Skip to main content

Concerttoelichting | Lahav and Friends

Page 1


Concerttoelichting

PROGRAMMA

piano Lahav Shani

hobo Karel Schoofs

klarinet Bruno Bonansea

fagot Lola Descours

hoorn Felipe Freitas

sopraan Chen Reiss

viool Marieke Blankestijn

altviool Roman Spitzer

cello Emanuele Silvestri

contrabas Ying Lai Green

Wolfgang Amadeus Mozart (1756–1791)

Kwintet in Es, KV 452 voor piano en blazers (1784)

• Largo – Allegro moderato

• Larghetto

• Rondo: Allegretto

Gustav Mahler (1860–1911)

Drie Rückert-liederen (1901–02)

• Ich atmet’ einen linden Duft

• Liebst du um Schönheit

• Ich bin der Welt abhanden gekommen

Franz Schubert (1797–1828)

Pianokwintet in A, D 667, ‘Forellenkwintet’ (1819)

• Allegro vivace

• Andante

• Scherzo: Presto

• Andantino – Allegretto

• Allegro giusto

Einde concert ca. 21.45 uur

Cover: Foto Anna Snortum Phelps (Unsplash)

een

Een Schubert-avond in
Weens burgerhuis. Schilderij (1897) van Julius Schmid. Coll. Wien Museum

Ich atmet’ einen linden Duft. Manuscript (1901) van Gustav Mahler. Coll. Bayerische Staatsbibliothek

Onder vrienden

‘Kannevas?’ – ‘Kan die wat?’ Als Franz Schubert werd aangeschoten door een vriend die hem wilde voorstellen aan een onbekende, dan was dat steevast zijn reactie. Kon de persoon in kwestie inderdaad iets –een instrument bespelen, zingen, of teksten voordragen – dan was het ijs al snel gebroken.

Samen muziek maken in informele sfeer, gewoon bij iemand thuis, met vrienden en onbekenden, daar kon je Franz Schubert voor wakker maken. Informele muziekavonden met hem achter de piano werden een begrip in Wenen, de bezoekers ervan begonnen ze zelfs ‘Schubertiades’ of ‘Kannevas’ te noemen.

Wolfgang Amadeus Mozart

Maar Schubert was zeker niet de uitvinder van zulke muzikale bijeenkomsten; ook in Mozarts tijd werd er onder Weense vrienden al volop kamermuziek gemaakt. Mozart deed er graag aan mee: hij haalde dan zijn altviool tevoorschijn en vormde een gelegenheidskwartet met bevriende collega’s. Altviool spelen deed Mozart alleen voor zijn plezier; de piano was het instrument waarmee hij optrad voor betalend publiek. Hij organiseerde zelf concerten waarin hij zijn eigen werk uitvoerde. De bezoekers rekenden erop steeds weer iets nieuws te horen te krijgen, dus met iedere serie concerten die Mozart plande, haalde hij zich ook een componeerklus op de hals. Alleen al in de maand maart 1784 schreef hij twee grote pianoconcerten én een kwintet voor piano en

blazers. De inkt was nog nat toen ze op 1 april hun eerste uitvoering kregen.

Vooral over het nieuwe kwintet was Mozart erg tevreden. ‘Ikzelf beschouw het als het beste dat ik in mijn hele leven heb gecomponeerd,’ schreef hij kort na de première in een brief aan zijn vader. ‘Ik zou willen dat u het had kunnen horen!’ Ook het publiek was laaiend enthousiast over deze noviteit. Een stuk waarin een piano en vier blaasinstrumenten op voet van gelijkheid met elkaar converseren: wie van de aanwezigen had ooit eerder zoiets meegemaakt?

Gustav Mahler

Honderdtwintig jaar nadat Mozart zijn concertseries organiseerde, werd in Wenen de Vereniging van Scheppende Toonkunstenaars opgericht. Het was een initiatief van drie jonge componisten die, net als Mozart, een podium en een publiek zochten voor hun eigen werk en andere eigentijdse muziek. Ze wisten Gustav Mahler te strikken als erevoorzitter, en die gunde de première van een van zijn nieuwe composities aan de Vereniging. In de jaren daarvoor had hij enkele liederen geschreven op gedichten van Friedrich Rückert, die nog

geen van alle waren uitgevoerd. Op 29 januari 1905 klonken ze voor het eerst in de afgeladen Kleine Zaal van de Weense Musikverein: de cyclus Kindertotenlieder en vier ‘losse’ liederen – samen met een selectie ‘Wunderhorn’liederen, die al repertoire hadden gemaakt. Eén Rückert-lied ontbrak: Liebst du um Schönheit kreeg het publiek niet te horen. Mahler had het drie jaar eerder geschreven als een liefdesverklaring aan Alma Schindler, met wie hij toen net getrouwd was. Hij beschouwde het lied als een privé-aangelegenheid, het zou pas na zijn dood gepubliceerd worden. Maar ook de Rückert-liederen die het publiek van Mahler wél mocht horen, lijken zich achter gesloten deuren af te spelen. In Ich atmet’ einen linden Duft bevindt de dichter zich in zijn kamer; hij is er alleen, maar bespeurt de nabijheid van zijn geliefde in de geur van de bloeiende lindetak die daar in een vaas staat.

Vanuit een nóg grotere afzondering klinkt Ich bin der Welt abhanden gekommen, waarin al het aardse hooguit nog een herinnering is. De 21-jarige Anton Webern, die bij de eerste uitvoering in de zaal zat, schreef in zijn dagboek hoe hij geraakt werd door de ‘overweldigende intimiteit’ van Mahlers nieuwe scheppingen: zo volkomen anders dan het briljant-folkloristische karakter van de Wunderhorn-liederen.

Franz Schubert

Met die beide kwaliteiten, intieme verfijning én folkloristische robuustheid, toonde Mahler zich als liederencomponist een erfgenaam van stadsgenoot Franz Schubert. Ook bij Schubert wisselden het gesublimeerde en het aardse elkaar voortdurend af. Zijn lied Die Forelle valt in de laatste categorie: met een melodie die de natuurlijke vanzelfsprekendheid van een volkswijsje heeft, vertelt het over het onfortuinlijke lot van een forel die te dicht bij het aas van een visser komt.

Het lied werd al snel een hit en bleek geen

eendagsvlieg. Twee jaar nadat de wereld voor het eerst kennis had kunnen nemen van Die Forelle kreeg Schubert het verzoek om de melodie ervan te verwerken in een nieuw kwintet voor piano, viool, altviool, cello en contrabas. Die opdracht kwam van een welgestelde amateurcellist, bij wie Schubert tijdens zijn vakantie te gast was. Schubert begon meteen met componeren en voltooide het stuk toen hij weer thuis was.

Vijf delen telt Schuberts kwintet. In het vierde deel is de forel het duidelijkst waarneembaar: de liedmelodie duikt daar op als het thema voor een reeks van vijf variaties, waarin steeds een ander instrument de hoofdstem krijgt. Maar ook al in het eerste deel van het kwintet, direct in de openingsmaten, is een verwijzing naar Die Forelle te horen. In de piano klinkt een motiefje van zes stijgende noten dat sterk doet denken aan de pianobegeleiding van het lied, wild stromend als een bergbeekje. Varianten van dat stijgende-notenmotiefje keren terug in de volgende delen, waardoor het kwintet – ogenschijnlijk één en al spontane inventie –een hechte structuur krijgt. De opdrachtgever kreeg een meesterwerk geleverd. Je vraagt je alleen af: zou-ie het, als amateurcellist, zelf ook hebben kunnen spelen?

Lahav Shani

Kan die wat? Die vraag leefde ook in het Rotterdams Philharmonisch Orkest toen Lahav Shani er tien jaar geleden voor het eerst zijn opwachting maakte. Het antwoord bleek een volmondig ‘ja’, en al tijdens de eerste repetitie maakten de debuterend dirigentpianist en het orkest samen muziek alsof ze elkaar al hun hele leven kenden. Die band heeft zich sindsdien ontwikkeld tot een diepe vriendschap. En wat kan die vriendschap beter illustreren dan een avondje kamermuziek?

Ich atmet’ einen linden Duft!

Im Zimmer stand

Ein Zweig der Linde, Ein Angebinde

Von lieber Hand.

Wie lieblich war der Lindenduft!

Wie lieblich ist der Lindenduft! Das Lindenreis

Brachst du gelinde!

Ich atme leis

Im Duft der Linde

Der Liebe linden Duft.

Liebst du um Schönheit, O nicht mich liebe!

Liebe die Sonne, Sie trägt ein gold’nes Haar!

Liebst du um Jugend, O nicht mich liebe!

Liebe den Frühling, Der jung ist jedes Jahr!

Liebst du um Schätze, O nicht mich liebe.

Liebe die Meerfrau, Sie hat viel Perlen klar.

Liebst du um Liebe, O ja, mich liebe!

Liebe mich immer, Dich lieb’ ich immerdar.

Ich bin der Welt abhanden gekommen, Mit der ich sonst viele Zeit verdorben, Sie hat so lange nichts von mir vernommen, Sie mag wohl glauben, ich sei gestorben.

Es ist mir auch gar nichts daran gelegen, Ob sie mich für gestorben hält, Ich kann auch gar nichts sagen dagegen, Denn wirklich bin ich gestorben der Welt.

Ich bin gestorben dem Weltgetümmel, Und ruh’ in einem stillen Gebiet. Ich leb’ allein in meinem Himmel, In meinem Lieben, in meinem Lied.

Ik rook een milde geur!

In de kamer stond een lindetak: een geschenk uit een lieve hand.

Hoe lieflijk was die lindegeur!

Hoe lieflijk is de lindegeur!

Die lindetwijg plukte je behoedzaam!

Ik adem stil, in de lindegeur, de milde geur van liefde in.

Bemin je schoonheid, bemin mij dan niet!

Bemin de zon, die gouden haren heeft!

Bemin je jeugdigheid, bemin mij dan niet!

Bemin de lente: die is elk jaar weer jong.

Bemin je rijkdom, bemin mij dan niet!

Bemin de zeemeermin: die heeft een parelschat.

Bemin je uit liefde, O ja, houd dan van mij!

Bemin me altijd, Jou heb ik eeuwig lief.

Ik ben de wereld ontvallen, waaraan ik ooit zoveel tijd verspilde. Ze heeft al zolang niets van me gehoord, dat ze me misschien wel dood waant.

Het kan me ook helemaal niet schelen of ze denkt dat ik dood ben, ik zou het niet eens kunnen weerleggen: voor de wereld ben ik ook echt gestorven.

Ik ben gestorven voor het aardse gedoe, ik vond rust in een stil gebied. ik leef, alleen, in mijn hemel, in mijn liefde, in mijn liederen.

Agenda

Lahavs afscheid

vr 29 mei 2026 • 20.15 uur

zo 31 mei 2026 • 14.15 uur dirigent en piano Lahav Shani sopraan Chen Reiss

Mozart Concertaria ‘Ch’io mi scordi di te? – Non temer, amato bene’ Zedginidze Symfonisch gedicht (wereldpremière)

Wagenaar Ouverture Cyrano de Bergerac

Mahler Vierde symfonie

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Concerttoelichting | Lahav and Friends by Rotterdams Philharmonisch Orkest - Issuu