Ontdek hoe je gratis naar deze beurs op 22 en 23 april kan.
4
Ergo bij autisme en ADHD
Waarom steeds meer huisartsen kinderen naar een ergotherapeut verwijzen.
BOEKBESPREKING
Witte zorg, zwart leed
NATHAN WITTOCK
Recent verscheen Witte zorg, zwart leed van psychologe en opiniemaker Ama Kissi. In haar wetenschappelijk werk schreef ze al over pijnervaring en -behandeling bij geracialiseerde patiënten.* In dit boek deelt ze die kennis met een breder publiek. Maar het is het ook een persoonlijk verhaal, een spiegel voor onze samenleving, een pamflet om beter te doen en een handleiding voor zorgverleners.
In haar boek beschrijft Ama hoe racisme een systemisch, maatschappelijk probleem is met gevolgen voor de gezondheid. Zich baserend op wetenschappelijke literatuur toont ze aan hoe racisme kan leiden tot een suboptimale behandeling, zoals te snel psychoactiva voorschrijven. Racisme-ervaringen zijn ook een grote bron van stress. En racisme heeft indirecte gevolgen. Want zelfs wanneer er geen rechtstreekse aanraking met racisme is, blijft het een te leven realiteit: bijvoorbeeld inschatten hoe iemand uit de hoek kan komen bij een eerste ontmoeting. Ook op macroniveau beïnvloedt discriminatie de levensomstandigheden, bijvoorbeeld door je de toegang tot een kwaliteitsvolle woning of (goed)betaalde arbeid te bemoeilijken.
Ama geeft ons een wetenschappelijke en een persoonlijke inkijk in wat racisme doet, waar de gezondheidszorg tekortschiet en waar verbetering mogelijk is. Al te vaak wordt de impact van racisme geminimaliseerd. Openhartig vertelt ze:
“[Ik kreeg van mijn witte therapeut te horen dat] racisme nu eenmaal deel uitmaakt van de wereld en ik het bestaan ervan beter kon aanvaarden. Het leven bestond immers uit goede en slechte zaken; mensen die deugen en mensen die niet deugen. Ze vertelde me dat mijn verminderd welbevinden niet zozeer te maken had met de racisme-ervaring zelf, maar met de aandacht die ik eraan gaf; ik vatte dit op als: het is mijn schuld.”
De laatste jaren begeleidt Ama in haar klinische praktijk ook zelf steeds meer geracialiseerde zorgvragers. Die toename is misschien een teken aan de wand: hebben we genoeg expertise over racisme in de klinische praktijk, en delen we die voldoende?
Weten, voelen en doen
In haar boek voert ze daarom een vurig pleidooi voor een racismesensitieve benadering. Zorgverleners moeten zich inzetten om te weten. Wat zijn gezondheidsgevolgen van racisme? Wat is de impact van die ongelijkheden op de patiënt? Maar zorgverleners moeten ook voelen. Zoals iedereen moeten ze zich, onvermijdelijk, positioneren in een samenleving waarin racisme bestaat. En zichzelf toelaten om daar – ook zelf – ongemak bij te voelen. Ten slotte moeten zorgverleners doen. Ze moeten hun houding en klinisch handelen aanpassen en openstaan voor andere kennissystemen en zorgpraktijken. Ze moeten ruimte maken om te praten over racisme in de klinische praktijk. Met haar racismesensitieve benadering geeft Ama waardevolle tools om binnen de zorg meer aandacht te besteden aan de impact van racisme. Maar ook breder draagt dit boek bij. Al te vaak wordt van geracialiseerde personen gevraagd om racisme uit te leggen, om hun ervaringen te delen. Zo krijgen ze ook de last op de schouders om mensen te onderrichten.
Ama neemt met dit boek een deel van die last weg door haar talent om moeilijke dingen begrijpelijk uit te leggen in te zetten voor een belangrijke bijdrage tot de vrij beschikbare kennis. Wie iets wil leren over racismesensitiviteit, kan dit boek lezen en de raad die erin staat opvolgen. Een must-read voor iedereen.
‘Geracialiseerd’, wat betekent dat nu weer? We leggen het uit.
De categorieën waarmee we over ‘ras’ spreken, zijn grotendeels gevormd op basis van niet-genetische en niet-biologische verschillen. Het zijn arbitraire constructies geworteld in historische en maatschappelijke ongelijkheden. Om de ‘natuurlijkheid’ van raciale groepen continu in vraag te stellen, gebruiken we hier in navolging van Ama Kissi het woord ‘geracialiseerd’. Dit woord benadrukt dat hoe je gecategoriseerd of gelabeld wordt, het resultaat is van een sociaal proces.
Redactieadres
In de praktijk, Sint-Jansstraat 32, 1000 Brussel indepraktijk@solidaris.be
Adreswijziging of uitschrijven indepraktijk@solidaris.be
In de praktijk is een informatieblad van Solidaris voor de arts. 4 keer per jaar informeren we specialisten en huisartsen over de ziekteverzekering, medische ontwikkelingen en de dienstverlening van ons ziekenfonds voor jou en je patiënt.
