlakte uitrekenen met l × b.

1

4

Nu jij.

Reken uit. lengte

6

10

cm²

18

cm²

8

cm²

cm²

6

24

cm²

36 cm²

6m

4m

24 m²

28 cm²

3m

27 m²

5 cm

6 cm

30 cm²

9m 7m

7m

49 m²

8 cm

8 cm

64 cm²

4m

3m

12 m²

De lengte van een tuin is 30 m. De oppervlakte is 270 m².

De lengte van het zwembad is 50 m. De oppervlakte is. 350 m².

De breedte van het bosje is 90 m. De oppervlakte is 720 m².

De breedte van de vijver is 60 m. De oppervlakte is 360 m².

De breedte is 9

De breedte is 7

De lengte is 8

De lengte is 6

m

m

m

m

Kruis de juiste oppervlaktemaat aan.

cm²

m²

cm²

m²

cm²

30 cm²

cm²

2m

8 cm² De oppervlakte is 64

8m m².

17

16 9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 16

04/04/2020 15:47

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 17

04/04/2020 15:47

Blz. 16-17

LES 8

lesdoel Ik leer oppervlakte uitrekenen met l × b.

1

4

Nu jij.

Reken uit. lengte

6

m²

12 m

4m

14 cm²

BLOK 6

cm²

Reken uit.

21 cm²

BASIS

m²

7

35 cm²

10

cm²

18

cm²

8

cm²

cm²

6

24

cm²

lengte

breedte oppervlakte

12 cm

9 cm

108 cm²

16 m

5m

80 m²

17 cm

7 cm

119 cm²

13 m

8m

104 m²

18 cm

4 cm

72 cm²

17 m

3m

51 m²

6 cm

84 cm²

18 m

9m

162 m²

14 cm

Reken uit.

Meet en reken uit.

20

breedte oppervlakte

5

2

De lengte van een tuin is 30 m. De oppervlakte is 270 m².

De lengte van het zwembad is 50 m. De oppervlakte is. 350 m².

De breedte van het bosje is 90 m. De oppervlakte is 720 m².

De breedte van de vijver is 60 m. De oppervlakte is 360 m².

De breedte is 9

De breedte is 7

De lengte is 8

De lengte is 6

m

m

m

m

Kruis de juiste oppervlaktemaat aan.

m²

cm²

m²

cm²

m²

cm²

m²

cm²

7 Reken uit. 5m

35 cm²

5m 2m

21 cm²

8m

1m 2m

14 cm²

30 cm² 8 cm²

14 m

figuren samen is 126 cm².

De oppervlakte is 104

4m De oppervlakte is 10

m².

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 16

BLOK 6

09/04/2020 17:17

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 17

4

Nu jij.

10

18

cm²

8

cm²

cm²

6

24

9 cm 4 cm

5 cm

6 cm

8 cm

8 cm

lengte

36 cm² 28 cm² 30 cm² 64 cm²

breedte oppervlakte

6m

4m

9m

3m

7m

7m

4m

3m

24 m² 27 m² 49 m² 12 m²

Reken uit.

Meet en reken uit.

cm²

breedte oppervlakte

4 cm 7 cm

5

2

20

Opgave 6 Basis: De leerlingen kruisen aan welke oppervlaktematen bij de afbeeldingen horen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

Reken uit. lengte

cm²

De lengte van een tuin is 3 m. De oppervlakte is 27 m².

De lengte van het zwembad is 5 m. De oppervlakte is 35 m².

De breedte van het bosje is 9 m. De oppervlakte is 72 m².

De breedte van de vijver is 6 m. De oppervlakte is 36 m².

De breedte is 9

De breedte is 7

De lengte is 8

De lengte is 6

m

m

m

m

Kruis de juiste oppervlaktemaat aan.

cm²

Meet en reken uit. m²

cm²

m²

cm²

m²

cm²

m²

cm²

7

18 cm²

Reken uit. 12 m

35 cm² 21 cm²

A

4m

B

14 cm²

30 cm²

Ik reken zo:

8 cm²

A = 16

m²

B = 48

m²

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 16

Opgave 7 | signaalopgave Basis: De leerlingen rekenen de oppervlakte van de figuur uit. Plus: Gelijk aan Basis, met een andere figuur en andere getallen. Maat: Gelijk aan Basis, de leerlingen schrijven de tussenstappen op.

2m

De totale oppervlakte is 64

16

MAAT

Opgave 5 Basis: De leerlingen berekenen de lengtes of breedtes die bij de contexten horen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.

09/04/2020 17:17

lesdoel Ik leer oppervlakte uitrekenen met l × b.

1

6

m².

Blz. 16-17

LES 8

Opgave 4 Basis: De leerlingen vullen in elke regel van de tabellen de lengte, breedte of oppervlakte in. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, de leerlingen rekenen de oppervlaktes uit bij de gegeven lengtes en breedtes.

17

16

PLUS

4m

2m

De totale oppervlakte van de

Opgave 3 Basis: De leerlingen meten de zijden van de rechthoeken op en rekenen de oppervlaktes uit. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen rekenen ook de oppervlakte van de totale figuur uit. Maat: Gelijk aan Basis.

cm²

Meet en reken uit.

18 cm²

3

Opgave 2 Basis: De leerlingen meten de zijden van de rechthoeken op en rekenen de oppervlaktes uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

Meet en reken uit.

18 cm²

3

breedte oppervlakte

9 cm 4 cm

Reken uit.

Meet en reken uit.

20

lengte

breedte oppervlakte

4 cm 7 cm

5

2

3

Vervolg op: • oppervlakte berekenen in m2 en cm2.

8m m².

17 09/04/2020 17:12

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 17

09/04/2020 17:12

Blz. 16-17

16

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 18 HL G5B6.indd 16

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Materiaal: • liniaal (per leerling).

LET OP: deze les bevat een signaal­ opgave. Signaalopgaven zitten in elke eerste en derde les. Deze opgave is een opgave van een opvolgend niveau. De opgaven zijn te herkennen aan het vuurtorensymbool. Dit betekent dat de maatleerlingen een basisopgave maken,

LES 8 INSTRUCTIE De leerling leert oppervlakte uitrekenen met l x b. • Herhaal de begrippen ‘oppervlakte’, ‘vierkante meter’ en ‘vierkante centimeter’. • Laat de leerlingen voorbeelden geven van een oppervlakte in m2 (bijvoorbeeld een sportveld) en in cm2 (bijvoorbeeld een tegel of een tekenblaadje). • Bekijk samen met de leerlingen de afbeelding op het digibord. • Leg uit dat je de oppervlakte kunt berekenen door lengte x breedte te doen. • Bekijk samen de afbeelding met de leerlingen en laat hen vertellen hoe je om de oppervlakte te berekenen ook de som ‘8 cm x 4 cm = 32 cm2’ kunt uitrekenen, lengte x breedte dus. • Besteed aandacht aan de notatie cm2. • Laat de leerlingen de oppervlakte uitrekenen van de rechthoek op het digibord. • Bespreek na. Schrijf de omtrek op het bord: 9 cm x 8 cm = 72 cm2. • Bekijk samen met de leerlingen de afbeelding op het digibord en vraag of hen iets opvalt. (er worden nu meters gebruikt in plaats van centimeters). • Laat de leerlingen de oppervlakte berekenen. • Bespreek na en schrijf de om op het bord: 9 m x 12 m = 108 m2.

de basisleerlingen en plusleerlingen maken een plusopgave.

EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Maak samen met de leerlingen opgave 2. Herhaal de formule ‘lengte x breedte’. • Laat de leerlingen de rechthoeken zelf meten en bereken samen de oppervlakte.

REFLECTIE • Bespreek opgave 7 na. Laat de leerlingen vertellen welke stappen ze hebben genomen om de oppervlakte uit te rekenen.

BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! • Laat de leerlingen opgave 1 maken door de lengtes en breedtes van de figuren op te meten en de oppervlaktes uit te rekenen met de formule ‘lengte x breedte’. • Bespreek na. Besteed aandacht aan het goed en nauwkeurig meten, de juiste toepassing van de formule en de notatie.

VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.

17

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 19 HL G5B6.indd 17

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Blok 6 | Les 9 LESDOEL

Automatiseren & memoriseren: • tafels tot en met 10.

De leerling leert oppervlakte uitrekenen met l x b.

BLOK 6  LES 9 1

OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN

lesdoel Ik leer oppervlakte uitrekenen met l × b.

Deze opgave maak je digitaal.

5 Reken uit.

6m

2

8m

Reken uit en kleur de rest. 8m rest 3

rest 3 35 : 8 = 4

27 : 4 = 6

rest 4

rest 2 29 : 7 = 4

rest 4

17 : 2 = 8

rest 3

rest 2

rest 4 48 : 5 = 9

rest 3

rest 3 10 m

rest 4

rest 4

rest 1

rest 1

21 : 9 = 2

rest 3

9m

rest 2

rest 3

29 : 3 = 9

rest 2

14 m

12 m

rest 2

rest 2 53 : 7 = 7

rest 2

rest 5

Herhalen: • splitsend optellen en aftrekken tot en met 1000; • tijdsduur in dagen en uren.

8m

16 m

20 m

rest 4

De oppervlakte is 188

rest 3

20 m De oppervlakte is 208

m².

m².

6

3

Reken uit.

Reken uit. 26 : 5 = 5

rest 1

26 : 5 = 5

rest 1

15 : 4 = 3

rest 3

15 : 2 = 7

rest 1

38 : 8 = 4

rest 6

42 : 8 = 5

rest 2

De lengte van een tuin is 4 m. De oppervlakte is 28 m².

De breedte van het terras is 7 m. De oppervlakte is 56 m².

De breedte van het veld is 9 m. De oppervlakte is 54 m².

De lengte van de tuin is 7 m. De oppervlakte is 49 m².

45 : 7 = 6

rest 3

22 : 3 = 7

rest 1

61 : 7 = 8

rest 5

De breedte is 7

De lengte is 8

De lengte is 6

De breedte is 7

43 : 9 = 4

rest 7

55 : 7 = 7

rest 6

13 : 2 = 6

rest 1

m

m

m

m

7 Meet en reken uit.

4

Opgave 2 Basis: De leerlingen kleuren de vakken met de resten die bij de deelsommen horen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

Teken de wijzers en vul in. vertrek:

aankomst:

vertrek:

aankomst:

18 cm² 24 cm²

ochtend

Het is 1

ochtend

Het is 7

reisduur 4 uur

in de middag

reisduur 13 uur

in de avond

vertrek:

aankomst:

vertrek:

aankomst:

avond

Het is 4

middag

Het is 1

reisduur 9 uur

in de nacht

reisduur 8 uur

in de nacht

uur

15 cm²

uur

Opgave 3 Basis: De leerlingen rekenen de deelsommen uit. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen vullen soms getallen op andere plekken in. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.

25 cm²

20 cm² 12 cm²

uur

uur

18

19

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 18

04/04/2020 15:47

BASIS

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 19

04/04/2020 15:47

Blz. 18-19

BLOK 6  LES 9 1

lesdoel Ik leer oppervlakte uitrekenen met l × b.

Deze opgave maak je digitaal.

5 Reken uit.

6m

2

8m

Reken uit en kleur de rest. 8m rest 3 35 : 8 = 4

27 : 4 = 6

rest 5

53 : 7 = 7

rest 1 17 : 2 = 8

rest 1

rest 2

10 m

9m

rest 2 29 : 3 = 9

rest 3

8m

16 m

20 m

rest 4

De oppervlakte is 188

rest 3

rest 2

14 m

12 m

rest 3 rest 4

rest 4 48 : 5 = 9

rest 3

rest 3

21 : 9 = 2

rest 3 rest 4

rest 2

rest 2 29 : 7 = 4

rest 4

rest 2

rest 2

rest 3

rest 4

20 m De oppervlakte is 208

m².

m².

6

3

Reken uit.

Reken uit. 26 : 5 = 5

rest 1

26 : 5 = 5

rest 1

52 : 8

15 : 2 = 7

rest 1

38 : 8 = 4

rest 6

45 : 7 = 6

rest 3

22 : 3 = 7

rest 1

42 61

43 : 9 = 4

rest 7

55 : 7 = 7

rest 6

13 : 2

= 6 rest 4 : 8 = 5 rest 2 : 7 = 8 rest 5 = 6 rest 1

De lengte van een tuin is 4 m. De oppervlakte is 56 m².

De breedte van het terras is 17 m. De oppervlakte is 136 m².

De breedte van het veld is 9 m. De oppervlakte is 144 m².

De lengte van de tuin is 17 m. De oppervlakte is 119 m².

De breedte is 14

De lengte is 8

De lengte is 16

De breedte is 7

m

m

m

m

7 Meet en reken uit.

4 Teken de wijzers en vul in. vertrek:

aankomst:

vertrek:

Opgave 4 Basis: De leerlingen geven de klokken de tijden die bij de reistijden horen en vullen in welk dagdeel de aankomsttijd heeft. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

OVER DE OPGAVEN | VERWERKING

aankomst:

18 cm² 24 cm²

ochtend

Het is 1

uur

ochtend

Het is 7

reisduur 4 uur

in de middag

reisduur 13 uur

in de avond

vertrek:

aankomst:

vertrek:

aankomst:

avond

Het is 4

middag

Het is 1

reisduur 9 uur

in de nacht

reisduur 8 uur

in de nacht

15 cm²

uur

25 cm²

20 cm² 12 cm²

uur

De totale oppervlakte van de figuren samen is 114

uur

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 18

09/04/2020 17:17

PLUS

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 19

09/04/2020 17:17

Blz. 18-19

BLOK 6  LES 9 1

cm².

19

18

lesdoel Ik leer oppervlakte uitrekenen met l × b.

Deze opgave maak je digitaal.

5 Reken uit.

6m

2

8m

Reken uit en kleur de rest. 8m rest 3 35 : 8 = 4

27 : 4 = 6

rest 5

rest 4

53 : 7 = 7

17 : 2 = 8

rest 3

rest 2

48 : 5 = 9

rest 3

10 m

rest 4

9m

8m

16 m

20 m

rest 4

De oppervlakte is 188

rest 3

rest 2

rest 3

rest 3

rest 2 29 : 3 = 9

14 m

12 m

rest 2 21 : 9 = 2

rest 4

rest 1

rest 1

rest 3 rest 4

rest 2

rest 2 29 : 7 = 4

rest 2

rest 3

rest 4

20 m De oppervlakte is 208

m².

m².

Opgave 5 Basis: De leerlingen rekenen de oppervlaktes van de figuren uit. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis. Opgave 6 Basis: De leerlingen berekenen de lengtes of breedtes die bij de contexten horen. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen. Maat: Gelijk aan Basis.

6

3

Reken uit.

Reken uit. 12 : 5 = 2

rest 2

29 : 3 = 9

rest 2

26 : 6 = 4

rest 2

17 : 5 = 3

rest 2

13 : 3 = 4

rest 1

9:6=1

rest 3

De lengte van een tuin is 4 m. De oppervlakte is 28 m².

De breedte van het terras is 7 m. De oppervlakte is 56 m².

De breedte van het veld is 9 m. De oppervlakte is 54 m².

De lengte van de tuin is 7 m. De oppervlakte is 49 m².

