Vmbo-kgt Werkboek
Aardrijkskunde voor de bovenbouw vmbo
CE
2
Methodeoverzicht
Methodeoverzicht
SE Leerstof voor het schoolexamen 978 90 06 23789 4 De Geo online + boek 3 vmbo-b SE 978 90 06 23792 4 De Geo online 3 vmbo-b SE 978 90 06 23797 9 De Geo online + boek 3 vmbo-kgt SE 978 90 06 23800 6 De Geo online 3 vmbo-kgt SE
CE Leerstof voor het centraal examen 978 90 06 23793 1 De Geo online + boek 4 vmbo-b CE 978 90 06 23796 2 De Geo online 4 vmbo-b CE 978 90 06 23801 3 De Geo online + boek 4 vmbo-kgt CE 978 90 06 23804 4 De Geo online 4 vmbo-kgt CE
Colofon
Beste leerling, Dit boek van De Geo gebruik je samen met de digitale leeromgeving in de les. Dit boek is van jou persoonlijk, dus je mag er aantekeningen in maken. Na dit schooljaar is het boek van jou. Dat is makkelijk als je volgend jaar iets wilt opzoeken, of iets moet leren voor een toets of je eindexamen. Wij wensen je veel succes en plezier met het vak aardrijkskunde. Team De Geo
Colofon Vormgeving en opmaak HollandseWerken / Marc Freriks, Zwolle Cartografisch tekenwerk en grafieken EMK, www.emk.nl Fotoresearch Lineair Beeldresearch, Arnhem Bureauredactie Taallandschap / Ellen Kremers, Deventer
la Over ThiemeMeulenhoff ThiemeMeulenhoff ontwikkelt zich van educatieve uitgeverij tot een learning design company. We brengen content, leerontwerp en technologie samen. Met onze groeiende expertise, ervaring en leeroplossingen zijn we een partner voor scholen bij het vernieuwen en verbeteren van onderwijs. Zo kunnen we samen beter recht doen aan de verschillen tussen lerenden en scholen en ervoor zorgen dat leren steeds persoonlijker, effectiever en efficiënter wordt. Samen leren vernieuwen. www.thiememeulenhoff.nl ISBN 978 90 06 48857 9 Vierde druk, eerste oplage, 2021 © ThiemeMeulenhoff, Amersfoort, 2021 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j° het Besluit van 23 augustus 1985, Stbl. 471 en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan Stichting Publicatie- en Reproductierechten Organisatie (PRO), Postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp (www.stichting-pro.nl). Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet) dient men zich tot de uitgever te wenden. Voor meer informatie over het gebruik van muziek, film en het maken van kopieën in het onderwijs zie www.auteursrechtenonderwijs.nl. Deze uitgave is volledig CO2-neutraal geproduceerd. Het voor deze uitgave gebruikte papier is voorzien van het FSC®-keurmerk. Dit betekent dat de bosbouw op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden.
De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden.
3
Inhoud
Inhoud
CE
Thema en inhoud
Weer en klimaat 1 Het weer en het klimaat 1.1 Weer of klimaat? 1.2 De zon als motor: temperatuur 1.3 De zon als motor: luchtdruk en wind 1.4 De zon als motor: neerslag 1.5 De zon: motor van de luchtcirculatie 1.6 Bronnen Finish Examentraining 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Spanje en Nederland vergeleken Weer en klimaat in Europa Beschikbaarheid van water Klimaatverandering en extremer weer Bronnen Klimaatbeleid Finish Examentraining
3 Weer en klimaat in de VS 3.1 Het weer in de Verenigde Staten 3.2 Bronnen 3.3 Landbouw in de Verenigde Staten 3.4 Klimaatverandering en duurzaamheid in de VS 3.5 Klimaatbeleid van de VS Finish Examentraining Casus Extreem weer in de VS C.1 Tropische orkanen C.2 Tornado’s C.3 Hazard management Finish Examentraining
4 4 7 11 14 18 21 25 28
30 30 34 38 42 45 50 52 54 54 58 61 65 69 74 77 80 80 84 88 92 93
Ruimte voor aantekeningen 252 Bronvermelding 256
Bevolking en ruimte
Water
4
7 7.1 7.2 7.3
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
6 6.1 6.2 6.3 6.4
Bevolking en ruimte in Nederland 96 Bevolkingsgroei in Nederland 96 Regionale verschillen 100 De verstedelijking van Nederland 104 De Randstad 108 Bronnen 111 Finish 114 Examentraining 116 Bevolking en ruimte in Duitsland Bevolkingsgroei in Duitsland Regionale verschillen De verstedelijking van Duitsland Het Ruhrgebied Bronnen Finish Examentraining Bevolking en ruimte in China Bevolking in China Migratie in China Wonen in de stad Bronnen Finish Examentraining
Casus Megasteden in China C.1 Guangzhou in de Parelrivierdelta C.2 Shanghai in de Yangtzedelta C.3 De delta’s vergeleken Finish Examentraining
118 118 122 125 129 132 135 137
140 140 145 147 150 153 154 156 156 160 163 167 168
Water in Nederland Een land in de delta Een land van polders Watergebruik en waterwinning 7.4 Waterkwaliteit en waterkwantiteit 7.5 Gevolgen van klimaatverandering 7.6 Bronnen Finish Examentraining 8 Water in China 8.1 Rivieren en de waterkringloop 8.2 Rivieren in China 8.3 De Chang Jiang 8.4 De Huang He: te weinig water Bronnen 8.5 Finish Examentraining 9 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5
Water in het Midden-Oosten Het Midden-Oosten Water delen met de buren Toenemende watertekorten Oplossingen voor te weinig water Bronnen Finish Examentraining
170 170 173 176 180 183 186 189 191 194 194 197 200 204 208 211 213
216 216 220 224 227 230 233 235
Casus Ruzie om water 238 C.1 Stuwdammen in Turkije 238 C.2 Waterbouwkundige werken in de Nijl 242 C.3 Watermanagement 245 Finish 248 Examentraining 250
4
Weer en klimaat
1
Hoe werken het weer en het klimaat?
Weer of klimaat?
Deelvraag
1
Het weer en het klimaat
Het weer en het klimaat
Hoofdvraag
1.1
1
Wat is de samenhang tussen het weer en het klimaat?
Gebruik de startfoto, de openingsfoto en alle figuren in deze paragraaf.
c Welk woord uit de tekst past bij je vergelijking in vraag 2b?
a Beschrijf het weer van vandaag. d Leg je antwoord bij vraag 2c uit.
b Welke onderdelen van jouw beschrijving van het weer in vraag 1a herken je in de foto’s en figuren? 3
Lees Weer en bekijk figuur 1.
a Bekijk de kaart van Nederland van 18 januari. In welke helft van Nederland is de bewolkingsgraad het hoogst: in de oostelijke of de westelijke helft? 2
Lees Weer.
a Bekijk op npostart.nl het weerbericht in het NOS Journaal van 20.00 uur van gisteren. Welke weerelementen komen in dit weerbericht voor?
b Bekijk op Buienradar.nl de weersvoorspelling voor jouw woonplaats op dit moment. Noteer een verschil en een overeenkomst tussen de voorspelling van Buienradar en die van het NOS Journaal. Verschil:
Overeenkomst:
b Leg uit hoe je dat ziet op de kaart.
c Op welke dag en in welke provincie verwacht je de hoogste zonkracht?
d Geef twee argumenten voor je antwoord op vraag 3c die je uit de figuur kunt afleiden.
