Geurt woonde met zijn moeder in een vierkamerflat uit de jaren zeventig in Beverwijk. Zijn vader was achttien jaar geleden overleden aan darmkanker. Geurt had naar aanleiding van zijn vaders dood alle beschikbare gezondheidsstatistieken bestudeerd en berekend dat de kans om aan darmkanker te overlijden door de aanwezigheid van de Hoogovens niet significant groter was dan elders. Althans, er waren te veel andere, niet te kwantificeren factoren, die een rol hadden kunnen spelen. Maar het viel ook niet uit te sluiten dat de staalfabriek wel de boosdoener was. Geurt was nogal van slag geweest van zoveel onzekerheid. Dat werd er niet beter op toen, kort na het overlijden van zijn vader, zijn moeder klachten kreeg: duizeligheid, aanhoudende vermoeidheid en spierpijn. Ze had het maandenlang weggewuifd. ‘Gaat vanzelf wel weer over.’ Tot ze binnen een week twee keer zonder aanleiding viel. Ze was eindelijk naar de huisdokter gegaan. Die kon niets vinden en stuurde haar door naar een internist, die haar na verschillende onderzoeken doorstuurde naar een neuroloog, die na weer andere onderzoeken met de onheilstijding kwam: ‘Mevrouw Putmans, u hebt multiple sclerose.’ Hij had haar uitgelegd dat MS een zeer onvoorspelbare ziekte is, zowel qua symptomen als qua snelheid waarmee de ziekte zich ontwikkelt. ‘Nou, dan gaan we er voor het gemak maar van uit dat ik er oud en gelukkig mee word,’ had mevrouw Putmans geantwoord. De neuroloog had verbaasd opgekeken. Zulke opgewekte en optimistische patiënten kwam hij niet vaak tegen. Geurt daarentegen was totaal van de kaart geweest. Hoe moest dat nou verder? Met zijn moeder en met hem? Er zat één positieve kant aan de ziekte van zijn moeder: de al jaren durende aansporingen om toch eindelijk eens op zichzelf te gaan wonen verstomden. Hij moest immers voor zijn moeder gaan zorgen. Dat verzachtte de pijn. Het idee dat zijn moeder ziek was en dat ze niet wisten hoe die ziekte zich zou ontwikkelen, was zwaar geweest voor Geurt. Maar na een aantal moeilijke beginmaanden leerde hij, stapje voor stapje, leven met het idee en ontstond er langzaam maar zeker weer een rustgevende regelmaat. Zij kookte en deed het huishouden. Hij zette de vuilnisbak buiten, regelde de financiën en deed de boodschappen. Twee keer in de week kreeg Geurt van zijn moeder een boodschappenlijstje en toog hij naar de Albert Heijn. Het moest een heel precies lijstje zijn, met het merk van alle artikelen, de grootte van de verpakking en hoeveel stuks hij van iets moest meenemen. Hij ging altijd naar dezelfde winkel en wist feilloos waar alles stond. Was iets er niet, dan brak het zweet hem uit en moest hij bellen voor spoedoverleg. Naarmate zijn moeder langzaam maar onvermijdelijk steeds verder achteruitging, nam haar zoon meer en meer haar huishoudelijke taken over. Toen ze na enkele jaren in een rolstoel belandde deed ze nog slechts zittende klusjes en kookte ze vanuit haar rolstoel. Geurt kon niet koken. Hij werd erg onzeker van het feit dat hij niet goed kon berekenen hoe hij de verschillende onderdelen van een maaltijd precies tegelijk op de borden kon krijgen, zonder dat iets niet gaar of juist aangebrand was.