In de
praktijk Informatieblad van Solidaris voor de arts
Drempels in de zorg Waarom toegang tot zorg niet voor elke patiënt even vanzelfsprekend is.
p.10
03.2026
4
Leven met neurofibromatose type 1 Gwendolyne getuigt
8
Antibiotica Wat is nieuw vanaf 1 oktober 2026?
In de praktijk
Iedereen mee?
N AT H A N W I T TO C K
Z’is weer voorbij die hete zomer! Komkommertijd en berichten over een brandend Zuid-Europa en door hittegolven geteisterd België maken plaats voor de meer gebruikelijke turbulentie. Want met het bouwverlof achter ons is het ook voor de hervormingswerven van onze ziekte- en invaliditeitsverzekering weer tijd om het werk te hervatten. Dit artikel op het snijvlak van de sociale en medische wetenschappen, dat begin deze zomer verscheen, deed mij alvast reikhalzend uitkijken naar het verdere verloop van een van deze hervormingen: wat met de eerste lijn? Cerri et al. (2026).
A Scoping Review on Community Health Care Centers: Evidence in Support of Italian Policymakers to Redesign the Italian Primary Care System. Health Policy
In Health Policy publiceerden Cerri en collega’s een literatuurstudie over “gemeenschapscentra voor gezondheidszorg met geïntegreerde zorgen en gezamenlijke aanwezigheid van zorgprofessionals”. Naar aanleiding van de opkomst van de Case della Comunità-eerstelijnspraktijken in post-covid Italië. Hoe groter de integratie en hoe sterker de samenwerking, hoe kwalitatiever de zorgverlening voor patiënten met een complexe of chronische conditie. Én een meer geïntegreerde, interdisciplinaire samenwerking verhoogt de toegankelijkheid, ook en vooral voor de meest kwetsbaren. De belangrijkste boodschap voor beleids makers? “Deze centra moeten functioneren als hubs binnen een breder lokaal netwerk van eerstelijnszorg, sociale diensten, gemeenschapsorganisaties en andere sectoren om continue, toegankelijke zorg aan te kunnen bieden aan mensen met een chronische en complexe aandoening en om vermijdbare ziekenhuisopnames tegen te gaan.”
Vlaamse Raad WVG (2026).
Advies Concept SWA GIZO Commissie voor Gezondheidszorgdoelstellingen (2026).
Rapport juni 2026 Ook in België klinkt steeds vaker en explicieter de roep om interdisciplinaire, geïntegreerde eerstelijnspraktijken en -netwerken. Het inter-
TL;DR
federaal plan geïntegreerde zorg spreekt over de ISSEL (de interdisciplinaire structurele samenwerkingsverbanden eerste lijn) als een belangrijke bouwsteen voor een meer geïntegreerde zorg. En ook de commissie voor gezondheidszorgdoelstellingen (GDOS) predikt in haar rapport van juni laatstleden een toename in interprofessionele samenwerking, een ontschotting van de gezondheidsberoepen, en een doordachte taakdifferentiatie, -deling en -delegatie. Aan de basis moet de interprofessioneel samengestelde eerstelijnspraktijk de norm worden. Deze praktijken moeten samenwerken, “met andere maatschappelijke en zorgactoren in eerstelijnsnetwerken (…) georganiseerd op buurtniveau”. Op het mesoniveau moeten deze netwerken ondersteund worden door overkoepelende structuren. En er is nood aan een gestructureerde samenwerking tussen de eerste lijn en de ziekenhuizen op het niveau van de locoregionale zones. Het GDOS-advies vraagt dat burgers verplicht worden zich te registreren bij één eerstelijnspraktijk, zij het met behoud van keuzevrijheid voor de verschillende praktijken binnen hun woongebied. De eerstelijnspraktijken bestaan uit ten minste een huisarts, een praktijkverpleegkundige, een praktijkassistent én administratieve ondersteuning. Afhankelijk van de noden van de patiënten die zich bij de praktijk registreren kan er nauw worden samengewerkt met andere eerstelijnszorgverleners. Mogelijk, maar niet verplicht, kan dit onder hetzelfde dak in een duidelijk, juridisch vastgelegd samenwerkingskader. Helemaal zeker is het nog niet, en het zal hoogstwaarschijnlijk haar tijd nog wel duren, maar het heeft er alle schijn van dat de neuzen stilaan in de richting gaan van interdisciplinaire, geïntegreerde eerstelijnszorgen … maar het is wel een mondvol. Misschien moeten we het, even vastklampend aan questa bella estate, ook gewoon houden op onze eigen Belgische Case della Comunità. D’accordo?
Te lang? Geen zorgen. We vatten samen. Eerstelijnspraktijken waar meerdere disciplines samenkomen: daar heeft Italië goede ervaringen mee. Ook in België groeit de consensus.
2
Redactieadres In de praktijk, Sint-Jansstraat 32, 1000 Brussel indepraktijk@solidaris.be Redactie Hoofdredactie Bart Demyttenaere Eindredactie Dimitri Neyt Auteurs Hilde Baeyens Alain Bourda Bart Demyttenaere Imke Kissel Ruth Lamers Gwen Muylaert Aicha Sidki Sarah Tertyschnikow Gwendolyne Thonon Sanne Van de Velde Kim Van der Zwalmen Margot Vandewalle Nathan Wittock Vormgeving Jeroen Migneaux Druk Bredero Graphics Verantwoordelijke uitgever Paul Callewaert, Sint-Jansstraat 32, 1000 Brussel Afgiftekantoor Brussel X, driemaandelijks tijdschrift, 3de trimester 2026 Abonneren www.solidaris.be/abonneren Adreswijziging of uitschrijven indepraktijk@solidaris.be
In de praktijk is een informatieblad van Solidaris voor de arts. 4 keer per jaar informeren we specialisten en huisartsen over de ziekteverzekering, medische ontwikkelingen en de dienstverlening van ons ziekenfonds voor jou en je patiënt.
Informatieblad van Solidaris voor de arts
WE B I NAR
Valpartijen en medicatiegebruik: meer dan een bijwerking SANNE VAN DE VELDE
Elk jaar valt 1 op de 3 thuiswonende ouderen minstens een keer. Hoewel valpartijen vaak meerdere oorzaken hebben, blijft medicatie een belangrijke – en vaak onderschatte – risicofactor. Bepaalde geneesmiddelen en hun bijwerkingen kunnen duizeligheid, verwardheid, slaperigheid of bloeddrukdalingen veroorzaken en zo het valrisico aanzienlijk verhogen. Om zorgverleners beter te ondersteunen organiseert het Expertisecentrum Val- en Fractuurpreventie Vlaanderen (EVV) op 8 oktober 2026 het gratis webinar ‘Valpartijen en medicatiegebruik’. Tijdens deze online sessie worden wetenschappelijke inzichten gecombineerd met praktische handvatten voor de dagelijkse praktijk. Onderzoeker en ziekenhuisapotheker Ine Simal licht de recente evidentie toe rond geriatrische farmacotherapie en valrisico. Nele Schoenmaekers, apothe-
Webinar ‘Valpartijen en medicatiegebruik: meer dan een bijwerking’ } Donderdag 8 oktober 2026, 19.30 tot 21.30 uur Online Gratis
Schrijf je in
ker bij KOVAG, vertaalt deze inzichten naar concrete acties zoals medicatie reviews, veilige afbouw van geneesmiddelen en multidisciplinaire samenwerking. Het webinar richt zich op alle zorgverleners die werken met oudere personen, ongeacht hun betrokkenheid bij medicatiebeheer of medicatie-evaluatie. Deelnemers leren hoe zij medicatie kritisch kunnen evalueren met behulp van specifieke tools en hoe zij kunnen bijdragen aan het verminderen van valincidenten bij ouderen.
3
In de praktijk G E TU I GE NI S
T Gwendolyne (35) heeft sinds haar geboorte de diagnose neurofibromatose type 1. Pas 10 jaar geleden begreep ze ten volle de impact van de ziekte op haar leven.