1.1
4
Lees Weer.
a In welk seizoen en onder welke weeromstandigheden zal de zonkracht in Nederland het grootste zijn?
Weer of klimaat?
5
b Bekijk de atlaskaarten Europa - Klimaat, Temperatuur en neerslag in januari (78B) en Temperatuur en neerslag in juli (78C) (Alcarta 78A en 78B). Noteer een oorzaak voor het verschil in oorspronkelijke plantengroei tussen Nederland en IJsland.
b Welke foto uit paragraaf 1.2 t/m 1.6 past bij de weersituatie van 18 januari?
c Leg je antwoord op vraag 4b uit.
5
c Zoek op internet een foto van de oorspronkelijke plantengroei van beide landen. Noteer een verschil tussen de oorspronkelijke plantengroei van Nederland en IJsland.
Lees Klimaat en gebruik figuur 4.
a Bekijk op schooltv.nl het filmpje Weer en klimaat in Nederland. Noteer twee verschillen en een overeenkomst tussen het weer en het klimaat. Twee verschillen:
7
Lees Klimaatfactoren en gebruik figuur 2.
a Bekijk op schooltv.nl het filmpje Land en zee, over temperatuurverschillen op het land en in zee, vanaf 0:49 minuten. Leg uit waarom water langzamer opwarmt dan land en ook langzamer afkoelt.
Eén overeenkomst:
b Nederland heeft een gematigd klimaat. Bekijk figuur 4. Wat is de gemiddelde temperatuur in de koudste en de warmste maand?
c En wat is de totale hoeveelheid neerslag over een jaar?
b Leg met behulp van figuur 2 en je antwoord op vraag 5a uit hoe de zee kan zorgen voor een koele wind in de zomer en een warme wind in de winter.
d Komt dit overeen met wat je in het filmpje hebt gezien?
6
Lees Klimaat.
a Bekijk de atlaskaart Europa - Fysisch milieu, Oorspronkelijke plantengroei (77C) (Alcarta 81C). De oorspronkelijke plantengroei is de plantengroei die zou voorkomen in een gebied, zonder invloed van de mens. Wat is de oorspronkelijke plantengroei in Nederland en op IJsland? Nederland: IJsland:
c Bekijk de atlaskaart De aarde - Klimaatgebieden/ Zeestromen (244) (Alcarta 222B). De zeestromen op deze kaart worden aangedreven door winden die lange tijd uit dezelfde richting waaien. Hoe heet de warme zeestroom die warm water en warme, vochtige lucht naar Europa brengt?
6
1
Weer en klimaat
Het weer en het klimaat
Herhaling
d Hoe heet de koude zeestroom voor de kust van West-Afrika?
9 e Welk effect zal zo’n koude zeestroom in een kustgebied hebben?
8
Lees Klimaatfactoren.
Gebruik W1 en de atlaskaart Europa - Klimaat, Neerslag. (78A) (Alcarta 79D). De volgende steden hebben ieder een ander klimaat. Welke klimaatfactoren zorgen hiervoor? Bergen (Noorwegen)
-
Kiev
-
Athene
W1
Hoe kun je nou zelf checken of je genoeg weet, zodat je de deelvraag kunt beantwoorden? In elke paragraaf staat bij Herhaling een manier om dit te doen. Bekijk in ieder geval altijd eerst het overzicht Wat moet je kennen en kunnen? Tips - Schrijf voor alle begrippen de betekenis op, uit je hoofd. Controleer deze met de begrippenlijst achter in je leerboek. Lukt dit nog niet? Dan kun je met de begrippenlijst erbij de betekenis oefenen. - Loop de leerdoelen in de Finish een voor een na: kun je de antwoorden uit je hoofd geven? Als dat nog niet lukt, pak dan het leerboek en het werkboek erbij. - Op de methodesite kun je een samenvatting maken.
Wat moet je kennen en kunnen? • Je kunt antwoord geven op de deelvraag. • Je kent de volgende begrippen: atmosfeer, bewolking, bewolkingsgraad, breedteligging, gesteldheid van het aardoppervlak, hoogteligging, klimaat, klimaatfactor, luchtdruk, neerslag, temperatuur, uv-straling, weer, weerelement, wind, zonkracht. ( Op p. 46 in je leerboek vind je de definities.) • Je kunt de leerdoelen behalen die je vindt in het overzicht bij de Finish. • Je hebt in deze paragraaf geen vaardigheden geoefend.
Gemiddelde temperatuur in Europa in januari en juli. 0
januari
500
1.000 km
5° C
0
juli
500
1.000 km
10
5 °°C C
°C
°C
an
At la
°C
−10
°C
n eaa
10
°C
Bergen
10
°C
°C
nt
h isc
c eO
15 °C C 0°
20 °C
−5 °C
°C
5° C
°C
Athene
0-5
C 25 °
5 - 10
10 - 20
25 °C °C
C 25 °
5° C
°C
20 °C
C 25 °
C 0°
20
5 °C 5 °C
10
−5 - 0
20 °C
20 °C
temperatuur in °C −20 - −5
C 20 °C
20°C
5 °C
10 ° C
5 °C
15 °C C
20 - 35
Athene C 30 °
10 °C
25
°C
30 °C
0 °C
°C
°C
−5
°C
5 °C
20
C −5 °
C 0 °°C
15
10
−5 − 5 °C C
Kiev
°C
Kiev
15
Atla ntis ch eO c
−5
Bergen
5° C
ea
−15 °C
15
0 °C
10
°C
−10
−5
-
Check op de deelvraag.
1.2
De zon als motor: temperatuur
7
1.2 De zon als motor: temperatuur Deelvraag
1
Hoe hebben breedteligging, hoogteligging en ligging aan zee invloed op de gemiddelde temperatuur?
Verkenning.
a Bekijk op schooltv.nl het filmpje Dag en nacht – Waarom is het ’s winters langer donker? Volgens dit filmpje staat de zon in Antarctica in de zomer laag aan de hemel. Je ziet de zon dan vlak boven de horizon. Welke baan van de zon in W2 hoort bij de winter en welke bij de zomer in Nederland? Schrijf winter en zomer op de juiste plek in de legenda. b Leg je keuze bij vraag 1a uit en gebruik in je antwoord de lengte van de dag en de lengte van de nacht.
d Op de evenaar staat de zon altijd heel hoog aan de hemel (twee keer per jaar zelfs loodrecht boven je hoofd, dan heb je geen schaduw!). Leg uit hoe dat komt.
2
Lees Temperatuur.
a Hoe noem je de lijnen in W1? c Als je naar je antwoord op vraag 1a kijkt, in welk seizoen staat de zon dan het laagste aan de hemel in Nederland?
W2
70
De baan van de zon aan de hemel, in de winter en in de zomer in Nederland.
b Bekijk figuur 5. Wereldwijd wordt de temperatuur van de lucht aan het aardoppervlak op dezelfde manier gemeten: met een thermometer op 1,5 m hoogte in een kastje dat open is aan de zijkanten zodat de lucht er vrij langs kan stromen, en de lucht in het kastje niet opwarmt. Waarom is elk kastje wit denk je?
in graden
60 50 40
c De thermometer in een weerkast meet altijd de laagste (minimum) en de hoogste (maximum) temperatuur op een dag. Waarom is dat zo denk je?
30 20 10 0
4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 uur wintertijd 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 uur zomertijd ............................................................................................ ............................................................................................
