Skip to main content

9789006391800 inkijkexemplaar

Page 1

www.examenbundel.nl examenbundels Duits Engels Frans Nederlands biologie natuurkunde scheikunde wiskunde A wiskunde B wiskunde C aardrijkskunde economie geschiedenis m&o maatschappijwetenschappen

978-90-06-39181-7 978-90-06-39197-8 978-90-06-39179-4 978-90-06-39185-5 978-90-06-39202-9 978-90-06-39188-6 978-90-06-39167-1 978-90-06-39193-0 978-90-06-39168-8 978-90-06-39176-3 978-90-06-39191-6 978-90-06-39196-1 978-90-06-39180-0 978-90-06-39174-9 978-90-06-39169-5

Meer kans van slagen met de Examenbundel!

met uitleg bij de antwoorden, zodat je leert tijdens het oefenen.

De bundel is speciaal samengesteld voor dit schooljaar, dus je oefent altijd de juiste stof.

Test je kennis met de OriĂŤntatietoets en kijk voor meer tips om te slagen op www.examenbundel.nl.

vwo

samengevat biologie natuurkunde scheikunde wiskunde A wiskunde B wiskunde C aardrijkskunde geschiedenis economie m&o Nederlands 3F / 4F rekenen 3F

2017|2018 vwo

Meer kans van slagen met Samengevat! Samengevat biedt je een helder en beknopt overzicht van alle examenstof. Engels/Duits/Frans in de praktijk zijn theorieboekjes die geworteld zijn in de praktijk. Met een compacte uitleg van grammatica en vele voorbeeldzinnen.

2017|2018

vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo h/v h/v

ÂŽ

De Examenbundel bevat oefeningen

examenbundel

vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo

vwo geschiedenis

Bundels voor al je vakken bestel je op

M.M.P.C. Bolink Y. Bouw H. van der Meiden J. Roesink

geschiedenis

Jouw beste voorbereiding op je examen in 2018

Engels in de praktijk 978-90-06-07397-3 Duits in de praktijk 978-90-06-07396-6 Frans in de praktijk 978-90-06-07398-0 Al onze uitgaven zijn verkrijgbaar via de erkende boekhandel.

9789006391800_EB_vGes_OS.indd 2-4

9 789006 391800

11/05/17 14:01


9789006391800_EB_vGes_inner.indb 1

10-05-17 08:50


ÂŽ

2017|2018 vwo

M.M.P.C. Bolink Y. Bouw H. van der Meiden J. Roesink

geschiedenis

Jouw beste voorbereiding op je examen in 2018

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 1

10-05-17 08:50


Colofon Auteurs M.M.P.C. Bolink Y. Bouw H. van der Meiden J. Roesink Vormgeving Maura van Wermeskerken, Apeldoorn Opmaak PPMP Prepress, Wolvega

Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 39180 0 Eerste druk, eerste oplage, 2017 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2017 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechten­onderwijs.nl. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.

Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 2

10-05-17 08:50


vwo geschiedenis

Voorwoord Wanneer je examen gaat doen, wil je natuurlijk vertrouwd zijn met de examenstof en het soort vragen dat je moet beantwoorden. Met deze EXAMENBUNDEL kun je je goed voor­ bereiden op het centraal examen geschiedenis voor het vwo. Wat moet je weten? Het centraal examen geschiedenis 2018 toetst domein A en domein B. Domein A heeft betrekking op historisch denken en redeneren, domein B op de tien tijdvakken en de bijbehorende kenmerkende aspecten (oriëntatiekennis). Er zijn ken­merkende aspecten die uitgewerkt zijn in vier historische contexten (gedefinieerde kenmerkende aspecten) en kenmerkende aspecten die dat niet zijn (niet-gedefinieerde kenmerkende aspecten). Het centraal examen toetst beiden. De 1 2 3 4

vier historische contexten zijn: De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1515-1648) Verlichtingsideeën en de democratische revoluties (1650-1848) Duitsland (1871-1945) De Koude Oorlog (1945-1991)

Deze EXAMENBUNDEL bevat zowel vragen over deze vier historische contexten (de gedefinieerde kenmerkende aspecten), als vragen over de niet-gedefinieerde kenmerkende aspecten. Bovendien stellen de vragen je in staat te oefenen met historisch denken en redeneren. De EXAMENBUNDEL bevat de volgende onderdelen: • deel 1a: proefexamen met uitwerkingen. Het proefexamen is representatief voor wat je kunt verwachten bij het centraal examen geschiedenis 2018. Bij alle uitwerkingen staan ‘aandachtspunten’, die je helpen tot een goed antwoord op de vraag te komen. • deel 1b: oefenvragen over de vier historische contexten met uitwerkingen. Dit deel toetst je kennis over de vier historische contexten en de daarbij behorende voorbeelden. Je moet een verband kunnen leggen tussen historische gebeurtenissen en de voorbeelden en een bepaald kenmerkend aspect. Daarom staat steeds bij elke vraag het betreffende kenmerkend aspect (KA) met bijbehorend nummer. Alle voorbeelden die je moet kennen bij de historische contexten worden in deze EXAMENBUNDEL getoetst. • oriëntatietoets Door deze toets te maken kun je bepalen welke onderdelen uit de historische contexten je al wel of nog niet voldoende beheerst. De antwoorden staan op www.examenbundel.nl. Op grond van je score krijg je een studieadvies. • deel 2a: de examens van 2015 en 2016, beide van het eerste tijdvak, met uitwerkingen en aandachtspunten. • deel 2b: examen 2017 (eerste tijdvak) zonder uitwerkingen. De antwoorden vind je op www.examenbundel.nl. Via deze site kun je nog meer gratis oefenexamens downloaden. • bijlagen: achterin de bundel vind je een tabel om je ‘cijfer’ te bepalen na het maken van de examens van 2015 en 2016 en een overzicht van belangrijke internetsites.

© ThiemeMeulenhoff

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 3

3

10-05-17 08:50


Examenbundel 2017 | 2018

Na het doornemen van de EXAMENBUNDEL kun je de Quickscan maken op www.examenbundel.nl. Dat is een digitale toets waarmee je snel je kennis test. Deze EXAMENBUNDEL geeft je volop de gelegenheid in je eigen tijd en in je eigen tempo met alle onderwerpen van de examenstof vertrouwd te raken. De uitwerkingen bij de oefenvragen zijn voorbeelden van een juist antwoord en zijn bedoeld om jezelf te controleren. Probeer eerst een opgave zelf te maken. Bekijk de uitwerking pas als je zelf een antwoord hebt gegeven. Raadpleeg ook andere onderdelen van deze examenbundel. Al doende leer je steeds meer over de onderwerpen en oefen je de vaardigheden die voor het centraal examen geschiedenis van belang zijn. Het examen geschiedenis vwo wordt afgenomen op dinsdag 15 mei 2018 tussen 09:00 en 12:00 uur. We wensen je daarbij alvast veel succes. Wil je reageren op deze EXAMENBUNDEL of heb je suggesties, dan kun je ons mailen: vo@thiememeulenhoff.nl. Amersfoort, mei 2017 De overheid stelt regels op die betrekking hebben op specifieke examenonderwerpen, de hulpmiddelen die je tijdens je examen mag gebruiken, duur en datum van je examen, etc. Hoewel deze EXAMENBUNDEL met de grootst mogelijke zorgvuldigheid is samengesteld, kunnen auteurs en uitgever geen aansprakelijkheid aanvaarden voor aanwijzingen die betrekking hebben op publicaties van de overheid. Het is altijd raadzaam je docent of onze website www.examenbundel.nl te raadplegen voor actuele informatie die voor jouw examen van belang kan zijn.