“Ik moet constant mijn lichaam controleren: voelen, kijken, vergelijken. Altijd alert zijn.”
Gwendolyne leeft met
neurofibromatose type 1 4
oen ik klein was, vertelde mijn mama mij dat we allebei dezelfde ziekte hadden. Toen heette die nog de ziekte van Von Recklinghausen. Als kind begreep ik daar weinig van. Ik weet nog dat ik me afvroeg wie die Von Recklinghausen eigenlijk was, alsof het om een persoon ging. Iemand die ik kon gaan bezoeken. Mijn mama probeerde me altijd gerust te stellen. Ze zei dat ik me geen zorgen hoefde te maken, dat het allemaal wel meeviel. En ik geloofde haar. Lange tijd heb ik haar écht geloofd. Dat veranderde na haar overlijden in 2016. Toen begon ik dingen te zien aan mijn lichaam die ik vroeger niet had opgemerkt, of misschien had ik ze niet willen zien. Was ik er blind voor. Er verschenen kleine bultjes op mijn huid. Precies zoals mijn mama ze had. Ik dacht: dit kan ik niet negeren. Ik moest naar een arts die deze ziekte goed kende. Zo kwam ik terecht in het UZ Gent. Daar hoorde ik voor het eerst de nieuwe naam: neurofibromatose type 1. De arts zei dat de naam veranderd was om het eenvoudiger te maken: “NF1, voor de vrienden.” Vanaf die dag had mijn ziekte een nieuwe naam, en ik ook: iemand met NF1. De arts onderzocht mij van kop tot teen. Dat hoort bij NF1, zei ze. Voor mij voelde het vooral heel kwetsbaar. In je ondergoed, terwijl iemand elk plekje, elk bobbeltje, elke vlek inspecteert. Ze vertelde me dat ik café-au-lait-vlekken, freckling en neurofibromen had. Die bultjes waren dan toch niet gewoon bultjes. Op zich niets om je zorgen over te maken. Toch deed het iets met mij. Vanaf dat moment voelde ik me bekeken. Alsof iedereen die bultjes zag. Alsof mijn lichaam iets was geworden waar anderen naar staarden, ook al zat dat misschien vooral in mijn eigen hoofd. Dan kwam een vraag die ik niet had zien aankomen: of ik nog kinderen wilde. De arts vroeg het heel rechtuit, alsof het een doodnormale vraag was. Toen zei ze dat dat niet vanzelfsprekend is bij NF1. Dat er een zwaar medisch traject nodig is, met eicelpuncties en genetische selectie. Dat alleen gezonde embryo’s teruggeplaatst kunnen worden. En dat de kans op miskramen groot is. Die woorden vielen zwaar.
Informatieblad van Solidaris voor de arts
“Ik voelde me bekeken, alsof iedereen die bultjes zag”
Wat is
neurofibromatose? Bart Demyttenaere
Neurofibromatose is niet één aandoening, maar een groep van erfelijke neuro-cutane syndromen die gekenmerkt worden door een verhoogde aanleg tot de ontwikkeling van tumoren uitgaand van zenuwscheden en door bijkomende huid-, oog-, bot- en neurologische afwijkingen.
Het voelde alsof mijn toekomst ineens werd ingeperkt. Alsof er beslissingen van mij werden afgenomen, nog voor ik er zelf klaar voor was. Alsof de vrijheid om gewoon een kind te krijgen weg was. Uiteindelijk besliste ik dat ik dat traject niet zou aangaan. Ook al blijft die beslissing elke dag heel moeilijk. Daarna vroeg de arts of ik pijn had. Ik vertelde over mijn nek en schouders. Over de constante spanning, de pijn die soms ondraaglijk voelt. Over de kinesist die zei dat mijn spieren te zwak waren, dat ik gewoon meer moest oefenen. Maar elke oefening voelde alsof mijn lichaam niet meewerkte. Uiteindelijk ben ik ermee gestopt, uit pure machteloosheid. De arts bevestigde wat ik zelf al voelde: dit hoort bij NF1. De strakke spieren. De pijn. De vermoeidheid. En toch moest ik blijven proberen. Ze vroeg ook of ik leerproblemen had. Met enige schaamte gaf ik toe dat ik altijd moeite had gehad met cijfers, letters en concentratie. Mijn schooltijd was moeilijk, chaotisch en uitputtend. Ik heb me vaak dom gevoeld, terwijl ik dat niet was. Ook dat bleek deel uit te maken van de ziekte. Maar daar bleef het niet bij. NF1 brengt zoveel meer met zich mee: chronische vermoeidheid, hoofdpijn, concentratieproblemen, een verhoogd risico op tumoren, zowel zichtbaar als onzichtbaar.
Ik zal elk jaar opnieuw onderzoeken moeten ondergaan om te controleren of er inwendig niets groeit langs mijn zenuwbanen. Daarnaast moet ik zelf constant mijn lichaam controleren: voelen, kijken, vergelijken. Altijd alert zijn. En moeten leren omgaan met het feit dat de fibromen zullen blijven groeien en blijven toenemen. En dan, bijna terloops, zei de arts nog dat ik een sterk verhoogd risico heb op borstkanker. Ze zou het ziekenfonds contacteren voor een verhoogde terugbetaling. Alsof dat het nieuws minder zwaar maakte. Zolang je goed opgevolgd wordt, kunnen we je helpen. In de jaren daarna begon ik te begrijpen dat veel van wat ik dagelijks ervaar, gelinkt is aan NF1. Dingen die ik vroeger wegwuifde. Omdat ik dacht dat ik me aanstelde. Dat ik overdreef. Omdat ik de mensen geloofde die zeiden dat ik maar vroeger naar bed moest, en dan minder moe zou zijn. Leven met NF1 betekent niet alleen leven met lichamelijke klachten. Het betekent leven met angst. Angst voor veranderingen. Angst voor nieuwe knobbels, nieuwe onderzoeken, nieuwe diagnoses. En vooral: leven met onzekerheid. Omdat NF1 onvoorspelbaar is. Omdat ik nooit weet wat mijn lichaam morgen zal doen. Omdat de toekomst niet vaststaat, maar een vraagteken is. Dat weegt. Elke dag opnieuw.
De belangrijkste entiteiten zijn neurofibromatose type 1 (NF1) en de verschillende vormen van schwannomatose, waaronder NF2-gerelateerde schwannomatose (vroeger neurofibromatose type 2 genoemd). De aandoeningen zijn genetisch bepaald, meestal autosomaal dominant, maar een aanzienlijk deel van de gevallen ontstaat ‘de novo’, zonder familiale voorgeschiedenis. Neurofibromatose type 1 NF1 is veruit de meest voorkomende vorm en kent een zeer variabel klinisch beeld, zelfs binnen eenzelfde familie. Typische kenmerken zijn meerdere café-au-laitvlekken, axillaire of inguinale sproetvorming, cutane en subcutane neurofibromen en Lisch-noduli op de iris. Daarnaast kunnen ook plexiforme neurofibromen voorkomen. Deze zijn vaak aangeboren, kunnen aanleiding geven tot pijn, functieverlies of ontsiering en hebben een risico op kwaadaardige ontaarding tot een maligne perifere zenuwschedetumor. Andere belangrijke manifestaties zijn: · opticusgliomen · skeletafwijkingen zoals scoliose, dysplasie of pseudoartrose · een verhoogde kans op hypertensie, vasculopathie en bepaalde maligniteiten, waaronder borstkanker op jongere leeftijd. Cognitieve en gedragsmatige problemen, leerstoornissen en aandachtsproblemen komen frequent voor.
