Skip to main content

9789006081756_inkijkexemplaar_allesteltq_groep4

Page 1

naam:

Blok 5

basis

werkschrift antwoorden

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 1

2/04/20 18:08


9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 2

2/04/20 18:08


GROEP 4 basiswerkschrift antwoorden

Blok 5

© ThiemeMeulenhoff, Amersfoort

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 1

2/04/20 18:08


LES 1

Blok 5 

lesdoel Ik leer over getallen tot en met 500.

1 Nu jij! a Vul de buurgetallen in.

b Tussen welke tientallen?

c Tussen welke honderdtallen?

45

46

47

60

64

70

100

169

200

145

146

147

260

264

270

300

369

400

98

99

100

30

36

40

200

281

300

198

199

200

330

336

340

400

481

500

2 Vul in. 11

12

13

14

15

16

76

77

78

79

80

81

411

412

413

414

415

416

276

277

278

279

280

281

98

99

100

101

102

103

25

26

27

28

29

30

398

399

400

401

402

403

425

426

427

428

429

430

3 Zet de getallen van klein naar groot. 463

237

32

189

300

62

104

310

455

297

32

189

237

300

463

62

104

297

310

455

244

471

123

48

322

339

291

412

159

78

48

123

244

322

471

78

159

291

339

412

4 Vul in > of < 45

<

145

176

<

177

236

<

263

355

<

356

136

<

163

280

>

208

479

>

376

234

<

244

179

>

178

116

<

161

118

<

121

390

>

290

318

<

328

179

>

175

399

<

400

418

<

481

2

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 2

2/04/20 18:08


5 Kleur. 1 – 100

422

480

244

88

76

290

479

450

101 – 200

110

233

14

301

400

64

254

133

201 – 300

125

260

71

390

371

70

262

140

301 – 400

178

227

33

312

311

99

285

177

401 – 500

434

498

271

52

53

213

401

500

6 Vul in. 1 meer:

10 meer:

100 meer:

10 minder:

86

87

45

55

226

326

135

125

186

187

145

155

326

426

235

225

209

210

195

205

129

229

499

489

409

410

395

405

329

429

199

189

7 Vul in. Welke plaatjes heeft Anna al? Schrijf de nummers op.

231

233

238

244

236

240

246

Welke plaatjes heeft Ans al? Schrijf de nummers op.

241

247

122

243

234

235

237

242

245

249

250

135

239

8 Vul steeds 3 getallen in. tussen 300 en 500:

126

128

248

232

123

tussen 380 en 420:

131

136

137

132

133

139

124

125

127

129

134

138

140

141

130

Meerdere antwoorden mogelijk. tussen 395 en 405:

3

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 3

2/04/20 18:08


Blok 5  LES 2 1

Deze opgave maak je digitaal.

2 Reken uit. maand gespaard maand

1

2

€4

€8

2

3

gespaard € 10 €

3

15

5 € 16 € 20 4

4

10 € 32 € 40 8

9

6

€ 20 €

30

10

€ 45 €

50

weken

2

gespaard

€6

weken

€6

12

€

€ 12 €

7

14

8

7

€ 18 €

6

3

gespaard

6

4

21 8

€ 24 10

€ 16 €

20

Meerdere antwoorden mogelijk.

Vul in. Ik schat:

Ik reken:

€ 32 + € 47 € 80

€ 79

€ 41 + € 27 € 70

€ 68

€ 58 + € 21 € 80 € 61 + € 18 € 80

Ik schat:

€ 52 + € 39 € 90

€ 91

€ 79

€ 41 + € 48 € 90

Ik reken:

€ 42 + € 31 € 70

€ 73

€ 61 + € 33 € 90

€ 99

€ 37 + € 61 € 100

€ 86

Ik schat:

€ 98 € 89 Ik reken:

€ 53 + € 38 € 90

€ 91

€ 21 + € 58 € 80

€ 79

€ 95

€ 69 + € 28 € 100

€ 94

€ 62 + € 37 € 100

4

Ik reken:

€ 41 + € 58 € 100

€ 79

€ 57 + € 29 € 90

€ 27 + € 68 € 100

Ik schat:

€ 97 € 99

Meerdere antwoorden mogelijk.

Vul in. Schat en reken uit.

Ik koop:

Het kost Ik heb ongeveer: genoeg:

Ik koop:

Het kost Ik heb ongeveer: genoeg:

€ 38 + € 23

€ 60

€ 49 + € 32

€ 80

€ 19 + € 42 € 58 + € 21 € 47 + € 28

€ 60

€ 80 € 80

ja ja nee nee

€ 59 + € 29 € 48 + € 31 € 69 + € 22

€ 90 € 80

€ 90

ja ja ja nee

4

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 4

2/04/20 18:09


lesdoel Ik leer over getallen tot en met 500.