4

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 4

Š ThiemeMeulenhoff

10-05-17 08:50


vwo geschiedenis

Inhoud

3 voorwoord 6 examenvoorbereiding 12 examen doen 13 begrippen geschiedenis 16 een overzicht van de 49 kenmerkende aspecten en de 10 tijdvakken

deel 1a

proefexamen

21 opgaven 37 uitwerkingen met aandachtspunten

deel 1b

historische contexten oefenvragen

51 1 De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 1515-1648 61 2 Verlichtingsideeën en de ­democratische revoluties 1650-1848 72 3 Duitsland 1871-1945 88 4 De Koude Oorlog 1945-1991 101 uitwerkingen

deel 2a

examens met uitwerkingen en aandachtspunten Examen 2015-I 139 opgaven 154 uitwerkingen met aandachtspunten Examen 2016-I 167 opgaven 183 uitwerkingen met aandachtspunten

deel 2b

examen zonder uitwerkingen Examen 2017-I 197 opgaven

bijlagen cijferbepaling internetadressen

oriëntatietoets nagaan wat je al weet 119 opgaven

© ThiemeMeulenhoff

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 5

5

10-05-17 08:50


Examenbundel 2017 | 2018

Examenvoorbereiding Om goed voorbereid te zijn op het centraal examen is een drietal zaken belangrijk: 1 het oefenen met historisch denken en redeneren (domein A); 2 het oefenen met de historische contexten (de kenmerkende aspecten uit tijdvak 5 t/m 10 die wel zijn uitgewerkt); 3 het oefenen met oriëntatiekennis (tijdvak 1 t/m 10). Deze EXAMENBUNDEL veronderstelt dat je in de lessen geschiedenis kennis hebt gemaakt met tijdvak 1 t/m 10 en de historische contexten. Het veronderstelt ook dat je hebt geoefend met historisch denken en redeneren. Deze bundel stelt je in staat om in het examenjaar zelf te oefenen met bovenstaande drie zaken. Een overzicht van de negenenveertig kenmerkende aspecten en de tien tijdvakkken vind je verderop in deze bundel. Voor het centraal examen is het van belang dat je op een historische manier kunt denken en redeneren. Dit wordt hieronder beschreven in domein A. In domein B wordt beschreven wat je moet weten van de kenmerkende aspecten. Verder is er aandacht voor de manier waarop je bronnen beoordeelt, welke soorten vragen er op het examen worden gesteld en welke formuleringen daarbij worden gebruikt en hoe je antwoorden worden beoordeeld. In dit hoofdstuk zie je belangrijke begrippen rood gedrukt. Bij elke eindterm wordt ten minste een voorbeeldvraag uit de bundel genoemd. Aan het eind van dit hoofdstuk vind je een woordenlijst waarin alle roodgedrukte begrippen nog eens worden toegelicht. Domein A: Historisch denken en redeneren Hieronder volgen de eindtermen. Ze zijn genummerd van 1 t/m 8. 1 De examenkandidaat kan: – gebeurtenissen uit zijn eigen leven alsmede verschijnselen, gebeurtenissen en personen uit de geschiedenis met behulp van een tijdbalk of een andere vorm van chronologische schematisering ordenen en daarbij de volgende aanduidingen van tijd en tijdsindeling gebruiken: jaren, eeuwen, tijdvakken, perioden en jaartellingen. – met gebruikmaking van voorbeelden uit de perioden- en tijdvakkenindeling, de westers-christelijke jaartelling en een ander voorbeeld van een jaartelling of periodisering / meerdere andere voorbeelden van jaartellingen of periodiseringen uitleggen dat chronologische indelingen interpretatief van aard zijn en (mede) afhangen van de standplaats die men inneemt en/of de vraag die men wil beantwoorden. Voorbeeldvragen bij eindterm 1 zijn: • Vraag 7, Oriëntatietoets • Vraag 14, HC Verlichting 2 De examenkandidaat kan: – de volgende tijdvakken met bijbehorende tijdsgrenzen in chronologische volgorde noemen en als referentiekader gebruiken: – tijdvak 1: tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus) / Prehistorie; – tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen (3000 voor Christus - 500 na Christus) / Oudheid; – tijdvak 3: tijd van monniken en ridders (500-1000) / Vroege Middeleeuwen; – tijdvak 4: tijd van steden en staten (1000-1500) / Hoge en Late Middeleeuwen; – tijdvak 5: tijd van ontdekkers en hervormers (1500-1600) / Renaissancetijd / zestiende eeuw; – tijdvak 6: tijd van regenten en vorsten (1600-1700) / Gouden Eeuw / zeventiende eeuw; – tijdvak 7: tijd van pruiken en revoluties (1700-1800) / eeuw van de Verlichting / achttiende eeuw;

6

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 6

© ThiemeMeulenhoff

10-05-17 08:50


vwo geschiedenis

– tijdvak 8: tijd van burgers en stoommachines (1800-1900) / industrialisatietijd / negentiende eeuw; – tijdvak 9: tijd van de wereldoorlogen (1900-1950) / eerste helft twintigste eeuw; – tijdvak 10: tijd van televisie en computer (vanaf 1950) / tweede helft twintigste eeuw.

Voorbeeldvragen bij eindterm 2 zijn: • Vraag 8, Proefexamen • Vraag 1, Examen 2015-I • Vraag 16, Examen 2015-I 3 De examenkandidaat kan: – de tijdvakken van eindterm 2 plaatsen in de periodes Prehistorie, Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne Tijd en Moderne Tijd. – uitleggen dat de indeling in perioden en tijdvakken een westers perspectief op de geschiedenis vertegenwoordigt en wat de beperkingen en bezwaren daarvan kunnen zijn. – in historische processen de samenhang tussen veranderingen en continuïteit beschrijven. Voorbeeldvragen bij eindterm 3 zijn: • Vraag 15, HC Verlichting • Vraag 3, HC Duitsland • Vraag 19, Oriëntatietoets 4 De examenkandidaat kan: – de betekenis van historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen voor het heden aangeven. – verschillende soorten historische verandering onderscheiden. – door het onderscheiden van continuïteiten van langere en kortere duur onderkennen hoe elementen afkomstig uit verschillende tijdvakken zich gelijktijdig in één tijdvak kunnen manifesteren (de gelijktijdigheid van het ongelijktijdige). Voorbeeldvragen bij eindterm 4 zijn: • Vraag 20, Proefexamen • Vraag 20, HC Koude Oorlog • Vraag 5, Examen 2015-I 5 De examenkandidaat kan: – een vraag en een daarop aansluitende hypothese formuleren. – voor een vraag bruikbaar bronnenmateriaal verwerven en gegevens eruit selecteren. Zie verderop in de tekst onder Aandachtspunten bij het beoordelen van bronnen. Voorbeeldvragen bij eindterm 5 zijn: • Vraag 22, Proefexamen • Vraag 6, HC Verlichting • Vraag 1, HC Koude Oorlog 6 De examenkandidaat kan: – in het kader van een historische vraagstelling verklaringen geven voor historische gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen. – onderscheid maken tussen verschillende soorten oorzaken en gevolgen.