5
In de praktijk
NF2-gerelateerde schwannomatose Deze vorm is zeldzamer en wordt vooral gekenmerkt door de ontwikkeling van bilaterale vestibulaire schwannomen, die aanleiding kunnen geven tot gehoorverlies, tinnitus en evenwichtsstoornissen. Daarnaast komen ook meningeomen, ependymomen, andere craniale of perifere schwannomen en oogafwijkingen zoals cataract of retinale letsels voor. De presentatie ligt vaak in adolescentie of jongvolwassen leeftijd, maar er bestaat ook een mozaïekvorm met een minder typisch of asymmetrisch beeld. Andere vormen van schwannomatose worden vooral gekenmerkt door meervoudige schwannomen en vaak chronische neuropatische pijn, zonder de typische bilaterale vestibulaire aantasting van NF2. Diagnose De diagnose berust in de eerste plaats op klinische criteria, aangevuld met genetisch onderzoek en gerichte beeldvorming wanneer nodig. Bij NF1 wordt de diagnose vaak vermoed op kinderleeftijd op basis van huidafwijkingen en familieanamnese, maar sommige kenmerken ontwikkelen zich pas later. Daarom blijft een longitudinale opvolging essentieel. Bij vermoeden van NF2-gerelateerde schwannomatose of andere schwannomatosen zijn MRI-onderzoek, audiologische evaluatie en genetische testing belangrijke onderdelen van de diagnostiek, mede om mozaïcisme of andere genetische subtypes te identificeren. Behandeling De behandeling is hoofdzakelijk gericht op opvolging, vroegdetectie van complicaties en symptoomcontrole, aangezien er voor de meeste vormen geen curatieve therapie bestaat. De zorg is bij voorkeur multidisciplinair, met betrokkenheid van onder meer genetica, neurologie, dermatologie, oftalmologie, orthopedie, radiologie, oncologie en zo nodig pijnof revalidatieteams. Bij NF1 zijn regelmatige klinische controles, oogopvolging in de kinderjaren en aandacht voor ontwikkeling en leren belangrijk. Tumoren worden behandeld afhankelijk van hun locatie, groei en klachten, via observatie, chirurgie of – in specifieke situaties – gerichte medicamenteuze therapie. Bij NF2-gerelateerde schwannomatose ligt de nadruk op gehoor- en evenwichtsopvolging, periodieke beeldvorming en behandeling van intracraniële of spinale tumoren volgens hun evolutie en symptomatologie.
6
Diverssensitief handelen bij mantelzorgers M ARGOT VA N D E WA LLE
Als het gaat over rekening houden met ieders achtergrond, mogen we mantelzorgers niet vergeten. Mantelzorgvereniging Coponcho zet de schijnwerpers op diverssensitief handelen bij deze doelgroep.
Diverssensitief? Diverssensitief handelen houdt in dat je rekening houdt met en respect toont voor de unieke achtergrond van een persoon. Denk maar aan cultuur, levensbeschouwing, taal, gender of leeftijd. Zónder die persoon te herleiden tot één kenmerk, natuurlijk! Mantelzorg vereniging Coponcho moedigt ziekenhuizen en zorgpersoneel aan om mantelzorgers beter te betrekken in de zorg. Mantelzorgers beschikken namelijk vaak over essentiële informatie over de patiënt en kunnen helpen in het verbeteren van de zorgkwaliteit. Daarnaast zorg je, door hen te betrekken, er ook voor dat de belasting voor mantel zorgers (even) wordt verminderd. Een valkuil is echter dat je alle mantelzorgers over dezelfde kam scheert.
Het is belangrijk om te weten dat dé mantelzorger niet bestaat: · Mantelzorgers zijn een diverse groep: ze verschillen onder andere in leeftijd, gezinssituatie, gezondheid, opleiding, inkomen, taalvaardigheid, levensbeschouwing, migratie geschiedenis en ervaringen met zorg. · Mantelzorg is zo divers als de mantelzorgers zelf: elk verhaal is uniek. Het gaat over dezelfde zorg, maar wel met een andere realiteit. · Sommige mantelzorgers ervaren extra uitdagingen en vinden daardoor minder gemakkelijk de weg naar zorgondersteuning. Ze voelen zich vaker overbelast. Daarom is het belangrijk dat je als ziekenhuis (of andere zorginstelling) inzet op diverssensitief handelen.
Informatieblad van Solidaris voor de arts
De 3 meest voorkomende oorzaken van een zorgbehoefte* zijn:
62
%
1
Lichamelijke beperking
Waarom? · Diversiteit in ziekenhuizen neemt verder toe. Dat vraagt om zorg verlening die meegroeit met de veranderende zorgbehoeften. · Mantelzorgers kennen de leef wereld en gewoontes van de patiënt. Die kennis helpt om zorg realistischer en beter afgestemd te organiseren waardoor de kwaliteit en continuïteit van de zorg verhoogt. · Door in te zetten op wederzijds vertrouwen zijn mantelzorgers bereid om informatie te delen. Zonder vertrouwen zullen mensen hun hulpvraag niet stellen. · Wanneer mantelzorgers zich gehoord en begrepen voelen, blijven ze beter betrokken en groeit hun vertrouwen in zorgverleners en het zorgsysteem. · Minder misverstanden leiden tot minder crisissituaties en heropnames. · Tijd investeren in gesprek en vertrouwen bespaart dus tijd op langere termijn.
70
%
van de Vlamingen met een zorgnood krijgt hulp van familie, vrienden, buren of kennissen
* Bracke et al., 2022. De Zorgenquête.
2
58
%
Chronische/ terminale ziekte
3
Wat is een diverssensitieve attitude? · Werk met een open en nieuwsgierige houding. · Wees je bewust van je eigen cultuur, normen en gewoontes en de manier waarop die jouw communicatie, verwachtingen en interpretaties beïnvloeden. · Wees je bewust van vooroordelen, stereotypen en verborgen uitsluitingsmechanismen. Besef dat niet iedereen dezelfde ervaring heeft. · Vermijd aannames op basis van achtergrond, ook positieve (bv. ‘een grote familie betekent veel ondersteuning’). · Benader een mantelzorger als individu. Een mantelzorger is altijd meer dan de groep waarmee die zich al dan niet identificeert. · Houd rekening met levens beschouwelijke en culturele gebruiken en gewoontes, bijvoorbeeld over voeding, feest dagen of ruimte voor gebed. Het is natuurlijk onmogelijk om alles uit jezelf te weten, maar stel de juiste vragen: mensen vertellen graag. · Wees alert bij slechtnieuwsgesprekken of taboeonderwerpen. Thema’s zoals dementie, terminale ziekten, psychische kwetsbaarheden of seksuele aandoeningen kunnen gevoelig liggen of anders beleefd worden en vragen daarom extra zorgvuldige afstemming.
53
%
Beperkingen die ontstaan op latere leeftijd
%
van de mantelzorgers vindt de hulp die ze bieden zinvol en bijna 80% haalt ook voldoening uit de hulp die ze bieden
%
van de mantelzorgers geeft aan dat die onvoldoende tijd heeft voor zichzelf omwille van de geboden zorg
90 22
,2
· Wees voorzichtig met generaliseren en het toeschrijven van gedrag of noden aan één kenmerk of achtergrond. Factoren zoals cultuur, levens beschouwing, leeftijd … kunnen een rol spelen, maar verklaren nooit het volledige verhaal. Door uitsluitend daarop te focussen riskeren we andere belangrijke dimensies van iemands leven en zorgervaring over het hoofd te zien. Dit vraagt om nuance.
Lees je graag meer? Mantelzorgvereniging Coponcho maakte een uitgebreid infoblad ‘Diverssensitief handelen’ als aanvulling op hun inspiratiegids ‘Bouwstenen Mantelzorg’. Van beide brochures kan je gratis een digitale of papieren versie aanvragen via hun website. Meer informatie vind je op www.coponcho.be/professionals. 7
In de praktijk DOSS I E R
N
ieuwe regels rond antibiotica, feedback op voorschrijfgedrag en de groei van thuishospitalisatie zetten huisartsen aan tot gerichter behandelen, minder verspilling en meer betrokkenheid bij de patiënt. Wat verandert er concreet voor de praktijk?
