Odulphus Mare
Jaargang 2021 | nr. 1


Stichting Odulphus is ontstaan door de 1 aprilgrap van 1987
![]()
Jaargang 2021 | nr. 1


Stichting Odulphus is ontstaan door de 1 aprilgrap van 1987
Stichting Odulphus, een wat raadselachtige naam voor een stichting die zich in alle breedte met Urker geschiedenis, cultuur, traditie en humor van Urk en de Urkers bezighoudt. Wie heeft er van gehoord? Niet veel mensen. Dat kan wel kloppen, want Stichting Odulphus komt niet zo vaak in beeld op Urk. Ze was meestal anoniem actief. Hoe ze ontstaan is? Het is het verhaal over een 1 aprilgrap in 1987. Soms moet je uit de anonimiteit treden als je iets wilt vertellen. Verhalen en geschiedenis kunnen de aanleiding zijn om actie te ondernemen. Dat zie je bij de grap en bij Stichting Odulphus.
Door Jelle van Slooten

Inleiding
Op 1 april 1987 wordt rond het middaguur, aan de rand van het voormalige eiland Urk, een steen gevonden met een gewicht van 360 kilo. De steen oogt als een soort herdenkingsteen uit het jaar 1000. De tekst is in het Latijn. Het opschrift slaat in als een bom: âOdulphusâ.
Vindplaats is gemeentegrond, tussen de palenrij â de zeewering van het oude eiland â en de uitgegraven fundering voor het nieuw te bouwen gebouw van de krant âHet Urkelandâ. Vlak naast de plastic gietstukken, waar de betonnen fundering in gegoten moet worden, steekt een stuk steen uit de afgegraven grond. De fotograaf van de plaatselijke krant heeft, op verzoek van de twee makers van de steen, de bouwvakkers gewezen op een uitstekend stuk steen. Eerder die dag hebben de bedenkers en makers van de steen wanhopig gezocht naar een manier om de door hen in de nacht gedropte steen âgevondenâ te krijgen. Hun lang voorbereidde grap moet vandaag zorgen voor een bericht op het bekende âhalf zes journaalâ.
âMoetâ, want de belangen zijn groot voor hen. Het begint allemaal driekwart jaar daarvoor, in de zomer.
In de zomer van 1986 zijn de twee Urkers op een zomerkamp met een stel jongeren.
In de avonduurtjes zitten ze met een aantal vrijwilligers wat na te praten over de dag. Hoe het precies komt is niet meer bekend, maar het gesprek gaat ineens over de geschiedenis van Urk en dat er betrekkelijk weinig aandacht besteed wordt aan de tijd rond het jaar 1000. Samenvattend wordt de vraag gesteld âhoe daar aandacht voor te krijgenâ? Het brainstormen is begonnen.
De twee gaan na het zomerkamp verder met het onderwerp en ergens ontstaat het idee om een 1 aprilgrap te bedenken die de aandacht op die onderbelichte periode uit de Urker geschiedenis zal vestigen.
Zogezegd, zo gedaan.
Het idee
Het idee wordt geboren om een steen te maken die doet denken aan de periode rond het jaar 1000. De oudste historische papieren over Urk stammen nl. uit het jaar 967. Terwijl de een aan de slag gaat met het maken van een gedicht voor op de steen, doet de ander onderzoek naar een herdenkingssteen uit die tijd. Een geoloog van het museum Schokland adviseert: âneem Portlandcement en meng dit 1 op 1, bewerk het oppervlak vervolgens met zoutzuur, dan blijft er zandsteen over.â Er komt een mal om de steen in te gieten. De tekst werd onder in de steen in spiegelbeeld aangebracht met siliconekit,

