Inhoud
Introductie aan de leerling
3
1 Taal 2 Spelling 3 Woordenschat 4 Taal Puzzelmix 1
4 6 8 10 12
5 Spelling 6 Woordenschat 7 Taal 8 Spelling Puzzelmix 2
14 16 18 20 22
9 Woordenschat 10 Taal 11 Spelling 12 Woordenschat Puzzelmix 3
24 26 28 30 32
13 Taal 14 Spelling 15 Woordenschat Puzzelmix 4
34 36 38 40
Puzzelverzamelmix 1 Puzzelverzamelmix 2 Superpuzzelverzamelmix
42 44 46
2
9006627855.indd 2
28-02-13 12:03
Taak 1 1
2
Taal
Schrijf het nieuwe woord op. 1
Een bal van sneeuw is een sneeuwbal
2
Een broek om in te zwemmen is een
3
Een mat om in te hangen is een
4
De deur van een kast is een
5
Het vet van een kaars is
6
Een plaat om te kleuren is een
. . . . . .
Los de rebus op. = kerkklok
kerk +
=
duik +
+ dier = hang +
oor +
+ vet =
= + pomp =
3
=
+ dag =
Vul in. a Maak het woord klein. 1 haan
haantje
2
Zich een
hoed
3 oog
Een
4
duim
De weg op je
5
mond
Niet op zijn
de voorste zijn. schrikken. op iemand hebben. kennen. gevallen zijn.
b Wat betekenen de zinnen van oefening a? Schrijf het cijfer van de zin achter de betekenis. a
de weg goed weten
d
verliefd zijn
b altijd als eerste er bij zijn
e
heel erg schrikken
c
duidelijk zeggen wat je vindt 4
9006627855.indd 4
28-02-13 12:03
4
Maak het woord klein. Wat komt erachter? -je, -tje of -pje? Schrijf het woord in de goede rij. -je
boek
duif
lamp
riem
haar
stoel
-tje
koe worm
arm geit
broer boom
-pje
lampje
5
Maak de zin goed. Het eerste woord staat er al. 1
een spuit dokter Pieterse geeft
Dokter Pieterse geeft een spuit. 2
het gras de tuinman maait
De tuinman
3
een leuk boek Josje leest
Josje
6
4
de kip op het hok zit
De kip
Welke stukjes passen bij elkaar? Trek een lijn. Een muur wordt gemaakt
●
●
een auto.
Pim zit op een bank en leest
●
●
van steen.
Papa rijdt naar school in
●
●
een ei met spek.
Oom Koos verft
●
●
een boek.
Mama bakt
●
●
de deur geel.
5
9006627855.indd 5
28-02-13 12:03
Taak 2
Spelling
!
Je schrijft een woord kort. Maar soms lijkt het alsof je een extra letter hoort. Bijvoorbeeld: Je schrijft melk, maar je zegt soms melluk. Je schrijft hark, maar je zegt soms harruk.
1
Schrijf het woord op. Schrijf daarna een rijmwoord op.
2
3
warm
k
st
z
p
dw
Vul het goede woord in. 1
Op mijn wondje smeer ik
2
Roel zaagt de
3
Kim ziet een hoge
4
Mama gaat vroeg naar haar
5
Mark zag de boef en riep om
.
werk balk
door.
hulp
in zee.
zalf .
golf .
Maak het nog meer. leuk – leuker – leukst
dun – dunner –
laag – lager –
fijn – fijner –
laat – later –
diep – dieper – 6
9006627855.indd 6
28-02-13 12:03
4
Schrijf de woorden op de goede plek. 1 danst – straat
Marieke
op
2 strooit – stroop Hij
5
6
7
.
suiker en schenkt
3 liefst – worst
Het
4 tekst – streep
Jochem zet een
5 sprak – markt
Mijn moeder
.
eet ik
. door de
.
de juf op de
.
Vul in: s of z. 1
Ik heb rode
okken.
3
Een haas kan
nel rennen.
2
Poes Mies is
wart.
4
Deze tas is heel
3
Tom
4
Ik ga morgen naar de
waar.
Vul in: f of v. 1
Lars gaat
aak zwemmen.
2
Fiene houdt niet van
ruit.
alt van de trap. ilm.
Over de welke woorden liep de poes? Schrijf de woorden achter de zin. Het zijn woorden met een s of z. 1
Er zit
2
Ik geef de olifant een
3 De
and in mijn
oep smaakt
ok.
oen op zijn
lurf.
out.
Het zijn woorden met een f of v. 4
We gebruiken de
les als
aas.
5
Met een
iets ik naar beneden.
6 Ik
aartje
raag of hij kan
luiten.
7
9006627855.indd 7
28-02-13 12:03
Puzzelmix 1 1
Kleur de vakjes. Klopt het woord bij de zin? Dan kleur je het vakje bij goed. Klopt het woord niet bij de zin? Dan kleur je het vakje bij fout. goed fout Een schort draag je bij het koken. g a In een vergiet kun je melk bewaren. a l In het kookboek kijk je om liedjes te leren. n k Met een mixer meng je het beslag goed door elkaar. s b Een ovenwant draag je buiten in de winter. r e Kopjes, borden en schaaltjes noem je bestek. a z Met een deegroller maak ik het deeg voor koekjes plat. f n De lunch is het eten tussen de middag. a d Als je siroop mengt met water, krijg je limonade. o e Een milkshake is een lekker warm drankje. n p Vul de letters in van de vakjes die niet gekleurd zijn. Het vlees is zwart! Je hebt het laten ‌
2
Vul in. de of het
3
de of het
dit of deze
dit of deze
1
taart
5
plant
9
rups
13
behang
2
koe
6
land
10
glas
14
bed
3
boek
7
potlood
11
stoel
15
vork
4
foto
8
poes
12
mes
16
emmer
Kijk naar oefening 2. Waar schreef je het en dit? Kleur de vakjes met dat nummer. 2
12 13 10
1
15
2
12 14
3
8
13 14
7
11 15
3
3
5
7
8
11
1
3
4
7
6
12
5
3
6
14
15
8
2
10
3
8
4
6
15
4
11
4
1
2
5
7
11
4
11
8
14
9
10 12 11
5
4
14
7
10 12
3
2
15
1
9
6
3
7
2
9
3
8
9
1
9
11 15
12
9006627855.indd 12
28-02-13 12:03