Antibiot 1
NIEUW
ALAIN BOURDA
vanaf 1 oktober 2026: afleveren per eenheid
Het Belgische nationale actieplan tegen antimicrobiële resistentie (AMR) voorziet diverse maatregelen om het ontstaan en de verspreiding van antimicrobiële resistentie tegen te gaan en om een rationeler gebruik van antibiotica te bevorderen. Een van deze maatregelen betreft de aflevering van antibiotica per behandeltermijn met als doel het risico op overconsumptie en zelfmedicatie – beide factoren die bijdragen tot antibioticaresistentie – te beperken. Waar mogelijk wordt een verpakking afgeleverd die overeenstemt met de behandeltermijn, voorgeschreven door de arts. Als een adequate verpakking niet beschikbaar is, wordt de aangepaste hoeveelheid door de apotheker afgeleverd. De maatregel geldt voor vaste, orale
8
vormen, inclusief poeder in zakjes, en is niet van toepassing op niet-terugbetaalde antibiotica Selexid, Efracea en Klinotab. Een beslissingsondersteunend platform PSS (Prescription Search Support) Antimicrobieel wordt geïntegreerd in de
artsensoftware om de meest geschikte behandeling te kiezen, dankzij evidence-based aanbevelingen. Voor elk van de indicaties wordt de aanbevolen behandeling volgens de BAPCOC-richtlijnen vergeleken met de beschikbare verpakkingen op de markt. De prijs en het remgeld voor de patiënt worden per eenheid berekend. Wanneer een vergoedbaar antibioticum niet wordt terugbetaald, wordt het per eenheid afgeleverd en volledig getarifeerd volgens aantal afgeleverde eenheden. Voor antibiotica zal voorschrijven op stofnaam verplicht worden vanaf 1 januari 2027. Op het voorschrift staat de benaming van de werkzame stof(fen) volgens de algemene internationale benaming, de sterkte en de toedieningsvorm, de dosis, de posologie en de duur van de behandeling. De apotheker mag niet afwijken van de voorgeschreven hoeveelheid.
Informatieblad van Solidaris voor de arts
2
Heeft invoering indicatoren gewerkt?
RUTH LAMERS
Het aanpakken van antimicrobiële resistentie is belangrijker dan ooit voor de volksgezondheid. Om meer levens te redden, moeten we zowel anders als minder voorschrijven.
14%
C
Daling van zowel het aantal patiënten met een antibioticavoorschrift als het totale toegediende volume
Om huisartsen hierbij te ondersteunen werden in 2023 door het RIZIV 3 indicatoren van goede medische praktijk gepubliceerd. Een kwantitatieve indicator, het volume van de voorschriften en 2 kwalitatieve indicatoren over het type antibiotica dat wordt voorgeschreven. Wat is nu het effect van deze indicatoren op de praktijk?
1
2
Worden antibiotica ook beter gekozen? Daar valt nog winst te boeken. Slechts 16% van de voorschrijvende artsen haalt de norm voor het gebruik van amoxicilline als eerstelijnsantibioticum. Daarnaast blijft het voorschrijven van tweedelijnsantibiotica hoger dan gewenst: slechts 11% van de artsen blijft onder de aanbevolen drempel.
3
En de toekomst? Met persoonlijke feedback wil het RIZIV huisartsen helpen om minder én gerichter antibiotica voor te schrijven. Deze feedback vindt elke huisarts jaarlijks op de eigen account op het portaal ProGezondheid. Hiermee kan een voorschrijver de eigen resultaten vergelijken met de indicatoren en met collega’s, als ondersteuning voor de verdere optimalisatie van het eigen voorschrijfbeleid.
Schrijven huisartsen minder antibiotica voor? Een jaar na de invoering van de RIZIV-indicatoren tonen de eerste resultaten een positieve evolutie. Zowel het aantal patiënten dat antibiotica kreeg voorgeschreven als het totale volume toegediende antibiotica daalde met ongeveer 14%.
tica
De volledige analyse vind je op de website van het RIZIV.
Evolutie begin HAD Antibiotica
Oncologische behandelingen
3
Thuishospitalisatie groeit sterk,
2.500 2.000 1.500
vooral antibioticabehandelingen
1.000
HILDE BAEYENS
500 0
2023
2024
2025
Gem. aantal therapiedagen per start traject Antibioticatherapie
Oncotherapie
40 30 20 10 0
2023
2024
2025
Aandeel initiatieforfait door huisartsen 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2023
Hoewel thuishospitalisatie (HAD) sterk groeit, vooral via antibiotica, blijft de huisarts een kleine speler in de initiatie van dit zorgtraject. Een analyse van de eerste cijfers.
2024
2025
Van meet af aan lag het aantal gestarte trajecten met antibioticabehandelingen hoger dan de oncologische behandelingen. Ook de groei is hoger. Dat blijkt uit de cijfers 2023-2025 in de overeenkomstencommissie ziekenhuizen-mutualiteiten. Oorspronkelijk werd er gedacht dat dit traject vooral tegemoet zou komen aan een behoefte van de oncologische patiënt. Mogelijk heeft dit te maken met schaalvergroting. Méér ziekenhuizen bieden niet-oncologische HAD aan. Ook zien we een gemiddeld kortere behandelingsduur voor antibiotica als mogelijke verklaring.
In het overgrote deel van de trajecten wordt er geen initiatieforfait aangerekend door de huisarts voor het actief betrekken van de huisarts bij de beslissing tot thuishospitalisatie en bij de opmaak van het behandelplan. Mogelijks geeft dit aanleiding tot gemiste kansen naar opvolging en ondersteuning door de huisarts van deze patiënt thuis. Solidaris wenst huisartsen op te roepen tot een grotere betrokkenheid. Dit kan bijdragen tot gepaste indicatiestelling en continuïteit van zorg voor een patiënt die vaak een zeer uitdagende en ingrijpende zorg episode meemaakt.
9
In de praktijk INTE RV I E W
Nieuwkomers botsen vaak op onzichtbare drempels in de zorg. Verpleegkundige Nikhat Keros Sereke vertelt hoe luisteren, vertrouwen en cultuursensitieve zorg het verschil maken.
Drempels in de zorg Een interview met Nikhat Keros Sereke K IM VAN DER Z WALMEN – RE BE L L E
De Belgische gezondheidszorg behoort tot de beste ter wereld. Toch vindt niet iedereen even vlot de weg naar die zorg. Voor mensen die nieuw zijn in België vormen taalbarrières, administratieve drempels en culturele verschillen een extra uitdaging. Nikhat Keros Sereke, verpleegkundige en Community Health Worker in Gent, kent die uitdagingen als geen ander. Meer dan 20 jaar geleden kwam ze vanuit Eritrea naar België. Vandaag begeleidt ze zelf nieuwkomers. Haar boodschap is helder: goede zorg begint met luisteren, vertrouwen en oog hebben voor de mens achter het dossier. 10
Nikhat Keros Sereke is verpleegkundige en Community Health Worker in Gent. Daar helpt ze mensen een weg zoeken binnen onze gezondheidszorg. Begin jaren 2000 kwam Nikhat als jonge twintiger van Eritrea naar België. Via haar vereniging EriGent is ze een brugfiguur voor de Eritrese gemeenschap in Gent.
Meer dan een patiënt, meer dan een nieuwkomer Wanneer we spreken over ‘nieuwkomers’, lijkt het soms alsof die identiteit alles overschaduwt. Maar achter dat label schuilt een mens met een eigen geschiedenis, talenten, dromen en ervaringen. “Ik was een jonge vrouw vol energie die wilde studeren”, vertelt Nikhat. “Ik botste op allerlei administratieve hindernissen. Ik had de capaciteiten om verder te studeren, maar niet de juiste documenten. Die teleurstelling, samen met een nieuwe taal, een ander klimaat en een andere cultuur, zorgde ervoor dat ik
Informatieblad van Solidaris voor de arts
“Het is belangrijk dat zorgverleners zich afvragen: wat schuilt achter de lichamelijke symptomen? Is er een verband met wat de patiënt recent meemaakte?”
voortdurend zware hoofdpijn had.” Toen ze destijds hulp zocht bij de huisarts, kreeg ze de diagnose migraine. Pas jaren later besefte ze dat haar klachten waarschijnlijk samenhingen met stress, verlies en de uitdagingen van een nieuw leven in een onbekend land. Volgens Nikhat wordt die bredere context nog te vaak vergeten. Zorgverleners focussen logischerwijs op symptomen, maar missen soms wat daarachter schuilgaat. “Het is belangrijk dat zorgverleners zich afvragen: wat schuilt achter de lichamelijke symptomen? Is er een verband met wat de patiënt recent meemaakte? Je moet kijken naar de capaciteit van mensen, niet naar hun taal. De taal komt nog.”