Sint Odulphus ook wel Sint Odolf genoemd
Odulphus is geboren op 12 juni. Hij was een voornaam boerenzoon uit Oirschot in Brabant. Hij stond hij bekend als de trouwste dienaar van de bisschop van Utrecht. Toen de ketterij ook in het noorden van het land zich manifesteerde werd hij gezonden om dat uit te zoeken. Hij kwam met het voorstel om een klooster in Stavoren te stichten. Hier werd hij de eerste abt van. Kerken en kapellen moesten nu rechtstreeks aan het klooster contribueren. Ook Urk (de kapel te Espele en te Algotendorp ) Hij zal Urk dus zeker bezocht hebben. Hij werd oen zeer hoogaanzitend persoon. Zijn geboortedag werd een Heiligendag. Na zijn dood werd zijn schedel verzilverd en gebruikt als drinknap. Deze werd eens per jaar ten toon gesteld. Het kruisbeeldje van hem werd er op 12 juni in gedompeld, waarna men er uit mocht drinken. De toren te Barneveld werd aan hem gewijd, zo ook de kerk te Oirschot.
gegoten in hoeklijn, gebogen in de scherpe vorm van Latijnse letters. Een van de twee is beginnend student Theologie en vertaalt het gedicht in het Latijn. Op advies van zijn docent worden kleine wijzigingen aangebracht om het Latijn goed te laten aansluiten bij het jaar 1000.
Wat gaat er gebeuren wanneer zoân steen gevonden wordt en hoe vestig je de aandacht zodat het resultaat wordt bereikt? Allereerst wordt een brief geschreven die, uitgetypt op briefpapier van de Universiteit van Keulen, gericht is aan het Gemeentehuis van Urk. Daar wordt de vraag neergelegd
om meer informatie over de pachtgelden die betaald moesten worden aan het Klooster van Keulen, waar Urk eigendom van was. De pachtgelden werden geint door de toenmalige abt van het klooster van Stavoren, Odulphus.
St. Odulphus
Odulphus, ook wel Odolph, Odulf, Odulp was een Frankisch geestelijke van de rooms-katholieke kerk die begin 9e eeuw als missionaris werkzaam was in Friesland, standplaats Stavoren. Als âApostel der Friezenâ werd hij heilig verklaard. Odulphusâ feitelijke geboorteplaats en geboortejaar zijn niet bekend, hij stierf te Utrecht, na 854. Zijn (kerkelijke) naamdag is 12 juni.
In Stavoren stichtte Odulp-
âNu was in deze tijd Otto de eerste aan de macht. Hij had de paus afgezet en zelf een andere benoemd. Na een korte tijd werd hij gekroond tot Keizer. Hij was dus bij de roomsen niet zo geliefd.
Deze keizer Otto de eerste had een broeder genaamd Bruno. Deze Bruno was aartsbisschop van Keulen tussen 954-965 en had in deze stad het Sint - Panthaleonsklooster gesticht.
Dit klooster gaf de keizer de gelegenheid de geestelijkheid tot vrienden te maken en tevens om een goed werk te doen.
Hij gaf in 966 de helft van Urk aan dit nieuwe klooster. Urk was dus schatting p1ichtig aan dit klooster.
Nu stond er op Urk een âhofâ waarin de vertegenwoordiger van het klooster âde advocaatâ woonde. Hij inde de tienden.
Eens per jaar kwam de rentmeester of de cameraer van het klooster op 12 juni in Stavoren (om het feest van Sint Odulphus te vieren) hij nam 7 paar schoenen mee voor Urk en deelde deze uit naar eigen inzicht.
Hij werd verzorgt en geherbergd en begeleid weer terug om verslag uit te brengen.
Door grote afstand tussen het klooster en Urk, kwam de rentmeester vaak te laat of helemaal niet. Dit prikkelde de advocaten niet om te zorgen dat de schattingen betaald werden. Al met al het hof op Urk raakte geheel in verval. Mede oorzaak hierbij was de wantoestand binnen het klooster in Keulen zelf. Dit werd zo erg, dat in 1067 de aartsbisschop de monniken verjoeg en een nieuwe kloosterorde invoerde.
Toen Herman abt van het Sint Pantaleonsklooster was heeft hij een verdrag gesloten met de advocaat Adelardus op Urk. Bij de ondertekening hiervan waren vele getuigen aanwezig nl. 31 o.a. 4 âlekenâ van Urk en personen van het klooster zelf. In het tegenwoordig archief van de stad Keulen wordt nog een stuk bewaard, dat van een en ander melding maakt. Het is een afschrift, in de 15e eeuw gemaakt, van een in Latijn gestelde oorkonde, die een verdrag inhoudt tussen abt Herman en de advocaat Adelhardus op Urk.â H. Benno, Rheinische Urbare deel 1, Publikationen de Gesellschaft fur Reinische Geschigtkunde.
hus een kanunnikenkapittel waaruit later een Benedictijner klooster voortkwam dat naar hem werd vernoemd (Sint-Odulphusabdij) en dat nog tot in de 15e eeuw bestaan heeft.
De Duitse brief wordt verzonden vanuit Keulen. In de envelop zit een bankbiljet van 25,- DM. Het verzoek om een oproep in de plaatselijke krant te plaatsen om info is nooit gehonoreerd. En de 25,- DM? Zeker in de ambtelijke molen terechtgekomen.
Geschminkte steen
Inmiddels is het gedicht en de mal voor de steen klaar. Alle facetten en de tekst met daarboven een bloemtekening zijn aangebracht. Op een avond daarna wordt, in de schuur van een van de vroegere arbeiderswoningen in de buurt van Urk, Portlandcement vermengd met zand, met een totaalgewicht van 360 kg, in de mal gegoten. In de sokkel van de steen plaatst men een klein filmrolkokertje met daarin een snoepje voor de vinder en een briefje met daarop de beide postcodes van de makers. Met klemmen en banden moet de mal bij elkaar gehouden. Het drogen kan beginnen. Dagen later, komt op een avond de directeur van het Museum Schokland zelf langs om de steen âoudâ te laten lijken. Hij gaat met moker en zoutzuur los op de steen. Tot slot wordt de steen nog âge-