© ThiemeMeulenhoff

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 7

7

10-05-17 08:50


Examenbundel 2017 | 2018

Voorbeeldvragen bij eindterm 6 zijn: • Vraag 19, Proefexamen • Vraag 8, HC Verlichting • Vraag 14, HC Koude Oorlog 7 De examenkandidaat kan: – bij het geven van oordelen over het verleden rekening houden met: – het onderscheid tussen feiten en meningen; – tijd- en plaatsgebondenheid van interpretaties en oordelen afkomstig van personen uit het verleden en afkomstig van hedendaagse personen, onder wie hij zelf; – de rol van waardepatronen (normen en waarden) in heden en verleden; – het ondersteunen van uitspraken met behulp van argumenten. Voorbeeldvragen bij eindterm 7 zijn: • Vraag 27, Proefexamen • Vraag 4, HC Republiek • Vraag 16, HC Verlichting Domein B: Oriëntatiekennis 8 De examenkandidaat kan voor elk van de tien tijdvakken: – de kenmerkende aspecten voor ieder tijdvak noemen. – bij elk kenmerkend aspect van een tijdvak een passend voorbeeld geven van een gebeurtenis, ontwikkeling, verschijnsel of handeling dan wel gedachtegang van een persoon en dit voorbeeld gebruiken om het betreffende aspect te verduidelijken. – uitleggen hoe kennis van het betreffende tijdvak de oriëntatie op de hedendaagse werkelijkheid beïnvloedt. – uitleggen dat de betekenis die aan tijdvakken wordt toegekend mede afhangt van de tijd, plaats en omstandigheden waarin mensen zich met het verleden bezighouden. Voorbeeldvragen bij eindterm 8 zijn: • Vraag 2, Proefexamen • Vraag 7, Examen 2015-I • Vraag 26, Examen 2016-I Aandachtspunten bij het beoordelen van bronnen (zie domein A, eindterm 5) Door het bestuderen van bronnen kan een gebeurtenis uit het verleden zo betrouwbaar mogelijk worden weergegeven. Voor verschillende typen bronnen staan hierna enkele aandachtspunten op een rij. Dit helpt bij het beoordelen van de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid en representativiteit van een bron. I

Wat voor soort bron is het? – Geschreven of ongeschreven. – Bijvoorbeeld: is het een prent, kaart, foto, cartoon, affiche, grafiek of tabel?

II

Uit welke tijd is de bron afkomstig? – Is de bron gemaakt in de tijd waarover de bron gaat? – Is de bron later gemaakt? Zo ja, wanneer?

III Waarvandaan is de bron afkomstig? – Bijvoorbeeld: komt de bron uit een boek, tijdschrift of een krant? – Bijvoorbeeld: is het een overheidsbron of geen overheidsbron?

8

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 8

© ThiemeMeulenhoff

10-05-17 08:50


vwo geschiedenis

IV

Wat is er bekend over de maker van de bron? – Wie? Wat voor iemand? Welke functie? Verhouding tot de gebeurtenis? – Was de maker aanwezig bij de gebeurtenis die in de bron wordt weergegeven? – Met welke bedoeling (reden) heeft de maker de bron gemaakt (motief)? Wil de maker informeren, propaganda maken, voorlichten of misschien misleiden? – Was de maker zelf betrokken bij de gebeurtenis? – Wat weet je van de plaatsgebondenheid van de maker?

Voorbeeldvragen bij eindterm 9 zijn: • Vraag 17, HC Duitsland • Vraag 20, HC Duitsland • Vraag 5, Oriëntatietoets V De inhoud van de bron? a Geschreven bron. – Waarover gaat de informatie? – Voor wie is de informatie in de bron bestemd? – Wat is het doel van de informatie: voorlichting, propaganda? – Wat voor feiten, meningen, (voor)oordelen, opvattingen worden gegeven in de bron? – Gelden deze feiten, meningen, (voor)oordelen, opvattingen voor een groep, een volk of een persoon? b Beeldbron. – Wat staat er centraal in de afbeelding (bijvoorbeeld een cartoon, foto, tekening, prent, schilderij)? – Hoe heeft de maker van de afbeelding ervoor gezorgd dat bepaalde personen meer opvallen dan anderen? – Zijn bepaalde zaken overdreven weergegeven? – Wat doen de personen op de afbeelding? – Waar kijken de personen naar? – Welke voorwerpen zie je op de afbeelding en waarvoor dienen ze? – Welke symbolen zie je en waar verwijzen ze naar? – Welke woorden, namen en begrippen staan in de afbeelding? – Welk onderschrift staat er bij de afbeelding? – Op welke manier maakt het onderschrift deel uit van de afbeelding? – Waarom is de afbeelding gemaakt? Cartoons/spotprenten drijven vooral de spot, niet zozeer met een gebeurtenis alswel met een persoon (of personen). Affiches zijn vaak bedoeld om een partij, een organisatie of een bepaald standpunt onder de aandacht te brengen. Propagandaposters zijn bedoeld om mensen van een bepaalde mening te overtuigen. Om dit te bereiken wordt bij propaganda geen middel geschuwd om de publieke opinie te beïnvloeden.

V.l.n.r. spotprent (vraag 5, HC Republiek), pamflet (vraag 11, Oriëntatietoets) en ­propagandaposter (vraag 25, Proefexamen).

© ThiemeMeulenhoff

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 9

9

10-05-17 08:50


Examenbundel 2017 | 2018

VI Hoe betrouwbaar is de bron? De betrouwbaarheid van een bron heeft betrekking op de vraag of de bron gegevens oplevert die als feitelijk juist kunnen worden beschouwd. Vragen die je dan moet stellen zijn: – is de bron geschreven of gemaakt in de tijd waarover hij gaat of in een (veel) latere tijd? – is de schrijver/maker van de bron goed geïnformeerd? – met welke bedoelingen heeft de schrijver/maker zijn bron gemaakt? – wordt de bron door andere bronnen bevestigd of tegengesproken? – staan er bij de mening in de bron argumenten die controleerbaar zijn? VII Is de maker van de bron representatief voor de groep waarvan hij/zij deel uitmaakt? VIII Hoe bruikbaar is de bron? De bruikbaarheid van een bron hangt af van wat je wilt onderzoeken (de hoofdvraag of de onderzoeksvraag). Welke soorten vragen kun je op het centraal examen verwachten? De meest voorkomende soorten vragen uit de centrale examens van de afgelopen twee jaar zijn: 1 vragen bij een tekstbron. 2 vragen zonder bron over de examenstof. 3 vragen bij een beeldbron: bijvoorbeeld een prent, foto, schilderij, affiche, cartoon of propagandaposter. 4 vragen waarbij je een aantal gebeurtenissen in de juiste tijdvolgorde moet plaatsen, van vroeger naar later. 5 vragen naar aanleiding van een bewering. Je moet zo’n bewering toelichten, ondersteunen met argumenten of juist weerleggen. 6 vragen die duidelijk maken dat je een verband kunt leggen tussen verschillende gebeurtenissen of beweringen. 7 vragen waarbij je moet laten zien dat je weet wat een historisch onderzoek inhoudt. Je bent dan bezig met het beoordelen van bronnen op bruikbaarheid, betrouwbaarheid en/of representativiteit. 8 vragen bij een cijfermatige bron, zoals een tabel of grafiek.

10

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 10

© ThiemeMeulenhoff

10-05-17 08:50


vwo geschiedenis

Vraagformuleringen De meest voorkomende vraagformuleringen zijn: 1 Leg uit welk verband er bestaat tussen ... met een of twee argumenten ... welk(e) ... waardoor ... waarom ... 2 Noem

een kenmerk ... een argument ... een reden ... de maatregel die ... dit verschil van mening.