De pijn achter de pijn Als Community Health Worker begeleidt Nikhat dagelijks mensen die vastlopen in de gezondheidszorg. Daarbij ziet ze regelmatig situaties waarin lichamelijke klachten nauw verbonden zijn met emotionele ervaringen en waar ze een meer holistische aanpak mist. “Ik begeleidde als tolk ooit een patiënt met terugkerende rugklachten, maar zijn rug bleek fysiek in orde te zijn. De arts schreef hem ibuprofen voor, maar de man bleef terugkomen. De patiënt probeerde dan uit te leggen dat hij veel meegemaakt had in Libië en vroeg om een operatie. Dat is een frustrerende situatie voor iedereen: de patiënt kan zijn situatie niet helemaal uitleggen en de arts doet diens best om aan te tonen dat zijn rug in orde is. De man geloofde dat hij ziek was, dus hij bleef die rugpijn wel ervaren. Eigenlijk was de pijn die hij voelde emotionele pijn. Maar om dat bespreekbaar te kunnen maken, moet je ook het vertrouwen winnen van de patiënt.” Volgens Nikhat ontstaat er in zulke
situaties soms wederzijdse frustratie. De patiënt voelt zich niet gehoord, terwijl de zorgverlener geen medische verklaring vindt voor de klachten. Net dan is vertrouwen cruciaal.
15 minuten om je leven uit te leggen “Om over traumatische ervaringen te praten, moet iemand zich veilig voelen. Dat vraagt tijd.” Die tijd is vaak schaars in de zorg. Voor nieuwkomers kan dat bijzonder moeilijk zijn. Niet alleen omdat ze een andere taal spreken, maar ook omdat het uitleggen van gevoelens, ervaringen en context veel energie vraagt. En ook als je bepaalde taalniveaus behaalt, blijft het moeilijk om de nuances en mogelijke achterliggende verklaringen te duiden. “Toen ik hier pas was, vertelde ik enkel over mijn hoofdpijn,” zegt Nikhat. “Ik vergat alles wat ermee te maken had. De stress, de slapeloosheid, de onzekerheid. Je bent bezig met de juiste woorden te zoeken. Dan blijft veel onuitgesproken.” “Het effect van tijd is niet te onderschatten, een kleine investering in tijd kan op lange termijn een groot verschil maken”, aldus Nikhat. Bovendien: “Als je in het begin tijd neemt om vertrouwen op te bouwen, verloopt de zorgrelatie later veel gemakkelijker.” Dat geldt ook voor de organisatie van zorgdiensten. Nikhat stelt zich soms de vraag ‘Voor wie is deze dienst laagdrempelig?’ Voor de Belgische patiënt die de taal beheerst of voor de anderstalige nieuwkomer? De wijkgezondheidscentra waar ik werk zijn op zich heel toegankelijk, maar bij je inschrijving moet je al meteen een uitgebreide anamnese meegeven. Dat is een drem-
pel, want zo moet je al veel vertellen, terwijl dat ook stap per stap zou kunnen. Bij elke afspraak, een beetje meer informatie.”
Tolken zijn geen luxe Een van de belangrijkste hulpmiddelen voor toegankelijke zorg zijn professionele tolken. Toch blijft hun inzet beperkt door personeelstekorten, budgettaire beperkingen en soms ook weerstand bij zorgverleners. “Ik weet ook wel dat die taalbarrière niet op één dag opgelost zal zijn,” zegt Nikhat. “Tolken zijn daarin een grote hulp, maar ook daar zijn er barrières. Aan de ene kant is er een tekort aan tolken, waardoor een afspraak inplannen moeilijker wordt. Aan de andere kant willen sommige zorgverleners niet met een tolk werken. En dat is jammer, want om kwalitatieve zorg te verlenen, moet je een patiënt zo goed mogelijk begrijpen.” Zelf zag ze in haar functie als Community Health Worker meermaals hoe een gedeelde taal deuren opent die anders gesloten blijven. Zo werd ze ingeschakeld bij een patiënt met zware psychische problemen. Het bijna uitsluitend witte zorgteam vond moeilijk aansluiting bij hem. Nikhat besloot daarom om een safe space te creëren en organiseerde een traditioneel Eritrees koffieritueel, een vertrouwde sociale setting waarin gesprekken spontaan kunnen ontstaan. “Hij voelde zich daardoor meer op zijn gemak. Niet alleen omdat mijn houding minder formeel was, maar ook omdat ik op hem leek. We hadden dezelfde huidskleur, we spraken dezelfde taal. Na een tijdje kwam de psycholoog bij ons zitten. Met toestemming van de patiënt kon ik toen vertalen wat hij met mij deelde. Dat is niet letterlijk tolken, maar de psycholoog was daardoor mee
11
In de praktijk
“Taalbarrières, complexe administratie, een gebrek aan huisvesting en onzekerheid over verblijfsprocedures hebben allemaal impact op gezondheid.”
in zijn verhaal.” “Sindsdien staat hij ook open om met hen in gesprek te gaan. Dat was de max.” Geen budget voor tolken? “In onze wijkgezondheidscentra in Gent organiseren we in samenwerking met een psycholoog en een tolk groepstherapiesessies. Op die manier worden meerdere mensen geholpen en besparen we op de kosten, voor de patiënten en de zorgverleners. Zo zien patiënten ook dat ze niet alleen staan met hun ervaringen en worden meerdere mensen tegelijk geholpen. En doordat je ervaringen deelt, is er minder stigma om over mentale gezondheid te praten.”
Naast taal spelen ook culturele verwachtingen een rol in de zorg. Wat vanzelfsprekend lijkt voor een Belgische zorgverlener, hoeft dat niet te zijn voor iemand die opgroeide in een andere samenleving. Cultuursensitief te werk te gaan is hierbij dus van groot belang. Welke culturele gedachten zitten er bij je ingebakken? En welke bij de patiënt? Nikhat vertelt over haar moeilijkste case, van een patiënt die na een ongeval in coma lag. Het ziekenhuis wilde medische beslissingen bespreken met zijn kersverse echtgenote. Volgens de Eritrese familie lag die verantwoordelijkheid echter eerder bij ouders en broers.
“De arts bedoelde het goed”, vertelt Nikhat, “maar ze luisterde niet naar wat wij probeerden uit te leggen over die familiedynamiek. Ik probeerde haar uit te leggen dat de familiedynamieken anders zijn, en dat het woord van de ouders en broers in dit geval hoger wordt aangeschreven dan dat van de echtgenote. Dat begreep de zorgverlener niet en ze wilde graag een videogesprek met zijn vrouw. De broers hadden de echtgenote, om haar te sparen, nog niet ingelicht over het feit dat haar man in coma lag, dus die gingen absoluut niet akkoord. Ook dat was vreemd voor de zorgverlener. Bedenk echter ook: hoe gaat de familie naar zijn kersverse echtgenote kijken als ze tegen die dynamiek ingaat?” Voor Nikhat was het een confronterende ervaring. “De beleving van de arts was niet meer of minder correct dan die van de familie, gewoon anders.” Wanneer zulke verschillen niet worden erkend, kunnen patiënten en families zich uitgesloten voelen. “Je voelt je dan echt alsof je een alien bent in dit land, terwijl je op dat moment nood hebt aan warmte en begrip.”
Raadpleeg het Fedasilrequisitorium voor informatie over toegang tot gezondheidszorg voor personen die asiel zoeken.
Verdiep je in de impact van discriminatie en racisme in de zorg via onder meer het boek ‘Witte zorg, zwart leed’ van dr. Ama Kissi en ‘De pijn diep vanbinnen’ van psycholoog en therapeut Birsen Taspinar.
Niet beter of slechter, maar anders
Praktische tips
1 12
Maak gebruik van een intercultureel bemiddelaar of videotolk via de FOD Volksgezondheid.
2
3
Informatieblad van Solidaris voor de arts O P I N IE
Bart Demyttenaere
De weg naar zorg is niet voor iedereen even vanzelfsprekend Volgens Nikhat bestaat ‘de nieuwkomer’ niet. Iedere persoon heeft een eigen verhaal en een eigen gezondheidstoestand. Wat nieuwkomers wel gemeen hebben, zijn de extra drempels die ze tegenkomen. Taalbarrières, complexe administratie, een gebrek aan huisvesting en onzekerheid over verblijfsprocedures hebben allemaal impact op gezondheid. In Gent ziet ze hoe honderden jonge erkende vluchtelingen zonder stabiele woonplaats proberen een leven op te bouwen. “We hebben zo’n fantastisch gezondheidssysteem”, zegt Nikhat. “Het is jammer dat sommige mensen de weg ernaartoe niet kunnen vinden.” Voor Nikhat stopt de verantwoordelijkheid van zorgverleners dan ook niet bij de consultatieruimte. “Als we zien dat mensen door de mazen van het net glippen, moeten we dat signaleren. Niet alleen voor individuele patiënten, maar ook naar beleid en samenleving.”
P O D CA ST
Hoe maak je zorg inclusiever voor nieuwkomers? In de laatste aflevering van de podcast ‘Rebelle Openhartig: Ongelijkheid in de zorg’ benadrukt huisarts en gastprofessor diversiteit Stéphanie De Maesschalck bovenal het belang van cultural reflexivity. Dat betekent dat zorgverleners niet alleen stilstaan bij de cultuur van hun patiënt, maar ook kritisch kijken naar hun eigen normen, waarden en vanzelfsprekendheden. Door bewust te worden van die bril, ontstaat meer ruimte voor wederzijds begrip.
Zorg buiten het ziekenhuis? Ja. Een tweede-klassezorgsysteem? Neen. Extramurale geneeskunde kan de zorg dichter bij de patiënt brengen. Maar zonder heldere regels dreigt ze vooral de kapitaalkrachtige patiënten, de meest winstgevende behandelingen en de hoogste tarieven te bedienen. De kern is eenvoudig: wie collectief geld ontvangt, moet ook collectieve verantwoordelijkheid dragen. De plaats van zorg mag veranderen, maar kwaliteit, betaalbaarheid en solidariteit mogen niet mee verhuizen.
Een goede evolutie, maar geen passe-partout Steeds meer zorg gebeurt buiten het klassieke ziekenhuis. Dat is op zich logisch. Onderzoeken worden eenvoudiger, ingrepen minder zwaar en patiënten hoeven voor heel wat behandelingen niet meer te overnachten. Een consultatie of kleine ingreep dicht bij huis kan aangenamer, sneller en soms ook goedkoper zijn. Artsen krijgen meer ruimte om hun praktijk goed te organiseren. Ziekenhuizen kunnen zich sterker richten op dringende en spoedeisende zorg, zware ingrepen en mensen met meerdere gezondheidsproblemen. We mogen extramurale geneeskunde dus niet wegzetten als ‘verdacht’ of minderwaardig. Veel artsen bouwen met overtuiging een degelijke praktijk uit, investeren zelf in materiaal en personeel en bieden zorg die patiënten waarderen. Wie elke zelfstandige praktijk afschildert als ‘villageneeskunde’, maakt het debat nodeloos vijandig en miskent de inzet van veel zorgverleners. Maar het omgekeerde is even onjuist. Zorg buiten het ziekenhuis is niet vanzelf beter, goedkoper of toegankelijker, wat sommigen ook publiek mogen beweren. Een mooie wachtzaal, een snelle afspraak en ruime parkeergelegenheid zijn aangenaam, maar ze zijn geen bewijs van goede zorg. De echte vragen zijn eerder: kan iedereen er terecht? Kent de patiënt
vooraf de prijs? Worden ook oudere en meer kwetsbare mensen geholpen? Is er een sluitende regeling als er iets misloopt? En deelt de praktijk haar gegevens met de huisarts en het ziekenhuis?
De patiënt mag geen exclusieve klant met een dikke portefeuille worden Vanuit het standpunt van de patiënt ligt hier de grens. Een zorgsysteem is geen gewone markt. Wie ziek is, kiest niet vrij zoals in een winkel. De patiënt beschikt niet over dezelfde kennis als de zorgverlener en kan een behandeling vaak niet uitstellen. Juist daarom moet de samenleving bescherming bieden tegen onverwachte kosten, onnodige zorg en ongelijke toegang. Vandaag dreigt een dubbel spoor. Wie een supplement kan betalen, vindt soms sneller een specialist buiten het ziekenhuis. Wie dat niet kan, wacht vaak langer of ziet af van zorg. Dat is geen ‘gezonde’ keuzevrijheid. Dat is zorg volgens koopkracht. De verplichte ziekteverzekering wordt door iedereen samen betaald. Het is dan moeilijk te verdedigen dat dezelfde zorg sneller beschikbaar wordt voor wie erbovenop extra kan betalen. Daarom moet elke erkende praktijk vóór de behandeling duidelijk meedelen wat de patiënt zal betalen: het officiële tarief, het persoonlijk aandeel en elk supplement. Niet in kleine letters, niet pas op de factuur en niet alleen op een website. De prijs moet vooraf begrijpelijk en schriftelijk vaststaan. Voor mensen met een verhoogde tegemoetkoming zijn supplementen uit den boze. Voor andere verzekerde zorg moeten ze streng begrensd worden.
Dezelfde zorg en dezelfde bescherming De plaats waar een behandeling plaatsheeft, mag niet bepalen hoeveel bescherming een patiënt krijgt. Voor een vergelijkbare ingreep moeten vergelijkbare regels gelden, zowel in een ziekenhuis als in een zelfstandige praktijk. Dat betekent niet dat elke kleine praktijk aan alle zware ziekenhuisnormen moet vol-
13
In de praktijk
doen. De regels moeten passen bij het risico. Een raadpleging vraagt iets anders dan een ingreep onder verdoving. Maar over de basis kan geen twijfel bestaan. Minstens een duidelijke verantwoordelijkheid, veilige apparatuur, geschoold personeel, hygiëne, melding van incidenten, een volledig patiëntendossier en een concreet plan voor complicaties. Zodra een praktijk ingrepen uitvoert, moet ze vooraf erkend en controleerbaar zijn. Vrijwillige kwaliteitslabels zoals ISO-normen of JCI-accreditaties zijn nuttig, maar kunnen overheidstoezicht niet vervangen. Ook de resultaten moeten zichtbaar worden. Niet om artsen publiek aan de schandpaal te nagelen, wel om te weten of zorg veilig en doeltreffend is. Zonder gegevens over complicaties, heropnames, doorverwijzing, zorgcontinuïteit en patiëntenervaring kunnen we geen ernstig beleid voeren. We mogen niet tevreden zijn met de bewering dat iets ‘goedkoper’ is als de kosten van nazorg of complicaties vervolgens bij het ziekenhuis, de huisarts of de patiënt terechtkomen.
