9006484755_omslag.indd 1
van horen zeggen
Over wondere feiten
21-01-13 12:09
Lesmateriaal voor de tweede fase in het voortgezet onderwijs Over wondere feiten behandelt een aantal tot verwondering wekkende thema's uit de natuuren menswetenschappen en uit de beeldende kunst en brengt die in verband met de drie vragen: waar komen wij vandaan, waarom zijn we hier en waar gaan we heen? Het boek is bedoeld voor de vakken godsdienst, levensbeschouwing en filosofie in de klassen 5 en 6 van havo en vwo.
Auteurs Cor Jongeneelen Rob Kurvers Pieter van Lier Henk van Putten Gerrit Sleeuwenhoek Epko Smit Jaap Veld Albert Wubs
Eindredactie Albert Wubs 2e druk
Van horen zeggen
Over wondere feiten
Colofon Opmaak Imago Mediabuilders, Amersfoort Illustratieverantwoording United States Air Force / Joshua Strang: p. 5, omslag; Philip Brooker, Key Brisbane, Florida: p. 8; Gabi Moisa / Istockphoto: p. 12; Leah Wichers: p. 13; Alamy: p. 15, omslag; Matthias Kabel: p. 16; Locutus Borg: p. 17; National Gallery, Londen: p. 18; Marshall Asto: p. 19; Museum of Modern Art, New York: p. 19; Cyril Byrne: p. 20; Marie-Lan Nguyen:
Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt.
p. 21; Metropolitan Museum of Art, New York: p. 22; Vaticaans Museum: p. 23; Josje van Koppen: p. 25, p. 53, p. 78; Jean-Pol Grandmont: p. 30;
Samen leren vernieuwen.
Edward Grant: p. 31; Jan Mehlich: p. 32; Carol Gerten-Jackson: p. 32; NASA / STScI: p. 33, 37; NASA / Harman Smith, Laura Generosa: p. 36;
www.thiememeulenhoff.nl
Digital Sky LLC: p. 38; Alan Wilson: p. 40; Brand X Pictures / Getty Images: p. 41; Petar Miloševic: p. 43 boven; J.J. Harrison: p. 43; Amy Watts: p. 44; Roel Ottow: p. 45; Mainichi Shimbun, Reuters: p. 47;
ISBN 978 90 06 48475 5 Tweede druk, zevende oplage, 2018
A. Froese / Flickr: p. 50; Franky De Meyer: p. 55; Allen Jones / Bridgeman Art Library: p. 57; Boston Science Museum, Boston: p. 59; Berthold
© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2012
Werner: p. 64, p. 65; John Stephen Dwyer: p. 67; Louvre, Parijs / Andrea Mantegna: p. 67; Norton Simon Museum of Art, Pasadena / Guido Reni: p. 67; Marc Chagall / Bridgeman Art Library: p. 69; John Harris Valda / Bridgeman Art Library: p. 69; Tamas Galambos / Bridgeman Art Library: p. 69; Rogier Bos: p. 70; Pablo Picasso / Bridgeman Art Library: p. 71; 9/11 Memorial: p. 72, p. 73; Mark Rothko / SuperStock: p. 74, omslag; Michiel Wijnbergh / Hollandse Hoogte, Amsterdam: p. 75; Sander de
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Jong: p. 78; L. v.d. Vliet: p. 80; Louvre, Parijs / Bibi Saint-Pol: p. 81; Patinir / Bridgeman Art Library: p. 82; Kevin Hamilton: p. 83; Guido Derksen, Onno van Geuns: p. 84; Tate Enterprises Picture Library, Londen: P. 88
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
Inhoud 3
Inhoudsopgave
n
Hoofdstuk 1
Wondere feiten
1 Het vermogen je te verwonderen 2 Een kwestie van taal 3 Taal en context
Hoofdstuk 2
Cultuur en religie
1 Sporen van cultuur 2 Huiver en eerbied 3 Een nieuw perspectief
15 15 18 22
Hoofdstuk 3
Ongemakkelijke feiten
1 Kerk, geloof en wetenschap 2 Darwins gevaarlijke idee 3 Geloof of wetenschap?
Hoofdstuk 4
Een wezen met bezieling
1 Wat is de mens? 2 Wie is de mens? 3 Wat bezielt de mens? 4 Religieuze ervaring
5 5 9 11
Hoofdstuk 5
Religie en kunst
1 Religie in steen 2 Het kruis in kerk en kunst 3 Kunst als bezinning
Hoofdstuk 6
Mijmeren langs de grens
1 Om te gedenken 2 Naar de overzijde 3 Eeuwig leven?
29 29 39 42 47 47 50 55 58 63 63 67 70 75 75 81 85
Hoofdstuk 1
Wondere feiten
Foto gemaakt in Alaska. Tijdens een wandeling op een winteravond breekt er plotseling in het noorden een groen licht door, een bijna buitenaards licht dat zich slingerend beweegt langs de hemel. Het geheimzinnige licht heet aurora borealis, het noorderlicht, een indrukwekkend verschijnsel om in verwondering bij stil te staan.
1
Het vermogen je te verwonderen Iedereen heeft wel eens iets gezien waarover hij zich verwonderde: een prachtige sterrenhemel, een reusachtige waterval of besneeuwde bergtoppen in de Alpen. Ook gebeurtenissen kunnen verwondering wekken: de geboorte van een kind, een uitzonderlijke sportprestatie of een bijzonder concert. Soms verwonderen we ons over heel gewone dingen. We weten dat iedere morgen de zon opgaat, dat na de winter de lente komt en dat na een fikse regenbui de zon weer door kan breken. En toch verwonderen we ons als we er even bij stilstaan: een spectaculaire zonsondergang aan zee, de eerste sneeuwklokjes boven de grond, een prachtige regenboog als zon en regen samenwerken.
6 Hoofdstuk 1
Het vermogen van de mens om zich te verwonderen is uniek. Het laat hem anders kijken naar de wereld om hem heen, waardoor hij meer ziet dan het gewone. Opdracht 1
Noem twee dingen waarover jij je wel eens verwondert of hebt verwonderd.
De wonderen zijn de wereld uit Alle bergen zijn bedwongen, alle grotten zijn ontdekt het mysterie van de bronnen van de Nijl is uitgelekt alle zeeën zijn bevaren, geen witte vlek meer op de kaart geen geheim meer te bewaren, alle raadsels zijn verklaard We zijn de wereld rondgevlogen, er stond al iemand op de maan en zag daar met zijn eigen ogen de aarde aan de hemel staan met digitaal geslepen lenzen wordt op sterren ingezoemd ze zijn nog wat te hoog gegrepen, maar allemaal alvast benoemd De wonderen zijn de wereld uit, het weten kent geen grens en de goden zijn ontmaskerd als een schepping van de mens We kunnen alles zichtbaar maken, geen detail is ons te klein en we schreeuwen van de daken, alles moet toch mogelijk zijn we knippen, we knoeien en we delen met de menselijke cel want de dood doet nog vervelend, maar die krijgen we nog wel
De wonderen De wonderen zijn de wereld nog niet uit, maar of dat waar is moet je zelf ontdekken. Misschien wel aan de trekvogels die trekken, of aan de klimroos, of het fluitenkruid, of aan het vliegtuig, sneller dan ’t geluid, aan de giraffen met hun lange nekken. De wonderen zijn de wereld nog niet uit, Ontdek het maar en zoek op alle plekken, de sterrenpracht, je hand, je eigen huid, de dorre boom waaraan het twijgje ontspruit, de zon die uit de regen kleur kan wekken. Luister en kijk! Ontdek wat het beduidt: De wonderen zijn de wereld nog niet uit. (tekst: Han G. Hoekstra)
De wonderen zijn de wereld uit, het weten kent geen grens en de goden zijn ontmaskerd als een schepping van de mens We willen eeuwig leven, zonder goden, zonder doden, zonder laatste wens (tekst: Harrie Jekkers)
Opdracht 2
In deze twee gedichten kijken de schrijvers op een heel verschillende manier naar de wereld om zich heen. a Noem vijf voorbeelden van wonderen uit het eerste gedicht die volgens Jekkers door de wetenschap zijn opgelost b Wat verstaat Jekkers onder het begrip wonderen? c Wat verstaat de dichter Hoekstra onder wonderen? d ‘Het geheim van de wereld is het zichtbare, niet het onzichtbare,’ zei de dichter Rutger Kopland eens. Bij welk gedicht past deze uitspraak het beste? e Welk gedicht gaat volgens jou vooral over het vermogen van de mens zich te verwonderen? Beargumenteer je keuze
Wondere feiten 7
De wereld van Sofie In 1991 verscheen er een boek met de titel De wereld van Sofie, geschreven door Jostein Gaarder uit Noorwegen. Het werd in vele talen vertaald en wereldwijd door miljoenen mensen gekocht en gelezen. Het boek gaat over de vijftienjarige Sofie Amundsen, die in het begin van het verhaal plotseling brieven krijgt van een onbekende schrijver. De eerste brief bevat alleen de vraag: Wie ben jij? De tweede brief heeft als tekst: Waar komt de aarde vandaan? Het zijn twee vragen waar Sofie een tijdje mee rondloopt maar waar ze geen bevredigend antwoord op kan geven. En voor het eerst van haar leven denkt ze dat je eigenlijk niet ‘zomaar’ kunt leven zonder je ooit eens af te vragen waar alles vandaan komt. De onbekende briefschrijver moedigt Sofie aan te blijven nadenken en hij zegt tegen haar: ‘Het enige wat we nodig hebben om goede filosofen te worden, is het vermogen ons te verwonderen.’ Na de eerste twee korte brieven krijgt Sofie nog een langere brief. In die brief gaat het onder andere over de vraag wie we zijn, waarom we leven en wat er belangrijk is in het leven. Hieronder is een deel van die brief afgedrukt.