5

6

7

8

Vul in. Tussen welke buurgetallen?

Tussen welke tientallen?

Tussen welke honderdtallen?

99

100

101

80

86

90

200

265

300

199

200

201

280

286

290

400

465

500

Vul in. 10 meer:

20 meer:

50 meer:

25 meer:

73

83

118

138

105

155

120

145

273

283

128

148

215

265

350

375

182

192

378

398

247

297

225

250

482

492

458

478

437

487

435

460

Vul in. 16

18

20

22

24

24

34

44

54

64

216

218

220

222

224

224

234

244

254

264

92

94

96

98

100

172

182

192

202

212

492

494

496

498

500

372

382

392

402

412

Vul in.

364 staat op de teller: er komt steeds 1 kind bij.

158 staat op de teller: er komt steeds 1 kind bij.

298 staat op de teller: er komt steeds 1 kind bij.

496 staat op de teller. Er komt steeds 1 kind bij.

0

3

6

4

0

1

5

8

0

2

9

8

0

4

9

6

0

3

6

5

0

1

5

9

0

2

9

9

0

4

9

7

0

3 6 6

0

1

6 0

0

3 0 0

0

4 9 8

0

3 6 7

0

1

6

1

0

3 0

1

0

4 9 9

0

3 6 8

0

1

6 2

0

3 0 2

0

5 0 0

5

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 5

2/04/20 18:09


Blok 5â&#x20AC;&#x201A;

LES 3

lesdoel Ik oefen verdelen.

1 Nu jij! a 60 poffertjes klaar. Hoeveel bakjes?

60

6 2

3

bakjes met 10 poffertjes

bakjes met 20 poffertjes

Vul in. Je mag een lege getallenlijn gebruiken. poffertjes: stokje met 5: 10 20 40 80

3

b 60 poffertjes klaar. Hoeveel bakjes?

2 4 8 16

poffertjes: bakje met 10: 90 50 70 80

9 5 7 8

60 poffertjes

45 mandarijntjes

5 per bakje 10 per bakje 10 per bakje 20 per bakje 5 per bakje 15 per bakje

80 40 60 100

4 2 3 5

Meerdere antwoorden mogelijk.

Kruis aan wat je kiest en vul in.

40 poffertjes

poffertjes: bakje met 20:

bakjes

30 poffertjes

bakjes

80 tomaatjes

bakjes

90 knikkers

5 per stokje 10 per stokje 5 per zakje 10 per zakje 10 per zakje 15 per zakje

stokjes

zakjes

zakjes

6

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 6

2/04/20 18:09


4

Meerdere antwoorden mogelijk.

Bedenk een rekenverhaal bij de som. 5

5

5

5

5

5

30

Schrijf of teken.

5 Reken uit.

60

75

10

aardbeien op 1 schaal

25

druiven op 1 schaal

6

15

appels op 1 schaal

4 kinderen:

2 kinderen:

elk kind krijgt

elk kind krijgt

12

24

80

bessen op 1 schaal

kinderen: elk kind krijgt

poffertjes.

20

bramen op 1 schaal

Meerdere antwoorden mogelijk.

Verdeel eerlijk op verschillende manieren.

poffertjes.

kersen op 1 schaal

45

60

20

15

poffertjes.

kinderen: elk kind krijgt poffertjes.

kinderen: elk kind krijgt poffertjes.

7

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 7

2/04/20 18:09


Blok 5  1

LES 4

Deze opgave maak je digitaal.

2 Reken uit. 34 + 3 – 8 = 29

23 + 2 – 7 = 18

43 + 8 – 5 = 46

88 – 3 + 5 = 90

92 – 3 + 6 = 95

66 – 5 + 6 = 67

72 + 16 – 4 = 84

57 + 13 – 5 = 65

83 + 12 – 7 = 88

63 – 4 + 4 = 63

43 – 13 + 7 = 37

55 – 14 + 9 = 50

3 Reken uit. 36 zitplaatsen

P 85 plaatsen VOL marktgarage

MAX

49 pers

Er rijden 14 auto’s weg. Er komen 8 auto’s bij.

36 mensen zitten in de bus. De bus is vol. 23 stappen uit. 15 stappen in. 24 stappen uit. 12 stappen in.

Nu is er nog plek voor 6 auto’s.

Nu zitten er 28 de bus.

mensen in

Nu zitten er 37 de bus.

mensen in

36 zitplaatsen

P 85 plaatsen VOL marktgarage

MAX

49 pers

Er rijden 20 auto’s weg. Er komen 11 auto’s bij.

Er zitten 30 mensen in de bus. 12 stappen in. 21 stappen uit.

Er is nog plek voor 9 personen. 14 mensen stappen uit. 17 mensen stappen in.

Er staan nu 76

Nu is er nog plek voor 15 mensen.

Nu is er nog plek voor 6 mensen.

auto’s.

4 Meet de lijnen en vul in.

16 29 8 13 10 22

cm cm cm cm cm cm

8

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 8

2/04/20 18:09


lesdoel Ik oefen verdelen.

5 Vul in.

kaarsjes: kaarsjes

kaarsjes:

doos met 10:

6 5 4 3 2

60 50 40 30 10 stuks

20

doos met 5:

12 10 8 6 4 3

60 50 40 30 20 15

kaarsjes:

zakje met 2:

60

30 25 20 15 10

50 40 30 20

6 Kun je het eerlijk verdelen? Kruis aan. 50 potloden:

75 potloden:

Ja, elk krijgt 10 potloden.

Ja, elk krijgt

Nee, er blijft over.

Nee, er blijft over.

65 potloden:

7

40 potloden:

potloden.

Ja, elk krijgt 20 potloden. Nee, er blijft over.

80 potloden:

41 potloden:

Ja, elk krijgt 13 potloden.

Ja, elk krijgt 8

Nee, er blijft over.

Nee, er blijft over.

potloden.

Ja, elk krijgt

potloden.

Nee, er blijft over.

Hoeveel krijgt ieder? Vul in.

40 plaatjes

50 plaatjes

10 kinderen

Elk kind krijgt 4

plaatjes.

4 kinderen

Elk kind krijgt 10

plaatjes.

5 kinderen

Elk kind krijgt 8

plaatjes.

2 kinderen

Elk kind krijgt 20

plaatjes.

10 kinderen

Elk kind krijgt 5

plaatjes.

5 kinderen

Elk kind krijgt 10

plaatjes.

2 kinderen

Elk kind krijgt 25

plaatjes.

25 kinderen

Elk kind krijgt 2

plaatjes.

9

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 9

2/04/20 18:09


Blok 5

LES 5

1 Reken handig. 5

0

5

5

5

10

5

15

5

20

5

25

30

Teken de sprongen. Kies uit: 5 – 10 – 20 – 50 – 100.

0

120

0

75

0

350

0

100

0

500

2 Nu even anders. Raad mijn getal.

Meerdere antwoorden mogelijk.

215

10

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 10

2/04/20 18:09


extra oefenen 1

Vul in. 0379 op de teller: er komt steeds 1 kind bij.

0427 op de teller: er komt steeds 1 kind bij.

2

3

0296 op de teller: er komt steeds 1 kind bij.

0495 op de teller: er komt steeds 1 kind bij.

0

4

2

7

0

3

7

9

0

2

9

6

0

4

9

5

0

4

2

8

0

3

8

0

0

2

9

7

0

4

9

6

0

4 2 9

0

3 8

1

0

2 9 8

0

4 9 7

0

4 3 0

0

3 8 2

0

2 9 9

0

4 9 8

0

4 3

0

3 8 3

0

3 0 0

0

4 9 9

1

Vul in. 310

320

330

340

350

360

115

120

125

130

135

140

313

323

333

343

353

363

222

224

226

228

230

232

270

280

290

300

310

320

72

82

92

102

112

122

273

283

293

303

313

323

381

386

391

396

401

406

Reken uit. a Er zijn 100 appels. Hoeveel dozen met 20 appels kan je vullen?

b Verdeel 60 appels over dozen. aantal appels in 1 doos: aantal dozen:

2 4 3 5 12

30 15

20

20 12

5 4

Vul in. De bakker heeft 30 appels. Voor hoeveel appeltaarten zijn er appels?

Er zijn genoeg appels voor

10

5

dozen met elk 20 appels

appeltaarten.

appeltaart

ingrediënten: 2 eieren 100 tot 150 g suiker 125 g zelfrijzende bloem 65 g boter 3 appels

Vul in. appels

taarten

30

10 20 7

60 21

300

100

11

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 11

2/04/20 18:09


Blok 5

LES 6

lesdoel Ik oefen de tafels van 2, 3, 4, 5 en 10.

1 Nu jij! 10 × 3 = 30

2 × 5 = 10

4 × 5 = 20

9 × 3 = 27

3 × 5 = 15

5 × 4 = 20

5 × 3 = 15

5 × 5 = 25

4 × 10 = 40

6 × 3 = 18

4 × 5 = 20

10 × 4 = 40

2 Schrijf de keersommen erbij.

20 15

12

3

×4

en 4

×3

3

×5

en 5

×3

10

×2

en 2

× 10

3 Reken uit. 5 × 4 = 20

2×3=6

2×4=8

4 × 5 = 20

10 × 4 = 40

4 × 3 = 12

4 × 4 = 16

8 × 5 = 40

3 × 5 = 15

4 × 3 = 12

3 × 10 = 30

4×2=8

6 × 5 = 30

8 × 3 = 24

6 × 10 = 60

8 × 2 = 16

4 Reken uit. 4 × 5 = 20

9 × 3 = 27

4×2=8

9 × 2 = 18

5 × 5 = 25

10 × 3 = 30

5 × 2 = 10

10 × 2 = 20

9 × 5 = 45

9 × 4 = 36

5 × 3 = 15

5 × 4 = 20

10 × 5 = 50

10 × 4 = 40

6 × 3 = 18

6 × 4 = 24

12

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 12

2/04/20 18:09


5 Schrijf de som en reken uit.

4× Hoeveel poffertjes?

Hoeveel kiwi’s?

Hoeveel citroenen?

4

5

3

× 10

= 40

of

10

×4

= 40

×5

×3

=9

Er komt 1 netje bij.

6

4

×5

= 30

8×

×3

= 12

10 ×

Hoeveel batterijen?

Hoeveel appels?

Hoeveel eieren?

3

8

10

×4

= 12

6 pakjes met 4 batterijen:

of

6

2

×4

= 24

×2

= 16

× 10

= 100

Er is 1 doos minder. ×8

= 16

9

× 10

= 90

Meerdere antwoorden mogelijk.

Teken de voorraad en schrijf de keersommen. 12 steen:

7

= 25

Er komt 1 bakje bij.

3×

6

3×

5×

16 wol:

Vul in. ×

2

4

2

4

8

3

6

8

4

5 10

10

20

5

2

3 6

10

12

3

9

15

16 20 40

4

12 15 30

20 25 50

×

5

10 13

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 13

2/04/20 18:09


Blok 5â&#x20AC;&#x201A; 1

LES 7

Deze opgave maak je digitaal.

2 Kruis aan: waar of niet waar. A

B

C

waar

niet waar

In B kan meer water dan in A. A moet eerder weer gevuld worden dan C. In C kan minder water dan B. In A en B zit samen minder water dan in C. C moet eerder gevuld worden dan B. In C zit weinig water, in B zit veel water.

3 Vul in.

40 knikkers

50 druiven

30 potloden

over 10 kinderen:

over 5 kinderen:

over 4 kinderen:

4

8

10

knikkers per kind

knikkers per kind

knikkers per kind

over 2 kinderen:

over 5 kinderen:

over 10 kinderen:

25

10

5

knikkers per kind

knikkers per kind

knikkers per kind

over 2 kinderen:

over 3 kinderen:

over 5 kinderen:

15

10

6

potloden per kind

potloden per kind

potloden per kind

4 Kleur de dozen met bananen die je eerlijk kunt verdelen over 5 apen.

48

25

53

26

40

72

27

55

60

42

39

65

31

35

15

14

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 14

2/04/20 18:09


lesdoel Ik oefen de tafels van 2, 3, 4, 5 en 10.

5 Schrijf de som en reken uit.

6×

4×

10 ×

Hoeveel appels?

Hoeveel citroenen?

Hoeveel batterijen?

6

4

10

× 10

= 60

De helft is:

3

× 10

= 30

×3

= 12

×4

= 40

Het dubbele is:

Een pakje minder is:

8

9

×3

= 24

×4

= 36

6 Schrijf de keersommen.

3 5

×5 ×3

en

2 3

×3

2 5

en

×2

×5

4 5

en

×2

×5

en

×4

7 Reken uit. 5 × 5 = 25

0 × 10 = 0

8 × 4 = 32

3×3=9

6 × 5 = 30

3 × 10 = 30

7 × 4 = 28

6 × 3 = 18

7 × 5 = 35

4 × 10 = 40

4 × 4 = 16

5 × 3 = 15

8 × 5 = 40

9 × 10 = 90

2×4=8

9 × 3 = 27

8 Vul in. 1×2=2 4×2=8

2×2=4

3×2=6

6 × 2 = 12

5 × 3 = 15 4 × 3 = 12

6 × 3 = 18

7 × 3 = 21

8 × 3 = 24

15

9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 15

23/04/20 14:23


Blok 5 basiswerkschrift

antwoorden 9789006919615_gr4_bws_blok5.indd 54

9 789006 081756

2/04/20 18:19


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789006081756_inkijkexemplaar_allesteltq_groep4 by ThiemeMeulenhoff - Issuu