Skip to main content

Basiswerkschrift groep 4 blok 1

Page 1

naam:

BLOK 1

basis

werkschrift


GROEP 4 basiswerkschrift

BLOK 1

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort


BLOK 1  LES 1

lesdoel Ik oefen tellen tot en met 100.

1 Nu jij! Teken en vul in.

Ik heb 20 euro en spaar elke week 2 euro. Hoeveel na 4 weken?

20

2 Vul in hoeveel geld na 5 weken. Gebruik de lege getallenlijn.

Ik heb 17 euro. Ik krijg elke week 2 euro zakgeld.

Ik heb nu 35 euro. Ik maai elke week het gras van oma. Dan krijg ik 5 euro. Loes:

euro

Tijs:

euro

35 Ik heb 58 euro. Ik wandel elke week met opa’s hond. Dan krijg ik 2 euro. Rik:

Ik heb 43 euro. Ik verdien elke week 10 euro met mijn krantenwijk.

euro

Pien:

euro

3 Vul in.

8

9

10

50

79

45

23

91

33

69

42

57

11

3

61

90

99

2


4 Tel handig.

ballen

appels

kersen

hoepels

blikken

eendjes

5 Vul in. 2

2

10

40

5

5

25

80

10

10

30

75

6 Reken uit.

Ik heb nu 20 euro. Ik maai elke week het gras. Dan krijg ik 5 euro.

Ik heb 23 euro. Ik verdien elke week 10 euro.

Ik heb 34 euro. Ik wandel elke week met de hond. Dan krijg ik 2 euro.

20

Na 3 weken heb ik:

Na 4 weken heb ik:

Na 5 weken heb ik:

euro

euro

euro

3


BLOK 1  LES 2 1

Deze opgave maak je digitaal.

2 Vul de ontbrekende getallen in.

6

9

5

9

7

6 10

9

14

3 Vul in. 20

5

4

5

2

5

3

5

6

7

3

2

2

19

1

4

6

4

2

3

4

4 Vul in: langer of korter dan 1 meter. 10

20

30

40

50

60

70

80

90

Een boek is

Een deur is

Een pen is

Ik ben

dan 1 meter.

dan 1 meter.

dan 1 meter.

dan 1 meter.

4

100


lesdoel Ik oefen tellen tot en met 100.

5 Reken uit. Hoeveel geld na 6 weken? Gebruik de lege getallenlijn.

Ik heb 23 euro. Ik verdien elke week 10 euro met mijn krantenwijk.

Ik heb nu 15 euro. Ik was elke week de auto. Dan krijg ik 5 euro. Tessa:

euro

Max:

15

Ik heb 52 euro. Ik krijg elke week 2 euro van oma.

Ik heb 54 euro. Ik krijg elke week 2 euro zakgeld. Bas:

euro

euro

Lisa:

euro

6 Vul in.

46

47

48

57

74

83

90

66

98

20

99

13

35

2

46

82

89

7 Maak de rijen af. Tel verder of terug.

5

10

45

50

12

14

28

30

40

50

85

95

5


BLOK 1  LES 3

lesdoel Ik leer wat een centimeter is.

1 Nu jij! a Kruis de maat aan.

m

cm

m

cm

b Teken een lijn van 12 cm.

2 Meet in de klas.

cm lang

cm hoog

3 Teken. Gebruik je liniaal.

De slang is 9 cm lang

De pijl is 5 cm lang

De pijl is 12 cm lang

De pijl is 15 cm lang

6

cm lang

cm lang


4 Kruis de maat aan.

cm

m

cm

m

cm

m

cm

5 Meet en schrijf op. Mijn vinger is

cm lang.

Mijn voet is

cm lang.

Mijn arm is

cm lang.

Mijn been is

cm lang.

6 Kruis langer dan 1 meter aan.

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

7

m


BLOK 1  LES 4 1

Deze opgave maak je digitaal.

2 Vul in.

14

15

16

48

19

30

50

55

29

40

80

75

31

62

65

95

91

38

46

52

3 Vul in.

10

20

30

23

50

60

53

47

19

40

57

70

83

55

38

58

77

24

29

65

75

76

86

78

34

79

44

66

4 Met sprongen van 10 door het doolhof. Kleur. 10

30

50

30

50

40

95

85

35

25

15

25

20

30

40

50

60

30

65

75

45

15

35

15

40

20

50

70

90

80

55

65

55

25

45

5

20

40

60

70

80

90

35

15

45

35

25

15

30

40

60

40

70

100

25

55

75

55

15

25

8


lesdoel Ik leer wat een centimeter is.