3 Zet deze gebeurtenissen in de juiste tijdvolgorde, van vroeger naar later. 4 Licht

dit toe door ... met voorbeelden toe ... beide beweringen toe.

5 Toon

aan dat ... dit aan door ...

6 Ondersteun elke bewering met de bron. beide onderdelen van deze interpretatie. 7 Beredeneer of beargumenteer ...

Š ThiemeMeulenhoff

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 11

11

10-05-17 08:50


Examenbundel 2017 | 2018

Examen doen Hoe ziet het centraal examen geschiedenis eruit en hoe lang duurt het examen? Op het examen krijg je twee boekjes: 1 een boekje met bronnen (het aantal bronnen is naar schatting zestien); 2 een boekje met vragen (het aantal vragen is naar schatting achtentwintig). De vragen zijn onderverdeeld naar de periodes Prehistorie, Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne Tijd en Moderne Tijd. Voor elke vraag staat het aantal te behalen punten en eventueel een verwijzing als je een bron dient te gebruiken. In totaal kunnen er ongeveer vijfenzeventig punten worden behaald. De vragen over de historische contexten en de daarbij behorende kenmerkende aspecten beslaan ongeveer 65% van de examenvragen, de oriëntatiekennis de overige ongeveer 35% (zie tabel hieronder). Het aantal te behalen punten wordt op deze manier verdeeld. Het centraal examen duurt drie uur en je krijgt voor het merendeel open vragen. Deze EXAMENBUNDEL geeft je op twee manieren de mogelijkheid te wennen aan het maken van een centraal examen: –– Het bevat een Proefexamen (deel 1a) dat representatief is voor het centraal examen 2018. De enige afwijking is dat er wel bronnen zijn, maar geen apart bronnenboekje. Daarnaast kunnen het aantal bronnen en te behalen punten iets afwijken. –– Het bevat het examen van 2017, eerste tijdvak. ± 35% van de scorepunten:

± 65% van de scorepunten:

Oriëntatiekennis: tijdvak 1 t/m 4

Historische contexten

Oriëntatiekennis: kenmerkende aspecten van tijdvak 5 t/m 10 die niet voorkomen in de historische contexten

Oriëntatiekennis: kenmerkende aspecten die voorkomen in de historische contexten

Tijdens het examen Uit het aantal punten dat voor een vraag staat, kun je afleiden uit welke onderdelen je antwoord moet bestaan. Voor het antwoord op een standaardvraag krijg je 2 punten, er wordt dan vaak een voorbeeld, argument of begrip gevraagd. Bij een vraag waarmee je 3 punten kunt verdienen, moet het antwoord drie onderdelen hebben: een naam, begrip, gebeurtenis of omschrijving met daarbij twee voorbeelden of argumenten. 4 punten worden gegeven bij vragen waar je in het antwoord twee personen of begrippen moet noemen met bijbehorende voorbeelden, argumenten of toelichting. De vragen waarmee je 5 of meer punten kunt verdienen, bestaan vaak uit meerdere onderdelen. Je moet bijvoorbeeld eerst een aspect van een bron toelichten en die bron vervolgens met voor- en tegenargumenten beoordelen op bruikbaarheid en betrouwbaarheid. De normering van het centraal examen en de vaststelling van je cijfer Je examen wordt eerst nagekeken door je eigen docent. Vervolgens wordt het beoordeeld door een geschiedenisdocent van een andere school. Samen stellen deze docenten het uiteindelijke puntentotaal vast. Afhankelijk van de landelijke examenresultaten wordt door de centrale examencommissie de norm vastgesteld, dat is de omrekening van punten naar cijfers. Hulpmiddelen Bij het centraal examen geschiedenis is alleen het basispakket aan hulpmiddelen toegestaan. Het basispakket bestaat uit schrijfmateriaal, tekenpotlood, blauw en rood kleurpotlood, liniaal met millimeterverdeling, passer, geodriehoek, gum, elektronisch rekenapparaat, een eendelig verklarend woordenboek Nederlands of een woordenboek van het Nederlands naar een vreemde taal.

12

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 12

© ThiemeMeulenhoff

10-05-17 08:50


vwo geschiedenis

Begrippen geschiedenis In deze lijst staan veelvoorkomende begrippen uit examenvragen. Elk begrip wordt kort uitgelegd, soms met behulp van een voorbeeld. De lijst is niet volledig. In overleg met je docent kun je de lijst uitbreiden met andere begrippen die je in vragen of bronnen tegenkomt. Aanleiding Een gebeurtenis die iets in beweging zet. De aanleiding van een gebeurtenis is de meest directe oorzaak. Argument Wat men zegt om iets aan te tonen. Beeldelement Onderdeel van een tekening (spotprent), schilderij, poster, foto, etc. Betrouwbaarheid De betrouwbaarheid van een bron gaat om de vraag of de bron gegevens kan opleveren die als feitelijk juist kunnen worden beschouwd. Een betrouwbare bron wordt door andere bronnen bevestigd en bevat informatie die controleerbaar is. Bewering Een uitspraak of een mening. Deze uitspraak ondersteun of weerleg je met behulp van argumenten. Bron Een overblijfsel uit het verleden waardoor je meer over het verleden te weten komt. Er zijn verschillende soorten bronnen (primair/secundair, geschreven/ongeschreven), en niet elke bron is even betrouwbaar en bruikbaar. Bruikbaarheid De bruikbaarheid van een bron hangt af van wat je wilt onderzoeken (de onderzoeksvraag). Chronologie Volgorde waarin de dingen gebeuren. Gebeurtenissen in de geschiedenis kunnen in chronologische volgorde worden geplaatst, van vroeger naar later. Continuïteit Wanneer iets in de loop van de tijd niet wezenlijk verandert, is er sprake van continuïteit. Het woord continuïteit betekent een voortzetting / ononderbroken samenhang. Discontinuïteit Is er in de loop van de tijd een duidelijke breuk of verandering merkbaar, dan is er sprake van discontinuïteit. Doel Datgene wat een persoon wil bereiken. Feit Een feit wordt door vrijwel iedereen gezien als iets dat werkelijk is gebeurd, iets dat vaststaat. Functie Een officiële positie die iemand bekleedt, bijvoorbeeld de stadhouder van een gewest, een generaal in het leger of de president van de Verenigde Staten. Gebeurtenis Een gebeurtenis is een (belangrijk) voorval, zoals de bouw van de Berlijnse muur in 1961. Gevolg Bij een gevolg gaat het om een (causaal, oorzakelijk) verband. Er zijn verschillende soorten gevolgen, bijvoorbeeld: –– gevolgen op korte termijn en gevolgen op langere termijn, –– gewilde en ongewilde, bedoelde en onbedoelde gevolgen, –– gevolgen van meer en minder belang op grond van bijvoorbeeld schaal, intensiteit, duur. Hypothese Een nog onbewezen stelling, een aanname. Inleving Het zich verplaatsen in iets (gebeurtenis) of iemand (persoon). © ThiemeMeulenhoff

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 13

13

10-05-17 08:50


Examenbundel 2017 | 2018

Interpretatie Verklarende uitleg. Bij de interpretatie van een bron onderzoek je de bedoeling van de schrijver of maker van de bron. Je probeert de betekenis van de bron vast te stellen en er een conclusie aan te verbinden. Jaartelling In de wereld bestaan verschillende jaartellingen. In het Westen wordt de christelijke jaartelling aangehouden. Andere jaartellingen zijn bijvoorbeeld de islamitische of de joodse. Mening Opvatting, gebaseerd op persoonlijke argumenten, die niet per se door anderen gedeeld hoeft te worden. Middel Datgene wat je gebruikt om je doel te bereiken. Motief Reden om iets juist wel of niet te doen. Normen Regels zoals die gelden in de persoonlijke omgang tussen mensen in de maatschappij. In de loop van de tijd kunnen normen in een maatschappij veranderen. Een norm wordt doorgaans gekoppeld aan een waarde (zie waarden). Nuancering Het bijstellen of verfijnen van iets, bijvoorbeeld een mening. Objectief Onbevooroordeeld, niet beïnvloed door eigen voorkeuren. Ontwikkeling Voortgang of groei, bijvoorbeeld de ontwikkeling van de landbouw in het gewest Holland in de zestiende eeuw. Oordeel Mening, waarbij het vaak gaat om goedkeuring of afkeuring, met argumenten. Oriëntatiekennis Algemene kennis van de geschiedenis. De kennis die in staat stelt tot oriëntatie in een chronologische ontwikkeling van eeuwen, met name in de Europese geschiedenis. Oorzaak Datgene wat een gevolg met zich meebrengt. Historici proberen achteraf uit te leggen waarom een historische gebeurtenis, zoals de Tweede Wereldoorlog, heeft plaatsgevonden. Er zijn verschillende soorten oorzaken te herkennen, bijvoorbeeld: –– directe en indirecte oorzaken, aanleiding (meest directe oorzaak), –– structurele oorzaken en incidentele oorzaken, –– oorzaken op politiek-bestuurlijk, sociaaleconomisch en cultureel-mentaal terrein. Opvatting Mening. Orgaan Een orgaan is onderdeel van een groter geheel. Een bekend internationaal orgaan is de NAVO. Periode Tijdvak tussen twee jaren of gebeurtenissen, bijvoorbeeld de regeerperiode van president Kennedy. Het begrip periode kan ook betrekking hebben op een van de vijf historische perioden: Prehistorie, Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne tijd en Moderne tijd. Plaatsgebondenheid Ieder mens denkt vanuit zijn tijd (zie tijdgebondenheid) en de plaats of de positie die hij op dat moment inneemt. Propaganda Het opzettelijk verspreiden van informatie om mensen van een bepaalde mening te overtuigen. Totalitaire regimes maken veelvuldig gebruik van propaganda. Ook tijdens de Koude Oorlog maakten de twee ideologische blokken gebruik van propaganda om de publieke opinie te beïnvloeden.

14

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 14

© ThiemeMeulenhoff

10-05-17 08:50


vwo geschiedenis

Rechtvaardiging Verdediging van de handelingen van een persoon of groepering. Reden Een grond of motief om iets te doen. Representativiteit De mate waarin iets typerend is (voor hetgeen je wilt onderzoeken). Bij het vaststellen van de representativiteit van een bron gaat het vooral om twee vragen: –– is hetgeen in de bron voorkomt een uitzondering of kwam het vaker voor? –– beschikt de persoon in de bron over zo veel informatie dat zijn uitspraken als representatief kunnen worden opgevat? Revolutie Een met geweld gepaard gaande snelle verandering. Standplaatsgebondenheid Ieder mens denkt en handelt vanuit zijn eigen tijd (zie tijdgebondenheid), positie (zie plaatsgebondenheid), ervaringen en kennis. Behalve tijd en plaats zijn denken en handelen ook van invloed: leeftijd, sekse, maatschappelijke positie, godsdienst of levensbeschouwing, de staat of het volk waartoe iemand behoort en de politieke overtuiging die iemand heeft. Standpunt Opvatting gebaseerd op persoonlijke motieven. Stereotype Vaststaand beeld of oordeel over een groep, een volk of een ras. Zo’n oordeel is meestal gebaseerd op gevoelens en niet op feiten. Subjectief Bevooroordeeld, omdat er vooral vanuit een persoonlijk standpunt wordt gekeken. Tijdgebondenheid Iemand die vanuit een latere tijd op iets terugkijkt, zal een ­ontwikkeling of gebeurtenis anders interpreteren dan een tijdgenoot die de afloop niet kent (zie standplaatsgebondenheid). Er is een tijd geweest waarin de slavenhandel door de WIC als ‘normaal’ werd beschouwd, terwijl dat tegenwoordig algemeen wordt afgekeurd. Verandering Er zijn gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen die verantwoordelijk zijn voor een duidelijke verandering in de loop van de geschiedenis. Er zijn verschillende soorten verandering te herkennen, bijvoorbeeld: –– in tempo (plotseling of langzaam en geleidelijk), duur, schaal, intensiteit, omvang enz., –– op politiek-bestuurlijk, sociaaleconomisch of cultureel-mentaal terrein. Verklaring Uitleggen waarom iets gebeurt. Het aangeven van oorzakelijke verbanden tussen ontwikkelingen is lastig, omdat historische ontwikkelingen onvoorspelbaar zijn. Verschijnsel Iets dat zich voordoet. Toestanden en instellingen die gedurende langere tijd min of meer onveranderd hebben bestaan. Verwijzing Aanduiding. Visie Zienswijze. Vooroordeel Oordeel niet gebaseerd op feiten maar op persoonlijke gevoelens gericht op (een individu van) een groep, een volk of een ras. Waarden Datgene wat mensen belangrijk vinden en waarvoor ze (desnoods) veel overhebben. Voorbeelden van waarden zijn trouw, eerlijkheid, vriendschap, rechtvaardigheid of streven naar rijkdom. Waarden zijn soms ook tijdgebonden: zaken die in de ene tijd als normaal of als wenselijk worden beschouwd, kunnen in een andere tijd als abnormaal of onwenselijk worden beschouwd. Een waarde wordt tot uiting gebracht middels de norm (zie normen). Bijvoorbeeld: opstaan voor ouderen in de bus (norm), omdat je respect hebt voor anderen (waarde). © ThiemeMeulenhoff

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 15

15

10-05-17 08:50


Examenbundel 2017 | 2018

Een overzicht van de 49 kenmerkende aspecten en de 10 tijdvakken PREHISTORIE (tot 3000 voor Christus) tijdvak 1: tijd van jagers en boeren (tot 3000 voor Christus) / Prehistorie   1 De levenswijze van jagers-verzamelaars   2 Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen   3 Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen OUDHEID (3000 voor Christus - 500 na Christus) tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen (3000 voor Christus - 500 na Christus) / Oudheid   4 De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en de ontwikkeling van het denken over burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat   5 De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur   6 De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur zich in Europa verspreidde   7 De confrontatie tussen de Grieks-Romeinse cultuur en de Germaanse cultuur van Noordwest-Europa   8 De ontwikkeling van het jodendom en het christendom als de eerste monotheïstische godsdiensten MIDDELEEUWEN (500-1500) tijdvak 3: tijd van monniken en ridders (500-1000) / Vroege Middeleeuwen   9 De verspreiding van het christendom in geheel Europa 10 Het ontstaan en de verspreiding van de islam 11 De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid 12 Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur tijdvak 4: tijd van steden en staten (1000-1500) / Hoge en Late Middeleeuwen 13 De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving 14 Opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden 15 Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de ­geestelijke macht het primaat behoorde te hebben 16 De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de Kruistochten 17 Het begin van staatsvorming en centralisatie VROEGMODERNE TIJD (1500-1800) tijdvak 5: tijd van ontdekkers en hervormers (1500-1600) / Renaissancetijd 18 Het begin van de Europese overzeese expansie 19 Het veranderende mens- en wereldbeeld van de Renaissance en het begin van een nieuwe wetenschappelijke belangstelling 20 Een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de Klassieke Oudheid 21 De protestantse reformatie die splitsing van de christelijke kerk in W ­ est-Europa tot gevolg had 22 Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een N ­ ederlandse staat

16

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 16

© ThiemeMeulenhoff

10-05-17 08:50


vwo geschiedenis

tijdvak 6: tijd van regenten en vorsten (1600-1700) / Gouden Eeuw 23 Het streven van vorsten naar absolute macht 24 De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse Republiek 25 Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een ­wereldeconomie 26 De wetenschappelijke revolutie tijdvak 7: tijd van pruiken en revoluties (1700-1800) / eeuw van de Verlichting 27 Rationeel optimisme en een ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen 28 Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme) 29 Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel en de opkomst van het ­abolitionisme 30 De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over ­grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap MODERNE TIJD (1800-heden) tijdvak 8: tijd van burgers en stoommachines (1800-1900) / industrialisatietijd 31 De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving 32 Discussies over de ‘sociale kwestie’ 33 De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie 34 De opkomst van emancipatiebewegingen 35 Voortschrijdende democratisering, met deelname van steeds meer mannen en ­uiteindelijk ook vrouwen aan het politiek proces 36 De opkomst van de politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, socialisme, confessionalisme en feminisme tijdvak 9: tijd van de twee wereldoorlogen (1900-1950) / eerste helft twintigste eeuw 37 De rol van moderne propaganda- en communicatiemiddelen en vormen van ­massaorganisatie 38 Het in praktijk brengen van de totalitaire ideologieën communisme en fascisme/ nationaalsocialisme 39 De crisis van het wereldkapitalisme 40 Het voeren van twee wereldoorlogen 41 Racisme en discriminatie die leidden tot genocide, in het bijzonder op de joden 42 De Duitse bezetting van Nederland 43 Verwoestingen op niet eerder vertoonde schaal door massavernietigingswapens en de betrokkenheid van de burgerbevolking bij oorlogvoering 44 Vormen van verzet tegen het West-Europese imperialisme tijdvak 10: tijd van televisie en computer (vanaf 1950) / tweede helft twintigste eeuw 45 De verdeling van de wereld in twee ideologische blokken in de greep van een ­wapenwedloop en de daaruit voortvloeiende dreiging van een atoomoorlog 46 De dekolonisatie die een eind maakte aan de westerse hegemonie in de wereld 47 De eenwording van Europa 48 De toenemende westerse welvaart die vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw aanleiding gaf tot ingrijpende sociaal-culturele veranderingsprocessen 49 De ontwikkeling van pluriforme en multiculturele samenlevingen

© ThiemeMeulenhoff

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 17

17

10-05-17 08:50


9789006391800_EB_vGes_inner.indb 18

10-05-17 08:50


deel 1a proefexamen opgaven uitwerkingen met aandachtspunten

19

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 19

10-05-17 08:50


KA 1, 3

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 20

10-05-17 08:50


vwo geschiedenis

Door de tijd heen De volgende historische gebeurtenissen staan in willekeurige volgorde: A Bewoners van het noorden van Spanje decoreerden de grotten in hun leefomgeving met bizons, paarden en andere wilde dieren waarop zij joegen voor hun voedsel. B De Atheense burger Phidias maakte op de Akropolis een standbeeld van de godin Athena als beschermster van de Griekse stadstaat Athene. C De Franse ridder Payen le Bouteiller liet een kruisvaardersburcht bouwen in de Jordaanse stad Kerak. D De Romeinse keizer Hadrianus liet uit bewondering voor de Griekse cultuur verschillende tempels in Griekenland herbouwen. E Koning Nebukadnezar II liet de muur om de stad Babylon voorzien van een poort bekleed met mozaïeken, gewijd aan de Mesopotamische godin Ishtar. F Onder de eerste Arabische heerser over Spanje, Abd al-Rahman I, werd in de Spaanse stad Cordoba begonnen met de bouw van de Mezquita, de grote moskee. KA 1, 3, 4, 5, 10, 16

1 Zet deze zes gebeurtenissen in de juiste volgorde, van vroeger naar later. Noteer alleen de hoofdletters. Bron: pilot-examen 2014-II, vwo. Veel bouwwerken uit opdracht 1 zijn gebouwd uit zowel politieke als religieuze motieven. 2 Kies één van de voorbeelden uit opdracht 1. – Noem het kenmerkend aspect dat past bij het door jou gekozen voorbeeld, en – maak duidelijk welke politieke en religieuze motieven meespeelden bij de bouw van het bouwwerk.

Prehistorie en oudheid bron 1  Als een Griekse burger een ambt wil vervullen in de stadstaat Athene wordt hij gecontroleerd door de Raad, de bestuurders van de stad. Een fragment uit een vierdeeeuwse beschrijving van dit gebruik, de dokimasia:

Wanneer ze je kwalificaties controleren, vragen ze eerst: “Wie is je vader en wat is je deme1? Wie is je vaders vader, wie is je moeder, en wie is haar vader en wat is zijn deme?” Dan vragen ze de kandidaat (…) of hij familiegraven heeft en waar die dan zijn, of hij zijn ouders goed behandelt, of hij zijn belastingen betaalt en zijn dienstplicht heeft vervuld. Wanneer al deze vragen zijn gesteld, moet de kandidaat getuigen oproepen. Wanneer hij deze heeft opgeroepen, wordt er gevraagd: “Heeft iemand een beschuldiging in te brengen tegen deze man?” Als iemand hem ergens van beschuldigt, worden de aanklacht en de verdediging gehoord en vervolgens wordt de zaak, door middel van handopsteking, beslist door de Raad. 1

KA 4

Een deme is een woonkern, een soort gemeente.

Gebruik bron 1. Aan deze vragen kun je de voorwaarden ontlenen waaraan je moet voldoen om deel te mogen nemen aan het bestuur in Athene. Deze voorwaarden waren bedoeld om de Atheense democratie te beschermen. 3 Leg dit uit door: – aan de bron twee verschillende voorwaarden te ontlenen, en – bij elke voorwaarde aan te geven waardoor deze de Atheense democratie beschermt. Bron: examen 2014-I, vwo.

© ThiemeMeulenhoff

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 21

21

10-05-17 08:50


proefexamen

Examenbundel 2016 | 2017

bron 2  Omstreeks 100 schreef de Romeinse geschiedschrijver Tacitus over de Germanen:

Van al deze stammen munten de Bataven uit in moed. Ze bewonen het eiland in de Rijn, alsook een smalle strook op de linkeroever. Ooit behoorden zij tot de Chatti, maar na interne strijd zijn ze overgegaan naar een gebied waar ze deel zouden gaan uitmaken van het Romeinse Rijk. Nog altijd nemen ze een bijzondere plaats in, teken van hun aloude verbondenheid met ons: zij krijgen geen vernederende heffingen opgelegd en worden niet door belastingpachters uitgezogen. Vrijgesteld van lasten en bijdragen en uitsluitend bestemd voor diensten in de strijd, vormen zij een soort reserve-arsenaal voor de oorlog.

KA 7

Gebruik bron 2. Uit deze bron blijkt dat de Bataven een uitzonderingspositie innemen in het Romeinse Rijk. Hieruit kan worden geconcludeerd dat overwonnen volken zowel van economisch als militair belang waren voor de Romeinen. 4 Licht dit toe door: – aan te geven waaruit de uitzonderingspositie van de Bataven bestaat, en – te beredeneren waardoor hieruit geconcludeerd kan worden dat de overwonnen volken van economisch belang waren voor de Romeinen, en – uit te leggen waardoor in de laatste eeuwen van het West-Romeinse Rijk het militaire belang van sommige overwonnen volken steeds groter werd. Bron: examen 2016-II, vwo.

De Middeleeuwen bron 3  Een koptische1 bron beschrijft de verovering van Egypte door de islamitische Arabieren. De bron is overgeleverd in een elfde-eeuwse Arabische vertaling, maar stamt uit de tijd kort na de verovering:

Door de beproevingen en onderdrukking waaraan Cyrus2 de rechtzinnige kopten in het geloof blootstelde, week een groot aantal onder hen van het rechte pad af, sommigen uit angst voor vervolging, anderen door omkoping, en weer anderen door overreding en bedrog. (...) Toen zond de vorst van de moslims een leger naar Egypte onder aanvoering van een van zijn trouwe aanhangers, genaamd Amr ibn Al-Asi. (...) En in het jaar 641 veroverden de moslims Alexandrië, verwoestten de muren en staken veel kerken in brand. (...) Sanutius, een vrome edelman, bracht Amr op de hoogte van de situatie van de patriarch Benjamin, hoe hij uit angst voor de Byzantijnen op de vlucht was geweest. Toen liet Amr over alle provincies van Egypte een brief verspreiden, waarin hij schreef: “De plek waar Benjamin, de patriarch van de koptische christenen zich bevindt, valt onder onze bescherming. Laat hem in alle veiligheid terugkeren zodat hij het bestuur over zijn kerk en volk op zich kan nemen.” Toen de heilige Benjamin dit vernam, keerde hij na een afwezigheid van dertien jaar in grote blijdschap terug naar Alexandrië, gesierd met de kroon van het lijden dat het rechtzinnige volk had ondergaan vanwege de vervolging door de ketters. 1 2

Kopten zijn volgelingen van de christelijke kerk van Egypte. Deze bron is afkomstig van koptische christenen die zich hebben afgescheiden van de koptische kerk van Cyrus. Cyrus is rond 631 door de christelijke Byzantijnse keizer Herakleios aangesteld tot gouverneur van Egypte en patriarch van de koptische kerk van Alexandrië.

22

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 22

© ThiemeMeulenhoff

10-05-17 08:50


vwo geschiedenis

proefexamen

Gebruik bron 3. Stel: je doet onderzoek naar de Arabische verovering van Egypte in de zevende eeuw en je vindt deze bron. Je twijfelt aan de bruikbaarheid van deze bron voor de reconstructie van de gebeurtenissen bij de Arabische verovering, omdat deze weergave een erg partijdige indruk maakt. 5 Geef twee redenen om te twijfelen aan de bruikbaarheid van de informatie uit deze bron door de partijdigheid van de bron. Bron: examen 2016-II, vwo.

bron 4 De val van Constantinopel

In de twaalfde eeuw na Christus begon de dominante handelspositie van Constantinopel te verslappen. Deze afname werd versterkt door de Vierde Kruistocht (1202-1204), waarin Europese kruisridders de stad belegerden en plunderden. Venetiaanse en Genuaanse handelaren namen geleidelijk de markt over en de Ottomaanse Turken drongen steeds verder op in het Byzantijnse territorium. In 1453 bereikten de Turkse legers ook de Byzantijnse hoofdstad: Constantinopel. De inwoners dachten de belegering te kunnen winnen, aangezien vorige aanvallen op de stad ook waren mislukt. Door middel van supe­rieure artillerie en een groot aantal manschappen slaagde de Ottomaanse sultan Mehmet II er toch in de stad te veroveren. Hij maakte van Constantinopel de nieuwe hoofdstad van het Ottomaanse Rijk. Het zou later Istanbul gaan heten. Bron: www.isgeschiedenis.nl.

KA 16

Gebruik bron 4. Een interpretatie: De val van Constantinopel laat zien dat de kruistochten niet het succes brachten waarop de christenen hadden gehoopt. 6 Licht deze interpretatie toe door: –– (zonder bron) de doelen van de kruistochten te benoemen, en –– (zonder bron) verschillende motieven van de kruistochtvaarders te benoemen, en –– (met bron) aan te geven welke motieven de Venetiaanse en Genuaanse handelaren hadden om betrokken te zijn bij de kruistochten, en –– te beoordelen in hoeverre deze motieven in overeenstemming zijn met het hogere doel van de kruistochten.

bron 5  De gang naar Canossa

Een moment uit de investituurstrijd dat lange tijd tot de verbeelding sprak en dat symbolisch deze strijd verbeeldt, was de tocht van januari 1077 naar Canossa door Hendrik IV. Blootsvoets en slechts gekleed in een haren pij, zo luidt de kroniek van het pauselijk hof, stond Hendrik drie dagen in de sneeuw voor de burcht Canossa in de Alpen in NoordItalië, waar paus Gregorius VII bivakkeerde, om de paus te smeken zijn excommunicatie op te heffen – hetgeen Gregorius uiteindelijk ook deed. Hoewel het een diep religieus moment leek, had Hendrik zeer politieke redenen voor zijn vertoon van nederigheid. Bron: Lucepedia, digitale theologische encyclopedie, Tilburg School of Catholic Theology.

© ThiemeMeulenhoff

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 23

23

10-05-17 08:50


proefexamen

KA 15

Examenbundel 2016 | 2017

Gebruik bron 5. 7 Maak duidelijk: – met welke politieke reden de Duitse keizer Hendrik IV de paus bezocht, en – dat paus Gregorius VII deze gebeurtenis kon gebruiken om zijn standpunt in de investituurstrijd te verdedigen.

Door de tijd heen

KA 24, 29, 30, 35, 40

Aan de Amstel in Amsterdam staat een statig grachtenpand uit de zeventiende eeuw. Het huis is al eeuwen eigendom van de familie Six en in de familie is het al eeuwen traditie om de oudste zoon Jan te noemen. Ook vandaag kent Amsterdam nog een Jan Six. Deze vraag gaat over zijn voorvaderen, de vele Jan Sixen die al voor hem door het huis aan de Amstel hebben gewandeld. 8 Zet de onderstaande Jan Sixen in de juiste volgorde, van vroeger naar later, noteer alleen de letters. A Jan Six vertrekt naar Suriname om daar deel te nemen aan de lucratieve suikerteelt op de grote plantages in de nieuwe Nederlandse kolonie. B Jan Six zorgt ervoor dat het familiehuis aan de Amstel door het Duitse gezag tot museum wordt verklaard, een cultureel erfgoed dat iedere militair dient te respecteren. C Jan Six neemt het initiatief tot de oprichting van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap als tegenwicht voor het ontbreken van wetenschappelijke interesse bij de Rijksoverheid van Nederland. D Jan Six wordt door de patriotten, met hulp van de Fransen, afgezet als regent van Amsterdam. E Jan Six trouwt met Margaretha Tulp, de dochter van Nicolaes Tulp wiens anatomische les zo natuurgetrouw door Rembrandt werd vereeuwigd. F Onder het toeziend oog van vele notabelen, waaronder Jan Six, wordt in de Amsterdamse Nieuwe Kerk de grondwet van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden aangenomen. Bron: Mak, G. (2016), De levens van Jan Six.