Wat is het belangrijkste in dit leven? Als we dat vragen aan iemand die bijna omkomt van de honger, luidt het antwoord: eten. Als we dezelfde vraag stellen aan iemand die het koud heeft, is het antwoord: warmte. En als we het vragen aan iemand die zich eenzaam voelt, dan zal het antwoord luiden: samenzijn met andere mensen. Maar als aan al die behoeften is voldaan, is er dan nog iets wat alle mensen nodig hebben? Filosofen vinden van wel. Mensen hebben natuurlijk eten nodig, maar even zo goed ook aandacht en liefde. Maar eveneens moet ieder mens een antwoord proberen te vinden op de vraag wie we zijn en waarom we leven. Wie zich voor dergelijke vragen interesseert, houdt zich bezig met iets waarover de mensen al hebben gesproken zolang we op deze planeet leven. Hoe het heelal, de aardbol en het leven zijn ontstaan is een grotere en belangrijkere vraag dan wie bij de vorige Olympische Spelen de meeste gouden medailles heeft gewonnen.
8 Hoofdstuk 1
Waar kom ik vandaan? Wie ben ik? Waar ga ik heen? zijn vragen die mensen zich altijd hebben gesteld. De zeer verschillende verklaringen en antwoorden op deze levensvragen zijn van oudsher overgeleverd in verhalen, kunstzinnige verbeeldingen en religieuze voorstellingen. In dit boek gaan we op enkele nader in. In de volgende hoofdstukken komen onderwerpen aan de orde uit de wereld van de natuurwetenschappen, filosofie, cultuur, religie en kunst. Bij al deze onderwerpen zien we een uniek vermogen van de mens, het zich verwonderen over wat hij ziet en ervaart. Dat vermogen stelt een mens in staat om in gewone, dagelijkse feiten méér te zien dan het gewone. Het roept verwondering op, en dagelijkse feiten worden ‘wondere feiten’.
‘WAT’ Compositie van Philip Brooker
Opdracht 3
Deze compositie van Brooker laat iets zien van de mens als een zich verwonderend wezen. Welke details in de afbeelding verwijzen volgens jou naar de wetenschap, naar de kunst, naar de filosofie of naar de godsdienst? Licht je mening toe.
Wondere feiten 9
In dit inleidende hoofdstuk willen we vooral even stilstaan bij een ander uniek menselijk vermogen: het gebruik van taal. Met behulp van taal kan de mens aan anderen duidelijk maken wat hij denkt of voelt, welke plannen hij heeft, hoe hij de wereld ziet, of wat hij van het leven verwacht. Door dit taalvermogen kon de mens zich ontwikkelen tot een cultuurscheppend wezen; dit in tegenstelling tot andere levende wezens.
2
Een kwestie van taal De vragende, onderzoekende en zich verwonderende mens blijft op zoek naar antwoorden en verklaringen, ook in onze 21e eeuw. En de drie levensvragen Waar kom ik vandaan? Wie ben ik? Waar ga ik heen? blijken nog altijd weer nieuwe antwoorden op te leveren. Die antwoorden kunnen worden gegeven en toegelicht in een letterlijke, objectieve taal van de feiten (zoals in natuurwetenschappen, techniek en geschiedenis, maar ook in een figuurlijke taal van de verbeelding (zoals in kunst en religie). Het herkennen en gebruiken van de juiste taal is van belang, want dezelfde woorden kunnen in verschillende betekenissen worden gebruikt. Feitelijke, informatieve en wetenschappelijke taal lezen en horen we ‘anders’ dan de verbeeldende taal van dichters en andere kunstenaars. Bij de onderwerpen in dit boek is het van belang om steeds weer het onderscheid te kunnen en blijven maken tussen deze twee vormen van taalgebruik.
A De letterlijke taal van de feiten Wanneer we spreken over ‘letterlijk’ gebruik van taal, dan bedoelen we daarmee de taal die ons de feiten meedeelt. Dat is de informatieve, zakelijke taal, de taal van de logica, van de objectieve informatie. Met deze taal willen we controleerbare en bewijsbare feiten weergeven. Wetenschappers maken binnen hun vakgebied gebruik van die taal om bijvoorbeeld verschijnselen uit te leggen, verklaringen te geven en logische conclusies te trekken. In de natuurwetenschappen doen we op die manier uitspraken over het wetmatige karakter van natuurlijke verschijnselen en processen. Bevindingen over onderwerpen als zwaartekracht, evolutie, celdeling, DNA en hersenen geven we weer in feitelijke taal. Ook van het Centraal Plan Bureau of het Centraal Bureau voor de Statistiek verwachten we feitelijke gegevens in heldere, duidelijke taal, bijvoorbeeld als het gaat om de prijsstijgingen, het financieringstekort of de verwachte economische groei in het komende jaar. In onze hedendaagse wereld, waar wetenschap een grote rol speelt in het dagelijks leven, kunnen we niet zonder deze taal. Onder andere bij de weersverwachtingen, de beurskoersen, de verkiezingsuitslagen, de verkeersregels, in het onderwijs, enzovoort, gebruiken we deze taal, omdat die helder en eenduidig is. Hierna volgen twee voorbeelden.
10 Hoofdstuk 1
Het (puber)brein
Hersenen wegen ongeveer anderhalve kilo, en tellen honderd miljard zenuwcellen, die signalen aan elkaar doorgeven met een snelheid van meer dan 400 kilometer per uur. Hersenen bestaan voor 80 procent uit water en hebben een volume van 1,6 liter. Hersenen van pubers ontwikkelen zich geleidelijk tot een volwassen brein. Het puberbrein heeft minder verbindingen tussen de verschillende hersendelen dan een volwassen brein, waardoor het probleemoplossend vermogen van pubers minder is. Ook kunnen pubers zich slechter concentreren dan volwassenen. Hoe meer iemand op puberleeftijd bepaalde hersendelen gebruikt, hoe meer hij die ontwikkelt, waar hij op oudere leeftijd van profiteert.