Artsen verdienen ruimte én een eerlijk kader Artsen hebben terechte bezorgdheden. Een zelfstandige praktijk draagt zelf de kosten van lokalen, personeel, materiaal, verzekeringen en veiligheid. Het huidige tariefmodel maakt onvoldoende duidelijk welk deel de medische inzet vergoedt en welk deel de werking betaalt. Als we supplementen willen beperken, moet de gewone vergoeding voldoende en correct zijn. Een arts mag niet gedwongen worden om kwaliteitsvolle zorg te financieren met onvoorspelbare toeslagen. Ook autonomie en werkbaarheid zijn legitiem. Veel artsen zoeken een omgeving met minder administratie, kortere beslislijnen en beter voorspelbare werkuren. Het antwoord kan niet zijn dat iedereen opnieuw achter de ziekenhuismuren moet. Het ziekenhuis heeft bovendien zelf belang bij goed georganiseerde zorg buiten het ziekenhuis. Professionele vrijheid is echter geen vrijstelling van maatschappelijke plichten. Wie vooral eenvoudige en goed betaalde behandelingen uitvoert, terwijl het ziekenhuis de spoed, nachtelijke permanentie, opleiding en complexe patiënten opvangt, gebruikt een collectieve basis zonder er voldoende aan bij te dragen. Dat evenwicht moet worden hersteld. Extramurale artsen en centra moeten, naar verhouding van hun activiteit, meewerken aan regionale afspraken over bereikbaarheid, wachtdiensten, nazorg en opvang bij problemen.
14
Bescherm ziekenhuizen om wat we van hen nodig hebben Ziekenhuizen waarschuwen terecht dat ze niet alleen de moeilijke en verlieslatende zorg kunnen overhouden. Zij moeten dag en nacht klaarstaan, ook wanneer er geen patiënt op voorhand geboekt is. Ze leiden jonge zorgverleners op, doen onderzoek en vangen complicaties op. Dat kost geld. Toch mag de bescherming van ziekenhuizen geen doel op zich worden. We moeten geen gebouwen of oude inkomstenstromen beschermen, maar noodzakelijke functies. Spoedgevallenzorg, intensieve zorg, permanentie, opleiding en complexe behandelingen moeten rechtstreeks en voldoende worden betaald. Dan hoeft het ziekenhuis die opdrachten niet langer te financieren met inkomsten uit grote aantallen eenvoudige en planbare ingrepen. Dat maakt een eerlijke taakverdeling mogelijk. Eenvoudige zorg dicht bij de burger/patiënt kan buiten het klassieke ziekenhuis, wanneer ze veilig en toegankelijk is. Zware, zeldzame en dringende zorg wordt geconcentreerd waar expertise en permanentie aanwezig zijn. Zo wordt ‘nabij waar het kan, geconcentreerd waar het moet’ meer dan een slagzin.
Geen wilde groei, wel planning volgens behoefte België mag niet wachten tot een ongeregelde markt is gegroeid en pas daarna proberen bij te sturen. Nieuwe centra moeten niet ontstaan waar de koopkracht en de winstkansen het grootst zijn, maar waar patiënten zorg nodig hebben. Regio’s met lange wachttijden of een tekort aan specialisten verdienen voorrang. Regio’s met al een ruim aanbod hebben niet automatisch baat bij nog een centrum dat hetzelfde doet. Daarom is een openbaar register nodig van praktijken, activiteiten, tarieven en eigenaars. Ook moet duidelijk zijn wie achter een centrum zit en waar de winst naartoe gaat. Investeringen kunnen nuttig zijn, maar zorg mag niet worden gestuurd door een kortetermijnrendement. Medische beslissingen moeten bij zorgverleners blijven en winstuitkering mag nooit belangrijker worden dan voldoende personeel, veilige zorg en toegankelijkheid. Ziekenfondsen hebben hierin een duidelijke opdracht. Niet alleen terugbetalen, maar ook volgen waar tekorten ontstaan, patiënten informeren, kosten vergelijken en samen met overheid en zorgverleners waken over gelijke toe-
gang. Dat moet gebeuren binnen één solidair kader, zonder patiënten te selecteren en zonder een lappendeken van aparte verzekeringen als antwoord op tekortschietende basiszorg.
Een helder maatschappelijk akkoord De discussie hoeft niet te eindigen in een keuze tussen ziekenhuiszorg en vrije privézorg. Er is een 3de weg: een gereguleerd en samenhangend zorgnetwerk waarin de patiënt op de meest geschikte plaats wordt geholpen. Daarvoor zijn 5 afspraken nodig: 1. Eén basis voor kwaliteit. Vergelijkbare zorg krijgt vergelijkbare regels, gegevensdeling en controle. 2. Tariefzekerheid. De patiënt kent vooraf de volledige prijs waarbij supplementen streng worden begrensd en voor kwetsbare groepen uitgesloten. 3. Gedeelde verantwoordelijkheid. Wie planbare zorg uitvoert, draagt ook bij aan nazorg, complicatieopvang en regionale zorgcontinuïteit. 4. Eerlijke financiering. De vergoeding volgt de noodzakelijke zorg en de werkelijke kosten, niet de juridische vorm of de plaats van behandeling. 5. Planning volgens behoefte. Nieuwe capaciteit komt waar patiënten ze nodig hebben, niet alleen waar ze het meeste opbrengt.
Besluit We moeten de patiënt beschermen tegen financiële selectie. We moeten artsen beschermen tegen een tariefstelsel dat hun werkingskosten verbergt. We moeten ziekenhuizen beschermen voor de opdrachten die alleen zij dag en nacht kunnen opnemen. En we moeten het zorgsysteem beschermen tegen versnippering en winstbejag. Extramurale geneeskunde verdient een volwaardige plaats in onze gezondheidszorg, maar geen uitzonderingspositie. Wie met collectieve middelen werkt, moet ook collectieve regels aanvaarden. Dat is geen aanval op medisch ondernemerschap. Het is de voorwaarde om vertrouwen te behouden. Zorg mag dichter bij huis komen. Ze mag nooit verder van solidariteit komen te staan.
Informatieblad van Solidaris voor de arts INTE RV I E W
Menopauzeklachten worden nog niet altijd tijdig (h)erkend. Een menopauzeconsulent helpt vrouwen klachten begrijpen, maakt tijd voor maatwerk en slaat de brug tussen leefstijladvies en medische zorg.
Menopauzeconsulent Partner in zorg, maatwerk voor iedere patiënt IMKE KISSEL
De klachten van de menopauze kunnen een grote impact hebben op het dagelijks leven. Toch blijft menopauze nog vaak onderbelicht in de zorg en op de werkvloer. Menopauzeconsulenten kunnen hierin helpen: ze helpen klachten beter te begrijpen, bieden ondersteuning en leefstijladvies op maat en verwijzen gericht naar verdere zorg wanneer nodig. Caroline Oosthuyse werkt al meer dan 10 jaar als menopauzeconsulent en ziet dagelijks hoe belangrijk erkenning en duidelijke informatie zijn.
Caroline Oosthuyse is menopauze consulent. Ze volgde een opleiding aan de Hogeschool VIVES en geeft zelf vorming aan zorgkundigen.