43 : 5 = 8

rest 3

16 : 3 = 5

rest 1

45 : 6 = 7

rest 3

De breedte is 7

De lengte is 8

De lengte is 6

De breedte is 7

26 : 5 = 5

rest 1

23 : 3 = 7

rest 2

58 : 6 = 9

rest 4

m

m

m

m

7 Meet en reken uit.

4 Teken de wijzers en vul in. vertrek:

aankomst:

vertrek:

aankomst:

18 cm² 24 cm²

ochtend

Het is 1

ochtend

Het is 7

reisduur 4 uur

in de middag

reisduur 13 uur

in de avond

vertrek:

aankomst:

vertrek:

aankomst:

middag

Het is 1

reisduur 8 uur

in de nacht

uur

15 cm²

uur

25 cm²

20 cm² 12 cm²

avond

Het is 4

reisduur 9 uur

in de nacht

uur

uur

19

18 9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 18

MAAT

Opgave 7 Basis: De leerlingen meten de lengtes en breedtes van de vakken en rekenen de oppervlaktes uit. Plus: Gelijk aan Basis, de leerlingen rekenen ook de oppervlakte van de hele figuur uit. Maat: Gelijk aan Basis.

09/04/2020 17:12

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 19

09/04/2020 17:13

Blz. 18-19

18

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 20 HL G5B6.indd 18

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Verwerken: • oppervlakte berekenen met de formule ‘lengte x breedte’.

Materiaal: • uitrekenpapier (per leerling); • liniaal (per leerling).

LES 9 AUTOMATISEREN & MEMORISEREN De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.

OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.

TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES De leerling leert oppervlakte uitrekenen met l x b. • Blik kort terug op de vorige les. • Herhaal de formule ‘oppervlakte = lengte x breedte. • Laat de leerlingen de oppervlakte van de rechthoek op het bord uitrekenen. • Bespreek na. Besteed ook aandacht aan het gebruiken van cm2 bij het opschrijven van de oppervlakte. Bekijk het lesdoel uit de vorige les.

VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.

REFLECTIE • Bespreek of de leerlingen nu weten hoe je de oppervlakte berekent. Vraag hen wat ze nog lastig vinden en wat al goed gaat. • Vraag hen of ze een andere leerling kunnen uitleggen hoe je de oppervlakte van een rechthoek berekent. Laat een paar leerlingen dit uitleggen aan de groep.

19

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 21 HL G5B6.indd 19

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Blok 6 | Les 10 LESDOELEN

Handig rekenen: • splitsend delen.

• De leerling leert optellen en aftrekken tot en met 10.000. • De leerling leert oppervlakte uitrekenen met l x b.

BLOK 6

LES 10

extra oefenen

1

1

Reken handig. 279 : 9 = 31 270 : 9 = 30 9:9=1

328 : 4 = 82 320 : 4 = 80 8:4=2

366 : 6 = 61 360 : 6 = 60 6:6=1

648 : 8 = 81 640 : 8 = 80 8:8=1

189 : 3 = 63

255 : 5 = 51

166 : 2 = 83

426 : 6 = 71

180 : 3 = 60 9:3=3

250 : 5 = 50 5:5=1

160 : 2 = 80 6:2=3

420 : 6 = 70 6:6=1

2

5 minder

4994 7993 3996 1999 2

3

50 minder

5004 8003 4006 2009

4998 5952 4939 6971

7998 4001 2004

50 meer

200 minder

5098 6052 5039 7071

8740 3800 2925 7755

5048 6002 4989 7021

200 meer.

9140 4200 3325 8155

8940 4000 3125 7955

Opgave 2 De leerlingen vullen het getallenmuurtje in tweetallen in.

Meerdere antwoorden mogelijk.

+

= 7498

+

= 2568

–

= 6770

+

= 7498

+

= 2568

–

= 6770

+

= 7498

+

= 2568

–

= 6770

+

= 7498

+

= 2568

–

= 6770

Reken uit.

4

De lengte van een tuin is 8 m. De oppervlakte is 56 m².

De breedte van het zwembad is 8 m. De oppervlakte is 40 m².

De lengte van de muur is 5 m. De oppervlakte is 10 m².

De breedte van de parkeerplaats is 3 m. De oppervlakte is 30 m².

De breedte is 7

De lengte is 5

De breedte is 2

De lengte is 10

m

m

m

12 m

OVER DE OPGAVEN | EXTRA OEFENEN

6m 4m

5m

7995

Opgave 3 De leerlingen vullen het getallenmuurtje in tweetallen in.

m

Reken uit.

Meerdere antwoorden mogelijk.

Nu even anders. Hoe ver kom je?

5 meer 4999

Bedenk verschillende sommen.

9000

3

OVER DE OPGAVEN

Vul in.

Meerdere antwoorden mogelijk.

Nu even anders. Hoe ver kom je?

Nu even anders: • optellen en aftrekken tot 10.000.

8m

7m

10 m 2m 6m

14 m De oppervlakte is 80

De oppervlakte is 108

m².

20 9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 20

BASIS BLOK 6

m².

21 04/04/2020 15:47

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 21

04/04/2020 15:47

Blz. 20-21

LES 10

extra oefenen

1

1

Reken handig. 279 : 9 = 31 270 : 9 = 30 9:9=1

328 : 4 = 82 320 : 4 = 80 8:4=2

366 : 6 = 61 360 : 6 = 60 6:6=1

648 : 8 = 81 640 : 8 = 80 8:8=1

189 : 3 = 63

255 : 5 = 51

166 : 2 = 83

426 : 6 = 71

180 : 3 = 60 9:3=3

250 : 5 = 50 5:5=1

160 : 2 = 80 6:2=3

420 : 6 = 70 6:6=1

2

Vul in. 15 minder

4984 2981 7999 5987 2

15 meer

51 minder

5014 3011 8029 6017

4997 5951 4938 6970

4999 2996 8014 6002

5996 5200 796 300 496

3

8440 3825 2625 7455

4989 7021

500 meer

9440 4825 3625 8455

8940 4325 3125 7955

8780

3880

3550

460

40

8280

420

3310

330 90

240

Reken uit.

4

De lengte van een tuin is 8 m. De oppervlakte is 56 m².

De breedte van het zwembad is 8 m. De oppervlakte is 40 m².

De lengte van de muur is 5 m. De oppervlakte is 10 m².

De breedte van de parkeerplaats is 3 m. De oppervlakte is 30 m².

De breedte is 7

De lengte is 5

De breedte is 2

De lengte is 10

m

m

m

Reken uit.

Meerdere antwoorden mogelijk.

Nu even anders. Hoe ver kom je?

500 minder

5099 6053 5040 7072

6002

8320

4900

9000

3

51 meer 5048

Vul in.

Meerdere antwoorden mogelijk.

Nu even anders. Hoe ver kom je?

m

6m

5m

5m

7995

12 m

3m

12 m 6m

14 m

6m

6m De oppervlakte is 72

De oppervlakte is 180

m².

20

PLUS BLOK 6

09/04/2020 17:17

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 21

09/04/2020 17:17

Blz. 20-21

LES 10

extra oefenen

1

1

Reken handig. 279 : 9 = 31 270 : 9 = 30 9:9=1

m².

21

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 20

328 : 4 = 82 320 : 4 = 80 8:4=2

366 : 6 = 61 360 : 6 = 60 6:6=1

255 : 5 = 51

166 : 2 = 83

426 : 6 = 71

180 : 3 = 60 9:3=3

250 : 5 = 50 5:5=1

160 : 2 = 80 6:2=3

420 : 6 = 70 6:6=1

2

Vul in.

648 : 8 = 81 640 : 8 = 80 8:8=1

189 : 3 = 63

5 minder

4994 7993 3996 1999 2

5 meer

50 minder

5004 8003 4006 2009

4998 5952 4939 6971

4999 7998 4001 2004

9000

3

4989 7021

50 meer

100 minder

5098 6052 5039 7071

8660 5455 3025 3260

100 meer. 8760 5555 3125 3360

8860 5655 3225 3460

Meerdere antwoorden mogelijk.

+

= 7498

+

= 2568

–

= 6770

+

= 7498

+

= 2568

–

= 6770

+

= 7498

+

= 2568

–

= 6770

+

= 7498

+

= 2568

–

= 6770

De lengte van een tuin is 8 m. De oppervlakte is 56 m².

De breedte van het zwembad is 8 m. De oppervlakte is 40 m².

De lengte van de muur is 5 m. De oppervlakte is 10 m².

De breedte van de parkeerplaats is 3 m. De oppervlakte is 30 m².