schminktâ met zand en schelpen.
Het is bijna 1 april. Tijdens het hele voorbereidingsproces rest er één vraag: de vindplaats. Waar zou de steen gevonden moeten worden? Hoe krijg je daar dan de juiste mensen bij? Wat gebeurt er na de vondst? Wie gaat het opschrift vertalen? En wat daarna? Alle vragen en nog veel meer, passeren de revue. Toevallig wordt er aan de rand van het voormalige eiland gewerkt aan de fundering van een nieuw gebouw voor het plaatselijke weekblad âHet Urkerlandâ. Daarnaast zijn huizen in aanbouw. Die kunnen dienen als mogelijke observatieplek. Ideaal!
In de nacht van 31 maart 1989 binden de twee makers de steen, op het onderstel van een rechtop gezet aanhangwagentje. Met de ingepakte steen achter de auto zet men in de donkere nacht koers naar Urk.
Bij het terrein van de bouwplaats aangekomen wordt de aanhanger met de steen naar de vindplaats gereden. Daar wordt eerst, vlak bij de rand van de nieuwe fundering, een gat gegraven. Op de bodem van het gat treft men schelpenzand aan, resten van de zandstrook rond de voormalige zeewering. Alsof ze weer even aan de rand van het oude eiland aan het graven zijn. De twee mannen ervaren even een
warme gloed. De liefde voor geschiedenis en Urk is even tastbaar. Het zand scheppen ze op een stuk zeildoek, om de sporen daarna zoveel mogelijk te wissen. De steen wordt losgemaakt en in de kuil gegooid, maar dat gaat helemaal verkeerd. Om hem gedeeltelijk uit te laten steken en zo zichtbaar te laten worden bij de nieuwe fundering, moes de steen worden verschoven. Plank eronder, touwen eromheen, optillen, trekken. De adrenaline krijgt vrij spel. Af en toe stoppen ze met graven, luisteren en kijken ze rond of ze iets horen of zien. Het blijft gelukkig stil. Na hard werken ligt het gevaarte van 360 kg Portlandcement vermengd met zand uiteindelijk op zân plek. Als het afgedekt is met zand herinnert niets meer op de donkere bouwplaats aan het schouwspel van even daarvoor.
Gevonden
De volgende morgen vroeg, togen de mannen naar de aangrenzende nieuwbouwhuizen. In een van de in aanbouw zijnde badkamers wordt met behulp van een telelens de bouwplaats in ogenschouw genomen. Er gebeurt lange tijd niets. De bouwvakkers werken aan de voorbereidingen voor de fundering. Af en toe loopt een van de bouwvakkers rakelings langs de plek waarvan de mannen weten dat daar de steen een stukje
uitsteekt, maar dit wordt niet opgemerkt. En langzaamaan wordt het op Urk tijd voor âde kostâ. Op Urk eet men warm tussen de middag om 13:00 uur. Er is intussen een halve dag voorbij en de steen is nog niet gevonden. Reden om de plannen bij te stellen, maar hoe dan? Om even goed te kunnen brainstormen gaan de mannen eerste maar eens even in de auto over de haven âkuierenâ. âEigenlijk moeten we iemand hebben die zorgt dat de steen wordt gevondenâ, zegt de een. âWie kan het zo goed verkopen dat hij het zelf geloofd?â, zegt de ander. Ritske! De naam van de fotograaf van de krant valt. Op naar Ritske.
Ritske zit te eten met zijn vrouw. âWe gaan je niets vertellen, maar vandaag is het 1 april. Naast de nieuwe fundering, vlak naast een geel stuk plastic, ligt iets in de grond. Dat moet ze zo snel mogelijk gevonden worden. Ritske kijkt hen vol ongeloof aan. âMaar, hoe weet ik dat ik het juiste aanwijs?â Ritske probeerdt er niet onderuit te komen. Hij is al bezig een zorgvuldig plannetje te beramen. âIk kan langs gaan en zeggen dat ik de voortgang van de bouw fotografeer.â âHet is een punt van een steen die uitsteekt. Als je ze daarbij krijgt dan gaat het allemaal vanzelf. Het is te groot om te negerenâ, zeggen wij.
Ritkske gaat het doen. Wij weer naar het badkamer-