Aardbeving in Nieuw-Zeeland De aardbeving in het Nieuw-Zeelandse Christchurch heeft aan minstens 65 mensen het leven gekost. De aardbeving had een kracht van 6,3 op de schaal van Richter. Gebouwen zijn ingestort en op verschillende plekken zijn mensen onder het puin terecht gekomen. Veel wegen zijn onbegaanbaar en driekwart van de stad zit zonder
elektriciteit. De noodtoestand is uitgeroepen. Reddingswerkers proberen mensen onder het puin vandaan te halen. Ziekenhuizen in de omliggende gebieden maken ruimte voor de slachtoffers uit Christchurch en mensen in de hele omgeving zijn opgeroepen om bloed te doneren. Telkens zorgen naschokken weer voor paniek. (Volkskrant 22 februari 2011)
B De figuurlijke taal van de verbeelding Als mensen hun hart willen luchten of onder woorden willen brengen wat hen ten diepste bezighoudt, maken ze vaak gebruik van een verbeeldende taal. Het uiten van geluk, vreugde, verdriet of dankbaarheid, of het ervaren van schoonheid, lukt vaak beter in die andere taal, die ook wel de ‘taal van het hart’ wordt genoemd. De volgende uitdrukkingen kent iedereen wel: •• Ik ging uit mijn dak. •• Ik zakte door de grond. •• Er lag een steen op mijn maag. •• Ik was in de zevende hemel. •• Ik heb God gedankt uit de grond van mijn hart. Schrijvers en dichters maken in hun teksten vaak gebruik van ‘beeldspraak’, bijvoorbeeld in de vorm van metaforen of symbolen. Niet alles wat zij (be)schrijven is concreet en zintuiglijk waarneembaar. Ook in religies wordt veel gebruik gemaakt van verbeeldende taal. Mensen brengen in die taal onder woorden wat ze geloven, bijvoorbeeld over een leven na de dood, of hoe ze ervaren dat er een God is die vergeeft. In het onder woorden brengen van religieuze ervaringen gaat het veel meer om het oproepen van gevoelens en voorstellingen, dan om het meedelen van controleerbare feiten.
Wondere feiten 11
Opdracht 4
Hieronder zie je teksten, waarin ook de figuurlijke taal van de verbeelding is gebruikt. Geef uit alle drie teksten (I, II en III) twee voorbeelden van figuurlijke taal.
I Eergisteren was het oorlog Eergisteren was het oorlog. Gisteren ook. En nog altijd in mijn heden, dat niet alleen van mij is. Geld sluipt rond over de wereld, betaalt zichzelf met oorlog. Oorlog mag zijn naam niet dragen, noemt zichzelf defensie. Poëzie is het struikgewas waarin ik me verberg wanneer de soldaten komen in hun gierende tanks. (Remco Campert)
II Facebook Tijdens mijn dagelijkse treinreis lees ik altijd een dagtekst van de Spiritualiteitkalender. Ik kauw erop en laat me inspireren door de context van het actuele nieuws. Te midden van de drukte van alledag kom ik tot verstilling. In twee, hooguit drie zinnen deel ik mijn bezinning met anderen via Facebook. Dat doe ik mét een beeldassociatie, gemaakt met m’n iPhone. De dagtekst van vandaag is: ‘Ik zal weer opbouwen wat verwoest was.’ Zo’n zin uit een religieus boek kan mij de hele dag bijblijven en kan mijn ziel voeden. Ik lees o.a. in zo’n zin: Ik hoef niet alle energie en moed om iets groots te doen uit mezelf te halen. Ik geloof dus dat er energie en moed buiten mezelf te halen vallen. Maar vraag me niet hoe dat dan precies werkt. Bij zo’n overdenking plaats ik dan een foto uit de krant van vandaag: de tsunami-verwoestingen in Japan. (Bewerkt uit: Woord & Dienst, april 2011)
III Daar is God God is een woord dat vaak als een muur tussen mensen in staat. Liefde is een woord dat mensen met elkaar verbindt, het is een rozentuin van een woord - iedereen kan erin. God - dat woord heeft tot heel wat moeilijke dogma’s, misverstanden en ruzies geleid. Gelukkig was er eens, tien eeuwen geleden, in een klooster in de Alpen, een monnik die kon dichten en liedjes schreef in het Latijn. Hij schreef een lied dat ook vandaag nog wordt gezongen, vertaald in vele talen, ook in het Nederlands. ‘Waar vriendschap is en liefde, daar is God’. Wat een opluchting, die ene regel: waar wij ons best doen voor elkaar, en vijandschap uitbannen, haat overwinnen, daar is God! (Uit: Huub Oosterhuis, Trouw bezingen)
3
Taal en context Het is niet alleen van belang de twee verschillende vormen van taalgebruik te herkennen, maar ook om deze niet met elkaar te verwarren. Wanneer iemand dat als hoorder of lezer wel doet, zal hij misverstaan wat er gezegd of geschreven is. Een voorbeeld is het volgende misverstand tussen twee vrienden die elkaar lang niet hebben gezien. ------
Hallo zeg, dat is lang geleden! Hoe gaat het met je? Uitstekend, alleen ben ik weer een paar jaartjes ouder geworden. Ja, zo gaat dat. En hoe is het met je vrouw, ook alles goed hoop ik? Mijn vrouw Annemiek? Die is een engel zoals je weet. Nee dat wist ik niet, wat triest. Mijn vrouw leeft gelukkig nog ...
12 Hoofdstuk 1
Van het ene ‘taalveld’ overstappen naar het andere kan heel humoristisch zijn, maar het kan ook leiden tot discussies waarin mensen in feite langs elkaar heen praten. Wat er namelijk gebeurt is dat de context de betekenis van woorden kan veranderen, zoals je ziet in het zinnetje ‘Mijn vrouw is een engel’. Bij discussies over levensvragen komen er altijd meningen en ideeën naar voren die alleen in de juiste context kunnen worden begrepen. Een voorbeeld. Stel dat iemand tijdens een gesprek zich opeens afvraagt: wat is nu eigenlijk verliefdheid? Een van de gesprekspartners is biochemicus en die geeft als antwoord: ‘Het is in wezen een chemisch en neuro-fysiologisch proces in een bepaald deel van de hersenen. Door dat proces worden ook andere delen van het brein gestimuleerd, zodat de hartslag hoger wordt en de lichaamstemperatuur een beetje oploopt.’ Een ander reageert daarop: ‘Zeg ben jij gek! Ben je wel eens verliefd geweest? Dat is het allerheerlijkste wat je kan overkomen. Je bent in de wolken, je loopt op vederlichte voeten, je hebt het gevoel de hele wereld aan te kunnen en je weet dat je het mooiste gedicht over je geliefde zou kunnen maken.’
Een jaar geleden een jaar geleden nu jij kwam binnen en ik had je lief de bomen langs de weg waren hoog en zij wuifden in de wind van onze warme adem
we spraken met zilv’ren woorden en voelden de zon op elkanders huid een jaar geleden nu je kwam in mijn hart en ik had je zo lief. (dichter onbekend)
Ware woorden Een poëtische weergave van verliefdheid is niet meer of minder ‘waar’ dan een wetenschappelijke beschrijving van de hersenactiviteiten die ermee gepaard gaan. Beide gaan over verliefdheid, beide zijn ook waar. Het is alleen van belang om de twee verschillende waarheden niet door elkaar te halen, want dan krijg je onbegrip en misverstanden. De context waarin we iets onder woorden brengen bepaalt altijd hoe de woorden begrepen moeten worden.
Wondere feiten 13
Bij het gebruik van religieuze taal is het ook van belang de context te begrijpen en daardoor de gesproken of geschreven woorden juist te verstaan. Denk bijvoorbeeld aan een stel dat graag een kind wil. Vanaf het begin van de zwangerschap laten ze regelmatig onderzoek doen naar de ontwikkeling van de foetus. Negen maanden lang volgen zij bij wijze van spreken het hele proces vanaf de conceptie. Wanneer dan het kind geboren is, geven zij misschien uiting aan hun blijdschap door op een geboortekaartje een tekst te plaatsen zoals hieronder.
Met deze woorden ontkennen de ouders niet het biologische proces waar zij zelf actief bij betrokken waren. Nee, zij willen de geboorte van hun kind ook in een andere context plaatsen, namelijk dat van hun geloof in God. In een religieuze context gebruiken mensen, ook voor het duiden van concrete verschijnselen en feiten, dus een ‘andere taal’ met een andere, eigen betekenis. Binnen die taal van de religieuze verbeelding kunnen bepaalde woorden voor de één waar en waardevol zijn, terwijl ze voor een ander betekenisloos zijn. Hierna volgt als voorbeeld de tekst van het religieuze lied Een woning die zo ruim is. Een woning die zo ruim is als het hart van onze God. Zo hemelsbreed en wereldwijd, daar komt geen mens tekort.
Waar twijfel en onzekerheid bestaan naast groot geloof, waar liefde alle angst verjaagt; wie treurt wordt er getroost.