5 Langer dan 1 meter? Kruis aan.

ja

nee

ja

nee

ja

nee

ja

nee

6 Meet en vul in. cm cm cm cm

cm cm

cm

cm cm

cm

cm

7

cm

Maak vast.

minder dan 50 cm

tussen de 50 cm en 100 cm

9

meer dan 1 m


BLOK 1  LES 5 1 a Het dubbele. 2

4

3

4

5

20

40

30

40

50

b De helft. 2

1

4

6

8

20

10

40

60

80

2 Zoek en teken. Het is korter dan 15 cm.

Het is langer dan 1 m.

Het is tussen 30 cm en 50 cm.

Ze zijn samen 20 cm.

3 Kruis aan. heel goed Ik weet wat een centimeter is

10

goed

een beetje

bijna


extra oefenen 1 Vul in. 2

4

10

20

5

10

32

30

65

60

20 50

80

16 40

25

2 Tel handig.

5

5

5

Samen

ballen.

Samen

rackets.

Samen

shuttles.

Samen

tennisballen.

Samen

blikken.

Samen

hoepels.

3 Teken een figuur van 6 lijnen. Gebruik je liniaal.

11

5


BLOK 1  LES 6

lesdoel Ik leer getallen tot en met 100 splitsen in tientallen en eenheden.

1 Nu jij! Vul in hoeveel mandarijnen.

+ Tientallen

= Eenheden

+ T

=

+

E

T

E

2 Vul in.

T

E

T

E

eieren

T

eieren

E

T eieren

eieren

3 Teken de zakken en de losse mandarijnen. T

E

2

3

E

12

=


4 Vul in.

30 + 6

= 36

3 6

36 =

+

T

60 + 2

= 62

62 =

+

T

E

E

T

E

T

E

50 +

= 54

54 = 50

+

40 +

= 47

47 = 40

+

5 Vul in. T

E

  7

+ 20

= 27

T

E

+

= 43

2

7

27

=

+

4

3

=

+

T

E

+ 1

= 31

T

E

+

=

3

1

31 =

+

5

9

=

+

T

E

+

=

T

E

+

=

6

8

=

+

1

3

=

+

6 Maak het grootste getal. Kijk naar het bord.

13


BLOK 1  LES 7 1

Deze opgave maak je digitaal.

2 Schrijf de tijd bij de klok en maak vast. Meer dan 1 hokje mag.

half 5

ochtend

middag

avond

nacht

3 Vul in. 5

30

2

35

40

45

50

55

60

40

5

15

42 44 10

20

23

25

33

43

2

40 42

5

44

14

55

60

65


lesdoel Ik leer getallen tot en met 100 splitsen in tientallen en eenheden.

4 Maak groepjes van 10 en vul in. Er zijn T

mandarijnen.

E

Er zijn T

appels.

E

5 Vul in.

T

E

T

E

koeken

T

koeken

E

T

E

koeken

koeken

6 Vul in. T

E

  6 + 40

=

T

E

4

6

46 =

+6

2

T

E

50 +

= 52

5

2

52 =

+

15

20

+

=

8

=

+

T

E

+ 6

= 86

8

6

=

+

86


BLOK 1  LES 8

lesdoel Ik kan tellen met sprongen op de getallenlijn tot en met 100.

1 Nu jij! Vul in.

20

10

10

10

45

63

10

5

64

35

55

De som is

2 Vul in. 10

10

10

10

3

10

10

10

10

10

30

2

66

88

30

20

5

3

98

42

32

52

24

54

29

69

43

83

3 Vul in.

20

16


4 Teken de sprongen.

10

1 64

75

46

57

17

29

32

55

81

95

61

76

5 Hoeveel punten? Laat de sprongen zien en maak de som. SCORE

30 punten erbij Punten totaal: 67 +

=

SCORE

6 punten erbij Punten totaal:

+

=

SCORE

20 punten eraf Punten totaal: 79 –

=

SCORE

7 punten eraf Punten totaal:

17

–

=


BLOK 1  LES 9 1

Deze opgave maak je digitaal.

2 a Vul in.

b Vul het diagram in. hond:

5

kat:

8

lopen:

7 kinderen

7

fietsen:

3 kinderen

6

konijn:

met de auto: 5 kinderen

5

vis: Hoeveel dieren in totaal?

4 3

Hoeveel kinderen in totaal?

2 1

3 Maak verschillende torens. Teken de torens die je kan maken.

Ik kan

verschillende torens maken.

