Skip to main content

SFV Jaarverslag 2025 NL

Page 1


SOCIAAL VERWARMINGSFONDS

JAAR2025 VERSLAG

Sociaal Verwarmingsfonds vzw

Joseph Stevensstraat 7 - 1000 Brussel

KBO BE0 871.323.581

Jaarverslag 2025 van de Raad van Bestuur, goedgekeurd door de Statutaire Algemene Vergadering van 27 mei 2026.

1. Inhoudstafel

5.3.1.

5.3.8.

6.1.

Het

0,9737 €/l

hoogste prijs voor stookolie voor verwarmingsdoeleinden op 17 januari 2025

(voor < 2000 liter, btw incl.)

0,7414 €/l

laagste prijs voor stookolie voor verwarmingsdoeleinden op 13 september 2024 (voor < 2000 liter, btw incl.)

63.887 huishoudens

zullen een toelage verkregen hebben van het Sociaal Verwarmingsfonds (-5,625%)*

1.229 liter stookolie per huishouden (gemiddeld)

68.689.438 liter

brandstof voor verwarmingsdoeleinden werd betoelaagd via het Sociaal Verwarmingsfonds (-4.89%)*

* Definitieve verwezenlijkingen op basis van de boekhoudkundige data en statistieken Smals.

11.285.046 € toelagen uitgekeerd*

87.817 keer gebruik gemaakt van de simulatiemodule

15.357

downloads van het aanvraagformulier

1.798

contacten via ons contactcenter (telefoon + digitaal)

1.054 liter propaangas per huishouden (gemiddeld)

55.716 unieke bezoekers op onze websites verwelkomd

769.986 interacties op onze website

172 € gemiddelde toelage per huishouden

923.499 bereikte personen via ons facebookkanaal

3,3 miljoen keer werd één van onze berichten getoond

3. Voorwoord

Mag het iets meer zijn aub?

Met genoegen presenteren wij het jaarverslag 2025 van vzw Sociaal Verwarmingsfonds, goedgekeurd door de Buitengewone Algemene Vergadering van 27 mei 2026.

Ook dit jaar was de prijs van onze producten volatiel. In 2025 bedroeg het verschil tussen de hoogste en laagste dagprijs 20,53 % (zie p. 13) wat overeenkomt met een verschil van 0,20 € per liter.

Een recente analyse van de Nationale Bank heeft aangetoond dat gezinsuitgaven voor wonen en energie – de belangrijkste uitgaven in een gezin- weinig tot niet aanpasbaar zijn (zie p 13). Gezinnen met lagere inkomens besteden hierdoor relatief meer van hun gezinsinkomen aan wonen en energie dan gezinnen met hogere inkomens. Hierdoor zijn zij kwetsbaarder voor schommelingen in de markt, wat ten koste gaat van andere noodzakelijke uitgaven.

Resultaat is dat uit de armoede-indicatoren van de FOD Economie vandaag blijkt dat gezinnen in energiearmoede 13,6% van hun maandelijks beschikbaar inkomen besteden aan energie, ten opzichte van 6,2% voor alle huishoudens samen, meer dan het dubbele dus.

Wanneer we de situatie van onze gezinnen begin 2021 vergelijken tot en met einde 2025 (in gelijke omstandigheden, kostprijs van de brandstof na de toelage) dan merken we op dat de kostprijs van energie voor deze gezinnen in 5 jaar tijd beduidend gestegen is (tussen 1 januari 2021 en 31 december 2025 komt dit neer op een verdubbeling van de kostprijs voor deze gezinnen (zie p. 22).

De gevolgen hiervan zijn duidelijk zichtbaar in onze resultaten voor 2025. Sommige huishoudens beslissen om deze reden om de aankoop van energie uit te stellen of gewoonweg om geen energie meer aan te kopen voor verwarming. Zij blijven dan letterlijk in de koude zitten. Zo wordt de verdoken energiearmoede enkel groter.

Ondertussen heeft de Minister van Energie onze erkenning voor de vierde maal verlengd (tot september 2030). Maar alleen de verlenging van onze erkenning is onvoldoende.

Het Sociaal Verwarmingsfonds heeft de laatste jaren zeer sterk ingezet in maatregelen om onze werking efficiënter te maken, met goede resultaten. De doeltreffendheid van de huidige maatregelen brokkelt echter af. De huidige tussenkomst is te laag in vergelijking met de marktprijzen. Bovendien wordt de prefinanciering door onze begunstigden, die door de toekenningswijze wordt opgelegd, een steeds grotere drempel. Huishoudens in energiearmoede worden verschillend behandeld naargelang de brandstof die ze gebruiken, wat niet louter verklaard kan worden door de ecologische voetafdruk van de betrokken brandstof.

De toekomst belooft alleen maar moeilijker te worden, gezien de concrete maatregelen die op ons afkomen en prijsverhogend zullen zijn voor de verbruikers van onze verwarmingsproducten:

• Het "Arizona"-begrotingsakkoord voorziet in een geleidelijke accijnsverhoging op huisbrandolie (van 17,2564 naar 23 euro per 1.000 liter in 2026, oplopend tot 26 euro tegen 2029)

• Vanuit Europa komt de belangrijkste prijsverhogende maatregel onder de vorm van een bijkomende CO2 koolstofprijs (ETS2) op fossiele brandstoffen, Vanaf 2028 zullen op fossiele brandstoffen emissierechten verschuldigd zijn, die de consument op bijkomende kosten jaagt.

Bovendien werd Europe op 28 februari 2026 ruw ontwaakt door de oorlog tussen Iran en de coalitie van Amerika en Israël. Naast de onomkeerbare gevolgen voor de wereld resulteert dit opnieuw in een economische ontwrichting in Europa met sterk stijgende energieprijzen en een aanwakkerende inflatie. Vooral onze doelgroepen in energiearmoede zullen de gevolgen hiervan sterk voelen in hun koopkracht.

Onze oproep aan de beleidsvoerders is dus duidelijk: Mag het iets meer zijn aub?

Wij hopen dat onze regering effectief werk maakt van een hervorming van de sociale energierechten, indien niet binnen een globale hervorming van alle sociale energierechten, dan toch minstens door een specifieke hervorming van de tussenkomsten van het Sociaal Verwarmingsfonds.

Het Sociaal Verwarmingsfonds wenst met onze beleidsmakers in gesprek te gaan opdat het verwarmen van een gezinswoning in België effectief één van onze verzekerde basisvoorzieningen wordt. We hebben immers allemaal recht op een warme thuis, toch?

4. Context

4.1. Onze opdrachten en missie

Het Sociaal Verwarmingsfonds werd op 5 november 2004 opgericht door vertegenwoordigers van de verwarmingssector (stichtende leden). Het ministerieel besluit van 16 september 2005 heeft de vzw haar eerste erkenning van vijf jaar verleend, om de OCMW's de nodige middelen te verschaffen om een nieuwe taak te vervullen: het toekennen van een verwarmingstoelage aan bepaalde personen met een laag inkomen. Ondertussen werd onze erkenning voor een vierde maal verlengd voor een periode van vijf jaar: vanaf 21 oktober 2025 tot en met 20 september 2030.1

De taken van het Verwarmingsfonds worden als volgt omschreven:

• Inning en beheer van de bijdragen nodig voor de financiering van de verwarmingstoelagen;

• Het verzorgen van de publiciteit met betrekking tot het bestaan en de toekenningsvoorwaarden van de verwarmingstoelagen;

• Het voorzien van de OCMW ’s van de nodige financiële middelen voor het toekennen van de verwarmingstoelagen;

• Sinds 28/12/2006: het verzorgen van de publiciteit naar de doelgroep toe met betrekking tot het systeem van wettelijke minimumvoorwaarden voor het aankopen van huisbrandolie met spreiding van betaling.

Bij de erkenning van het Verwarmingsfonds werden volgende voorwaarden opgelegd die in acht moeten genomen worden bij de exploitatie van het Fonds:

• De inning en het beheer van de bijdragen door het Verwarmingsfonds mogen er onder geen enkel beding toe leiden dat commercieel gevoelige informatie van accijnsplichtige of niet-accijnsplichtige ondernemingen ter kennis komt van de stichtende leden, van maatschappijen die lid zijn van deze stichtende leden of andere ondernemingen actief in de aardoliesector;

• Het Verwarmingsfonds mag slechts taken toewijzen aan haar stichtende leden of maatschappijen die lid zijn van deze stichtende leden, mits:

a) de toewijzing van deze taken niet leidt tot een schending van 1°;

b) de goedkeuring van de Regeringscommissaris wordt bekomen;

c) deze taken uitgevoerd worden zonder aanrekening van kosten of mits aanrekening van louter materiële kosten gestaafd met factuur.

Het Sociaal Verwarmingsfonds staat onder de controlebevoegdheid van de Minister van Energie. Deze controle wordt uitgeoefend door bemiddeling van een regeringscommissaris.

Als instelling gelijkgesteld met een administratieve openbare instelling met beheersautonomie is het Verwarmingsfonds onderworpen aan de bepalingen van de wet van 22 mei 2003 houdende de organisatie van de begroting en de comptabiliteit van de federale staat.

Een gevolg hiervan is dat het Verwarmingsfonds zijn afsluitingsperiodes voor het indienen van rekeningen en begrotingen heeft gelijkgesteld met deze van de overheid, zijnde per kalenderjaar. Daardoor houden de cijfers rekening met alle gegevens beschikbaar op 01/03/2026.

Doordat begunstigden 60 dagen na levering de tijd hebben om hun aanvragen in te dienen en daaropvolgend deze dossiers onderzocht, beslist en uitbetaald worden, zijn er elk jaar nog dossiers die toegevoegd moeten worden na deze afsluitdatum. De impact van bijkomende huishoudens en de daaraan gebonden toewijzingen voor het boekjaar2025 worden ingeschat en hiermee wordt rekening gehouden bij de berekening van de simulaties voor de uitgaven 2026.

1 Ministerieel Besluit van 9 september 2025 tot verlenging van de erkenning van de vereniging zonder winstoogmerkt Verwarmingsfonds, gepubliceerd in Belgisch Staatsblad van 17 september 2025.

4.2. Werking

Het Sociaal Verwarmingsfonds is een belangrijk instrument in de strijd tegen energiearmoede. De bijzondere samenwerking tussen de openbare en private sector van dit fonds is uniek en weerspiegelt zich in de structuur van het Verwarmingsfonds.

Het Verwarmingsfonds bestaat uit leden van de betrokken verwarmingssectoren en de Federale Overheid (FOD Economie, POD MI).

Gezien het Sociaal Verwarmingsfonds juridisch een instelling is gelijkgesteld met een administratieve openbare instelling met beheersautonomie, zijn wij niet alleen onderworpen aan de regels van behoorlijk bestuur voor een vzw, maar eveneens aan de zeer specifieke regels voor de organisatie van de begroting en de boekhouding van de federale overheid. Het Sociaal Verwarmingsfonds maakt deel uit van de consolidatieperimeter van de Staat (S1311-EN65003 volgens BOSA). Dit zorgt voor een aantal bijkomende taken rond rapportering.

Gevolg is ook dat het Fonds niet alleen een Raad van Bestuur, Algemene Vergadering en bedrijfsrevisor heeft, maar eveneens rapporteringslijnen heeft naar de regeringscommissaris, BOSA, de administraties van zijn ministers (POD MI en FOD Economie) en het Rekenhof. Door de uitgebreide rapporteringsverplichtingen is dit naast onze kerntaken een belangrijke bijkomende taak voor het Verwarmingsfonds.

Het Verwarmingsfonds financiert zich enerzijds met bijdragen op alle petroleumproducten aangewend voor verwarming die wordt geïnd door de accijnsplichtige ondernemingen in België en anderzijds met federale subsidies.

4.3. Positionering van het Sociaal Verwarmingsfonds

Iedereen heeft recht op een menswaardig leven. Daartoe behoort ook het recht op een behoorlijke huisvesting.

Zo staat immers sinds 1993 het sociaal grondrecht op huisvesting, met inbegrip van de daarbij horende basisdiensten zoals een noodzakelijke verwarming van je woning, in de Belgische Grondwet.

Het Sociaal Verwarmingsfonds werd specifiek opgericht om gezinnen en alleenstaanden te steunen bij het betalen van hun energierekeningen. Onze werking beperkt zich daarbij tot volgende brandstoffen:

Huisbrandolie (ook gekend onder de naam mazout of stookolie), aangekocht in grote of kleine volumes.

Propaangas, aangekocht in grotere volumes voor het vullen van een propaangastank.

Lamppetroleum (type c- voor verwarmingsdoeleinden), aangekocht in kleinere hoeveelheden voor gebruik in kachels zonder rookgaskanaal.

Voor andere brandstoffen zoals aardgas via het stadsnetwerk, elektriciteit, propaan/butaan in flessen, pellets, brandhout, kolen, enz. komt het Sociaal Verwarmingsfonds niet tussen. Hiervoor bestaan soms andere steunmaatregelen, zoals bijvoorbeeld het sociaal tarief voor gas en elektriciteit en warmtenetwerken.

Als Sociaal Verwarmingsfonds benadrukken wij vooral de sociale component in het energie-, klimaat- en transitiedebat. De energietransitie waar we met zijn allen voor staan en de snelheid daarvan heeft absolute nood aan sociale correctiemaatregelen, omdat energieprijzen hoog zullen blijven en voor de meest kwetsbaren onder ons zal het indexatiemechanisme van inkomens in België wellicht niet voldoende zijn om de koopkracht van energie voor deze gezinnen te vrijwaren.

Het moet onze ambitie zijn om voor kwetsbare gezinnen het recht op menswaardig wonen te blijven verzekeren in onze samenleving.

4.4. Ontwikkeling van onze energiemarkten in 2025

Net zoals voorgaande jaren bleven de prijzen voor energie onstabiel.

2025 kende grosso modo een drietal pieken waar de prijs hoog was met hoogste prijs op 17 januari 2025 aan 0.9737 €/liter (btw incl.) voor leveringen onder de 2000 liter.

Het laagste niveau van prijs voor huisbrandolie hebben we gezien in de periode mei-juni met de laagste prijs op 9 mei 2025 aan 0,7414 €/l (btw incl.) (voor huisbrandolie < 2000l).

Dit is een verschil van maar liefst 0,2323 €/liter of 23.86% tussen de laagste prijs en de hoogste prijs voor 2025.

Gemiddelde prijs voor huisbrandolie (HO/H7, incl. btw, > 2000 l) in 2025 was 0.8386 euro/liter, ten opzichte van 0,9207 €/l in 2024 (= -8.9%).

Al deze prijzen liggen echter nog ver boven de kostprijs van 1 liter stookolie die we gekend hebben vóór de energiecrisis. Begin 2021 koste 1 liter stookolie (50S, > 2.000 liter) minder dan een halve €/liter (0,4884 €/liter op 1 jan. 2021).

Het conflict in het Midden-Oosten bevestigt dat de prijzen onstabiel zullen blijven.

Evolutie maximumprijzen gasolie verwarming (H0/H7) (minder dan 2000 l) (incl. BTW)

(bron: Fod Economie - Petrol Prices)

4.5. Vanaf 2025 wordt energiearmoede anders gemeten

Waar in de periode 2014-2024 de Koning Boudewijnstichting jaarlijks een Energiearmoede-barometer (een samenwerking tussen de Universiteiten

ULB en UA), is er na de laatste energiebarometer van 2024 geen nieuwe barometer meer gepubliceerd.

Om dit te compenseren werd er door het Interfederaal Instituut voor de Statistiek een werkgroep opgericht om de energiearmoede verder op te volgen via verschillende indicatoren. Dit heeft geleid tot een aantal aanpassingen aan de berekeningsmethodes, waardoor de gegevens van de energiebarometer uit het verleden niet echt te vergelijken zijn met de nieuwe statistieken.

De meest recente studie van de FOD Economie met betrekking tot de energiearmoede-indicatoren toont aan dat huishoudens in energiearmoede 13,6% van hun maandelijks beschikbaar inkomen besteden aan energie, ten opzichte van 6,2% voor alle huishoudens samen. Gezinnen in energiearmoede besteden dus meer dan het dubbele van hun beschikbare middelen aan energie dan het gemiddelde voor België.

Impact energiekosten op huishoudbudget (in %)

(bron: studie FOD Economie 2025 m.b.t. indicatoren energiearmoede 2024 https://economie.fgov.be/nl/themas/energie/sociale-energie/energiearmoede-indicatoren)

3

Een nieuwe studie die de Nationale Bank heeft uitgevoerd in juni 2025 geeft ons een inzicht in het beschikbaar inkomen per inkomens-segment evenals de consumptiepatronen per inkomenssegment. 2

Uit deze analyse blijkt dat uitgavenposten zoals voeding, alcohol, kleding, gezondheid, enz. relatief stabiel blijven per inkomens-kwantiel (indeling van alle inkomens-segmenten in 5 segmenten van telkens 20% van het totaal aantal gezinnen).

Concreet betekent dit dat huishoudens hun uitgavegedrag sturen in functie van het beschikbaar inkomen. Als dit inkomen lager is, zal ook minder uitgegeven worden aan elk van deze categorieën.

Dit is echter niet het geval voor uitgaven voor energie en wonen. Hier zien we dat het relatief aandeel van uitgaven voor energie en wonen hoger is voor gezinnen met een laag inkomen, dan voor gezinnen met hogere inkomens.

Conclusie is dat deze gezinnen kwetsbaarder zijn voor schommelingen in de prijs van energie of in de kost van wonen. Dit gaat dan ten koste van andere noodzakelijke uitgaven zoals uitgaven voor gezondheid of schooluitgaven.

Besteding huishoudbudget per inkomens-segment (in %) (bron: Distributional national accounts, Nationale Bank, 06-2025

De ULB en UA hebben op basis van de SILC Enquête 2022 en Statbel gegevens berekend wat de relatie is tussen energiearmoede enerzijds en de gebruikte energiebronnen anderzijds.

Op basis van deze studie kwamen zij tot de conclusie dat waar het risico op energiearmoede

voor de algemene bevolking op 21,8% lag (1 op 5 gezinnen hebben volgens deze studie een risico op energiearmoede), deze resultaten beduidend verschillend zijn naargelang de energiebron die zij gebruiken voor hun verwarming. Gezinnen die zich verwarmen met stookolie lopen daarbij het hoogste risico op energiearmoede.

Relatie tussen energiearmoede en verwarmingsbron

(bron: UBL en UA: Een barometer om energiearmoede te meten, Workshop indicatoren energiearmoede Federaal Planbureau, 2025-12-04)

3

4.6. Toekomst

De werking van het Sociaal Verwarmingsfonds is sinds de oprichting quasi onveranderd gebleven.

Onze toelagen zijn toelagen onder de vorm van aanvraagsubsidies die de begunstigden dienen aan te vragen via het OCMW van hun woonplaats. De aanvraagprocedures, de wijze van toekennen van de individuele toelagen en de berekening daarvan zijn doorheen de tijd niet echt veranderd.

Sinds 2022 heeft het Sociaal Verwarmingsfonds dan ook zelf een aantal initiatieven genomen om te bekijken hoe het Sociaal Verwarmingsfonds zijn werking kan actualiseren. Daarom heeft de Raad van Bestuur van het Sociaal Verwarmingsfonds op 5/10/2022 volgende prioriteiten geformuleerd voor de mogelijke aanpassing van zijn werking:

• Aanpassing van de interventiedrempel en de methode voor de berekening van onze toelagen om het huidige verschil tussen de marktprijs en de toelage te verkleinen en om meer evenwicht ten opzichte van andere steunmaatregelen, met name inzake aardgas, te bekomen;

• Omvorming van de toelage: de verbetering van de toegang tot onze toelagen door aanpassing van onze werkprocessen. Het doel is het niet-opnemen van onze toelage te verminderen, onder andere met een oplossing om het probleem van voorfinanciering te voorkomen;

• Automatisering van de procedures voor toegang van onze uitkeringsgerechtigden, en een harmonisatie van de categorieën van begunstigden;

• De ontwikkeling van een meer “klantgerichte” communicatie door de informatie aan uitkeringsgerechtigden aan te vullen met “gesprek/dialoog” en het uitwerken van instrumenten die de toegang vergemakkelijken.

De uitwerking van deze initiatieven is echter wel afhankelijk van de beleidskeuzes van onze nieuwe federale regering. We wensen deze initiatieven en doelstellingen graag verder uit te werken in overleg met de beleidsmakers.

De uitwerking van deze initiatieven is echter wel afhankelijk van een nauwe samenwerking met de betrokken administraties (FOD Economie en POD Maatschappelijke Integratie) en de beleidskeuzes van onze federale regering.

In het federaal regeerakkoord 2025-2029 heeft de regering de ambitie uitgesproken voor een hervorming van het Sociaal energietarief en de tussenkomsten van het Sociaal Verwarmingsfonds.

We bekijken de budgetneutrale hervorming van het sociaal energietarief en de tussenkomsten van het Sociaal Verwarmingsfonds richting een transparantere, inkomengebaseerde, vermogensgebaseerde en technologieneutrale forfaitaire tussenkomst. Daarbij waken we erover dat we geen ongewenste neveneffecten creëren wat betreft het onderscheid werken – niet werken. Om de hoogte van de energiefactuur van deze groep structureel aan te pakken door hen te helpen energie te besparen, onderzoeken we samenwerkingsmogelijkheden met de Gewesten binnen ieders bevoegdheid.

Federaal Regeerakkoord 2025-2029, p 89 (P 93 in FR)

In de beleidsverklaring van de Minister van Energie3 werd daarbij gesteld dat hierbij rekening moet gehouden worden met de toekomstige prijsstijgingen ten gevolge van onder andere ETS2 zodat de federale energiemaatregelen voldoende bescherming blijven bieden.

Het parlement heeft daarna op 24 april 2025 een resolutie gestemd over de hervorming van het sociaal tarief voor energie4 met het verzoek aan de regering om:

• Bij de hervorming van het sociaal energietarief te onderzoeken hoe we kunnen evolueren naar een forfaitaire tussenkomst, zonder daarbij de voordelen van het huidige systeem op basis van een voordelig tarief te verliezen, en er bij deze hervorming op toe te zien dat ze inkomens- en vermogensgebaseerd, budgetneutraal, transparant en technologieneutraal is;

• Bij de hervorming ook andere bestaande steunmechanismes te onderzoeken zoals voor gezinnen die verwarmen met huisbrandolie of propaan in bulk om in kader van energiearmoede de mogelijkheid te bekijken om tot een geïntegreerde aanpak te komen;

Naast deze plannen voor een globale hervorming zien wij eveneens een aantal concrete evoluties die voor onze doelgroepen vooral een prijsverhogend effect zullen hebben:

• Het "Arizona"-begrotingsakkoord voorziet in een geleidelijke accijnsverhoging op stookolie in België (van 17 naar 23 euro per 1.000 liter in stappen, oplopend tot 26 euro tegen 2029) en een btw-verhoging naar 21% op nieuwe verwarmingsketels op fossiele brandstoffen (gas, mazout) bij renovaties, ter ondersteuning van groene energie en om budgettaire redenen, wat de energiekosten voor huishoudens en bedrijven zal doen stijgen.

• Vanuit Europa komt de belangrijkste prijsverhogende maatregel onder de vorm van een bijkomende CO2 koolstofprijs (ETS2) op fossiele brandstoffen, die de kosten verder opdrijft, bovenop de nationale accijnzen. Het ETS2mechanisme zal in 2028 in werking treden. Concreet zullen de leveranciers van fossiele brandstoffen, waaronder stookolie, emissierechten moeten aankopen op de Europese koolstofmarkt. Die extra kost wordt rechtstreeks doorgerekend aan de eindverbruiker via de literprijs. De eerste schattingen gaan uit van

een koolstofprijs tussen 45 en 60 euro per ton, wat voor een gemiddeld gezin dat met stookolie verwarmt meerkosten van 250 tot 400 euro per jaar kan betekenen. Volgens sommige Europese prognoses zou de koolstofprijs tegen 2030 kunnen oplopen tot 100 à 150 euro per ton. In dat geval kunnen de jaarlijkse meerkosten voor een huishouden oplopen tot 500 à 550 euro — vandaar dat vaak het maximale cijfer van zowat 548 euro per jaar naar voren wordt geschoven.

• Tenslotte is er ook nog het samenwerkingsakkoord voorzien voor Promaz (Promaz is een fonds dat tussenkomt bij de sanering van bodemverontreinigingen, als die ontstaan zijn door lekkende stookolietanks en/of –leidingen gebruikt voor de verwarming van gebouwen) dat een aanvullende inkomstenbron mogelijk zou maken voor dit fonds via een bijdrage op de stookoliefactuur. Het dossier werd inmiddels goedgekeurd door alle gewesten, waarbij één eurocent per liter stookolie zou worden geheven. Het samenwerkingsakkoord voorziet hierbij echter minimale bijdrage van 0,002 euro per liter. Een hogere bijdrage vanaf 1 januari 2026 brengt uiteraard opnieuw bijkomende kosten met zich mee voor de eindconsumenten

In het hoofdstuk hierna5 lichten wij toe dat de huidige berekeningswijze van de verwarmingstoelage er nu al voor zorgt dat het verschil tussen de effectief betaalde brandstofprijs en de verwarmingstoelage steeds groter is geworden. Hierdoor is onze tussenkomst vandaag al historisch laag en zeker in vergelijking met bijvoorbeeld de tussenkomst in de aardgasprijs via het sociaal tarief.

De hierboven opgelijste prijsverhogende elementen zullen dit probleem nog groter maken in de toekomst.

Wij hopen dan ook dat onze regering dit probleem actief aanpakt, indien niet binnen een globale hervorming van de sociale energierechten, dan toch minstens door een specifieke hervorming van onze tussenkomsten.

4 Resolutie betreffende de hervorming van het sociaal tarief voor energie van 24 april 2025, DOC 56 0195/007

5 Zie Berekening van onze toelagen p 18 en Gevolgen voor onze begunstigden p 22

5. Activiteitenverslag 2025

5.1.

Berekening van onze toelagen

De huidige berekeningswijze van de verwarmingstoelage zorgt ervoor dat het verschil tussen de effectief betaalde brandstofprijs en de verwarmingstoelage steeds groter wordt.

De berekeningswijze om het niveau van de verwarmingstoelage te bepalen wordt vastgelegd op basis van een aantal parameters zoals de gemiddelde prijs van de brandstof over de laatste 5 jaren, een vermenigvuldingscoëfficient van 1,30 om deze prijzen naar een actuele waarde te brengen en een verhogingscoëfficient van 0,20. Op basis hiervan bekomt men een referentiedrempel.

Wanneer de door de consument effectief betaalde prijs voor brandstof onder deze drempel blijft is de laagste toelage van 0,14 €/liter van toepassing. Naarmate de effectief betaalde prijs hoger is dan deze referentiedrempel zijn er bijkomende tranches voorzien van 0,15 €/liter tot maximaal 0,20 €/liter.

Sinds de energiecrisis van 2022 is op deze wijze de referentiedrempel al 3 maal verhoogd.

Op 1 januari 2023 verhoogde de drempel van 0,94 €/liter naar 1,14 €/liter. En op 1 januari 2024 verhoogde deze opnieuw van 1,14 €/l naar 1,21€/l. Voor 2025 werd de referentiedrempel niet aangepast aangezien de stijging van de berekende referentiedrempel niet voldoende was om tot een wijziging over te gaan. Op 1 januari 2026 was dit echter wel opnieuw het geval en is er opnieuw een stijging van de referentiedrempel, van 1,21 naar 1.35 euro.

Het gevolg van deze opeenvolgende stijgingen is dat de tussenkomst van het Sociaal Verwarmingsfonds -ondanks de gestegen verwarmingskostentelkens tot 0.14 €/liter wordt beperkt. Hierdoor wordt het relatieve aandeel van de brandstofprijs dat door onze kwetsbare gezinnen zelf moet gefinancierd worden nog steeds hoger wat voor vele van onze gezinnen problematisch is.

Dit probleem wordt nog versterkt doordat gezinnen de toelage moeten voorfinancieren (zij krijgen slechts een toelage op basis van een (betaalde) factuur). De grafiek hieronder illustreert hoe huidig mechanisme ervoor zorgt dat de toelage quasi stabiel blijft terwijl de prijs van de brandstof fluctueert.

Evolutie prijs gasolie verwarming versus evolutie toelage SVF

Periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2025

(bron: Fod Economie Shmb Petrol Prices + analyse SVF)

Sommige kwetsbare huishoudens zullen hierdoor beslissen om hun stookolietank niet te vullen en bijvoorbeeld opteren om slechts een aantal kamers van hun woning te verwarmen met kleine petroleumkachels zonder rookgaskanaal (met alle onveiligheidsproblematieken daaraan verbonden), of gewoon de woning niet meer verwarmen met alle maatschappelijke gevolgen van dien.

Studies tonen immers aan dat energiearmoede heel wat andere maatschappelijk negatieve effecten veroorzaakt. De koude, vocht en schimmel zorgen voor een ongezond binnenmilieu met belangrijke gevolgen zoals verhoogde gezondheidsproblemen (cardiovasculaire en respiratoire ziektes, artritis, reuma, astma, …) maar ook een negatieve invloed op leercapaciteit van kinderen, het emotioneel welzijn van zijn bewoners en hun voedingsgewoontes6

Het lijkt ons dan ook belangrijk dat deze berekeningswijze herbekeken wordt om de tussenkomst van het Sociaal Verwarmingsfonds weer relevant te maken.

Doordat de verwarmingstoelagen beperkt worden tot een maximum aantal liters per huishouden (1.500 liter/jaar) is deze sociale maatregel vanuit ecologisch, klimaat- en milieustandpunt trouwens gunstiger dan bijvoorbeeld het systeem van de sociale tarieven voor gas en elektriciteit. Gebruikers van onze brandstoffen blijven immers onderhevig aan de marktprijzen voor het gedeelte van hun verbruik boven dit maximum waardoor zij gestimuleerd worden om hun verbruik te verminderen.

6 Zie bijvoorbeeld Marjolein Stoopendaal, Linda van Loon, Een ongezond binnenmilieu ten gevolge van energiearmoede onder huurders, juli 2023, Academische Werkplaats Gezonde Leefomgeving.

% Toelage SVF versus prijs

Periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2025

(bron: Shmb&PetrolPrices FOD Economie + analyse SVF)

Waar de gemiddelde tussenkomst in de periode tussen 1 januari 2018 en 31 december 2020 nog 24,3% bedroeg, is deze door de wijze van berekenen van de huidige toelage gezakt naar 17.9% een verlaging van meer dan 26%. Dit is zeer laag in vergelijking met bijvoorbeeld de tussenkomst in de aardgasprijs via het sociaal tarief.

5.2. Gevolgen voor onze begunstigden

Om zowel het effect van de marktprijs als het effect van het niveau van onze toelage te berekenen hebben wij simulaties gemaakt voor de aankoop van 1.700 liter door een gezin met recht op een toelage van het Verwarmingsfonds doorheen de tijd.

De CREG gaat uit van een verbruik van gemiddeld 17.000 kWh per huishouden wat voor verwarming met stookolie neerkomt op een verbruik van zo’n 1.700 liter per huishouden per jaar.

Om zowel het effect van de marktprijs als het effect van het niveau van onze toelage te berekenen hebben wij simulaties gemaakt voor de aankoop van 1.700 liter door een gezin met recht op een toelage van het Verwarmingsfonds doorheen de tijd. Wanneer we de situatie van onze gezinnen begin 2021 vergelijken tot en met einde 2025 (in gelijke omstandigheden, kostprijs van de brandstof na betoelaging), dan merken we op dat de kostprijs van energie voor deze gezinnen beduidend gestegen is (tussen 1 januari 2021 en 31 december 2025 komt dit neer op een verdubbeling van de kostprijs voor deze gezinnen;

Hogere energieprijzen hebben niet alleen gevolgen onder de vorm van een hogere energierekening voor onze gezinnen, maar ze werken ook door in de prijzen van andere producten, wat zorgt voor extra druk op de koopkracht van die gezinnen die het al moeilijker hadden.

Daarnaast is er echter ook een belangrijk effect dat voortkomt uit de schommelingen van de energieprijzen die wij vandaag zien. Het onzekerheidsaspect (risico dat de prijzen opnieuw plots zullen gaan stijgen) heeft een hoge impact op het bestedingsgedrag van huishoudens die al in energiearmoede zitten. Hierdoor is er een reëel risico dat sommige huishoudens de aankoop van energie verder blijven uitstellen en in de koude blijven zitten.

Verdoken energiearmoede dreigt zo groter te worden. Onze resultaten hieronder tonen dit effect duidelijk aan.

Evolutie verwarmingsbudget stookolie voor kwetsbaar gezin na toelage SFV (incl. federale premie van 300 euro in de periode dat deze premie beschikbaar was) Periode januari 2021 - december 2025 (simulatie voor een kwetsbaar huishouden met een jaarlijks verbruik van 17.000 kWh per jaar)

5.3. Resultaten verwarmingsperiode 2025

5.3.1. Voorlopige en definitieve gegevens

Resultaten worden gerapporteerd per kalenderjaar, op basis van de datum van levering. Hierdoor zijn onze beschikbare data aan het eind van het boekjaar slechts voorlopig.

Immers, in de loop van de eerste maanden van het daaropvolgende jaar worden telkens nog dossiers goedgekeurd voor leveringen die hebben plaatsgevonden in het vorige jaar. Begunstigden kunnen aanvragen voor een toelage indienen tot 60 dagen na datum van levering.

Concreet betekent dit dat de boekhoudkundige cijfers aan het einde van het boekjaar moeten gecorrigeerd worden met bijkomende boekingen in de maanden die daarop volgen 'De cijfers in dit verslag zijn aangevuld met alle data ontvangen tot 13/05/2026 voor het boekjaar 2025.

5.3.2. Aantal huishoudens

In 2025 zullen 63.887 gezinnen een toelage van het Sociaal Verwarmingsfonds hebben ontvangen. Dit betekent een daling van maar liefst 5,62 % ten opzichte van 2024 toen het totaal aantal gezinnen 67.695 bedroeg.

Bij onze volumetoelagen zien we dat het aantal gezinnen is gedaald van 59.531 in 2024 naar 56.272 in 2025. Dit betekent een daling van 3.259 gezinnen of -5,47% minder die een aanvraag hebben gedaan voor een toelage.

Alhoewel het zachte najaar zeker een rol hierin gespeeld heeft zien wij als voornaamste oorzaak hiervan de problematiek die we hierboven al geschetst hebben.7 Wanneer het verschil tussen het toelageniveau en de markprijs van het product groter wordt, is het aandeel dat gezinnen in energiearmoede zelf moeten betalen voor sommigen te hoog, waardoor deze gezinnen verdwijnen in verdoken energiearmoede.

Dit wordt nog versterkt door de voorfinancieringsproblematiek (gezinnen dienen eerst de volle prijs te betalen en kunnen nadien een toelage aanvragen om de druk op hun gezinsbudget te verlagen) én doordat huidige markt nog steeds zeer volatiel is, waardoor het onzekerheidsaspect voor deze gezinnen hoger wordt.8

Ook voor onze forfaitaire toelagen zien we een daling van 8.534 naar 7.931, in absolute cijfers een kleinere daling, maar procentueel toch een daling van meer dan 7 %. Hiermee halen we opnieuw het niveau van aantal forfaitair begunstigden van voor de energiecrisis in 2021.

7 Zie hoofdstukken ‘berekening van onze toelagen’ p 18 en ‘Gevolgen voor onze begunstigden’ p 22.

8 Zie hoofdstuk ‘gevolgen voor onze begunstigden’ p 22.

Volume-toelage

Aantal huishoudens 2021-2025 (tot 02-2025) + inschatting totaal 2025

Forfait-toelage

Aantal huishoudens 2021 - 2025 (tot 02-2025) + inschatting totaal 2025

5.3.3. Aantal liter

Gegevens over het aantal liter betreffen alleen het aantal liter waarvoor wij een volume-toelage hebben toegekend. Voor de forfaitaire verwarmingstoelagen beschikken we niet over relevante gegevens over het betoelaagde volume aan brandstof. 96 % van het volume aan brandstof betreft stookolie. Voor 4 % gaat het over leveringen van propaangas.

Tussen 2023 en 2024 hadden we al geconstateerd dat we een significante daling van het aantal betoelaagde liters hebben moeten noteren (-13.69% tussen 2023 en 2024.) Voor 2025 is de daling minder belangrijk (-4.75%) maar heeft deze daling zich wel verder doorgezet. Ook in 2025 hebben gezinnen die betoelaagd werden dus effectief gemiddeld minder liter brandstof aangekocht.

Gemiddeld aantal liters per toelage zijn min of meer gelijk gebleven na een daling in 2024. Voor propaangas is het gemiddelde aantal liters voor 2025 aldus 1.060 liter en voor stookolie naar 1.229 liter.

Net zoals vorige jaar verklaren wij de oorzaak van deze daling vooral door de hogere gemiddelde prijzen van de brandstoffen terwijl de verwarmingstoelage van het Sociaal Verwarmingsfonds door huidige berekeningswijze op zijn laagste niveau blijft staan. Hierdoor is het door de begunstigden zelf te financieren aandeel in de aankoopprijs gestegen waardoor heel wat gezinnen zich verplicht zien om hun aankopen te beperken. We merken een duidelijke trend dat gezinnen kleinere hoeveelheden aankopen of zelfs overschakelen naar minder gezonde verwarmingssystemen zoals verwarming met verwarmingstoestellen zonder rookkanaal en lamppetroleum.

Aantal liter 2021-2025 (tot 02-2025) + inschatting totaal 2025

Gemiddeld aantal liter/huishouden 2021-2024 + inschatting totaal 2025

5.3.4. Totaal aantal toelagen 2025

De combinatie van het aantal gezinnen dat een toelage heeft gekregen met het gemiddeld aantal liter per gezin resulteert voor 2025 in een bedrag van 11.285.046 € uitgekeerde toelagen (volledig jaar), te vergelijken met 11.907.163 euro voor 2024 (volledig verwarmingsjaar) wat neerkomt op een daling met 5,25%.

5.3.5. Spreiding huishoudens per per type brandstof

83,5% van onze toelagen gaan naar gezinnen die zich verwarmen met stookolie. 12,4% van de gezinnen kregen een forfaitaire toelage voor verwarming met lamppetroleum of stookolie aangekocht in kleine hoeveelheden. Propaangas (volume aankopen) stond in voor 4,1 % van de gezinnen.

5.3.6. Spreiding huishoudens per regio

60,9% van al onze toelagen zijn voor huishoudens gevestigd in Wallonië. 39% gaat naar huishoudens in Vlaanderen en een marginaal klein aandeel naar huishoudens gevestigd in Brussel-Hoofdstad.

Stookolie verwarming

Stookolie verwarming forfait toelage

Lamppetroleum forfait toelage aan de pomp

Brussel Hoofdstad Vlaanderen

Wallonië

5.3.7. Gemiddelde toelage per huishouden

Volgens onze voorwaarden en met huidige berekeningswijze kan een toelage van het Sociaal Verwarmingsfonds maximaal 210 euro bedragen (voor volume toelagen: maximum 1.500 liter x 0.14 €/l= 210 €; forfaitaire toelage: forfait van 210 €).

Gezien de gemiddelde volumes die betoelaagd worden met een volume-toelage echter veel lager zijn9, is de gemiddelde toelage per huishouden in 2025 beperkt gebleven tot 176 €/jaar.

5.3.8. Toelagen per categorie van begunstigde

De belangrijkste categorie van begunstigden voor onze toelagen zijn begunstigden van categorie 1 (gezinnen met recht op een verhoogde tegemoetkoming van de ziekteen invaliditeitsverzekering (RVV-statuut), (92% van alle toelagen).

7 % van de begunstigden zijn gezinnen met een beperkt inkomen die geen RVV statuut hebben (categorie 2) en 1 % van de gezinnen zijn gezinnen die in een situatie van schuldoverlast zitten (categorie 3) (schuldbemiddeling of collectieve schuldenregeling en voor wie het onmogelijk is om hun verwarmingsfactuur volledig zelf te betalen).

Zowel in categorie 1 als 2 dient het inkomen van de begunstigde onder een bepaalde inkomensgrens te liggen (op 01/02/2025: 24.814.75 € jaarlijks bruto belastbaar inkomen gezin + 4.591.85 € per persoon ten laste) (uitzondering: in categorie 1 indien alle gezinsleden RVV statuut hebben).

Categorie 1

Categorie 2

Categorie 3

5.3.9. Evolutie van onze communicatie

Sinds 2022 hebben we onze communicatie inspanningen geïntensifieerd en zijn onze middelen vooral ingezet in digitale communicatie. We blijven daarnaast ook jaarlijks actief met een printcampagne (affiche + folders) gericht naar alle gemeenten en OCMW ’s.

Elk jaar sturen we een set van folders en affiches door naar alle ocmw’s van België. Deze kunnen ook op éénvoudige aanvraag verkregen worden door sociale organisaties of distributeurs van stookolie of propaangas.

Waar 2023 zich kenmerkte door de vernieuwing van onze website en het opstarten van onze sociale mediakanalen, kunnen we 2024 omschrijven als het jaar waar zowel de website als onze sociale media tot maturiteit zijn gekomen. In 2025 werd deze benadering verder doorgedreven en hebben wij specifiek ingezet om bezoekers toe te leiden naar onze simulatiemodule online waarop zij zelf makkelijk kunnen nagaan of zij al dan niet recht hebben op een toelage en wat zij hiervoor moeten doen. Dit is duidelijk zichtbaar geworden in zowel de resultaten van onze bezoekers op onze website alsook in de resultaten die wij bekomen in onze één-op-één contacten via het call-center en via digitale contactnames via e-mail.

Voor een proactieve benadering van onze doelgroepen blijft Facebook een belangrijk communicatiekanaal. In 2025 hebben wij via betaalde campagnes op Facebook/Instagram/Messenger 923.499 unieke bezoekers gekregen, wat een stijging van meer dan 25% betekent tegenover vorig jaar. Samen hebben deze bezoekers meer dan 3.3 miljoen impressies gezien van onze communicatie en hebben zij op meer dan 71.000 links geklikt die hen hebben geleid naar specifieke inhoudpagina’s (dit is een stijging van meer dan 31% ten opzichte van vorig jaar).

Na de opstart in 2024 hebben wij in 2025 verder doorgezet om een deel van onze middelen in te zetten op advertenties via Google. Resultaat hiervan is dat wij onze doelgroepen verder hebben kunnen uitbreiden en verbreden (via Google bereiken we iets jongere doelgroepen en meer mannen dan via facebook) waardoor beide kanalen complementair zijn. Door de opstart is hier geen vergelijking met vorig jaar mogelijk, maar in 2025 hebben wij hierdoor bijkomend nog 480.528 vertoningen van onze communicatie via Google kunnen genereren.

Deze acties hebben uiteraard ook een positief effect gehad op de bezoekcijfers van onze website. Onze actieve gebruikers op onze website zijn –na de stijging van + 24,6% tussen 2023 en 2024opnieuw toegenomen tot 55.716 bezoekers = opnieuw een stijging van + 8,75%).

Samen hebben deze bezoekers 769.986 acties uitgevoerd op onze website (pagina’s aanklikken, downloaden, pagina’s bekijken, simulatie opstarten, enz.). Gemiddeld zijn bezoekers zo 1m 44seconden op onze website gebleven, wat een zeer goede score is.

In de resultaten van onze deelpagina’s is onze communicatiestrategie duidelijk zichtbaar geworden. Het aantal paginabezoeken voor onze simulatietool is significant gestegen met maar liefst 42,7% (zo’n 26.000 bezoekers meer dan vorig jaar) Tegelijkertijd zijn hierdoor het aantal bezoeken gedaald naar de relevante deelpagina’s die betrekking hebben op individuele contact name met het Sociaal Verwarmingsfonds. Waar onze simulatiemodule meer dan 26.000 bijkomende paginabezoeken heeft gegenereerd, zien wij dat op pagina’s zoals de downloadpagina’s voor een aanvraagformulier, de pagina’s voor een contact name per e-mail en de pagina’s voor het downloaden van onze folders in totaal zo’n 20.000 minder bezoekers heeft aangetrokken. Door deze evolutie kunnen kandidaat-begunstigden zeer snel zelf een analyse maken of ze al dan niet aan onze voorwaarden beantwoorden.

Deze sterke groei van onze digitale communicatie heeft ook duidelijke gevolgen voor onze één-opéén contacten via ons contactcenter. Waar in 2022 het 0800 tele-foonnummer nog ons voornaamste 1-op-1 communi-catiekanaal was met de burger is deze rol vanaf 2024 duidelijk overgenomen door het e-formulier op onze website.

58,73% van onze directe contacten zijn in 2025 digitaal (via webformulier), en 41,26% nog steeds via ons 0800 telefoonnummer.

Waar wij in 2024 nog 2.264 individuele contacten noteerden, is dit aantal in 2025 gezakt met 20.58% naar 1.798. Dit kan verklaard worden door de strategie om onze online simulatiemodule naar voor te schuiven waardoor onze communicatie efficiënter is geworden: bezoekers hebben door de simulatiemodule minder de noodzaak nog contact op te nemen wat resulteert in een duidelijke tijdswinst voor het Verwarmingsfonds.

6. Financiering van het Sociaal Verwarmingsfonds

De financieringsbronnen van het Sociaal Verwarmingsfonds zijn enerzijds de solidariteitsbijdragen op aardolieproducten aangewend voor verwarming ten laste van de verbruikers van deze producten, en anderzijds een toelage van de federale overheid.

6.1. Solidariteitsbijdragen op basis van heffingen op verwarmingsproducten

Deze bijdragen worden geïnd via accijnsplichtige ondernemingen. Zij zijn gehouden om een bijdrage te innen op de aardolieproducten aangewend voor verwarming ten laste van de verbruikers van deze producten. Deze bijdragen dienen als solidariteitsbijdrage voor het volbrengen van de opdracht van het Sociaal Verwarmingsfonds.

De verplichte bijdrage die door het Verwarmingsfonds ten laste van de accijnsplichtige ondernemingen wordt geheven, bedraagt:

• voor gasolie verwarming: 0,0016 € per liter brandstof die in verbruik wordt gesteld;

• voor lamppetroleum: 0,0016 € per liter brandstof die in verbruik wordt gesteld;

• voor propaan: 0,0010 € per liter of 0,00196 €/kg brandstof die in verbruik wordt gesteld.

Conform artikel 34, §2, van de wet diverse bepalingen van 27 december 2005, doet het Verwarmingsfonds daartoe een beroep op het Fonds voor de Analyse van Aardolieproducten (Fapetro). De werkingskosten voor de inning van deze bijdragen zijn ten laste van het Sociaal Verwarmingsfonds en worden door Fapetro door gefactureerd.

Voor 2025 lopen deze bedragen op tot 4.230.199 €, wat neerkomt op een daling van 7 % ten opzichte van de 4.549.275 € voor 2024. De geïndexeerde en doorgerekende inningskosten bedragen 39.878,11 €, tegenover 38.916,52 € in 2024.

Deze daling breekt met de stabiliteit die we in 2023 en 2024 hebben gekend, maar zou kunnen passen in de voortdurende inkrimping van de markt voor stookolie in België, alsook in een daling van het verbruik als gevolg van de betere isolatie van woningen en het hogere rendement van verwarmingsketels. De toekomst zal uitwijzen of deze daling aanhoudt.

6.2. Subsidie Federale Overheid

Op basis van een protocol tussen de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie (FOD Economie) en het Sociaal Verwarmingsfonds wordt er door de federale overheid een jaarlijkse toelage voorzien waarvan de omvang afhankelijk is van geactualiseerde ramingen voor de ontvangsten en uitgavenrubrieken van het fonds.

Doelstelling van deze toelage is om het Sociaal Verwarmingsfonds de mogelijkheid te geven om zijn boekjaren af te sluiten met een ESR saldo = 0 €.

Totale verbintenissen tot het dekken van schulden door de federale overheid voor het stookseizoen van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 bedroegen 9.458.116,90 €.

6.3. Andere bedrijfsopbrengsten

Andere bedrijfsopbrengsten (445,33€) ) zijn zeer beperkt en betreffen:

• Recuperatie lunchpass: 431,64 €

• Credit interesten 13,69 €

Evolutie solidariteitsbijdrage & subsidies 2021-2025

6.4. Operationele werkingskosten van het Fonds

De OCMW ’s staan in voor de beoordeling van concrete aanvraagdossiers en na goedkeuring krijgen deze gezinnen hun verwarmingstoelage via de OCMW ‘s.

Op basis van maandelijkse afrekeningen betaalt het Sociaal Verwarmingsfonds aan elk OCMW het bedrag dat overeenkomt met de door deze OCMW ‘s concreet toegekende verwarmingstoelagen. Daarnaast krijgt elk OCMW ook een vergoeding per behandeld dossier (momenteel 10 €/gezin). Jaarlijks wordt dit bedrag door het Sociaal Verwarmingsfonds aan de OCMW ‘s uitbetaald om hun werkingskosten hiermee te dekken.

Fapetro zorgt voor de inning van de petroleumbijdragen tegen een vergoeding en Smals heeft een ICT applicatie uitgewerkt voor de behandeling van de aanvragen en uitkering van verwarmingstoelagen via de OCMW’s, eveneens tegen een vergoeding.

Ten slotte heeft het Sociaal Verwarmingsfonds zijn eigen werkingskosten, namelijk voornamelijk personeelskosten, communicatiekosten en algemene kosten. De werkingskosten van het Sociaal Verwarmingsfonds voor 2025 bedragen 3,4 % van de totale uitgaven.

De uitgaven van het Sociaal Verwarmingsfonds, exclusief verwarmingstoelagen, bedragen voor 2025 in totaal 1.216.227 €, als volgt uitgesplitst:

710.501 €

Kosten betaald aan andere publieke administraties (Fapetro, Smals, OCMW’s, Regeringscommissaris)

119.820 € Communicatiekosten

92.452 € Algemene kosten

274.265 € Personeelskosten

19.189 € Afschrijvingen

6.5. Overzicht ontvangsten en uitgaven 2022-2025

Overzicht ontvangsten/uitgaven 2022-2025

UITGAVEN-TOELAGEN

UITGAVEN-OPERATIONELE

7. Bestuurlijk overzicht

VZW Sociaal Verwarmingsfonds

Opgericht dd. 5 november 2004, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 28 januari 2005 onder nummer 20050128-18834.

Koninklijk Besluit van 20 januari 2005 tot bepaling van de nadere regels voor de werking en financiering van een Sociaal Stookoliefonds, nadien gewijzigd door Koninklijk Besluit van 24 oktober 2005.

Maatschappelijke zetel: Joseph Stevensstraat 7, 1000 Brussel

Ministerieel Besluit van 9 september 2025 tot verlenging van de erkenning van de vereniging zonder winstoogmerk Verwarmingsfonds, gepubliceerd in Belgisch Staatsblad van 17 september 2025.

KBO: 0871.323.581

www.verwarmingsfonds.be - www.fondschauffage.be - www.heizoelfonds.be

Contactcenter: 0800/90 929 & info@verwarmingsfonds.be

Leden van de vereniging

• VZW Brafco

• VZW FeBuPro

• FOD Economie

• POD Maatschappelijke Integratie

• UVCW

(Union des Villes et Communes de Wallonie)

• VVSG

(Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten)

• Brulocalis

(Vereniging Stad en Gemeenten van Brussel)

Algemene Vergadering (situatie op 27mei 2026)

• VZW Brafco, vertegenwoordigd door Vincent Orts

• VZW FeBuPro, vertegenwoordigd door Mattias Drijkoningen

• FOD Economie, vertegenwoordigd door Joke Brecx

• POD Maatschappelijke Integratie, vertegenwoordigd door Valérie Proumen

• Algemeen Directeur, vacant

Raad van Bestuur (situatie op 27 mei 2026)

• Vincent Orts, bestuurslid & Voorzitter

• Valérie Proumen, bestuurslid en Vice-Voorzitter

• Joke Brecx, bestuurslid

• Mattias Drijkoningen, bestuurslid

Regeringscommissaris

Via Ministerieel Besluit van 19 juni 2025 heeft de Minister van Energie mevrouw Coraline Gaspar benoemd als regeringscommissaris bij het Sociaal Verwarmingsfonds.

Bedrijfsrevisor

RSM InterAudit, vertegenwoordigd door Karine Morris, mandaat tot en met statutaire algemene vergadering 2027.

Management

• Algemeen Directeur, vacant

• Véronique Laurent, Adjunct-Algemeen Directeur

8. Bijlagen

Sociaal Verwarmingsfonds vzw Joseph Stevensstraat 7 - 1000 Brussel www.verwarmingsfonds.be - 0800/90 929

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
SFV Jaarverslag 2025 NL by SociaalVerwarmingsfonds - Issuu