raam.
Niet lang daarna zien we Ritske in de verte rondlopen op de bouwplaats, met zân camera. Wij fotograferen hem. Je ziet hem stil staan, zich omdraaien naar de bouwvakkers, en wijzen. Daar komen de bouwvakkers in optocht aangesneld. Even later een van hen die naar de bouwkeet loopt. Weer later: âhĂ©, daar heb je Albertâ, het is de directeur van de krant.
Wij verlaten onopvallend, maar snel het nieuwbouwhuis. Gevonden!
Afwachten nu.
Nieuwe vleugel
Na de ontdekking van de

steen zit er niets anders op dan afwachten. Om half zes verschijnt er geen bericht op het journaal over een of andere vondst ergens in het land. Na de feestelijke maaltijd met mosselen en heerlijk wijn, is er nog geen enkel bericht. Zo verloopt ook de donderdag. Alhoewel? In âDe Noordoostpolderâ, krant in de gelijknamige polder, verschijnt een bericht over een bijzondere vondst. Op de foto prijkt de
door het weekblad âHet Urkerlandâ ingehuurde opzichter, zittend bij de steen die nog half in de grond begraven ligt. Ook de tweede Urker krant âStuurboordâ komt op donderdag uit met een eerste voorzichtige vermelding en een grote foto van de steen, opgeslagen in het depot van Gemeentewerken.
Precies zoals in de voorbereiding nagedacht werd over hoe de vertaling tot stand zou komen, wordt een van de Urker predikanten benaderd. De eerste predikant geeft de tekst echter snel weer terug. Volgens eigen zeggen is zijn Latijn âniet goed genoegâ om de tekst te kunnen vertalen. De tweede predikant is dr. Tukker. Dr. Tukker heeft geen moeite met de tekst en levert een juiste vertaling. Er is echter één probleem: de vertaling is dan wel juist, maar krijgt ineens een totaal andere wending. De vertaler interpreteert de tekst theologisch en natuurlijk