8
Weer en klimaat
3
1
Het weer en het klimaat
4
Lees Zoninvalshoek en breedteligging.
a Lees de volgende zinnen. Zet de cijfers 1 t/m 4 van de zinnen op de juiste plek in W3. 1 Het aardoppervlak neemt de zonnestralen op en warmt op. 2 De zon straalt energie uit. 3 De temperatuur van de atmosfeer neemt tot ongeveer 10 km hoogte af. 4 Het aardoppervlak geeft warmte af aan de lucht erboven. b Wat is de temperatuur op 1.000 m boven het aardoppervlak? En op 2.000 m boven het aardoppervlak?
Lees Zoninvalshoek en breedteligging en gebruik figuur 6.
a De twee bundels invallende zonnestralen in W4 zijn even groot. Van welke bundel is de zoninvalshoek het grootst: van bundel 1 of van bundel 2?
b Tel de vierkantjes van beide bundels. Welke bundel invallende zonnestralen verwarmt het grootste oppervlak: bundel 1 of bundel 2?
c Welke letter in figuur 6 past bij bundel 1, en welke bij bundel 2? Kies uit: A – B.
Op 1.000 m Op 2.000 m
bundel 1
c Lees de algemene regel in je leerboek. Zet de cijfers 1 t/m 4 onder elkaar en schrijf er het juiste woord of cijfer achter. In de atmosfeer neemt de [1] vanaf het [2] elke 1.000 m af met [3] °C tot ongeveer [4] km hoogte. 1
bundel 2
d Welke andere factor bepaalt hoeveel zonne-energie er op het aardoppervlak valt?
e Leg met behulp van figuur 6 en W4 het verband uit tussen de bolvorm van de aarde, de breedteligging, de zoninvalshoek en de hoeveelheid zonne-energie die op 1 m2 aardoppervlak valt.
2 3 4
–43,5 –37
226 264 307 356 410
–24
475
–17,5
540
4.000
–11
616
3.000
–4,5
701
+2
795
1.000
+8,5
889
0
+15
1.013
5.000
2.000
aal
6.000
estr
–30,5
7.000
warmte
W4
Het oppervlak dat eenzelfde bundel zonnestralen verwarmt op lage en hoge breedte.
10 m
10 m
1
zoninvalshoek 90°
zonn
8.000
–50
hoeveelheid luchtdeeltjes per m3
9.000
–56,5
luchtdruk in hPa
10.000
temperatuur in °C
11.000
De opwarming van de atmosfeer door het aardoppervlak en het temperatuur in de atmosfeer. hoogte in m
W3
2
in
zon
0°
k2
oe
sh val
1.2
5
9
De zon als motor: temperatuur
d Leg uit waarom de gemiddelde temperatuur in Nederland in de zomer hoger is dan die in de winter.
Lees Seizoenen en gebruik figuur 7.
a Bekijk op schooltv.nl het filmpje Dag en nacht – Waarom is het ’s winters langer donker? b Bekijk vraag 1 en W2. Wanneer is in Nederland de zoninvalshoek midden op de dag het grootst: in de winter of in de zomer? 6 c Leg je antwoord bij vraag 1b uit.
Lees Seizoenen en gebruik figuur 8 en vaardigheid 13 Verbanden leggen.
a Vul W5 in. b Bekijk figuur 8. Hoe zie je in figuur 8 dat in dit gebied veel neerslag valt?
W5 Breedteligging
21/22 maart: lente noordelijk halfrond herfst zuidelijk halfrond
21/22 juni: zomer / winter noordelijk halfrond zomer / winter zuidelijk halfrond
21/22 september: lente / herfst noordelijk halfrond lente / herfst zuidelijk halfrond
21/22 december: zomer / winter noordelijk halfrond zomer / winter zuidelijk halfrond
90° N.B.: noordpool
overgang van poolnacht naar pooldag
pooldag / poolnacht
overgang van pooldag / poolnacht naar pooldag / poolnacht
pooldag / poolnacht
80° N.B.: noordpoolgebied
dag en nacht even lang
- zeer lange dag - zeer korte nacht
dag en nacht even lang
- zeer lange dag / zeer korte dag - zeer lange nacht / zeer korte nacht
53° N.B.: Nederland
dag en nacht even lang / nacht klein beetje langer dan dag
- lange dag / nacht - korte dag / nacht
even lang / nacht klein beetje langer dan dag
- korte dag / lange dag - korte nacht / lange nacht
0°: evenaar
- dag en nacht even lang / nacht klein beetje langer dan de dag - zoninvalshoek loodrecht (90°) op evenaar
- nacht klein beetje korter dan dag
- dag en nacht even lang / nacht klein beetje langer dan de dag - zoninvalshoek loodrecht (90°) op Steenbokskeerkring / evenaar
- dag en nacht even lang / nacht klein beetje langer dan de dag - zonsinvalshoek loodrecht op Steenbokskeerkring / evenaar - korte dag / nacht - lange dag / nacht
- zoninvalshoek loodrecht op Kreeftskeerkring
53° Z.B.: zuidelijk Chili en Argentinië
dag en nacht even lang
- lange dag / nacht - korte dag / nacht
dag en nacht even lang / korte nacht & lange dag
80° Z.B.: zuidpoolgebied
dag en nacht even lang
- zeer lange dag / nacht - zeer korte dag / nacht
dag en nacht even lang
90° Z.B.: zuidpool
overgang van pooldag naar poolnacht
pooldag / poolnacht
overgang van pooldag / poolnacht naar pooldag / poolnacht
pooldag / poolnacht
10
Weer en klimaat
c Verklaar het bijschrift bij de foto, waarbij je ingaat op de hoeveelheid zonne-energie die dit gebied ontvangt.
7
1
Het weer en het klimaat
e Bekijk op schooltv.nl het filmpje Zeestromen en wind – Ze beïnvloeden de temperatuur. Hoe beïnvloeden warme en koude zeestromen de temperatuur in kustgebieden?
Lees Andere invloeden op de gemiddelde temperatuur.
a Op 6 km hoogte in een gebergte zoals de Himalaya is het gemiddeld kouder dan op zeeniveau op dezelfde breedtegraad. Leg uit hoe dit komt.
Herhaling 8
Maak een proefwerk.
Maak voor je klasgenoten proefwerkvragen en maak voor jezelf de antwoorden. Laat je proefwerk maken en kijk het samen na. Zo kom je erachter wat je nog niet helemaal weet of begrijpt. Dat kun je nog een keer herhalen.
Wat moet je kennen en kunnen? b Bekijk via de methodesite de kaart met de gemiddelde zeetemperatuur (sea surface temperature) van juli 2002 t/m april 2018. Vergelijk het verloop van de temperatuur in de Noordzee en in de Atlantische Oceaan op de evenaar. Wat valt je op?
d Leg uit waarom de zee in een gebied met seizoenen een sterkere matigende werking op de gemiddelde temperatuur heeft dan in een gebied op de evenaar.
• Je kunt antwoord geven op de deelvraag. • Je kent de volgende begrippen: isotherm, schaal van Celsius, temperatuur, thermometer, zoninvalshoek. ( Op p. 46 in je leerboek vind je de definities.) • Je kunt de leerdoelen behalen die je vindt in het overzicht bij de Finish. • Je beheerst de volgende vaardigheid: 13 Verbanden leggen.
1.3
11
De zon als motor: luchtdruk en wind
1.3 De zon als motor: luchtdruk en wind Deelvraag
1
Wat is het verband tussen temperatuurverschillen van lucht, luchtdruk en wind aan het aardoppervlak? 2
Lees Luchtdruk en wind en gebruik figuur 9.
a Hoe noem je de lijnen in figuur 9?
b Wat laten ze zien?
c De gemiddelde wereldwijde luchtdruk op zeeniveau is ongeveer 1015 hPa. Teken in W6 de isobaar van 1015 hPa als een dikke zwarte lijn. d Kleur in W6 het gebied met een luchtdruk hoger dan 1015 hPa rood en het gebied met een luchtdruk lager dan 1015 hPa blauw. e Zet op de plekken waar de luchtdruk het laagste is een L en op de plekken waar hij het hoogste is een H. f Teken met pijlen de windrichting in W6. W6
Luchtdruk aan het aardoppervlak in Europa op een bepaalde dag. 0
100
1015
10
00 011 10.
10
1020
0 98 0 99 00 0 1
a W7 gaat over het ontstaan van lage en hoge luchtdruk in de tropen. Schrijf de cijfers 1 t/m 5 van de volgende zinnen op de juiste plek in W7. 1 Aan het aardoppervlak ontstaat een lagedrukgebied (minimum). 2 Boven in de atmosfeer stroomt lucht precies de andere kant op en daalt uiteindelijk richting het aardoppervlak. 3 De zon verwarmt het aardoppervlak sterk, dat op zijn beurt de lucht erboven opwarmt. Hierdoor gaat de lucht opstijgen. 4 Aan het aardoppervlak ontstaat een hogedrukgebied (maximum). 5 Vanuit de omgeving waar de luchtdruk hoger is, stroomt lucht over het aardoppervlak naar het lagedrukgebied toe (wind). b Zet de cijfers van de gebeurtenissen in vraag 2a in de juiste volgorde.
c Ga via de methodesite naar windy.com. Op de methodensite vind je uitleg over deze site. Komt de luchtdrukverdeling aan het aardoppervlak overeen met die in W7? Leg je antwoord uit.
990
1010 1020
Lees Luchtdruk en wind en gebruik figuur 10.
0
1015
1000
10 10
15
1020
10
10
20
Berlijn
980 990
10
10
103
00
10
10
30
15 10
Rome
10
30
10 20
10 10
15
0
10
Cairo
500
1.000 km
W7
Luchtcirculatiesysteem in de tropen.
evenaar 30° N.B.
0°
30° Z.B.
12
Weer en klimaat
3
b Lees de volgende zinnen. Schrijf de cijfers 1 t/m 3 van de zinnen op de juiste plek in W8. 1 Aan het aardoppervlak ontstaat een lagedrukgebied (minimum). 2 Warme en koude lucht mengen niet makkelijk met elkaar, en warme lucht is lichter dan koude lucht. Daarom beweegt de warme lucht omhoog over de koude lucht. 3 Koude lucht komt in een gebied met warme lucht. c Zet de cijfers van de gebeurtenissen in vraag 3b in de juiste volgorde.
Lees Windkracht, windsnelheid en windrichting en gebruik figuur 12.
a Zet in W6 een X op de plek waar de wind het hardst waait. b Leg uit waarom je die plek hebt gekozen.
c Wat is de minimale windkracht op de dag dat de foto in W9 is genomen?
d Waaraan zie je dat op de foto?
Het botsen van koude en warme lucht.
koude lucht
warme lucht
L
W9
Het weer en het klimaat
4
Lees Luchtdruk en wind en gebruik figuur 11.
a Laat figuur 11 koude lucht zien die een gebied met warme lucht binnenkomt, of warme lucht die een gebied met koude lucht binnenkomt?
W8
1
Op de Erasmusbrug in Rotterdam.
e Lees de tekst en bekijk de filmpjes via de methodesite. Wat is de maximale windkracht tijdens deze storm?
1.3
5
Lees Windkracht, windsnelheid en windrichting.
a Gebruik de atlaskaart Nederland - Klimaat, Wind (39C). Wat is de overheersende windrichting in Nederland?
13
De zon als motor: luchtdruk en wind
W10
Land- en zeewind gedurende dag en nacht in de zomer in een kustgebied, bijvoorbeeld in Nederland.
overdag
1 km
b Gebruik de atlaskaart Nederland - Klimaat, Windsnelheid (39D). Waar in Nederland zijn de gemiddelde windsnelheden het hoogst?
zeewin
d
warm land heet landoppervlak
koel water 50 km
c Verklaar je antwoord bij vraag 5b.
nacht
1 km
landwin
d
koud land heet landoppervlak
warm water 50 km
6
Lees Windkracht, windsnelheid en windrichting.
Verklaar het ontstaan van de winden in W10. Gebruik je kennis over het ontstaan van luchtdrukverschillen door temperatuurverschillen uit paragraaf 1.2 en 1.3 en het opwarmen en afkoelen van zee en land uit paragraaf 1.1.
Herhaling 7
Speel het taboewoordenspel.
Je werkt in tweetallen. Van je docent(e) krijgt een van jullie de opdrachtenkaartjes. Op deze kaartjes staan begrippen in vet gedrukt, met daaronder drie woorden. Degene die de kaartjes krijgt, probeert het begrip uit te leggen, zonder de woorden te gebruiken die onder het begrip staan. De ander moet het begrip raden.
Wat moet je kennen en kunnen? • Je kunt antwoord geven op de deelvraag. • Je kent de volgende begrippen: aanlandige wind, aflandige wind, barometer, depressie, hogedrukgebied, isobaar, lagedrukgebied, landwind, luchtdruk, maximum, minimum, schaal van Beaufort, wind, windkracht, windrichting, windroos, windsnelheid, zeewind. ( Op p. 46 in je leerboek vind je de definities.) • Je kunt de leerdoelen behalen die je vindt in het overzicht bij de Finish. • Je hebt in deze paragraaf geen vaardigheden geoefend.
14
Weer en klimaat
1
Het weer en het klimaat
1.4 De zon als motor: neerslag Deelvraag
1
Hoe ontstaat neerslag?
Verkenning.
c Stel dat op alle drie de plekken in W11 de lucht afkoelt van 25 ºC tot 15 ºC. Dan zal op plek 1 /2 /3 als eerste neerslag gaan vallen. Dat komt doordat op plek 1 /2 /3 de luchtvochtigheid het kleinste / grootste is en er daar dus de minste / meeste waterdamp in de lucht zit. d In figuur 14 zie je wel wolken, maar valt er geen neerslag. Geef hiervoor een verklaring, waarbij je ingaat op het verband tussen de vochtigheid van de lucht en de grootte van de waterdruppels in de wolken.
a Welke vormen van neerslag ken jij?
b Hoe ontstaat neerslag denk je?
2
Lees Luchtvochtigheid en het ontstaan van wolken en gebruik figuur 14.
a Schrijf in W11 droge lucht en vochtige lucht in het juiste vak. b Op welke plek heeft de lucht de grootste luchtvochtigheid?
W11 100 90
Luchtvochtigheid van lucht op drie verschillende plekken.
percentage waterdamp
80
3
70 60 50 lucht op plek 3
40 30
0
Lees Soorten neerslag en gebruik figuur 15.
a Bekijk op schooltv.nl het filmpje Verschillende soorten regen tot ongeveer 1 minuut. Bij welk W-nummer in paragraaf 1.1 t/m 1.3 past de tekst in het leerboek en het filmpje?
lucht op plek 2
20 10
e Bekijk op schooltv.nl het filmpje Neerslag – Hoe ontstaat regen, hagel en sneeuw? Welke nieuwe informatie geeft dit filmpje je?
lucht op plek 1
b Leg je antwoord op vraag 3a uit. de temperatuur van de lucht is op alle plekken 25 °C
1.4
c Waar in W12 ontstaat neerslag? Teken op die plek wolken. d Leg je antwoord op vraag 3c uit.
15
De zon als motor: neerslag
e Leg je antwoord op vraag 4d uit.
e Waar in W12 ontstaat geen neerslag? Zet hier een X. f Leg je antwoord op vraag 3e uit.
W13
koude lucht
warme lucht
g Hoe noem je de neerslag die in W12 ontstaat?
L bewegingsrichting front
W12
W14
Het luchtcirculatiesysteem in de tropen.
warme lucht
H 30° N.B.
L evenaar 0°
H 30° Z.B.
koude lucht
L bewegingsrichting front
4
Lees Soorten neerslag en gebruik figuur 16.
a Schrijf het woord front op de juiste plaats in W13. b Waar in W13 ontstaat neerslag? Teken op die plek wolken. c Leg je antwoord op vraag 4b uit.
d Bekijk op schooltv.nl het filmpje Verschillende soorten regen van ongeveer 1:26 minuten tot het einde. De regen uit dit filmpje kan natuurlijk ook vallen als sneeuw of hagel. Past het filmpje beter bij W13 of bij W14?
5
Lees Soorten neerslag.
a Schrijf in W14 op de juiste plaats het woord front. b Geef in W14 aan waar neerslag ontstaat door wolken te tekenen. c Leg je antwoord bij vraag 5b uit.
16
Weer en klimaat
d In W13 komt koude lucht in een gebied met warme / koude lucht. Hier ontstaat een koufront / warmtefront. In W14 komt warme / koude lucht in een gebied met warme / koude lucht. Hier ontstaat een koufront / warmtefront. De neerslag die in W13 en W14 ontstaat noem je
1
Het weer en het klimaat
c Bekijk de atlaskaarten Noord-Amerika - Natuurkundig (198) en Noord-Amerika - Jaarlijkse Neerslag (199A) (Alcarta 178A en 180C). Geef een verklaring voor het verschil in jaarlijkse neerslag tussen het westelijke kustgebied en het binnenland.
neerslag.
e Schrijf koufront en warmtefront bij het juiste W-nummer. 6
Lees Soorten neerslag en gebruik figuur 17.
a Bekijk op schooltv.nl het filmpje Verschillende soorten regen van ongeveer 1:00 tot 1:26 minuten. De regen uit dit filmpje kan natuurlijk ook vallen als sneeuw of hagel. Schrijf de cijfers 1 t/m 7 van de volgende zinnen op de juiste plek in W15. 1 Dit is de lijzijde van het gebergte. 2 Hier daalt de lucht en warmt op. 3 Dit is de loefzijde van het gebergte. 4 De wolken die er nog zijn, verdampen en er valt geen neerslag. 5 De wind komt aan de loefzijde bij het gebergte aan. 6 Dit gebied ligt in de regenschaduw. 7 De lucht moet omhoog en koelt af. Er vormen zich wolken en er valt neerslag. b Zet de cijfers van de zinnen in vraag 5a in de juiste volgorde.
W15
Stuwingsneerslag.
d Bekijk de atlaskaarten op het kaartblad Azië Natuurkundig (142-143) (Alcarta 140A). Welk gebergte zorgt in China voor een regenschaduw?
e Bekijk de atlaskaarten Europa - Klimaat, Neerslag (78A) en Europa - Natuurkundig (70) (Alcarta 74A en 79D). Geef twee voorbeelden van gebieden in Europa die in de regenschaduw liggen.
1.4
7
Lees Waterkringloop en gebruik figuur 18.
a Schrijf de cijfers 1 t/m 10 van de volgende zinnen op de juiste plek in W16. Eén cijfer mag je vaker gebruiken. 1 neerslag 2 verdamping 3 oceaan 4 bevriezen 5 infiltratie 6 smelten 7 afstroming 8 afvoer door rivieren 9 grondwater 10 condensatie b Welk onderdeel van de waterkringloop vind je niet in Nederland?
c Leg je antwoord bij vraag 6b uit.
W16
De waterkringloop.
De zon als motor: neerslag
17
Herhaling 8
Leren met nieuws.
Zoek in een krant twee berichten die gaan over weer, klimaat en neerslag ergens in de wereld. Lees deze berichten door. Onderstreep met groen alle woorden en zinnen die je herkent uit deze paragraaf. Geef met blauw aan wat je makkelijk vindt in de tekst en met oranje wat je moeilijk vindt. Probeer in de paragraaf (en vorige paragrafen) op te zoeken wat je niet begrijpt van de oranje teksten. Herhaal deze begrippen en verbanden uit de paragrafen nog een keer.
Wat moet je kennen en kunnen? • Je kunt antwoord geven op de deelvraag. • Je kent de volgende begrippen: afstromen, bevriezen, condenseren, depressie, frontale neerslag, infiltreren, lijzijde, loefzijde, luchtvochtigheid, neerslag, regenschaduw, smelten, stijgingsneerslag, stuwingsneerslag, verdampen, waterkringloop. ( Op p. 46 in je leerboek vind je de definities.) • Je kunt de leerdoelen behalen die je vindt in het overzicht bij de Finish. • Je hebt in deze paragraaf geen vaardigheden geoefend.
18
Weer en klimaat
1
Het weer en het klimaat
1.5 De zon: motor van de luchtcirculatie Deelvraag
1
Hoe hangen de gemiddelde temperatuur, luchtdruk, wind en neerslag samen op mondiale schaal en welke patronen kun je hierin zien?
Verkenning.
Ga via de methodesite naar windy.com. Op de methodensite vind je uitleg over deze site. a Op welke breedtegraden zie je vooral lageluchtdrukgebieden en op welke breedtegraden vooral hogeluchtdrukgebieden?
c Waaien winden in een rechte lijn van hoge druk naar lage druk, of niet? Wat valt je op?
2
b Welke overheersende windrichtingen zie je en op welke breedtegraden komen ze voor?
W17
Lees Wereldwijde luchtcirculatie.
a Kleur in W17 de gebieden met hoge en lage luchtdruk volgens de legenda. b Zet een L in de gebieden met lage luchtdruk en een H in de gebieden met een hoge luchtdruk. c Aan de rechterkant en linkerkant van de aardbol zie je een doorsnede van het onderste deel van de atmosfeer. Links is deze al ingetekend. Teken de luchtstromen in de doorsnede aan de rechterkant. Je kunt hierbij figuur 20 gebruiken. d Schrijf in de doorsnede aan de rechterkant de L en H aan het aardoppervlak op de juiste plaats.
De wereldwijde luchtcirculatie. Noordpool Noordpool
1
2
3
1
60° N.B. 60° N.B.
30° N.B. 30° N.B. 2
evenaar evenaar 3
2
30° Z.B3. 0 ° Z.B. 2
1
60° Z.B6.0° Z.B. 1
gebied met hoge of lage gebied met hoge of luchtdruk lage luchtdruk 1 21 32 3 windrichting windrichting warme lucht lucht warme
Zuidpool Zuidpool
koudekoude lucht lucht
1.5
3
4
Lees Wereldwijde luchtcirculatie en gebruik figuur 21, 22 en 23.
a Op welke plek in W17 passen de foto’s van figuur 21, 22 en 23? Schrijf de figuurnummers op de juiste plek in W17. b Leg je antwoord bij vraag 3a uit. Figuur 21:
19
De zon: motor van de luchtcirculatie
Lees Wereldwijde windsystemen en gebruik figuur 19.
a Winden waaien niet in een rechte lijn van hoge naar lage druk, maar hebben een afwijking. In W18 is voor het noordelijk halfrond de richting van een wind getekend: van het gebied met hoge luchtdruk naar de evenaar. Teken alle andere winden met de juiste afwijking in W18. b Vergelijk je tekening in W18 met figuur 19. Is het windpatroon hetzelfde?
Figuur 22: c Welke wet heb je toegepast bij vraag 4a? Figuur 23:
c Bekijk de atlaskaart De aarde - Klimaat/Fysische zones, Jaarlijkse neerslag (241C) (Alcarta 225E). Tussen welke breedtegraden valt er in Afrika en Europa veel neerslag?
d Maak vraag 1f in paragraaf 1.3 nog een keer. Had je de windrichting al goed ingetekend of heb je deze nu toch veranderd?
W18
De afwijking van de wind van een rechte lijn tussen hoge en lage luchtdruk. 90° N.B.
d En tussen welke breedtegraden weinig? 60° N.B.
e Verklaar met behulp van W17 en figuur 20 het neerslagpatroon in Afrika en Europa op de atlaskaart.
30° N.B.
evenaar
0°
30° Z.B.
60° Z.B. 90° Z.B.
20
Weer en klimaat
5
Lees Wereldwijde windsystemen en gebruik figuur 19.
a Bekijk op schooltv.nl het filmpje Luchtstromen op aarde – Van hoge- naar lagedrukgebied. Teken in W14 de overheersende mondiale winden aan het aardoppervlak op het noordelijk en zuidelijk halfrond: - passaatwinden - westenwinden - oostelijke winden b Vergelijk W17 met het beeld in Windy.com uit vraag 1. Wat zijn overeenkomsten en wat zijn verschillen?
c Bedenk een verklaring voor de verschillen.
1
Het weer en het klimaat
Herhaling 6
Maak een woordweb (mindmap).
Neem een leeg vel A3-papier. Schrijf de deelvraag van de paragraaf in het midden. Schrijf de belangrijke begrippen rondom die deelvraag op. Geef verbanden aan tussen de begrippen met een lijn of pijl en schrijf erbij waarom en hoe de begrippen samenhangen. Bij deze paragraaf kun je ook goed tekeningen in je woordweb maken.
Wat moet je kennen en kunnen? • Je kunt antwoord geven op de deelvraag. • Je kent het volgende begrip: Wet van Buys Ballot. ( Op p. 46 in je leerboek vind je de definities.) • Je kunt de leerdoelen behalen die je vindt in het overzicht bij de Finish. • Je hebt in deze paragraaf geen vaardigheden geoefend.
1.6
1.6 Bronnen Deelvraag
1
Bronnen: Klimaten in de wereld
21
Klimaten in de wereld
Welke klimaten en vegetatiezones komen waar voor op aarde en waarom daar?
Verkenning.
c Welke vegetatie komt daar voor?
a Welke vijf klimaatfactoren bepalen ook alweer welk klimaat in een gebied voorkomt? Tip: Gebruik paragraaf 1.1. 2
b Bekijk op schooltv.nl het filmpje over Klimaatzones van de wereld – Waarom zijn er verschillende klimaatzones? Welke klimaatzones worden in dit filmpje genoemd?
W19 bron
1
2
3
4
5
Gebruik bron 1 en 6.
a Vul W19 in voor bron 1. Gebruik daarbij de atlaskaart De aarde - Oorspronkelijke plantengroei (246) (Alcarta 232B). b Welke subklimaten horen bij klimaatgrafiek A en B? Leg je antwoord uit.
Overzicht klimaten op de wereld en hun kenmerken. Over welk hoofdklimaat gaat de bron?
Van welk subklimaat zie je de klimaatgrafiek? A
B
Welke oorspronkelijke plantengroei komt er voor? (atlaskaart 246)
Welke natuurlijke plantengroei zie je op de foto
22
1
Weer en klimaat
c Gebruik de atlaskaart De aarde - Klimaatgebieden/ Zeestromen (244) (Alcarta 222B). Kleur in W20 de klimaatgebieden die passen bij bron 1. d Met welke klimaatfactoren kun je verklaren waarom deze klimaten juist daar op aarde voorkomen? Leg je antwoord uit.
3
Gebruik bron 2 en 6.
a Vul W19 in voor bron 2. Gebruik daarbij de atlaskaart De aarde - Oorspronkelijke plantengroei (246) (Alcarta 222B). W20
Het weer en het klimaat
b Welke subklimaten horen bij klimaatgrafiek A en B? Leg je antwoord uit.
c Gebruik de atlaskaart De aarde - Klimaatgebieden/ Zeestromen (244) (Alcarta 222B). Kleur in W20 de klimaatgebieden die passen bij bron 2.
Klimaatgebieden en zeestromen.
Moskou
Amsterdam NOORD-AMERIKA
EUROPA
New York
Madrid AZIË
Los Angeles
Atl an
Mexico
Cairo
tis c
Grote Oceaan
Hongkong
he
AFRIKA
ce O
n aa
Lagos
evenaar
Indische Oceaan
ZUID-AMERIKA
Jakarta
Grote Oceaan
Rio de Janeiro Santiago A
ce eO sch i t n tla
AUSTRALIË
aan Kaapstad
Sydney
0
ANTARCTICA A Tropische regenklimaten tropisch regenwoudklimaat savanneklimaat B Droge klimaten
C Zeeklimaten gematigd zeeklimaat Middellandse Zeeklimaat D Landklimaten
E Poolklimaten sneeuw- en hooggebergteklimaat toendraklimaat zeestroom
steppeklimaat
landklimaat met neerslag in alle jaargetijden
koud
woestijnklimaat
landklimaat met droge winter
warm
2.000
4.000 km
1.6
d Met welke klimaatfactoren kun je verklaren waarom deze klimaten juist daar op aarde voorkomen? Leg je antwoord uit.
4
Bronnen: Klimaten in de wereld
5
23
Gebruik bron 4 en 6.
a Vul W19 in voor bron 4. Gebruik daarbij de atlaskaart De aarde - Oorspronkelijke plantengroei (246) (Alcarta 232B). b Welke subklimaten horen bij klimaatgrafiek A en B? Leg je antwoord uit.
Gebruik bron 3 en 6.
a Vul W19 in voor bron 3. Gebruik daarbij de atlaskaart De aarde - Oorspronkelijke plantengroei (246) (Alcarta 232B). b Welke subklimaten horen bij klimaatgrafiek A en B? Leg je antwoord uit.
c Gebruik de atlaskaart De aarde - Klimaatgebieden/ Zeestromen (244) (Alcarta 222B). Kleur in W20 de klimaatgebieden die passen bij bron 4. d Met welke klimaatfactoren kun je verklaren waarom deze klimaten juist daar op aarde voorkomen? Leg je antwoord uit. c Gebruik de atlaskaart De aarde - Klimaatgebieden/ Zeestromen (244) (Alcarta 222B). Kleur in W20 de klimaatgebieden die passen bij bron 3. d Met welke klimaatfactoren kun je verklaren waarom deze klimaten juist daar op aarde voorkomen? Leg je antwoord uit.
24
Weer en klimaat
6
1
Het weer en het klimaat
Herhaling
Gebruik bron 5 en 6.
a Vul W19 in voor bron 5. Gebruik daarbij de atlaskaart De aarde - Oorspronkelijke plantengroei (246) (Alcarta 232B). b Welke subklimaten horen bij klimaatgrafiek A en B? Leg je antwoord uit.
7 -
Vragen doorschuiven.
Vorm een groepje van drie of vier leerlingen. Iedereen schrijft een onderwerp of begrip uit deze paragraaf op. Schuif je blaadje met de klok mee door naar degene naast je. Iedereen bedenkt bij het onderwerp of begrip op het blaadje een vraag en schrijft die eronder. Schuif de blaadjes weer door. Iedereen schrijft een antwoord op de vraag op het blaadje. Bespreek samen of de onderwerpen/begrippen goed gekozen zijn, wat je van de vragen vindt en of de antwoorden kloppen.
Wat moet je kennen en kunnen?
c Gebruik de atlaskaart De aarde - Klimaatgebieden/ Zeestromen (244) (Alcarta 222B). Kleur in W20 de klimaatgebieden die passen bij bron 5. d Met welke klimaatfactoren kun je verklaren waarom deze klimaten juist daar op aarde voorkomen? Leg je antwoord uit.
• Je kunt antwoord geven op de deelvraag. • Je kent de volgende begrippen: droog klimaat, gematigd landklimaat, gematigd zeeklimaat, hooggebergteklimaat, landklimaat, landklimaat met een droge winter, mediterraan klimaat, Middellandse Zeeklimaat, poolklimaat, savanneklimaat, sneeuw- en ijsklimaat, steppeklimaat, toendraklimaat, tropisch regenklimaat, tropisch regenwoudklimaat, woestijnklimaat, zeeklimaat. ( Op p. 46 in je leerboek vind je de definities.) • Je kunt de leerdoelen behalen die je vindt in het overzicht bij de Finish. • Je hebt in deze paragraaf geen vaardigheden geoefend.
1
25
Finish
Finish Hoofdvraag
Hoe werken het weer en het klimaat?
Slotopdracht In dit hoofdstuk heb je gewerkt aan de opbouw van kennis over weer en klimaat. Je hebt nieuwe begrippen geleerd, verbanden tussen die begrippen gelegd en met voorbeelden geoefend. Ook heb je elke paragraaf kunnen oefenen met een andere manier om te leren, zoals het spelen met taboewoorden. Voor het krijgen van overzicht over een heel hoofdstuk is het maken van een woordweb handig. Daarom ga je dat nu nog een keer doen. Zet de hoofdvraag Hoe werken het weer en het klimaat? in het midden van een A3-vel. Je maakt eerst een versie op kladpapier. Daarna maak je het woordweb nog een keer in het net. Werk gerust samen met een klasgenoot!
Leerdoelenoverzicht 1.1
Deelvraag: Wat is de samenhang tussen het weer en het klimaat? Je kent vijf belangrijke weerelementen en herkent deze in een weerbericht of op een weerkaart. Je kunt beschrijven hoe meteorologen een weersverwachting maken. Je kunt uitleggen wat de gevolgen zijn van te veel uv-straling op je huid. Je kunt uitleggen waarom in een weersverwachting vaak ook de zonkracht (uv-index) wordt genoemd. Je kunt het verband uitleggen tussen de bewolkingsgraad en de zonkracht (uv-index). Je kunt overeenkomsten en verschillen noemen tussen weer en klimaat. Je kunt een klimaatgrafiek aflezen. Je kunt het verband uitleggen tussen de gemiddelde temperatuur in de warmste en koudste maand, de gemiddelde hoeveelheid neerslag in een jaar en de planten en dieren die voorkomen in een gebied. Je kunt vijf klimaatfactoren noemen en beschrijven. Je kunt van elke klimaatfactor uitleggen hoe deze de gemiddelde temperatuur en neerslag in een gebied beïnvloedt. Je kunt uitleggen hoe de gesteldheid van het aardoppervlak, de afstand tot zee en de aanvoer van warmte, koude of vochtigheid van elders door wereldwijde wind- en oceaanstromen met elkaar samenhangen. Je kunt aan de hand van een kaart of een voorbeeld benoemen welke klimaatfactoren in een gebied een rol spelen.
Tips - Probeer eerst het woordweb van het hele hoofdstuk uit je hoofd te maken. - Als je voor je gevoel niets meer weet op te schrijven, pak je de begrippenlijst erbij en kijk je welke begrippen nog niet in je woordweb staan. Voeg die eraan toe op een logische plaats. - Probeer zo veel mogelijk verbanden te leggen tussen de begrippen. - Pak dan het Leerdoelenoverzicht erbij. Kijk met behulp van je woordweb of je aan de leerdoelen voldoet. Voor de leerdoelen waarbij dat niet zo is, kun je dat deel van het hoofdstuk nog eens opnieuw bestuderen. - Werk samen met klasgenoten! Wissel jullie woordwebben uit. Zie je verschillen en overeenkomsten? Begrijpen jullie elkaars woordweb? - Bewaar je woordweb van het hele hoofdstuk. Je kunt dit gebruiken als je voor het centraal examen over dit onderwerp gaat leren. 1.2
Deelvraag: Hoe hebben breedteligging, hoogteligging en ligging aan zee invloed op de gemiddelde temperatuur? Je kunt beschrijven hoe meteorologen de temperatuur meten en weergeven op een kaart. Je kunt uitleggen hoe de atmosfeer indirect door de zon, en direct door het aardoppervlak, van onderaf wordt verwarmd.
26
Weer en klimaat
Je kunt uitleggen waarom het in de atmosfeer kouder wordt als de hoogte toeneemt. Je kunt met behulp van de zoninvalshoek en de afstand die zonnestralen door de atmosfeer afleggen, uitleggen waarom de gemiddelde temperatuur rond de evenaar (op lage breedte) hoger is dan op hogere breedte. Je kunt uitleggen hoe de zoninvalshoek op elke breedtegraad tijdens een jaar verandert door de schuine stand van de aardas ten opzichte van de aardbaan om de zon. Je kunt uitleggen hoe door die steeds wisselende zoninvalshoek seizoenen ontstaan. Je kunt verklaren waarom je in het gebied tussen de keerkringen nauwelijks iets merkt van seizoenen. Je kunt uitleggen hoe de hoogteligging invloed heeft op de gemiddelde temperatuur van een gebied. Je kunt uitleggen hoe de nabijheid van zee invloed kan hebben op de gemiddelde temperatuur in een gebied en welke rol warme en koude zeestromen hierin kunnen spelen. 1.3
1
Het weer en het klimaat
1.4
Je kunt verklaren waarom waterdamp condenseert in lucht die afkoelt. Hierbij gebruik je de begrippen luchtvochtigheid en verzadiging. Je kunt uitleggen waaruit wolken bestaan. Je kunt uitleggen waarom op plaatsen waar (warme) lucht opstijgt, neerslag kan ontstaan. Je kunt uitleggen waarom uit sommige wolken geen neerslag valt en je gebruikt hierbij de begrippen luchtvochtigheid en grootte van de waterdruppels. Je kunt uitleggen waarom op plaatsen waar (koude) lucht in de atmosfeer daalt, geen neerslag zal ontstaan. Je kunt drie soorten neerslag herkennen in een afbeelding en uitleggen hoe deze soorten neerslag ontstaan. Je kunt het verband uitleggen tussen de verschillende soorten neerslag en lagedrukgebieden aan het aardoppervlak. Je kunt uitleggen waarom warme lucht over koude lucht omhoog beweegt als warme en koude lucht botsen en dit in een tekening herkennen. Je kunt de waterkringloop in een afbeelding herkennen en je kunt hem zelf tekenen. Je kunt daarbij de verschillende onderdelen van de waterkringloop benoemen. Je kunt beschrijven hoe de waterkringloop werkt en wat de verbanden zijn tussen de verschillende onderdelen.
Deelvraag: Wat is het verband tussen temperatuurverschillen van lucht, luchtdruk en wind aan het aardoppervlak? Je kunt op een weerkaart gebieden met hoge en lage luchtdruk aangeven, ten opzichte van de gemiddelde wereldwijde luchtdruk. Je kunt uitleggen hoe aan het aardoppervlak verschillen in luchtdruk ontstaan door verschillen in luchttemperatuur en hoe hierdoor wind gaat waaien. Je kunt de luchtcirculatie op de evenaar tekenen, beschrijven en uitleggen. Je kunt op een weerkaart aan de hand van de isobaren aangeven waar de wind het hardst waait. Je kunt de schaal van Beaufort in een weerbericht herkennen en zelf toepassen. Je kunt het verband uitleggen tussen windsnelheid en windkracht. Je kunt de windroos uitleggen en toepassen. Je kunt in een afbeelding zeewind / aanlandige wind en landwind / aflandige wind herkennen. Je kunt uitleggen hoe land- en zeewind elkaar in kustgebieden op kleine schaal kunnen afwisselen door de temperatuurverschillen tussen dag en nacht. Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen vochtige lucht en droge lucht. Je kunt uitleggen hoe de maximale luchtvochtigheid afhankelijk is van de temperatuur van de lucht.
Deelvraag: Hoe ontstaat neerslag?
1.5
Deelvraag: Hoe hangen de gemiddelde temperatuur, luchtdruk, wind en neerslag samen op mondiale schaal en welke patronen kun je hierin zien? Je kunt het verband uitleggen tussen de hoeveelheid zonne-instraling op verschillende breedtegraden en het ontstaan van hoge- en lageluchtdrukgebieden op wereldschaal. Je kunt verklaren waarom in de tropen rond de evenaar een lage luchtdruk heerst aan het aardoppervlak en waarom hier gemiddeld veel stijgingsneerslag valt. Je kunt verklaren waarom in het gebied rond de polen altijd een hoge druk heerst aan het aardoppervlak. Je kunt verklaren waarom er rond de 30° N.B. en Z.B. een hoge luchtdruk aan het aardoppervlak ontstaat en waarom hier gemiddeld weinig neerslag valt.
1
Je kunt verklaren waarom rond de 50 tot 60° N.B. en Z.B. koude lucht vanaf de polen en warme lucht vanaf 30° N.B. en Z.B. elkaar ontmoeten, waardoor een gebied met lage luchtdruk ontstaat aan het aardoppervlak. Je kunt verklaren waarom hier gemiddeld het hele jaar frontale neerslag valt. Je kunt de wet van Buys Ballot beschrijven en deze op een gegeven voorbeeld toepassen. Je kunt de mondiale luchtcirculatie in een afbeelding herkennen en de elementen van deze circulatie benoemen. Je kunt de mondiale luchtcirculatie zelf tekenen en de elementen van deze circulatie benoemen. 1.6
Deelvraag: Welke klimaten en vegetatiezones komen waar voor op aarde en waarom daar? Je kunt de kenmerken geven van de hoofd- en subklimaten. Je kunt aan de hand van de vijf klimaatfactoren verklaren waarom een gebied een bepaald klimaat heeft. Je kunt aan de hand van een klimaatgrafiek het klimaat van een gebied benoemen. Je kunt het voorkomen van de klimaatzones en vegetatiezones op aarde verklaren aan de hand van de vijf klimaatfactoren.
Finish
27
28
Weer en klimaat
1
Het weer en het klimaat
Examentraining Voor elk vraagnummer staat hoeveel punten je krijgt voor een goed antwoord. 2p
1p
2p
1 Gebruik de atlaskaarten Europa - Klimaat, Neerslag (78A) en Europa - Natuurkundig (70) (Alcarta 74A en 79D). In Noorwegen valt in het zuidwestelijke kustgebied veel meer neerslag dan in het binnenland bij de grens met Zweden. Ò Welke twee klimaatfactoren verklaren deze jaarlijkse verdeling van neerslag in Noorwegen?
2 Gebruik de atlaskaarten Europa - Klimaat, Neerslag (78A) en Europa - Natuurkundig (70) (Alcarta 74A en 79D). In Noorwegen valt in het zuidwestelijke kustgebied veel meer neerslag dan in het binnenland bij de grens met Zweden. Ò Hoe noem je de soort neerslag die valt in het zuidwestelijke kustgebied?
3 Bekijk bron 1. Ò Welke lijn hoort bij de evenaar en welke lijn hoort bij de Noordpool?
4 Bekijk bron 2. Ò Welke klimaten horen bij grafiek A en C?
2p
A: C: 1p
5 Bekijk bron 2. Ò Welke klimaatfactor bepaalt het klimaat in het gebied van grafiek B?
1p
6 Bekijk bron 2. Ò Welke twee klimaatfactoren bepalen het klimaat in het gebied van grafiek D?
BRON 2
50
600
Totale hoeveelheid zonnestraling per breedtegraad op het noordelijk halfrond.
energie zonnestraling
1 400 2
200 3 100 0
4 j
f
m
a
temperatuur in °C
50 300
neerslag in mm
B
temperatuur in °C
40
40 250
30
30
30
200
20
150
10
100
0
20
20
10
10
50
0
0
0
j f m a m j j a s o n d maand C neerslag temperatuur in °C in mm
40
100
80
20
80
60
0
60
40
–20
40
20
–40
20
0
–60
0
–10 j f m a m j j a s o n d maand D neerslag temperatuur in °C in mm
–20
40 20 0 –20 –40
500
300
A
40
100
BRON 1
neerslag in mm
Klimaatgrafieken.
m
j
j
a
s
o
n
d maand
j f m a m j j a s o n d maand
j f m a m j j a s o n d maand
1
2p
7 Bekijk bron 3. Ò Verklaar het ontstaan van grote hoeveelheden wolken en neerslag bij de evenaar.
2p
8 Bekijk bron 3. Ò Verklaar het ontstaan van de neerslag rond 55° N.B.
2p
9 Bekijk bron 3. Bij 1, 2, 3 en 4 in bron 3 komen gebieden met hoge en lage luchtdruk voor. Ò Schrijf de cijfers 2 en 3 uit bron 3 onder elkaar en zet erachter of hier een hoge (H) of lage (L) luchtdruk heerst.
BRON 3
Mondiaal circulatie- en neerslagpatroon.
t on
fr
4 Noordpool
3
2
60° N.B.
30° N.B.
1 evenaar
Examentraining
Aantekeningen
29
SE Arm en rijk Bronnen van energie Grenzen en identiteit
CE Weer en klimaat Bevolking en ruimte Water
www.thiememeulenhoff.nl/degeo 9 789006 488579