De breedte is 7

De lengte is 5

De breedte is 2

De lengte is 10

m

Ik reken zo:

Opgave 3 Basis: De leerlingen berekenen de lengtes of breedtes die bij de contexten horen Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, de leerlingen schrijven ook op hoe ze hebben gerekend. Opgave 4 Basis: De leerlingen rekenen de oppervlaktes van de vlakken uit. Plus: Gelijk aan Basis, met andere figuren en getallen. Maat: Gelijk aan Basis, met andere figuren en getallen.

m

Ik reken zo:

m

Ik reken zo:

m

Ik reken zo:

Reken uit.

Meerdere antwoorden mogelijk.

Nu even anders. Hoe ver kom je?

6002

Opgave 2 Basis: De leerlingen bedenken plussommen die de gegeven antwoorden hebben. Meerdere antwoorden mogelijk. Plus: De leerlingen vullen de getallenmuurtjes in. Maat: Gelijk aan Basis.

Reken uit.

4

3

5048

Bedenk verschillende sommen.

Meerdere antwoorden mogelijk.

Nu even anders. Hoe ver kom je?

Opgave 1 Basis: De leerlingen vullen getallen in die 5, 50 of 200 minder en meer zijn dan de getallen in het midden. Plus: Gelijk aan Basis, met andere getallen. Maat: Gelijk aan Basis, met soms andere getallen.

3m 6m

7995

2m

2m

3m

4m 5m

5m

3m 3m 9m 7m De oppervlakte is 39

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 20

MAAT

De oppervlakte is 27 m².

m².

21

20 09/04/2020 17:13

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 21

09/04/2020 17:13

Blz. 20-21

20

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 22 HL G5B6.indd 20

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Vervolg op: • optellen en aftrekken tot 1000.

Afronden weektaken

LES 10 HANDIG REKENEN INSTRUCTIE • Vraag de leerlingen op welke manier ze de sommen zouden uitrekenen. • Maak samen de sommen door splitsend te delen. Schrijf de tussenstappen op het bord. • Laat de leerlingen de sommen maken door splitsend te delen en de splitsingen onder de sommen te schrijven.

NU EVEN ANDERS • Bekijk het getallenmuurtje op het digibord. • Vul samen met de leerlingen het getallenmuurtje op het digibord in. Laat de leerlingen verschillende mogelijkheden noemen en schrijf de meest eenvoudige mogelijkheid in het getallenmuurtje op voor de zwakke rekenaars. • Opgave 2 en 3 kunnen in 2 varianten worden gemaakt: • De leerlingen vullen de getallenmuurtjes in tweetallen hun werkschriften in. • De leerlingen tekenen de getallenmuurtjes op het schoolplein en vullen ze in tweetallen in. • Bespreek kort na.

AFRONDEN WEEKTAKEN

STRATEGIEËN Rijgen De strategie rijgen is gebaseerd op een lijnmodel waarbij getallen op een lijn liggen. Op die lijn kan je je bewegen, oftewel springen. Alle getallen zijn ergens op de lijn te plaatsen. Je start met het rijgend rekenen bij het eerste getal van de som en rekent van daaruit door of terug. Dat doe je in stappen, door bijvoorbeeld in tientallen, en vervolgens in eenheden steeds te bewegen op de lijn. Zo kom je bij de uitkomst van een som terecht.

21

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 23 HL G5B6.indd 21

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


Blok 6 | Les 11 LESDOEL

BLOK 6

De leerling leert kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.

Vervolg op: • splitsend optellen en aftrekken tot en met 1000.

Instructie: • introductie kolomsgewijs optellen en aftrekken zonder overschrijdingen.

Didactische aandachtspunten: • Eerste kennismaking met kolomsge­ wijs rekenen dus geen overschrijding

LES 11

BLOK 6

lesdoel Ik leer kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.

2 4 7

4 6 3

5 2 2 +

2 3 5 +

2 0 0+ 5 0 0 = 7 0 0 4 0+ 2 0 = 6 0 7+ 2 = 9 7 6 9

4 0 0+ 2 0 0 = 6 0 0 6 0+ 3 0 = 9 0 3 + 5 = 8+ 6 9 8

678 – 136 = 542 6

9 7 6

3 5 4 –

6 4 2 –

7 0 0 - 3 0 0 = 4 0 0 6 0 - 5 0 = 1 0 8 - 4 = 4 4 1 4

9 0 0 - 6 0 0 = 3 0 0 7 0 - 4 0 = 3 0 6 - 2 = 4 3 3 4

+

Leg de fout uit.

+

7 6 8

533 + 356 = 889

769 – 215 = 554

583 – 472 = 111

642 + 203 = 845

679 – 223 = 456

778 – 628 = 150

152 + 531 = 683

759 – 232 = 527

999 – 128 = 871

360 + 403 = 763

310 + 419 = 729

994 – 130 = 864

739 – 313 = 426

5 0 0

4 0 + 5 0 =

9 0

5 – 4 =

+

8 0

7 0 –

8 +

4 –

2

5 0 =

=

2 0 2 –

2 Fatma heeft 532 stickers. Ze krijgt er 245 bij. Hoeveel stickers heeft ze nu?

Sarah heeft 354 euro. Ze krijgt voor haar verjaardag 145 euro. Hoeveel euro heeft ze nu?

Jayden heeft 243 voetbalplaatjes. Hij krijgt er 133 bij. Hoeveel voetbalplaatjes heeft hij nu?

532 + 245 = 777

354 + 145 = 499

243 + 133 = 376

2 0 0 +

5 0 5 +

4 0 0

583 – 472 = 111

679 – 223 = 456

778 – 628 = 150

152 + 531 = 683

759 – 232 = 527

999 – 128 = 871

360 + 403 = 763

310 + 419 = 729

994 – 130 = 864

739 – 313 = 426

7 0

5 0 0

8

4

+ 3 0 =

2

5

5

3

2

5 +

2

5 0 0

8 0

=

6 8

7

9 0 –

9

+

7

9

7

9

4

8 –

7 0

=

2

– 8 = 3 2

04/04/2020 15:47

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 23

4 –

2

– 2 0 0 = 3 0 0

5 0

=

2 0

=

2 +

1 +

Jayden heeft 243 voetbalplaatjes. Hij krijgt er 133 bij. Hoeveel voetbalplaatjes heeft hij nu?

1

532 + 245 = 777

354 + 145 = 499

243 + 133 = 376

2 0 0 +

5 0 5 +

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 22

PLUS

4 0 0

+ 3 0 =

2

4

5

5

3 9 5 Fout is: Bij de honderdtallen is een optelfout gemaakt, dit moet een plussom zijn. 500 + 200 = 700 en nu staat er 300

3

2

5 +

2

5 0 0

= 6 0 0 8 0

=

6 8

7

9 0 –

9

+

9

7

9

3

8 –

7 0

=

2

– 8 =

7

3 2

09/04/2020 17:17

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 23

Opgave 2 Basis: De leerlingen rekenen de plussommen en minsommen uit met het printblad voor kolomsgewijs optellen en aftrekken. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen rekenen de plussommen en minsom­ men uit in hun werkschrift en met het printblad voor koloms­ gewijs optellen en aftrekken. Minder sommen dan Basis. Opgave 3 Basis: De leerlingen vullen de lege plekken in zodat de kolomsgewijze plussom en minsom kloppen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen schrijven de plussommen op die bij de contexten horen en rekenen de antwoorden uit met het printblad voor kolomsgewijs optellen en aftrekken. Opgave 4 Basis: De leerlingen schrijven de plussommen op die bij de contexten horen en rekenen de antwoorden uit met het printblad voor kolomsgewijs optellen en aftrekken. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen schrijven de minsommen op die bij de contexten horen en rekenen de antwoorden uit in hun werkschrift. Opgave 5 Basis: De leerlingen schrijven de minsommen op die bij de contexten horen en rekenen de antwoorden uit met het printblad voor kolomsgewijs optellen en aftrekken. Plus: Gelijk aan Basis.

