opep3/64 rore gg
2 4 / 1 r r a a j a r j r e e lele
Bij de les
Oefenen met werkwoorden
Sluit
100% aan bij school
Dit werkboek is van:
Bij de les Oefenen met werkwoordspelling
Voor wie? Met dit oefenboek wordt de werkwoordspelling geoefend die kinderen in groep 6 / leerjaar 4 op school leren. Dit boek is bedoeld voor kinderen die het fijn vinden of die het nodig hebben om op school of thuis extra te oefenen. De opgaven in dit boek sluiten naadloos aan op wat kinderen op school leren. De oefenstof wordt per bladzijde en door het boekje heen opgebouwd: • Bovenaan staat steeds wat de bedoeling is, daaronder staan de opgaven. • De bovenste opgaven zijn makkelijker dan de opgaven onderaan. • De eerste pagina’s zijn makkelijker dan de laatste pagina’s in het boek. Voor sommige kinderen is oefenen van de leerstof moeilijk. Zij kunnen in dit boek dan minder oefenstof maken. Ze kunnen bijvoorbeeld de onderste rijtjes doorstrepen. Zo oefenen zij toch de basisstof, zonder dat dit een te grote belasting is voor hun leerplezier. Wat? In dit boekje oefen je de werkwoordspelling van: • Werkwoorden enkelvoud tegenwoordige tijd • Werkwoorden meervoud tegenwoordige tijd • Klankveranderingen: wijzen – ik wijs • Bijzondere vormen: Werk jij? • Werkwoordsvormen: hebben, zijn, kunnen, willen, mogen
Wist je dat … ... je beter onthoudt hoe je een woord moet schrijven als je het woord opschrijft? Daarom ga je in dit oefenboek heel veel woorden opschrijven.
Tips 1. Spelling leren door het vaak te doen Spelling heb je nodig om goed te kunnen schrijven. Als je weet hoe je werkwoorden moet schrijven, snapt iedereen wat je bedoelt als je het opschrijft. Werkwoordspelling kun je leren door veel te oefenen. Ook volwassen schrijvers moeten soms nog nadenken over hoe een werkwoord goed geschreven wordt. Naast het oefenen van werkwoordspelling in werkboeken helpt het ook om veel te lezen. Daar wordt je spelling ook beter van!
1
2. Beloon jezelf Heb je een hele pagina af, plak er dan een mooie sticker of een plaatje op. Goed bezig! 3. Afwisselen Wissel inspanning en ontspanning af. Heb je een pagina gemaakt? Doe dan eens iets heel anders! Ga even lekker bewegen, dansen of zingen of lees een (strip)boek. Je kunt tenslotte niet alleen maar hard werken!
Bij de les Uitleg bij de opgaven Werkwoorden enkelvoud tegenwoordige tijd Er zijn in de tegenwoordige tijd enkelvoud drie vormen: Ik werk - Je schrijft de stam van het werkwoord door -en weg te laten. Jij werkt - Je schrijft een -t achter de stam van het werkwoord. Hij/zij werkt - Je schrijft een -t achter de stam van het werkwoord. Ook: verbinden - hij verbindt
Uitzonderingen Werkwoorden die maar uit één lettergreep bestaan (doen, gaan, zien, staan, slaan), schrijf je anders: Ik doe, jij doet, hij doet, wij doen, jullie doen, zij doen. Er zijn ook werkwoorden die zich niet aan de regels houden, zoals hebben, zijn, kunnen, willen, mogen. Ik heb, jij hebt, hij heeft, wij hebben, jullie hebben, zij hebben.
Werkwoorden meervoud tegenwoordige tijd Er zijn in het meervoud van de tegenwoordige tijd drie vormen: Wij werken - Je schrijft het hele werkwoord. Jullie werken - Je schrijft het hele werkwoord. Zij werken - Je schrijft het hele werkwoord.
Dit oefenboek biedt de mogelijkheid om al deze spellingsmoeilijkheden extra te oefenen.
Klankveranderingen Bij het zoeken naar de stam van het werkwoord kunnen klanken veranderen: Wijzen - ik wijs Verven - ik verf Bij het zoeken naar de stam van het werkwoord moeten letters soms vervallen: Wassen - niet ik wass, maar ik was Pakken - niet ik pakk, maar ik pak Bij het zoeken naar de stam van het werkwoord moet je soms de klank aanpassen: Praten - niet ik prat, maar ik praat Sturen - niet ik stur, maar ik stuur Bijzondere vormen: Werk jij? Staat de persoonsvorm je/jij achter het werkwoord? Dan vervalt de -t: Jij werkt - Werk jij? Jij verbindt - Verbind jij?
2
HOOFDSTUK 1 ENKELVOUD
HOOFDSTUK 1 ENKELVOUD Werkwoorden zijn woorden die vertellen dat je iets kunt doen. Het zijn dus doe-woorden. Jan verft de deur. Moeder fietst door de stad. Petra harkt de tuin. Vader repareert de schuur.
Verft is een werkwoord. Fietst is een werkwoord. Harkt is een werkwoord. Repareert is een werkwoord.
Jan kan verven. Moeder kan fietsen. Petra kan harken. Vader kan repareren.
Het vervelende van werkwoorden is alleen dat ze niet altijd hetzelfde worden geschreven. Een voorbeeld: Ik ga naar school. Rick gaat naar school. Wij gaan naar school. Joy ging naar school. Zij gingen naar school. Dit zijn een paar voorbeelden, waaraan je kunt zien dat werkwoorden op verschillende manieren geschreven kunnen worden. Waar hangt het nu van af hoe een werkwoord geschreven wordt? • Dat hangt af van het onderwerp, dus wie het doet of doen. • En van de tijd waarin iets gebeurt. Laten we eens kijken hoe het werkwoord er uitziet als het onderwerp ik is. De manier van schrijven van het werkwoord dat bij ik hoort noemen we de stam. Die stam vinden we meestal door de letters -EN van het werkwoord weg te laten. Is het iemand anders die iets doet, dan zetten we achter de stam de letter t. Kijk maar: verzamelen snijden poetsen
ik verzamel ik snijd ik poets
zij verzamelt hij snijdt moeder poetst
Schrijf de stam op van de volgende werkwoorden: aaien bouwen boksen dichten bieden branden schieten dansen bijten breien vlechten buigen binden brengen grijpen gieten oogsten rijden worden landen
3
denken zwaaien draaien vinden dweilen duiken fluiten verzamelen rekenen sporten
We gebruiken de stam niet alleen als het onderwerp ik is. We gebruiken de stam ook als het onderwerp je of jij is en achter het werkwoord staat. Dus: Loop jij? Verzamel je? Tennis je?
En niet loopt jij? En niet verzamelt je? En niet tennist je?
Maar: Loopt je broer? Verzamelt je zusje? Tennist je moeder?
Nu is je broer het onderwerp. Hier is je zusje het onderwerp. Je moeder is hier het onderwerp.
Hier is iemand anders het onderwerp en niet je of jij. Wanneer de stam op een t eindigt, zetten we er geen t achter, maar eindigt hij op een d dan komt de t er wel achter. Ik aai Ik bloed Ik pest Ik fiets Ik dicht
hij aait. hij bloedt hij pest (hier geen t achter de stam, want hij eindigt al op een t) jij fietst zij dicht (hier geen t achter de stam, want de laatste letter is al een t)
4
HOOFDSTUK 1 ENKELVOUD
OPGAVEN HOOFDSTUK 1 gooien Jij Joost Ik zwaaien Je Mieke Jij Ik Naar wie roeien Gerard Willeke
je dat niet op de grond? niet ver. zijn pen in zijn tas. jij de bal in de mand? de bal.
naar je moeder naar haar broer. met een vlag. naar de koningin. Wim?
heel goed. je voor het eerst? al lang. jij met ons mee? je zus ook graag?
slenteren ik? Vader Jij Je zaaien De boer Ik Jij kibbelen Ik Je Mijn zus Hij 5
door de straten. ook al. je altijd zo? weer, Rick.
tarwe. je broer wel eens? bloemen. jij soms ook bloemen? toch altijd worteltjes?
bijna nooit. weer met je broertje. heel veel. jij wel eens? soms.
spelden Moeder Ik Ja, zij lusten Ik Ik Sven
rekenen Tony Kelly Damiam
vernielen Ik Die kwajongen
Nee, hij
een bloem op. jij wel eens een bloem op? nooit iets op. je zus een broche op? die vaak op.
geen aardbeien. Robert wel aardbeien? alleen bananen. geen frambozen. jij wel frambozen?
erg slecht. wel goed. jij graag? niet graag. je broer nog op zijn vingers?
nooit iets. een brievenbus. jij wel eens wat? je broer jouw werkstuk? nooit iets.
schateren
Piet Hij verzorgen Ik Joost Je Tante
zij het uit? jij wel eens van het lachen? soms ook. je zusje vaak? meestal om niets.
mijn hamster. jij je hamster ook? zijn moeder. je konijn niet goed. haar zieke nichtje.
6
groep
Werkwoorden enkelvoud tegenwoordige tijd Werkwoorden meervoud tegenwoordige tijd Klankveranderingen: wijzen – ik wijs Bijzondere vormen: Werk jij? Werkwoordsvormen: hebben, zijn, kunnen, willen, mogen
• • • • •
leerjaar 4
6
9+
taal & lezen
Bij de les
→ spelling
Oefenen met werkwoordspelling Extra oefenen met de spelling van werkwoorden? Dat kan met dit oefenboek! Het goed kunnen spellen van woorden en werkwoorden is belangrijk om goed te kunnen schrijven. Brieven of werkstukken bijvoorbeeld. Als je weet hoe je de werkwoorden goed schrijft, begrijpt iedereen wat je bedoelt. Het oefenboek begint makkelijk met eenvoudige werkwoorden in de tegenwoordige tijd. En dan wordt het steeds een stukje uitdagender: werkwoorden in het meervoud, werkwoorden met klankverandering (wijzen - ik wijs) en lastigere werkwoorden zoals hebben en zijn (ik heb, hij heeft en ik ben, hij is). Zo oefen je de werkwoordspelling om een goede schrijver te worden! 4 3/4 5/6 Bij53les j dsB dB e i2le e i1l/j2edseBij3 Bij de s le 7 l1esdeBij Bi4 ljede s ledse il5jedse B 7/8 les e d j o e fe nr b e Bi5/6 groep
groep
groe
leerjaar
leerjaar
leerj aar
groep
groep 6
groep
p
groe
aar leerj
8
ep
gro
ja
6 ar
r lee
zwijsen.nl/bijdeles
leerjaar 3/4
p
gro
ep
leer
jaar
leerjaar
ar
leerja
eeknegnr iejnp e O e f e n Oefenen s n ne m t fe e Oe n ttogteuleddne rme n nmmdee eOne fne n e n d ebreuken w ee td l tt n np etmet beefgerniejme e ntr iek Os t u d e rterni edkmel e z egne l d z1a0k0e0n r k w oeozresnp e l l i n den g e met m Dit
Dit we
Dit w erkb
rkboe
Dit werkboe
k is van:
oek
k is va
n:
Dit
we rk
boe
is va
n:
we rk
k is
bo
ek
van
:
is v an
:
it
bij
Dit werkboek is van:
Dit werkboek is van: k
rkboe
Dit we
oek
Dit
kb wer
is van:
Sluit
Slui
Slu 100% t aanSluit Sluit 100% aan Slu aan 100% aanbij schoolbij sch aan 100% 100%it ool 100% ool bijl school bij sch schoo aa
bij sch n ool 10 Sluit
0
bij % aan scho ol
100Sluit bij % aa scho n ol 1 Slu 0 bij 0% it sch aa oo n l
n:
is va
9 789048 744664
Sluit
100% aan bij school
Op zwijsen.nl/leerspellen vind je nog meer leuke spellen!