Onbezorgd samen op vakantie – mantelzorger én zorgvrager
MARGOT VANDEWALLE
De zorg voor een naaste is intens en laat weinig ruimte voor echte ontspanning. Ook op vakantie blijft die druk voor veel mantelzorgers aanwezig. Mantelzorgvereniging Coponcho wil daarom vakantie mogelijk maken voor iedereen, ook wanneer er een zorgnood is.
Coponcho biedt een toegankelijk en divers vakantieaanbod, afgestemd op de noden en verwachtingen van mantelzorgers en personen met een zorgnood. Als zorgprofessional kan je een belangrijke rol spelen door patiënten en hun mantelzorgers gericht door te verwijzen naar dit aanbod.
Groepsvakanties
Tijdens hun groepsvakanties kunnen mantelzorgers en zorgvragers samen genieten van een ontspannen verblijf. Vrijwilligers zijn 24/7 aanwezig en organiseren laagdrempelige, gezellige activiteiten. Voor de zorgtaken is er een extern verpleegkundig team beschikbaar op vooraf afgesproken momenten.
In 2026 organiseert Coponcho 2 groepsvakanties in Zorghotel Middelpunt in Middelkerke, op wandelafstand
Inspire Health & Care 2026
Vraag een gratis ticket aan
ANNELEEN DE SADELEER
Op 22 en 23 april 2026 vind je Solidaris terug op Inspire Health & Care in Flanders Expo Gent, het ontmoetingsplatform voor zorg- en welzijnsprofessionals. We nodigen je van harte uit om langs te komen aan onze stand en kennis te maken met onze werking rond gezondheid en preventie.
Op onze stand ontdek je hoe Solidaris inzet op preventie en gezondheidsbevordering, onder meer via Vity, onze gezondheidsapp. En ook via tal van andere diensten, projecten en terugbetalingen die zorgprofessionals en hun organisaties ondersteunen. Onze collega’s maken graag tijd voor een
van het strand. Het hotel beschikt over een lekker restaurant, een gezellig binnenterras, een toegankelijke wellness, strandrolstoellen …
Individuele zorgvakanties op maat Coponcho ondersteunt ook mantelzorgers en personen met een zorgnood die individueel op vakantie willen. Via vraagverheldering bieden ze advies over geschikte accommodaties, toegankelijkheid, vervoer en – indien nodig – een zorgplan op maat.
Meer informatie?
Meer informatie over het aanbod van mantelzorgvereniging Coponcho vind je op www.coponcho.be
Zeldzame ziekten:
voorstelling van een nieuw Belgisch actieplan
JOYCE LORIDAN
In aanloop naar Zeldzame Ziektendag op de laatste dag van februari werd het nieuwe Belgisch Plan Zeldzame Ziekten voorgesteld. Deze langverwachte actualisering komt 13 jaar na het vorige plan, terwijl België intussen achterop was geraakt ten opzichte van andere EU-landen. De nood aan vernieuwing is groot, zeker gezien de medische, wetenschappelijke en technologische vooruitgang van de afgelopen jaren.
babbel en beantwoorden met plezier je vragen over de werking van het ziekenfonds.
Op donderdag om 13u30 geven we bovendien een presentatie over Vity , waarin we tonen hoe de app mensen ondersteunt om actief met hun gezondheid aan de slag te gaan. Zin in iets luchtigs tussendoor? Waag dan je kans bij ons behendigheidsspel.
Gratis naar de beurs
Solidaris geeft 150 gratis tickets weg.
Scan de QR-code, laat je gegevens achter en de
Initiatieven zoals de Europese Referentienetwerken hebben de internationale samenwerking versterkt en nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor kennisdeling en expertise-uitwisseling. Toch blijft de diagnostische weg voor patiënten met een zeldzame aandoening vaak lang en onzeker. Gemiddeld duurt het meer dan 4 jaar voor een diagnose wordt gesteld, en soms blijft die zelfs uit. Daarbovenop zijn innovatieve behandelingen vaak zeer duur.
Zeldzame ziekten zijn aandoeningen die minder dan 1 op de 2.000 mensen treffen. Het nieuwe plan wil de zorg en ondersteuning verbeteren. In België gaat het naar schatting om meer dan 500.000 patiënten.
Huisartsen en specialisten spelen een sleutelrol in het verkorten van de diagnostische odyssee door vroege herkenning, aandacht voor alarmsignalen en tijdige doorverwijzing. Een coherent beleid, met de arts als onmisbare schakel, is essentieel om zowel medische als betaalbaarheidsuitdagingen aan te pakken.
Raadpleeg het nieuwe plan via de QR-code
Ergotherapie bij kinderen met ontwikkelingsproblematieken
De minder bekende schakel in de eerstelijnszorg
RUTH LAMERS
Stijn De Baets vertelt waarom de ergotherapeut niet alleen de held is van de ADL, maar ook een waardevolle schakel in de eerstelijnsaanpak van kinderen met een vermoeden van neurobiologische ontwikkelingsstoornissen zoals autisme of ADHD.
Naar de ergotherapeut wordt makkelijk doorverwezen bij ouderen of mensen met een fysieke beperking. Maar kinderen of jongeren?