+

3 0 + 1 0 =

+

8 + 9 4 8

600 + 10 + 4 is niet goed opgeteld.

700 + 100 is niet goed opgeteld.

3 – 1 = 2 en niet 4.

30 + 10 is niet goed opgeteld.

De getallen zijn niet juist gesplitst.

De getallen zijn niet juist gesplitst.

Vul de lege plaatsen in. 759 – 232 = 527

716 + 242 = 958

994 – 130 = 864

2

2 0 0 +

5 0

Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad.

1

532 + 245 = 777

354 + 145 = 499

243 + 133 = 376

5 +

4 0 0

+ 3 0 =

2

4

5 3

5

5

2

2

+

5 0 0

= 6 0 0 8 0

=

6 8

7

9 0 –

9

+

7

9

7

9 8 –

– 2 0 0 = 3 0 0

7 0

=

2

– 8 =

0 1 +

3 2

1

23

22

MAAT

4 0

1 + 7 =

4 +

6

158 + 831 = 989

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 22

1 0

6 1 4

1 +

09/04/2020 17:17

1 1 7 + 7 0 0 + 1 0 0 = 9 0 0

6 0 – 5 0 = –

Jayden heeft 243 voetbalplaatjes. Hij krijgt er 133 bij. Hoeveel voetbalplaatjes heeft hij nu?

Blz. 22-23

OVER DE OPGAVEN

+

8 0 0 – 2 0 0 = 6 0 0

3 – 1 =

Sarah heeft 354 euro. Ze krijgt voor haar verjaardag 145 euro. Hoeveel euro heeft ze nu?

0

7 3 1

2 5 1 – 759 – 232 = 527

7 5 9 2 3 2 7 0 0 - 2 0 0 = 5 0 0 5 0 - 3 0 = 2 0 9 - 2 = 7 5 2 7

+

Kruis aan wat er niet goed is gegaan.

Fatma heeft 532 stickers. Ze krijgt er 245 bij. Hoeveel stickers heeft ze nu?

– 2 0 0 = 3 0 0

5 0 0+ 3 0 0 = 8 0 0 6 0+ 3 0 = 9 0 2 +7 = 9 8 9 9

+

5

+

b Reken uit. Gebruik het printblad.

23

22 04/04/2020 15:47

5 +

Vul de lege plaatsen in. 2

5 6 2 3 3 7 +

1 3 6 –

6 0 0 - 1 0 0 = 5 0 0 7 0 - 3 0 = 4 0 8 - 6 = 2 5 4 2

5 6 3

2 3 7 3 5 2 2 0 0+ 3 0 0 = 5 0 0 3 0+ 5 0 = 8 0 7+ 2 = 9 5 8 9

7

3 2 2

6 4 2 –

237 + 352 = 589

9 0

2 + 3 =

1 +

Fout is: Bij de tientallen is er een aftrekfout gemaakt. Er staat nu 80 – 10 = 90, maar dat antwoord moet 70 zijn.

2 5 2 –

5 0 0 7 0 –

8 +

Sarah heeft 354 euro. Ze krijgt voor haar verjaardag 145 euro. Hoeveel euro heeft ze nu?

0

9 0

1 9 1

Fatma heeft 532 stickers. Ze krijgt er 245 bij. Hoeveel stickers heeft ze nu?

– 2 0 0 = 3 0 0

4 0 + 5 0 =

Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad.

23

Blz. 22-23

+

8 0

=

8 0 – 1 0 =

562 + 337 = 899 6 7 8

a Reken uit.

2 5 3 + 5 0 0 + 2 0 0 = 3 0 0

3 5 4 –

9 0 0 - 6 0 0 = 3 0 0 7 0 - 4 0 = 3 0 6 - 2 = 4 3 3 4

Eline heeft 562 punten met een spel. Ze krijgt er 337 bij. Hoeveel punten heeft ze nu?

678 – 136 = 542 +

9 7 6

+

Schrijf de som en reken uit. Koen heeft 678 knikkers. Hij verliest er 136. Hoeveel knikkers heeft Koen over?

2

5 4 2

5 8 5

5 7 4

= 7 0 0

+ 1 0 =

2 + 3 5 2

de tientallen is een fout gemaakt, een plussom in plaats van een minsom. 30 – 20 = 10 en er staat nu 50.

4 1 4 –

2 0 0+ 5 0 0 = 7 0 0 4 0+ 2 0 = 6 0 7+ 2 = 9 7 6 9

7 6 8

7 0 0 - 3 0 0 = 4 0 0 6 0 - 5 0 = 1 0 8 - 4 = 4 4 1 4

5 0

3 – 1 =

Fout is: Bij

5 0 0 – 4 0 0 = 1 0 0

5 – 4 =

7 8 9

= 6 0 0

22

BASIS

769 – 215 = 554

642 + 203 = 845

2 0 0 +

3 0 – 2 0 =

4 + 6 1 4

de eenheden zijn de getallen opgeteld in plaats van afgetrokken. 3 – 1 = 2 en nu staat er 4.

533 + 356 = 889

1 +

Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad.

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 22

Fout is: Bij de honderdtallen is een optelfout gemaakt, dit moet een plussom zijn. 500 + 200 = 700 en nu staat er 300

1 0

3 – 1 =

716 + 242 = 958

2 7 1 5 1 8

6 0 0 – 3 0 0 = 3 0 0

Fout is: Bij

158 + 831 = 989

Vul de lege plaatsen in.

3 2 1 –

6 0 – 5 0 =

+

Vul de lege plaatsen in.

7

3 2 2

9 0 0 - 6 0 0 = 3 0 0 7 0 - 4 0 = 3 0 6 - 2 = 4 3 3 4

+

6 3 3

8 0 0 – 2 0 0 = 6 0 0

237 + 352 = 589

3 9 5

Fout is: Bij de tientallen is er een aftrekfout gemaakt. Er staat nu 80 – 10 = 90, maar dat antwoord moet 70 zijn.

– 2 0 0 = 3 0 0

6 4 2 –

3

5 +

1 9 1

2 5 2 –

5 0 0

= 7 0 0

9 0

2 + 3 =

1 +

5 7 4

7 8 9

4

8 0 – 1 0 =

3 5 4 –

5 6 3 2 5 1 –

5 2 2 +

2 3 5 +

Leg de fout uit.

+

9 7 6

4 2 4 7

4 6 3

4 0 0+ 2 0 0 = 6 0 0 6 0+ 3 0 = 9 0 3 + 5 = 8+ 6 9 8

855 – 233 = 622

6

Reken uit. Gebruik het printblad.

2 5 3 + 5 0 0 + 2 0 0 = 3 0 0

678 – 136 = 542

2

5 4 2

5 8 5

Vul de lege plaatsen in.

=

2 – 3 5 2

de tientallen is een fout gemaakt, een plussom in plaats van een minsom. 30 – 20 = 10 en er staat nu 50.

5 0 0 – 4 0 0 = 1 0 0

2 0 0+ 5 0 0 = 7 0 0 4 0+ 2 0 = 6 0 7+ 2 = 9 7 6 9

7 6 8

7 0 0 - 3 0 0 = 4 0 0 6 0 - 5 0 = 1 0 8 - 4 = 4 4 1 4

5 0

3 – 1 =

Fout is: Bij

4 1 4 –

3

8

3 0 – 2 0 =

4 – 6 1 4

de eenheden zijn de getallen opgeteld in plaats van afgetrokken. 3 – 1 = 2 en nu staat er 4.

716 + 242 = 958

+ 1 0 =

1 0

3 – 1 =

158 + 831 = 989

2 7 1 5 1 8

6 0 0 – 3 0 0 = 3 0 0

Fout is: Bij

Reken uit. Gebruik het printblad.

1 +

3 2 1 –

6 0 – 5 0 =

+

237 + 352 = 589

7 0

6 3 3

8 0 0 – 2 0 0 = 6 0 0

2

2 0 0 +

5 6 3 2 5 1 –

5 2 2 +

2 3 5 +

lesdoel Ik leer kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.