Menopauze in de artsenpraktijk “Tot recent kwam menopauze eigenlijk nauwelijks aan bod in de opleiding van artsen,” vertelt Caroline Oosthuyse. “Omdat menopauze een natuurlijk gebeuren is en artsen vooral opgeleid worden om ziektes te behandelen. Intus-
sen komt het wel kort aan bod, maar nog niet uitgebreid.” In de praktijk ziet Caroline dat klachten zoals slaapproblemen, depressieve gevoelens, gewrichtsklachten of hoofdpijn daardoor soms los van elkaar worden behandeld. “Er wordt niet altijd naar de invloed van hormonen gekeken, terwijl dat echt een verschil kan maken.” Daarom pleit Caroline voor alertheid vanaf 40 jaar. “Veranderingen in de menstruatie kunnen een eerste aanwijzing zijn: hevigere bloedingen, kortere of langere cycli. Daarnaast zijn er klachten zoals opvliegers, nachtelijk zweten, slaapproblemen, gewrichtsklachten en stemmingswisselingen. Sommige patiënten zeggen gewoon: ‘Ik voel mij echt niet meer goed in mijn vel, wat is dit nu?’ Vrouwen die in
het verleden al een depressie doormaakten, vragen zich dan bijvoorbeeld af of ze opnieuw depressief zijn. Als je als arts twijfelt tussen burn-out, depressie of iets soortgelijks, is het zinvol om ook de hormonale levensfase mee in rekening te brengen.” Een verwijzing naar de menopauzeconsulent kan vooral waardevol zijn wanneer patiënten nood hebben aan duiding, leefstijladvies op maat of ondersteuning bij het begrijpen van klachten en zelf management. “Voor veel patiënten valt de puzzel in elkaar wanneer ze begrijpen wat er fysiologisch gebeurt. Vaak volgt dan al een grote opluchting. Menopauze is een natuurlijk proces, maar dat betekent niet dat we de klachten en ongemakken er allemaal moeten bijnemen.” We vragen Caroline: waarin verschilt een consultatie bij een menopauzeconsulent van die bij een huisarts of gynaecoloog? “Een groot verschil is tijd. Een consult bij een arts duurt meestal 10 tot 20 minuten. Die korte consultaties zijn in deze levensfase niet altijd voldoende. Wij werken in een eerste consult meestal een uur tot anderhalf uur. Daardoor kunnen we klachten uitgebreider in kaart brengen, verbanden verduidelijken, uitgebreid informeren en klachten of patronen ontdekken die anders misschien minder zichtbaar blijven.” “Binnen onze rol hebben we een signaal- en brugfunctie. Wij vervangen de arts niet: wij stellen geen diagnoses en schrijven geen medicatie voor, maar verwijzen wel naar de arts of andere gerichte zorg op basis van de signalen die we
15
In de praktijk
opvangen. Ik geef cliënten ook handvatten mee om hun klachten, vragen en verwachtingen helder te bespreken met hun arts of gynaecoloog. Dankzij onze expertise kunnen we een partner zijn in de zorg voor vrouwen tijdens de menopauzale transitie.” Caroline benadrukt daarbij het belang van een goede opleiding. “Hoewel menopauzeconsulent geen wettelijk erkend gezondheidszorgberoep is, worden in Vlaanderen verschillende postgraduaatsopleidingen aangeboden. Daarom is het belangrijk om door te verwijzen naar iemand met zo’n diploma. Permanente bijscholing blijft ook nodig, omdat kennis en behandelopties voortdurend evolueren.”
Op consultatie bij de menopauzeconsulent Hoe verloopt de begeleiding? “Een eerste consultatie start met een uitgebreide anamnese. We vragen naar de leeftijd van de eerste maandstonden, of iemand nog menstrueert en hoe het cycluspatroon veranderd is. Zo proberen we te bepalen in welke fase iemand zit. Daarnaast bevragen we voorgaande operaties, gebruik van medicatie en eventueel supplementen, en de familiale voorgeschiedenis, onder meer voor osteoporose, trombose of diabetes. Bij 50-plussers komt ook deelname aan de preventieve borstkankerscreening aan bod.” “Daarna volgt een brede inventarisatie van lichamelijke, psychische en typische menopauzeklachten zoals opvliegers en nachtelijk zweten. Ik koppel die klachten aan een duiding over hormonale veranderingen, met in het bijzonder de rol van oestrogenen. Wat hebben die oestrogenen tot nu toe gedaan in het lichaam? Hoe hebben ze tot recent mee beschermd tegen osteoporose, hoe speelden ze een rol in de bekkenbodem en preventie van blaasontstekingen of urineverlies? Dat helpt veel cliënten om te begrijpen wat er met hen gebeurt.”
Begeleiding en advies op maat “De begeleiding vertrekt vanuit de klachten of vragen die voor de cliënt het meest belastend zijn. Per klacht geef ik leefstijl advies, onder meer rond voeding, beweging, slaap, stressreductie en herstel. Preventie van potentiële latere gezondheidsproblemen zoals osteoporose of hypertensie krijgt hierbij ook een belangrijke plaats.” “Meestal laat ik 8 weken tussen een
16
“
We moeten af van: ‘het zijn de hormonen, het zal wel overgaan’. Veel vrouwen hebben daar geen boodschap aan.
”
eerste en een tweede consult, zodat cliënten met de adviezen aan de slag kunnen. Ik geef mijn adviezen ook altijd op papier mee. Zeker wanneer geheugen- of concentratieproblemen aanwezig zijn, mag je de informatie niet alleen mondeling meegeven. Vroeger waren 2 of 3 consulten voldoende om de nodige adviezen te geven. Sinds de opkomst van bio-identieke hormonale substitutietherapie krijgen we heel wat vragen over de beschikbare therapieën, waardoor een extra consult nuttig ingevuld kan worden. Als ik voel dat een cliënt na 3 à 4 consultaties meer adviezen of begeleiding wenst, verwijs ik door naar andere zorg zoals een arts, diëtist of psycholoog.” “Dat we niet oordelen, is cruciaal. Als iemand tussen 2 consulten niets met mijn adviezen heeft gedaan, dan is dat zo. Soms heeft iemand daar op dat moment gewoon geen energie voor. Dan kijken we waar wel ruimte voor is. Want menopauze gaat zelden alleen over opvliegers. In consultaties komen ook energiebalans, werkbelasting, perfectionisme, zelfzorg en andere psychosociale factoren aan bod. Bij concentratieproblemen op het werk kan bijvoorbeeld besproken worden of thuiswerk, een rustigere werkplek of overleg met de leidinggevende mogelijk is. Wanneer werkdruk of loopbaanvragen sterk doorwegen, kan een doorverwijzing naar een loopbaancoach nuttig zijn.”
Steeds vaker vragen over hormonale substitutietherapie “Ik krijg veel vragen over hormonale substitutietherapie, bio-identieke hormonen en voedingssupplementen. Als consulent schrijven we dat zelf niet voor, maar we kunnen wel uitleg geven over opties, vormen en mogelijke vragen om verder te bespreken met de arts. Veel vrouwen weten niet dat een huisarts ook hormonen kan voorschrijven, dus ook daar zorgen we voor correcte informatie.” “Op sociale media lezen vrouwen snel: iedereen aan de hormonen, maar niet iedereen is hier noodzakelijk mee geholpen. Tijdens een consultatie zetten we daarom in op educatie en een individuele afweging voor die specifieke cliënt. Voor sommige cliënten, bijvoorbeeld na
borstkanker, zijn niet-hormonale opties extra belangrijk. Voor voedingssupplementen geldt dezelfde regel: niet alle producten zijn voor iedere persoon even zinvol. Zelfs bij dezelfde klachten kan iets wat voor de ene nuttig is net risico’s met zich meebrengen voor een ander.”
Naar meer erkenning en betere zorg tijdens de (peri)menopauze “Menopauzeklachten raken vaak aan meerdere levensdomeinen tegelijk: stemming, werk, relaties, slaap, zelfbeeld en sociaal functioneren. Net daarom mogen we klachten niet minimaliseren of ze los van elkaar benaderen.” “We moeten ook af van: ‘het zijn de hormonen, het zal wel overgaan’. Veel vrouwen hebben daar geen boodschap aan. Bij ongeveer 80% van mijn eerste gesprekken komt de vraag: ‘Hoelang gaat dit duren?’ Dan is het belangrijk dat je het hele verhaal kan schetsen.” Een nauwere samenwerking tussen arts en menopauzeconsulent ziet Caroline als een meerwaarde: de arts is het aanspreekpunt voor diagnose, medische opvolging en eventuele medicamenteuze behandeling, terwijl de consulent tijd en ruimte kan bieden voor duiding, leefstijladvies en ondersteuning op maat. “Samen zorgen we ervoor dat vrouwen beter geïnformeerd worden en zo persoonlijke keuzes kunnen maken waar ze ook echt achter staan.”
Voordeel van Solidaris Solidaris voorziet een terugbetaling voor maximaal 4 consultaties bij een menopauzeconsulent volgens specifieke opleidings- en kwaliteitsvoorwaarden. Voor een eerste sessie bedraagt de terugbetaling 40 euro (50 euro met verhoogde tegemoetkoming), voor de
3 volgende sessies 20 euro (30 euro met VT).
Menopauze consulenten die een erkende opleiding volgden zijn onder andere te vinden via de beroeps vereniging Menofocus.