STUDENTENWEEKBLAD van de R.U.G.
be jaargang
Verantwoordelijk Uitgever: Rik Van Nuffel Hoofdredakteur:
Frank
Goetmaeckers
Redaktieadres: St. Pietersnieuwsstraat 45
9000
Gent
ASLK
SOCIAAL De bedoeling van de bijeenkomsten van maandag 3 november i.v.m. de S.S. was het bijeenbrengen van informatie, standpunten, visies om vooral op donderdag 13 november te kunnen overgaan tot het formuleren van een nieuw beleid binnen de S.S. Cindien nodig).
Van Espen De eerste spreker was dhr. W. Van Espen, die wat achtergrondinformatie gaf bij het tot standkomen van de wet van 3 augustus 1960. Hij haalde de initiatiefnemer van de wet aan, de Minister van Openbaar Onderwijs koureaux, waar deze stelt, dat er binnen het onderwijs problemen opgelost moeten worden, die niets met het onderwijs zelf te maken hebben : voeding, huisvesting en, op een ruimer vlak, de sociale dienst, psychologische hulpverlening, enz. De financiële middelen namen in belangrijke mate toe en bij het beheer moeten studenten betrokken worden. De vragen die volgens Van Espen gesteld moe ten worden zijn : 1. - Heeft de Wet van '60 bijdragen tot de demokratisering van het onderwijs geleverd (en is dit nodig) ? 2. - Heeft de spreiding van de universiteiten (en van de sociale sektoren) geleid tot zo'n demokratisering ?
0 0 1 -0 4 8 1 2 6 0 -2 2
BERAAD
Maandag,3 november ging de eerste dag door van de studiedagen van de sociale sector. Op deze dag werd informatie gegeven over de Wet van 60 op de sociale voorzieningen, over de opties binnen de S.S. en over het standpunt van het ministerie terzake.Er m g alvast geschreven worden dat er vanuit de studentenmilieus erg weinig interesse was.Nochtans zouden wij je willen uitnodiger tot deelname aan het debat dat doorgaat op donderdag 13 november om 20 h. in de Blandijn,waar nieuwe opties voor de S.S. zullen uitgediskussieerd worden.Je hebt nu de kans om je mening over de resto's en homes,sociale dienst en PAS te verwoorden.Gebruik deze kans.
De werkgroep op het niveau van het Ministerie heeft in feite nooit goed gewerkt, wel werd een optie genomen op de uitbouw van regionale sociale centra (openstellen van de bestaande sociale sectoren naar het nietuniversitair hoger onderwijs (NUHO), eventueel voor werkende jongeren),maar de werkgroep was van mening, dat de overheid de meerkosten moest betalen. In de huidige (budgettaire) toestand is dit geheel uitgesloten .
De politiek van de regering zou vnl. gericht zijn op: - de inkrimping van de middelen voor de s.s. - geen verdere bescherming van het elitaire karakter van de student.
Ward Bosmans
Voorzieningen, die aan een éénvormige prijs aan studenten geleverd worden zouden niet verder gesubsidieerd worden. Uiteindelijk zou men moeten overgaan tot een splitsing tussen investeringskrediet en werkingskrediet binnen de sociale sector. Let wel op, dit zijn nog geen vaststaande feiten! De overheersende mening op het kabinet is, dat de demokratisering van het onderwijs niet via de sociale voorzieningen bereikt zal worden, maar wel via 'permanente vorming 'open school en universiteit’ en 'sociale promotie’. Aan deze laatste opdracht is men nooit begonnen. Wat betreft de eerste opdracht konstateerde men, dat de wet van. '71 (die een wijziging inhield van een wet van '54) nooit uitvoeringsbesluiten gekend heeft. Het systeem van toelagenbedeling van de wet van '54 werd gewoon overgenomen. Dit betekent dat de kritiek op de wet van '54 ook na de wijziging van '71 bleef gelden.
Na de Heer Van Espen, kwam de Heer Ward Bosmans aan de beurt. Hij is vnml aktief op het vlak van de studiebeurzen en van de Sociale Sektoren. Hij kwam namens het Ministerie van Nationale Opvoeding (Calewaert) maar benadrukt, dat hij niet in de mogelijkheid was om in naam van het Mini sterie te spreken.
De eerste opmerking van zijn kant, kwam neer op een verwijzing naar het regeerakkoord, waar de uitdrukkelijke wens wordt uitgedrukt de regeling inzake sociale voorzieningen op een geĂŻntegreerde wijze op te bouwen voor ALLE studenten van het hoger onderwijs (ook voor het niet-universitair H.O.).
In de verklaring van de Vlaamse deelregering wordt een wijziging van het studiebeurzensysteem (wegwerken diskriminatie tussen U.H.O. en N.U.H.O.) voorgesteld.
W. Bosmans wijst erop dat de wet Van 3 aug. ’60 overging tot een legalisering van een bestaande toestand. De RUG ontving reeds 12 miljoen voor het ingang treden van de wet Door de wet kregen zowel rijks- als vrije universiteiten de mogelijkheid tot uitbouw van een sociale sector. Wel is het zo, dat een dergelijke wet, die zich beperkt tot de universiteiten, nu totaal geen kans meer zou hebben, het niet-universitair hoger onderwijs kan nu niet meer genegeerd worden.
~A s~o -ÂŁ.<^e^^o L
Verder stelde hij nog, om praktische redenen (o.a. moeilijkheden van toepassing met het nieuwe systeem met het schoolpakt) een opsplitsing van de diensten naar de plaats waar ze in feite thuishoren (sport bij BLOSO medische structuur bij het systeem van sociale zekerheid, enz.) De regering ZOU opteren voor individuele hulpverlening, waarbij een differentiële prijsaanrekening centraal zou staan (verschillende prijzen voor verschillende kategoriën van studenten).
Naast deze verklaringen wees Ward Bosmans < op het bestaan van twee werkgroepen op het niveau van het ministerie. De eerste werkgroep hield zich bezig met de studiebeurzenpolitiek. Deze werkgroep had drie afgelijnde opdrachten: 1. het opstellen van een nieuw stelsel 2. aanpassing van de huidige wetgeving en formulering van uitvoeringsbesluiten 3. studie-financiering in het algemeen
Er vloeit geld naar diegenen, die het niet nodig hebben, de band met het fiskaal stelsel is te eng (in acht genomen, dat een belastingsaangifte niet altijd overeen komt met het werkelijke inkomen). Er is ook sprake van een zgn. Matheus-effekt: de rijken zullen gegeven worden, de armen zullen geven. Bosmans beweert, dat dit ook zo bedoeld is: het is een gevolg van een systeem, dat bewust op die basis ingesteld werd. Gans dit systeem heeft de demokratisering niet in de hand gewerkt, het heeft alleen een duwtje gegeven aan diegenen, die aan de drempel stonden van het universitair onderwijs. Het nieuwe systeem steunt op een herverdeling: voor de huige groep van beurstrekkenden zou dit betekenen, dat zowat 6000 mensen hun beurs zouden verliezen ten voordele van diegenen, die een beurs echt nodig hebben. De konstatatie, dat de 1/2 der beurstrekkenden onder het socio-vitaal minimum vallen (=inkomen van de ouders) rechtvaardigt ten volle dit systeem. Hier kan nog kort gewezen worden op het feit, dat studenten hoger onderwijs ook nog een kinderbijslag genieten en dat hun ouders minder belasting moeten betalen. Deze en andere gegevens doen de vraag rijzen naar een sociaal (zelfstandig) statuut voor de student: W. Bosmans stelt, dat dit enkel mogelijk zou zijn via een vorm van para-fiskaliteit of een akademische belasting, die gehoffen zou worden na het beëindigen van de studie.
Opties In het derde deel van de uiteenzetting kwam men uiteindelijk toe aan de formulering van de genomen opties: 1. Streven naar volledige informatie i.v.m. besteding van de middelen ter beschikking van afe sociale sectoren. Van Espen meent dat deze doelstelling bereikt is, maar dat bepaalde organen (vnl. Schamper) er niet in slagen mensen aan te zetten tot deelname aan de sociale sector en tot stimulering van een discussie over de sociale sector. 2. Autonoom beheer Deze tendens naar autonomie houdt steeds het gevaar in van een financiële autonomie: de sociale sector zou in grote mate bekneld geraken zonder financiële steun. Op technisch vlak is de autonomie van de s.s. erkend. Standpunten, die het levensbeschouwelijke aspect reekten (gemengde homes, opheffing nachtregister,enz.) werden door de raad van beheer niet aanvaard en steeds gekoppeld aan andere thema’s. 3. Afwerken van de bouwpolitiek Rekening houden met het feit, dat er vroeger homerische discussies plaatsvonden over het feit of er in 1985 18 of 20.000 studenten in Gent zouden verblijven (huidige schatting rond de 10.000) zit de sociale sector met een paar immense gebouwen opgezadeld. 4. Het zo laag mogelijk houden van de prijzen. Standpunt op één van de vorige studiedagen: zolang demokratisering van het onderwijs nog aangevat moet worden, is een stijging van de (levens-)onderhoudskosten onaanvaardbaar. Nu moeten er nieuwe opties genomen worden (aanrekening van ’verité de prise’, kostprijs) . 5. Streven naa r G E L I J K H E I D v a n prijzen. 6. Openstelling Sociale sectoren voor het NUHO. Uitbouw tot een regionaal centrum/
Ha n s
Blok