Nu jij!

Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad. Koen heeft 678 knikkers. Anneke heeft 855 euro. Hij verliest er 136. Ze koopt een fiets van 233 euro. Hoeveel knikkers heeft Koen over? Hoeveel euro heeft Anneke over?

2 4 7

4 6 3

LES 11

1

5

4 0 0+ 2 0 0 = 6 0 0 6 0+ 3 0 = 9 0 3 + 5 = 8+ 6 9 8

855 – 233 = 622

Materiaal: • printblad Kolomsgewijs Optellen (per leerling); • MAB­materiaal (per leerling bij de extra instructie).

BLOK 6

lesdoel Ik leer kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.

Nu jij!

Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad. Koen heeft 678 knikkers. Anneke heeft 855 euro. Hij verliest er 136. Ze koopt een fiets van 233 euro. Hoeveel knikkers heeft Koen over? Hoeveel euro heeft Anneke over?

Nu jij!

LES 11

1

5

1

met tientallen en honderdtallen.

09/04/2020 17:13

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 23

09/04/2020 17:13

Blz. 22-23

Maat: De leerlingen kruisen de fouten aan die zijn gemaakt bij het kolomsgewijs aftrekken en optellen. Opgave 6 Basis: De leerlingen leggen de fouten uit die zijn gemaakt bij het kolomsgewijs aftrekken. Plus: Gelijk aan Basis. Maat | signaalopgave: De leerlingen vullen de lege plekken in zodat de kolomsgewijze plussom en minsom kloppen. Opgave 7 | signaalopgave Basis: De leerlingen vullen de lege plekken in zodat de kolomsgewijze plussom en minsom kloppen. Plus: Gelijk aan Basis.

LES 11 INSTRUCTIE De leerling leert kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000. • Vertel de leerlingen dat ze een nieuwe manier gaan leren om 2 getallen kolomsgewijs op te tellen. • Laat de leerlingen de 2 getallen splitsen in honderdtallen, tientallen en eenheden en vertel dat ze deze splitsingen gaan gebruiken bij het optellen. • Tel eerst de 2 honderdtallen op en schrijf de som ‘700 + 200’ op het bord. Schrijf het antwoord van 900 in het schema. • Doe dit ook bij de tientallen en eenheden. • Tel daarna de 3 getallen in het schema (900, 50 en 7) hoofdrekenend op.

22

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 24 HL G5B6.indd 22

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


• Schrijf het antwoord (957) onderaan in het schema en achter de som ‘723 + 234 =’ bovenaan. • Vertel de leerlingen dat je op deze manier ook sommen kunt aftrekken. • Laat de leerlingen de 2 getallen splitsen in honderdtallen, tientallen en eenheden en vertel dat ze deze splitsingen gaan gebruiken bij het aftrekken. • Trek eerst de 2 honderdtallen van elkaar af en schrijf de som ‘600 ­ 300’ op het bord. Schrijf het antwoord van 300 in het schema. • Doe dit ook bij de tientallen en eenheden. • Tel daarna de 3 getallen in het schema (300, 20 en 2) hoofdrekenend op. • Schrijf het antwoord (322) onderaan in het schema en achter de som ‘674 ­ 352 =’ bovenaan. • Bespreek kort dat wanneer een som er moeilijk uitziet je hem toch kunt uitrekenen doordat je de tussenstappen niet hoeft te onthouden omdat je ze opschrijft in het schema.

BEGELEIDE INOEFENING | OPGAVE 1 NU JIJ! • Laat de leerlingen opgave 1 maken door 1 de 2 plus­ sommen kolomsgewijs uit te rekenen. • Bespreek na. Laat 2 de leerlingen de 2 plussommen op het bord maken.

VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.

EXTRA INSTRUCTIE | MAAT • Besteed aandacht aan kolomsgewijs optellen en aftrekken met behulp van het DHTE­schema. • Maak de eerste plussom en de eerste minsom van opgave 2 samen met de lee rlingen. Besteed daarbij aandacht aan het splitsen van de getallen. Als ondersteuning kan hier eventueel MAB­materiaal bij gebruikt worden. • Besteed bij de minsom aandacht aan het optellen van de 3 getallen in de kolom. Leg uit dat de 3 getallen allemaal een stukje van het antwoord zijn dus dat ze moeten worden opgeteld om het hele getal te zien.

REFLECTIE • Bespreek opgave 7 met de leerlingen. Laat hen (eventueel) vertellen hoe ze de ontbrekende getallen gevonden hebben.

STRATEGIEËN Kolomsgewijs optellen Kolomsgewijs optellen gebruik je bij het optellen van grotere getallen. De getallen worden eerst gesplitst en daarna bij elkaar opgeteld: eerst de honderdtallen, daarna de tientallen en dan de eenheden. De antwoorden van deze splitsingen worden vervolgens hoofdrekenend bij elkaar opgeteld. Bij kolomsgewijs optellen houd je rekening met de positie­ waarde van een getal. Daarmee is het een vervolg op splitsend optellen, waarmee de leerlingen bekend zijn. Tussenstappen: 4 2 3 + 2 1 6 = 6 3 9 • De getallen worden ge­ 4 2 3 2 1 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 2 0 + 1 0 = 3 0 plussommen genoteerd. 9 3 + 6 = 6 3 9 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan, maar worden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 30 + 9 = 639. Eerst wordt het kolomsgewijs optellen zonder overschrijdin­ gen aangeleerd, zie het voorbeeld hierboven. Vervolgens leren de leerlingen optellen met overschrijding bij de eenheden: Tussenstappen: 4 2 7 + 2 1 6 = 6 4 3 • De getallen worden ge­ 4 2 7 2 1 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 2 0 + 1 0 = 3 0 plussommen genoteerd. 1 3 7 + 6 = 6 4 3 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. Daardoor wordt automatisch duidelijk dat bij 7 + 6, het antwoord 13 bestaat uit eenheden (3) en tientallen (1). • Vervolgens worden de tussenantwoorden hoofdrekenen bij elkaar opgeteld: 600 + 30 + 13 = 643. Daarna met overschrijding bij de tientallen: Tussenstappen: 4 5 3 + 2 9 6 = 7 4 9 • De getallen worden ge­ 4 5 3 2 9 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 5 0 + 9 0 = 1 4 0 plussommen genoteerd. 9 3 + 6 = 7 4 9 • De tussenantwoorden k omen, in positie, onder elkaar te staan. Daardoor wordt automatisch duidelijk dat bij 50 + 90, het antwoord 140 bestaat uit eenheden (0), tientallen (4) en honderdtallen (1). • Vervolgens worden de tussenantwoorden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 140 + 9 = 749. En tenslotte met meerdere overschrijdingen: Tussenstappen: 4 5 7 + 2 9 6 = 7 5 3 • De getallen worden ge­ 4 5 7 2 9 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 5 0 + 9 0 = 1 4 0 plussommen genoteerd. 1 3 7 + 6 = 7 5 3 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. • De tussenantwoorden worden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 140 + 13 = 753.

23

Untitled-1 25 TMH_9789006639407_ATQ HL G5B6.indd 23

16/11/2020 08:47 1/07/20 15:26


Blok 6 | Les 12 LESDOEL

Herhalen: • rekenen met l, dl, cl en ml; • rekenen met kg en g; • delen met tientallen.

De leerling leert kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.

Materiaal: • printblad Kolomsgewijs Rekenen; • klimkaart Schaalkaart.

Automatiseren & memoriseren: • deeltafels met tientallen.

LES 12

BLOK 6  1

OVER DE OPGAVEN | OEFENEN & HERHALEN

lesdoel Ik leer kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.

Deze opgave maak je digitaal.

Verwerken: • kolomsgewijs optellen en aftrekken zonder overschrijdingen.