Vroegmoderne tijd

Karel V heeft Luther al tot ketter gedoemd als hij in 1521 besluit om Luther toch de kans te geven zijn opvattingen over de kerk te herroepen tijdens een Rijksdag van Duitse vorsten in Worms. Hij doet dit mede omdat Duitse vorsten die Luther gunstig gezind zijn hierop hebben aangedrongen. 9 Beredeneer welke motieven deze Duitse vorsten mogelijk hadden om Karel V over te halen Luther toch spreektijd te geven tijdens de Rijksdag in Worms. Noem twee motieven.

bron 6  De Spaanse legerleider Bernardino de Mendoza heeft een verslag geschreven over de Opstand in de Nederlanden van 1567 tot 1577. Hoewel hijzelf geen ooggetuige was van het ontzet van Leiden in 1574, doet hij er wel gedetailleerd verslag van. Hij beschrijft hoe de Spanjaarden zich moesten terugtrekken van Lammenschans, vlak buiten Leiden.

Op deze manier werd er overal bloedig gevochten, want de schepen van de rebellen beheersten de velden. Ze hadden veel mensen aan boord en stokken met allerlei soorten ijzeren haken en ander wapentuig, waarvan ze zich bedienden om de onzen te verwonden en ze naar de schepen te trekken. Dit gebeurde met Pedro Chacón, sergeant van kapitein Borja, die met enkele soldaten de brug over het hoofdkanaal verdedigde. Vier haken vanuit de schepen trokken hem ervan af, tot bij één van de schepen waar ze hem voor dood lieten liggen, omdat ze dachten dat de haken hem hadden gedood. Maar Pedro

24

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 24

© ThiemeMeulenhoff

10-05-17 08:50


vwo geschiedenis

proefexamen

Chacón liet zijn hellebaard (strijdbijl met haak aan een lans) niet uit zijn hand vallen en toen hij zag dat ze druk bezig waren om anderen op te vissen, stond hij op en met zijn hellebaard wist hij drie rebellen te doden. De anderen doken in het water, zodat hij als heer van het schip overbleef en met de lading tarwe die aan boord was tot Den Haag voer. Bron ontleend aan: Fagel, R. (1997), Leids beleg en ontzet door Spaanse ogen, pag. 19 en 20.

KA 22

KA 24

25 KA

KA 27

Gebruik bron 6. Stel, je doet onderzoek naar het ontzet van Leiden en je concludeert dat deze bron bruikbaar is voor je onderzoek. 10 Noem: –– een reden waarom je twijfelt aan de betrouwbaarheid van deze bron, en –– een reden die juist pleit voor de betrouwbaarheid van deze bron. Twee gebeurtenissen: 1 In het voorjaar van 1598 voeren vijf vloten uit naar Indië: twee van Amsterdamse compagnieën, twee van Zeeuwse compagnieën en een uit Rotterdam, die elk specerijen met concurrerende prijzen op de markt brachten. 2 In 1598 verbood Spanje de handel tussen het Spaanse Rijk, waaronder Portugal met bezittingen in Indië, en de Republiek. De oprichting van de VOC in 1602 houdt verband met deze gebeurtenissen. 11 Geef bij elke gebeurtenis aan welk verband er bestond met de oprichting van de VOC. Bron: examen 2016-II, vwo. In 1628 veroverde kapitein-generaal Piet Hein vlak bij Cuba een Spaans konvooi dat zilver uit de Spaanse zilvermijnen in Zuid-Amerika vervoerde naar Spanje. Hij bracht zijn buit naar de Republiek waar het zilver voorlopig werd opgeslagen. Dit leidde in grote delen van Europa tot een economische neerval door een gebrek aan muntgeld. 12 In de zeventiende eeuw ontstaat een wereldeconomie. Leg uit, telkens met een verwijzing naar bovenstaande gebeurtenissen: –– waardoor deze wereldeconomie kon ontstaan, en –– waardoor deze gebeurtenissen als bewijs kunnen dienen voor het bestaan van een wereldeconomie. Bron: pilot-examen 2011-I, vwo. Twee gegevens: 1 Tussen 1628 en 1648 werkte de filosoof René Descartes in Nederland. Hij schreef hier Over de methode, waarin hij de vraag stelde hoe een mens uit de veelheid van opvattingen en theorieën de juiste kan kiezen. Hij gaf als antwoord dat het rationalisme, de overtuiging dat de mens door middel van het juiste gebruik van zijn redelijke vermogens, kan uitmaken wat ware, geldige kennis is. 2 In 1680 werd bij de boekhandel van Jacob van Royen in de Amsterdamse Kalverstraat het boek D’Edele Sandastra of Cyprische Medeaheksen bestaan niet te koop aangeboden. In dit boek, dat Van Royen waarschijnlijk zelf schreef, werd verteld hoe Medea een heksenproces bijwoonde en met haar kennis van de werking van planten aantoonde dat bovennatuurlijke krachten niet bestaan en dat de natuur begrepen en gemanipuleerd kon worden. 13 Leg aan de hand van deze gegevens uit dat: − Van Royen waarschijnlijk een aanhanger was van Descartes, en − de Verlichting zijn wortels had in de zeventiende-eeuwse wetenschappelijke revolutie. Bron: pilot-examen 2012-II, vwo.

© ThiemeMeulenhoff

9789006391800_EB_vGes_inner.indb 25

25

10-05-17 08:50


www.examenbundel.nl examenbundels Duits Engels Frans Nederlands biologie natuurkunde scheikunde wiskunde A wiskunde B wiskunde C aardrijkskunde economie geschiedenis m&o maatschappijwetenschappen

978-90-06-39181-7 978-90-06-39197-8 978-90-06-39179-4 978-90-06-39185-5 978-90-06-39202-9 978-90-06-39188-6 978-90-06-39167-1 978-90-06-39193-0 978-90-06-39168-8 978-90-06-39176-3 978-90-06-39191-6 978-90-06-39196-1 978-90-06-39180-0 978-90-06-39174-9 978-90-06-39169-5

Meer kans van slagen met de Examenbundel!

met uitleg bij de antwoorden, zodat je leert tijdens het oefenen.

De bundel is speciaal samengesteld voor dit schooljaar, dus je oefent altijd de juiste stof.

Test je kennis met de OriĂŤntatietoets en kijk voor meer tips om te slagen op www.examenbundel.nl.

vwo

samengevat biologie natuurkunde scheikunde wiskunde A wiskunde B wiskunde C aardrijkskunde geschiedenis economie m&o Nederlands 3F / 4F rekenen 3F

2017|2018 vwo

Meer kans van slagen met Samengevat! Samengevat biedt je een helder en beknopt overzicht van alle examenstof. Engels/Duits/Frans in de praktijk zijn theorieboekjes die geworteld zijn in de praktijk. Met een compacte uitleg van grammatica en vele voorbeeldzinnen.

2017|2018

vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo h/v h/v

ÂŽ

De Examenbundel bevat oefeningen

examenbundel

vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo vwo

vwo geschiedenis

Bundels voor al je vakken bestel je op

M.M.P.C. Bolink Y. Bouw H. van der Meiden J. Roesink

geschiedenis

Jouw beste voorbereiding op je examen in 2018

Engels in de praktijk 978-90-06-07397-3 Duits in de praktijk 978-90-06-07396-6 Frans in de praktijk 978-90-06-07398-0 Al onze uitgaven zijn verkrijgbaar via de erkende boekhandel.

9789006391800_EB_vGes_OS.indd 2-4

9 789006 391800

11/05/17 14:01


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789006391800 inkijkexemplaar by ThiemeMeulenhoff - Issuu