O Eeuwige, verberg u niet wees onder ons vandaag, maak woning, schep een ruimte die ons door de tijd heen draagt.
De pijn van schuld en lot wordt daar gewogen recht gedaan: er valt een warm en heilzaam licht nieuw over ons bestaan (tekst: L. van Prooyen Schuurman)
14 Hoofdstuk 1
Ten slotte De drie vragen Waar kom ik vandaan? Wie ben ik? Waar ga ik heen? komen in dit boek regelmatig terug en ze worden op verschillende manieren belicht. Het ene antwoord spreekt je misschien meer aan dan het andere. Het belangrijkste is dat je zelf eens over die vragen nadenkt. De volgende opdracht laat je even nadenken over deze vragen, voordat er in de volgende hoofdstukken dieper op wordt ingegaan. Opdracht 5
Hieronder worden antwoorden gegeven op drie levensvragen. Maak een keuze uit de antwoorden en motiveer die keuze. (Je mag meer dan één antwoord per vraag kiezen, maar maximaal 3)
A 1 2 3 4 5 6 7
Waar komen we vandaan? uit een verbinding tussen zaadcel en eicel uit een bewuste keuze voor mij van mijn ouders uit een toevallig moment tussen mijn vader en mijn moeder uit de liefde tussen twee mensen uit de evolutionaire ontwikkeling van eencellige tot mens uit de schepping van God een ander antwoord, namelijk:
B 1 2 3 4 5 6 7 8 9
Wat is uiteindelijk het doel van het leven? om onszelf voort te planten om op aarde gelukkig te zijn om je in te zetten voor andere mensen (naastenliefde) om als mens te zorgen dat de aarde een leefbare aarde blijft om later in de hemel of het paradijs te komen om in een volgend leven beter terug te komen (reïncarnatie) het leven heeft geen zin of bedoeling, maar berust op toeval geen idee en ik denk er ook niet over na een ander antwoord, namelijk:
C 1 2 3 4 5 6 7 8 9
Waar gaan we na dit leven naar toe? naar de hemel (het paradijs) naar een van tweeën: de hemel of de hel naar de God die mij schiep, maar hoe of waar dat is weten we niet naar het kerkhof of naar het crematorium; en dat is het dan we worden opgenomen in de kosmos we leven voort in onze kinderen ons werk en onze idealen leven voort in andere mensen onze ziel leeft na onze dood verder in een ander lichaam een ander antwoord, namelijk:
Hoofdstuk 2
Cultuur en religie
Beeld van een Neanderthaler voor een schuilplaats in een rotswand in de Dordogne, Frankrijk. In dat gebied zijn op verschillende plekken overblijfselen gevonden van, voor zover wij nu weten, de eerste mensen die in Europa hebben geleefd.
1
Sporen van cultuur In Frankrijk in de Dordogne, in een grot bij het stadje Les Eyzies zijn de sporen te zien van een unieke gebeurtenis. In de geschiedenis van de mensheid is daar iets gedaan, wat in miljoenen jaren daarvóór nooit had plaatsgevonden: het met een zekere eerbied begraven van dode familieleden. In een van de grotten van La Ferrassie zijn de resten gevonden van skeletten van Neanderthalers. Twee volwassenen en zes kinderen zijn daar meer dan 50.000 jaar geleden begraven. Opvallend is dat er drie skeletten waren die met de benen hoog opgetrokken en de armen gevouwen, in een soort foetushouding in hun graf waren gelegd. Dit wijst erop dat zij waarschijnlijk op een rituele manier zijn begraven. En het vermoeden is sterk dat deze mensen toen al voorstellingen hadden over ‘iets aan de andere zijde van de dood’.
16 Hoofdstuk 2
In dit boek staat bij jaartallen van de christelijke jaartelling soms: (c.j.). De jaren vóór het begin van de christelijke jaartelling worden met (v.c.j.) aangegeven.
Van de Neanderthalers is door verschillende archeologische vondsten gebleken dat deze mensensoort zich tussen ongeveer 150.000 en 30.000 v.c.j. over het hele zuiden van Europa had verspreid. Toen zij bijna waren uitgestorven, ongeveer 35.000 jaar geleden, kwamen er andere mensen vanuit Afrika naar Europa. Door onderzoekers worden zij de Cro-magnon-mensen genoemd, naar de Cro Magnon (grote grot) in de buurt van (alweer) Les Eyzies in de Dordogne. Deze mensen werden in vrij korte tijd de ‘nieuwe bevolking van Europa’ en zijn de directe voorouders van de tegenwoordige mens. De naam Neanderthaler komt van het Neander-dal van de rivier de Düssel, die door het Duitse Ruhrgebied stroomt. Daar werden in 1856 de eerste fossiele resten van deze vroege bewoners van Europa gevonden. Verborgen kunst De komst van de Cro-magnon-mensen naar Europa laat een explosieve toename zien van prehistorische ‘kunstuitingen’. De oudste hiervan zijn de ontelbaar vele rotstekeningen, bijna altijd in de kleuren rood, geel en zwart. Toen de eerste tekeningen werden ontdekt, konden velen hun ogen niet geloven. Met ogen van een kind Het gebeurde op een herfstdag in 1879 bij Santillana del Mar, een klein dorp in het noorden van Spanje. De Spaanse edelman Marcelino De Sautuola ging met zijn tienjarig dochtertje Maria naar een pas ontdekte grot in de heuvel van Altamira, vlakbij zijn landgoed. Dorpsbewoners hadden daarin resten gevonden van de botten van dieren en sporen van menselijke bewoning. De Sautuola, die zich graag bezighield met archeologie, wilde daar meer over te weten komen. Samen met zijn dochter ging hij op onderzoek uit. Ze gingen de grot binnen die vrij laag was, maar wel heel groot, koel en vochtig. Terwijl haar vader bij het licht van een lantaarn de bodem bestudeerde en hier en daar wat grond wegschraapte, liep Maria nieuwsgierig rond.
Opeens riep ze: “Kijk eens papa, ossen!” Doordat Maria klein was had zij een beter zicht op het lage plafond in de grot dan haar vader. En zo was een meisje van tien de eerste mens, die na bijna 15.000 jaar de oude rotsschilderingen van Altamira opmerkte. De prehistorische tekeningen van dieren die Maria ‘ossen’ noemde, stelden bizons voor van een soort die al lang is uitgestorven.
Cultuur en religie 17
Opdracht 1
Hieronder een lijst met tien vindplaatsen van prehistorische afbeeldingen in Europa. Frankrijk Lascaux (Dordogne) Pech Merle (Midi-Pyrénées) Rouffi gnac (Dordogne) Chauvet-Pont-d’Arc (Ardèche) Cussac (Dordogne)
Spanje Altamira (Cantabrië) La Pasiega (Cantabrië) La Pileta (Malaga)
Finland Astuvansalmi (Ristiina) Zweden Bohuslän (West-Götaland)
Vorm studiegroepen van drie leerlingen. Elke groep onderzoekt drie vindplaatsen in minstens twee verschillende landen en maakt van de resultaten een presentatie. Daarin moet het volgende aan bod komen: - Beschrijf redelijk nauwkeurig waar de vindplaats ligt. - Wanneer en hoe zijn de afbeeldingen ontdekt? - Wat stellen de afbeeldingen voor?
Een 20.000 jaar oude afbeelding van een vrouwelijke gestalte, gevonden in de grot van Laussel (Dordogne). Opvallend is dat deze Venus van
Laussel een bisonhoorn in haar hand houdt. De symbolische betekenis daarvan is onbekend.
- Wat is bij benadering de leeftijd van de afbeeldingen? - Welke techniek is er gebruikt? - Wat is/zijn de meest opvallende afbeelding(en) in elke vindplaats?
De Cro-magnon-cultuur heeft niet alleen rotstekeningen voortgebracht, maar ook andere vormen van kunst, zoals sieraden en beeldjes. De gevonden beeldjes stellen soms vrouwenfiguren voor, die doen denken aan godinnen van de vruchtbaarheid. Met welk doel maakten onze verre voorouders deze ‘kunst’? Waren het uitingen van eerbied of verwondering? Sommige onderzoekers denken dat het aanwijzingen zijn van het ontstaan van religie. Onder religie wordt hier verstaan: een collectieve vorm van zingeving van het bestaan, waarbij de erkenning van een hogere macht centraal staat. Tot een religie behoort ook het overleveren van mythologische verhalen en het uitvoeren van rituelen die voor de groep een samenbindend effect hebben.
18  Hoofdstuk 2
Beeld en taal De rotstekeningen van de prehistorische mens zijn niet alleen vroege vormen van kunst, maar ook van communicatie. Men neemt aan dat het maken en bekijken van tekeningen gepaard ging met het gebruik van voor elkaar herkenbare woorden en klanken. Het onderlinge gebruik van collectieve woorden of woordklanken, voor dieren, planten, werktuigen enzovoort, heeft uiteindelijk geleid tot een gesproken taal. De ontwikkeling van taal als communicatiemiddel was een ware revolutie in de geschiedenis van de mensheid. De mens is het enige wezen dat zich kan bedienen van een gesproken, en later ook een geschreven taal. Door het gebruik van taal konden mensen hun gedachten en ideeĂŤn vormgeven, ze onder woorden brengen en met elkaar delen. Het gebruik van taal maakte het mogelijk dat er mythische verhalen tot stand kwamen, bijvoorbeeld over de oorsprong van de stam en over de eerste mensen. Mythen Mythen zijn religieuze en levensbeschouwelijke verhalen die verklaringen geven voor natuurverschijnselen en antwoorden op levensvragen. Ze vertellen onder andere hoe de wereld in elkaar zit, hoe de mensen en de goden zich tot elkaar verhouden, hoe de aarde is ontstaan en eens weer zal vergaan, en waarom de dood aan het leven een einde maakt. Mythen geven de mensen ook zekerheid over de zin en het doel van hun eigen individuele leven. Een voorbeeld is de Griekse mythe over het ontstaan van de Melkweg. De oppergod Zeus had eens stiekem zijn zoon Herakles bij zijn vrouw Hera aan de borst gelegd toen ze sliep. Toen Hera wakker werd en zag dat het kind de door haar gehate Herakles was, duwde ze de kleine van zich af. Uit haar borsten bleef echter de melk nog even vloeien, en die vormde aan de hemel de sterren van de Melkweg.
In alle bekende culturen en religies komen mythen voor. Ze vertellen over het ontstaan van de aarde, de wisseling van de seizoenen, de bestraffing van het kwaad, het raadsel van de dood, enzovoort. In veel mythen komen de drie fundamentele levensvragen aan de orde: Waar komen wij vandaan? Waarom zijn wij hier? Waar gaan wij heen?
2
Huiver en eerbied Uit het op rituele manier begraven van doden mag je concluderen dat onze verre voorouders voorstellingen hebben gehad over de dood en dat ze die wellicht zagen als een overgang naar een ander leven. Ook de gebruiksvoorwerpen die in de graven werden aangetroffen wijzen hierop.
Cultuur en religie 19
Het geloof in een hiernamaals zal de prehistorische mens vertrouwen en troost hebben gegeven om het leven met zijn vele gevaren en bedreigingen en een mogelijk vroegtijdige dood aan te durven. Hij wist zich kwetsbaar en huiverde voor het imponerende geweld van de natuur: stormen, donder en bliksem, aardbevingen, ziekte, koude en hitte. Voor de mensen uit die tijd waren het allemaal uitingen van goden, die vanuit een ‘onderwereld’ of ‘bovenwereld’ hun macht uitoefenden. Ze werden voor hun gevoel dagelijks omringd door een veelheid van goden of goddelijke krachten, die de macht hadden hen te doden of te straffen wanneer ze maar wilden. Daarom moest de mens zich eerbiedig en onderdanig tegenover de goden gedragen en via bepaalde rituelen hun gunst zien te winnen.
Cybele was een Romeinse moedergodin en werd vereerd als vruchtbaarheidsgodin.
Aarde, speelveld van de goden Riten maken deel uit van het leven van mensen al zolang de mensheid bestaat: stille processies, fakkeltochten, feesten en dans - zij worden tot op de dag van vandaag gezien als betekenisvolle gebruiken. In sommige rotstekeningen is uitgebeeld hoe mensen dansen in een kring, hoe ze brandoffers opdroegen voor hun god of hoe ze probeerden uit te beelden hoe hemel en aarde bij elkaar horen. De woorden die bij een ritueel gezongen of gesproken werden, gaven een voor allen herkenbare betekenis aan de dans, aan de begrafenis of aan het offer.
De Dans (Matisse, 1910) Henri Matisse was in een bepaalde periode geboeid door rituele elementen in sommige volksdansen.
20 Hoofdstuk 2
Van alle goden die de vroegere mens kende werd de zonnegod waarschijnlijk het meest vereerd. In de prehistorie wist de mens al dat de zon onmisbaar was voor het leven. Hij gaf zijn dagelijks licht, hij zorgde na de winter voor de terugkeer van voorjaar en zomer, en zijn dagelijkse stralen deden het graan en de vruchten groeien. De kadertekst hieronder beschrijft een oeroude vorm van religieuze verering van de zon, in het uiterste westen van Europa, in Ierland.
Het goddelijke licht Vanuit Dublin is het een klein uur rijden naar het noorden. Daar, om precies te zijn acht kilometer ten oosten van het pittoreske plaatsje Slane, bij een bocht van de rivier de Boyne, liggen oeroude grafkamers die ons iets vertellen over oude religies van onze Europese beschaving. Deze grafkamers zijn ouder dan de menhirs in het Engelse Stonehenge, of de piramides van Egypte. De beroemdste grafkamer is die van Newgrange. Sommige mensen noemen die zelfs ‘het paleis aan de Boyne’! De grafkamer van Newgrange moet bestemd zijn geweest voor een belangrijk persoon. Een stamhoofd, een vorst, een koning? Het is niet bekend. Wel is duidelijk dat de bouwers van deze grafkamers goede ‘ingenieurs’ zijn geweest. Hoe ze ooit de enorme stenen voor de grafkamer hebben kunnen vervoeren is nog altijd een raadsel. De stenen zijn zo op elkaar gestapeld dat de grafkamers al meer dan 5000 jaar tegen het regenwater beschermd zijn. Maar het meest bijzondere is het volgende. Vlak boven de monumentale ingang van het grafcomplex is er tussen de stenen een opening vrijgelaten. Deze opening is zó gemaakt, dat precies in de vijf dagen per jaar dat de zon zijn laagste stand heeft, het zonlicht door die opening in de grafkamers valt. Elk jaar is het weer te zien, van 19 tot 23 december. Er is zoveel belangstelling om dit jaarlijkse ‘zonnewonder’ mee te maken, dat mensen zich er minstens vijf jaar van te voren voor moeten inschrijven. De grafkamers van Newgrange laten iets zien van de grote eerbied die mensen in de oudheid hadden voor de zon. Het goddelijke licht van de zon wilden ze - juist rond de kortste dagen van het jaar - verbinden met hun overleden voorouders. Er zijn aanwijzingen dat rond die grafkamers ook rituele samenkomsten werden gehouden, waarin het licht van de zon centraal heeft gestaan.
Cultuur en religie 21
Een zilveren schaal uit ongeveer 250 (c.j.) met een afbeelding van Sol Invictus. De eerste dag van de week, naar deze god de 'zondag' genoemd, werd in 321 een wekelijkse rustdag voor heel het Romeinse rijk.
De zon werd, evenals in andere oude wereldrijken, zoals Egypte, Babylonië en Syrië, ook in het Romeinse Rijk vereerd. In het jaar 270 c.j. verklaarde keizer Aurelius de religie van Sol Invictus (de onoverwinnelijke zon) tot officiële staatsgodsdienst van Rome. Op oude Romeinse munten zijn de keizers uit die tijd dan ook afgebeeld met op hun hoofd een krans van zonnestralen. De geboortedag van Sol Invictus werd gevierd op 25 december.
Toen keizer Constantijn in het jaar 313 verklaarde dat het christendom de erkende godsdienst was in het Romeinse Rijk, bepaalde hij ook dat op 25 december de geboortedag van Jezus Christus moest worden gevierd. Voor de christenen werd vanaf die tijd de zon het symbool voor Christus, het Licht der wereld. Het is een kerkelijke traditie om in de Adventstijd op de avond van 21 december, de dag van de zonnewende, het volgende lied te zingen.
O Oriens, splendor lucis aeternae et sol justitiae. Veni, et illumina sedentes in tenebris et umbra mortis.
O opgaande zon, glans van eeuwig licht en zon van gerechtigheid. Kom, en verlicht hen die neerzitten in duisternis en in de schaduw van de dood.
Wanneer is het licht? Drie wijze mannen zaten samen en vroegen zich af op welk moment het nachtelijk duister overgaat in het licht van de dag. De ene zei: wanneer men op afstand een paard van een koe kan onderscheiden, dan is het licht. De tweede zei: wanneer men op armlengte afstand een zwarte draad van een witte kan onderscheiden, dan is het daglicht aangebroken. Maar de derde zei: het daglicht breekt aan wanneer we in het gelaat van degene die tegenover ons staat onze broeder herkennen, tot dat moment is het nacht om ons heen. Opdracht 2
Denk even terug aan hoofdstuk 1, waar geschreven is over taal en context. Welke contextwisseling doet zich voor in bovenstaand verhaal? En wat heeft dat voor betekenis voor het begrip ‘licht’?
22 Hoofdstuk 2
3
Een nieuw perspectief In de loop van de geschiedenis stonden er van tijd tot tijd verlichte geesten op die hun twijfels hadden over het heersende mythische wereldbeeld, of er zelfs kritiek op hadden. Vanaf ongeveer 600 v.c.j. waren het vooral Griekse filosofen die de wereld wilden begrijpen met hun logische verstand (rede of ratio), zonder te verwijzen naar goden of religieuze tradities. Zij waren de eerste rationele denkers die ook anderen aanspoorden om zelf logisch na te denken. Thales van Milete (624-545 v.c.j.) wordt algemeen gezien als de eerste rationeel denkende filosoof. De fundamentele vraag die hem bezighield was: ‘Waar is alles uit ontstaan?’ Hij zocht zijn antwoord niet in daden van Zeus, Poseidon of andere Griekse goden, maar in de natuur zelf. Hij beredeneerde dat alles uit één oerstof moest zijn voortgekomen. Voor hem was die oerstof water, omdat alles wat leeft altijd water nodig heeft. Latere filosofen bouwden daarop voort. Anderhalve eeuw na Thales sprak de filosoof Empedokles (490-430 v.c.j.) over de vier elementen, die hij als basis zag voor alle leven: aarde, lucht, water en vuur.
Middeleeuwse miniatuur van de Schepper, die de aarde maakt uit de vier elementen: aarde, lucht, water en vuur.
Dat dergelijke denkers door de meeste mensen niet begrepen en gewaardeerd werden, en soms zelfs gezien werden als een gevaar voor toekomstige generaties, bewijst het proces tegen Socrates (469-399 v.c.j.). Socrates Socrates gaf in het openbaar les aan ieder die het horen wilde. Dit sprak vooral de aristocratische jeugd van Athene aan. Socrates’ lesmethode bestond uit het voortdurend stellen van vragen, waardoor de gesprekspartner tot dieper nadenken werd gedwongen. Hij bouwde zijn vragen in toenemende moeilijkheid op, zodat er in de loop van een gesprek nieuw inzicht ontstond. De machthebbers in Athene waren bang voor Socrates’ invloed en begonnen een proces tegen hem. Hij werd ervan beschuldigd de jeugd te bederven en de goden te willen afschaffen. Na een emotioneel proces werd hij veroordeeld tot het drinken van een beker met dodelijk gif.
In feite probeerde Socrates duidelijk te maken dat de mens geen speelbal was van de goden, maar een wezen met een eigen wil en verstand, die in staat is om zelf na te denken en zijn eigen richting te kiezen in het leven.
Cultuur en religie 23
Socrates achtte twee vragen van het grootste belang, namelijk: `Wat is waarheid?' en `Wat is rechtvaardigheid?'. Hij ging er vanuit dat een mens die wist wat waar en rechtvaardig was, ook het juiste zou doen in zijn leven. Een mens moet, volgens Socrates, leren zich te laten leiden door de zuiverheid van zijn geweten, en niet door onderwerping aan wetten van goden of autoriteiten. Het belang van de Atheense school, waarin na Socrates ook de beroemde Griekse filosofen Plato (427-347 v.c.j.) en Aristoteles (384-322 v.c.j.) een hoofdrol speelden, was dat het oude, alles-door-de-goden-bepaalde wereldbeeld onder druk kwam te staan. Er kwam ruimte voor een wereldbeeld waarin de aarde en de natuur niet langer het speelveld waren van de goden, maar hun eigen natuurwetten kenden.
De school van Plato. Een mozaiek uit 100 v.c.j. in Rome
Plato was een leerling van Socrates. Na de dood van zijn leermeester ging Plato verder met het socratische zoeken naar de 'essentie' van de begrippen die we hanteren. Wat is bijvoorbeeld het 'wezen' van waarheid, rechtvaardigheid, moed, wijsheid en schoonheid? Plato dacht verder en kwam tot de conclusie dat alle dingen in ons aardse bestaan tijdelijke afbeeldingen waren van eeuwige 'essenties' die eraan ten grondslag liggen. Een voorbeeld: alle paarden zijn verschillend en vergankelijk, maar ze zijn allemaal 'paard' omdat zij deel hebben aan de 'essentie' of de 'eeuwige vorm' van het paard-zijn. Plato noemt deze eeuwige vormen de 'Ideeën'. De Ideeën zijn de volmaakte en goddelijke 'modellen' van alles wat wij zien als de stoffelijke werkelijkheden. Ziel en lichaam Volgens Plato maakt elke ziel voor de geboorte deel uit van de geestelijke wereld der Ideeën. Wanneer een ziel neerdaalt in een lichaam, is hij niet geheel los van zijn oorsprong. De ziel kan zich namelijk de Ideeën herinneren, en het verstand kan kennis verwerven omtrent de verschijnselen in de wereld door zich te verdiepen in deze herinneringen van de ziel.
Aristoteles was een leerling van Plato, maar op een wezenlijk onderdeel verschilden zij van mening. Aristoteles wees de gedachte af dat er een 'geestelijke wereld van Ideeën' zou bestaan. Hij vond dat we alleen kennis kunnen verwerven over de wereld die we zintuiglijk kunnen waarnemen. Met dit uitgangspunt werd Aristoteles de vroege grondlegger van de moderne wetenschappen, die zich baseren op empirisch onderzoek via observatie en waarneming.
24 Hoofdstuk 2
Ratio en religie in Europa
Een middeleeuwse miniatuur over de zondeval en de verdrijving uit het paradijs
Vanaf de vierde eeuw (c.j.) werd het christendom de heersende religie in het Romeinse rijk en later ook in heel Europa. De mythische verhalen van de Bijbel bepaalden destijds het algemeen geldende wereldbeeld. De wereld was in zes dagen geschapen, de vrouw was uit de rib van Adam gemaakt en dus aan de man ondergeschikt. God was de schepper, maar ook de bestuurder en bewaarder van de wereld. Alles wat op aarde gebeurde, was Gods wil en had dus een bedoeling. De mens was een zondig wezen, maar als hij als gelovige zijn best deed dan wachtte hem na zijn aardse leven de hemel. Dat wereldbeeld begon vanaf het begin van de zestiende eeuw langzaam maar ingrijpend te veranderen. Copernicus en later Galilei verkondigden hun voor die tijd revolutionaire ideeën over ons zonnestelsel. Dit heeft grote invloed gehad op het wereld- en godsbeeld van de mensen (zie ook hoofdstuk 3). De wetenschap en de filosofie begonnen zich meer en meer los te maken van hun mythisch-religieuze oorsprong. Dit proces was na de Middeleeuwen hier en daar al schoorvoetend begonnen, maar kreeg een sterke impuls door de filosofische stromingen van het Rationalisme en de Verlichting in de 17e en 18e eeuw.
Wat is Verlichting? De filosoof Immanuel Kant schreef hierover in 1784 het volgende: ’Verlichting is, dat de mens zijn zelfgekozen onmondigheid achter zich laat. Deze onmondigheid is zelfgekozen, wanneer niet het verstand tekortschiet, maar wanneer het aan moed ontbreekt om zonder leiding van een ander het verstand te gebruiken. Sapere aude! Durf te denken! is dan ook het motto van de Verlichting.’
Twee filosofen, die beiden in Nederland werkzaam waren, worden wel als grondleggers of voortrekkers van de Verlichting beschouwd, namelijk René Descartes en Baruch Spinoza. Geloof en wetenschap, die eeuwenlang als een twee-eenheid waren ervaren, werden mede door hen ontvlochten. In zekere zin pakten zij met hun rationalistische benadering van de werkelijkheid weer de draad op van de vroegere Griekse natuurfilosofen.
Descartes
Standbeeld van René Descartes aan het Newtonplein in Den Haag.
René Descartes werd in 1596 in Frankrijk geboren en is overleden in 1650 in Zweden. Tijdens zijn werkzame leven als wiskundige en filosoof woonde hij in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Hij was 22 jaar toen hij zich daar vestigde, met als argument dat het klimaat om te denken er beter was dan dat van Frankrijk. Hij zal daarmee het tolerante geestesklimaat hebben bedoeld, waar de noordelijke Nederlanden in die tijd om bekend stonden.
Cultuur en religie 25
Als vooruitstrevend katholiek denker voelde Descartes er niet veel voor in een zelfde positie te komen als Galileo Galilei, die kort daarvoor in moeilijkheden was gekomen door de kerkelijke inquisitie. Descartes was ervan overtuigd dat de kerk in deze kwestie kortzichtig had gehandeld, en dat het geloof in God en de theorie van Galilei elkaar niet hoefden uit te sluiten. Descartes ontwierp een eigen filosofisch systeem, gebaseerd op wiskundige methoden. In zijn belangrijkste werk Discours de la méthode stelde hij dat alle feitelijke kennis uiteindelijk wiskundig bewijsbaar moet zijn. Voor Descartes was het wiskundig en logisch denkende verstand een betrouwbaardere bron van kennis dan de soms onbetrouwbare zintuiglijke waarneming. Dit uitgangspunt is de basis van een filosofische stroming die het rationalisme wordt genoemd. Descartes concludeerde dat zintuiglijke waarneming soms bedrieglijk of zelfs onbetrouwbaar is. Bijvoorbeeld, wanneer de zon vlak boven de horizon staat, lijkt hij veel groter dan hoog aan de hemel. Of, een rechte stok die onder een hoek in het water wordt gestoken lijkt plotseling geknikt. Een opvallend voorbeeld van bedrieglijke waarneming zie je in de afbeelding hiernaast, van een muur met witte en zwarte tegels. Het patroon wekt de indruk dat de horizontale voegen gebogen zijn en niet parallel lopen.
Descartes stelt dat betrouwbare en juiste kennis gebaseerd moet zijn op absolute zekerheden. Die zekerheden vinden we niet in zintuiglijke waarnemingen. We doen er daarom goed aan om te twijfelen aan alles wat we op grond van waarnemingen denken zeker te weten. In een tijd waarin twijfel vooral werd gezien als een gebrek aan geloof, stelt Descartes dat twijfel noodzakelijk is voor het verkrijgen van kennis! Alleen door systematische twijfel kunnen we komen tot onbetwijfelbare zekerheden. De eerste zekerheid voor Descartes is: ik weet dat ik twijfel. Het is dus absoluut zeker dat ik een twijfelend wezen ben, dat nadenkt over zichzelf. Descartes formuleerde deze conclusie in het Latijn: cogito ergo sum - ik denk, dus ik ben.
Discussievraag Maak met argumenten duidelijk of bovenstaande cartoon volgens jou een juiste of een verkeerde voorstelling is van Descartes’ uitgangspunt.
26 Hoofdstuk 2
Na de vaststelling dat zijn ‘denkende ik’ met zekerheid bestaat, vraagt Descartes zich af of hij ook over de fysieke werkelijkheid zekerheid kan krijgen. Daarover had hij immers alleen maar zintuiglijke waarnemingen, en die kon hij niet vertrouwen. Descartes lost dat op door eerst het bestaan van God te ‘bewijzen’. Hij begint met de constatering dat hij als mens een sterfelijk en onvolmaakt wezen is. Maar toch, zo redeneert hij, heb ik ook het idee dat er ‘iets’ wel volmaakt en eeuwig is. Dat idee kan niet uit mijzelf komen, want wat onvolmaakt is (ik als mens) kan niet iets volmaakts voortbrengen. Daarom moet het idee van volmaaktheid van God zelf afkomstig zijn, die het in de menselijke geest doet opkomen. Dan zet Descartes de volgende stap: als deze volmaakte God bestaat, wil dat zeggen dat ik hem ook kan vertrouwen. Dat betekent dat de materiële wereld werkelijk bestaat, omdat die door God geschapen is. Bovendien kunnen we over de materiële wereld betrouwbare kennis verwerven, door ons verstand - ook een gave van God - op de juiste wijze te gebruiken. Opdracht 3
Hieronder staan acht citaten van René Descartes in alfabetische volgorde. Kies er drie uit die jou het meest aanspreken. Geef ook een toelichting of een verklaring bij je keuze voor die citaten. 1 2 3 4 5 6 7 8
Als iemand mij beledigt, probeer ik mijn ziel zo hoog te verheffen, dat de belediging mij niet bereikt. De grootste geesten zijn in staat om zowel de grootste ondeugden als de grootste deugden te realiseren. Een land wordt beter bestuurd wanneer er weinig wetten zijn, maar die moeten dan wel strikt worden gehandhaafd. Ik ben echt verbaasd als ik bedenk hoe zwak mijn geest is en hoe gevoelig voor fouten. Met uitzondering van onze eigen gedachten is er absoluut niets waarover wij macht hebben. Niets is eerlijker verdeeld dan het gezond verstand, want iedereen denkt dat hij er voldoende van heeft. Om te weten wat mensen werkelijk denken, moet men eerder letten op wat ze doen dan op wat ze zeggen. Als je de waarheid zoekt, moet je minstens een keer in je leven over iets twijfelen, maar het is nog beter alles in twijfel te trekken.
Spinoza Benedictus Spinoza, zoon van een joods-Portugese immigrantenfamilie, werd op 24 november 1632 in Amsterdam geboren op het toenmalige Vlooienburg, ongeveer op de plaats waar nu het Waterlooplein ligt. In die omgeving groeide hij ook op en werd opgevoed in een orthodox-joodse traditie. Tijdens zijn jonge jaren kwam Spinoza al tot de conclusie dat de tekst van de Bijbel ‘veel te menselijk van aard is’ om door God geschreven of geïnspireerd te kunnen zijn. Andere joodse geschriften noemde hij zelfs ‘uitvindingen van de menselijke fantasie’. Die opvattingen leidden in de kringen van zijn familie en de rabbijnen tot zoveel weerstand, dat hij in 1656 uit de synagoge werd verbannen. Vier jaar later verliet hij Amsterdam, waarna hij zich niet meer Baruch maar Benedictus liet noemen - beide namen betekenen ‘de gezegende’. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in Den Haag, waar hij in 1676 is overleden.
Cultuur en religie 27
Spinoza schreef een tiental boeken, waarvan de Tractatus theologico-politicus en de Ethica de belangrijkste zijn. De Tractatus theologico-politicus (theologisch-politieke verhandeling) verscheen in 1670 en bevat onder andere een kritisch onderzoek naar de Bijbel. Spinoza concludeerde dat de Bijbel niet aan één mens kan zijn geopenbaard, onder andere door de vele tegenstrijdigheden die er in voorkomen. Ook is Mozes niet de schrijver geweest van de Tora, en het Oude Testament is door vele verschillende schrijvers geschreven, hun teksten zijn later samengevoegd tot een boek. Deze opvattingen en daarbij nog een kritische beschouwing over de christelijke theologie, leidden ertoe dat Spinoza’s boek in 1674 werd verboden. In de Ethica heeft Spinoza zijn ideeën uiteengezet over het heelal en de plaats van de mens daarin. Het boek is kort na zijn dood in het jaar 1677 uitgegeven. Het manuscript was al in 1675 gereed, maar de uitgave werd een tijdje opgehouden. Er deden namelijk geruchten de ronde dat Spinoza een boek ging uitgeven waarin hij wilde bewijzen dat er geen God bestond. Enkele predikanten hadden bij de overheid al een aanklacht ingediend. De sfeer was zo vijandig dat Spinoza besloot het boek voorlopig niet uit te geven. Twee jaar later, toen hij zijn einde voelde naderen, gaf hij een vriend opdracht om de tekst na zijn dood naar de uitgever in Amsterdam te sturen.
Spinoza’s godsgeloof In zijn publicaties maakt Spinoza duidelijk - en hierin zet hij de lijn van Descartes voort - dat wetenschappelijke kennis gebaseerd moet zijn op absoluut zekere uitgangspunten. Het ‘godsbewijs’ van Descartes wees Spinoza echter af, en wel om de volgende redenering. Wanneer we de gehele natuur en het heelal kunnen verklaren met behulp van natuurwetten en wiskundige berekeningen, dan is het onnodig om daar nog een god als ‘verklaring’ aan toe te voegen. De bewering dat er een God bestaat, zou dan inhouden dat God tot een 'andere realiteit' behoort dan de 'realiteit van ons heelal'. Spinoza verwerpt deze conclusie van twee werkelijkheden.
Het Spinoza-beeld tegenover de Stopera, aan de Zwanen-burgwal in Amsterdam, is van de kunstenaar Nicolas Dings. Op de zijkant staan de naam van de filosoof en het citaat: ‘Het doel van de staat is de vrijheid’.
28 Hoofdstuk 2
Spinoza stelt dat God niet ‘ergens’ buiten het heelal bestaat, maar hij is ook niet ‘ergens’ lokaliseerbaar ín het heelal. God is namelijk in essentie zelf het heelal, en het fysieke heelal is als het ware Gods zichtbare lichaam. Deze ideeën over het identiek zijn van God en de natuur (het heelal) riepen ook veel kritiek op. Sommigen beschuldigden Spinoza van ‘atheïsme’, omdat in zijn denken geen plaats meer was voor een persoonlijke God. Anderen noemden zijn ideeën ‘pantheïstisch’ (alles is God), omdat hij stelde dat God en de natuur in wezen één zijn: God is in alles en alles is God. Opdracht 4
In de Tractatus besteedt Spinoza enkele hoofdstukken aan de politiek en de samenleving. Volgens hem is een belangrijke verantwoordelijkheid van de overheid: het verdedigen van de vrijheid van meningsuiting. Hij stelt met nadruk dat ‘iedereen mag denken wat hij wil, en mag zeggen wat hij denkt’. De volgende opdracht geeft je de mogelijkheid om met argumenten je mening te geven over dit aspect van Spinoza’s filosofie. Stel van elke uitspraak vast of je het er mee eens of oneens bent. Daarna kies je er twee uit, waarbij je je beargumenteerde mening geeft. 1 2 3 4 5 6
7
Persvrijheid behoort tot de grootste verworvenheden van de moderne beschaving. Censuur op kranten, televisie- of radio-uitzendingen mag nooit worden toegestaan. Wanneer voetbalsupporters tijdens een wedstrijd tegen Ajax roepen ‘Hamas, Hamas, alle joden aan het gas’, moet de scheidsrechter de wedstrijd meteen afbreken. Het is goed dat het bij de wet verboden is om boeken als Mein Kampf van Adolf Hitler uit te geven. Cabaretiers, cartoonisten en andere artiesten mogen in hun satirische voorstellingen, tekeningen en teksten ook het geloof in God belachelijk maken. Artikel 147 Wetboek van Strafrecht stelt bepaalde uitingen van ‘godslastering’ strafbaar. Dit wetsartikel zou moeten worden afgeschaft. Iedereen, dus ook een politicus, moet in het openbaar kunnen zeggen dat hij/zij de Tora, de Bijbel of de Koran een achterlijk boek vindt en dat godsdienstige mensen achterhaalde ideeën hebben. Majesteitsschennis is onzin! Ook de koningin moet voorwerp kunnen zijn satire of negatieve kritiek.
Ten slotte Duidelijk is dat met de opkomst van rationalisten als Descartes en Spinoza er een breuk is gekomen in het denken over God en de wereld en tussen geloof en wetenschap. Tot die tijd was het vanzelfsprekend dat men de bijbelse verhalen las als historisch betrouwbare geschiedenis. Door de invloed van het rationalisme en de Verlichting gingen steeds meer mensen ze lezen als ‘geloofsverhalen’ over een eeuwen oud joods en christelijk godsgeloof. Mede door Descartes en Spinoza zijn geloof en wetenschap twee naast elkaar bestaande onderzoeksterreinen geworden. Deze onderzoeksterreinen sluiten elkaar niet uit, maar kijken elk op hun eigen manier naar mens en wereld.
Hoofdstuk 3
Ongemakkelijke feiten
Het standbeeld van Giordano Bruno op de Campo dei Fiori in Rome. Bruno werd door de kerk van ketterij beschuldigd, omdat hij ideeën verkondigde die in strijd waren met de officiële kerkelijke geloofsleer. Om deze reden werd hij in 1600 op de brandstapel ter dood gebracht. Paus Johannes Paulus II heeft in de december 1999 officieel zijn excuses hiervoor uitgesproken. Omdat Bruno’s denkbeelden nog altijd onverenigbaar zijn met het rooms-katholieke geloof, is hij tot op de dag van vandaag niet gerehabiliteerd. Daarom komen nog elk jaar op de sterfdag van Bruno, 17 februari, wetenschappers bij zijn standbeeld samen om te pleiten voor eerherstel.
1
Kerk, geloof en wetenschap De titel van deze paragraaf lijkt een eenvoudige opsomming van drie begrippen. Toch ligt er een gecompliceerd probleemgebied achter, dat in de geschiedenis tot heftige botsingen heeft geleid. Een voorbeeld hiervan is de dood op de brandstapel van Giordano Bruno (geboren in Napels, 1548), een briljante denker en natuurkundige. Op zijn 35e had hij al meer dan twintig boeken gepubliceerd, onder andere over de oorsprong van het heelal.
30 Hoofdstuk 3
Bruno was ervan overtuigd dat het heelal oneindig was, en niet op een bepaald moment geschapen. De sterren waren zonnen als de onze, met planeten die mogelijk bewoond werden door intelligente levende wezens. Verder ontkende hij dat Jezus een goddelijke figuur was en dat er een Laatste Oordeel zou komen. Deze ideeën brachten Bruno in conflict met de kerkelijke leer. Want volgens de roomskatholieke kerk is God de Schepper van hemel en aarde en is Christus de zoon van God. Bruno dreigde te worden aangeklaagd wegens ketterij. In die tijd kon je daarvoor de doodstraf krijgen. Om een conflict met de kerk te voorkomen, vluchtte Bruno uit Italië. Hij verbleef vele jaren in Frankrijk, Duitsland en Engeland. In 1590 ging hij terug naar Italië, waar hij dacht weer veilig te zijn omdat er een nieuwe paus was aangesteld. In 1592 werd hij echter gearresteerd en van allerlei ketterijen beschuldigd. Toen hij op 17 februari 1600 tot de brandstapel werd veroordeeld, zei hij: ’Misschien spreken jullie, mijn rechters, dit vonnis met meer angst uit dan waarmee ik het onderga.’ Gespreksvraag Wat zou Giordano Bruno hebben bedoeld met de mogelijke angst van de rechters?
Ketterij Vanaf de tweede eeuw hebben kerkelijke leiders vastgelegd wat de inhoud was van de juiste (orthodoxe) christelijke leer. Voor opvattingen die in strijd waren met de ware christelijke geloofsleer, werd in later tijd het woord ketterij gebruikt. Mensen die een afwijkende leer verkondigden waren ketters en konden daarvoor worden bestraft. Het woord ketter is afgeleid van ‘Katharen’. De Katharen woonden in Zuid-Frankrijk. Ze noemden zich christenen, maar ze hadden ideeën die van de officiële kerkelijke leer afweken. Zij erkenden onder andere niet het Oude Testament als deel van hun Bijbel, ze wezen de eucharistie af als sacrament en ze geloofden in reïncarnatie. Paus Innocentius III zette de Inquisitie (kerkelijke rechtbank) in om hen te bestrijden. Tussen 1200 en 1300 hebben de kerk en de Franse koningen de Katharen volledig uitgeroeid. Op de afbeelding Carcassonne, een van de centra van de Katharen en de enige Middeleeuwse citadel die compleet bewaard is gebleven.
9006484755_omslag.indd 1
van horen zeggen
Over wondere feiten
21-01-13 12:09