18


lesdoel Ik kan tellen met sprongen op de getallenlijn tot en met 100.

4 Vul in. 10

10

10

10 1

1

1

0

1

10

1

100

33 10

10

10 1

1

1

1

10

10

1

48

88

5 Teken de sprongen.

10

2

52

64

35

47

66

86

52

73

71

86

42

64

6 Hoeveel punten? Laat de sprongen zien en maak de som. SCORE

SCORE

20 punten erbij

Punten totaal: 52 +

6 punten erbij

=

Punten totaal:

+

=

SCORE

SCORE

20 punten eraf

Punten totaal: 78 –

5 punten eraf

=

Punten totaal:

19

–

=


BLOK 1  LES 10 1 Reken handig.   8 + 2 = 10

5 +

= 10

2 +

= 10

18 + 2 = 20

15 +

= 20

12 +

= 20

6 +

= 10

4 +

= 10

1 +

= 10

16 +

= 20

14 +

= 20

11 +

= 20

3 +

= 10

9 +

= 10

7 +

= 10

13 +

= 20

19 +

= 20

17 +

= 20

2 Speel het spel. Maak de sprongen.

40gin

46

42 43 44 45 4

41

47

48

terug

2 verder

49

be

57 58

3 terug

53 52 51 56 5105 54 ter 2 5 ug

terug

10 verder

50

verder

59

60

5 r e verd

61

62

63

4 verder

67 68 6 6 3 64 65 te10rug terug

69

70

eind

20


extra oefenen 1 Vul in. T

E

3 3 30

+ 3

T

= 33

E

+

T

=

E

+

=

2 Vul in. T

E

5

4

50

T

+ 4

T

E

4

8

= 54

T

70 + 2 = T

+

E

=

E

T

+

E

T

60 + 3 =

= 36

+

E

T

+

E

= 27

= 41

E

+

=

3 Vul in.

10 1

10

10

10

1

5

68

31

20

30 5

2

24

87

21


BLOK 1  LES 11

lesdoel Ik oefen optellen en aftrekken tot en met 100.

1 Nu jij! Reken uit. 46 + 23 = 23 46

89 – 43 = 89

43

42 + 58 = 42

58

2 Schrijf steeds 2 sommen op en reken uit.

34

34

11

–

=

+

= 34

23

34 = =

= =

45 12

22


3 Schrijf de som op en reken uit.

87 huizen

nog 15 brieven in de tas

57 huizen

nog 12 brieven in de tas

87 –

bij 14 huizen geweest

=

+

=

–

=

+

=

bij 54 huizen geweest

bij 25 huizen geweest

bij 83 huizen geweest

4 Teken zelf. Geef je schrift aan je maatje. Die lost je som op. Dit is de som: +

=

5 Maak de sprongen en de som.

23

De som is:

35

+

=

16

De som is:

De som is:

48

+

45

=

+

=

52

De som is:

23

78

97

+

=


BLOK 1  LES 12 1

Deze opgave maak je digitaal.

2 a Meet en vul in. Gebruik je liniaal.

cm cm cm

cm cm cm

Van de boom naar de kist is

cm.

b Meet en teken. Gebruik je liniaal en de kleuren rood en blauw.

Rode weg: van de boom naar de kist is 15 cm.

Blauwe weg: van de kist naar de boom is 9 cm.

3 Reken uit. € 14

bal en springtouw

€8

€ 12 € 35

24

basketbal en springtouw

basketbal en step


lesdoel Ik oefen optellen en aftrekken tot en met 100.

4 Schrijf de som en reken uit.

a Groep 4 in de blauwe bus: Dit is mijn som:

=

b Groep 4 in de witte bus: Dit is mijn som: c 2 bussen vol:

stoelen tekort.

stoelen over. =

stoelen.

Dit is mijn som:

=

5 Teken zelf.

Dit is mijn som: –

Dit is mijn som: =

+

25

=


BLOK 1  LES 13

lesdoel Ik leer munten van 5, 10, 20 en 50 cent gebruiken.

1 Nu jij! Tel en vul in.

cent

cent

cent

2 Tel en vul in.

cent

cent

cent

3 Teken de munten. Doe het zo: 50 20

10

5

ik heb Ik heb 45 cent 45 cent. ik heb Ik heb 30 cent 30 cent. ik heb Ik heb 85 cent 85 cent. ik heb Ik heb 70 cent 70 cent.

Ik heb 65 cent. Ik heb 90 cent. 26

cent


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Basiswerkschrift groep 4 blok 1 by ThiemeMeulenhoff - Issuu