“Er zijn 4 grote domeinen waar een ergotherapeut ingezet wordt: ouderen en mensen met fysieke of geestelijke gezondheidsnoden zoals burn-out.. Het minst bekende domein zijn de neurobiologische ontwikkelingsstoornissen zoals ADHD, ASS, Developmental Coordination Disorder (DCD) en leerstoornissen. Voor deze groep worden
ergotherapeuten nochtans ook breed ingezet: van advies voor een onderwijsteam tot het verbeteren van ADL-vaardigheden zoals het strikken van schoenveters. Altijd met sterke betrokkenheid van ouders, om maximale winst te halen uit de therapiesessie.”
Focus op het dagelijks leven
Hoe onderscheidt de ergotherapeut zich voor deze doelgroep?
Stijn De Baets doet onderzoek naar maatschappelijke participatie aan de UGent en de VUB. Hij is sinds 1 september 2025 voorzitter van beroepsvereniging Ergotherapie Vlaanderen vzw.
“Waar logopedie focust op communicatie en kinesitherapie op motoriek, vertrekt ergotherapie vanuit participatie in het dagelijks leven. Wij kijken altijd naar de concrete noden in het dagelijks functioneren. Die benadering wint gelukkig aan belang.
“Een medische diagnose blijft uiteraard essentieel, maar even bepalend is de handelingsdiagnose: kan het kind deelnemen aan het schoolse gebeuren? Een zinvolle vrijetijdsbesteding opnemen? Meefietsen met vriendjes? Goed functioneren binnen het gezin met broers en zussen?
“Bij jonge kinderen ligt de nadruk vooral op participatie binnen het gezin. We coachen ook de ouders. Bij oudere kinderen en jongvolwassenen met ontwikkelingsgebonden problematieken verschuift de focus vaak naar school en werk.”
“
De doorverwijzingen van kinderen naar een eerstelijnsergotherapeut nemen toe.
Kind én context
Hoe wordt die school- of werkcontext daarbij betrokken?
“Het kind met een zorgnood staat centraal, maar we werken altijd samen met het gezin of de context. We vertrekken vanuit de ‘occupations’: de betekenisvolle activiteiten voor dit specifieke gezin. Neem een kind dat graag wil deelnemen aan een vrijetijdsactiviteit zoals voetbal. Dan onderzoeken we welke aanpassingen, hulpmiddelen of vaardigheden nodig zijn om volwaardig mee te draaien in een club. We coachen het kind én de ouders bij praktische zaken, zoals met het organiseren van de sporttas. Is het omkleden onder tijdsdruk in een drukke kleedkamer moeilijk? Dan bezoeken we de sportclub en bekijken we samen met de trainer welke ondersteuning nodig is.
“Om de kans op succes te vergroten, moet de begeleiding vooral aansluiten bij de belevingswereld en de context van het kind.”
Ook op school?
“Zeker. Onderwijsbegeleiding is altijd een verhaal van samenwerking. In een schoolcontext zijn er veel betrokken actoren, vaak aangevuld met zorgprofessionals zoals kinesitherapeuten en logopedisten. Idealiter zit de ergotherapeut mee aan tafel – de ergotherapeut is een goed geplaatste casemanager – om prioriteiten te bepalen en concrete acties af te spreken en op te volgen.”
Is een diagnose zoals ADHD of autisme nodig voor doorverwijzing?
“Een formele diagnose is niet noodzakelijk. De aanwezigheid van functionele problemen in het dagelijkse leven volstaat.
“De ergotherapeut maakt een assessment van het functioneren van het kind en stelt via observaties, vragenlijsten en gesprekken een functioneringsprofiel op. Op basis hiervan volgt een begeleidingsfase met ouder-
Doorverwijzing
Huisartsen kunnen een kind doorverwijzen naar een ergotherapeut wanneer er signalen zijn van moeilijkheden in het dagelijks functioneren, zoals:
• problemen met ADLvaardigheden (‘algemene dagelijkse levensverrichtingen’, denk maar aan aankleden, eten, organiseren van schoolmateriaal)
• vastlopende participatie op school (schrijven, spelen, werkgeheugen, planning, taakaanpak, prikkelverwerking, ...)
• moeilijkheden om deel te nemen aan vrijetijdsbesteding of sport
• bezorgdheden geuit door ouders, leerkrachten of het kind zelf.
Op de website van Ergotherapie Vlaanderen staat een handig doorverwijsformulier voor huisartsen waarop je kan aanvinken voor welke behandeling je doorverwijst.
coaching of advies aan een leerkrachtenteam. Belangrijk om te benadrukken: dit zijn altijd praktische en afgestemde aanbevelingen. Er wordt niet zomaar een lijstje standaard tips gegeven; zo hebben ouders er vaak al 100 gehad. Succesvolle adviezen kaderen binnen een breder plan van aanpak en zijn afgestemd op en mét het specifieke gezin.
“Wanneer nodig wordt ook therapie opgestart. Dan werken we samen met het kind en diens context aan de dingen die mislopen in het dagelijks leven.”
En hoeveel kost dat dan aan het gezin?
“Helaas is er nog geen RIZIV-terugbetaling. De ergotherapeut werkt wel altijd op voorschrift van een arts, maar er is geen vast, vooraf bepaald aantal sessies. Gemiddeld kost een sessie 60 tot 70 euro, alhoewel elke ergotherapeut vrij het ereloon kan bepalen.
“Solidaris komt sinds vorig jaar bij een vermoeden van ADHD wel tussen voor 4 ergotherapiesessies voor kinderen en jongeren. Inzetbaar zowel aan huis als in een praktijk. De duur van een sessie hangt af van de hulpvraag: een therapiesessie van een uur is intensief, maar voor een schoolbezoek is een uur vaak onvoldoende.”
Hoe verloopt de informatieuitwisseling met andere zorgactoren?
“De ergotherapeut is in de eerste lijn nog een relatief nieuwe partner. Dat biedt mooie kansen, maar toont ook waar verdere verankering nodig is. Onder meer op het vlak van efficiënte informatie-uitwisseling en systemen voor consent, codering en gegevensdeling. In de praktijk worden verslagen van ergotherapeuten niet standaard via CoZo gedeeld. Maar nog via papier of e-mail. Ergotherapie Vlaanderen wil hierover met de andere beroepsgroepen in gesprek gaan.”
Populariteit stijgt
Er zijn meer kinderen en jongeren met ADHD. Zijn er ook voldoende ergotherapeuten in de eerste lijn?
“Ons aantal neemt toe. Professionals die in de thuiszorg actief zijn, kan je met hun specialisatie vinden via www.zoekeenergotherapeut.be, waar ze door ons worden gevalideerd. Als beroepsvereniging ondersteunen we hen onder meer met opleidingen, wettelijke eisen, businessplanning en informatie over nieuwe nomenclatuur.
“De doorverwijzingen van kinderen naar een eerstelijnsergotherapeut nemen duidelijk toe. Huisartsen kampen soms met een patiëntenstop en zijn op zoek naar partners die een deel van de eerste zorg kunnen opnemen. Bovendien zijn de wachtlijsten voor diagnostiek bij vermoeden van ADHD of andere ontwikkelingsproblemen doorgaans lang. Ergotherapeuten kunnen vroegtijdig inschatten waar moeilijkheden liggen op het vlak van dagelijks functioneren en al gerichte, praktische ondersteuning bieden. Voor huisartsen betekent dat goed nieuws: ze hoeven niet te wachten op een diagnose om gezinnen al verder te helpen. Eerstelijnsergotherapie kan net in die tussentijd het verschil maken.”
Voordeel van Solidaris
Solidaris voorziet een jaarlijkse terugbetaling voor eerstelijnsergotherapie bij (een vermoeden van) ADHD van 4 keer 20 euro voor leden 6-18 jaar.
Laat je patiënt niet alleen zoeken
Terugkeer naar werk is geen sprong, maar een traject
AICHA SIDKI
Langdurig ziek zijn stopt niet bij genezing. Want dan komt de vraag: hoe start ik het werk opnieuw op?
Geen kwestie van motivatie, maar een proces van heropbouw. Gelukkig hoeft je patiënt daar niet alleen door. Er is een gids.
De terug naar werk-coördinator brengt richting, rust en overzicht.
De impact van ergotherapie op een gezin waar ADHD in het spel is?
Lees er meer over:
De patiënt De terug naar werk-coördinator
“Ik weet het even niet meer.”
BELEVING
Onzekerheid na langdurige ziekte.
ROL
Brengt rust en overzicht.
Luistert zonder oordeel. Start traject
Eén verhaal, gedeelde verantwoordelijkheid
De terug naar werk-coördinator verbindt zorg en werk, zodat niemand tussen systemen verdwijnt.
Adviserend arts
Behandelend arts
Arbeidsarts of preventieadviseur
Multidisciplinair team (MDT)
VDAB, Actiris en REAR
“Hoe
begin ik
eraan?”
“Wat kan ik nog?”
BELEVING
Twijfel over mogelijkheden.
ROL
Verkent haalbare opties: aangepast werk, een andere job, een opleiding … Focust op wat wél kan.
BELEVING
Praktische en administratieve vragen.
ROL
Stem af met zorg en werk. Schakelt de juiste partners in.
“Durf ik dit?”
BELEVING
Schrik om opnieuw te starten.
ROL
Maakt kleine stappen zichtbaar. Bouwt vertrouwen op.
Wie kan erbij terecht?
Elke persoon die erkend arbeidsongeschikt is en nog mogelijkheden heeft om (deels) te werken, kan terecht bij de terug naar werk-coördinator. Dat geldt voor werknemers, zelfstandigen en werkzoekenden.
Een traject kan starten via de adviserend arts op eigen initiatief via VDAB, Actiris of andere zorg- of werkactoren.
Elke ingang telt. Het belangrijkste: de patiënt geraakt binnen en krijgt de nodige begeleiding.
Contacteer onze terug naar werk-teams:
· Antwerpen % tnw.ant@solidaris.be Brussel en % returntowork.bra@solidaris.be
1 Luister naar wat je patiënt zelf zegt of laat voelen: twijfel over werk, vragen over toekomst, zin om opnieuw iets op te nemen.