naar eigen theologische visie. Zo krijgt het â1 Aprilâ gedicht ineens een eschatologische betekenis. De âmenselijke zwakheidâ wordt het âhumanismeâ en âde bestemde dagâ wordt âde dag van de wederkomstâ. Een onverwachte en onbedoelde wending van wat bedoeld is als grap. Het laatste woord hierover was gelukkig nog niet gesproken.
Vrij snel daarna komen de eerste berichten binnen, het zijn geruchten. Zo gaat als eerste rond dat er een zeer oude steen gevonden is. De plaatselijke dorpshistoricus is lyrisch. De donderdag-editie van âHet Urkelandâ zwijgt echter in alle talen. Iets gemist?
Op vrijdag volgen de geruchten elkaar snel op. Het moet gaan om een zeer oude steen. In de nacht is de steen bewaakt door een gemeenteambtenaar. We stellen hem ons voor, zittend in een busje, bewapend met een thermoskan koffie. In dezelfde nacht schijnt er ook een deskundige van het Catharine Convent bij te zijn geweest. Naar wat hij ervan kon zeggen, terwijl de steen nog in de grond lag: âformaat en ontwerp, versiering, lettertype-, vorm en letterdiepte, zeker 1000 jaar oud!â⊠Daarna slaan ze allemaal op tilt. De dorps-historicus spreekt over een ânieuwe te bouwen vleugel voor het plaat-
selijke museumâ. In de loop van de vrijdag wordt de steen opgehaald door medewerkers van Gemeentewerken. Daar wordt hij opgeslagen in een afgesloten ruimte. Later blijkt dat men bang was dat de vondst afgestaan zou moeten worden aan âLeidenâ. Een vondst van deze omvang moet nl. binnen 24 uur worden gemeld. De directeur van âHet Urkerlandâ is bang voor een bouwstop en neemt contact op met B&W van de Gemeente Urk. Ook de media krijgt er lucht van. Zo bellen alle kranten en nieuwsmedia. âZeg maar dat het een 1 Aprilgrap isâ, moeten de receptionisten meedelen.

Tot 13:00 uur
Zo verloopt de vrijdag. De mannen bellen met elkaar en een van hen maakte zich grote zorgen over de gezondheid van de dorpshistoricus. Voor hem is de vondst groot. Hij begrijpt precies de historische waarde. De door ons ontdekte leemte in de aandacht voor de geschiedenis van Urk rond het jaar 1000 is een schot in de roos. Wij maken ons nu zorgen over zijn hart.
âWe moeten ingrijpenâ, zegt de een. âZo meteen krijgt hij een hartaanval.â
We besluiten niet langer af te wachten en over te gaan tot actie. Omdat de student in het weekend werkzaam is op het Museum van Schokland, besluiten ze daar op zaterdagmorgen naar de directeur van âHet Urkerlandâ te bellen om meer info te geven.
Die zaterdagmorgen zijn ze vroeg op het museum aanwezig. Alle fotoâs van het maken van de steen liggen uitgestald op tafel, er is een verse cake gekocht en de koffie loopt door.
De student belt naar Urk, naar de directeur van de krant. Hij doet zich â zonder Urker accent â voor als de directeur van het Museum van Schokland. âAlbert is in vergadering over de steenâ, kan de vrouw van de directeur melden. Dus, naar de redactie van âHet Urkerlandâ gebeld. âAlbert is momenteel in vergaderingâ zegt de secretaresse. âKunt u
mij doorverbinden?â, is zijn volgende vraag. Zo gebeurt. Albert pakt de telefoon op en de student doet zich opnieuw voor als de directeur van het Museum van Schokland en besluit zijn boodschap met: â⊠wilt u dus meer informatie over de steen dan kunt u tot 13:00 uur terecht op het Museum Schokland.â
Albert vraagt op welk telefoonnummer hij terug kan bellen. De student, gewend om het meerdere malen te noemen, repeteert zonder enige aarzeling het gevraagde nummer. Albert legt de telefoon neer en kijkt naar de aanwezigen in de vergadering. Rond de tafel zit een mooi gezelschap: een ambtenaar van Gemeentewerken, de dorpshistoricus met zijn collega, een ambtenaar van de Gemeente en een student Theologie die een baantje als journalist bij de krant heeft. Afwachtend kijken ze hem aan. Albert kijkt op zijn beurt het gezelschap rond en vraagt: âwie kent de directeur van het Museum Schokland?â De collega van de dorpshistoricus steekt zijn hand op: âIk ken hem wel, we werken al jaren samen.â âMooiâ, zegt Albert, en vertelt wat hij zojuist gehoord heeft tijden het telefoongesprek. âWeet je wat we doen? Ik bel hem zo meteen terug en we zetten de telefoon op de speaker. Dan luister jij of hij het echt isâ Zogezegd zo gedaan. Op het Museum Schokland gaat de telefoon
over, de student wacht even en pakte hem daarna op zoals hij dat altijd doet. âGoedemorgenâ, hij noemt het Museum en de naam van de directeur, met een aansluitend â⊠spreekt uâ
In het kantoor van âHet Urkerlandâ volgt de vergadering via de speaker het gesprek. Niemand kijkt vreemd op, behalve de student aan tafel. Hij herkent direct de stem van de âdirecteurâ en kan nog maar net zijn binnenpret onderdrukken. Hij weet wie het is, maar denkt bij zichzelf: âik houd mân mond!â âEn? Vraagt Albert aan de collega van de dorpshistoricus, âherkende je hem?â âJazeker!â Antwoord hij: âDat is de directeur van Schoklandâ Alle reden om het verhaal serieus te nemen.
Intussen zitten de twee bedenkers en makers van deze al vier dagen durende 1 Aprilgrap in afwachting op het kantoor van Museum Schokland. De klok tikt door richting 13:00 uur. Op Urk zal men langzamerhand aan âde kostâ gaan. De twee mannen kijken op de klok. Misschien moest het hier maar eindigen. Het idee was leuk, maar misschien te goed voor een 1 Aprilgrap.
âDaar komt een auto! En nog een!â Twee autoâs rijden langzaam het parkeerterrein van het museum op. Bij het binnenkomen wordt er op een serieuze manier gelachen, alsof er toch nog iets anders zal ge-





beuren dan de ontknoping van het raadsel rond âde bijzondere steenâ, zoals deze inmiddels wordt genoemd. Er is koffie en cake en natuurlijk het verhaal bij de fotoâs. Verhalen worden uitgewisseld en er wordt veel gelachen.
De dorpshistoricus is niet meegekomen.
De groep wordt volledig geĂŻnformeerd en afgesproken dat iedereen zân mond houdt tot donderdag. Dan komt âHet Urkerlandâ met de primeur, als pleister op hun angst voor een mogelijke bouwstop.
De twee mannen besluiten die middag zelf naar de dorpshistoricus te gaan om hem het hele verhaal te vertellen. Hij is aangeslagen, maar doet zijn uiterste best om sportief over te komen: âIk lach wel, maar ik ben niet blij.â
Op maandag komt de maandageditie van âStuurboordâ uit. Uit de berichtgeving wordt duidelijk dat er al informatie uit de groep is gedeeld. Ook de eerste vertalingen worden gegeven. De krant wind er geen doekjes om dat het om een 1 Aprilgrap gaat.
Donderdag verschijnt âHet Urkerlandâ. Op de voorpagina nog terughoudend, maar verderop in de krant volgt een uitgebreid verhaal. Die week daarop weer. Met een gedicht van de dorpshistoricus, maar ook met een âlesâ die men kan leren uit deze grap.

De mannen hebben eigenlijk meer bereikt dan ze hadden voorzien. Er was weliswaar geen berichtgeving op het âhalfzes journaalâ, maar daar staat veel tegenover. Vooral de uitgebreide aandacht in âHet Urkerlandâ maakt veel goed. Enkele maanden later schrijven ze, als twee anonieme Urkers, een brief aan B&W, met de vraag of de steen misschien een plaatsje kan krijgen bij het VVV of Museum Het Oude Raadhuis. Dat laatste wordt het uiteindelijk. De mannen stellen een map samen met alle informatie en bezorgen die ook weer anoniem bij het Museum.
Jaren later horen ze nog wel eens vertellen over de 1April grap. Iemand beweert op een verjaardag zelfs de maker te zijn van de grap. In januari 2021 verklaard iemand op Facebook nog te weten wie een van de bedenkers was. Bijna 34 jaar later! ât Moet zijn oom geweest zijn. Mooier kan haast niet.
1 April!
