De foto van de begrafenis: ik zie mijzelf daar staan, kan er lang naar kijken, als naar een vreemde. Ben ik dat? Ben ik er wel bij? Vóór mij staat de kist, daarin mijn overleden man, naast mij staan onze zonen, zijn dochters en kleindochter dichtbij. Ik voel weer de steunende hand op mijn schouder van mijn zusje achter me. Ik zie hoe na de toespraken van vrienden en de kinderen, na de muziek die vooral geen klassieke muziek moest zijn, de kist wordt opgetild door zonen en neven en zich een lange stoet in beweging zet. Het is begin maart, koud en helder, net als bij de begrafenis van mijn moeder die op een dag na een jaar eerder overleed. De ervaringen vallen over elkaar heen: hetzelfde licht, dezelfde begrafenisondernemer, dezelfde familie om me heen. Maar nu is het mijn man, en loop ik gestut door mijn schoondochters voor aan de stoet. Ik voel hun armen om me heen en voel me beschut in de kilte van de dood. Ik zie vrienden, bekenden, halfbekenden, vroegere collega’s, schimmen uit een soms ver verleden. Alles staat helder op mijn netvlies. Hoe de mensen aangeslagen in de zaal zitten: de liefde en waardering voor hem is voelbaar. Hoe in de tussenruimte waar familie en intieme vrienden elkaar van tevoren treffen een goede vriendin van ons me bijna smekend vroeg of het einde niet toch goed was geweest. Nee, had ik gezegd, en vraag me dat nu alsjeblieft niet want anders ga ik huilen. Huilen deed ik toch, bij de toespraken van de vier kinderen, aangedaan door hun oprechtheid, hun verlangen naar hun moeilijk bereikbare vader, ieder op een eigen manier, met eigen pijn en verdriet, allen liefdevol. Wil jij niet ook iets zeggen, was me gevraagd. Ik kon het niet. Ik liet dit aan de kinderen en vrienden over. Het enige wat ik had kunnen zeggen was: je hebt het ons heel moeilijk gemaakt, maar we hielden toch van je. ‘Dat kan niet,’ zei de vriendin die de bijeenkomst leidde, ‘dan kun je maar beter niets zeggen.’ De woorden komen nu pas, nu een jaar verstreken is. Ik kijk weer naar de foto. ‘Je zag eruit als een oudere Franse actrice,’ had mijn oudste zusje naderhand tegen me gezegd, rechtstreeks als ze altijd is. ‘Je stond daar als een personage in een Griekse tragedie,’ mailde een vriendin me. ‘Aangetast, aangedaan, met een blik die verder ging dan het moment.’ Ik denk dat dat klopt: ik was erbij, en er niet bij. Ik denk dat het opging voor de lange periode die hieraan voorafging. Wie was hij? Met wie had ik geleefd? En ook: waar was ik gebleven, wie was ik? Waar was ik in verzeild geraakt? Na de begrafenis gingen we naar ons huis, mijn huis nu. Ik had een kleine ontvangst georganiseerd, of eigenlijk had mijn nichtje dat gedaan. In de week ervoor, tussen overlijden en begraven, hadden we veel in de kamer gezeten, bij de kist, soms met de