2 Normaliseer, en benoem de mogelijkheden. Je kan voorzichtig aangeven dat er begeleiding bestaat, zonder aan te sturen. Het mag beetje bij beetje gaan, dat is oké.
3 Verbind. Laat je patiënt kiezen hoe het verder gaat. Neemt die contact op met de terug naar werk-coördinator of steek jij het in gang?
Gewicht in de zorg
Hoe nuance en samenwerking het verschil maken
MARIE TRAPPERS – REBELLE
Marianne Nykjaer (37) pleit al jaren voor zorg waarin de mens centraal staat, niet het gewicht. Vanuit haar ervaringen ziet ze hoe gewicht soms onbewust een te grote rol speelt in medische beslissingen. We vragen haar hoe dat komt, welke impact het heeft, en hoe zorgverleners en patiënten samen kunnen werken aan zorg die accurater, inclusiever en respectvoller is. Niet om de vinger te wijzen, maar om te tonen hoe kleine aanpassingen een groot verschil kunnen maken voor mensen met een hoger gewicht.
Marianne Nykjaer is bodypositive schrijver, spreker en activist. Met Dik Voor Mekaar strijdt ze tegen discriminatie.
Marianne noemt zichzelf iemand die “al haar hele leven dik is”. Toch voelde ze de gevolgen van gewichtsbias het scherpst in haar twintigerjaren, toen ze plots ernstig vermagerde. “Ik verloor 50 kilo in 3 maanden, terwijl ik altijd moeite heb gehad om af te vallen. De eerste arts die ik over dat gewichtsverlies sprak, feliciteerde me. Hij schreef het toe aan examenstress en zag geen reden om het verder te onderzoeken.” Ook in haar omgeving werd het onverwachte gewichtsverlies toegejuicht. Ondertussen voelde Marianne zich steeds slechter. Pas na een bloedonderzoek werd duidelijk wat er echt aan de hand was: haar pancreas was aan het falen. Ze bleek type 1-diabetes te hebben en belandde anderhalve week op intensieve zorgen.
“
‘Obees’ en ‘overgewicht’ klinken medisch, alsof er iets mis is met mijn lichaam.
Toen ze startte met insuline, kwam haar gewicht terug omhoog. “Op dat moment was ik gezonder dan voordien, maar mensen vonden het ‘jammer’. Ze zeiden dat ik mezelf had laten gaan. Mijn gezondheid werd en wordt door anderen uitsluitend door mijn gewicht gelezen.”
Gewichtsbias:
wat het is en hoe werkt het?
Door diabetes en een fysieke beperking kwam Marianne vaak in aanraking met zorgverleners. “En helaas ook met vooroordelen,” vertelt ze. Dik Voor Mekaar onderscheidt 3 niveaus van gewichtsbias:
1. Institutionele bias. Zorgmaterialen en infrastructuur die onvoldoende afgestemd zijn op diverse lichaamstypes: te kleine bloeddrukmeters, te korte injectienaalden, behandeltafels met gewichtslimieten, smalle stoelen …
2. Interpersoonlijke bias. De woorden, beelden en aannames die we gebruiken wanneer we over mensen met een hoger gewicht spreken.
3. Intrapersoonlijke bias. Wanneer mensen met een hoger gewicht die vooroordelen internaliseren en gaan geloven dat ze hun slechte behandeling verdienen.
Taal doet ertoe: waarom Marianne het woord ‘dik’ gebruikt
Niet iedereen met een hoger gewicht voelt zich goed bij het woord ‘dik’, maar voor Marianne is het een neutrale, zelfgekozen beschrijving. Wat wél problematisch is, zijn woorden als
‘obees’ of ‘overgewicht’. Dat zijn medische termen, gebaseerd op BMI-categorieën, die doen uitschijnen dat er iets mis is met een lichaam met een hoog gewicht.”
Taal maakt zichtbaar hoe sterk BMI ons denken beïnvloedt. “We gebruiken medische labels alsof ze neutraal zijn, maar ze sturen gesprekken, verwachtingen en behandelingen. Daarom is het zo belangrijk om stil te staan bij welke woorden we kiezen, zoals ‘een hoger gewicht’ of gewoon het feitelijke getal op de weegschaal.”
Waarom BMI nog zo’n grote rol speelt
Hoewel BMI oorspronkelijk bedoeld was voor statistiek en niet voor individuele medische beslissingen, is het in de praktijk uitgegroeid tot een allesbepalende maat. Marianne vraagt zich af waarom.
“Ik begrijp dat gewicht relevant kan zijn en dat categorisering in onderzoek nuttig kan zijn. Maar waarom speelt BMI nog zo’n rol in individuele zorg? Waarom weegt het zwaarder dan de medische voorgeschiedenis of het verhaal van de persoon die voor je zit?”
Toch wordt BMI nog op grote schaal gebruikt. Marianne ziet dat onder andere in:
· beperkingen bij fertiliteitstrajecten
· voorwaarden voor bepaalde medicatie
· uitsluitingen bij klinische studies het gebruik van oefenlichamen. Marianne spreekt over een paradox: “Aan de ene kant zien we dik zijn als een ‘epidemie’, aan de andere kant zijn we niet significant genoeg om in onderzoek en infrastructuur mee te nemen. Dat is frustrerend en schadelijk.”
De gevolgen: zorg mijden en verergerde klachten
De impact van gewichtsbias is groot. Onderzoek toont dat tot 80 % van mensen met een hoger gewicht zorg uitstelt of mijdt. “Het systeem houdt zichzelf zo in stand,” zegt Marianne. “Negatieve ervaringen zorgen ervoor dat mensen later naar de dokter gaan. Tegen de tijd dat ze er wél geraken, zijn hun klachten erger en dat wordt dan gezien als bewijs dat dikke mensen ongezonder zijn.”
De reflex om gewicht als eerste verklaring te gebruiken, draagt daaraan bij. “Geen enkele aandoening komt exclusief voor bij dikke mensen,” benadrukt Marianne, “maar bij dunne patiënten zoeken we naar verschillende oorzaken. Bij dikke patiënten wijst men te snel naar het gewicht, waardoor belangrijke diagnoses soms te laat of zelfs helemaal niet gesteld worden.”
Daarbovenop komt de continue stress die mensen ervaren door de vooroordelen. “Die spanning draag je mee de spreekkamer in,” zegt ze, “en als je vervolgens wordt weggestuurd met alleen het advies om af te vallen, voelt dat niet als zorg.” Gewichtsverlies is bovendien niet altijd relevant, en als het al een rol speelt, vraagt het tijd. “In de tussentijd verdienen mensen een volledige, correcte behandeling, ongeacht of anderen hun gewicht als ‘eigen schuld’ zien.”
Aan de ene kant is dik zijn een ‘epidemie’, aan de andere kant zijn we niet significant genoeg om mee te nemen in onderzoek en infrastructuur. Dat is frustrerend en schadelijk.
Vertrouwen herstellen: hoe het anders kan
De gevolgen van stigmatisering kunnen jarenlang nazinderen. Marianne herinnert zich hoe een gynaecoloog het gepast vond om haar midden in een onderzoek een gastric bypass aan te raden. “Het heeft jaren geduurd voor ik opnieuw durfde te gaan, ook al wist ik dat het nodig was.”
Toch zag ze ook het omgekeerde. “Sommige zorgverleners hebben in hun eentje mijn vertrouwen in de medische wereld hersteld. Die mensen redden levens.”
Bij nieuwe zorgverleners benoemt ze meteen haar wensen. “Ik zeg dat ik weet dat ik dik ben, maar dat afvallen niet mijn prioriteit is. Dat ik op andere aspecten van mijn gezondheid wil focussen. Wanneer een zorgverlener dat respecteert, ontstaat er een veilige ruimte. Ironisch genoeg voel ik me dan wél vrij om over mijn gewicht te praten wanneer dat relevant is.”
Wat kan je als zorgverlener doen
Geen extra werk, wél veel effect:
Erken de drempels. Mensen met een hoger gewicht dragen vaak negatieve ervaringen mee. Het vertrouwen start met een achterstand.
Stel aannames over gewicht in vraag en blijf je informeren. Dik Voor Mekaar en Health At Every Size zijn goede startpunten.
Kies voor geschikte materialen en vermijd stigmatiserende beelden.
Behandel elke patiënt als individu. Vraag jezelf af: “Zou ik dit anders benaderen bij een dun persoon?”
Gebruik neutrale taal. Vermijd BMI-termen als ‘overgewicht’ of ‘obees’. Spreek liever over ‘personen met een hoger gewicht’ of noteer simpelweg het feitelijke gewicht in je verslagen.
Vraag expliciet of gewicht besproken mag worden. Bij een eenmalig consult is dat vaak niet nodig; bij langdurige opvolging soms wel.
Wees precies over risico’s. Niet elk ‘verhoogd risico’ is klinisch relevant. Benoem alleen wat écht betekenisvol is en wees specifiek.
Endometriosezorg komt tot wasdom
BART DEMYTTENAERE
7 tot 10 jaar. Dat is de gemiddelde ‘diagnostic delay’ die patiënten met endometriose ervaren. Voor artsen en andere zorgverleners is dit cijfer een pijnlijke spiegel. Het wijst niet alleen op een gebrek aan herkenning in de eerste lijn, maar ook op een structureel falen van ons versnipperde zorglandschap. Met de nieuwe beleidsplannen op tafel, gebaseerd op het recente KCE-rapport, staan we op een kantelpunt: kiezen we voor kwaliteit door samenwerking, of blijven we hangen in een model van concurrentie en versnippering?
Laten we eerlijk zijn: de term ‘endometriosekliniek’ is in België verworden tot een vrijblijvend marketinglabel zonder kwaliteitsgarantie. De realiteit achter de gevels is vaak ontnuchterend. Uit de KCE-analyse blijkt dat een kwart van de ziekenhuizen die endometriose behandelen, jaarlijks minder
Verhoogde tegemoetkoming versterken? Dan moet het debat eerlijker
De verhoogde tegemoetkoming (VT) maakt voor duizenden mensen het verschil tussen zorg krijgen en zorg uitstellen. Artsen zien dagelijks wat uitgestelde zorg betekent: verergerde klachten, complexere trajecten, hogere kosten op lange termijn. De VT is dus geen sociaal extraatje, maar een structureel instrument van volksgezondheid.
dan 13 ingrepen uitvoert. Bij complexe chirurgie, zoals diepe endometriose met darmresectie, geldt echter een ijzeren wet: ‘volume equals outcome’. Expertise verwateren over 99 ziekenhuizen is medisch onverantwoord.
Tegen die achtergrond is het debat over “misbruik” van de VT bijzonder gevoelig. Wie het systeem in vraag stelt, raakt aan de toegang tot zorg voor mensen met een beperkt inkomen. Dat vraagt nuance en ernst.
Het is evident dat elk solidair systeem correct moet functioneren. Solidaris ondersteunt proportionele en datagedreven controle. De verhoogde tegemoetkoming wordt vandaag al toegekend op basis van objectieve criteria. Er bestaan meerdere toegangsroutes en er wordt gewerkt met inkomensonderzoeken en databankconsultaties om mensen die recht hebben ook effectief te bereiken, in lijn met administratieve vereenvoudiging en het ‘only once’-principe. Bovendien zijn er voortdurende controles na toekenning, onder meer via opvolging
Plan van aanpak
Niv. 1 Vroege detectie en niet-invasieve therapie › Huisartsen en algemeen gynaecologen
Niv. 2 Geavanceerde diagnostiek en basischirurgie › Locoregionale klinieken met minstens 50 ingrepen per jaar
Niv. 3 Meest complexe casussen › Supraregionale expertisecentra
3 verbonden niveaus
Het nieuwe plan van aanpak, dat nu op de tekentafel ligt, pleit gelukkig niet voor een blinde centralisatie die de patiënt van zijn vertrouwde arts wegrukt. Het stelt een getrapt netwerkmodel voor dat recht doet aan de complexiteit van de pathologie én de realiteit van ons ziekenhuislandschap.
De logica is helder. De huisarts en algemeen gynaecoloog (Niveau 1) blijven de cruciale poortwachters voor vroege detectie en niet-invasieve therapie. De locoregionale klinieken (Niveau 2) vangen de grote groep patiënten op voor geavanceerde diagnostiek en basischirurgie, mits zij voldoende volume (minimaal 50 ingrepen/jaar) draaien om routine te borgen.
De echte paradigmashift zit in de oprichting van een beperkt aantal supra-regionale expertisecentra (Niveau 3). Deze centra zijn er niet om patiënten “af te pakken”, maar om de ultra-complexe casussen – de diepe endometriose, de ‘frozen pelvis’, de
van gezinssamenstelling en jaarlijkse gegevensuitwisseling. Het beeld van een vrijblijvend “cadeau” klopt niet.
Gelijke spelregels
Maar wie pleit voor strengere controles, moet consequent zijn. Draagkracht is meer dan het belastbaar loon op een loonbrief. In een samenleving waar inkomens steeds diverser worden georganiseerd – via vennootschappen, kapitaalinkomsten, vastgoed of andere constructies – is een beleid dat alleen klassieke inkomensvormen toetst, per definitie onvolledig.
Dit gaat niet om mensen met een vennootschap te viseren. Het gaat om gelijke spelregels. Als de toegang tot een sociaal recht afhangt van draagkracht, dan moet die draagkracht correct en volledig in beeld gebracht
thoracale endometriose – multidisciplinair aan te pakken met gynaecologen, darmchirurgen en urologen die dagelijks op elkaar zijn ingespeeld. Voor veel artsen voelt doorverwijzen vandaag als een financieel risico. Het nieuwe model pareert dit met het concept van ‘shared surgical care’. De verwijzende gynaecoloog wordt niet buitenspel gezet, maar kan participeren in het multidisciplinair overleg en zelfs assisteren bij de ingreep in het expertisecentrum. Zo borgen we de continuïteit voor de patiënt én de expertise voor de arts.
Overleg is geen bijzaak meer
Bovendien wordt eindelijk de financiële weeffout in ons systeem aangepakt. Kwaliteitsvolle endometriosezorg staat of valt met overleg en coördinatie : tijd die vandaag onbetaald blijft. Daarom worden nomenclatuurcodes ingevoerd voor een multidisciplinair consult en worden endometrioseverpleegkundigen gefinancierd via een conventie.
kunnen worden.
In dat kader is een vermogensregister geen ideologische stok, maar een administratief instrument. Wie controle wil, moet ook de nodige informatie durven organiseren. Anders verschuift de druk automatisch naar wie het minst mogelijkheden heeft om zijn situatie complex te structureren.
Meer fiscale transparantie
De keuze is dus niet tussen controle of solidariteit. De echte keuze is tussen een eenzijdig debat dat wantrouwen zaait tegenover kwetsbare mensen, of een volwassen aanpak die de VT versterkt door alle vormen van draagkracht correct te toetsen.
Een terugkeer naar méér drempels of het afbouwen van automatische toekenningen zou vooral het risico
EndoHorizon
Sterke endometriosezorg draait rond samenwerking, expertise en duidelijke doorverwijzing. Hoe organiseer je dat concreet in een versnipperd zorglandschap, zónder patiënten of zorgverleners te verliezen onderweg?
Wil je mee nadenken over hoe we kwaliteit en samenwerking écht verankeren in de praktijk?
Neem op zaterdag 28 maart deel aan EndoHorizon, een uniek event voor zorgprofessionals, patiënten en beleidsactoren. Behind Endo (Stories) vzw en Solidaris organiseren deze activiteit om kennisdeling, netwerking en samenwerking te stimuleren. We brengen nieuwe perspectieven samen en maken we het bespreekbaar: van vroege detectie tot gedeelde zorg en multidisciplinair werken.
Waar en wanneer
Zaterdag 28 maart 2026, 8u15 tot 17u30 Pachthofstraat 1, 9308 Gijzegem (Aalst)
Prijs
125 euro per persoon (incl. lunch) Accreditering is voorzien.
Reserveer je plek via de QR-code
op non-take-up vergroten: mensen die wél recht hebben, vallen dan uit de boot.
Solidaris pleit daarom voor een objectieve, controleerbare aanpak: minder afhankelijk van verklaringen op eer, meer werken met betrouwbare digitale bronnen. Met respect voor privacy en duidelijke wettelijke omkadering, uiteraard. Een vermogensregister en een werkbare vennootschapstoets zijn hierin logische hefbomen: wie het debat ernstig neemt, kan niet tegelijk strenger willen controleren én de noodzakelijke transparantie blokkeren.
Sociale rechten die voortdurend in twijfel worden getrokken, verliezen draagvlak. Transparantie versterkt net dat draagvlak. Wie de geloofwaardigheid van de sociale zekerheid wil bewaken, moet ze ook eerlijk organiseren.
Arbeidsongeschiktheid bij personen die lijden aan chronische polyartritis
HILDE BAEYENS
180 000 Belgen lijden aan polyartritis. Onder hen ook een grote groep jongere patiënten. Zo ontstaat deze auto-immuunziekte vaak na een zwangerschap. Naast de pijnlijke en stijve gewrichtsontstekingen, vertonen de patiënten andere ‘onzichtbare’ gevolgen: ernstige vermoeidheid, spierzwakte, hoger gebruik aan antidepressiva, meer cardiovasculaire aandoeningen, meer chronische pijnmedicatie. Chronische polyartritis tijdig herkennen en patiënten doorverwijzen naar reumatologen zijn cruciaal.
Polyartritis heeft een enorme impact op de levenskwaliteit, maar ook op het arbeidspotentieel van deze leden. Globaal is 1 op 3 van de patiënten invalide (zie grafiek). De getuigschriften van arbeidsongeschiktheid worden in 70 % van de gevallen door de huisartsen geschreven, in 6,1 % door reumatologen en 6,4 % door orthopedisten. Dat blijkt uit cijfers van onze studiedienst.
Voor de patiënt gaan de zorgkosten steevast omhoog: meer opnames en meer raadplegingen bij de huisarts en de reumatoloog. Leden met polyartritis hebben op alle leeftijden een hogere kans op het overschrijden van de maximumfactuur en hebben vaker recht op het statuut chronische aandoening.
We wensen een warme oproep te lanceren naar huisartsen om chronische polyartritis te herkennen en
tijdig door te verwijzen naar reumatologen. Op die manier kan er vroegtijdig gestart worden met de specifieke behandelingen, waardoor de ontsteking snel onder controle kan gebracht worden.
Daarnaast dient voldoende aandacht te gaan naar de psychische effecten en de financiële gevolgen. Het streven naar een gezonde levensstijl, en een niet-medicamenteuze aanpak van pijn door ergonomische maatregelen, kan veel leed besparen en mensen actief houden. Een multidisciplinaire aanpak vroeg in het ziekteproces is aan te raden om kwaliteit van leven en arbeidsgeschiktheid te behouden. Kinesitherapeuten maar ook ergotherapeuten, psychologen en diëtisten kunnen hier een rol van betekenis spelen. Blijven bewegen is de beste remedie.
Besnijdenis enkel terugbetaald bij medische noodzaak
In het kader van het regeerakkoord is er een voorstel opgesteld om besnijdenissen om niet-medisch redenen niet langer te vergoeden. Lees hier aan welke voorwaarden de verstrekking moet voldoen.
Tot nu toe kon je een besnijdenis aanrekenen, zonder specifieke bijkomende voorwaarden. Zodra de nieuwe regeling in het Staatsblad gepubliceerd is (verwacht in maart of april van dit jaar), zal je als behandelaar deze 2 verstrekkingen kunnen attesteren: · 260934-260945 Circumcisie 262614-262625 Circumcisie bij kind jonger dan zes jaar.
Wat verandert er?
Deze verstrekkingen kunnen enkel nog aangerekend worden bij een medische indicatie voor de besnijdenis, zoals phimosis of terugkerende infecties. Ze mogen dus niet geattesteerd worden voor culturele of religieuze besnijdenissen.
Toepassingsregels
In de toepassingsregels staat dat het medisch dossier alle elementen moet bevatten die tot de diagnose van de medische indicatie hebben geleid. Voor de verstrekking voor jonge kinderen komt daarbij dat je een notificatieformulier naar de adviserend arts moet sturen. Enkel met een correcte notificatie is er een vergoeding.