5 Reken uit. Gebruik het printblad.

2 Vul in.

melk

op

siro

10l

1l

10 100 1000

l cl ml

411 + 275 = 686

743 – 411 = 332

829 – 428 = 401

267 + 220 = 487

631 + 345 = 976

988 – 485 = 503

798 – 412 = 386

213 + 362 = 575

164 + 605 = 769

677 – 554 = 123

689 – 546 = 143

504 + 495 = 999

604 + 252 = 856

448 – 310 = 138

584 – 232 = 252

500ml

3 30 300

l dl cl

6

250ml

3dl

1 100 1000

364 + 305 = 669

Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad.

700ml

250 25

dl cl

500 50 5

ml cl

ml

ml cl dl

700 70 7

ml cl dl

3 Kleur wat het zwaarst is. 600 g

4 kg

11 kg

5000 g

3000 g

6 kg

300 g

10.000 g

7 kg

4 kg

Ravi heeft € 867. Mieke heeft € 632. Hoeveel euro heeft Ravi meer?

Anke heeft € 353. Roel heeft € 326. Hoeveel hebben ze samen?

Jayden heeft € 204. Eline heeft € 382. Hoeveel euro heeft Eline meer?

Milou heeft € 171. Sam heeft € 125. Hoeveel hebben ze samen?

867 – 632 = 235 Ravi heeft € 235

353 + 326 = 679

382 – 204 = 178 Eline heeft € 178

171 + 125 = 296

Anke en Roel hebben samen

meer.

Milou en Sam hebben samen

meer.

€ 679

€ 296

7

4

1 kg

10.000 g

8 kg

2 kg

7000 g

100 g

1 kg

700 g

30.000 g

8 kg

Vul de lege plaatsen in. 2

2 0 0 +

Vul in. 1

5

0 4

0 6 9

2

8

3

9 5

0 7

8 10

0

3

9

9

7

6

0 8

0

0

6 0

6 0

verticaal: 

horizontaal:  1. 400 : 8 = 50

1. 250 : 5 = 50

2. 270 : 9

= 30

6. 240 : 80

=3

3. 540 : 6

= 90

7. 810 : 90

=9

4. 300 : 10 = 30

8. 420 : 7 = 60

5. 350 : 5 = 70

11. 160 : 20

7. 720 : 90

13. 160 : 4 = 40

=8

0 +

11 14

1

12

2

6

13

0

0

4

0

0

6 –

10. 450 : 5 = 90 12. 180 : 60

7

+

1 0 0 + 5 2 0 + 3 0 7 + 2 =

7 +

1 0 0

9 +

7

7

6

5

9

7

6

5

4

7

1

1

3

4

–

5 0 0

4 0

4 0 –

=

7

5 +

5

5 4

=3

Opgave 3 Basis: De leerlingen kleuren de vakken met de zwaarste gewichten. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

5 0

5

= 5 0 0

+

0 0 = 6 0 0 =

6

– 3 0 =

1

7

1

7 0

=

6 0 0 –

7 0

3

1 2 7 5 3 2

0

= 5 0 0

+ 1 0 =

=8

9. 320 : 4 = 80

3 0 0

6

4

6 –

– 4 0 0 = 1 0 0

4 0

=

0

– 6 =

1 +

1

0

1

13. 120 : 3 = 40 14. 500 : 5 = 10

25

24 9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 24

04/04/2020 15:47

BASIS 1

9789006858341_gr5_bws_blok6.indd 25

04/04/2020 15:47

Blz. 24-25

LES 12

BLOK 6

lesdoel Ik leer kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.

Deze opgave maak je digitaal.

5 Reken uit. Gebruik het printblad.

2 Vul in.

melk

p

o siro

10l

1l

10 100 1000

l cl ml

364 + 305 = 669

411 + 275 = 686

743 – 411 = 332

829 – 428 = 401

267 + 220 = 487

631 + 345 = 976

988 – 485 = 503

798 – 412 = 386

213 + 362 = 575

164 + 605 = 769

677 – 554 = 123

689 – 546 = 143

504 + 495 = 999

604 + 252 = 856

448 – 310 = 138

584 – 232 = 252

500ml

3 30 300

l dl cl

6

250ml

3dl

1 100 1000

Opgave 2 Basis: De leerlingen schrijven de inhouden in liters, deciliters, centiliters en milliliters. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis.

Schrijf de som en reken uit. Gebruik het printblad.

700ml

250 25

dl cl

500 50 5

ml cl

ml

ml cl dl

700 70 7

ml cl dl

3 Kleur wat het zwaarst is. 600 g

4 kg

11 kg

5000 g

3000 g

6 kg

300 g

10.000 g

7 kg

4 kg

Ravi heeft € 867. Mieke heeft € 632. Hoeveel euro heeft Ravi meer?

Anke heeft € 353. Roel heeft € 326. Hoeveel hebben ze samen?

Jayden heeft € 204. Eline heeft € 382. Hoeveel euro heeft Eline meer?

Milou heeft € 171. Sam heeft € 125. Hoeveel hebben ze samen?

867 – 632 = 235 Ravi heeft € 235

353 + 326 = 679

382 – 204 = 178 Eline heeft € 178

171 + 125 = 296

Anke en Roel hebben samen

meer.

OVER DE OPGAVEN | VERWERKING

Milou en Sam hebben samen

meer.

€ 679

Opgave 4 Basis: De leerlingen vullen de getallen in de puzzel in volgens de aanwijzingen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met andere getallen.

€ 296

7

4

1 kg

10.000 g

8 kg

2 kg

7000 g

100 g

1 kg

700 g

30.000 g

8 kg

Vul de lege plaatsen in. 2

2 0 0 +

Vul in. 1

5

4

0 6 9

2

0

8

3

5

0 7

8 0

10

2

12

3

9

9

9

0

6

0

7

6

0 8

0

6 0

horizontaal: 

verticaal: 

6 0

1. 400 : 8 = 50

1. 250 : 5 = 50

0 +

2. 270 : 9

= 30

6. 240 : 80

=3

3. 540 : 6

= 90

7. 810 : 90

=9

4. 300 : 10 = 30

8. 420 : 7 = 60

5. 350 : 5 = 70

11. 160 : 20

7. 720 : 90

13. 160 : 4 = 40

=8

1

13

0

4

0

0

+ 1 0 =

7

7 0

1 0 0

1

7

7

7

7

6

3

5

+

1 0 0 + 5 2 0 + 3 0 7 + 2 =

1

4 0

4 0 –

=

7

5 + 5 4

=

5 0 9 +

6

5

5

4

4

5 0 0

5

+

0 0 = 6 0 0

–

= 5 0 0

=3

1 2 7 3 2

0

7 +

– 3 0 =

1

1

7 0

6

6 0 0 –

6 –

6

=

=8

10. 450 : 5 = 90 12. 180 : 60

3

= 5 0 0

5

9. 320 : 4 = 80 11 14

3 0 0

4

9 7 6 –

– 4 0 0 = 1 0 0

4 0

=

0

– 6 =

1 +

1

0

1

13. 120 : 3 = 40 14. 500 : 5 = 10

24

25

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 24

09/04/2020 17:17

PLUS

09/04/2020 17:17

Blz. 24-25

LES 12

BLOK 6  1

9789006858419_gr5_pws_blok6.indd 25

Opgave 6 Basis: De leerlingen schrijven de plus­ en minsommen op die bij de contexten horen en rekenen de antwoorden uit met het printblad voor kolomsgewijs optellen en aftrekken. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen rekenen de minsommen uit door kolomsgewijs aftrekken.

lesdoel Ik leer kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000.

Deze opgave maak je digitaal.

5 a Reken uit. 364 + 305 = 669

2

743 – 411 = 332

3 6 4 3 0 5 6 0 0 6 0 9 6 6 9

Vul in.

melk

si

10l

1l

500ml

250ml

3dl

1 100 1000

10 100 1000

l cl ml

3 0 0 + 3 0 0 6 0 + 0 = 4 + 5 =

p roo

3 30 300

l dl cl

700ml

250 25

dl cl

500 50 5

ml cl

ml

ml cl dl

700 70 7

7 0 0 – 4 0 0 4 0 – 1 0 = 3 – 1 =

7 4 3 4 1 1 3 0 0 3 0 2 3 3 2

+

=

–

+

b Reken uit. Gebruik het printblad.

ml cl dl

3

411 + 275 = 686

988 – 485 = 503

213 + 362 = 575

677 – 554 = 123

6 Kleur wat het zwaarst is. 600 g

4

=

+

Schrijf de som en reken uit. .

4 kg

11 kg

5000 g

6 kg

300 g

10.000 g

7 kg

4 kg

1 kg

10.000 g

8 kg

2 kg

7000 g

100 g

1 kg

700 g

30.000 g

8 kg

5

0 4

0 6 9

2

8

5 5

5 7

3 0

3

10

9

8

7

3

0 8

0

0

6 0

horizontaal: 

verticaal: 

1. 400 : 8 = 50

1. 250 : 5 = 50

8 0 0 – 6 0 0 6 0 – 3 0 = 7 – 5 =

30

2.

40 : 8 = 5

6. 270 : 9 =

3.

30 : 10 = 3

7. 720 : 9 = 80

4.

50 : 10 = 5

8. 420 : 7 = 60

5. 350 : 5 = 70

11. 160 : 8 = 20

7. 720 : 9 = 80

13. 160 : 4 = 40

11

2

2 0

12

6

0

13

4

0

0

=

2

2 0 0 +

12. 180 : 3 = 60

6 0

13. 120 : 3 = 40

0 +

3 0 0

meer.

3 8 5 2 0 4 1 0 0 8 0 1 1 8 1

+

+

3

7

6 1

3 0 0 – 2 0 0 8 0 – 0 = 5 – 4 =

=

1 0 0 + 5 0 0 2 0 + 3 0 = 7 + 2 =

= 6 0 0

1 2

0

7

5

+

= 5 0 0

+ 1 0 =

7 0

=

7 + 5

14. 100 : 5 = 20

24

MAAT

8 6 7 6 3 2 2 0 0 3 0 2 2 3 5

–

Opgave 7 Basis: De leerlingen vullen de lege plekken in zodat de kolomsgewijze plussom en minsom kloppen. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: Gelijk aan Basis, met minder opdrachten.

+

Vul de lege plaatsen in.

10. 450 : 5 = 90

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 24

Eline heeft € 181

meer.

7

9. 320 : 4 = 80 14

385 – 204 = 181

867 – 632 = 235 Ravi heeft € 235

Vul in. 1

Jayden heeft € 204 Eline heeft € 385. Hoeveel euro heeft Eline meer?

Ravi heeft € 867. Mieke heeft € 632. Hoeveel euro heeft Ravi meer?

3000 g

7

7

3

7 2 +

5 0 9 +

6

5

9

25 09/04/2020 17:13

9789006858488_gr5_mws_blok6.indd 25

Opgave 5 Basis: De leerlingen rekenen de plus­ en minsommen uit met het printblad voor kolomsgewijs optellen en aftrekken. Plus: Gelijk aan Basis. Maat: De leerlingen rekenen de plussommen uit door kolomsgewijs optellen.

09/04/2020 17:13

Blz. 24-25

24

TMH_9789006639407_ATQ Untitled-1 26 HL G5B6.indd 24

16/11/2020 1/07/20 15:26 08:47


LES 12

STRATEGIEËN

AUTOMATISEREN & MEMORISEREN

Kolomsgewijs optellen Kolomsgewijs optellen gebruik je bij het optellen van grotere getallen. De getallen worden eerst gesplitst en daarna bij elkaar opgeteld: eerst de honderdtallen, daarna de tientallen en dan de eenheden. De antwoorden van deze splitsingen worden vervolgens hoofdrekenend bij elkaar opgeteld. Bij kolomsgewijs optellen houd je rekening met de positie­ waarde van een getal. Daarmee is het een vervolg op splitsend optellen, waarmee de leerlingen bekend zijn. Tussenstappen: 4 2 3 + 2 1 6 = 6 3 9 • De getallen worden ge­ 4 2 3 2 1 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 2 0 + 1 0 = 3 0 plussommen genoteerd. 9 3 + 6 = 6 3 9 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan, maar worden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 30 + 9 = 639. Eerst wordt het kolomsgewijs optellen zonder overschrijdin­ gen aangeleerd, zie het voorbeeld hierboven. Vervolgens leren de leerlingen optellen met overschrijding bij de eenheden: Tussenstappen: 4 2 7 + 2 1 6 = 6 4 3 • De getallen worden ge­ 4 2 7 2 1 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 2 0 + 1 0 = 3 0 plussommen genoteerd. 1 3 7 + 6 = 6 4 3 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. Daardoor wordt automatisch duidelijk dat bij 7 + 6, het antwoord 13 bestaat uit eenheden (3) en tientallen (1). • Vervolgens worden de tussenantwoorden hoofdrekenen bij elkaar opgeteld: 600 + 30 + 13 = 643. Daarna met overschrijding bij de tientallen: Tussenstappen: 4 5 3 + 2 9 6 = 7 4 9 • De getallen worden ge­ 4 5 3 2 9 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 5 0 + 9 0 = 1 4 0 plussommen genoteerd. 9 3 + 6 = 7 4 9 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. Daardoor wordt automatisch duidelijk dat bij 50 + 90, het antwoord 140 bestaat uit eenheden (0), tientallen (4) en honderdtallen (1). • Vervolgens worden de tussenantwoorden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 140 + 9 = 749. En tenslotte met meerdere overschrijdingen: Tussenstappen: 4 5 7 + 2 9 6 = 7 5 3 • De getallen worden ge­ 4 5 7 2 9 6 + splitst en als afzonderlijke 4 0 0 + 2 0 0 = 6 0 0 5 0 + 9 0 = 1 4 0 plussommen genoteerd. 1 3 7 + 6 = 7 5 3 • De tussenantwoorden komen, in positie, onder elkaar te staan. • De tussenantwoorden worden hoofdrekenend bij elkaar opgeteld: 600 + 140 + 13 = 753.

De leerlingen maken deze digitaal of op een kopieerblad.

OEFENEN & HERHALEN Zie 'Over de opgaven'.

TERUGBLIK INSTRUCTIE VORIGE LES De leerling leert kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000. • Blik kort terug op de vorige les. • Laat de leerlingen vertellen welke stappen je moet zetten om de plussom op het bord uit te rekenen. Schrijf de stappen in het schema. • Laat de leerlingen vertellen welke stappen je moet zetten om de minsom op het bord uit te rekenen. Schrijf de stappen in het schema. Vraag de leerlingen waarom je de getallen in de kolom moet optellen, terwijl dit een minsom is. Bekijk het lesdoel uit de vorige les.

VERWERKING Zie 'Over de opgaven'. Bekijk de digitale opgaven via de cockpit.

REFLECTIE • Laat de leerlingen de klimkaart ‘Schaalkaart’ invullen over kolomsgewijs optellen. • Laat een paar leerlingen vertellen waar ze zichzelf hebben ingeschaald en waarom juist daar. Over de klimkaart 'Schaalkaart’: • Doelgroep: groep 4­8. • Bedoeling van de kaart: leerlingen schalen hun eigen kunnen in en denken op een andere manier na over hun volgende stap. • Hoe werkt de kaart?: ­ Benoem het lesdoel of een onderwerp waarvoor leerlingen een kaart invullen. Leerlingen vullen zelfstandig de kaart in. Dat duurt 2 minuten. ­ De leerlingen vragen elkaar in tweetallen wat nodig is om 1 punt te stijgen. ­ Sluit de activiteit af door enkele tweetallen te vragen wat zij bespraken. • Wanneer gebruik je de kaart?: leerlingen vullen zelfstandig of in tweetallen de kaart in na afloop van een les of blok.

25

Untitled-1 27 TMH_9789006639407_ATQ HL G5B6.indd 25

16/11/2020 08:47 1/07/20 15:26


BLOK 6 handleiding

ATQ_9789006639407_HL Untitled-1 28 OMSLAG GR5B6.indd All Pages

16/11/2020 08:47


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook