Skip to main content

Snježana Matijević essay april 2026

Page 1


Reflectie en actualisering van interne en externe emancipatie

Van theorie (1990) naar praktijk (2010)

Emancipatie is een proces van binnenuit, dat zich in de samenleving ontvouwt.

Snježana Matijević

Voorwoord

Deze publicatie is tot stand gekomen ter gelegenheid van het symposium “Sterke vrouwen, krachtige verhalen” op 8 april 2026 van het Regionaal Archief Tilburg en brengt twee tijdslagen samen: een oorspronkelijke theoretische tekst uit 1990 en een hedendaagse reflectie op de verdere ontwikkeling van het concept interne en externe emancipatie.

De tekst uit 1990, opgenomen in het boek Het Centrum Buitenlandse Vrouwen Tilburg. Een beschrijving naar visie, middelen en aanpak van Snježana Matijević en Stef van Breugel, vormde destijds de theoretische basis voor het beleid en de werkwijze van het Centrum Buitenlandse Vrouwen (CBV) in Tilburg. Vanuit deze benadering zijn gedurende vele jaren activiteiten ontwikkeld die gericht waren op de emancipatie en maatschappelijke participatie van vrouwen met een migratieachtergrond.

In de daaropvolgende decennia hebben maatschappelijke veranderingen, nieuwe migratiestromen en opgedane praktijkervaringen geleid tot verdieping en verbreding van dit oorspronkelijke kader.

In deze publicatie wordt deze oorspronkelijke tekst opnieuw gepresenteerd, gevolgd door een actualisering en reflectie op basis van mijn ervaringen als directeur van het CBV in de periode 1986–2010.

Door deze combinatie ontstaat een samenhangend beeld van emancipatie als een dynamisch proces waarin individuele ontwikkeling, gemeenschapsvorming en institutionele verandering nauw met elkaar verbonden zijn.

Deze publicatie is daarmee niet alleen een terugblik, maar ook een uitnodiging om het denken over emancipatie in hedendaagse contexten verder te verdiepen.

Snježana Matijević

Directeur CBV (1986–2010)

Interne en externe emancipatie

(CBV, 1990)

Uit het boek Het Centrum Buitenlandse Vrouwen Tilburg. Een beschrijving naar visie, middelen en aanpak van S. Matijević en S. van Breugel. Tilburg, 1990

2.1 Vooraf

Het CBV ziet de emancipatie bevordering van migrantenvrouwen als haar hoofdtaak. Emancipatie staat voor mondig maken, vrijmaken en gelijkstellen in de ruime betekenis van het woord. Emancipatie verwijst naar het proces waarbij een sociale groepering vanuit een ondergeschikte, tweederangspositie volledige erkenning en volwaardige integratie verwerft.

Nu is het niet eenvoudig algemene uitspraken te doen over emancipatie van migrantenvrouwen. Hans Vermeulen (1984) wijst erop dat de positie van etnische groepen het best begrepen kan worden vanuit een situationele benadering. Wanneer we iets willen zeggen over de positie van migrantenvrouwen, moeten we daarbij betrekken over welke vrouwen het gaat, in welke plaats of regio zij wonen, welke migratiegeschiedenis zij hebben en waar zij vandaan komen. Concrete ervaringen zijn bepalend voor emancipatie en voor de ontwikkeling van het etnisch bewustzijn.

Desalniettemin willen we enkele uitspraken doen over de emancipatie van migrantenvrouwen. De visie hierop is richtinggevend voor het werk van het CBV.

2.2 De interne emancipatie

De arbeidsmigratie betekent voor veel migrantenvrouwen een breuk in het persoonlijke en sociale leven.

Migrantenvrouwen belanden met hun komst naar Nederland in een maatschappij met een andere etnische structuur. Zij komen, vaak ongewild en onbewust, in een minderheidspositie terecht en die bepaalt in sterke mate het verloop van de emancipatie.

Het onderscheid tussen islam en christendom speelt een belangrijke rol omdat voorschriften en taboes doorwerken in het alledaagse leven. Hierbij kan gedacht worden aan opvattingen over de maatschappelijke positie van de vrouw en over de omgang van vrouw en man (seksualiteit en relaties).

Ook familieverbanden en gezinsnormen veranderen. Veel migrantenvrouwen en -meisjes zijn gewend te leven in een groot-familieverband, waarbinnen het gezin minder centraal staat dan bij de meeste Nederlanders.

Migrantenvrouwen trekken, meer dan Nederlandse vrouwen en meisjes gewend zijn, met elkaar op. Naast familiebetrekkingen kennen migrantenvrouwen netwerken van vrienden en bekenden. Hierbij lijkt het alsof Turkse vrouwen binnen hechtere netwerken leven dan Marokkaanse vrouwen.

Migrantenvrouwen verliezen met hun komst naar Nederland die netwerken. De netwerken die ervoor in de plaats komen, zijn van een andere aard. De migrantpositie is bepalend geworden voor de relaties met vrienden en bekenden. Aan de ene kant zijn de keuzemogelijkheden om vriendschappen te sluiten minder

groot omdat de sociale mobiliteit minder is en de bekendheid met anderen kleiner is. Aan de andere kant is er de sociale controle binnen de gemeenschappen, die vrouwen en meisjes beperkt in het volgen van hun eigen voorkeuren.

De breuk in het persoonlijke en sociale leven wordt ten slotte ook veroorzaakt door de andere economische positie. Migrantenvrouwen raken in Nederland betrokken bij industriële productieprocessen en verrichten ongeschoold, laag betaald werk dat weinig aanzien heeft. Terwijl zij in het land van herkomst hoofdzakelijk betrokken zijn geweest bij de agrarische productie. Veel migrantenvrouwen zijn namelijk van boerenafkomst en hebben vóór hun komst naar Nederland op het platteland gewerkt.

Gedurende de eerste jaren van het verblijf in Nederland zoeken migrantenvrouwen en -meisjes houvast om zich te kunnen handhaven. Er voltrekt zich een proces van heroriëntatie. Vragen als: wie ben ik, wat wil ik en wat moet ik, zijn opnieuw aan de orde.

Migrantenvrouwen geven gedurende die eerste jaren prioriteit aan de omgang met zichzelf, met familieleden en met lot- en landgenoten. Het CBV noemt deze heroriëntatie de interne emancipatie.

Migrantenvrouwen proberen zich op het land van herkomst en op oorspronkelijke waarden en normen te oriënteren. Bijvoorbeeld door zich voor te nemen terug te keren.

Bij migrantenmeisjes die op latere leeftijd naar Nederland komen, gaat de heroriëntatie samen met het oorspronkelijke proces van identiteitsontwikkeling dat elke jongere, waar dan ook ter wereld, doormaakt.

Voor migrantenmeisjes betekent de arbeidsmigratie bovendien een breuk met de opvoeding en met hun positie binnen het onderwijs.

In de literatuur over minderheidsvorming wordt de fase van interne emancipatie als zodanig erkend. Wertheim (1970) zegt, sprekend over migrantenvrouwen, dat zij in de eerste fase van het verblijf in het nieuwe land houvast zoeken door orthodox vast te houden aan de oorspronkelijke culturele waarden.

Zij versterken in eerste instantie reeds bekende waarden en normen uit het land van herkomst en negeren daarbij veranderingen die zich ook in het land van herkomst voltrekken.

Migrantenvrouwen zoeken daarbij houvast in het zich onderscheiden van andersdenkenden. Zij stellen zich op in termen van ‘wij’, migranten, tegenover ‘zij’, Nederlanders of West Europeanen.

Het vasthouden aan oorspronkelijke waarden en normen kan beschouwd worden als een reactie op gevoelens van bedreiging, angst, onzekerheid en verwarring die tijdens de eerste jaren van het verblijf in Nederland ontstaan.

Voor veel migrantenvrouwen is de overgang naar Nederland in sociaal-psychologisch opzicht groot, zo niet te groot. Men spreekt in dit verband ook wel van een ‘cultural shock’.

Migrantenvrouwen zoeken, als reactie, vaak geen verder contact met Nederlanders, voor zover dat niet nodig is. Bijvoorbeeld via het arbeidsproces en het onderwijs. Zij volstaan met de oriëntatie binnen de eigen kring en kiezen daarmee voor het op zichzelf staan en voor een relatief isolement.

Nederlanders benadrukken dit isolement vaak zonder daarbij te beseffen dat dit voortkomt uit de keuze voor heroriëntatie op de eigen positie en de eigen gemeenschap.

Vluchten en niet loslaten

2.3 Externe emancipatie

De tweede emancipatie fase kenmerkt zich door toenadering tot en inburgering in de Nederlandse samenleving en vernieuwing van de eigen identiteit. Het CBV noemt dit de externe emancipatie.

Op het groepsniveau, in termen van de etnische gemeenschap, lijkt de heroriëntatie in eigen kring voorwaardelijk te zijn voor de externe emancipatie. Migrantenvrouwen streven in de fase van externe emancipatie naar gelijke en volwaardige participatie in de Nederlandse maatschappij, weliswaar met erkenning van de eigen identiteit. In deze fase erkennen migrantenvrouwen dat het verblijf in Nederland permanent is en dat inburgering een verrijking voor de eigen persoonlijkheid kan betekenen. Externe emancipatie komt tot uitdrukking via politieke organisatie, participatie in buurtverenigingen en bedrijfsorganisaties en culturele participatie. In de fase van de externe emancipatie worden migrantenvrouwen en -meisjes geconfronteerd met achterstelling en discriminatie. Deze discriminatie vormt een feitelijke belemmering voor de externe emancipatie en komt in alle facetten van het dagelijks leven voor. Specifieke activiteiten in het licht van de externe emancipatie zijn een fietscursus, deelname aan inspraakprocedures, aan politieke en culturele manifestaties, aan basiseducatie zoals de Nederlandse taal, en aan beroepenoriëntatie en opleidingen.

2.4 Zelforganisatie

Emancipatie van migrantenvrouwen en -meisjes staat in het teken van het scheppen van mogelijkheden opdat zij zich optimaal kunnen ontplooien. In eigen kring en in de Nederlandse samenleving: in sociaal-educatief, sociaal-cultureel en economisch opzicht.

Het CBV wil migrantenvrouwen en -meisjes op de eerste plaats steunen in de heroriëntatie in de eigen geborgenheid en veiligheid te bieden kring en in het verwerken van de overgang naar Nederland, teneinde hen een gevoel van zelfvertrouwen en een eigen indentiteit te laten hervinden. Volgens het CBV is zelforganisatie hierbij een belangrijk middel. In een zelforganisatie hebben migrantenvrouwen en -meisjes de gelegenheid zich op eigen voorwaarden en in hun eigen ritme te ontwikkelen. Binnen een zelforganisatie worden voorwaarden geschapen om ontmoeting en heroriëntatie in eigen kring tot stand te brengen. Tegelijkertijd kunnen vrouwen en meisjes via een zelforganisatie gestalte geven aan hun betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving door zich educatief toe te rusten, zich te vormen en op te komen voor hun eigen belangen. Hierdoor wordt het mogelijk optimaal te functioneren in de meerderheid/minderheid maatschappij.

Actualisering en reflectie (1990–2010)

Inleiding

Het concept van interne en externe emancipatie, zoals ontwikkeld en onderbouwd in het boek Het CBV Tilburg. Een beschrijving naar visie, middelen en aanpak , waar de tekst hiervoor uit is ontleend, vormde tot circa 2010 het centrale theoretische en beleidsmatige uitgangspunt van het Centrum Buitenlandse Vrouwen (CBV). Dit tweeluik fungeerde niet alleen als analytisch kader, maar ook als praktisch handelingsmodel voor de ontwikkeling en uitvoering van activiteiten.

De beleidsvorming en programmatische invulling van het CBV werden voortdurend geëvalueerd en bijgesteld op basis van systematische reflectie, onder meer via zogenoemde ronde-tafelgesprekken met cursisten, niet-cursisten, partner- en niet-partnerorganisaties in Tilburg en regio, medewerkers, bestuursleden en vertegenwoordigers van zelforganisaties. Deze stapsgewijze werkwijze leidde tot een geleidelijke verbreding en verdieping van de oorspronkelijke conceptualisering van interne en externe emancipatie.

In de loop van de tijd ontwikkelde zich daarnaast een belangrijk inzicht: emancipatie betrof niet uitsluitend de doelgroep van vrouwen maar ook het CBV als organisatie. Waar het CBV in de beginfase primair intern gericht opereerde, werd gaandeweg duidelijk dat ook een proces van externe emancipatie van de organisatie zelf noodzakelijk was om haar maatschappelijke positie en effectiviteit te versterken.

Dit essay beoogt een reflectie te bieden op de verdere ontwikkeling van interne en externe emancipatie, zowel op het niveau van vrouwen en hun volgende generaties als op het niveau van het CBV als institutionele actor. Deze reflectie is gebaseerd op langdurige praktijkervaring en wordt geplaatst in de context van veranderende migratiepatronen, met bijzondere aandacht voor de positie van vluchtelingen.

1. Interne emancipatie (1990–2010): Herwaardering van een miskend concept

Interne emancipatie is in beleidsmatige en politieke contexten herhaaldelijk onderschat en in sommige gevallen zelfs problematisch gepercipieerd. Activiteiten gericht op zelforganisatie, identiteitsontwikkeling en belangenbehartiging binnen de eigen gemeenschap werden niet zelden geïnterpreteerd als belemmeringen voor integratie. In het publieke en beleidsdiscours werden dergelijke initiatieven soms gekwalificeerd als vormen van maatschappelijke isolatie of etnisch-religieuze geslotenheid. Deze interpretatie miskent echter de functionele rol van interne emancipatie als noodzakelijke voorwaarde voor duurzame maatschappelijke participatie. De praktijkervaringen van het CBV tonen aan dat juist vanuit een versterking van eigen identiteit, zelfvertrouwen en sociale cohesie een basis wordt gelegd voor verdere participatie in de bredere samenleving. In veel gemeenten ontbrak structurele ondersteuning voor categoriale vrou -

wenorganisaties, hetgeen hun ontwikkelingsmogelijkheden beperkte. De gemeente Tilburg vormde in dit opzicht een uitzondering, mede dankzij de vroege implementatie van emancipatiebeleid vanuit het toenmalige ministerie van CRM in de jaren tachtig. Deze institutionele context bood ruimte voor de verdere ontwikkeling van een geïntegreerde benadering van emancipatie.

Binnen het CBV werd interne emancipatie geconcretiseerd in activiteiten gericht op identiteitsvorming, zelfstandigheid en economische participatie. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen generaties. Voor vrouwen uit de eerste generatie lag de nadruk op het doorbreken van sociaal isolement en het bespreekbaar maken van taboeonderwerpen, zoals uithuwelijking en huiselijk geweld, evenals op gezondheidsvoorlichting en opvoedingsondersteuning, alfabetisatie in eigen taal en in het nederlands praatlessen .

Het CBV bood alfabetisering aan in de moedertaal, met als doel vrouwen in staat te stellen zelfstandig schriftelijk te communiceren binnen hun eigen sociale kring en met achtergebleven familieleden, zonder afhankelijk te zijn van kinderen of echtgenoten.

Vanuit linguïstisch perspectief baseerde het CBV zich op theoretische inzichten die aantonen dat alfabetisering in de moedertaal efficiënter en sneller verloopt. Dit is te verklaren doordat de meeste vrouwen bij aanvang over onvoldoende beheersing van hun eigen taal beschikten, waardoor directe alfabetisering in een tweede taal, zoals Nederlands, een extra cognitieve belasting vormt.

Na het verwerven van basisvaardigheden in lezen en schrijven in de eigen taal, konden vrouwen doorstromen naar cursussen Nederlands. Bij voorkeur werden deze verzorgd door docenten die ook alfabetiseringsonderwijs in de moedertaal aanboden, zodat een brug werd geslagen tussen beide taalsystemen en het leerproces werd verdiept.

Het CBV nam hiermee een uitzonderingspositie in binnen het landelijke aanbod, waar doorgaans werd ingezet op directe alfabetisering in het Nederlands.

Een deel van de oudere vrouwen koos er op latere leeftijd bewust voor om geen Nederlands meer te leren lezen en schrijven, maar zich te richten op mondelinge taalvaardigheid. Vanuit deze behoefte zijn zogenoemde ‘praatlessen’ ontwikkeld, waarin communicatie centraal stond. Deze lessen werden verzorgd door intermediairs die naast het Nederlands ook Arabisch, Turks of Berbers spraken, waardoor een veilige en toegankelijke leeromgeving ontstond.

Ten behoeve van deze praktijk is een handboek ontwikkeld voor docenten en intermediairs die betrokken waren bij het verzorgen van deze praatlessen.

Deze werkwijze kan worden begrepen als een vorm van zowel interne emancipatie — gericht op versterking binnen de eigen gemeenschap — als externe emancipatie, gericht op participatie in de bredere Nederlandse samenleving.

Voor de tweede generatie en nieuwkomers verschoof de focus naar onderwijs, arbeidsmarktparticipatie en professionele ontwikkeling. In dit kader ontwikkelde het CBV innovatieve trajecten waarin vrouwen werden opgeleid tot intermediairs, voorlichters in de eigen taal en andere sleutelposities tussen doelgroep en instituties.

Een essentieel onderdeel van de CBC aanpak was de structurele inzet van kinderopvang. Hierdoor konden vrouwen daadwerkelijk deelnemen aan activiteiten, terwijl tegelijkertijd kinderen in een vroeg stadium in aanraking kwamen met de Nederlandse taal en sociale omgeving.

Daarnaast werd actief geïnvesteerd in deskundigheidsbevordering en professionalisering. In samenwerking met onder andere ROC Tilburg ontwikkelde het CBV een tweejarige beroepsopleiding tot intermediair en voorlichter in de eigen taal. Deze functies werden later erkend en opgenomen in cao-structuren.

De inzet van voorlichters en intermediairs in de eigen taal verhoogde de effectiviteit en kwaliteit van communicatie en dienstverlening aanzienlijk. Het CBV bereikte hiermee jaarlijks duizenden vrouwen. Deze praktijk illustreert dat interne emancipatie niet op zichzelf staat, maar direct bijdraagt aan externe emancipatie.

Een verdere verdieping van deze benadering vond plaats in het betrekken van mannen bij emancipatieprocessen. Onder meer Somalische, Turkse en Marokkaanse mannen werden opgeleid tot voorlichters, onder andere rondom thema’s als gezondheid en meisjesbesnijdenis.

Deze ontwikkeling bevestigt dat duurzame maatschappelijke participatie ontstaat wanneer activiteiten aansluiten bij de behoeften van de doelgroep en op basis van vrijwillige en bewuste deelname plaatsvinden.

In het kader van interne emancipatie is het van belang om tevens de rol van de landen van herkomst te belichten.Vanuit de landen van herkomst werd integratie niet gestimuleerd en in sommige gevallen zelfs actief ontmoedigd. Een illustratief voorbeeld hiervan is de oproep van de Marokkaanse koning Hassan I aan Marokkaanse migranten om niet deel te nemen aan lokale verkiezingen in Nederland.

Daarnaast vormden migranten een substantiële bron van inkomsten voor hun landen van herkomst, onder meer via geldtransfers. Dit creëerde een structureel belang bij het behouden van sterke transnationale bindingen en, impliciet, bij het beperken van volledige integratie in het gastland.

Binnen (delen van) de Turkse gemeenschap werd het CBV in deze context regelmatig gepercipieerd als een bedreigende factor. Het centrum droeg immers bij aan de bevordering van zelfstandigheid en bewustwording onder vrouwen, hetgeen niet altijd verenigbaar werd geacht met dominante religieuze en traditionele normkaders.

In het bijzonder nam de druk op het CBV toe naarmate vrouwen zich bewuster werden van hun rechten en het niet-acceptabele karakter van huiselijk geweld. Het CBV vervulde hierbij een ondersteunende rol door vrouwen te begeleiden naar passende hulpverlening waaronder opvangvoorzieningen zoals Blijf-van-mijnlijfhuizen.

Zelfs ogenschijnlijk alledaagse activiteiten, zoals fietslessen, werden in sommige gevallen als problematisch beschouwd. Vanuit bepaalde religieuze perspectieven werd betoogd dat dergelijke activiteiten de mobiliteit en autonomie van vrouwen vergrootten, waardoor zij zich gemakkelijker buiten de directe invloedssfeer van de gemeenschap konden bewegen, bijvoorbeeld richting het CBV of stedelijke voorzieningen. De druk op het CBV nam in sommige gevallen zorgwekkende proporties aan. Er werden ernstige bedreigingen geuit aan het adres van de directie en haar gezin. Dit leidde ertoe dat gedurende een bepaalde periode bescherming noodzakelijk werd, gefaciliteerd door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, toenmalige minister Ien Dales en de lokale politie.

2. Externe emancipatie:

Participatie, institutionele openstelling en wederkerigheid

Het CBV definieerde externe emancipatie als het proces waarbij vrouwen vanuit hun versterkte identiteit participeren in de bredere samenleving, met als doel gelijkwaardige deelname aan sociale, economische en institutionele domeinen. Externe emancipatie impliceert daarmee niet alleen aanpassing aan bestaande structuren maar ook een transformatie van deze structuren zelf.

Concreet kreeg externe emancipatie vorm in participatie op de arbeidsmarkt, betrokkenheid bij het onderwijs (zowel als ouder als vrijwilliger), deelname aan sportverenigingen, activiteiten binnen zorg- en welzijnsinstellingen en bredere maatschappelijke participatie.

Een essentieel onderdeel van externe emancipatie was de openstelling van reguliere instellingen voor vrouwen met een migratieachtergrond als volwaardige gebruikers van diensten. Dit proces vereiste niet alleen aanpassing van de doelgroep maar ook institutionele leerprocessen binnen organisaties.

In de beginfase werd deze brugfunctie vaak gerealiseerd via intermediairs en voorlichters in de eigen taal. Deze aanpak bleek bijzonder effectief, omdat zij niet alleen taalbarrières overbrugden maar ook culturele en sociale contexten toegankelijk maakte.

Op langere termijn leidde dit tot structurele veranderingen binnen instellingen. Voorlichters in de eigen taal kregen vaste aanstellingen, onder andere bij GGD Midden-Brabant en andere organisaties. Hiermee werd categoriale expertise geïntegreerd in reguliere structuren.

Deze ontwikkeling onderstreept dat externe emancipatie geen eenzijdig proces is, maar een wederkerige dynamiek waarin zowel individuen als instituties zich ontwikkelen.

Voor vrouwen betekende externe emancipatie in praktische zin toegang tot hulpverlening, onderwijs en arbeid. Door gerichte begeleiding en netwerkvorming vonden duizenden vrouwen werk, variërend van instapfuncties tot hooggekwalificeerde posities.

Samenvattend kan worden gesteld dat externe emancipatie niet los kan worden gezien van interne emancipatie. Beide processen zijn onderling verweven en versterken elkaar wederzijds.

Ten slot: externe emancipatie kan niet los worden gezien van structurele discriminatie op verschillende niveaus binnen de samenleving. Deze problematiek werd versterkt met de komst van grotere groepen vluchtelingen uit onder meer Somalië, Afghanistan, Syrië, Irak en andere landen die werden gekenmerkt door oorlog of ernstige economische crises. In sommige gevallen nam dit zelfs racistische en bedreigende vormen aan.

Institutionele discriminatie vanuit overheidsinstanties heeft, zoals in de casus van de kinderopvangaffaire, een diepe en brede impact gehad op de samenleving, juist omdat deze aantoonbaar en zichtbaar werd. Discriminatie op de arbeidsmarkt, in het onderwijs en binnen politieorganisaties is daarentegen vaak minder zichtbaar, maar tot op heden nog steeds aanwezig.

Deze structurele en institutionele vormen van ongelijkheid beïnvloeden direct de mogelijkheden tot externe emancipatie en staan in wisselwerking met processen van interne emancipatie. Belemmeringen in toegang tot gelijke kansen

en maatschappelijke participatie werken immers door in de persoonlijke en collectieve ontwikkeling van individuen en gemeenschappen.

Daarmee wordt duidelijk dat de bevordering van gelijkheid binnen een multiculturele samenleving niet los kan worden gezien van de bredere maatschappelijke context en dat zowel vrouwen als mannen, evenals hun kinderen, geraakt worden door deze structurele beperkingen.

3. Het CBV en zelforganisaties

In het voorwoord is aangekondigd dat het CBV als instelling wordt meegenomen in deze periode als organisatie die zelf een proces van interne en externe emancipatie heeft doorgemaakt. Oorspronkelijk werd verondersteld dat het emancipatieproces zich via zelforganisaties zou ontwikkelen, waardoor het CBV op termijn overbodig zou worden. Deze verwachting is echter niet uitgekomen, om meerdere redenen. Enerzijds bleven nieuwe etnische en culturele groepen arriveren, met name vluchtelingen, die behoefte hadden aan ondersteuning volgens een aanpak gericht op interne emancipatie. Anderzijds bleek de professionalisering en ontwikkeling van educatie-, onderwijs- en integratiemodellen een langduriger proces dan aanvankelijk werd voorzien.

Binnen het CBV waren twee zelforganisaties gevestigd: El Amel (voorheen Al Waarda), de vereniging van Marokkaanse vrouwen, en TTKB, de vereniging van Turkse vrouwen. Daarnaast bestonden er werkgroepen voor en van Griekse, Somalische en Chinese vrouwen. Deze organisaties boden laagdrempelige activiteiten aan zoals dans, excursies en wekelijkse bijeenkomsten met voorlichting, onder begeleiding van intermediairs van het CBV.

In het begin van de jaren negentig was de ondersteuning van zelforganisaties gericht op het stimuleren van belangenbehartiging via kadertrainingen. Dit doel werd echter slechts gedeeltelijk gerealiseerd. In de praktijk ontwikkelden de zelforganisaties zich vooral tot belangrijke ontmoetingsplekken voor vrouwen, met name voor vrouwen van de eerste generatie. Zij brachten vaak hun dochters mee, die deelnamen aan programma’s gericht op maatschappelijke zelfstandigheid, zelfverdediging en technische vaardigheden.

De verenigingen en werkgroepen fungeerden daarmee als een soort “basishuis” voor vrouwen: plekken van ontmoeting, onderlinge steun en inspiratie. Met de sluiting van het CBV aan het Wilhelminapark verdwenen deze voorzieningen grotendeels. Veel oudere vrouwen verloren daarmee een essentiële sociale omgeving en zagen zich, tegen hun wil, genoodzaakt hun activiteiten te beëindigen. Dit kan worden beschouwd als een ingrijpende en, vanuit emancipatieperspectief, problematische beleidskeuze van de gemeente Tilburg.

Het CBV ontwikkelde zich in de loop der jaren van een voornamelijk intern gerichte instelling tot een zelfbewuste en maatschappelijk geëngageerde organisatie, actief op lokaal, regionaal en landelijk niveau. In het kader van kennisuitwisseling en gezamenlijke belangenbehartiging werd het Landelijk Steunpunt Buitenlandse Vrouwen (LSBV) opgericht, met het CBV Tilburg als initiatiefnemer. Dit steunpunt was gevestigd in Utrecht bij de Landelijke Organisatie van Buitenlandse Arbeiders (LSOBA). Naast Tilburg waren ook CBV’s uit Den Haag, Nijmegen, Helmond en Eindhoven aangesloten. Het LSBV fungeerde als een lande -

lijk platform voor de bevordering van interne emancipatie.

Parallel hieraan doorliep het CBV zelf een intern emancipatieproces. De organisatie ontwikkelde zich van een overwegend ‘witte’ instelling, zowel qua personeel als bestuur, tot een organisatie van en voor vrouwen met een migratieof vluchtelingenachtergrond. De organisatiestructuur evolueerde van een klassieke stichtingsvorm met bestuur, directie, medewerkers en vrijwilligers naar een model met een Raad van Toezicht. In deze raad hadden ook mannen zitting (twee van de negen leden), wat wijst op een bredere maatschappelijke inbedding.

De maatschappelijke participatie van het CBV kwam tevens tot uiting in samenwerkingsprojecten met meer dan twintig organisaties in Tilburg, waaronder instellingen op het gebied van onderwijs, welzijn en overheid, zoals de politie.

Rond 2009 werd, op initiatief van vaders zelf, het Vadercentrum opgericht. Dit centrum werd beheerd door een beleidsmedewerker van het CBV en een intermediair als coördinator. Het Vadercentrum organiseerde educatieve en voorlichtingsactiviteiten voor mannen. Deze ontwikkeling kan worden beschouwd als een van de meest betekenisvolle stappen in het bevorderen van vrouwenemancipatie: door mannen actief te betrekken bij maatschappelijke en culturele processen werden sneller en meer duurzame resultaten bereikt.

Samenvattend kan worden gesteld dat de integratie van wetenschappelijke inzichten over interne en externe emancipatie in het beleid en de werkwijze van het CBV het centrum tot een unieke organisatie in Nederland maakt. En dat zonder gelijktijdige aandacht voor structurele ongelijkheid interne emancipatie kwetsbaar blijft, terwijl externe emancipatie zonder interne bewustwording haar draagkracht verliest.

Vrijheid en gehoord worden

Model: Interne en Externe Emancipatie (CBV)

1. Interne Emancipatie (Individu / Gemeenschap)

Bewustwording van rechten en positie

Doorbreken van traditionele rolpatronen

Versterken van zelfvertrouwen en autonomie

Onderlinge steun en solidariteit (zelforganisaties)

↓ beïnvloedt en wordt beïnvloed door ↓

2. Externe Emancipatie (Samenleving / Structuur)

Toegang tot onderwijs en arbeidsmarkt

Gelijke kansen en anti-discriminatiebeleid

Institutionele ondersteuning (beleid, wetgeving)

Maatschappelijke participatie

wisselwerking

3. Rol van CBV (Intermediair niveau)

Begeleiding en empowerment van vrouwen

Educatie, taal en participatieprogramma’s

Ondersteuning van zelforganisaties

Brugfunctie tussen gemeenschap en samenleving

4. Resultaat

Versterkte positie van vrouwen

Toegenomen maatschappelijke participatie

Duurzame emancipatie (intern én extern)

Snježana Matijević was van 1986 tot 2010 directeur van het Centrum Buitenlandse Vrouwen (CBV) in Tilburg. Onder haar leiding ontwikkelde het CBV een vernieuwende benadering van interne en externe emancipatie.

Ze studeerde en rondde af haar universitaire studie van algemene letteren in voormalige Joegoslavië, specialisaties en taal studies in Italië (universiteit Perugia), Engeland (Trinity College in Cambridge) en Nederland (Instituut van Algemene Letteren van Universiteit te Utrecht).

Uitgave ter gelegenheid van het symposium “Sterke vrouwen, krachtige verhalen” van het Regionaal Archief Tilburg op 8 april 2026.

Tekst en tekeningen: Snjezana Matijevic

Vormgeving: Roger Willems

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook