Transitieplan Bedrijventerreinen van de Toekomst – Industrieterrein Avelgem
Avelgem
Industriezone Transitieplan
Bedrijventerreinen van de Toekomst december 2025
Bedrijventerreinen
december 2025
Colofon
Het transitieplan voor Avelgem Industriezone is het resultaat van een samenwerking tussen verschillende partners. Dit traject kreeg financiële steun van VLAIOvia het Subsidiebesluit (her)aanleg Bedrijventerreinen - en van Provincie West-Vlaanderen.
Opdrachtgever Partners
Team van studiebureaus
Leeswijzer
Het transitieplan voor het bedrijventerrein Avelgem bestaat uit een inleidend hoofdstuk dat de aanleiding van de opdracht, de doelstelling van de opdracht en de situering van de site schetst.
Een tweede deel beschrijft de huidige waardering van het bedrijventerrein, met de sterktes en de zwaktes van het terrein.
Een derde deel geeft de ambities voor de site weer. Aan de hand van verschillende thema’s wordt de ambitie uitgelegd.
Een vierde deel vertaalt de ambities in een toekomstbeeld 2050 voor het bedrijventerrein. Een tussentijds toekomstbeeld 2030 toont de ingrepen die al in eerdere fasen kunnen worden gerealiseerd. De straatprofielen die binnen deze toekomstbeelden van toepassing zijn, zijn in dit deelhoofdstuk opgenomen.
Heb je vragen? Dan kan je terecht bij:
Het vijfde deel geeft een overzicht van de actiefiches en de uitgewerkte businesscases. Acties per thema operationaliseren het toekomstbeeld.
De bijlage bestaat uit drie delen. Het eerste deel omvat een begrippenlijst waarin dieper wordt ingegaan op de betekenis van belangrijke begrippen. Het tweede deel bestaat uit het ontwerpend onderzoek dat verricht is. Dit onderzoek heeft geleid tot het maken van keuzes en selecteren van een voorkeursscenario. Dit voorkeursscenario resulteerde in het toekomstbeeld 2050. Het derde deel omvat het verdiepend onderzoek van de verschillende percelen. Hier wordt dieper ingegaan op een bepaald thema.
De publicatie is ook digitaal beschikbaar via www.bedrijventerreinenvandetoekomst.be.
Voorwoord
Met trots presenteer ik u het eerste transitieplan van Bedrijventerreinen van de Toekomst. POM West-Vlaanderen selecteert in samenspraak met de intercommunales Leiedal en WVI de komende jaren verschillende verouderde regionale bedrijventerreinen, gespreid over de provincie, die we stap voor stap omvormen tot toekomstgerichte, duurzame en klimaatneutrale bedrijventerreinen. Dit doen we op een nog nooit eerder geziene manier en schaal. We benaderen elk bedrijventerrein als een collectief gegeven en bekijken het terrein vanuit een geïntegreerde blik. Daarbij geven we bijzondere aandacht aan acht centrale thema’s: ruimte, energie, water, materialen, mobiliteit, landschappelijke inkleding, sociale dienstverlening en parkmanagement.
Onze bedrijventerreinen zijn een belangrijke motor voor de West-Vlaamse economie. Ze bieden ruimte aan een brede waaier aan ondernemingen, zorgen voor jobs en ondersteunen welvaart en groei. Maar tegelijk staan ze voor stevige uitdagingen: beperkte ruimte, stijgende prijzen en noden rond energie en mobiliteit, strengere klimaatdoelstellingen en stijgende aandacht voor kwalitatieve, aantrekkelijke werkomgevingen. Daarom moeten we naar een nieuw model, naar bedrijventerreinen die collectief en geïntegreerd worden aangepakt, worden georganiseerd en zich zo omvormen tot duurzame, efficiënte en veerkrachtige bedrijfsomgevingen.
Het transitieplan van Bedrijventerreinen van de Toekomst biedt daarvoor een duidelijke richting en een concreet kader. Het bevat doelstellingen en acties voor o.m. zuinig ruimtegebruik, collectieve en koolstofarme energieoplossingen, betere mobiliteit, waterbeheer(sing), ruimtelijke, architecturale en landschappelijke kwaliteit en samenwerking binnen en tussen bedrijventerreinen.
Dit plan is het resultaat van een nauwe samenwerking tussen POM West-Vlaanderen, de West-Vlaamse intercommunales Leiedal en WVI, Provincie West-Vlaanderen, VLAIO, lokale besturen, ondernemers en bedrijventerreinverenigingen. Hun ervaring, kennis van het terrein en beleidsinzicht maken van dit plan een stevig
fundament voor de toekomst. Ze blijven ook in de uitvoering onmisbare partners.
Ik hecht veel belang aan de actieve betrokkenheid van de lokale besturen, de ondernemers en bedrijventerreinverenigingen bij deze transitie. Zij weten als geen ander wat er leeft op het terrein en kunnen snel schakelen naar collectieve oplossingen. Dit plan wil de nodige ondersteuning en houvast bieden om mee het verschil te maken.
Dit document is geen eindpunt, maar het begin van een duurzame en geïntegreerde aanpak van onze West-Vlaamse bedrijventerreinen. Door beleidskeuzes te koppelen aan ondernemerschap, samenwerking en innovatie bouwen we aan bedrijventerreinen die klaar zijn voor de toekomst.
Ik nodig alle bedrijven, bedrijventerreinverenigingen en partners uit om deze transitie actief mee vorm te geven. Samen maken we van West-Vlaanderen een voorbeeld in slim, duurzaam en kwaliteitsvol bedrijventerreinbeheer, waar we bedrijven een omgeving kunnen bieden die hen, en met hen onze provincie, toekomstkansen biedt.
Veel leesplezier.
Jean de Bethune, voorzitter POM West-Vlaanderen gedeputeerde voor Economie West-Vlaanderen
Context en situering
Industriezone Avelgem mocht de spits afbijten en kreeg als eerste West-Vlaams bedrijventerrein een transitieplan op maat. Dat plan kwam tot stand via verschillende workshops met het gemeentebestuur, Leiedal, Provincie West-Vlaanderen, ondernemers, studiebureaus, VLAIO en andere overheidsinstanties. Samen bekeken we uitdagingen, brainstormden we over oplossingen en toetsten we ideeën aan de praktijk. Soms namen we extra tijd om complexe vragen grondig te analyseren, soms schakelden we sneller om kansen meteen te benutten.
Al snel bleek dat water zowel de grootste troef als de grootste uitdaging vormt. Het terrein ligt aan de Schelde en biedt enorm potentieel voor watergebonden bedrijvigheid. Tegelijk is negentig procent van het terrein verhard en ligt het op een sterk overstromingsgevoelige meers, zonder natuurlijke infiltratiemogelijkheden.
Het transitieplan zet Avelgem op weg naar een watergebonden industriezone waar het aangenaam werken is, ondernemerschap ruimte krijgt en klimaatbestendigheid centraal staat. Het plan schetst een ambitieus toekomstbeeld voor 2050 en bevat concrete acties die vandaag al kunnen worden uitgevoerd. Zo bouwen we stap voor stap aan het ideale scenario. Succesvolle uitvoering vraagt blijvend overleg, samenwerking en soms te durven kiezen voor verandering.
Om de uitvoering te garanderen werken we aan het model van samenwerking tussen de verschillende partners.
Dit model bestaat uit drie niveaus:
1. Beleidsmatige sturing en afstemming tussen POM West-Vlaanderen, de West-Vlaamse Intercommunales (en hun onderliggende leden – lokale besturen), Provincie West-Vlaanderen en VLAIO.
2. Operationele regie en projectondersteuning vanuit POM West-Vlaanderen.
3. Lokaal partnership met bedrijven, verenigingen en lokale besturen voor de realisatie van collectieve projecten.
De komende periode zetten we daarom volop in op implementatie en ondersteuning op het terrein. Met dit transitieplan als leidraad bouwen we een gestructureerde projectportfolio uit, waarbij prioritaire thema’s, acties en mijlpalen nauwgezet opgevolgd worden.
Tot slot bedanken we alle partners die dit plan mogelijk maakten: het gemeentebestuur van Avelgem, Leiedal, het Departement Mobiliteit en Openbare Werken, De Vlaamse Waterweg en de collega’s van Provincie West-Vlaanderen en POM West-Vlaanderen. Een extra woord van dank gaat uit naar VLAIO en Provincie West-Vlaanderen voor de financiële ondersteuning van dit traject. Ook de studiebureaus verdienen erkenning voor hun professionele inzet. En vooral: bedankt aan de ondernemers van Avelgem Industriezone. Jullie betrokkenheid en input zijn cruciaal om deze visie te realiseren.
Jurgen Bonte, head of unit Bedrijventerreinen van de Toekomst, POM West-Vlaanderen
Sanne Doms, project manager Bedrijventerreinen van de Toekomst, POM West-Vlaanderen
INLEIDING 1
1 ALGEMEEN
1.1 AANLEIDING
POM West-Vlaanderen werkt samen met haar partners en met de studiebureaus aan het verduurzamen en toekomstbestendig maken van bestaande West-Vlaamse regionale bedrijventerreinen.
De principes van het bedrijventerrein Avelgem kunnen mee doorvertaald worden als voorbeeldcasus naar de andere terreinen.
Het optimaliseren van een bedrijventerrein biedt verschillende voordelen voor werkgever en werknemer:
- economische voordelen: denk maar aan lagere operationele kosten door energiezuinige technologieën, onafhankelijkheid grondstoffen energie enz.
- verkeersveiligheid en bereikbaarheid: integreren van deelmobiliteit en Hoppin-punt, investeren in laadinfrastructuur, veilige trage verbindingen enz.
- klimaatadaptatie en risicobeheersing: voldoen aan strengere wetgeving, risico’s op bv. overstroming enz.
- zuinig ruimtegebruik: vraag en aanbod voor bedrijfskavels staat onder druk, inzetten op meerdere lagen en dubbelgebruik
- aantrekken en behouden van talent: employer branding, sociale voorzieningen, duurzaam imago enz.
1.2 OPDRACHT
Avelgem Industriezone is een bestaand regionaal bedrijventerreinen, waarbij de ouderdom van de bestaande situatie duidelijk wordt en revitalisatie zich opdringt, om het terrein af te stemmen op huidige en toekomstige noden. Om zo met de nodige tussenstappen (in 2030) te komen tot een kwalitatief en duurzaam bedrijventerrein in 2050.
De uitwerking van het transitieplan voor Avelgem Industriezone is opgebouwd rond een aantal ambities. De ambitie is een klimaatneutraal, een bereikbaar en toegankelijk, en een aantrekkelijk en dynamisch bedrijventerrein.
De opdracht heeft een termijn doorlopen van ongeveer negen maanden, waarbij verschillende studiebureaus met een specifieke expertise eigen thematisch verdiepend (ontwerpend) onderzoek uitvoerden:
- Perceel 1 (P1): zuinig ruimtegebruik door OMGEVING
- Perceel 2 (P2): circulaire economie - energie door SWECO
- Perceel 3 (P3): circulaire economie - water door SWECO
- Perceel 4 (P4): circulaire economie - materialen door Möbius
- Perceel 5 (P5): ontsluiting, veiligheid en mobiliteit door The New Drive i.s.m. VIAS
- Perceel 6 (P6): landschappelijke en ecologische kwaliteit door Ter-urbanism i.s.m. Denis Dujardin
- Perceel 7 (P7): sociale dienstverlening & werknemers, en lokale inbedding door DUSS
- Perceel 8 (P8): bedrijventerreinverenigingen en parkmanagement door CityD-Wes.
Dit onderzoek werd samen gebundeld en afgetoetst tijdens workshops, waarbij ook de betrokken partners (Vlaio, Leiedal, gemeente Avelgem, provincie West-Vlaanderen en de bedrijven) aanwezig waren en hun input gaven. Andere stakeholders werden doorheen het proces betrokken, zoals bijvoorbeeld de Vlaamse Waterweg. Samen werden de verschillende scenario’s afgetoetst en de thema’s geïntegreerd tot een integraal toekomstbeeld 2050, met een tussenstap in 2030.
Het uitwerken van een integrale visie op ruimte voor groen / mobiliteit / water / energie / collectieve functies / materialen etc. is een meerwaarde om te komen tot een toekomstgericht terrein. Om dit te bewaken, werden de eerste stappen genomen richting een samenwerkingsovereenkomst. Die wordt uitgewerkt binnen perceel 9 ‘juridisch advies’, met GD&A Advocaten als dienstverlener. Voorliggend transitieplan zal een leidraad vormen voor de toekomstbestendige inrichting van Avelgem Industriezone. Om dit te bewaken, werden de eerste stappen genomen richting een samenwerkingsovereenkomst. Die wordt uitgewerkt binnen perceel 9 ‘juridisch advies’, met GD&A Advocaten als dienstverlener.
1.3 SITUERING BEDRIJVENTERREIN
De industriezone van Avelgem is strategisch gelegen aan de Schelde, wat watergebonden bedrijvigheid mogelijk maakt. De ligging langs deze belangrijke waterweg biedt kansen voor duurzaam transport over het water. Voor bedrijven die afhankelijk zijn van aan- en afvoer van bulkgoederen of zware materialen vormt dit een grote troef: transport via binnenscheepvaart kan kostenefficiënt zijn en vermindert daarnaast ook de verkeersdruk en CO2-uitstoot in vergelijking met wegtransport. Bovendien opent de aanwezigheid van de Schelde mogelijkheden voor de uitbouw van laad- en losfaciliteiten, waardoor ondernemingen vlot kunnen inspelen op logistieke noden en multimodale vervoersstromen.
In het oosten en westen wordt de site omgeven door de Scheldemeersen, een ecologisch waardevol overstromingsgebied waar oude meanders van de Schelde de historische loop van de rivier tonen.
Ten noorden van de industriezone bevindt zich de dorpskern van Avelgem. Tussen de woonzones en de industriezone liggen belangrijke buffers zoals het sportcentrum Ter Muncken en de Rijtgracht, die de noordelijke grens van het bedrijventerrein vormt.
De combinatie van natuurlijke elementen en bereikbaarheid zorgt voor een unieke plek waarin economische ontwikkeling en natuur op elkaar afgestemd kunnen worden binnen het transitieplan.
figuur 1 luchtfoto industriezone Avelgem
WAARDERING 2
1 BEREIKBAARHEID
MACRO NIVEAU
- NEGATIEF
- Het bedrijventerrein is door diens ligging slecht ontsloten voor gemotoriseerd verkeer. De dichtstbijzijnde autosnelweg, E17, ligt op 16 kilometer rijden
- Geen doorgaand vrachtverkeer mogelijk langs de Waalse grens. Alles gaat door Vlaams grondgebied.
ca. 16 km
E17
figuur 2 logistiek - situatie vandaag macro niveau
NIVEAU BEDRIJVENTERREIN
+ POSITIEF - NEGATIEF
- De laad- en loskade aan de Schelde is een troef voor het aantrekken van watergebonden bedrijvigheid
- Ligging aan de Schelde geeft toegang tot Europese binnenvaartverbindingen.
- De aanwezigheid van de waterweg maakt het mogelijk vrachtverkeer te verschuiven van de weg naar het water, wat milieuvriendelijker is.
- De logistieke wegenis bestaat uit doodlopende straten
- Er bestaat geen heldere logistieke verbinding vanuit de laad- en loskade naar alle bedrijven.
- Er bestaat geen collectieve parkeeroplossing waardoor elk bedrijf parkeerplaatsen moet voorzien op eigen terrein
interne wegenis
P parking bestaande loskade
4 afgesloten privé parking op het bedrijventerrein
figuur 3 logistiek - situatie vandaag bedrijventerrein
figuur
2 GROENBLAUW
MACRO NIVEAU
- Waar de Meersenzone vanuit hydrologisch oogpunt voor specifieke uitdagingen zorgt, biedt dit specifieke biotoop vanuit ecologisch oogpunt (fauna, flora) koppelkansen voor een robuust ecosysteem. + POSITIEF
- Het grootste deel van het bedrijventerrein ligt in een fluviale en pluviale overstromingsgevoelige zone - Dit hangt samen met de kleibodem die mogelijkheden tot infiltratie beperkt - NEGATIEF
Bovenscheldebekken
Avelgemse Scheldemeersen
figuur 5 overstromingsgevoelige gebieden pluviaal, 2023
figuur 6 overstromingsgevoelige gebieden fluviaal, 2023
NIVEAU BEDRIJVENTERREIN
+ POSITIEF - NEGATIEF
- Aan de randen van het bedrijventerrein, ter hoogte van Rijtgracht en Guldenspoorpad, zijn bomenrijen aanwezig.
- Verschillende bedrijven gebruiken hemelwater voor sanitair.
- De dijken bieden ecologisch voordelen: ze omringen het bedrijventerrein met een groene buffer en zijn tegelijkertijd corridors over Schelde en langs Rijtgracht.
- De bedrijfsgebouwen komen dicht tot tegen de Rijtgracht
- De bermen langs de wegenis zijn kaal en weinig biodivers
- Er is geen groene verblijfsruimte op het bedrijventerrein.
- Het grootste deel van het bedrijventerrein ligt in een fluviale en pluviale overstromingsgevoelige zone
- Het bedrijventerrein heeft een hoge verhardingsgraad van ongeveer 90%.
- Leidingwater en grondwater wordt in productie gebruikt.
- Het bedrijventerrein wordt omsloten door een serie van ‘dijken’ (spoorwegzate, helling brug, reliëf noordzijde Rijtgracht) die hydrologisch (fluviale overstroming stroomopwaarts Schelde) voor uitdagingen zorgen.
- Het rioleringsstelsel is nog niet gescheiden
- Er zijn beperkte waterbuffers en geen buffergrachtensysteem.
figuur 7 groenblauw - situatie vandaag bedrijventerrein
- De noordelijke randen van het bedrijventerrein liggen aan het groen.
- De algemene beeldkwaliteit van zowel bebouwde als onbebouwde ruimte op het bedrijventerrein is laag + POSITIEF - NEGATIEF
figuur 12 beeldkwaliteit - situatie vandaag bedrijventerrein
voorkanten achterkanten/ blinde gevels
figuur 10 gesloten gevels aan de straatzijde
figuur 11 gesloten gevels en omheinde percelen aan de straatzijde
4 ENERGIE
NIVEAU BEDRIJVENTERREIN
+ POSITIEF
- Er zijn drie windturbines van 2,3 MW aanwezig op het bedrijventerrein. Deze produceren samen tot 18.000 MWh groene elektriciteit per jaar.
- Op de daken van verschillende bedrijfsgebouwen ligt reeds een zonnepaneel installatie
- De duurzaam opgewekte elektriciteit door zon en wind wordt voor een groot deel ogenblikkelijk verbruikt op het bedrijventerrein. Het zelfverbruik op niveau van de site bedraagt 90%.
- NEGATIEF
- Het huidige jaarlijkse elektriciteitsverbruik (87 GWh) is bijna vijf keer groter dan de lokale duurzame productie (18 GWh). Dit vertaalt zich in een beperkte zelfvoorzieningsgraad van 20%.
- Er is nog veel onbenut dakoppervlak beschikbaar die vandaag nog niet is uitgerust met zonnepanelen.
- Er wordt een aanzienlijke hoeveelheid aardgas verbruikt op het bedrijventerrein (60 GWh in 2022)
- Er bestaat vandaag nog geen collectieve energiestrategie op het bedrijventerrein.
figuur 13 energie - situatie vandaag bedrijventerrein
windturbine zonnepanelen op dak
figuur 14 windturbines zichtbaar bij het binnenrijden van het bedrijventerrein
5 SOCIALE COHESIE EN SAMENWERKINGSVORMEN
NIVEAU BEDRIJVENTERREIN
+ POSITIEF - NEGATIEF
- Sportcentrum Ter Muncken is een recreatieve functie die vlak aan het bedrijventerrein ligt.
- Er bestaan enkele informele netwerken op het bedrijventerrein
- Er bestaat vandaag geen publiek toegankelijke doorsteek tussen het bedrijventerrein en sportcentrum Ter Muncken
- Er bestaat vandaag geen directe aantakking vanuit het bedrijventerrein op de fietssnelweg
- Er is geen (groene) ontmoetingsplek op het bedrijventerrein.
- Er bestaat geen vlotte, rechtstreekse verbinding tussen het bedrijventerrein en het centrum van Avelgem
- Er bestaan geen gedeelde activiteiten of gedeelde lunchplekken op het bedrijventerrein.
- Er zijn geen structurele samenwerkingsvormen en dus ook geen formele bedrijventerreinvereniging. Er is nood aan meer samenwerking. De informele netwerken bleken niet geschikt om meer structurele of gezamenlijke uitdagingen aan te pakken.
atletiekpiste/sportcentrum Ter Muncken missing link
bestaande trage netwerk aan groene randen van de site
figuur 15 sociale cohesie - situatie vandaag bedrijventerrein
figuur 16 picknickbank op de parking van een privaat perceel
6 RUIMTEGEBRUIK
NIVEAU BEDRIJVENTERREIN
+ POSITIEF
- Het bedrijventerrein Avelgem Industriezone kenmerkt zich door een beperkt aantal grote(re) bedrijven en verschillende kleine(re) ondernemingen of kmo’s. De verschillen zijn zowel economisch als ruimtelijk uitgesproken, precies door die diversiteit in schaal en activiteit. Deze mix in perceelgroottes biedt een antwoord op de verschillende vraag naar ruimte Er kunnen zich zowel grote als kleine ondernemingen vestigen.
- De bestaande mix van bedrijfsgroottes biedt opportuniteiten voor collectief gebruik
- NEGATIEF
- Beperkt gebruik van de laad- en loskade
- Er is weinig gedeeld ruimtegebruik op het bedrijventerrein.
- Gebouwen staan niet geschakeld en hebben daardoor vier gevels met restruimte tussen de gebouwen (geen efficiënt ruimtegebruik).
figuur 18 ruimtegebruik - situatie vandaag bedrijventerrein
percelen > 5.000 m2
percelen < 5.000 m2
figuur 17 bedrijfsgebouwen met vier gevels en restruimte op het perceel
7 TRAAG NETWERK
MACRO NIVEAU
- De fietssnelweg F46 (Kortrijk-Oudenaarde) loopt vlak langs het bedrijventerrein.
- De langeafstandfietsroute ‘LF Heuvelroute’ loopt N-Z langsheen de site.
- De langeafstandsfietsroute ‘EuroVelo 5 (EV5)’ loopt 0-W langsheen de site, parallel aan de Schelde.
NEGATIEF
- Het lokale fietspad langs de Rijtgracht wordt weinig gebruikt
- Op het terrein is geen voetgangers- of fietsinfrastructuur aanwezig.
- Knooppunten routes leiden recreatieve fietsers door het bedrijventerrein. + POSITIEF
Heuvelroute
nog niet gerealiseerd deel
Kortrijk
Oudenaarde
F46
NIVEAU BEDRIJVENTERREIN
+ POSITIEF - NEGATIEF
- De fietssnelweg F46 (Kortrijk-Oudenaarde) loopt vlak langs het bedrijventerrein.
- Nationale fietswegen, zoals de Heuvelroute, lopen langs de Schelde
- Er wordt een Hoppinpunt ingericht ter hoogte van het voormalig station
- De dichtsbijzijnde bushalte van TEC ligt op 5 minuten wandelen.
- Vandaag zijn er onveilige verkeerssituaties ontstaan door conflicten tussen doorgaand fietsverkeer en vrachtverkeer, ondanks dat fietsers de mogelijkheid hebben om een alternatieve veilige, maar langere route te nemen.
- Het lokale fietspad langs de Rijtgracht wordt weinig gebruikt
- De dichtstbijzijnde bushalte van De Lijn ligt op 15 minuten wandelen en kent een zeer lage bediening van buslijn 851 (Waregem - Anzegem - Avelgem - Spiere-Helkijn - Kooigem).
figuur 20 traag netwerk - situatie vandaag bedrijventerrein
fietssnelweg F46 nationale fietsroutes regionale en lokale fietsroutes bushalte De Lijn bushalte TEC Hoppinpunt
figuur 21 huidig conflictpunt fietsers en logistiek verkeer
F46
AMBITIEBEPALING
1 ALGEMENE AMBITIES
1.1 BASISFILOSOFIE
De basisfilosofie van “Bedrijventerreinen van de Toekomst” draait rond het herdenken en herinrichten van bedrijventerreinen als toekomstgerichte, duurzame en veerkrachtige ecosystemen die bijdragen aan zowel economische groei als maatschappelijke en ecologische doelen.
1. Duurzaamheid als ruggengraat
Bedrijventerreinen worden ontworpen en beheerd met een minimale ecologische voetafdruk:
- Hernieuwbare energie (zon, wind, warmte/koude-netten)
Een bedrijventerrein moet aantrekkelijk, leefbaar en toekomstbestendig zijn:
- Ruimte voor biodiversiteit, landschap en ecologie
- Kwaliteitsvolle architectuur en inrichting
- Combinatie van werken, ontspannen en verplaatsen
5. Toegankelijk en mensgericht
Een modern bedrijventerrein is inclusief en sociaal verbonden:
- Aantrekkelijk voor werknemers (fietspaden, openbaar vervoer, eetgelegenheden)
- Openheid naar de buurt (geen gesloten enclaves)
- Lokale verankering en participatie
6. Wendbaarheid en toekomstgericht denken
Bedrijventerreinen van de toekomst zijn flexibel ingericht om mee te evolueren:
- Modulair ruimtegebruik
- Aanpasbare functies naargelang economische of ecologische noden
- Klaar voor crisissen: energie, water, logistiek, klimaat
“Bedrijventerreinen van de Toekomst zijn duurzame, slimme en collectief beheerde economische zones die ecologische, technologische en maatschappelijke uitdagingen omarmen als kansen.”
1.2 WETGEVEND KADER
Als we de bedrijventerreinen van de Toekomst willen uitbouwen tot duurzame, slimme en collectief beheerde zones, dan moeten we ook rekening houden met het wetgevend kader.
Europese Doelstellingen voor Duurzame Bedrijventerreinen
1. EU Green Deal – Klimaatneutraliteit tegen 2050
- Vermindering van CO2-uitstoot op bedrijventerreinen
- Vergroening, ontharding en circulaire inrichting
2. Actieplan Circulaire Economie
- Hergebruik van materialen en samenwerking tussen bedrijven
- Reststromen als grondstoffen (industrieel symbiose)
- Stimulans voor circulaire bedrijfsmodellen en gedeeld gebruik
- Verhoogde materiaal- en afvalverantwoordelijkheid
3. Fit for 55 (2030) – 55% minder CO2-uitstoot
- Versnelde energietransitie op bedrijventerreinen
- Energieprestatienormen voor bedrijfsgebouwen
- Uitbouw van elektrische mobiliteit en slimme laadinfrastructuur
4. EU Biodiversiteitsstrategie 2030
- Creëren van ecologische zones en biodiversiteit op bedrijventerreinen
- Ontharden en vergroenen: meer bomen, groene buffers, insectvriendelijke zones
- Verbeteren van waterdoorlaatbaarheid en natuurlijke ecosystemen
5. EU Klimaatadaptatiestrategie
- Bedrijventerreinen weerbaar maken tegen hitte, droogte en wateroverlast
- Investeren in klimaatadaptieve infrastructuur: wadi’s, groendaken, regenwateropvang
- Nadruk op natuurgebaseerde oplossingen
6. Slimme en Duurzame Mobiliteitsstrategie
- Bereikbare bedrijventerreinen met duurzame vervoersopties
- Hubs voor deelmobiliteit en goederenvervoer
- Aansluiting op fiets- en openbaar vervoer
7. EU-financiering & programma’s
- EFRO / GTI / Interreg – investeringen in infrastructuur en klimaat
- LIFE – milieu en klimaatadaptatie
- Horizon Europe – innovatie & duurzame technologieën
2 AMBITIES PER THEMA
De uitwerking van het transitieplan voor Avelgem Industriezone is opgebouwd rond een aantal ambities.
“De ambitie is een watergebonden, klimaatneutraal, een bereikbaar en toegankelijk, en een aantrekkelijk en dynamisch bedrijventerrein.”
Om deze ambities te realiseren, schuiven we volgende doelstellingen naar voor.
- een watergebonden bedrijventerrein met een efficiënte logistieke lus
- een landschappelijk inpassing en een klimaatadaptieve inrichting
- een verhoging van de beeldkwaliteit
- elektrificatie van het energieverbruik, duurzame energieopwekking, het voorzien van collectieve systemen en flexibele energie-uitwisseling
- versterking van sociale cohesie
- verhoging van het ruimtelijke rendement
figuur 22 conceptschema: een watergebonden bedrijventerrein met een efficiënte logistieke lus.
- voorzien van veilige fiets- en wandelverbindingen.
- een circulair bedrijventerrein met een duurzaam materiaalgebruik.
figuur 24 conceptschema: landschappelijke inpassing en klimaatadaptieve inrichting
figuur 26 conceptschema: versterking van de sociale cohesie
figuur 25 conceptschema: verhoging van de beeldkwaliteit
figuur 27 conceptschema: verhoging van het ruimtelijk rendement
Deze abstracte conceptschemas worden verduidelijkt op de volgende pagina’s.
figuur 23 conceptschema: energetische ambities
figuur 28 conceptschema: voorzien van veilige fiets- en wandelverbindingen
2.1 LOGISTIEK & VERGROENING VLOOT
Inzetten op een watergebonden bedrijventerrein met een efficiënte logistieke lus
Het terrein heeft in de huidige situatie geen duidelijke verkeerstructuur en de infrastructuur is verouderd. De infrastructuur zal zo optimaal mogelijk worden ingericht om het terrein toekomstbestendig te maken. In plaats van doodlopende straten wordt er één heldere logistieke lus voor gemotoriseerd verkeer voorzien, waardoor de verharding tot een minimum wordt beperkt. Daarnaast wordt er een grote zone aan de kade vrijgehouden voor overslagactiviteiten en watergebonden bedrijven. Een verbinding tussen de kade en de lus faciliteert het transport vanaf de loskade naar de bedrijven. De ambitie is om van deze zone een dynamisch knooppunt te maken waar logistiek, productie en distributie samenkomen via de binnenvaart. Door actief in te zetten op watergebonden bedrijven die sterk inzetten op duurzaam en multimodaal transport, kan de industriezone uitgroeien tot een referentiegebied voor watergebonden bedrijvigheid in de regio. Op die manier wordt niet alleen de ecologische voetafdruk verkleind, maar ook de economische aantrekkingskracht van Avelgem versterkt.
Inspelen op de wetgeving rond elektrificatie van bedrijfswagens
Er komt heel wat nieuwe wetgeving in verband met elektrisch rijden aan en hierop willen met het transitieplan inspelen. Zo zullen:
- Nieuwe bedrijfswagens in België vanaf 2026 niet meer fiscaal aftrekbaar zijn indien ze niet elektrisch zijn.
- Voor alle fossiel aangedreven bedrijfswagens stijgt de solidariteitsbijdrage jaarlijks (indien deze ook voor privégebruik worden ingezet).
- Terreineigenaren met parkings worden verplicht om laadpalen uit te rollen.
- Voor 2035 is de EU-target om alleen productie en inschrijving van elektrische personenwagens mogelijk te maken.
- Voor zowel bestelwagens als vrachtwagens wordt een congestie van het laadnet verwacht in 2030. Er zijn echter premies beschikbaar die elektrificatie vandaag al interessant maken.
Ongeregeld voorzien van laadpalen creëert echter een risico op pieken in de netcapaciteit. Met dit transitieplan willen we hierop een antwoord bieden. Het transitieplan bevordert bovendien de (verkeers) veligheid, verlaagt de parkeerdruk door meer fietspendel te stimuleren en schept een kader voor eigen bedrijfsvervoerplannen met bv. fietslease, fietsvergoeding, mobiliteitsbudget, carpoolinitiatieven, etc.
figuur 29 logistiek - ambitie
tracé logistieke lus transportlijn indicatieve toegangen aan de logistieke lus collectieve parking laad-en loskade
figuur 30 collectief parkeren, bedrijventerrein Dender Noord Aalst, OMGEVING
2.2 GROENBLAUW
Landschappelijk inpassen van het bedrijventerrein en het klimaatadaptief inrichten
De groenbuffer die er vandaag reeds is rond het terrein wordt versterkt. Verder wordt er ook ingezet op een klimaatadaptieve inrichting van het hart van het terrein door de straatprofielen te voorzien van regentuinen en toekomstbomen. Een herkenbaar perceelsoverschrijdende inrichting van de buitenruimte resulteert ook in een verhoging van de beeldkwaliteit.
Voor hemelwater wordt geopteerd voor een aanpak die de “Ladder van Lansink” volgt. Deze ladder geeft een kader voor integraal waterbeheer
en stelt dat er (voor zover dit technisch mogelijk is een RANGORDE moet worden gerespecteerd: HERGEBRUIK - INFILTRATIEBUFFEREN met vertraagde afvoer - en pas als laatste mogelijkheid LOZING.
Concreet voor Avelgem wordt dit cascadesysteem voorgesteld: hemelwater dat niet hergebruikt wordt, wordt eerst zoveel mogelijk gebufferd op privéterrein en vervolgens op openbaar domein. Een bovengronds collectief hemelwaterbekken voor hergebruik toepassingen wordt voorzien van een afnamepunt. Uiteindelijk komt het hemelwater terecht in de Rijtgracht, die meer ruimte krijgt.
figuur 33 buffer voor hergebruik hemelwater, bedrijvenzone Diepenbeek, Sweco
figuur 32 ruimte voor water, logistiek park Waasland, Beveren, OMGEVING
2.3 BEELDKWALITEIT
Verhogen van de beeldkwaliteit
De beeldkwaliteit van het bedrijventerrein kan worden verhoogd door o.a. het vergroenen van de publieke ruimte, de landschappelijke inpassing van gevels, het opleggen van hogere architecturale kwaliteitseisen op belangrijke zichtlocaties en ook door het bedrijventerrein een gezicht te geven naar de omgeving rondom, bijvoorbeeld ter hoogte van de Etienne Balcaenstraat. De gebouwen hier kunnen visueel een poortfunctie vervullen voor het bedrijventerrein.
zichtlocaties aan logistieke lus levendige voorkanten met een hoge beeldkwaliteit gevels met een landschappelijke inpassing
figuur 35 landschappelijke inpassing, Hessenpoort, Zwolle NL
2.4 ENERGIE
Elektrificatie van het energieverbruik, duurzame energieopwekking, het voorzien van collectieve systemen en flexibele energie-uitwisseling
Het bedrijventerrein Avelgem streeft naar een klimaatneutrale energievoorziening als fundament voor een duurzame toekomst. Deze ambitie sluit aan bij de bredere transitie van bedrijventerreinen in Vlaanderen, waarin energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en samenwerking centraal staan. De energietransitie wordt benaderd volgens de principes van de Trias Energetica:
1. Beperk de energievraag door efficiënt gebruik van energie en optimalisatie van processen.
2. Gebruik hernieuwbare energiebronnen voor de resterende energievraag.
3. Gebruik fossiele energie zo efficiënt mogelijk indien hernieuwbare bronnen (nog) niet volstaan.
figuur 37 energie - ambitie
riothermie als warmtebron collectief laadplein energiegemeenschap maximaal PV-panelen op daken collectief warmtenet
balans productie - verbruik
figuur 38 isometrie visie op energie, bedrijventerrein in Deinze, OMGEVING
Binnen deze ambitie wordt ingezet op vier strategische pijlers:
1. Energie-efficiëntie als eerste stap
Een klimaatneutrale toekomst begint bij het vermijden van onnodig energieverbruik. Door in te zetten op energie-efficiënte technologieën, slimme sturing en optimalisatie van bedrijfsprocessen, wordt de energievraag structureel verlaagd. Dit sluit aan bij de ambities uit andere percelen, zoals modal shift in mobiliteit, die bijdragen aan een lager energieverbruik op terrein- en regionaal niveau.
2. Elektrificatie van het energieverbruik
De elektrificatie van verwarming, procesenergie en transport vormt een belangrijke hefboom richting klimaatneutraliteit. Deze trend is zichtbaar in de markt, waar bedrijven steeds vaker kiezen voor elektrische alternatieven om hun CO2-uitstoot te reduceren en hun energieautonomie te vergroten. Elektrificatie maakt het mogelijk om fossiele brandstoffen zoals aardgas uit te faseren en het energieverbruik te koppelen aan hernieuwbare bronnen.
3. Hernieuwbare energie als structurele oplossing
De resterende energievraag (warmte en elektriciteit) wordt zoveel mogelijk ingevuld met lokale hernieuwbare energie. Dit verhoogt de energiezekerheid, verlaagt de afhankelijkheid van externe bronnen en draagt bij aan de betaalbaarheid van energie op lange termijn. De ambitie is om het productiepotentieel van het terrein maximaal te benutten.
4. Samenwerking en collectieve aanpak
Een klimaatneutrale energievoorziening vraagt om collectieve oplossingen en samenwerking tussen bedrijven. Door energieinfrastructuur en -systemen gezamenlijk te organiseren, kunnen schaalvoordelen worden benut en wordt de transitie versneld. De ambitie is om een gedeeld kader te creëren waarin bedrijven energie kunnen uitwisselen, afstemmen en gezamenlijk investeren in duurzame oplossingen.
figuur 39 Trias Energetica
2.5 SOCIALE COHESIE
EN SAMENWERKINGSVORMEN
Oprichten van een samenwerkingsvorm
Het bedrijventerrein moet evolueren van een historisch gegroeid geheel van individuele ondernemingen naar een toekomstbestendig en duurzaam terrein dat ook collectief georganiseerd is.
De ambitie binnen het traject Bedrijventerreinen van de Toekomst (BTvdT) — en meer specifiek binnen het thema ‘Bedrijventerreinvereniging en parkmanagement’ — was om versnipperde inspanningen te verbinden in een duurzaam samenwerkingsverband tussen bedrijven onderling, maar ook in nauwe koppeling met het lokaal bestuur, de terreinbeheerder en overkoepelende organisaties.
Een bedrijventerreinvereniging biedt een structureel kader voor samenwerking tussen ondernemingen en publieke actoren. Ze maakt het mogelijk om:
- gezamenlijke acties op te zetten rond veiligheid, mobiliteit, energie, water en afval;
- collectieve belangen te behartigen bij onder meer gemeente en intercommunale;
- op termijn te evolueren naar bedrijventerreinmanagement met gezamenlijke diensten en beheer;
- toegang te krijgen tot subsidies en projecten die enkel via een rechtspersoon (zoals een vzw) kunnen verlopen;
- en de uitvoering van het transitieplan concreet te verankeren op het terrein.
Sociale acties
Context en uitdaging
Perceel 7 focust op de samenwerking tussen bedrijven en externe partners. Dat maakt het domein breed en veelbelovend, maar ook complex. Al snel kwam de vraag: “Wat betekent lokale inbedding en sociale dienstverlening voor dit bedrijventerrein?”
Tijdens het traject werd duidelijk dat sterke procesbegeleiding nodig was. Er was geen bedrijventerreinenvereniging die deze rol kon opnemen en de bedrijven hadden uiteenlopende belangen. Daarom lag de focus niet alleen op inhoud, maar ook op proces: draagvlak creëren, participatie verzekeren en samen zoeken naar gedeeld eigenaarschap.
atletiekpiste/sportcentrum Ter Muncken recreatieve activiteiten op het dak centraal ontmoetingspunt post- en pakjespunt deelmobiliteit
picknick zones connectie met sportcentrum Ter Muncken
Menukaart: richting geven in een breder domein
Om structuur te brengen, werd een menukaart (zie figuur 41) met sociale acties uitgewerkt: een dynamisch overzicht van inspirerende voorbeelden. De menukaart hielp bedrijven om mogelijkheden te verkennen en fungeerde tijdens workshops als leidraad om keuzes te maken. Ze wordt voortdurend aangevuld met nieuwe acties.
De acties zijn opgedeeld in duidelijke thema’s: mobiliteit, deeleconomie, diensten, welzijn, werk en opleiding, veiligheid en onderhoud. Zo werd het brede domein overzichtelijk en bespreekbaar.
Geselecteerde prioriteiten
Op basis van de menukaart kozen de bedrijven drie relevante pistes:
- gezamenlijke acties rond veiligheid, om inbraken en straatraces tegen te gaan
- een ruimer horeca-aanbod of een ontmoetingsplek
- een mogelijke collectieve afvalophaling
Voorwaarden voor samenwerking
Om deze pistes verder te verkennen, was draagvlak nodig. Daarom organiseerden we een open bevraging om te peilen welke acties prioriteit kregen. Na afloop van het traject kozen we ervoor om voortaan met Mentimeter te werken. Dat zorgt voor een duidelijk overzicht en onderbouwt de gemaakte keuzes.
Daarnaast namen twee bedrijven een rol als brugfiguur op. Hun transparante communicatie richting andere ondernemers was belangrijk om vertrouwen, betrokkenheid en duidelijkheid te vergroten.
Participatietraject
Omdat informeel overleg niet genoeg was om iedereen op dezelfde lijn te krijgen, kwam er extra coördinatie vanuit POM West-Vlaanderen.
Hoewel drie acties onderzocht werden, verschoof de focus gaandeweg naar één duidelijke prioriteit: gemeenschappelijke camerabeveiliging. Nieuwe inbraken tijdens het traject verhoogden de urgentie, waardoor deze optie snel breed gedragen werd.
Er volgde een participatief traject met bilaterale overleggen tussen bedrijven, VVSG en gemeente. Zo werden technische noden, juridische vragen en organisatorische afspraken goed op elkaar afgestemd.
Impact
Het traject leidde tot drie actiefiches en één volledig uitgewerkte businesscase voor gemeenschappelijke camerabewaking. Tijdens de eindpresentatie gaf de gemeente Avelgem aan de investering hierin op zich te willen nemen. Het dossier zit vandaag in aanbesteding. Dat toont dat de participatieve en procesgerichte aanpak niet alleen tot gedragen keuzes leidde, maar ook tot concrete resultaten op het terrein.
2.6 RUIMTEGEBRUIK
Verhogen van ruimtelijk rendement
We trachten het ruimtegebruik te rationaliseren en intensiveren op een doordachte manier door toe te werken naar een rationele gridstructuur die flexibel kan worden ingevuld doorheen de tijd. Dit vraagt om een gefaseerd proces. Een grid als onderlegger kan fungeren als een hulpmiddel om keuzes te maken of percelen al dan niet kunnen worden samengevoegd of opgesplitst. Een bedrijventerrein met een logisch grid zal omwille van de verkregen flexibiliteit en multifunctionaliteit ook nieuwe bedrijven aantrekken. Het grid zal worden afgestemd op de logistieke lus opdat elk perceel hierlangs kan worden ontsloten.
Avelgem is een regionaal bedrijventerrein, maar wordt ook deels lokaal beschouwd. Deze opdeling is in de toekomst ook gewenst en zal bestaan uit grote percelen van meer dan 1ha en kleinere percelen tussen 5.000m2 en 1ha.
Om ruimte te bieden voor watergebonden bedrijvigheid is het belangrijk de kade optimaal in te richten. Een grotere kade maakt het mogelijk om meer bedrijven gebruik te laten maken van de waterzijde en vergroot de logistieke capaciteit. Daarbij moet worden gezorgd dat er geen conflicten ontstaan op de kade, tussen andere gebruikers of vervoersstromen (bv. fietsers) en de logistieke activiteiten, zodat het laden en lossen veilig en efficiënt kan verlopen. Tot slot is het van belang dat de kade goed bereikbaar is voor zoveel mogelijk bedrijven, zodat de toegevoegde waarde van de watergebonden ligging maximaal wordt benut.
figuur 42 ruimtegebruik - ambitie
grid voor percelering met elk perceel > 5.000 m2 (percelen kunnen meerdere vakjes binnen grid innemen - flexibele indeling)
figuur 43 bedrijfsgebouwen met twee gevels: voor- en achtergevel, Laar 26 Lummen, MAMU Architects
2.7 TRAAG NETWERK
Voorzien van veilige fiets- en wandelverbindingen
Om conflictsituaties tussen vrachtverkeer en fietsers te vermijden wordt er ingezet op een aantrekkelijke fietsverbinding doorheen het bedrijventerrein, die ook aantakt op de infrastructuur rondom (bv. op het sportcentrum van Avelgem en het centrum). Ter hoogte van de Etienne Balcaenstraat wordt de fietsinfrastructuur verbeterd. Daarnaast wordt er via ontwerpend onderzoek gezocht naar de uitrol van veilige verbindingen voor fietsers en voetgangers, die het hart van het bedrijventerrein doorwaadbaar maken. Het transitieplan bevordert zo de (verkeers)veligheid, maar verlaagt ook de parkeerdruk door meer fietspendel te stimuleren en schept een kader voor eigen bedrijfsvervoerplannen met bv. fietslease, fietsvergoeding, mobiliteitsbudget, carpoolinitiatieven, etc., wat veilige fietverbindingen naar en op het terrein nog belangrijker maakt.
figuur 44 traag netwerk - ambitie
centrale trage doorsteek secundaire trage doorsteek bestaande fietsroutes Hoppinpunt
figuur 45 fietspad Blue Gate, Antwerpen, OMGEVING
3 SYNTHESEBEELD AMBITIES
Wanneer we al de doelstellingen ruimtelijk vertalen en samenvoegen, resulteert dit in een conceptmatig synthesebeeld ‘ambities’.
tracé logistieke lus transportlijn indicatieve toegangen aan de logistieke lus collectieve parking loskade
centrale trage doorsteek secundaire trage doorsteek bestaande fietsroutes Hoppinpunt
riothermie als warmtebron (Aquafin) collectief laadplein energiegemeenschap maximaal PV-panelen op daken
grid voor percelering
atletiekpiste/sportcentrum Ter Muncken recreatieve activiteiten op het dak centraal ontmoetingspunt post- en pakjespunt deelmobiliteit picknick zones connectie met sportcentrum Ter Muncken
zichtlocaties
aan logistieke lus levendige voorkanten met een hoge beeldkwaliteit gevels met een landschappelijke inpassing
MASTERPLAN 4
1 KORTETERMIJNVISIE 2030
1.1 MASTERPLAN 2030
De beelden van 2030 leggen de eerste tussenstappen naar het ideaalbeeld van 2050. Het belangrijkste principe is dat er geen ingrepen gebeuren die het beeld 2050 in de weg staan. We zetten eerst in op een betere logistiek. Door de private wegen van Unilin en Kronospan open te stellen, ontstaat er een logische logistieke lus. Daardoor verdwijnen de doodlopende straten en verhogen we de verkeersveiligheid. De private parking van Kronospan wordt ingezet als centrale (vrachtwagen)parking voor het hele bedrijventerrein. Zo lossen we het parkeerprobleem op. Recreatieve fietsers volgen een route rond het terrein. Functionele fietsers bereiken hun bestemming via veilige fietspaden onderaan het terrein.
In het plan voor 2030 stellen we ook voor om de straten heraan te leggen. Bij deze werken willen we meteen de leidingen en voorzieningen voor een warmtenet op basis van riothermie in een ondergrondse leidinggoot opnemen. Verder in dit document lees je hoe de wegen op een duurzame manier kunnen worden opgebouwd. De straatprofielen worden zo ontworpen dat er zo veel mogelijk ruimte is om water op te vangen. Daarna volgt een toelichting hoe de regentuinen op het openbaar domein aansluiten op die op privaat domein. Door die slimme koppeling creëren we extra buffercapaciteit. Ook op de centrale parking komen er drie waterbuffers, waarvan één met een aftappunt voor hergebruik.
Daarnaast wordt het eerste deel van een nieuwe groen-blauwe bufferzone naast het bedrijventerrein aangelegd. Die zone beschermt de industriezone bij hevige waterval en vormt tegelijk een groene buffer tussen het woongedeelte en de industriezone van Avelgem. Het staat in verbinding met het sportcomplex en de industriezone en vergroot zo de recreatieve zone die nut heeft voor beide delen.
LEGENDE
bestaande gebouwen bestaande percelering windturbines bestaande wegenis ontsluiting percelen Aquafin & D’huyvetter Beton nieuwe wegenis logistieke lus inritten naar bedrijven collectieve parking regentuinen op privaat domein regentuinen op publiek domein bestaande bomen nieuwe bomen centrale waterbuffer overloop naar Rijtgracht Aquafin voetpad route recreatief fietsverkeer hoofdroute functioneel fietsverkeer toegangen bestemmings fietsverkeer laad- en loskade gemeenschappelijk bedrijfsrestaurant tweerichtingsverkeer gemotoriseerd éénrichtingsverkeer gemotoriseerd twee varianten mogelijk projectgebied
figuur 47 masterplan korte termijn
1.2 ZUINIG RUIMTEGEBRUIK
Zuinig ruimtegebruik streeft naar een zo efficiënt mogelijke inrichting van de beschikbare ruimte tegen 2050. Het is van groot belang dat bij de herontwikkeling van percelen nu al wordt toegewerkt naar het gewenste toekomstbeeld. Op die manier kan gericht worden ingespeeld op percelen die vernieuwen en ontstaat er geleidelijk een coherente en duurzame ruimtelijke ontwikkeling richting 2050. Binnen het masterplan komt dit tot uiting in zowel de inrichting van het openbaar domein als de ontwikkeling van de private percelen. Voor deze percelen zijn spelregels opgesteld die toekomstige transformaties in goede banen moeten leiden. Deze regels bevorderen een samenhangend en ruimteefficiënt ontwerp, waarbij verdichting, gestapeld bouwen en gedeeld ruimtegebruik worden gestimuleerd.
Voor een efficient ruimtegebruik is het cruciaal om in te spelen op collectieve voorzieningen (al dan niet op openbaar domein). Door het inzetten op delen, wordt er ruimte vrijgespeeld om te ondernemen.
1.2.1
SPELREGELS PERCELERING
Het bedrijventerrein streeft naar een mix van regionale en lokale bedrijven met ruimte voor zowel grote als kleinere percelen. Grote percelen (12.000 m² tot >30.000 m²) worden beschermd tegen opsplitsing om diversiteit te behouden. Daarnaast wordt intensief ruimtegebruik gestimuleerd door twee-gevelgebouwen te verkiezen boven vier-gevelgebouwen, waardoor de bebouwingsindex (B/T) kan stijgen van 50% naar 70%.
1.2.2
SPELREGELS BEBOUWING
Het bedrijventerrein wordt ingericht met een focus op efficiënt ruimtegebruik, gedeelde voorzieningen en een hoge beeldkwaliteit. Kantoren, kantines en vergaderzalen worden zoveel mogelijk efficiënt gedeeld onder bedrijven en gestapeld in meerdere lagen. Daken krijgen een multifunctionele invulling met bijvoorbeeld zonnepanelen, waterbuffering of recreatie voor werknemers. Toegangen tot de percelen worden gebundeld om ruimte te besparen en conflicten met fiets- en voetgangersverkeer te vermijden. Fietsenstallingen liggen langs de bestaande fietsinfrastructuur, zodat ze losstaan van logistiek verkeer. Om de beeldkwaliteit te verhogen, wordt goederenopslag achteraan of binnen de gebouwen voorzien zodat de opslag niet zichtbaar is vanaf de straat. De bouwlijn wordt uniform uitgezet en laat genoeg ruimte voor private regentuinen aan de voorzijde van het gebouw, wat zorgt voor een groenere uitstraling en een samenhangende gevelwand.
1.2.3
SPELREGELS PARKEREN
Op de site wordt een collectieve parkeervoorziening aangelegd. Het wordt aangemoedigd om hier maximaal gebruik van te maken. Daarnaast zijn er spelregels voor parkeren opgesteld (zie hoofdstuk 6.3). Deze dienen enkel gebruikt te worden wanneer er geen andere mogelijkheid is dan op eigen perceel te parkeren en dienen de inpassing in goede banen te leiden.
1.2.4 SPELREGEL WATERGEBONDEN
BEDRIJVIGHEID
Om de positie van het bedrijventerrein aan de Schelde optimaal te benutten en watergebonden bedrijven aan te trekken zal de laaden loskade systematisch worden uitgebreid. Het is noodzakelijk om in het vergunningsbeleid nu al de correcte beslissingen te maken die vergroting van de kade op lange termijn mogelijk maken. Hierbij zullen concessies juist worden gezet en is een voorkooprecht op de aanpalende percelen essentieel.
Richting 2050 zal de laad- en loskade worden ingericht als een conflictvrije zone, enkel toegankelijk voor overslagactiviteiten. Bedrijven oriënteren hun kortste zijde naar het water zodat meerdere ondernemingen toegang hebben tot de kade en deze niet door één gevel wordt afgeschermd. Daarnaast worden de gebouwen zoveel mogelijk naast elkaar ingericht (tweegevelgebouwen). Er wordt één heldere doorgang voorzien naar de tweedelijns bedrijven. Waar wenselijk kan transport ook via een transportband boven de weg gebeuren.
Bijkomende duiding met ruimtelijke concept schema’s rond ‘zuinig ruimtegebruik’ kan je lezen in de bijlage 6.3 Hoofdstuk 1.
figuur 48 spelregel “van vier-gevel gebouwen naar twee-gevel gebouwen”
gekoppelde toegangen gestapeld bouwen grote percelen beschermen tegen opsplitsing
laad- en loskade systematisch uitbreiden
figuur 49 masterplan korte termijn zuinig ruimtegebruik
1.3 ENERGIE
1.3.1
ALGEMEEN BEELD
In 2030 is het bedrijventerrein Avelgem goed op weg naar volledige klimaatneutraliteit. Door de implementatie van verschillende acties is er al een aanzienlijke vooruitgang geboekt in het verminderen van de afhankelijkheid van externe energiebronnen en het bevorderen van een duurzame, betaalbare energievoorziening voor de bedrijven. Het bedrijventerrein heeft zich ontwikkeld tot een economische en ecologische pionier, waarbij groene mobiliteit en lokale samenwerking centraal staan.
1.3.2 CONCRETE ELEMENTEN
Richting 2030 wordt een eerste elektrificatie- en verduurzamingsbeweging ingezet. De focus ligt op het opstarten van (klein-)collectieve systemen en het benutten van bestaande opportuniteiten. Aardgas zal in deze fase echter nog steeds een relevante energiebron blijven – aangezien 2030 voor veel bedrijven te vroeg komt om grootschalige omschakelingen door te voeren – maar er worden wel al stappen gezet in de (gedeeltelijke) verduurzaming van de warmtevraag via de aanleg van een warmtenet.
Concrete elementen van het toekomstbeeld 2030:
- Kansrijke en geschikte daken worden zo snel mogelijk voorzien van PV-panelen.
- Er wordt een energiegemeenschap opgestart met een beperkt aantal geïnteresseerde bedrijven, zodat productie-overschotten van de reeds aanwezige PV- en windproductie lokaal kan worden benut.
- Er wordt collectieve en/of private laadinfrastructuur voorzien voor elektrische personenwagens.
- Warmte uit de rioolwaterzuiveringsinstallatie van Aquafin wordt uitgekoppeld via een warmtenet, zodat een aantal bedrijven minstens gedeeltelijk van duurzame warmte kunnen worden voorzien.
warmtenet
maximaal PV-panelen op daken (via groepsaankoop) collectief laadplein voor personenwagens
energiegemeenschap oprichten voor het hele bedrijventerrein
riothermie Aquafin als warmtebron voor warmtenet windmolen
figuur 50 masterplan korte termijn energie
1.4 WATER
Het korte termijn toekomstbeeld van het bedrijventerrein is gebaseerd op dezelfde doelstellingen als het lange termijn toekomstbeeld, namelijk: inzetten op het afstemmen van watervraag- en aanbod, het verduurzamen van waterbronnen, en het voorzien van voldoende buffermogelijkheid. De pijlers waarop ingezet wordt zijn dus ook dezelfde:
- Afbouw verbruik drinkwater/grondwater op het bedrijventerrein
- Ontharden waar mogelijk
- Maximaal bufferen
In 2030 is er hemelwaterhergebruik mogelijk door:
- Een centraal bekken voor hemelwaterhergebruik (300 m³) met afnamepunt. Dit water kan in eerste instantie ingezet worden voor de irrigatie van aan te planten groen. Sproeiwagens kunnen tijdens het vullen stationeren op de daarvoor voorziene plaats.
In het toekomstbeeld van het bedrijventerrein wordt er buffering voorzien door in een cascadesysteem:
- In eerste instantie dienen bedrijven zoveel mogelijk water te bufferen op hun privéterrein, dit kan bijvoorbeeld met groendaken of regentuinen. Op korte termijn dient uiteraard rekening te worden gehouden met de bestaande situatie op privépercelen. Buffermaatregelen zoals groendaken en regentuinen zijn beperkt door de draagkracht van de gebouwen en de beschikbare ruimte, maar worden absoluut aangemoedigd.
- Vanuit het privéterrein wordt het water vertraagd doorgevoerd naar het openbaar domein, waar gebufferd wordt in grachten/ regentuinen waar mogelijk. Waar er niet voldoende ruimte is voor grachten of regentuinen, kan een ondergrondse leiding worden aangebracht om het hemelwater af te leiden naar de collectief bekken (zie volgend punt). Zoals beschreven in hoofdstuk 3 deel 2.2, zorgt dit ook voor een verhoging van de landschappelijke beeldkwaliteit.
- Het hemelwater sluit aan op een collectieve bufferbekken op de centrale parking van Kronospan. Een overstort wordt voorzien tussen de gebouwen van Kronospan.
- Uiteindelijk wordt het regenwater uit het bekken vertraagd geloosd op de Rijtgracht.
De collectieve centrale waterbuffering heeft zo een dubbele functie:
- Water bufferen (overstromingsgevoeligheid inperken)
- Regenwaterhergebruik mogelijk maken
In dit masterplan wordt er momenteel niet expliciet ingezet op infiltratie. Zoals samengevat in hoofdstuk 6.3 “Verdiepend onderzoek” voor perceel water, wijzen de vrij beschikbare gegevens over grondwaterstanden (hoog) en bodem (klei en natte zandleem) op minder gunstige omstandigheden voor infiltratie. Ter bevestiging van deze vrij beschikbare gegevens kunnen er wel bijkomende metingen uitgevoerd worden op het bedrijventerrein. Hierop wordt dieper ingegaan in de actiefiche. Zie hoofdstuk 5 deel 1.2.
afnamepunt stationeren tankwagen
centrale waterbuffer
overloop naar Rijtgracht
figuur 51 masterplan korte termijn
1.5 MATERIALEN
Tegen 2030 willen we duidelijke stappen hebben gezet richting duurzaam materiaalgebruik. Op basis van enkele kernprincipes werken we vandaag al aan initiatieven die het bedrijventerrein duurzamer maken en tegelijk de samenwerking tussen bedrijven bevorderen. Een deel van deze initiatieven zal de komende jaren volledig operationeel zijn, terwijl andere projecten nog in een experimentele fase zullen blijven. De focus ligt daarbij op circulaire infrastructuur, het gezamenlijk gebruik van faciliteiten en het delen van middelen om verspilling tot een minimum te beperken.
1.5.1 CIRCULAIRE WEGENINFRASTRUCTUUR
We plannen de heraanleg van de parking en delen van de wegen met gerecycled asfalt, waarbij een deel van de materialen rechtstreeks van het terrein zelf komt. Deze aanpak zal de koolstofimpact van de wegeninfrastructuur aanzienlijk verminderen en tegelijk de nood aan nieuwe grondstoffen beperken.
Daarnaast willen we experimenteren met modulaire fietspaden die voorzien zijn van waterbuffering. Deze paden vangen regenwater op en laten het gecontroleerd infiltreren. Het modulaire karakter maakt het bovendien mogelijk de paden aan te passen aan wisselende gebruiksomstandigheden. Bij positieve resultaten willen we deze aanpak op grotere schaal toepassen om het waterbeheer op het terrein te versterken.
1.5.2 GEDEELD GEBRUIK VAN FACILITEITEN EN MIDDELEN
Een ander belangrijk aandachtspunt is het gedeelde gebruik van faciliteiten en middelen. Via de bedrijventerreinvereniging werken we aan een systeem waarbij ruimtes, die vaak een groot deel van de tijd leegstaan, efficiënt gedeeld kunnen worden. Slimme afspraken rond planning, timing en toegangscontrole moeten zorgen voor een optimaler gebruik van de beschikbare ruimte en kostenbesparingen voor alle betrokken bedrijven.
Ook het gedeeld gebruik van facilitaire middelen, zoals apparatuur en logistieke hulpmiddelen, zal verder worden gestimuleerd via duidelijke en transparante afspraken tussen de bedrijven.
1.5.3 GEZAMENLIJKE INITIATIEVEN TEGEN VERSPILLING
Tot slot willen we inzetten op gezamenlijke initiatieven tegen verspilling. Denk aan gezamenlijke inkoopacties voor grondstoffen of materialen, en het opzetten van platformen voor het hergebruiken of doorverkopen van reststromen en kantoormateriaal.
Deze initiatieven moeten niet alleen leiden tot lagere kosten en efficiënter gebruik van middelen, maar ook een cultuur van samenwerking en circulair ondernemen versterken. Zo bouwen we samen met de bedrijven aan een bedrijventerrein dat klaar is voor de toekomst en een voorbeeld vormt in de regio op het gebied van duurzaamheid en circulaire economie.
aanleg wegenis met ciculaire materialen
figuur 52 masterplan korte termijn materialen
1.6 MOBILITEIT & VEILIGHEID
1.6.1 ALGEMEEN BEELD
In 2030 worden ongewenste bezoekers ontmoedigd om het bedrijventerrein van Avelgem te betreden, dankzij de maatregelen genomen in functie van veiligheid en toegangsbeheer tot het terrein, zoals de registratie van nummerplaten en goede verlichting. Daarnaast is het aangenaam en veilig om je op het bedrijventerrein te verplaatsen zowel te voet, met de fiets of met de (vracht)wagen, dankzij de nieuwe circulatie, heraanleg van de wegenis, verbeterde signalisatie, maar ook het minimaliseren van gemengd verkeer tussen fietsers en (vracht) wagens, door bijvoorbeeld een heldere wegenis voor het functioneel fietsverkeer op het terrein en waar mogelijk aparte ontsluiting van de bedrijven voor fietsers langs de Rijtgracht. De collectieve parking op het terrein vormt een draaischijf waar diverse faciliteiteiten samenkomen zoals laadpalen voor vracht- en personenwagens, een fietsenstalling voor deelfietsen, toiletten en douches voor chauffeurs. Alle acties kunnen worden geraadpleegd in hoofdstuk 6.3 onder 5.2 acties.
1.6.2 VEILIGHEID & TOEGANGBEHEER
ANPR-camera & infobord
Aan de toegang van de collectieve parking bevindt zich een ANPRcamera die de nummerplaten van passerende voertuigen registreert. Werknemers, leveranciers en al dan niet gewenste bezoekers worden hierop gewezen met een duidelijk infobord. De duidelijke aanwezigheid van de ANPR-camera ontmoedigt ongewenste bezoekers en laat toe om na te gaan welke wagens hoe lang verblijven/parkeren op het terrein.
Goede verlichting
Met de heraanleg van de parking en de vernieuwing van de wegenis, die komt kijken bij organisatie van de lus wordt hierlangs structureel kwalitatieve verlichting voorzien die het veiligheidsgevoel op het bedrijventerrein bevordert, zo ook de kwaliteit van de camerabeelden, alsook ongewenste bezoekers afschrikt.
1.6.3 SIGNALISATIE
Zone 30
De lus die de publieke wegenis op het bedrijventerrein vormt, valt binnen een zone 30 wat zorgt voor meer rust op het bedrijventerrein, door minder verkeerslawaai, kortere remafstanden en kleinere snelheidsverschillen tussen verschillende weggebruikers ((vracht) wagens, fietsers en voetgangers).
Verbeterde signalisatie
Zowel de verkeerssignalisatie (verkeersborden) als de navigatiesignalisatie (terugvinden van de bedrijven op het terrein) is vernieuwd wat het zoekverkeer op het bedrijventerrein minimaliseert en de verkeersveiligheid bevordert.
1.6.4 COLLECTIEVE PARKING
(Vracht)wagen(wacht)parking met (snel)laadinfrastructuur De collectieve parking op het terrein wordt zowel ingericht voor personenwagens als vrachtwagens met een maximum capaciteit van 134 tot 200 parkeerplaatsen voor personenwagens en 5 tot 16 parkeerplaatsen voor vrachtwagens. De discrepantie in aantal parkeerplaatsen voor personenwagens en vrachtwagens is het gevolg van het dubbel gebruik van de helft van de parking, wat wordt duidelijk gemaakt door de toegepaste markering van de parkeervakken. Met andere woorden kunnen er maximaal 5 vrachtwagens en 200 personenwagens tegelijkertijd aanwezig zijn of kunnen 16 vrachtwagens en 134 personenwagens aanwezig zijn en alle combinaties daartussen. Verschillende parkeerplaatsen worden voorzien van laadinfrastructuur van personenwagens en vrachtwagens, wat dubbelgebruik van deze enkele plaatsen uitsluit, maar zo ook het gemengd karakter van de parking waarborgt. De parking is in termen van vrachtwagens over dag bedoeld als wachtparking voor wie niet meteen kan doorrijden naar het bedrijf in kwestie. In het weekend kan deze worden gebruikt om te overnachten door chauffeurs die te vroeg of te laat toekomen op het bedrijventerrein.
Fietsenstalling voor deelfietsen
De collectieve parking ofwel de draaischijf van het bedrijventerrein is voorzien van o.a. een fietsenstalling voor deelfietsen, die kunnen worden uitgeleend aan het station van Avelgem en gebruikt worden om de last mile tot het bedrijventerrein en terug af te leggen.
1.6.5
WATERGEBONDENHEID MAXIMALISEREN
Organisatorische maatregelen
In 2030 wordt er reeds volop gewerkt aan de maximalisatie van het watergebonden karakter van het bedrijventerrein. De fysieke maatregelen zoals de uitbreiding van de kade en een transportband laten op zich wachten tot 2050, maar in 2030 worden er reeds juridische en financiële incentives onderzocht, zoals het recht van voorkoop door De Vlaamse Waterweg, subsidies, belastingsvoordelen, vlottere vergunningen voor watergebonden bedrijven, alsook maatregelen betreffende samenwerking tussen bedrijven zoals, inspiratiesessies door bedrijven die de waterweg vandaag reeds gebruiken in Avelgem en het onderzoek van herkomsten en bestemmingen en de bijbehorende last-mile opties, alsook de bundeling van transportstromen onder de bedrijven etc.
zone 30
verbeterde signalisatie
ANPR+infobord fietsenstalling voor deelfietsen goede verlichting transportband wachtparking
figuur 53 masterplan korte termijn mobiliteit
1.7 LANDSCHAP
Waar er tegen 2050 een evenwichtige balans kan ontstaan tussen de ecosystemen binnen en buiten het bedrijventerrein; kunnen we d.m.v. een ‘Darwinistische ondersteuning’ reeds tegen 2030 de ecologische kwaliteit van de site verhogen.
Een aangepaste beplanting (bomen, heesters, bodemdekkende aanplant) afgestemd op de specifieke bodemsamenstelling van de Scheldemeeersen biedt mogelijkheden voor biodiversiteit-koppelingen (nieuwe beplanting die ruimte biedt voor interactie met bestaande fauna en flora) . Een evenwichtige mix die zich aanpast aan de klimatologische omstandigheden (droge en natte periodes) voorziet niet enkel in een continuïteit in beeld maar (belangrijker) in biotoop.
Waar vandaag het bedrijventerrein wel deel uitmaakt van de lager gelegen meersen is deze vanuit ecologisch oogpunt een eiland. Door in te zetten op verbindende structuren wordt dit eiland terug deel van een groter geheel. De centrale lus organiseert een continue groenblauw lint van bomen en planten. De Corridors (doorsteken) richting Rijtgracht verbinden deze centrale lus met haar groene oevers.
De Darwinistische ‘ondersteuning’’ bestaat er in dat er in de eerste paar jaar een (intensievere) vorm van beheer gewenst is tot de beplanting de bodem bedekt heeft. In een latere fase kan het beheer beperkter worden doordat er een natuurlijk evenwicht kan ontstaan. In periodes van langere droogte of watersnood (langere, overvloedige regen) kan er bijgestuurd worden.
Bij zowel de centrale lus als de verbindende corridors wordt de beplanting afgestemd op de waterhuishouding (bufferen / infiltreren) d.m.v. zogenaamde REGENTUINEN: geen grachten maar brede ondiepe vlakken die ruimte (i.f.v. buffer- / infiltratievolume) bieden aan water en groen.
De centrale groenblauwe lus maakt deel uit van de publieke ruimte en wordt deels ingezet voor de waterbuffering van de wegenis. Om tot een coherent beeld te komen stellen we voor om ook de waterbuffering van de private percelen af te stemmen op deze centrale lus. Zo ontstaat een brede zone met beplanting centraal op het bedrijventerrein. (zie schema’s)
Tegelijkertijd kan door aangepaste beplanting (i.f.v. beschikbare ruimte / ontharding) op de perceelgrenzen tussen verschillende bedrijven de biodiversiteit (en beeldkwaliteit) van het bedrijventerrein verder verhoogd worden.
De centrale parking op het terrein van Kronospan kan ingezet worden als living lab (proefopstelling) om de mogelijkheden en kwaliteiten van deze aanpak te testen en aanschouwelijk te maken voor de verschillende private ondernemers.
regentuin publiek domein figuur 54 principeschema’s regentuinen
gekoppelde regentuinen tussen privaat en publiek domein
bestaande bomen nieuwe bomen
regentuin privaat terrein
> Privé Publiek <
figuur 55 masterplan korte termijn landschap
2 LANGETERMIJNVISIE 2050
2.1 MASTERPLAN
Voortbouwend op de ambities, zijn er verschillende scenario’s uitgewerkt voor de herinrichting van het bedrijventerrein. Tijdens de workshops met de betrokken stakeholders, werden de scenario’s geëvalueerd en bijgestuurd, wat finaal geleid heeft tot voorliggend ‘toekomstbeeld 2050’.
Het toekomstbeeld voor 2050 focust op het creëren van ruimte voor watergebonden bedrijvigheid. De kade wordt vergroot. Dankzij een nieuwe percelering volgens de principes van saving space kunnen meer bedrijven aansluiten op de kade.
Bovenaan de site komt er een extra groen-blauwe onverharde weg die tussen de bedrijven door loopt. De logistieke lus wordt uitgebreid en verder ingevuld volgens de opgemaakte straatprofielen met ruimte voor regentuinen. Het warmtenet kan aangevuld worden met aquathermie.
Het ontwerpend onderzoek dat geleid heeft tot dit beeld, kan je lezen in bijlage 6.2.
LEGENDE
indicatieve aanduiding bebouwing bouwlijn opschuiven indicatieve aanduiding percelering windturbines wegenis logistieke lus inritten naar bedrijven collectieve parking regentuinen op privaat domein regentuinen op publiek domein bestaande bomen nieuwe bomen centrale waterbuffer overloop naar Rijtgracht
Tegen 2030 zullen de spelregels uit het masterplan 2050 al van toepassing zijn om de transitie van Industriezone Avelgem te doen slagen. Daarmee zullen op vele private percelen in 2050 al een transformatie zijn ondergaan, wat finaal resulteert in het toekomstbeeld 2050.
De spelregels uit het masterplan zijn hierbij richtinggevend en formuleren duidelijke ambities voor toekomstige ingrepen. Ze hebben de volgende doelstellingen, die reeds op lange termijn bereikt kunnen worden.
- Functies onderling delen
- Programma intensifiëren en stapelen
- Bebouwing harmoniseren
- Beeldkwaliteit verhogen
- Parkeren optimaliseren
- Regentuinen logisch integreren
- Laad- en loskade optimaal benutten en uitbreiden
De spelregels met duiding en ruimtelijke concept schema’s rond ‘zuinig ruimtegebruik’ kan je lezen in de bijlage 6.3 Hoofdstuk 1.
twee-gevel bedrijven op perceel: 70% bebouwd en 30% onbebouwd
drie-gevel bedrijven op perceel: 50% bebouwd en 50% onbebouwd
gekoppelde toegangen
gestapeld bouwen
grote percelen beschermen tegen opsplitsing
laad- en loskade systematisch uitbreiden
uniforme bouwlijn opschuiven
figuur 57 masterplan lange termijn zuinig ruimtegebruik
(maatregelen uit 2030 staan in het grijs)
2.3 ENERGIE
2.3.1 ALGEMEEN BEELD
In 2050 is het bedrijventerrein Avelgem volledig getransformeerd tot een duurzaam en efficiënt energielandschap. Er is een sterke focus op hernieuwbare energiebronnen, collectieve systemen en innovatieve technologieën die zorgen voor een maximaal zelfvoorzienend energienetwerk. Elektrische voertuigen, inclusief vrachtwagens, zijn een alledaags zicht, ondersteund door een geavanceerd, collectief laadplein. Bedrijven op het terrein werken nauw samen binnen de energiegemeenschap en profiteren van innovaties in hernieuwbare energie en smart grid-technologieën. Het bedrijventerrein is uitgegroeid tot een duurzame energie-hub waar groene stroom en warmte de norm zijn en die als voorbeeld dient voor industriële gebieden die de transitie maken naar duurzaam energiebeheer.
2.3.2 CONCRETE ELEMENTEN.
Richting 2050 wordt er gemikt op de volledige elektrificatie van de warmtevoorziening en het transport.
Aardgas en andere fossiele brandstoffen worden tegen dan volledig vervangen door duurzame alternatieven in combinatie met lokaal geproduceerde en/of net-gebonden hernieuwbare elektriciteit.
Concrete elementen van het toekomstbeeld 2050:
- Versnelling in het voorzien van daken met PV-panelen. Daken die vandaag niet geschikt zijn, zullen na renovatie wel potentieel hebben.
- Uitbreiding van de energiegemeenschap met meer bedrijven en potentieel ook interactie met de omgeving. Hierdoor kunnen er mogelijks ook bijkomende windturbines geplaatst worden rond het bedrijventerrein.
- Uitbreiding van het laadplein met laadpunten voor zware voertuigen, zoals elektrische vrachtwagens. De elektrificatie van dit type voertuig zal pas na 2030 echt op gang komen.
- Opschaling van het warmtenet naar een groter aantal gebruikers, waardoor allicht extra bronnen zoals aquathermie aangesproken moeten worden.
warmtenet onder nieuwe weg maximaal PV-panelen op daken (via groepsaankoop)
collectief laadplein voor personenwagens en vrachtwagens energiegemeenschap oprichten voor het hele bedrijventerrein
riothermie Aquafin als warmtebron voor warmtenet aquathermie windmolen
figuur 58 masterplan lange termijn energie (maatregelen uit 2030 staan in het grijs)
2.4 WATER
In het lange termijn toekomstbeeld van het bedrijventerrein zullen we volop inzetten op het afstemmen van watervraag- en aanbod, het verduurzamen van waterbronnen, en het voorzien van voldoende buffermogelijkheid. Deze doelstellingen dienen als uitgangspunt bij het opmaken van de toekomstvisie.
Op basis van de vaststellingen uit de statusanalyse zetten we in op drie pijlers die bovenstaande doelstellingen mogelijk maken, deze pijlers zijn:
- Afbouw verbruik drinkwater/grondwater op het bedrijventerrein
- Ontharden waar mogelijk
- Maximaal bufferen
In het toekomstbeeld van het bedrijventerrein is er hemelwaterhergebruik mogelijk door:
- Een centraal bekken voor hemelwaterhergebruik met afnamepunt. Dit water kan ingezet worden voor de irrigatie van aan te planten groen, of opengesteld worden voor externe gebruikers (landbouw, sportterreinen). Tank- en sproeiwagens kunnen tijdens het vullen stationeren op de daarvoor voorziene plaats.
In het toekomstbeeld van het bedrijventerrein wordt er buffering voorzien door in een cascadesysteem:
- In eerste instantie dienen bedrijven zoveel mogelijk water te bufferen op hun privéterrein, dit kan bijvoorbeeld met groendaken of regentuinen. Individuele regenwaterputten kunnen slim gestuurd worden zodat deze volumes ook kunnen ingezet worden voor maximale buffering.
- Vanuit het privéterrein wordt het water vertraagd doorgevoerd naar het openbaar domein, waar gebufferd wordt in grachten/ regentuinen. Deze grachten liggen aan de nieuw aan te leggen lus en op andere plekken waar dit mogelijk is.
- Deze grachten sluiten aan op een collectieve bufferbekken op de centrale parking van Kronospan. Een overstort wordt voorzien tussen de gebouwen van Kronospan.
- Uiteindelijk wordt het regenwater uit het bekken vertraagd geloosd op de Rijtgracht.
De collectieve centrale waterbuffering heeft zo een dubbele functie:
- Water bufferen (overstromingsgevoeligheid inperken)
- Regenwaterhergebruik mogelijk maken
Buiten het bestaande bedrijventerrein kan er nog meer ruimte voor water gemaakt worden. De gemeente Avelgem overweegt om een stuk landbouwgrond (ca. 1 ha) langs de Rijtgracht aan te kopen. Daarop zou een zogenoemd winterbed aangelegd kunnen worden. Dit is een verbreding van de waterloop die bij hoge waterstand gecontroleerd kan overstromen. Dit extra buffervolume kan dan eventueel dienen ter compensatie van bedrijven die niet aan de hemelwaterverordening kunnen voldoen op eigen terrein (juridisch te bekijken). Deze ingreep verkleint ook de kans op fluviale overstromingen verder stroomafwaarts. Deze actie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 5 deel 1.3.
afnamepunt stationeren tankwagen
centrale waterbuffer
overloop naar Rijtgracht
individuele regenwaterputten worden slim gestuurd voor maximale buffering
voldoende ruimte voor grachten op privaat domein
figuur 59 masterplan lange termijn water (maatregelen uit 2030 staan in het grijs)
2.5 MATERIALEN
Tegen 2050 willen we dat het bedrijventerrein een toonbeeld is van circulaire economie en duurzaam materiaalgebruik. Door de strategische toepassing van circulaire principes willen we niet alleen de ecologische voetafdruk drastisch verkleinen, maar ook uitgroeien tot een voorloper in duurzaam infrastructuur- en grondstoffenbeheer
2.5.1
CIRCULAIRE WEGENINFRASTRUCTUUR
We plannen een volledige heraanleg van de wegen met circulaire materialen. Door gerecycled bitumen uit oude dakbedekking te gebruiken in plaats van nieuw asfalt en alternatieven voor traditioneel cement toe te passen bij de productie van betonnen elementen, zal de impact op materiaalgebruik en koolstofuitstoot aanzienlijk verminderen. Ook nieuwe logistieke zones worden volgens deze principes aangelegd.
Daarnaast willen we modulaire fietspaden met waterbuffering installeren. Deze paden vangen regenwater efficiënt op en laten het gecontroleerd infiltreren, terwijl hun modulaire opbouw hergebruik en aanpassing eenvoudig maakt. Dit versterkt zowel het waterbeheer als de mobiliteit op het terrein.
Tot slot voorzien we een systeem met toegankelijke nutsvoorzieningen, waarbij strategisch geplaatste toegangsluiken het mogelijk maken om leidingen en infrastructuur te onderhouden of aan te passen zonder het wegdek open te breken. Zo kunnen we vlot inspelen op nieuwe technologische ontwikkelingen en veranderende behoeften van de bedrijven, met minimale verstoring van de activiteiten.
2.5.2 COLLECTIEF RECYCLAGEPARK
Het collectieve recyclagepark zal tegen 2050 een geoptimaliseerd systeem zijn dat bedrijven maximaal ontzorgt. Met behulp van autonome transportwagentjes die afval komen ophalen na een order via een app, en automatische sortering volgens de verplichte afvalstromen, realiseren we een uiterst efficiënt en kostenbesparend afvalbeheer.
Door schaalvoordelen worden meer materialen hergebruikt en wordt de hoeveelheid restafval drastisch beperkt. De vrijgekomen ruimte bij bedrijven kan bovendien worden ingezet voor groenblauwe structuren of extra nuttige productieruimte, wat zowel de leefkwaliteit als de productiviteit van het terrein verhoogt.
2.5.3 RECYCLE HUB AAN DE SCHELDE
We willen een Recycle Hub aan de Schelde uitbouwen tot een regionaal circulair knooppunt. Deze hub zal dienen als verwerkingscentrum waar materialen uit de regio worden verzameld, gesorteerd en hergebruikt voor lokale productie. Bouwpuin en andere restmaterialen worden verwerkt door lokale bedrijven, die deze grondstoffen opnieuw inzetten in hun productieprocessen.
Via de waterweg kunnen overschotten efficiënt worden verdeeld naar andere spelers, wat door schaalvoordelen economisch haalbaar blijft. Dankzij deze hub willen we de lokale circulaire economie versterken, transportbewegingen optimaliseren en bedrijven helpen hun afhankelijkheid van nieuwe grondstoffen te minimaliseren. De Recycle Hub moet zo een voorbeeldfunctie vervullen voor de regio en aantonen hoe circulaire initiatieven op grotere schaal kunnen worden georganiseerd.
aanleg wegenis met circulaire materialen
collectief recyclagepark
recycle hub
figuur 60 Beeld van een slimme straat in 2050
figuur 61 masterplan lange termijn materialen (maatregelen uit 2030 staan in het grijs)
2.6
MOBILITEIT & VEILIGHEID
2.6.1 ALGEMEEN BEELD
In 2050 maken ongewenste bezoekers geen kans op het bedrijventerrein van Avelgem, dankzij de extra maatregelen genomen in functie van veiligheid en toegangsbeheer tot het terrein. Daarnaast is het nog aangenamer en veiliger om je op het terrein te verplaatsen zowel te voet, met de fiets of met de (vracht)wagen, dankzij de verschillende trage doorsteken op het terrein (stippellijnen), de uibreiding van de lus en de kade. De collectieve parking vormt nog steeds de draaischijf van het terrein waar diverse faciliteiteiten samenkomen zoals laadpalen voor vracht- en personenwagens, een fietsenstalling voor deelfietsen, toiletten en douches voor chauffeurs, maar waar in 2050 ook de afwikkeling van en naar de parking wordt gefaciliteerd op piekmomenten. Alle acties kunnen worden geraadpleegd in hoofdstuk 6.3 onder 5.2 acties.
2.6.2 VEILIGHEID & TOEGANGBEHEER
ANPR-camera & infobord (+ fysiek obstakel)
De ANPR-camera met het infobord kunnen, indien dit wenselijk zou blijken, worden gekoppeld aan een fysiek obstakel (verzinkpalen, bareel, poort, ...) om de toegang voor werknemers, bezoekers en leveranciers te regelen op basis van nummerplaatherkenning.
Werfcamera’s
Het bedrijventerrein is voorzien van werfcamera’s, ofwel camera’s die hoog en zichtbaar worden opgehangen en 360° beelden maken. Werfcamera’s registreren zo niet alleen beelden, maar schrikken ook ongewenste bezoekers af.
Security/wachter
Over het bedrijventerrein waakt security hetzij op afroep in functie van camerabeelden die 24/7 worden gemonitord, hetzij aanwezig op het terrein dag en/of nacht.
2.6.3 COLLECTIEVE PARKING
Globaal parkeerbeheer
De afwikkeling van voertuigen van en naar de parking wordt begeleid op piekmomenten, om de capaciteit van de parking optimaal te benutten en vlot en veilig verkeer te faciliteren. Het beheer kan gebeuren door de security/wachter van het terrein.
2.6.4 MAXIMALISATIE VAN DE WATERGEBONDEHEID
Uitbreiding en vernieuwing kade
De kade wordt een aanzienlijk stuk uitgebreid en vernieuwd om het watergebonden karakter te maximaliseren, of met andere woorden zo veel mogelijk bedrijven in eerste lijnen toegang te geven tot het water en zo veel mogelijk ruimte te creëren voor overslagactiviteiten.
Transportband
Om ook in tweede lijn watergebonden activiteiten mogelijk te maken kan een transportband worden geïnstalleerd tussen de kade en het hart van het terrein.
zone 30 verbeterde signalisatie fysiek obstakel bij ANPR fietsenstalling voor deelfietsen goede verlichting werfcamera’s security/wachter globaal parkeerbeheer transportband wachtparking
figuur 62 masterplan lange termijn mobiliteit (maatregelen uit 2030 staan in het grijs)
2.7 LANDSCHAP
Doordat doorheen de jaren steeds meer private percelen d.m.v. hun regentuinen aansluiten op de centrale lus ontstaat een eenheid in beeld en ecosystemen.
De waterbuffering resulteert in een langduriger stabiliseren van de vochtigheidsgraad van de bodem; waardoor de beplanting zich meer geleidelijk kan aanpassen aan overgangen tussen natte en droge periodes.
Door te kiezen voor een mix van verschillende elzensoorten, die ook met hun wortels in het water kunnen staan, zorgen we er voor dat ook onder wisselende omstandigheden het beeld en de ecologische impact van de groene lus bestendigd wordt.
De volgroeide bomen bieden schaduw voor de gebruikers en bezoekers van het bedrijventerrein. Tegelijkertijd zorgt de structuur van de lus voor een algemene verkoeling van het gehele terrein waarbij een zgn. hitteeiland-effect wordt beperkt. Doordat de bomen ook schaduw werpen op de gebouwen warmen de gevels minder snel op o.i.v. zonnestralen. De nieuwe verbinding tussen de gebouwen richting de Rijtgracht zorgt er voor dat er koelere lucht tussen de gebouwen door kan circuleren.
Deze zelfde verbindingen zorgen er ook voor dat planten eigen aan de Rijtgracht en de Meersen zich spontaan vermengen met de aangeplante flora waardoor een evenwichtig en zichzelf ondersteunend ecosysteem kan ontstaan.
De overweging van het Gemeentebestuur om ook de noordwestzijde va de Rijtgracht om te vormen tot groenbuffer vergroot de totale oppervlakte en de verbindingen met de Scheldemeersen.
Voor fietsers en voetgangers ontstaat zo een aangename, groene omgeving die het bedrijventerrein verbinden met de kern van Avelgem en die doorlopen in de zachte verbindingen op het bedrijventerrein. Tegelijkertijd bieden deze doorsteken rustplekken voor de gebruikers.
figuur 63 Principeschema’s Regentuin richting Rijtgracht: verbinding voor natuur en trage weggebruikers
gekoppelde regentuinen tussen privaat en publiek domein
waterdoorlatende inritten over de regentuinen bestaande bomen
figuur 64 masterplan lange termijn landschap (maatregelen uit 2030 staan in het grijs)
3 STRAATPROFIELEN
Het bestaande openbaar domein op de site wordt ingezet om de transitie naar een klimaatneutraal bedrijventerrein mogelijk te maken tegen 2050. Hiervoor zullen de bestaande straten een transformatie ondergaan in 2030 en/of 2050. De aanpassingen worden hieronder per straatprofiel behandeld.
Snede A
Dit profiel is in de huidige situatie een weg tussen de private percelen van Laebens en Osta Carpets. In 2030 wordt deze wegenis al gebruikt om de enkelrichtinglus mogelijk te maken. In 2050 worden de rooilijn en bouwlijn opgeschoven zodat er een breder profiel ontstaat met ruimte voor regentuinen met bomen naast de weg.
Snede B
Het openbaar domein zal in 2030 van een tweerichtingsweg naar een eenrichtingsweg gaan als deel van de lus. De ruimte die hierbij vrijkomt wordt gebruikt voor regentuinen met bomen en een fietspad voor functioneel fietsverkeer.
Snede C
De hoofdtoegang tot de site bevindt zich hier op de Nijverheidslaan aan de Etienne Balcaenstraat. De weg wordt hier tweerichting gehouden aangezien de enkelrichtinglus vanaf de collectieve parking pas afsplitst. Toch wordt de weg in 2030 al opnieuw ingericht om aan
figuur 66 Sneden masterplan 2030
een zijde ruimte te maken voor een voetpad en aan de andere zijde voor regentuinen met bomen. De afsluiting van privaat terrein wordt teruggelegd tot achter de private regentuinen zodat het groen visueel een geheel en een aantrekkelijke voorzijde vormt.
Snede D
In de huidige situatie is deze zijtak van de Nijverheidslaan een doodlopende weg om onder andere Aquafin en de kade te bereiken. In 2030 blijft deze situatie behouden, maar in 2050 wordt deze weg toegevoegd aan de eenrichtingslus. Dan wordt de straat opnieuw ingericht met ruimte voor regentuinen en bomen.
Snede E
De Nijverheidslaan tussen Primeurs en Demets wordt tegen 2030 nog gebruikt als deel van de eenrichtinglus. Dan is er ruimte voor een voetpad en regentuin met grote bomen binnen het profiel. Hier behouden we echter een tweede optie om dit wegdeel tweerichting te houden zodat alle huidige bedrijven tijdens de transitie nog direct verbonden blijven met de kade. In 2050 wordt deze weg voor gemotoriseerd verkeer opgeheven en verschuift deze in westelijke richting (snede D) met als doel nog een flexibeler en robuuster framework te creëren voor het bedrijventerrein. Deel van de wegenis kan geprivatiseerd worden en deel uitmaken van de percelen, daarnaast wordt er een as voor traag verkeer gevrijwaard die de verbinding maakt met het BFF.
figuur 65 Sneden masterplan 2050
TOESTAND A - NIEUWE WEGENIS TSS BALTA EN OSTA CARPETS
NIEUWE TOESTAND 2030
SNEDE A - RIJWEG
NIEUWE TOESTAND 2030
figuur 67 Snede A: Tussen TSS Balta en Osta Carpets: huidige toestand (2025)
SNEDE A - RIJWEG
NIEUWE TOESTAND 2050
figuur 68 Snede A: Tussen TSS Balta en Osta Carpets: nieuwe toestand 2030 SNEDE A - gemengd verkeer
HUIDIGE TOESTAND
SNEDE B - TUSSEN FIETSDOORSTEEK ZUIDEN EN UNILIN
NIEUWE TOESTAND 2050
SNEDE A - gemengd verkeer
figuur 69 Snede A: Tussen voormalige Balta site en Osta Carpets, nieuwe toestand 2050
NIEUWE TOESTAND 2050
SNEDE A - vrijliggend fietspad
SNEDE B - EENRICHTINGSVERKEER
VOOR AVCT
HUIDIGE TOESTAND
SNEDE D - TUSSEN IVC EN BEDRIJF VOOR AVCT
figuur 70 Snede B: Tussen blok A en B van Unilin: huidige toestand (2025)
SNEDE D - TWEERICHTINGSFIETSPAD
BESTAANDE TOESTAND
SNEDE E - NIJVERHEIDSLAAN HOOFDWEG AAN E BALCAENSTRAAT
AAN E BALCAENSTRAAT
figuur 71 Snede B: Tussen blok A en B van Unilin: nieuwe toestand 2030
NIEUWE TOESTAND 2030
SNEDE E - TWEERICHTINGSVERKEER gemengd verkeer
figuur 72 Snede C: Nijverheidslaan hoofdweg aan E Balcaenstraat; bestaande toestand (2025)
NIEUWE TOESTAND 2030
SNEDE E - TWEERICHTINGSVERKEER gemengd verkeer
ZELFDE WEG ALS D MAAR ANDERE PLAATS NL TUSSEN HOUPLINE EN BUDERUS
NIEUWE TOESTAND 2030
NIEUWE TOESTAND 2030
SNEDE E - TWEERICHTINGSVERKEER gemengd verkeer
TOESTAND 2030
NIEUWE TOESTAND 2030
SNEDE f - EENRICHTINGSVERKEER groen
f -
figuur 73 Snede C: Nijverheidslaan hoofdweg aan E Balcaenstraat: nieuwe toestand 2030
SNEDE f - EENRICHTINGSVERKEER
HUIDIGE TOESTAND
SNEDE C - TUSSEN BRECCIE EN VERSCHUREN
HUIDIGE TOESTAND
SNEDE C - TUSSEN BRECCIE EN VERSCHUREN
NIEUWE TOESTAND 2030 2.60
figuur 74 Snede D: Tussen Breccie en Verschuren, huidige toestand (2025)
SNEDE C - EENRICHTINGSVERKEER
HUIDIGE TOESTAND
SNEDE D - TUSSEN IVC EN BEDRIJF VOOR AVCT
SNEDE D - TUSSEN IVC EN BEDRIJF VOOR AVCT
figuur 75 Snede D: tussen Breccie en Verschuren, nieuwe toestand 2050
NIEUWE TOESTAND 2030
SNEDE D - TWEERICHTINGSFIETSPAD
TOESTAND
Nijverheidslaan tussen Eco-wash en Demets
figuur 76 Snede E: Nijverheidslaan tussen Ecowash en Demets; huidige toestand (2025)
Nijverheidslaan tussen Eco-wash en Demets
figuur 77 Snede E: Nijverheidslaan tussen Eco-wash en Demets: nieuwe toestand 2030 optie enkelrichting
Nijverheidslaan tussen Eco-wash en Demets
figuur 78 Snede E: Nijverheidslaan tussen Eco-wash en Demets: nieuwe toestand 2030 optie dubbelrichting
SNEDE G - Nijverheidslaan tussen Eco-wash en Demets
G - Nijverheidslaan tussen Eco-wash en Demets
ACTIES & BUSINESSCASES 5
2.1
(P2)
2.3 COLLECTIEF BUFFERBEKKEN MET AFNAMEPUNT (P3)
2.4 BUFFERING VAN REGENWATER OP RIJTGRACHT (P3, P6)
2.5
2.6
2.7
2.9 COLLECTIEF
2.10
2.11
P6)
3.3 DUURZAME HERAANLEG OPENBARE WEG (P4)
3.4 COLLECTIEF LAADPLEIN VOOR PERSONENWAGENS & VRACHTWAGENS (P5)
3.5 COLLECTIEVE PARKING (P6)
3.6 COLLECTIEVE REGENTUINEN (P6)
3.7 CAMERABEWAKING (P7)
1 LONGLIST ACTIES
Van een longlist van acties worden er per perceel drie verder uitgewerkt in de vorm van een actiefiche en één in een businesscase (van toepassing op de percelen 2, 3, 4, 5, 6). Deze zijn in dit hoofdstuk door de studiebureaus verder uitgewerkt en dienen als handvaten van het masterplan. Eindresultaat zijn concrete actieplannen en businesscases die kunnen worden opgepakt door de gemeente of een andere partij.
Het overzicht van acties is eerder opgesteld door de studiebureaus en is ook doorgestuurd naar de bedrijven en aanwezige organisaties voor eventuele aanvullingen. Tijdens een workshop kreeg elke organisatie 5 stemmen om aan te duiden welke zij als het belangrijkste achten. Daarbij is het mogelijk om meerdere stickers bij een actie te plakken om het meer gewicht te geven. De volgende actoren konden hun stem uitbrengen:
- De bedrijven
- Leiedal
- POM West-Vlaanderen
- Provincie West-Vlaanderen
- Vlaams gewest.
- Gemeente Avelgem
openbaar domein/ wegenis
parking (her) aanleg lus 2
duurzaam heraanleggen duurzaam heraanleggen 1 maximaal ontharden gescheiden riolering 1 vrachtwagen parking 9 grachten/regentuinen 2 personenwagen parking 3 overstort water naar de Rijtgracht
collectieve waterbuffer met afnamepunt voor regenwaterhergebruik 3 warmtenet (riothermie/aquathermie) 2 Collectief laadplein vrachtwagens verkeersdremels collectief laadplein personenwagens verlichting 1 vergroenen 1 typologie weg deelfietsen signalistie 2 sanitaire voorzieningen voor vrachtwagen chauffeurs materialen (recyclage punten) postpunt aanleggen van trage corridors met rustpunten collectief recyclage park rustpunt inrichten
figuur 79 Longlist met acties met daarachter het aantal stemmen
fietsers ingrepen op privé terrein omleiden recreatieve fietsers 4 ontharden BFF route 2 waterproblematiek aanpakken 2 plaats voor bestemmingsfietsverkeer 2 vergroenen 1 duurzame energie (PV) materiaalverbruik minimaliseren watergebonden BT inrichting regentuinen aantrekken juiste bedrijven 4 circulair verbouwen vergroten van de kade aanleg van groendaken recyclage hub aan het water aanleg van buffervoorzieningen informeren van bedrijven kraan
overig samenwerking Modal shift 1 energiegemeenschap Buffering van regenwater op de waterloop (Rijtgracht, Oude Schelde) oprichting BTV veiligheid - camerabeveiliging 4 veiligheid - sociale veiligheid gemeenschappelijke inzameling afval foodtruck delen van bedrijfsmiddelen en faciliteiten
2 ACTIEFICHES
2.1 WARMTENET 2030 (P2)
UITVOEREN VAN EEN
TECHNO-ECONOMISCHE HAALBAARHEIDSSTUDIE VOOR DE AANLEG VAN EEN WARMTENET, GEVOED MET WARMTE UIT DE LOKALE RWZI, VOOR REALISATIE TEGEN 2030.
INHOUDELIJKE BESCHRIJVING
Er dient een gedetailleerde haalbaarheidsstudie uitgevoerd te worden voor de aanleg van een lokaal warmtenet op het bedrijventerrein van Avelgem, met specifieke focus op de regionale waterzuiveringsinstallatie (RWZI) als primaire warmtebron via riothermie, eventueel aangevuld met lokale restwarmte. De studie brengt de actuele en toekomstige warmtebehoefte van de bedrijven in kaart, analyseert het thermisch potentieel van de RWZI en onderzoekt de technische en ruimtelijke vereisten voor de aanleg van het net, inclusief infrastructuurtracés, aansluitmogelijkheden en schaalbaarheid.
- Verhoogde energie-efficiëntie van de warmtevoorziening voor de aangesloten bedrijven.
Economisch
- Lagere en stabielere energiekosten op lange termijn versterken de concurrentiepositie van de bedrijven.
- Verhoogde weerbaarheid tegen prijsschommelingen op de energiemarkt, doordat de warmte lokaal en onafhankelijk van fossiele brandstoffen wordt opgewekt.
- Stimulering van investeringen in duurzame energieprojecten en van de lokale economie door samenwerking met regionale partners.
- Afstemming met geplande wegeniswerken (bv. riolerings- of herinrichtingsprojecten) maakt het mogelijk om leidingen gelijktijdig aan te leggen, wat significante besparingen op installatiekosten oplevert.
Ecologisch
- Vermindering van directe CO2-uitstoot door overschakeling van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare warmte.
Maatschappelijk
- Versterking van lokale samenwerking en innovatie.
- Versterking van het imago als toekomstgericht en duurzaam bedrijventerrein.
- Positieve uitstraling naar burgers en andere gemeenten; voorbeeldfunctie in regionale energietransitie.
INITIATIEFNEMER
- Bedrijvencluster Avelgem i.s.m. Leiedal en de toekomstige bedrijventerreinvereniging
BETROKKEN ACTOREN
- Gemeente Avelgem (lokale coördinatie, vergunningverlening en beleidsafstemming)
- Provincie West-Vlaanderen (ondersteuning via beleidskaders en subsidiemogelijkheden)
- POM West-Vlaanderen (strategische begeleiding en koppeling met BTvdT-programma)
- Fluvius (netbeheerder)
- Aquafin (leverancier van warmte via RWZI en technische input over riothermie)
- Studiebureau (extern aan te stellen) (uitvoering van de haalbaarheidsstudie en technische analyse)
- VLAIO / VEKA (potentiële subsidiërende instanties voor studie en latere realisatie)
figuur 80 Illustratie van het Plan van Aanpak
ORGANISATIE
Fase 1 – Voorbereiding en opstart
- Oprichting van een projectgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de bedrijven, gemeente Avelgem, Leiedal, Aquafin en een technisch adviseur.
- Opmaak van een projectdefinitie en bestek voor de haalbaarheidsstudie, inclusief doelstellingen, scope, deliverables en gunnings- en selectiecriteria voor het studiebureau.
Fase 2 – Selectie studiebureau
- Publicatie van de aanbesteding
- Beoordeling en gunning van de ontvangen offertes
Fase 3 – Uitvoering haalbaarheidsstudie
- Dataverzameling
- Inventarisatie van warmtebehoefte bij bedrijven (via enquêtes, interviews, energiedata), zowel vandaag als in de toekomst (2030)
- Analyse van thermisch potentieel RWZI (debiet, temperatuur, beschikbaarheid)
- Verkenning van bijkomende restwarmtebronnen (indien aanwezig)
- Output: Warmtevraagkaart en warmteaanbodanalyse (vermogens, warmtevraag, temperatuurniveaus)
- Modellering en analyse
- Ontwerp van mogelijke netconfiguraties (tracés, fasering, schaal, temperatuur) en volloopscenario’s
- Eindrapport met conclusies, aanbevelingen en stappenplan richting realisatie
Fase 4 – Besluitvorming en vervolg
- Besluitvorming over implementatie: keuze voor realisatie, fasering, financieringsmodel
- Opstart van subsidieaanvragen en voorbereiding van een uitvoeringsdossier (indien positief). Detailontwerp, aanstellen warmteleverancier, contracten opmaken, …
CONTEXT
Link met maatschappelijke uitdagingen en bestaande richtlijnen, beleid of studies: Deze actie speelt in op actuele maatschappelijke uitdagingen zoals mitigatie, circulaire energie en lokale energiezekerheid. Ze sluit aan bij het Vlaams Energie- en Klimaatplan 2021–2030, dat inzet op restwarmtebenutting en collectieve warmtenetten. Op Europees niveau ondersteunt het project de doelstellingen van het Fit for 55-pakket, dat tegen 2030 een emissiereductie van minstens 55% nastreeft. Lokaal draagt de actie bij aan de klimaatambities van de gemeente Avelgem en de transitielijn van Leiedal voor een klimaatneutrale regio.
Link met overkoepelende visie en doelstellingen:
Deze actie draagt rechtstreeks bij aan de overkoepelende visie van CO2-neutraliteit door in te zetten op lokale, hernieuwbare warmteopwekking via riothermie. Door restwarmte uit de RWZI te valoriseren en collectief te verdelen via een warmtenet, wordt fossiele warmteproductie vermeden en de directe uitstoot van broeikasgassen op het bedrijventerrein verlaagd. Het gedeelde systeem bevordert de energie-efficiëntie en maakt het verder mogelijk om vraag en aanbod slim op elkaar af te stemmen, wat cruciaal is voor een flexibel en toekomstbestendig energiesysteem. Bovendien vormt deze actie een eerste bouwsteen voor een bredere warmtestrategie die schaalbaar is richting 2050.
RANDVOORWAARDEN
TECHNISCH
- Toegang tot actuele data en kaarten van het gebied en de RWZI (debiet, temperatuur).
- Kennis en expertise in energieanalyse
- Operationele temperatuur warmtenet (lage temperatuur bij ruimteverwarming of hoge temperatuur bij proceswarmte)
- Aansluitmogelijkheden bij bedrijven (interne installaties, afgiftesystemen).
- Voldoende warmtevraag, volloop van het warmtenet (aantal aansluitingen/afnemers en moment van aansluiten)
- Vuistregel: ca. 3000 kWh warmtevraag per meter leiding nodig
JURIDISCH
- Vergunning en goedkeuring van relevante overheidsinstanties voor aanleg in publieke ruimte.
- Voldoen aan lokale, regionale en nationale wetgeving
- Bijkomende investeringskost voor anticipatie aansluiting gesloten warmtenet op lange termijn
- Mogelijke financiële ondersteuning van overheden en andere instanties (VEKA? VLAIO, EFRO)
- Kosteneffectiviteit van de aanleg en exploitatie van het warmtenet.
RUIMTELIJK
- Beschikbaarheid van ruimte voor leidingen (ondergronds) en technische installaties3 (bovengronds)
- Compatibiliteit met nieuwe interne wegenis (dus wellicht doodlopend warmtenet in 2030)
- Compatibiliteit met bestaande bouw- en bestemmingsplannen.
- Bij voorkeur zijn de grootste verbruikers dicht bij de bron (Aquafin) aangesloten.
1 De call Groene Warmte is het voornaamste investeringssteunprogramma voor warmtenetten. Sinds 2020 is er jaarlijks minstens één oproep geweest en er is momenteel geen uitfasering voorzien. Meer info via: https://www.vlaio.be/nl/subsidies-financiering/subsidiedatabank/ groene-warmte-restwarmte-en-energie-efficiente-stadsverwarming-call-groene-warmte
2 Hoewel een exacte raming van de installatiekosten pas mogelijk is na een gedetailleerde studie, geven we ter referentie mee dat in een ander project in stedelijke context een sleufkost van ongeveer 400 €/m en een leidingkost tussen 300 en 900 €/m (afhankelijk van de leidingdiameter) werd gehanteerd. Deze cijfers zijn indicatief en kunnen afwijken voor een bedrijventerrein zoals Avelgem. Door afstemming met geplande wegeniswerken kunnen de sleufkosten mogelijk aanzienlijk gereduceerd worden. Meer gedetailleerde inschattingen volgen uit de haalbaarheidsstudie.
3 Hoewel de exacte ruimtebehoefte voor een technisch lokaal afhankelijk is van de gekozen technologie, het vermogen en de configuratie van het warmtenet, geven we ter referentie mee dat in een ander project met een aquathermiebron en een capaciteit van ongeveer 5 MW, een technische ruimte werd voorzien van circa 11 x 9 x 3,5 meter. Deze ruimte omvat onder andere filters, warmtewisselaars, pompen en waterbehandelingssystemen. Deze cijfers zijn indicatief en kunnen afwijken voor het bedrijventerrein in Avelgem, afhankelijk van de bron en de aangesloten bedrijven.
2.2 WARMTENET 2050 (P2)
UITVOEREN VAN EEN TECHNO-ECONOMISCHE HAALBAARHEIDSSTUDIE VOOR DE UITBREIDING VAN HET WARMTENET RICHTING 2050, MET INTEGRATIE VAN AQUATHERMIE UIT DE SCHELDE ALS BIJKOMENDE DUURZAME WARMTEBRON.
INHOUDELIJKE BESCHRIJVING
Deze actie onderzoekt hoe het warmtenet, dat initieel gevoed wordt door riothermie uit de RWZI, op lange termijn (2050) kan worden uitgebreid en versterkt met aquathermie uit de Schelde, die langs het bedrijventerrein stroomt. De studie zal het thermisch potentieel van de Schelde analyseren (debiet, temperatuur, seizoensvariatie) en nagaan hoe deze bron complementair kan worden ingezet. Daarnaast wordt onderzocht hoe het warmtenet modulair kan worden uitgebreid naar bijkomende bedrijven of zones in lijn met de uitbreiding van de interne wegenis, met aandacht voor netcapaciteit, opslag, en koppeling met andere duurzame bronnen.
- Schaalvoordelen: brondiversificatie en uitbreiding van het net naar meer bedrijven verlaagt de gemiddelde kost per aansluiting
- Afstemming met geplande wegeniswerken (bv. riolerings- of herinrichtingsprojecten) maakt het mogelijk om leidingen gelijktijdig aan te leggen, wat significante besparingen op installatiekosten oplevert.
Ecologisch
- Verdere reductie van CO2-uitstoot door meer bedrijven toegang te geven tot duurzame warmte.
- De diversificatie van warmtebronnen verhoogt de veerkracht van het warmtenet. Het systeem is minder kwetsbaar voor technische storingen en kan beter omgaan met fluctuaties, waardoor (fossiele) back-up installaties minder ingezet moeten worden.
Maatschappelijk
- Versterking van het terrein als duurzame en innovatieve vestigingslocatie.
- Verankering van Avelgem als pionier in aquathermie en collectieve warmte.
INITIATIEFNEMER
- Bedrijvencluster Avelgem i.s.m. Leiedal
- Toekomstige bedrijventerreinvereniging
BETROKKEN ACTOREN
- Aquafin
- De Vlaamse Waterweg
- Vlaamse Milieumaatschappij (VMM)
- Gemeente Avelgem
- Provincie West-Vlaanderen
- POM West-Vlaanderen
- Fluvius (netbeheerder)
- Studiebureau (extern aan te stellen)
- VLAIO / VEKA (voor subsidiëring)
ORGANISATIE
Fase 1 – Vooronderzoek en projectdefinitie
- Heractivatie van de projectgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de bedrijven, gemeente Avelgem, VMM, Leiedal, Aquafin en een technisch adviseur.
- Opmaak van een projectdefinitie en bestek voor de haalbaarheidsstudie, inclusief doelstellingen, scope, deliverables en gunnings- en selectiecriteria voor het studiebureau.
- Verzameling van bestaande data (ruimtelijke plannen, waterdata Schelde, bestaande netconfiguratie).
Fase 2 – Selectie studiebureau
- Publicatie van de aanbesteding
- Beoordeling en gunning van de ontvangen offertes
Fase 3a – Potentieelbepaling aquathermie
- Uitvoeren van een technische analyse van het thermisch potentieel van de Schelde ter hoogte van het bedrijventerrein, inclusief debiet, temperatuur, seizoensvariatie en geschiktheid van captatie- en lozingspunten.
- Identificatie van geschikte locaties voor captatie- en lozingspunten, warmtewisselaars en leidingen.
- Inventarisatie van juridische eisen (vergunningen) en ecologische randvoorwaarden, met bijzondere aandacht voor de impact op biodiversiteit en aquatisch ecosysteem.
Fase 3b –Analyse uitbreiding warmtenet
- Bepalen van uitbreidingsscenario’s (nieuwe aansluitingen, uitbreiding tracé), rekening houdend met de bevindingen uit de aquathermie potentieelbepaling.
- Technisch-ruimtelijke analyse van tracés en aansluitbare bedrijven.
- Financiële raming en businesscase per scenario.
Fase 4 – Synthese en besluitvorming
- Integratie van resultaten in een strategisch eindrapport.
- Advies over optimale fasering, technische configuratie en financieringsstrategie.
- Besluitvorming door gemeente en bedrijvenvereniging over implementatie.
CONTEXT
Link met maatschappelijke uitdagingen en bestaande richtlijnen, beleid of studies:
De uitbreiding van het warmtenet en de inclusie van aquathermie ondersteunt langetermijndoelstellingen rond klimaatneutraliteit en systeemflexibiliteit, zoals verankerd in de Vlaamse Warmtevisie 2050 en de Europese Green Deal. Ze speelt in op de nood aan robuuste, veerkrachtige energiesystemen die meerdere duurzame bronnen combineren. Lokaal draagt de actie bij aan de klimaatambities van de gemeente Avelgem en de transitielijn van Leiedal voor een klimaatneutrale regio.
Link met overkoepelende visie en doelstellingen:
De uitbreiding van het warmtenet draagt bij aan de realisatie van een toekomstbestendig en klimaatneutraal energiesysteem. De integratie van duurzame warmte via aquathermie uit de Schelde verhoogt de brondiversiteit. De uitbreiding va het warmtenet maakt het systeem niet alleen robuuster, maar ook meer collectief, doordat bijkomende bedrijven kunnen worden aangesloten. Door de integratie van meerdere bronnen (en opslagmogelijkheden) ontstaat een flexibel energiesysteem dat kan inspelen op schommelingen en veranderende warmtevraag.
RANDVOORWAARDEN
TECHNISCH
- Toegang tot actuele data voor de analyse van het thermisch potentieel van de Schelde (debiet, temperatuur, seizoensvariatie)
- Kennis en expertise in energieanalyse
- Hogere performantie en flexibiliteit warmtebron & warmtevragers door gesloten warmtenet
- Operationele temperatuur warmtenet (lage temperatuur bij ruimteverwarming of hoge temperatuur bij proceswarmte)
- Budget voor uitvoering haalbaarheidsstudie en voor investeringen in warmte-inname-infrastructuur aan de Schelde (filters, wisselaars, pompen).
- Afstemming met geplande wegeniswerken kunnen de installatiekosten beperken.
RUIMTELIJK5
- Nood aan beschikbare ruimte, zowel voor de uitbreiding van het warmtenet (onder- en bovengronds) als voor de aquathermie-installaties.
- Compatibiliteit met nieuwe interne wegenis (dus mogelijkheid voor gesloten warmtenet in 2050)
- Compatibiliteit met bestaande bouw- en bestemmingsplannen.
4 Hoewel een exacte raming van de installatiekosten pas mogelijk is na een gedetailleerde studie, geven we ter referentie mee dat in een ander project in stedelijke context een sleufkost van ongeveer 400 €/m en een leidingkost tussen 300 en 900 €/m (afhankelijk van de leidingdiameter) werd gehanteerd. Deze cijfers zijn indicatief en kunnen afwijken voor een bedrijventerrein zoals Avelgem. Door afstemming met geplande wegeniswerken kunnen de sleufkosten mogelijk aanzienlijk gereduceerd worden. Meer gedetailleerde inschattingen volgen uit de haalbaarheidsstudie.
5 Hoewel de exacte ruimtebehoefte voor een technisch lokaal afhankelijk is van de gekozen technologie, het vermogen en de configuratie van het warmtenet, geven we ter referentie mee dat in een ander project met een aquathermiebron en een capaciteit van ongeveer 5 MW, een technische ruimte werd voorzien van circa 11 x 9 x 3,5 meter. Deze ruimte omvat onder andere filters, warmtewisselaars, pompen en waterbehandelingssystemen. Deze cijfers zijn indicatief en kunnen afwijken voor het bedrijventerrein in Avelgem, afhankelijk van de bron en de aangesloten bedrijven.
2.3 COLLECTIEF BUFFERBEKKEN MET AFNAMEPUNT (P3)
COLLECTIEF
BUFFERBEKKEN MET AFNAMEPUNT
Deze actie werd verder uitgewerkt in een businesscase. Zie hoofdstuk 5 deel 2.1.
INHOUDELIJKE BESCHRIJVING
- Water stroomt via een grachtensysteem naar een bekken op de centrale parking.
- Dit collectief bekken is een opvangsysteem voor regenwater voor buffering en vertraagde afvoer, en hergebruik.
- Het bekken bestaat uit verschillende bovengrondse delen die met elkaar verbonden zijn via leidingwerk, zodat ze samen één groot volume vormen. Zie figuur.
- In het huidig ontwerp is dit bekken overal minstens 1 m diep.
- Een deel is van het bekken is 1,5 m dieper gemaakt en afgewerkt met een ondoorlatende laag. Dit deel loopt dus niet leeg. Het regenwater blijft beschikbaar voor hergebruik. Er wordt een pomp met afnamepunt voorzien voor hergebruik.
- Kans op wateroverlast neemt af en bedrijven besparen ruimte voor buffering op eigen terrein, terwijl ze toch voldoen aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater (GSV).
- Water stroomt via een grachtensysteem naar een bekken op de centrale parking.
- Volgens het huidig ontwerp zou het bekken op de parking ca. 690 m³ water kunnen bufferen. Hiermee kan ca. 1,6 ha verharding gecompenseerd worden.
- Duurzaam watergebruik
INITIATIEFNEMER
- Studiebureau (technische uitwerking)
- POM West-Vlaanderen
- Leiedal
BETROKKEN ACTOREN
- Bedrijventerreinvereniging
- Gemeente
- Eigenaar parking
ORGANISATIE
Afspraken over de afname van regenwater kunnen gecoördineerd worden door:
- De bedrijventerreinvereniging (voor regenwatergebruik binnen het bedrijventerrein)
- Gemeente Avelgem (voor regenwatergebruik buiten het bedrijventerrein)
CONTEXT
Link met maatschappelijke uitdagingen en bestaande richtlijnen, beleid of studies:
- Klimaatverandering en waterbeheer. In de toekomst zijn piekbuien heviger. Regenwater bufferen vermindert het risico op overstromingen. Bovendien maakt het collectief bufferbekken hergebruik van regenwater mogelijk. Daardoor is het bedrijventerrein voor bepaalde toepassingen minder afhankelijk van grondwater of leidingwater.
- Beleid. De gewestelijke hemelwaterverordening legt bepalingen op bij (ver)bouwingen. Verhardingen moeten gecompenseerd worden door regenwaterhergebruik en buffering van regenwater.
Link met overkoepelende visie en doelstellingen:
- Deze actie draagt bij tot het verduurzamen en toekomstbestendig maken van het bedrijventerrein, meer bepaald klimaatadaptatie en risicobeheersing (verminderen overstromingsgevoeligheid). De keuze voor een collectief bekken in plaats van meerdere individuele bekkens past ook in de visie om zuinig om te springen met de beschikbare ruimte.
RANDVOORWAARDEN
TECHNISCH
- Hydraulisch.
- Grachten en regentuinen zijn noodzakelijk. Het regenwater dat op de percelen van de industriezone Avelgem valt, en dat niet gebufferd wordt op privéterrein, moet via deze grachten/regentuinen kunnen afstromen naar het collectief bufferbekken.
- De diepteligging van het terrein moet in kaart worden gebracht. Dit bepaalt welke zones kunnen afstromen naar het bufferbekken bij een bepaalde diepte van de grachten en het bekken. In deze oefening werd uitgegaan van een collectief bufferbekken met een diepte van ca. 1 m (0,5 m waterhoogte, 12,5 m TAW). Hierbij kunnen de hogergelegen zuid-westelijke zones zeker afstromen.
- De maximale diepte van het bekken wordt bepaald door de overstort naar de Rijtgracht. Bij een helling van 1 promille mag deze op zo’n 2,4 m diepte liggen (11,1 m TAW).
- De grondwaterstand moet gekend zijn.
- Grondwaterstand hoog > bekken voor hergebruik met folie afwerken
- Grondwaterstand laag > bekken voor hergebruik met beton afwerken > duurder, kleiner volume overwegen
- Infiltratieproeven ter hoogte van parking. Om te bepalen of het bufferbekken als louter een bufferbekken kan geschouwd worden, of een gecombineerd infiltratie- en bufferbekken (nu is er uitgegaan van een slecht infiltreerbare bodem - zie juridisch).
- Onderhoud. Grachten en regentuinen moeten zo onderhouden worden dat het regenwater ook effectief kan doorstromen naar het collectief bufferbekken. Vermijd bv. dichtslibben van grachten door modder, afval, gevallen bladeren.
- Watervraag. De watervraag van mogelijke regenwaterafnemers bepaalt hoe groot het bekken moet zijn. De huidige inschattingen (bv. water voor irrigatie groen op bedrijventerrein) moeten bevestigd worden.
FINANCIEEL
- Budgettering. Gedetailleerde kostenanalyse voor aanleg is noodzakelijk.
- Subsidies. Mogelijkheden voor subsidies onderzoeken. Hiervoor kan gestart worden van het overzicht van VITO kennispunt water dat verschillende steunmaatregelen toelicht (https://vito.be/nl/kennispunt-water/wateradvies/ stappenplan-hoe-krijg-je-steun-voor-je-waterproject).
JURIDISCH
GSV. Bij werken op de parking en de rest van het bedrijventerrein moet worden voldaan aan de GSV. Volgens deze verordening is 430 m³ buffer / ha verharding nodig bij slecht infiltreerbare bodems. Bij aanleg van dit bekken wordt ca. 690 m³ buffervolume gerealiseerd. Dit komt overeen met 1,60 ha verharding. Dit volstaat vermoedelijk ruim voor de op korte termijn geplande werken op openbaar terrein. Daarbovenop komt ook nog het volume dat gebufferd wordt in regentuinen/grachten. Er dient juridisch te worden bekeken hoe bedrijven bij toekomstige werken op hun privé-perceel aanspraak kunnen maken op dit extra buffervolume.
RUIMTELIJK
- Dimensionering. De afmetingen en vooral dieptes van de bufferbekkens hebben een grote impact op de kosten en baten. Bijvoorbeeld voor het bekken voor hergebruik: oppervlakte/2 en diepte*2 -> Kosten voor afwerking met folie halveren.
- Ruimtelijke integratie. De bekkens mogen de geplande activiteiten op de parking niet hinderen (veiligheid!).
figuur 81 Illustratie van het collectief bufferbekken met afnamepunt
2.4 BUFFERING VAN REGENWATER OP RIJTGRACHT
(P3, P6)
HAALBAARHEID ONDERZOEKEN VOOR BUFFERING VAN REGENWATER OP DE RIJTGRACHT
INHOUDELIJKE BESCHRIJVING
Gezien de beperkte ruimte voor buffering op het bedrijventerrein, valt te bekijken of er extra ruimte voor water/buffervolume kan gecreëerd worden op de Rijtgracht. De gemeente wenst een perceel natuurgebied (1 ha) aan te kopen langs de waterloop dat zou kunnen gebruikt worden om bijvoorbeeld een winterbed of GOG (gecontroleerd overstromingsgebied) aan te leggen. Daarnaast plant de gemeente ook andere activiteiten (bv. recreatie) op dit perceel.
- Er wordt extra buffervolume voorzien, ter compensatie van bedrijven die mogelijks niet aan de GSV kunnen voldoen op hun eigen terrein
- Verkleint de kans op wateroverlast op het bedrijventerrein. Over hoeveel buffervolume dit gaat, moet later bepaald worden (onderdeel van de haalbaarheidsstudie).
- Extra groenblauwe ruimte zorgt voor landschappelijke en ecologische meerwaarde
- Dit verkleint dit de kans op fluviale overstromingen afwaarts van het bedrijventerrein
INITIATIEFNEMER
- Gemeente
ORGANISATIE
BETROKKEN ACTOREN
- Waterloopbeheerder (= provincie)
- Bedrijventerreinvereniging (financiele participatie in aanleg en beheer)
- Overleg met waterloopbeheerder om te bekijken of zij akkoord zouden gaan met aanleg van compenserende buffering op waterloop en in welke vorm
- Ontwerp buffervoorziening
- Vergunningsaanvraag
- Uitvoering werken
CONTEXT
Link met maatschappelijke uitdagingen en bestaande richtlijnen, beleid of studies:
- Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening
Link met overkoepelende visie en doelstellingen:
- klimaatadaptief inrichten van het bedrijventerrein
- Kostenraming voor deze actie moet later bepaald worden (onderdeel van de haalbaarheidsstudie).
JURIDISCH
- Bestemming perceel op gewestplan. Op het gewestplan wordt dit perceel aangeduid als een bufferzone. Er dient onderzocht te worden of op dit perceel met deze bestemming het winterbed kan uitgebreid worden, en of ook de andere geplande activiteiten (bv. recreatie) mogelijk zijn.
- Akkoord krijgen van waterloopbeheerder om compenserend te bufferen
RUIMTELIJK
- Perceel van gemeente mag gebruikt worden voor buffering - De blauwgroene ingreep kan ingezet worden als uitbreiding van de sport-recreatiezone
2.5 ECOSYSTEEMDIENSTEN M.B.T WATER (P3, P6)
ECOSYSTEEMDIENSTEN
ORGANISEREN GEKOPPELD AAN WATERPROBLEMATIEK OP PRIVÉTERREIN
INHOUDELIJKE BESCHRIJVING
Het bedrijventerrein kent veel verharding, wat ook zorgt voor veel afstroming van regenwater en ook voor wateroverlast (zowel op het bedrijventerrein, als afwaarts op de waterloop). Bedrijven dienen hun regenwater zoveel mogelijk te bufferen op hun eigen terrein, zodat niet al het water tegelijk rechtstreeks op de riolering en de waterloop terecht komt.
Bedrijven kunnen ook individuele beschermingsmaatregelen nemen om hun kritische infrastructuur te beschermen. Door de koppeling van ontharden en vergroenen ontstaat een hydro-botanische (blauw-groen) eenheid in zowel technische uitwerking als Beeld. I.f.v. opp. Perceel / % ontharden / schaal en programma van gebouwen kan een onderscheid gemaakt worden in beplanting die steeds aansluit bij de ecosystemen van de Scheldemeersen.
- Landschappelijk inpassen van het bedrijventerrein en het klimaatadaptief inrichten
RANDVOORWAARDEN
TECHNISCH
- Toolbox Beplanting
- Toolbox groenbeheer
FINANCIEEL
- Bedrijven (Subsidies?)
JURIDISCH
- Bij nieuwbouw of verbouwingen moeten bedrijven voldoen aan de GSV, die bepaalde eisen stelt rond het installeren van hemelwaterputten en infiltratie-/buffervolumes
- Bij de aanleg van deze infiltratie- / buffervolumes wordt ingezet op een uniforme aanpak van / voor groen-beheer. (op te nemen in uitgiftebeleid (bij doorverkoop?) en / of Bedrijventerreinvereniging
RUIMTELIJK
- Er is niet altijd veel ruimte op privédomein om water te bufferen. - Er liggen koppelkansen in het technisch en beeldmatig afstemmen tussen groene en blauwe ingrepen
2.6 HERAANLEG COLLECTIEVE PARKING (P4)
VOLLEDIGE HERAANLEG COLLECTIEVE PARKING
INHOUDELIJKE BESCHRIJVING
We vervangen de volledige parking door nieuwe elementen. Hierdoor is alle vrijheid mogelijk voor een niet-volledig-verhard ontwerp, met meer ruimte voor groenblauwe structuren. De tabula rasa aanpak maakt het mogelijk dat grote technische aanpassingen volgens de juiste standaard kunnen aangelegd worden. Dit verhoogt de duurzaamheid op lange termijn sterk. We denken hierbij aan verbeterde drainage, wateropslag, waterinfiltratie, laadpleininfrastructuur en slimme toegangscontrole. Deze schone lei geeft ook de opportuniteit om met innovatieve modulaire elementen te werken voor de parkeerplaatsen, die bijvoorbeeld wateropslag onder de parking bevatten.
Alle materialen die vandaag aanwezig zijn, worden verwijderd, gesorteerd en zoveel mogelijk gerecycleerd. Het terrein wordt terug bouwklaar gemaakt. Indien mogelijk kunnen sommige recyclaten terug ter plaatse ingezet worden (zij het in een laagwaardigere functie).
- Ideale omstandigheden om nieuw technieken (zoals laadinfrastructuur, waterbuffering, waterinfiltratie, toegangscontrole…) correct te plaatsen. Dit vermindert de kans op fouten en verloren materiaal later.
- Vrijheid van ontwerp creëert alle kansen voor een beter groenblauw concept.
- Nieuwe wegbedekking kan water doorlaatbaar zijn en minder bijdragen aan het hitte-eilandeffect.
- De mogelijkheid van waterbuffering biedt nabijgelegen bedrijven een kans om op het eigen terrein minder te moeten investeren.
- De kosten voor volledige verwijdering en allemaal nieuwe materialen ligt logischerwijs op korte termijn hoger dan gedeeltelijke ontharding.
INITIATIEFNEMER
- Eigenaar van de parking
BETROKKEN ACTOREN
- Bedrijven voor gebruik en dus indirecte financiering
- Leiedal voor coördinatie subsidietraject
- Gemeente voor eventuele financiële stimulans ontharding
ORGANISATIE
- Inventarisatie van bestaande materialen op de parking (beton, asfalt, lantaarnpalen, bewijzering, toegangspoort…) en inschatting van hergebruikspotentieel.
- Contactname met bedrijven om te informeren naar de interesse in extra waterbuffering
- Een ontwerp maken dat maximaal inzet op groenblauwe structuren
- Verkenning van duurzamere wegdeksamenstelling voor de parkeerplaatsen, bijvoorbeeld met een hoog percentage (lokaal) recyclaat.
CONTEXT
Link met maatschappelijke uitdagingen en bestaande richtlijnen, beleid of studies:
- Waterbuffering op een aangrenzend perceel mee laten tellen voor het eigen perceel volgens de hemelwaterverordening
FINANCIEEL
- Eventuele subsidie vanuit gemeente voor ontharding - GTI- subsidiedossier via POM West-Vlaanderen
- Prijs voor recyclaat t.o.v. virgin materiaal
RUIMTELIJK
- Voldoende ruimte nodig om vrachtverkeer te laten manoeuvreren
RANDVOORWAARDEN
2.7 MAXIMAAL HERGEBRUIK (P4)
MAXIMAAL HERGEBRUIK BIJ HERAANLEG COLLECTIEVE PARKING
INHOUDELIJKE BESCHRIJVING
We verwijderen selectief verharding en introduceren nieuwe elementen op de parking. Hierdoor is de directe materiaalimpact van de heraanleg minimaal, zonder het potentieel van meer groenblauwe structuren te verliezen. In principe wordt nieuw wegdek dus vermeden, tenzij lokaal het huidige wegdek al structurele mankementen vertoont.
Een slim en evenwichtig ontwerp geeft nauwkeurige zones aan waar de wegbedekking verwijderd moet worden. Aangezien elke wegdekrand een de facto zwakke plek is qua draagkracht, moet aan elke rand versteviging of ruimtelijke marge voorzien worden. Om ook effectieve waterinfiltratie mogelijk te maken, zullen dit geen tientallen kleine stukjes mogen zijn. Grotere aaneengesloten delen zullen bijgevolg wenselijk zijn. Dat is bovendien ook economischer in uitvoering.
Technische aanpassingen zoals laadinfrastructuur en slimme toegangscontrole dienen zo uitgewerkt te worden dat ze minimale sleuven voor kabels vragen. De installatie van de hardware zelf kan normaalgezien perfect bevestigd worden op het huidig wegdek.
- Ideale omstandigheden om snel resultaat te boeken.
- Een slim ontwerp is cruciaal om een beter groenblauw concept mogelijk te maken.
- De verwijderde materialen van het wegdek zullen gerecycleerd kunnen worden.
- Waterinfiltratie moet via de toegevoegde groenblauwe structuren verlopen, die het hitte-eilandeffect deels verminderen.
- De kosten voor selectieve verwijdering en beperkte nieuwe materialen ligt logischerwijs op korte termijn een stuk lager dan volledige ontharding.
- Grote ingrepen zoals ondergrondse waterbuffering zijn niet combineerbaar met deze actie.
INITIATIEFNEMER
- Eigenaar van de parking
BETROKKEN ACTOREN
- Bedrijven voor gebruik en dus indirecte financiering
- Leiedal voor coördinatie subsidietraject
- Gemeente voor eventuele financiële stimulans ontharding
ORGANISATIE
- Volledige controle van het bestaande wegdek naar draagcapaciteit en mankementen.
- Een slim ontwerp maken dat geclusterd inzet op groenblauwe structuren.
CONTEXT
Link met maatschappelijke uitdagingen en bestaande richtlijnen, beleid of studies:
- Green Deal Natuurinclusieve parkeerterreinen
- Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening
- Vlaams klimaatadaptatieplan
- Hemelwater- en droogteplan gemeente Avelgem
Link met overkoepelende visie en doelstellingen:
- Heraanleg van de collectieve parking - Meer ruimte voor groenblauw
RANDVOORWAARDEN
TECHNISCH
- De huidige staat van het wegdek moet structureel volstaan om nog lange tijd zwaar vrachtverkeer te verdragen - Waar verharding verwijderd wordt, zullen de nieuwe randen verstevigd moeten worden, zeker waar er vrachtverkeer zal rijden
JURIDISCH
- Geen
FINANCIEEL
- Eventuele subsidie vanuit gemeente voor ontharding - GTI- subsidiedossier via POM West-Vlaanderen
RUIMTELIJK
- Voldoende ruimte nodig om vrachtverkeer te laten manoeuvreren
2.8 DELEN VAN FACILITEITEN (P4)
DELEN VAN FACILITEITEN
INHOUDELIJKE BESCHRIJVING
De bedrijven op het bedrijventerrein delen facilitaire middelen of ruimtes met elkaar en zetten gezamenlijke initiatieven op om verspilling te vermijden.
Veel ruimtes zoals grote vergaderzalen, hybride vergaderzalen, flexwerkplekken, ontspanningsruimtes of refters staan een groot deel van de tijd leeg, zeker in productieomgevingen. Door slimme afspraken rond timing, planning en toegangscontrole, kunnen deze perfect gedeeld worden met naburige bedrijven. Zo kan ook de grote investeringskost een deel gespreid worden. Dit kan via een bedrijventerreinvereniging, maar ook door simpele verhuurafspraken met transparante kostprijs.
Daarnaast kunnen ook facilitaire middelen zoals beamers, laptops, videomateriaal, receptietafels… op een gelijkaardige manier gedeeld worden.
Naast gedeeld gebruik kunnen ook initiatieven opgezet worden als er zich eenmalige opportuniteiten voordoen. Ik denk aan de gezamenlijke inzameling van paletten, doorverkoop van computers, groepsaankoop van beeldschermen, ophaling van oud meubilair door de Kringwinkel… Een bedrijf neemt het initiatief en geeft anderen de kans om binnen een bepaalde termijn mee in te stappen.
- Een beduidend lagere inzet van bouwmaterialen als weinig gebruikte functies niet dubbel gebouwd hoeven te worden.
- Minder ruimte die op elk eigen terrein voorbehouden moet blijven voor functies die slechts af en toe gebruikt worden.
- Een enorm lagere kostprijs voor degene die maar zelden gebruikmaken van de facilitaire middelen in kwestie, een kleine opbrengst voor zij die hun middelen/ruimtes delen.
- Hergebruik op een lokaal niveau, wat minder transport (en arbeidskosten) met zich meebrengt.
- Een groter volume aan goederen die opgehaald kunnen worden, wat het voor bv. een Kringwinkel economisch interessanter maakt.
INITIATIEFNEMER
- Een van de bedrijven, hoeft niet voor elke faciliteit hetzelfde bedrijf te zijn
- Bedrijventerreinvereniging als coördinator en facilitator
ORGANISATIE
BETROKKEN ACTOREN
- Andere bedrijven die gebruik maken van het deelsysteem
- Lokale Kringwinkel & maatwerkbedrijven die afgedankte goederen ophalen en een nieuwe bestemming geven
- Een digitaal platform waarop vlot en eenvoudig initiatieven, oproepen of vragen gesteld kunnen worden aan de andere bedrijven. Hierop kan ook informatie (zoals transparante huurkosten en -afspraken) gedeeld worden.
- Een centraal overzicht van de contactpersonen van partners (zoals Kringwinkel of een vzw die bureaumateriaal herbestemd voor een goed doel).
CONTEXT
Link met maatschappelijke uitdagingen en bestaande richtlijnen, beleid of studies:
- Doelstelling Vlaanderen Circulair (opgevolgd in de werkagenda circulaire maakindustrie): ambitie van Vlaanderen om de materiaalvoetafdruk van onze consumptie te ontkoppelen van de economische groei en deze met 30% te verminderen tegen 2030.
Link met overkoepelende visie en doelstellingen:
- Oprichting van een bedrijventerreinvereniging
RANDVOORWAARDEN
TECHNISCH
- Toegang tot een gedeeld platform, kan bv. MS Engage zijn
JURIDISCH
- Heldere afspraken rond verzekering van de verhuurde/gedeelde faciliteiten
FINANCIEEL
- Heldere afspraken rond de kostprijs voor het huren.
RUIMTELIJK
- Slimme inplanting van de gedeelde ruimtes zodat ze toegankelijk zijn zonder productie te storen.
2.9 COLLECTIEF LAADPLEIN (P5)
COLLECTIEF LAADPLEIN VOOR VRACHTWAGENS & PERSONENWAGENS
INHOUDELIJKE BESCHRIJVING
Deze actiefiche betreft de uitrol van 19 normale AC laadpalen, ofwel 38 laadpunten voor personenwagens bedoeld voor werknemers van het bedrijventerrein en 2 DC snellaadpalen, ofwel 4 snelllaadpunten voor vrachtwagens bedoeld voor leveranciers, die door omstandigheden dienen te wachten of te overnachten op de wachtparking. Beide laadpalen krijgen vorm in een slim laadplein op de collectieve parking van het bedrijventerrein van Avelgem (zie businesscase).
Snelladers voor personenwagens werden niet doorgerekend gezien enerzijds de ligging van het bedrijventerrein ten opzichte van het wegennetwerk. Zo is het bedrijventerrein niet gunstig gelegen voor occasioneel gebruik van één noch meerdere snelladers voor personenwagens. Met andere woorden als het bedrijventerrein niet de bestemming is, dan passeert men daar ook niet of nauwelijks. De kans op occasionele inkomsten door passanten is daarom zeer klein. Anderzijds, maar daarmee samenhangend, werd een snellader voor personenwagens niet doorgerekend gezien de laadinfrastructuur in eerste instantie bedoeld is voor werknemers van het bedrijventerrein, die er meerdere uren per dag verblijven en daarom minder snel geneigd zouden zijn om snel te laden tegen een hoger tarief, dan normaal te laden tegen een lager tarief. Deze combinatie van locatie en doelgroep(en) is een sterke indicatie van een negatieve business case voor snelladers voor personenwagens. Bovendien speelt ook de veiligheidskwestie op het bedrijventerrein om geen ongewenste bezoekers aan te trekken.
- Ecologisch voordeel: faciliteren van de transitie richting elektrisch vervoer met meetbaar minder CO2-uitstoot, een beperkte materiaal impact (collectief laadplein), mogelijkheid tot koppeling met zonnepanelen.
- Economisch voordeel: schaalvoordeel en lagere investerings- en exploitatiekosten door infrastructuur te delen tussen personen- en vrachtwagens, slim energiemanagement (piekbelastingen worden beheerst en netkosten verlaagt door load balancing), benutting dag en nacht.
INITIATIEFNEMER
- Hier zijn verschillende opties mogelijk.
- Aangezien de parking die collectief fungeert privaat grondeigendom is van het bedrijf Kronospan is het bedrijf een eerste mogelijke initiatiefnemer.
- Verder is de toekomstige bedrijventerrein vereniging en/of energiegemeenschap een mogelijke initiatiefnemer in samenwerking met de terreineigenaar, zijnde Kronospan.
- De intercommunale Leiedal en de Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij West-Vlaanderen (POM) zijn elks eveneens mogelijke initiatiefnemers vanuit hun missie om respectievelijk ondernemerschap te versterken en regionale ontwikkeling te stimuleren.
- Ons advies is om de terreineigenaar Kronospan het initiatief te laten nemen, omwille van juridisch eenvoud met betrekking tot het grondeigendom, de voorwaarden van het lopende GTI-dossier, alsook omwille van de directe winsten die hier mogelijk zijn voor het bedrijf door het aanbieden van de laadpalen.
- Maatschappelijk voordeel: efficiënt ruimtegebruik (minder versnippering van laadpalen in de omgeving), sociale inclusie / verlagen van drempels door het open stellen van het laadplein voor bedrijven zonder eigen laadpalen en meer leefbaarheid door het faciliteren van stillere en schonere voertuigen.
BETROKKEN ACTOREN
- Indien Kronospan het initiatief neemt als terreineigenaar zijn er in principe geen andere actoren noodzakelijk buiten een leverancier van laadpalen (CPO) en een energieleverancier. Het is echter aangewezen om het gesprek aan te gaan met de energiegemeenschap en de POM, omwille van het lopende GTIdossier met betrekking tot de heraanleg van de parking. Daarnaast is het interessant om overeenkomsten af te sluiten met andere bedrijven om een garantie op afname te verzekeren.
ORGANISATIE
- Gezien de doorrekening van de businesscase in een model zijn de meeste voorbereidende stappen reeds doorlopen zoals de behoefteanalyse, technische analyse, laadoplossing etc. en kan er worden over gegaan tot installatie, keuring, ingebruikname en beheer.
CONTEXT
Link met maatschappelijke uitdagingen en bestaande richtlijnen, beleid of studies: Laadpalen zijn onontbeerlijke infrastructuur om verplaatsingen met elektrisch aangedreven voertuigen, i.c. personenwagens en vrachtwagens mogelijk te maken.
Sinds één januari 2025 zijn terreineigenaren in Vlaanderen met meer dan 20 parkeerplaatsen verplicht om minimaal twee laadpunten voor elektrische voertuigen te voorzien ofwel één laadpaal. Nu moet elk bedrijf met +20 parkeerplaatsen minstens 2 laadpunten hebben.
In het geval van nieuwbouw of een ingrijpende renovatie gelden sinds 2021 strengere regels vanaf 10 parkeerplaatsen zijn eveneens minstens 2 laadpunten vereist alsook de kabelinfrastructuur voor 1/4de van de (geplande) parkeerplaatsen, dit om grondwerken voor toekomstige laadpalen te vermijden. en ¼ (laad)infra per parkeerplaats (kabelgoten).
Link met overkoepelende visie en doelstellingen: Laadpalen voor elektrische voertuigen zijn noodzakelijk infrastructuur om het bedrijventerrein van Avelgem op een duurzamere manier bereikbaar te maken en zo het transitieplan naar een bedrijventerrein van de toekomst te vervoegen.
RANDVOORWAARDEN
TECHNISCH
- De parking dient bij de heraanleg voorzien te worden van de nodige wachtbuizen om graafwerken voor toekomstige laadpalen te vermijden.
JURIDISCH
- Juridisch zijn er geen uitdagingen als Kronospan als terrein eigenaar beslist om zelf laadpalen te voorzien. In het geval van elke andere initiatiefnemer dient er een concessieovereenkomst gesloten te worden tussen de terreineigenaar en de uitbater/eigenaar van de laadpalen.
- Het is zowel voor Kronospan als de andere bedrijven interessant om contracten af te sluiten die langs de kant van de aanbieder (Kronospan) een afname garanderen en langs de kant van de afnemer (buurbedrijven) een voordelig tarief garanderen, door het aanbod en vastelling van een laag tarief.
FINANCIEEL
- Investering van de initiatiefnemer, zie BMC (businessmodel canvas).
RUIMTELIJK
- Er dienen er 38 parkeerplaatsen voor personenwagens en 4 parkeerplaatsen voor vrachtwagens geselecteerd te worden als parkeerplaatsen voor elektrische voertuigen. Wat betreft de parkeerplaatsen voor personenwagens dienen deze zich te bevinden in het deel dat vast is bestemd voor personenwagens en niet voor het deel van de parking dat bestemd is voor dubbelgebruik, zijnde personenwagens en vrachtwagens.
2.10 SIGNALISATIE (P5)
SIGNALISATIE
INHOUDELIJKE BESCHRIJVING
Deze actiefiche betreft de vernieuwing van de signalisatie op het bedrijventerrein van Avelgem. Onder signalisatie worden twee soorten borden verstaan. Enerzijds gaat het om verkeersborden die het verkeer regelen. Anderzijds gaat het om borden die de navigatie op het bedrijventerrein faciliteren, zodat bezoekers en/of leveranciers van het bedrijventerrein vlot worden geleid naar hun bestemming op het terrein. Onder deze laatste valt ook een totem/toegangspoort die de toegang tot het terrein markeert.
- Ecologisch voordeel: Minder zoekverkeer > minder km’s en zo ook minder CO2 en fijnstof uitstoot
- Economisch voordeel: Minder zoekverkeer > tijdbesparend - Maatschappelijk voordeel: Minder kans op ongevallen door vernieuwing verkeerssignalisatie, alsook door het beperkte zoekverkeer (minder km’s). Bovendien wordt het BT op de kaart gezet met een duidelijk aanwezige toegangspoort.
INITIATIEFNEMER
- De twee soorten signalisatie zijn de bevoegdheid van twee verschillende instanties. Het vernieuwen van de signalisatie vergt daarom een samenwerking tussen twee initiatiefnemers, zijnde de gemeente Avelgem wat betreft de verkeersignalisatie, gezien het bedrijventerrein alleen gemeentewegen omvat en de intercommunale Leiedal voor de vernieuwing van de borden voor de navigatie op het bedrijventerrein.
ORGANISATIE
BETROKKEN ACTOREN
- Wat betreft de verkeersborden zijn geen andere actoren noodzakelijk.
- Wat betreft de navigatieborden zijn de bedrijven zelf belangrijke actoren om de signalisatie maximaal future proof te maken, alsook de gemeente Avelgem als beheerder van de publieke ruimte waar de signalisatie zal worden voorzien.
- Wat betreft de vernieuwde, maar vooral de aangepaste verkeersborden (zoals de voorrangsregeling op de Nijverheidslaan en eventuele invoer van een zone 30) kan de gemeente overgaan tot de opmaak van een aanvullend reglement op het wegverkeer.
- Wat betreft de navigatieborden kan de intercommunale beroep doen op diens laatste typologie van “interne signalisatie” op de bedrijventerreinen om het meest adequate type signalisatie voor het terrein in kwestie te bepalen, dit vervolgens in te tekenen op kaart (spreiding) en vervolgens te ontwerpen (inhoud van elk bord) en uit te rollen (laten ontwikkelen en plaatsen).
CONTEXT
Link met maatschappelijke uitdagingen en bestaande richtlijnen, beleid of studies: De relatief ingrijpende aanpassing van de wegenis en circulatie op het bedrijventerrein als resultaat van het transitieplan richting een bedrijventerrein van de toekomst vergt een aangepaste verkeers- en navigatiesignalisatie op het bedrijventerrein.
Link met overkoepelende visie en doelstellingen:
Idem
RANDVOORWAARDEN
TECHNISCH
- Wat betreft de verkeersignalisatie is dit een kwestie van tijd van de mobiliteitsambtenaar voor de opmaak van het aanvullend regelement en van dit te agenderen op het college.
- Wat betreft de navigatiesignalisatie is de voornaamste technische randvoorwaarde een actuele typologie voor “interne signalisatie”, die het ontwerp en de uitrol mogelijk maakt.
JURIDISCH
- Juridisch is het belangrijk om de signalisatie te plaatsen op publiek domein in beheer van de gemeente.
FINANCIEEL
- De kost van de productie, plaatsing en onderhoud van de signalisatie ligt bij de gemeente als wegbeheerder. Het ontwerp wordt voorzien door de respectievelijke initiatiefnemers.
RUIMTELIJK
- Ruimtelijk is het belangrijk dat de signalisatie geen hinder of gevaar vormt voor de weggebruikers op het bedrijventerrein, alsook optimaal wordt verspreid.
2.11 MODAL SHIFT (P5)
VERDUURZAMING VAN HET WOON-WERKVERKEER / BEDRIJFSMOBILITEIT
INHOUDELIJKE BESCHRIJVING
Op het industrieterrein in Avelgem is woon-werkverkeer sterk afhankelijk van privéwagens, mede door de ligging buiten stedelijke kernen en de beperkte bereikbaarheid met openbaar vervoer. Deze actie beoogt de verduurzaming van de bedrijfsmobiliteit op het industrieterrein via een geïntegreerde aanpak. Mogelijke initiatieven die hierbij kunnen helpen:
- Het uitvoeren van een mobiscan bij elk van de bedrijven op het industrieterrein, waarbij het potentieel voor duurzamer woon-werkverkeer in kaart wordt gebracht.
- Invoering van flexibel werken, glijdende uren of telewerk waar mogelijk.
- Mobiliteitsbudgetten of fietsvergoedingen als stimulans voor duurzaam vervoer.
- Ecologisch voordeel: Minder CO2-uitstoot gegenereerd door woon-werkverkeer en lagere fijnstofemissie.
- Economisch voordeel: Lagere mobiliteitskosten voor bedrijven, verhoogde efficiëntie en minder parkeerdruk. Aantrekkelijkere werkgever voor werkzoekenden..
INITIATIEFNEMER
- Leiedal
- Maatschappelijk voordeel: Verbeterde bereikbaarheid voor werknemers zonder auto, hogere tevredenheid, gezonde bedrijfscultuur en verminderde verkeersdrukte in de nabije omgeving.
BETROKKEN ACTOREN
- Leiedal
- De bedrijven op het industrieterrein;
- Treffik (mobiscan);
- Eventuele ondersteunende actoren bij het uitwerken van gerichte acties om werknemers te overtuigen op een duurzame(re) manier naar het werk te komen (mobicoach).
ORGANISATIE
- Leiedal en/of de mobicoach kan optreden als aanspreekpunt voor de bedrijven voor het uitvoeren van mobiscans, opzetten van duurzame mobiliteitsinitiatieven, … Per kwartaal kan een overleg worden georganiseerd met de betrokken bedrijven om de stand van zaken te bespreken en nieuwe initiatieven te lanceren.
CONTEXT
Link met maatschappelijke uitdagingen en bestaande richtlijnen, beleid of studies: Industrieterreinen in West-Vlaanderen – zoals dit industrieterrein in Avelgem – liggen vaak in moeilijk(er) bereikbare gebieden. Hierdoor of omdat ze nauwelijks zijn ontsloten door openbaar vervoer. Tegelijkertijd kampen ze met parkeerproblemen en luchtkwaliteitsproblemen. De Vlaamse en regionale beleidskaders bieden mogelijkheden om hier via samenwerking met lokale besturen en intercommunales werk van te maken. Bovendien wordt het aanbod van het mobiliteitsbudget verplicht vanaf 2026 aan werknemers die vandaag genieten van een bedrijfswagen.
Link met overkoepelende visie en doelstellingen: Het verduurzamen van het woon-werkverkeer past perfect in het transitieplan naar een bedrijventerrein van de toekomst. Een duurzaam bedrijventerrein is immers multimodaal ontsloten om een duurzame modal shift te faciliteren met alle maatschappelijke, ecologische en economische voordelen van dien. De veilige fietsinfrastructuur die op het terrein wordt gerealiseerd is immers (o.a.) bedoeld voor bestemmingsverkeer.
RANDVOORWAARDEN
TECHNISCH
- Goede communicatie tussen de bedrijven en de initiatiefnemer (Leiedal).
FINANCIEEL
- Er dienen bij de bedrijven budgetten vrijgemaakt te worden om duurzamer mobiliteitsbeleid te stimuleren. Deze inspanningen kunnen zich uiteindelijk vertalen in extra werkgelegenheid, hogere aantrekkelijkheid van het bedrijventerrein, … Voor verschillende initiatieven kan ook gratis advies verleend worden (o.a. mobiscan bij Treffik).
JURIDISCH
- Een inspanningsovereenkomst kan opgemaakt worden door Leiedal en de betrokken bedrijven om hun verantwoordelijkheid en inspanningen vast te leggen. Hierdoor kan men aangesproken worden indien bepaalde inspanningen niet geleverd worden.
RUIMTELIJK
- De ruimtelijke impact is beperkt gezien het hier voornamelijk gaat om het aanbieden van diensten ten behoeve van duurzamer woon-werkverkeer. Eventuele ruimtelijke impact van de initiatieven die gepaard gaan met het verduurzamen zullen beperkt zijn tot roerende goederen. Deze fiche focust zich immers op zogenaamde soft measures (beleid), waar het transitieplan de hard measures (infrastructuur) vorm geeft met bijvoorbeeld fietsinfrastructuur.
2.12 CAMERABEWAKING (P7)
CAMERABEWAKING
INHOUDELIJKE BESCHRIJVING
De industriezone in Avelgem kampt met terugkerende problemen zoals straatracen, vandalisme en andere vormen van overlast. Deze situaties zorgen voor een verhoogd onveiligheidsgevoel bij ondernemers, werknemers en bezoekers. Om dit aan te pakken, wordt voorgesteld om camerabewaking te installeren. Het systeem omvat een detail camera en een overzichtscamera.
- Economisch: Vermindering van schade door criminaliteit leidt hogere investeringsbereidheid. Daarnaast zijn er lagere kosten door een gemeenschappelijke aanpak.
- Maatschappelijk: Verhoogd veiligheidsgevoel voor ondernemers en medewerkers. Verbeterde samenwerking tussen bedrijven en politie.
INITIATIEFNEMER
- Bedrijventerrein vereniging
BETROKKEN ACTOREN
- Bedrijven gevestigd op het terrein
- Gemeentebestuur en gemeentediensten Avelgem
- Lokale politiezone
ORGANISATIE
- Coördinatie via bedrijventerrein vereniging
- Technische installatie via erkende leveranciers
- Toezicht in samenwerking met meldkamers of politie
Stappenplan implementatie
1. Scope en budget bepalen samen met Gemeente en politiediensten
- Bepalen mate van toezicht (overzicht, nummerplaatherkenning, …)
- Afstemming met politie en stadsdiensten over samenwerking.
- Bepalen met bedrijven mogelijke locaties camera’s
- Coördinatie met andere werken aan nutsvoorzieningen
2. Overleg bedrijven
3. Opvragen offertes (minimaal drie)
- Kostenraming opstellen (bv. €20.000 per cluster + €500/maand onderhoud).
4. Beslissing
- Overleg definitieve locatie met bedrijven, stad en leverancier.
- Planning en coördinatie van plaatsing, idealiter gekoppeld aan andere werken.
5. Implementatie
- Controle van nutsleidingen, bij voorkeur koppelen aan geplande werken.
- Eventuele communicatie met buurtbewoners over doel en aanpak.
- AMR-meters of digitale meters met meetregime 3 (registratie van kwartierdata) bij alle deelnemers
- Administratieve processen voor beheer en facturatie aan de deelnemers
- Optioneel: middelen voor bijkomende investeringen in collectieve installaties voor productie (bv. zonnepanelen), opslag (bv. batterij) of verbruik (bv. laadinfrastructuur) van elektriciteit
WAARDEPROPOSITIES
Financieel – Winst voor bedrijven
- Lagere energiekosten voor zowel de deler (verkoper) als de ontvanger (koper) van de energie
- Hoger rendement van investering in zonnepanelen
- Verhoogde energieautonomie en weerbaarheid tegen prijsschommelingen op de energiemarkt
Duurzaamheid – Impact op klimaat
- Efficiënter energiegebruik door lokale productie en consumptie
- Lagere CO2-uitstoot door inzet van hernieuwbare energiebronnen
- Compliance met duurzaamheidsdoelstellingen op lokaal, regionaal en nationaal niveau
Lokale verbondenheid – Kansen tot samenwerking
- Samenwerken aan een groenere, slimmere en zuinigere wereld door het gebruik van lokale, duurzame elektriciteit
- Samen investeren in zonnepanelen, gemeenschappelijke laadpalen, batterij voor de buurt… (schaalvoordelen)
- Versterking van de lokale gemeenschap (via nieuwe bedrijventerreinvereniging)
KLANT RELATIES
Oprichting van een energiedeelovereenkomst
- De bedrijven worden met elkaar in contact gebracht
- Leiedal kan hierbij ondersteunen om potentiële afnemers en producenten te rekruteren en te informeren
Nieuwe bedrijventerreinvereniging
- Eens er een samenwerking tot stand is gebracht, is het belangrijk dat er een centraal aanspreekpunt beschikbaar is (zowel voor de huidige deelnemers als voor toekomstige leden). Indien een toekomstige bedrijventerreinvereniging de coördinatie van de samenwerking op zich neemt is dit ook een logisch aanspreekpunt.
KANALEN
De beheerder van de energiedeelovereenkomst kan via ‘Mijn Fluvius‘ de gedeelde hoeveelheid groene stroom opvolgen
KLANTSEGMENTEN
Unilin
- Aankoop van goedkope groene stroomoverschotten
Osta Carpets
- Verkoop van overschotten tegen een betere prijs dan de gemiddelde terugleververgoeding
Overige bedrijven op het bedrijventerrein van Avelgem
- Toekomstpotentieel om productieoverschotten te delen (na investering in een zonnepaneelinstallatie)
Externe partijen
- Ook naburige bedrijventerreinen of andere significante productieinstallaties uit de omgeving kunnen betrokken worden in de energiedeelovereenkomst om de elektriciteitsvraag van het bedrijventerrein in Avelgem aan te vullen
KOSTENSTRUCTUUR
Belangrijkste kostenposten:
- Installatie en onderhoud van digitale meters, indien nog niet aanwezig (gratis aan te vragen bij Fluvius)
- Kosten aangerekend door de energieleverancier voor energiedelen (meestal forfaitaire vergoeding of kilowattuurprijs, soms ook andere voorwaarden)
- Administratieve kosten voor contractbeheer (P2P) of oprichting en beheer van een energiegemeenschap (EG)
- Vergoeding voor beheerder van de EG (in het EG-scenario)
- Personeelsinzet voor juridische, technische en organisatorische ondersteuning
Duurste middelen en activiteiten:
- In het EG-model: juridische oprichting, coördinatie, en beheerstructuur
Type businessmodel:
- Kostenbewust (Cost Driven) in het P2P-scenario: lage instap, minimale overhead
- Waardegedreven (Value Driven) in het EG-scenario: meer samenwerking en flexibiliteit, maar hogere complexiteit en kosten
- Vaste prijsstructuur: gebaseerd op marktgemiddelden en onderlinge afspraken
Belangrijkste inkomstenbron:
- Kostenbesparing voor de koper (Unilin)
- Extra opbrengst voor de verkoper (Osta Carpets) t.o.v. injectie op het net
- Het totale financiële voordeel bedraagt ca. 18.000 (P2P) of 20.000 (EG) EUR/jaar, te verdelen over Unilin en Osta Carpets (specifieke verdeling is afhankelijk van de onderling afgesproken (ver)koopprijs van de gedeelde energie).
1 Toelichting
Energiedelen is een innovatieve manier waarop de bedrijven op het bedrijventerrein in Avelgem lokaal opgewekte hernieuwbare elektriciteit – zoals zonne- of windenergie – met elkaar kunnen uitwisselen. In plaats van dat elk bedrijf afzonderlijk investeert in duurzame elektriciteits productie en -opslag, bundelen ze hun krachten om efficiënter en duurzamer met elektriciteit om te gaan.
Het principe is eenvoudig: wanneer één bedrijf meer groene stroom produceert dan het zelf verbruikt, kan het overschot gedeeld (of verkocht) worden met (of aan) andere bedrijven op het terrein die op dat moment extra elektriciteit nodig hebben. Dit gebeurt via het bestaande elektriciteitsnet, ondersteund door digitale meters en slimme software die het verbruik en de verdeling automatisch opvolgen.
Voor de deelnemers levert energiedelen meerdere voordelen op:
Winst voor bedrijven
Lagere energiekosten voor zowel de deler (verkoper) als de ontvanger (koper) van de energie
Hoger rendement van investering in zonnepanelen
Verhoogde energieautonomie en weerbaarheid tegen prijsschommelingen op de energiemarkt
Impact op klimaat
Kansen tot samenwerking
Efficiënter energiegebruik door lokale productie en consumptie
Lagere CO2-uitstoot door inzet van hernieuwbare energiebronnen
Compliance met duurzaamheidsdoelstellingen op lokaal, regionaal en nationaal niveau
Samenwerken aan een groenere, slimmere en zuinigere wereld door het gebruik van lokale, duurzame elektriciteit
Samen investeren in zonnepanelen, gemeenschappelijke laadpalen, batterij voor de buurt,… (schaalvoordelen)
Versterking van de lokale gemeenschap (via nieuwe bedrijventerreinvereniging)
Deze businesscase onderzoekt de technische, economische en organisatorische haalbaarheid van energiedelen op het bedrijventerrein te Avelgem, en biedt inzichten in de potentiële opbrengsten voor de betrokken bedrijven.
1.1 Uitgangspunten
Een essentiële voorwaarde om aan energiedelen te kunnen doen, is dat elk deelnemend bedrijf beschikt over een digitale meter of een AMR-meter met meetregime 3. Dit type meter registreert zowel de
netafname als de netinjectie per kwartier. Op basis van deze kwartierwaarden berekent Fluvius, de Vlaamse distributienetbeheerder, maandelijks hoeveel elektriciteit er tussen de deelnemers werd uitgewisseld. Deze gegevens worden vervolgens doorgegeven aan de energieleveranciers van de betrokken partijen.
Om het potentieel van energiedelen op het bedrijventerrein in Avelgem te evalueren, werden de kwartierwaarden van de bedrijven opgevraagd voor een volledig kalenderjaar. Unilin en Osta Carpets stelden hun data ter beschikking. De onderstaande tabel geeft een overzicht van hun belangrijkste energiegegevens:
Netinjectie [MWh/jaar] 846 (wind + zon)
(zon)
Deze gegevens tonen aan dat Unilin een zeer groot elektriciteitsverbruik heeft. Dit werd ook bevestigd tijdens de eerdere inventarisatie. Het bedrijf produceert zelf groene stroom via drie windturbines en een grote zonne -installatie. Ondanks een hoog zelfverbruik van 94%, blijft er nog een aanzienlijke restvraag van 53 GWh/jaar, die via het net wordt aangevuld. Unilin heeft dus het potentieel om binnen een energiedeelovereenkomst vooral op te treden als ontvanger (koper) van gedeelde energie.
Osta Carpets beschikt over een recent geïnstalleerde grote zonnepaneelinstallatie. Na eigen verbruik blijft er een overschot van ongeveer 340 MWh/jaar, dat gedeeld (verkocht) kan worden met andere bedrijven, zoals Unilin. Osta Carpets zal dus vermoedelijk vooral de rol van deler (verkoper) opnemen.
Opmerking: Osta Carpets heeft recent een batterij in gebruik genomen. Dit heeft twee belangrijke implicaties voor de resultaten die in deze businesscase worden voorgesteld:
1. Beperkte representativiteit van de data
De verbruiks- en injectiedata waarop deze analyse gebaseerd is, is niet volledig representatief voor de huidige toestand omdat de batterij pas in gebruik werd genomen na de eerste 3 maanden in de dataset
2. Mogelijke impact op energiedelen
De aanwezigheid van een batterij kan de energiedeelbusinesscase beïnvloeden, afhankelijk van de manier waarop deze wordt ingezet. Er bestaan verschillende verdienmodellen voor batterijen, waarvan sommige beter compatibel zijn met energiedelen dan andere:
• Compatibel: optimalisaties achter de meter zoals zelfverbruik maximaliseren of peak shaving.
• Minder compatibel: prijsarbitrage op basis van dynamische elektriciteitstarieven, wat kan leiden tot conflicten met energiedelen.
Aangezien er op dit moment geen verdere informatie beschikbaar is over de specifieke aansturing van de batterij, gaan we in deze analyse uit van een beperkte of geen inzet voor prijsarbitrage
Tot slot merken we op dat de batterij van Osta Carpets in de toekomst ook actief kan worden ingezet om energiedelen te optimaliseren, bijvoorbeeld door overschotten tijdelijk op te slaan en op een later moment te delen met andere deelnemers.
Tijdens de eerste fase van dit traject (Status) bleek al dat Unilin verantwoordelijk is voor het grootste deel van de elektriciteitsvraag op het terrein. De verwachting is dat de andere bedrijven op het terrein een eerder beperkt verbruik hebben en dus weinig potentieel als ontvanger. Bovendien tonen recente luchtfoto’s (Geopunt) aan dat zij momenteel geen grote zonnepaneelinstallaties hebben, waardoor ze ook geen rol als deler kunnen opnemen.
Toch kunnen deze bedrijven in de toekomst mogelijks wel een rol spelen in het energiedelen, bijvoorbeeld als deler (verkoper) na de installatie van zonnepanelen en bij voldoende productieoverschot.
1.2 Resultaten
In deze businesscase werden twee modellen voor energiedelen onderzocht: persoon -aanpersoonverkoop (P2P) en energiedelen binnen een energiegemeenschap (EG). Beide modellen maken het mogelijk om lokaal opgewekte hernieuwbare energie uit te wisselen tussen b edrijven, maar verschillen in structuur, rolverdeling, schaalbaarheid en juridische vereisten.
Persoon-aan-persoonverkoop (ook peer-to-peer genoemd, P2P) is een bilaterale overeenkomst waarbij één partij energie verkoopt aan een specifieke andere partij. In dit scenario treedt Osta Carpets op als verkoper van zonne-energie, terwijl Unilin de rol van koper opneemt. Deze vorm is relatief eenvoudig te organiseren, maar beperkt zich tot één-op-één relaties.
Energiedelen binnen een energiegemeenschap (EG) biedt meer flexibiliteit. Hier kunnen meerdere deelnemers zowel energie afnemen als injecteren, afhankelijk van hun productie en verbruik op elk moment. In dit scenario kunnen zowel Unilin als Osta Carpets afwisselend optreden als koper of verkoper. Dit model vereist wel een formele structuur (zoals een energiegemeenschap) en bijkomende afspraken tussen de leden.
Figuur 5-1: Er bestaan verschillende vormen van energiedelen (of verkopen) in Vlaanderen. Voor de bedrijven in Avelgem zijn (meervoudige) persoon-aan-persoonverkoop of energiedelen binnen een energiegemeenschap het meest relevant. [Deze afbeeldingen zijn eigendom van Fluvius]
Volgende tabel geeft een samenvattende vergelijking tussen beide modellen.
Wisselende rol (koper/verkoper) afhankelijk van productie/verbruik op elk moment
Uitbreidbaar met meerdere leden
Complex: oprichting van een juridische structuur, huishoudelijk reglement, facilitator, enz.
Beide scenario’s werden doorgerekend op basis van werkelijke productie - en verbruiksdata van Unilin en Osta Carpets, met bijzondere aandacht voor de rolverdeling, het volume van de gedeelde energie en de potentiële financiële voordelen voor de betrokken bedrijven
1.2.1
Uitwisseling van elektriciteit via energiedelen
De onderstaande tabel toont de energetische uitwisseling in beide scenario’s:
In het P2P-model verkoopt Osta Carpets haar overschot aan zonne-energie rechtstreeks aan Unilin. De rollen liggen vast: Unilin is koper, Osta is verkoper. In totaal wordt er 303 MWh uitgewisseld, wat leidt tot een daling in netafname voor Unilin en een daling in netinjectie bij Osta.
Het EG-model biedt meer flexibiliteit. Hier kunnen beide bedrijven zowel energie kopen als verkopen, afhankelijk van hun actuele productie en verbruik. Dit leidt tot een meer dynamische uitwisseling: Unilin koopt opnieuw 303 MWh, maar verkoopt ook 32 MWh. Osta Carpets verkoopt opnieuw 303 MWh, maar koopt daarnaast ook 32 MWh. Hierdoor wordt de beschikbare groene stroom efficiënter verdeeld en daalt de uitwisseling met het elektriciteitsnet (afname en injectie) voor beide partijen.
Een vergelijking van beide scenario’s toont dat Unilin, zoals verwacht, voornamelijk zal optreden als koper van de groene stroomoverschotten van Osta Carpets. Hierdoor zal Osta op jaarbasis nog maar 40 MWh in het net injecteren in plaats van 344 MWh zonder energiedelen.
Hoewel het EG-model leidt tot een efficiëntere verdeling van energie en meer flexibiliteit biedt, zijn de verschillen met het eenvoudiger P2P-model in dit specifieke geval beperkt. Gezien de lagere complexiteit en beperkte opstartdrempel kan P2P bijgevolg een meer pragmatische oplossing bieden.
1.2.2 Financiële doorvertaling
De uitgewisselde energiestromen worden vertaald naar financiële impact voor beide bedrijven, op basis van aannames over hun elektriciteitstarieven. Enkel de energiecomponent wordt hierbij in rekening gebracht; netkosten, belastingen en heffingen blijven buiten beschouwing aangezien deze nog steeds van toepassing zullen blijven op de uitgewisselde stromen. De aangenomen tarieven worden weergegeven in de volgende tabel.
Aankoopprijs via energiedelen [€/MWh]
Verkoopprijs via energiedelen [€/MWh]
Vergoeding voor de beheerder van de EG [€/MWh]
De tarieven voor afname en injectie (teruglevering) zijn gebaseerd op gegevens van de Vlaamse Nutsregulator voor ondernemingen (https://www.vlaamsenutsregulator.be/nl/energiemarkt-cijfers). Voor Unilin wordt een lager afnametarief gehanteerd , wat verklaard wordt door hun zeer hoge elektriciteitsverbruik. Dankzij dit volume kunnen zij gunstigere voorwaarden onderhandelen met energieleveranciers, of zelfs rechtstreeks stroom aankopen via een Power Purchase Agreement (PPA) met producenten.
Als verkoopprijs voor de gedeelde energie wordt in het P2P -scenario een kostprijs van 70 EUR/MWh aangenomen. Dit komt overeen met het gemiddelde van de terugleververgoeding van Osta Carpets en de afnameprijs van Unilin. In het EG-scenario wordt een licht aangepaste prijsstructuur gehanteerd, waarbij een kleine beheersvergoeding van 5 EUR/MWh wordt voorzien. Deze vergoeding dient ter compensatie van de administratieve taken die gepaard gaan met het beheer van de energiegemeenschap, zoals de maandelijkse facturatie aan de deelnemers 1
Op basis van deze aangenomen tarieven en de beschikbare energiestromen wordt de totale energiekost voor beide bedrijven en in de verschillende scenario’s samengevat in de volgende tabel . We benadrukken nogmaals dat de totale elektriciteitsfactuur ook nog nettarieven, belastingen en heffingen zal bevatten.
Beide bedrijven realiseren een jaarlijkse besparing van ongeveer €9.000 tot €10.000. De winst is licht hoger in het EG-scenario, maar het verschil is beperkt. Gezien de bijkomende complexiteit van een energiegemeenschap, kan het P2P -model in deze context als een haalbare en rendabele oplossing worden beschouwd.
Opmerking: Sommige energieleveranciers rekenen extra kosten of stellen voorwaarden voor deelname aan energiedelen. Het is aan te raden om dit vooraf te verifiëren bij de eigen leverancier. Een overzicht is beschikbaar via het dashboard van de Vlaamse Nutsregulator (VNR): https://dashboard.vreg.be/report/DMR_Elektriciteit_Energiedelen.html
Persoon-aan-persoonverkoop (P2P)
1.3 Conclusies
1.3.1 Energiedelen tussen Unilin en Osta Carpets
De analyse toont aan dat er een duidelijk potentieel is voor energiedelen tussen Unilin en Osta Carpets. Unilin treedt daarbij hoofdzakelijk op als ontvanger/koper, terwijl Osta Carpets de rol van deler/verkoper opneemt. Beide onderzochte modellen – persoon-aan-persoonverkoop (P2P) en energiedelen binnen een energiegemeenschap (EG) – zijn technisch en economisch haalbaar.
Hoewel het EG-model energetisch en financieel licht beter scoort dankzij de mogelijkheid voor beide partijen om flexibel te kopen en verkopen, is het verschil met het P2P -model relatief beperkt. Gezien de aanzienlijk eenvoudigere opstartprocedure van P2P ( bijvoorbeeld via standaardcontracten), lijkt dit model in de huidige context de meest pragmatische keuze.
1.3.2 Toekomstpotentieel voor andere bedrijven
Het huidige potentieel voor energiedelen met andere bedrijven op het bedrijventerrein is beperkt. Er zijn vandaag geen andere grote afnemers of injecteerders bekend: het overige elektriciteitsverbruik is relatief laag en er zijn geen noemenswaardige zonnepaneelinstallaties zichtbaar. Toch biedt de grote restvraag van Unilin – zelfs na energiedelen met Osta Carpets – een duidelijke opportuniteit.
Indien andere bedrijven in de toekomst investeren in zonnepanelen, kunnen zij hun overschotten verkopen aan Unilin. Dit zou hun eigen businesscase voor hernieuwbare energie versterken. Zowel binnen een bestaande energiegemeenschap als via een uitbreiding v an het P2P-model is dit mogelijk.
Meervoudige P2P als groeipad
Ook binnen het P2P-kader bestaat er een schaalbaar alternatief: het model van meervoudige persoon-aan-persoonverkoop. Hierbij sluit één afnemer (Unilin) afzonderlijke contracten af met meerdere injecterende bedrijven. Dit laat toe om zonder formele energiegemeenschap toch een bredere samenwerking op te zetten, mits enige administratieve coördinatie.
1.3.3 Uitbreiding naar de wijdere omgeving
De mogelijkheid om energie te delen is niet beperkt tot het bedrijventerrein zelf. Het is perfec t mogelijk om ook injecterende partijen uit de bredere omgeving te betrekken, zoals bedrijven op naburige bedrijventerreinen (bv. EHUBt Ruien) of andere significante productie-installaties in de regio. De enige
wettelijke voorwaarde om aan energiedelen te doen in Vlaanderen is dat alle deelnemers een aansluitpunt hebben binnen het Vlaamse Gewest.
Aangezien het PV-potentieel op het bedrijventerrein in Avelgem nooit toereikend zal zijn om de volledige elektriciteitsvraag van Unilin te dekken, kan het betrekken van externe injecteerders een waardevolle aanvulling zijn. Dit opent perspectieven voor een regionale energiegemeenschap of een meervoudig P2P-model, waarbij Unilin als centrale afnemer optreedt en meerdere producenten hun overschotten aanbieden.
Door deze bredere benadering kan het energiedeelmodel op termijn uitgroeien tot een robuust en schaalbaar systeem dat niet alleen economische voordelen oplevert, maar ook bijdraagt aan de lokale energietransitie.
1.3.4 Rol van (bijkomende) batterijen binnen de energiedeelgroep
De recente installatie van een batterij bij Osta Carpets opent bijkomende mogelijkheden voor optimalisatie binnen het energiedeelmodel. In het bijzonder kan de batterij worden ingezet om overschotten tijdelijk op te slaan en op een later moment te delen me t andere deelnemers. Dit kan de flexibiliteit van de energiegemeenschap verhogen en de uitwisseling verder optimaliseren.
Toch moet worden opgemerkt dat de meerwaarde van een (gemeenschappelijke) batterij in deze specifieke context vermoedelijk beperkt is. Unilin beschikt over een zeer hoge en stabiele elektriciteitsvraag (baseload), waardoor er bijna continu een afnamecapaci teit beschikbaar is voor de overschotten van andere bedrijven. Enkel in uitzonderlijke situaties – bijvoorbeeld bij een tijdelijke stillegging van de productie – zou er sprake kunnen zijn van overschotten die niet onmiddellijk kunnen worden afgenomen.
In dat opzicht is het onmiddellijk delen van energie binnen de groep doorgaans efficiënter dan opslag in een batterij. De investering in een gemeenschappelijke batterij zou dan ook slechts in overweging moeten worden genomen indien:
• er meerdere injecterende partijen bijkomen met aanzienlijke productieoverschotten,
• er specifieke momenten zijn waarop de afnamecapaciteit structureel tekortschiet.
Tot slot kan de reeds bestaande batterij van Osta Carpets ook alternatief gestuurd worden in functie van de energiedeelstromen, bijvoorbeeld om teruglevering naar het net te minimaliseren of om de timing van uitwisseling te optimaliseren. De precieze rol van de batterij zal echter afhangen van de gekozen aansturingsstrategie en de compatibiliteit met het energiedeelmodel.
1.3.5 De rol van de (toekomstige) bedrijventerreinvereniging
Naarmate het energiedeelmodel zich uitbreidt – zowel binnen het bedrijventerrein als naar de bredere omgeving – wordt de nood aan coördinatie en ondersteuning steeds groter. In dat kader kan een bedrijventerreinvereniging een belangrijke rol opnemen als facilitator van de energiegemeenschap.
Een dergelijke vereniging kan:
• optreden als aanspreekpunt voor nieuwe deelnemers,
• de administratieve en juridische coördinatie op zich nemen,
• en collectieve investeringen organiseren of ondersteunen (zoals een gemeenschappelijke batterij of gedeelde infrastructuur).
Hoewel de meerwaarde van een gemeenschappelijke batterij in de huidige situatie beperkt lijkt – gezien de continue afnamecapaciteit van Unilin – kan dit in de toekomst veranderen. In dat geval kan een bedrijventerreinvereniging ook optreden als initiatiefnemer of beheerder van collectieve assets, zoals een batterij, en zo bijdragen aan een efficiëntere en eerlijkere verdeling van kosten en baten.
Bovendien kan de oprichting van een bedrijventerreinvereniging ook bijkomende samenwerkingen stimuleren, zoals gezamenlijke aankoop van energie, gedeelde laadinfrastructuur of gezamenlijke aanvragen voor subsidies en ondersteuning.
Kortom, de oprichting of activering van een bedrijventerreinvereniging vormt een strategische hefboom om het energiedeelverhaal op een duurzame en schaalbare manier verder uit te bouwen.
Tot slot kan de reeds bestaande batterij van Osta Carpets ook alternatief gestuurd worden in functie van de energiedeelstromen, bijvoorbeeld om teruglevering naar het net te minimaliseren of om de timing van uitwisseling te optimaliseren. De precieze rol van de batterij zal echter afhangen van de gekozen aansturingsstrategie en de compatibiliteit met het energiedeelmodel.
1.3.5 De rol van de (toekomstige) bedrijventerreinvereniging
Naarmate het energiedeelmodel zich uitbreidt – zowel binnen het bedrijventerrein als naar de bredere omgeving – wordt de nood aan coördinatie en ondersteuning steeds groter. In dat kader kan een bedrijventerreinvereniging een belangrijke rol opnemen als facilitator van de energiegemeenschap.
Een dergelijke vereniging kan:
• optreden als aanspreekpunt voor nieuwe deelnemers,
• de administratieve en juridische coördinatie op zich nemen,
• en collectieve investeringen organiseren of ondersteunen (zoals een gemeenschappelijke batterij of gedeelde infrastructuur).
Hoewel de meerwaarde van een gemeenschappelijke batterij in de huidige situatie beperkt lijkt – gezien de continue afnamecapaciteit van Unilin – kan dit in de toekomst veranderen. In dat geval kan een bedrijventerreinvereniging ook optreden als initiatiefnemer of beheerder van collectieve assets, zoals een batterij, en zo bijdragen aan een efficiëntere en eerlijkere verdeling van kosten en baten.
Bovendien kan de oprichting van een bedrijventerreinvereniging ook bijkomende samenwerkingen stimuleren, zoals gezamenlijke aankoop van energie, gedeelde laadinfrastructuur of gezamenlijke aanvragen voor subsidies en ondersteuning.
Kortom, de oprichting of activering van een bedrijventerreinvereniging vormt een strategische hefboom om het energiedeelverhaal op een duurzame en schaalbare manier verder uit te bouwen.
3.2 COLLECTIEF BUFFERBEKKEN MET AFNAMEPUNT (P3)
Deze businesscase bouwt verder op een actiefiche. Zie hoofdstuk 5 deel 1.2 voor bijkomende uitleg en figuur.
Het collectief bufferbekken heeft 2 functies: bufferen van regenwater voor vertraagde afvoer en regenwaterhergebruik. De businesscase focust voornamelijk op die tweede functie als “activiteit”, n.l., het tegen vergoeding beschikbaar stellen van regenwater. Merk op dat de voordelen van de buffer niet zozeer liggen in het financiële. Daarom worden andere maatschappelijk of strategisch voordelen ook benoemd in deze tabel.
ESSENTIËLE PARTNERS
- Studiebureau (technische ondersteuning)
- POM West-Vlaanderen(financiering?)
- Leiedal (medewerking als beheerder van het bedrijventerrein)
- Bedrijventerreinvereniging (communicatie met afnemers regenwater binnen het bedrijventerrein)
- Gemeente (communicatie met afnemers regenwater buiten het bedrijventerrein)
- Eigenaar parking (beschikbaar stellen terrein)
BELANGRIJKSTE ACTIVITEITEN
- Buffering en vertraagde afvoer van regenwater.
- Tegen vergoeding beschikbaar stellen van regenwater.
ESSENTIELE MIDDELEN
Regenwater, energie (aandrijven pomp).
WAARDEPROPOSITIES
Het aangeboden regenwater is een alternatief voor leidingwater en grondwater, waardoor de afnemer minder afhankelijk wordt van deze (dure en/of kostbare) waterbronnen. In dit collectief bufferbekken en de regentuinen/grachten er naartoe zal er volgens de GSV een overmaat aan buffervolume beschikbaar zijn. Hierop kan aanspraak gemaakt worden bij toekomstige werken aan de verharding op gemeenschappelijk of privéterrein, indien deze terreinen hierop afstromen (nog juridisch te bekijken).
KLANT RELATIES
- n.v.t.
KANALEN
Afspraken over de afname van regenwater kunnen gecoördineerd worden door
- De bedrijventerreinvereniging (voor regenwatergebruik binnen het bedrijventerrein)
- Gemeente Avelgem (voor regenwatergebruik buiten het bedrijventerrein)
KLANTSEGMENTEN
In de eerste plaats: afnemers op het bedrijventerrein (bv. irrigatie groen)
Bij overschot: afnemers buiten het bedrijventerrein (bv. irrigatie sportvelden KVK Avelgem), groendienst gemeente.
KOSTENSTRUCTUUR
De CAPEX kosten worden weergegeven voor de aanleg van de aanleg van de bekkens voor buffering en vertraagde afvoer bedragen ca. 92 000 euro en omvatten:
- Grondverzet
- Afvoeren van grond*
- Leidingwerk tussen bekkens
- Inzaaien van taluds en bodem in ondiepe bekkens 1 en 2
De CAPEX kosten voor hergebruik bedragen ca. 45 000 euro en omvatten:
- Grondverzet
- Afvoeren van grond*
- Afwerken van bekken 3 met folie**
- Pomp met aansluiting, pompput**
(*) Er wordt aangenomen dat de grond niet verontreinigd is.
(**) Indien uit meting van de grondwaterstand blijkt dat de bodem van bekken 3 lager dan de verwachte grondwaterstand staat, zijn wanden en bodem van gewapend beton noodzakelijk. Kosten kunnen dan beperkt worden door de put dieper te maken en oppervlakte te beperken. Een pompput is niet nodig als het bekken uit gewapend beton wordt gemaakt.
De OPEX kosten zijn beperkt tot het energieverbruik van de pomp.
Een andere “kost” is:
- Verlies van parkeerruimte
Niet inbegrepen: kosten voor aanleg overstort tussen gebouwen Kronospan, aanleg grachten/regentuinen naar de parking, werfcontainer en inrichting, coördinatiekosten aannemer.
INKOMSTENSTROOM
Het regenwater mag niet duurder zijn dan alternatieve waterbronnen. Op het bedrijventerrein is er een captatiepunt voor kanaalwater. Dit kanaalwater kost ca. 0,10 euro/m³ bij beperkt verbruik. Het regenwater kan dus bijvoorbeeld verkocht worden aan 0,09 euro/m³. Bij afname binnen het bedrijventerrein en door KVK Avelgem (ca. 3200 m³/jaar) kan er ruwweg 290 euro/jaar verdiend worden. Het aantrekken van extra afnemers die water nodig hebben in de wintermaanden zal het hergebruikt volume en de inkomsten verhogen. Indien het regenwater wordt ingezet voor hoogwaardiger toepassingen (ter vervanging van leidingwater), kan 5 euro/m³ worden bespaard.
Andere “inkomsten” zijn:
- Toename van de biodiversiteit
- Afname van de overstromingsgevoeligheid
- Overmaat aan buffervolume volgens GSV biedt perspectief bij toekomstige werken aan de verharding
- Verminderde afhankelijkheid van leidingwater en grondwater
figuur 82 Illustratie van het collectief bufferbekken met afnamepunt
3.3 DUURZAME HERAANLEG OPENBARE WEG (P4)
ESSENTIËLE PARTNERS
- Gemeente Avelgem als opdrachtgever
- Leiedal als partner om het subsidiedossier in te dienen
- Subsidiepartner die duurzame infrastructuurwerken wil steunen
- Aannemer die visie op duurzaamheid deelt
BELANGRIJKSTE ACTIVITEITEN
- Analyse van bestaand wegdek en nutsvoorzieningen op herbruikbaarheid en inschatting van resterende levensduur
- Aanbesteding van duurzaam wegdek volgens bovenstaande principes
- Opvolging van aanpassingen aan bestaand wegdek en aanleggen van nieuwe wegenis
- Onderhoud van wegenis om levensduur te verlengen
ESSENTIELE MIDDELEN
- Gerecycleerd asfalt (zie voorbeelden in bijlage)
- Modulaire prefab-elementen voor het fietspad (incl. wachtbuizen voor nutsvoorzieningen)
- Bij voorkeur elektrische machines om de weg aan te leggen (zie voorbeelden in bijlage)
WAARDEPROPOSITIES
- Minder wegenis door slim ontwerp van de lus
- Lagere koolstofuitstoot van de gebruikte grondstoffen en bouwelementen dan gemiddeld (kan onmogelijk koolstofneutraal of -negatief zijn wegens de vereiste draagkracht)
- Slimme opbouw waardoor het breken (en noodzakelijk vervangen) quasi nooit nodig is tijdens de levensduur van de weg
- Langere levensduur t.o.v. gebruikelijke wegen
KLANT RELATIES
- Instructies over gebruik van de weg (maximale draagkracht van verschillende delen van de wegenis)
- Contactinformatie bij eventuele latere defecten/breuken zodat deze snel hersteld kunnen worden
KANALEN
De beheerder van de energiedeelovereenkomst kan via ‘Mijn Fluvius‘ de gedeelde hoeveelheid groene stroom opvolgen
KLANTSEGMENTEN
- Werken van openbaar nut
- Bedoeld voor industriële terreinen met veel vrachtverkeer, maar met beperkte snelheden
KOSTENSTRUCTUUR
- Investeringskost voor de renovatie van de bestaande weg, normaalgezien lager door gebruik van beschikbaar recyclaat
- Investeringskost voor de aanleg van nieuwe wegenis (incl. fietspad), vermoedelijk zal kostprijs van innovatief duurzamer recyclaat wat hoger liggen dan goedkoopste optie op de markt, maar niet hoger dan evenwaardig alternatief (op vlak van levensduur en mechanische eigenschappen) met virgin bitumen.
- Subsidies als aan voorwaarden voldaan is voor een duurzaam infrastructuurproject
TOELICHTING
De openbare weg bestaat uit verschillende bovengrondse en ondergrondse elementen. Zowel de rijweg, fiets- en voetpaden als de nutsleidingen en rioleringen vragen een aanzienlijke hoeveelheid grondstoffen. Het gaat hierbij vrijwel steeds om materialen met een hoge milieu-impact, zowel in de productie als in de plaatsing of vervanging ervan. Ook de straat verlichting en signalisatieborden zijn componenten met een duidelijk circulair potentieel. Een duurzame aanpak van heraanleg vergt dus een slimme strategie: maximaal behoud van wat er is, en bij vernieuwing inzetten op circulaire, innovatieve en toekomstgerichte oplossingen.
In deze nota maken we het onderscheid tussen vier hoofdelementen van de weginfrastructuur:
1. De rijbaan (inclusief onderlagen)
2. Het fietspad (inclusief voetpad en onderlagen)
3. De nutsvoorzieningen (inclusief riolering)
4. Het straatmeubilair (inclusief signalisatie en verlichting)
figuur 83 Beeld van een slimme straat in 2050
figuur 84 Algemene circulaire principes
We bekijken telkens vanuit de algemene circulaire principes, die we in bijlage meer specifiek onderzoeken (met voorbeelden) per component.
In het bedrijventerrein van Avelgem spelen enkele specifieke randvoorwaarden mee, die richting geven aan de duurzame aanpak per onderdeel.
I. DE RIJBAAN: RECUPERATIE EN GERECYCLEERD ASFALT
De belangrijkste strategie is hier het herdenken van de weg zelf, wat in de context van dit masterplan is gebeurd. Een slimme lus maakt het mogelijk dat het verkeer in één richting rijdt en daardoor er minder verharding nodig is. Zo vermindert de materiaalvraag drastisch. Voor het bestaande wegtracé is het uitgangspunt om zoveel mogelijk van de aanwezige materialen te recupereren. Rekening houdend met de normale levensduur van asfaltverhardingen, is volledige vervanging niet altijd nodig. Waar het asfalt toch moet worden vernieuwd, stellen we voor om de freesasfalt en onderlagen maximaal te recycleren en opnieuw in te zetten. Ook innovatieve mengsels – waarin gerecycleerd bitumen van dakbedekking wordt verwerkt – kunnen hier een rol spelen om het aandeel primaire grondstoffen te beperken. Koude verwerking in situ met een heuse trein aan machines lijken hier niet haalbaar. Deze techniek freest aan de ene zijde het bestaande asfalt los en giet deze na vermenging met nieuwe materialen terug in een baan aan de andere zijde. Dit vraagt volume (afstand) en ruimte om dit te kunnen uitvoeren, wat in de context van het bedrijventerrein niet mogelijk is.
Hoewel een betonnen rijbaan vaak de voorkeur krijgt in industrieomgevingen vanwege de hogere draagkracht en lagere onderhoudskost, lijkt het in Avelgem aangewezen om het bestaande asfaltprofiel aan te houden. De milieuwinst van het behouden van het bestaande tracé weegt hier zwaarder dan de theoretische voordelen van beton.
Voor de nieuwe stukken weg binnen de geplande lus, stellen we voor om innovatieve asfalttechnieken toe te passen met zeer hoge percentages gerecycleerd asfalt (RAP). In Nederland zijn al meerdere geslaagde realisaties uitgevoerd met asfaltmengsels die voor een meerderheid uit gerecycleerde fracties bestaan. We stellen voor om de markt te bevragen via een aanbesteding met gunningscriteria die circulariteit en CO₂-reductie expliciet waarderen. Dit zou geen significante prijsstijging met zich mee mogen brengen.
II. HET FIETSPAD: MODULAIR ÉN WATER BUFFEREND
Voor het fietspad en bijhorend voetpad stellen we een innovatieve, modulaire oplossing voor. Verschillende fabrikanten ontwikkelen geschakelde prefab-elementen (bijvoorbeeld op basis van gerecycleerde plastics) die niet alleen herbruikbaar zijn bij latere werken, maar ook ruimte laten voor waterbuffering en -infiltratie. Dergelijke elementen laten toe om regenwater tijdelijk te stockeren onder het pad of langzaam af te voeren naar omliggende bermen of grachten, en bieden zo een dubbele milieuwinst. Een bijkomend voordeel van deze systemen is de eenvoudige
demonteerbaarheid, wat handig is voor aanpassingen of het uitvoeren van werken aan onderliggende infrastructuur. Bij voorkeur wordt gekozen voor een systeem waarbij het voetpad en fietspad gecombineerd kunnen worden in één flexibel geheel, afgestemd op het gebruiksprofiel van het bedrijventerrein.
III. DE NUTSVOORZIENINGEN: BEREIKBAAR ÉN TOEKOMSTGERICHT
Om de aanleg en het onderhoud van nutsleidingen (zoals elektriciteit, telecom en datanetwerken) duurzamer en efficiënter te organiseren, voorzien we twee grote wachtbuizen onder het fietspad. Deze kunnen centraal ontsloten worden via beveiligde toegangsluiken, zodat werken zonder breekschade kunnen plaatsvinden. Deze aanpak reduceert materiaalverlies en verkeershinder bij latere aanpassingen, en ondersteunt de principes van een slimme, modulaire weginfrastructuur. Voor de riolering op het terrein geldt dat een grondige inspectie de voorkeur geniet. Waar mogelijk kiezen we voor herstelling in plaats van vervanging, met gebruik van kousrenovatie of plaatselijke herstellingen. Bij noodzakelijke vervanging stellen we het gebruik van prefabrioleringssegmenten voor, met een heel lange levensduur. Op langere termijn kunnen daarvoor ook innovatieve betonmengsels onderzocht worden met alternatieve bindmiddelen met lagere CO₂-impact.
IV. STRAATMEUBILAIR: LICHT, VERPLAATSBAAR EN CIRCULAIR
Tot slot is er het straatmeubilair: verlichting, borden, banken en andere functionele objecten. Deze elementen hebben een relatief korte levensduur op één plek maar blijven vaak lang in gebruik, waardoor modulariteit en demonteerbaarheid belangrijk zijn. We stellen voor om te werken met verplaatsbare of demonteerbare objecten in duurzame materialen, zoals gerecycleerde plastics of thermisch verzinkt staal. Voor verlichting is het raadzaam om enkel energie-efficiënte LEDarmaturen te gebruiken, bij voorkeur met een smart grid-functionaliteit. Zo kan de verlichting dynamisch aangepast worden aan het gebruik of aan tijdstippen (zoals shiftwissels). Signalisatie kan uitgevoerd worden met herbruikbare bordendragers, en waar mogelijk geclusterd om materiaalgebruik te beperken.
3.4 COLLECTIEF LAADPLEIN
VOOR PERSONENWAGENS & VRACHTWAGENS (P5)
ESSENTIËLE PARTNERS
Essentiële partners voor deze businesscase zijn: charge point operator (CPO) voor de uitrol en exploitatie van de laadinfrastructuur, een nstallatiepartner voor de installatie en onderhoud, van de laadinfrastructuur, al dan niet via de CPO, back-office leverancier (ook al dan niet via de CPO), een energieleverancier en de POM in het kader van het GTI-dossier
BELANGRIJKE ACTIVITEITEN
De voornaamse activiteit in het kader van deze businesscase is de uitrol van AC (normaal) en DC (snel) laadinfrastructuur. essentiële middelen/bronnen
Essentiële bronnen in deze businesscase zijn de hardware infrastructuur zijnde de AC en DC-laders, de software voor de back-office ten aanzien van het beheer van de hardware infrastructuur, een helpdesk ter ondersteuning van de gebruikers en lokale partnerschappen om de afname te garranderen.
WAARDEPROPOSITIE
De waardepropositie bestaat in de ontzorging van bedrijven, leveranciers en bezoekers in het invullen van hun laadbehoefte van elektrische voertuigen. Concreet gaat het over gedeelde AC-laadinfrastructuur voor personen- en bestelwagens voor dag- en nachtladen tegen een competitief tarief en gedeelde DC-laadinfrastructuur voor vrachtwagens voor dag- en nachtladen tegen eveneens een competitief tarief. Al dit in een omgeving met weinig publieke laadvoorzieningen.
KLANTENRELATIES
Klantenrelaties worden aangegaan en onderhouden door het aanbieden van (eigen) laadpassen, een slimme prijsstrategie i.f.v. de afname, zijnde een competitief tarief, het aanbod van een 24/7 helpdesk (via CPO) en idealiter een reservatiesysteem.
KANALEN
Kanalen via dewelke de waardepropositie wordt aangeboden zijn de charge point operator (CPO), 1:1 partnerschappen met de bedrijven op bedrijventerrein, de laapas (roaming) en ad-hoc betaalmiddelen. klantensegementen
De klantensegmenten die in deze businesscase kunnen worden onderscheiden zijn de verschillende eigen bedrijfsvloten op het bedrijventerrein, particuliere personenwagens van medewerkers van het bedrijventerrein, bezoekers en leveranciers met zowel bestel- als vrachtwagens.
KOSTENSTRUCTUUR
De voornaamste kosten in deze businesscase bestaan uit de initiële investering in de uitrol van AC en DC laadinfrastructuur, inclusief de elektrische installatie en eventuele netvoorzieningen, de tussentijdse investeringen in uitbreiding van aanbod o.b.v. reële laadvraag, de jaarlijkse kosten voor het beheer, de exploitatie en het onderhoud van de laadinfrastructuur, de kosten voor de energie, alsook de roamingkosten t.a.v. de interoperabiliteit, al dan niet inbegrepen in het OPEX beheer.
INKOMENSSTROOM
De inkomste in deze businesscase bestaan uit de vergoedingen voor de geladen elektriciteit op basis van het vooraf bepaalde tarief per kWh, eventuele bijkomende vergoedingen per laadsessie, eventuele bijkomende vergoeding per tijdseenheid en E-credits, ofwel inkomsten uit het verhandelen van hoeveelheden hernieuwbare energie (e-credits) met leveranciers van brandstoffen in het kader van Renawable Energy Directive II / III.
LAADPROGNOSE
In het geval van 1 DC (snel) lader voor vrachtwagens (= 2 laadpunten) en 19 AC (normaal) laders voor personenwagens (= 38 laadpunten) wordt de laadprognose geïllustreerd in onderstaande figuren. Hierbij bedgraat de investering 420 000 euro met een IRR (internal rate of return) van 8% na 10 jaar. Een NPV (net present value) van 40 973,61 euro en een ROI (return on investment) van 61% beide na 10 jaar.
Snelladers voor personenwagens werden niet doorgerekend gezien enerzijds de ligging van het bedrijventerrein ten opzichte van het
wegennetwerk. Zo is het bedrijventerrein niet gunstig gelegen voor occasioneel gebruik van één noch meerdere snelladers voor personenwagens. Met andere woorden als het bedrijventerrein niet de bestemming is, dan passeert men daar ook niet of nauwelijks. De kans op occasionele inkomsten door passanten is daarom zeer klein. Anderzijds, maar daarmee samenhangend, werd een snellader voor personenwagens niet doorgerekend gezien de laadinfrastructuur in eerste instantie bedoeld is voor werknemers van het bedrijventerrein,
die er meerdere uren per dag verblijven en daarom minder snel geneigd zouden zijn om snel te laden tegen een hoger tarief, dan normaal te laden tegen een lager tarief. Deze combinatie van locatie en doelgroep(en) is een sterke indicatie van een negatieve business case voor snelladers voor personenwagens. Bovendien speelt ook de veiligheidskwestie op het bedrijventerrein om geen ongewenste bezoekers aan te trekken.
3.5 COLLECTIEVE PARKING (P6)
ESSENTIËLE PARTNERS
- Bedrijventerreinvereniging (BTV): nood aan collectief i.f.v. GSV
- Gemeente Avelgem (financieel initiële investering publieke ruimte)
- Leidedal (toolbox groen(beheer) inzetbaar in andere Bedrijventerreinen) - Subsidie?
BELANGRIJKSTE ACTIVITEITEN
Om te voldoen aan GSV dient ingezet op ruimte voor buffering/ infiltratie. Aangezien deze op privéterrein beperkt is (en van hogere economische waarde) kunnen de onbestemde (publieke) stroken tussen weg en perceel ingezet worden om een % van deze verplichte opp. op te vangen. Door hydrologische en Botanische ingrepen structureel aan elkaar te koppelen ontstaan ecosyste(e)m(-dienst) en) die de biotopen van de Scheldemeersen complementeren en resulteren in een uniforme verbeelding in / van het bedrijventerrein.
ESSENTIELE MIDDELEN
Technische en financiele afstemming om te voldoen aan GSV. Collectieve inzet van gemeente / Leiedal / BTV en bedrijven om te komen tot een gedragen participatief project.
WAARDEPROPOSITIES
1. Voldoen aan huidig GSV. Door inzet van publieke ruimte binnen collectief project wordt het vestigingsklimaat voor private partners bestendigt en versterkt.
2. Collectieve ingrepen verbeelden een performante aanpak van / voor toekomstige uitdagingen (water(s)nood, eco-systeemdiensten, sociale meerwaarde door klimaatrobuuste publieke ruimte).
KLANT RELATIES
Opzetten van collectieve bedrijventerreinvereniging creëert participatief platform voor uitwisseling tussen publieke en private partijen. Collectieve BTV drukt kosten op aanleg : beheer binnen de publieke ruimte EN op private percelen.
KANALEN
Opzetten van collectieve bedrijventerreinvereniging creëert participatief platform voor uitwisseling tussen publieke en private partijen.
KLANTSEGMENTEN
Een toekomstgerichte aanpak van de publieke (groene) ruimte met collectieve berging van individuele water(s)noden genereerd een economische en sociale waardeverhoging voor huidige en toekomstige bedrijven:
1. % (economisch) beschikbare ruimte op private percelen
2. collectiviteiten binnen BTV die ook ingezet kunnen worden voor andere aspecten (energie, materialen)
3. versterken van identiteit bedrijventerrein Avelgem bevordert vestigingklimaat.
KOSTENSTRUCTUUR
REALISATIE: globale aanbesteding voor technische (blauwe) ingrepen (al dan niet met mogelijkheid tot subsidies?). Te overwegen valt of (deel) van de beplanting te realiseren valt door de groendienst van de gemeente (lagere prijzen t.o.v. aanbesteding + opbouwen van ervaring die inzetbaar is buiten BT). Groepsaankopen en afstemmen beplanting publieke en private ruimte.
RAMING REALISATIE REGENTUINEN: 150 Euro/m2
BEHEER: collectief beheer van publieke en private ruimte. I.f.v. schaal en timing (seizoensgebonden) kan beheer(skosten) van beide gedrukt worden.
Complementair kan overwogen worden om binnen totaliteit van werknemers op vrijwillige basis periodiek / kleinschalig beheer van private en publieke ruimte te organiseren. Al dan niet afgestemd met beheer door groendienst en/of beheer Scheldemeersen door Natuurpunt.
RAMING BEHEER REGENTUINEN: 6,9 euro/m2/jaar (uitgaande van 1 boom / 100m2 regentuin) reiniging toevoer- en overstortzone en put: 150 euro/jaar/ put
INKOMSTENSTROOM
1. overdragen van private buffer-infiltratieplicht op collectief kan gekoppeld worden aan vaste ‘afkoopsom’ (interessant voor bedrijven om nu reeds te investeren i.f.v. toekomstige noden? >< grondwaarde 2030 t.o.v. 2050
2. periodieke inkomsten op basis van collectief beheer (variabel in tijd) indien door gemeente
3. subsidies
4. identiteit bevordert vestigingsklimaat
figuur 85 Collectieve parking
figuur 86 Dagbezetting
figuur 87 Nachtbezetting
3.6 COLLECTIEVE REGENTUINEN (P6)
ESSENTIËLE PARTNERS
- Bedrijventerreinvereniging (BTV): nood aan collectief i.f.v. GSV
- Gemeente Avelgem (financieel initiële investering publieke ruimte)
- Leidedal (toolbox groen(beheer) inzetbaar in andere Bedrijventerreinen)
- Subsidie?
BELANGRIJKSTE ACTIVITEITEN
Om te voldoen aan GSV dient ingezet op ruimte voor buffering/ infiltratie. Aangezien deze op privéterrein beperkt is (en van hogere economische waarde) kunnen de onbestemde (publieke) stroken tussen weg en perceel ingezet worden om een % van deze verplichte opp. op te vangen. Door hydrologische en Botanische ingrepen structureel aan elkaar te koppelen ontstaan ecosyste(e)m(-dienst) en) die de biotopen van de Scheldemeersen complementeren en resulteren in een uniforme verbeelding in / van het bedrijventerrein.
ESSENTIELE MIDDELEN
Technische en financiele afstemming om te voldoen aan GSV. Collectieve inzet van gemeente / Leiedal / BTV en bedrijven om te komen tot een gedragen participatief project.
WAARDEPROPOSITIES
1. Voldoen aan huidig GSV. Door inzet van publieke ruimte binnen collectief project wordt het vestigingsklimaat voor private partners bestendigt en versterkt.
2. Collectieve ingrepen verbeelden een performante aanpak van / voor toekomstige uitdagingen (water(s)nood, eco-systeemdiensten, sociale meerwaarde door klimaatrobuuste publieke ruimte).
KLANT RELATIES
Opzetten van collectieve bedrijventerreinvereniging creëert participatief platform voor uitwisseling tussen publieke en private partijen. Collectieve BTV drukt kosten op aanleg : beheer binnen de publieke ruimte EN op private percelen.
KANALEN
Opzetten van collectieve bedrijventerreinvereniging creëert participatief platform voor uitwisseling tussen publieke en private partijen.
KLANTSEGMENTEN
Een toekomstgerichte aanpak van de publieke (groene) ruimte met collectieve berging van individuele water(s)noden genereerd een economische en sociale waardeverhoging voor huidige en toekomstige bedrijven:
1. % (economisch) beschikbare ruimte op private percelen
2. collectiviteiten binnen BTV die ook ingezet kunnen worden voor andere aspecten (energie, materialen)
3. versterken van identiteit bedrijventerrein Avelgem bevordert vestigingklimaat.
KOSTENSTRUCTUUR
REALISATIE: globale aanbesteding voor technische (blauwe) ingrepen (al dan niet met mogelijkheid tot subsidies?). Te overwegen valt of (deel) van de beplanting te realiseren valt door de groendienst van de gemeente (lagere prijzen t.o.v. aanbesteding + opbouwen van ervaring die inzetbaar is buiten BT). Groepsaankopen en afstemmen beplanting publieke en private ruimte.
RAMING REALISATIE REGENTUINEN: 150 Euro/m2
BEHEER: collectief beheer van publieke en private ruimte. I.f.v. schaal en timing (seizoensgebonden) kan beheer(skosten) van beide gedrukt worden.
Complementair kan overwogen worden om binnen totaliteit van werknemers op vrijwillige basis periodiek / kleinschalig beheer van private en publieke ruimte te organiseren. Al dan niet afgestemd met beheer door groendienst en/of beheer Scheldemeersen door Natuurpunt.
RAMING BEHEER REGENTUINEN: 6,9 euro/m2/jaar (uitgaande van 1 boom / 100m2 regentuin) reiniging toevoer- en overstortzone en put: 150 euro/jaar/ put
INKOMSTENSTROOM
1. overdragen van private buffer-infiltratieplicht op collectief kan gekoppeld worden aan vaste ‘afkoopsom’ (interessant voor bedrijven om nu reeds te investeren i.f.v. toekomstige noden? >< grondwaarde 2030 t.o.v. 2050
2. periodieke inkomsten op basis van collectief beheer (variabel in tijd) indien door gemeente
3. subsidies
4. identiteit bevordert vestigingsklimaat
figuur 88 Principe regentuinen
3.7 CAMERABEWAKING (P7)
ESSENTIËLE PARTNERS
- Bedrijventerreinvereniging (BTV) voor initiatief en coördinattie en eventuele cofinanciering
- Gemeentebestuur en stadsdiensten voor vergunningen, communicatie en beheer publieke ruimte
- Bedrijven gevestigd op het terrein
- Technologie- en installatiepartner
- ICT beheerder/ cloudprovider
- Lokale politiezone voor operationele opvolging en incidentenbeheer
BELANGRIJKSTE ACTIVITEITEN
1. Ontwerp en plaatsing van een overzichtscamera en een detailcamera op het bedrijventerrein:
- Personeel: installateurs, ICT-beheer, politie voor monitoring.
WAARDEPROPOSITIES
Terugkerende problemen rond veiligheid zoals straatracen, vandalisme en andere vormen van overlast zorgen voor een verhoogd onveiligheidsgevoel bij ondernemers, werknemers en bezoekers. Om dit aan te pakken, wordt voorgesteld om camerabewaking te installeren bestaande uit een overzichtscamera en een detailcamera
Deze zorgt voor de volgende toegevoegde waarde:
1. Veiligheid: verhoogde objectieve en subjectieve veiligheid op bedrijventerrein.
2. Preventie: afschrikking van criminaliteit, vandalisme en illegale dumping.
3. Schaalbaarheid: eenvoudig uitbreidbaar naar extra camera’s of sensoren.
4. Duurzaamheid: energiezuinige camera’s, groene stroom, lange levensduur van materialen.
5. Collectief voordeel: gedeeld gebruik en kostenverdeling tussen bedrijven, gemeente en politie.
6. Compliance: volledig conform AVG/GDPR en camerawetgeving.
KLANT RELATIES
- Gemeente & bedrijven: partnerschap gebaseerd op cofinanciering en gedeelde besluitvorming.
- Transparantie: duidelijke rapportage over gebruik, resultaten en incidenten.
- Langetermijnonderhoudscontract: voorspelbare service en updates.
2. Bijdragen van bedrijven (lidgeld of jaarlijkse bijdrage).
3. Eventuele subsidies (Vlaamse overheid, EU veiligheid & innovatieprogramma’s).
4. Potentiële kortingen op verzekeringspremies voor deelnemende bedrijven.
BIJLAGE
6.1
BEGRIPPENLIJST
1 BEGRIPPEN
ANPR (Automatic Number Plate Recognition)
Een technologie die automatisch kentekenplaten herkent en registreert, vaak gebruikt voor verkeersmonitoring, handhaving en toegangscontrole.
Aquathermie
Het gebruik van warmte uit oppervlaktewater voor energiedoeleinden (ruimteverwarming, proceswarmte).
Beeldkwaliteit
De beeldkwaliteit bepaalt de uitstraling, de visuele kwaliteit van publieke ruimte en/of bebouwing. Hoe groter de beeldkwaliteit, hoe aantrekkelijker de omgeving wordt bevonden. De beeldkwaliteit draagt bij tot de leefkwaliteit.
Bestemmingsverkeer
Verkeer dat een bestemming heeft binnen een specifiek gebied, zoals werknemers, bezoekers of leveranciers, en dus niet slechts door het gebied rijdt.
BFF
BFF ofwel het Bovenlokaal Functioneel Fietsroutenetwerk.
Building Integrated Photovoltaics (BIPV)
Fotovoltaïsche technologie geïntegreerd in de bouwmaterialen van een gebouw, zoals gevelpanelen en dakbedekking.
Circulair
Verwijst naar een economisch model waarbij grondstoffen en producten hergebruikt worden om verspilling en afval te minimaliseren.
Collectief Laadplein
Een gemeenschappelijke parking met laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen (personenwagens en/of trucks).
Demand Side Management
Het beheren en sturen van energieconsumptie aan de gebruikerszijde om deze in lijn te brengen met de energieproductie.
Doorgaand verkeer
Doorgaand verkeer is verkeer dat op deze locatie of ergens in de nabijheid geen bestemming heeft. Doorgaand verkeer gebruikt de route voornamelijk om van een verdere locatie naar een andere verdere locatie te gaan. Het doorgaand verkeer passeert en stopt in theorie niet.
Dubbelrichtingfietspad
Een dubbelrichtingsfietspad is een fietspad dat voldoende breed is zodat fietsers er in twee richtingen op kunnen fietsen zonder elkaar te storen. Het is ook toegestaan om in twee richtingen over deze fietspaden te fietsen.
Elektriciteitsafname
De hoeveelheid elektriciteit die wordt afgenomen van het elektriciteitsnet om te voldoen aan de vraag van een bedrijf / het bedrijventerrein.
Elektriciteitsinjectie
De hoeveelheid elektriciteit die wordt teruggeleverd aan het elektriciteitsnet vanuit lokale energieproductie-installaties.
Elektriciteitsproductie
De totale hoeveelheid elektriciteit die wordt opgewekt door een bedrijf / op een bedrijventerrein, meestal door lokale installaties zoals PVpanelen en windturbines.
Elektriciteitsverbruik
De totale hoeveelheid elektriciteit die wordt gebruikt door de afnemers op het bedrijventerrein.
Elektrificatie
De overgang van fossiel gebaseerde energiebronnen naar elektrische bronnen voor transport, verwarming en productieprocessen.
Energiebalans
Een overzicht van het totale energieverbruik en de energieproductie van een bedrijf of het bedrijventerrein, inclusief zelfvoorzieningsgraad en zelfconsumptie.
Energiedelen
Binnen een energiegemeenschap kunnen bedrijven met een overschot aan lokaal geproduceerde elektriciteit deze groene stroom delen (of verkopen) aan bedrijven met een productietekort.
Energiegemeenschap
Een samenwerkingsverband tussen bedrijven op een bedrijventerrein waarbinnen energie gedeeld kan worden.
Fietssnelweg
Fietssnelwegen of ‘fietsostrades’ zijn fietsroutes tussen steden die tot 15 à 20 km van elkaar liggen. Ze bieden de mogelijkheid om snel naar het werk te fietsen. Uiteraard kunnen ook scholieren en recreatieve fietsers de routes gebruiken.
Fluviale overstromingsgevoelige zone
Gebied dat gevoelig is voor overstromingen veroorzaakt door het buiten zijn oevers treden van rivieren of beken.
Functioneel fietsverkeer
Fietsverkeer met een praktisch doel, zoals woon-werkverkeer, schoolverkeer of boodschappen doen. Gemotoriseerd verkeer
Verkeer dat gebruik maakt van gemotoriseerde voertuigen zoals auto’s, vrachtwagens, motorfietsen en bussen.
Geothermie
Het gebruik van aardwarmte voor energiedoeleinden (ruimteverwarming, proceswarmte).
Groenblauwe dooradering/groenblauw netwerk
Met groenblauwe dooradering/groenblauw netwerk wordt een fijnmazig netwerk van groene massa en water door open en bebouwde ruimte bedoeld. Het bestaat onder meer uit open rivier- en beekvalleien, groene massa’s zoals parken en bossen, lijnelementen zoals bomenrijen, houtkanten of bermen, wateroppervlakten zoals vijvers, poelen en bekkens, en aan gebouwen gekoppeld groen zoals tuinen.
(Her)Inrichtingsplan
Een (her)inrichtingsplan is een plan waarin de ruimtelijke inrichting voor een open (publieke) ruimte is ingetekend.
Klimaatpositief
Klimaatpositief betekent dat een entiteit (zoals een bedrijf, product of proces) netto meer broeikasgassen uit de atmosfeer verwijdert dan dat het uitstoot.
Laad- en loskade
Een speciaal ingerichte plek waar goederen op efficiënte wijze kunnen worden geladen en gelost aan het water.
Last mile
Last mile, de laatste mijl ofwel de laatste kilometer verwijst naar het laatste stuk van een multimodale verplaatsing (= een verplaatsing die wordt gemaakt met meerdere vervoersmodi). Denk aan een verplaatsing die grotendeels wordt gemaakt met het openbaar vervoer en waarbij de laatste kilometers worden afgelegd met de (deel)fiets bijvoorbeeld.
Logistiek verkeer
Verkeer dat verband houdt met het transport van goederen, zoals vrachtwagens, bestelwagens en bevoorradingsvoertuigen.
Modal shift
Om de groei van mobiliteit op te vangen via de beschikbare capaciteit op ons huidige wegennet is dringend een verschuiving nodig van een deel van de transporten van de weg naar de alternatieve modi of naar een combinatie van transportmodi. Die verschuiving wordt een modal shift genoemd.
Nationale fietsweg
Een hoofdroute binnen het landelijke fietsnetwerk die veilige en vlotte verbindingen biedt tussen steden en regio’s.
Pluviale overstromingsgevoelige zone
Gebied dat gevoelig is voor overstroming door hevige regenval waarbij het regenwater niet snel genoeg kan wegstromen.
PV-panelen
Photovoltaïsche zonnepanelen, die zonlicht omzetten in elektrische energie
Recreatief fietsverkeer
Fietsverkeer met een vrijetijdsdoel, zoals toertochten of fietsvakanties.
Regentuin
Een groenzone die regenwater opvangt en infiltreert, bedoeld om wateroverlast te verminderen en verdroging tegen te gaan.
Recyclage
Het proces waarbij gebruikte materialen worden omgezet in nieuwe grondstoffen, zodat ze opnieuw in de productieketen kunnen worden gebruikt. Het doel is om afval te verminderen, natuurlijke hulpbronnen te sparen en een gesloten kringloop van materialen te creëren, waarbij producten na gebruik niet verloren gaan. Er gaat bij recyclage wel veel meer waarde verloren dan bij refurbishment, herstel of hergebruik.
Riothermie
Het gebruik van warmte uit afvalwater (rioolwater) voor energiedoeleinden (ruimteverwarming, proceswarmte)
Smart Grid
Een slim energienetwerk dat gebruikmaakt van digitale technologieën, sensoren, automatisering en communicatiesystemen om de productie, distributie en het verbruik van elektriciteit efficiënter, betrouwbaarder en duurzamer te beheren (bv. via demand side management).
Sociale cohesie
De mate van verbondenheid, vertrouwen en solidariteit tussen
mensen binnen een gemeenschap.
Transportlijn
Een vaste route of verbinding voor het vervoer van personen of goederen, bijvoorbeeld een spoorlijn of een logistieke corridor.
Traag netwerk
Netwerk van wegen en paden die vooral bestemd zijn voor langzaam verkeer zoals wandelaars en fietsers.
Verharding
Een verharding is een oppervlakte waarvan de aard en/ of toestand van het bodemoppervlak gewijzigd is door het aanbrengen van artificiële, (semi-)ondoorlaatbare materialen waardoor essentiële ecosysteemfuncties van de bodem verloren gaan (woningen, wegen, andere constructies enz.).
Vloot
Het geheel aan voertuigen waarover een persoon of een organisatie, bijvoorbeeld een bedrijf, beschikt.
Warmtenet
Een netwerk van leidingen dat warmte (uit bronnen zoals riothermie, aquathermie, geothermie) transporteert naar verschillende afnemers.
Waterbuffer
Een gebied of voorziening waar tijdelijk overtollig regenwater wordt opgevangen om piekbelasting op het riool en waterlopen te vermijden.
Watergebonden bedrijvigheid
Bedrijven waarvan de werking afhankelijk is van een ligging aan vaarwater, zoals overslagbedrijven, scheepswerven of watergebonden logistiek.
Windturbines
Installaties die windenergie omzetten in elektrische energie.
Zelfconsumptie
Het aandeel van de lokaal geproduceerde energie die ogenblikkelijk zelf verbruikt wordt op het bedrijventerrein.
Zelfvoorzieningsgraad
Het aandeel van de gevraagde energie die ogenblikkelijk zelf voorzien kan worden door lokale energieproductie.
6.2
ONTWERPEND ONDERZOEK MASTERPLAN
2.4
1 LOGISTIEKE LUS
1.1 TWEE VARIANTEN
Er worden twee varianten voorgesteld voor de inrichting van de logisiteke lus: een grote en een kleine lus. Bij de grote lus komt een deel van de logistieke wegenis tot tegen de laad- en loskade te liggen. Zo ontstaat binnenin de lus een flexibel in te delen veld waarbij alle percelen vlot worden verbonden met de laad- en loskade. Bij de kleine lus wordt de bestaande wegenis parallel aan de kade doorgetrokken. Voor beide varianten wordt een inrichting voorgesteld voor 2030 op korte termijn en voor 2050 op lange termijn
VARIANT 1 - GROTE LOGISTIEKE LUS
optie de lus recht te trekken
tracé logistieke lus transportlijn collectieve parking laad- en loskade
VARIANT 2 - KLEINE LOGISTIEKE LUS
optie de lus recht te trekken
figuur 89 grote logistieke lus 2030
figuur 91 grote logistieke lus 2050
figuur 90 kleine logistieke lus 2030
figuur 92 kleine logistieke lus 2050
1.1.1 GROTE LOGISTIEKE LUS
De voor- en nadelen van de grote logistieke lus worden tegenover elkaar afgewogen.
+ De grote lus vormt een robuuste structuur op lange termijn en maakt een flexibele herverdeling van percelen mogelijk binnenin de logistieke lus.
- Binnen de grote logistieke lus is, in de huidige situatie, interne wegenis noodzakelijk voor de werking van de bedrijven. Dit kan de bestaande wegenis zijn.
- Er kunnen knelpunten ontstaan tussen de overslag aan de laad- en loskade en het overig logistiek verkeer
- De laad-en loskade kan in de toekomst enkel beperkt in de lengte uitbreiden
Zowel uit het ontwerpend onderzoek als uit de participatie met de bedrijven wordt de kleine logistieke lus als voorkeursvariant naar voren geschoven. Het masterplan zal dus verder worden uitgewerkt volgens het tracé van de kleine logistieke lus.
1.1.2 KLEINE LOGISTIEKE LUS
De voor- en nadelen van de kleine logistieke lus worden tegenover elkaar afgewogen.
+ Alle bedrijven die vandaag aanwezig zijn, zijn verbonden met de logistieke lus.
+ Eerstelijns watergebonden bedrijven grenzen rechtstreeks aan de overslagzone
+ De laad- en loskade kan flexibel worden gebruikt en uitgebreid
+ De bestaande wegenis binnen de kleine logistieke lus kan privaat worden gebruikt.
- Een kortere logistieke lus, die net zorgt voor de verhoging van beeldkwaliteit, voorziet in minder lopende meters voor groen, waterinfiltratie, tijdelijke parkeerplaatsen vrachtwagens enz.
- De logistieke lus grenst niet aan de kade. Een transportlijn richting de laad- en los kade kan wenselijk zijn voor overdracht van goederen, materialen en grondstoffen naar alle bedrijven.
figuur 93 grote logistieke lus - maatvoering laad-en loskade
figuur 94 kleine logistieke
figuur 95 referentie maatvoering laad- en loskade, Blue Gate, Antwerpen
1.2 PARKEREN
1.2.1 VANDAAG
Vandaag bestaat de modal split voor het bedrijventerrein uit 91% individueel gemotoriseerd verkeer en 9% actief vervoer (te voet of met de fiets). Elk bedrijf heeft diens eigen parkeerinfrastructuur ingericht op privéterrein. Over het hele bedrijventerrein is het parkeersaldo voor personenwagens licht positief, het aanbod is echter niet gelijkmatig verdeeld over de bedrijven heen. De huidige grote parking centraal op de site heeft bijvoorbeeld ca. 275 autoparkeerplaatsen. Een collectieve parking zou hiervoor een oplossing kunnen zijn.
De potentieelberekening voor een duurzame modal shift is een theoretisch model dat aantoont dat slechts 14% van de werknemers geen alternatief heeft voor individueel gemotoriseerd vervoer. Opmerkelijk is dat 81% valt binnen het fietspotentieel, zijnde woont op fiets-, elektrische fiets- of speedpedelec afstand van het bedrijventerrein.
1.2.2 PISTES
Twee pistes voor het parkeren op het bedrijventerrein zijn onderzocht: (1) collectief parkeren en laden en (2) langsparkeren voor vrachtwagens aan de lus.
1. Een collectieve parking kan worden ingericht ter hoogte van de huidige grote parking centraal op de site. Het collectief parkeren kan worden gekoppeld aan een collectief laadplein. Uitgaande van het potentieel van de modal shift zouden 200 autoparkeerplaatsen voor het hele bedrijventerrein voldoende moeten zijn. Voor vrachtwagens zouden 4 parkeerplaatsen met laadinfrastructuur voldoende zijn.
2. Langs de logistieke lus kunnen langse parkeerstroken in halfverharding worden ingericht voor vrachtwagens. Aan deze parkeerstroken zouden geen laadvoorzieningen worden gekoppeld.
De parkeerbehoefte voor vrachtwagens wordt steeds ingevuld op het eigen terrein van de bedrijven. De bedrijven geven echter aan dat er voor vrachtwagens van leveranciers bijvoorbeeld wel een zekere parkeervraag bestaat die vandaag wordt ingevuld door bepaalde stukken op de Nijverheidslaan zie onderstaande figuur. Volgens de studie van Tractebel uit 2018 is de maximum capaciteit daar 8
Een collectieve parking is de voorkeursvariant geworden, aangezien laadvoorzieningen collectief geregeld kunnen worden, inefficiënt versnipperd parkeren tegen wordt gegaan en het meer ruimte voor groenblauw biedt. De stuurgroep heeft besloten om langsparkeren aan de lus te verbieden.
1.2.3
INRICHTING PARKING
Voor de inrichting van de parking zijn de volgende principes als uitgangspunt gesteld:
- Plek voor 134 autoparkeerplaatsen.
- Een deel overloop van autoparkeerplaatsen naar vrachtwagen parkeerplaatsen. De 66 auto parkeerplekken kunnen ook fungeren als 11 vrachtwagenplaatsen door hun vormgeving
- Permanente plek voor 4 vrachtwagen parkeerplaatsen.
- In de oranje zones is er eventueel ruimte voor een collectief recyclagepark en deelfietsen.
- Waterberging vindt in het groen rond de parking plaats.
collectieve parking met laadinfrastructuur langsparkeren voor vrachtwagens
97 vlekkenplan parkeren
98 inrichting parking
Nijverheidslaan
Nijverheidslaan
Nijverheidslaan
Nijverheidslaan
Nijverheidslaan
Nijverheidslaan
Nijverheidslaan
Nijverheidslaan
Nijverheidslaan
figuur
figuur
2 GROENBLAUWE LUS
2.1 RIJRICHTING LOGISTIEKE LUS
De rijrichting en bijgevolg de maatvoering van de logistieke lus zijn bepalend voor het groenblauwe karakter van de lus. De twee opties van éénrichtingsverkeer en tweerichtingsverkeer werden uitgetekend en met elkaar vergeleken. De voordelen van éénrichtingsverkeer ten opzichte van tweerichtingsverkeer zijn:
- gemakkelijker oversteken, invoegen en links afslaan - geen zichtbelemmering door een vrachtwagen in tegenovergestelde richting - meer ruimte voor voetgangers, wat het veiligheidgevoel verhoogt
- meer oppervlakte voor publiek groen en water.
De nadelen van éénrichtingsverkeer ten opzichte van tweerichtingsverkeer zijn:
- meer voertuigkilometers - geen voor de handliggend alternatief bij een onderbreking van de lus (door bv. werken, ongeval, interventie).
- EENRICHTINGSVERKEER groen
2.2 MAXIMAAL GROENBLAUWE LUS
De beschikbare onverharde ruimte van de logistieke lus wordt maximaal vergroend. Aangezien de ondergrond niet geschikt is voor infiltratie, moet zoveel mogelijk hemelwater worden gebufferd op het bedrijventerrein. Daarom worden regentuinen met schotten aangelegd zowel op publiek als op privaat domein. Hoewel deze structuren gescheiden zijn, worden ze gelezen als één landschappelijk geheel. Om die beeldkwaliteit na te streven, worden een aantal spelregels opgesteld.
figuur 99 principesnede regentuinen langs logistieke lus
figuur 100 éénrichtingsverkeer toegepast op lus langetermijnvisie 2050
draaibeweging vrachtwagen basis wegverharding bijkomende wegverharding thv de bocht
figuur 101 tweerichtingsverkeer toegepast op lus langetermijnvisie 2050
Zowel uit het ontwerpend onderzoek als uit overleg met de stuurgroep wordt éénrichtingsverkeer als voorkeursvariant naar voren geschoven. Vanuit de participatie met de bedrijven wordt gevraagd om het wegprofiel te verbreden naar 4,5 meter aangezien de eerste zijtak van Nijverheidslaan (4 meter) vandaag als te smal wordt ervaren.
snedelijn
2.3 SPELREGEL LANDSCHAP
De regentuinen op privaat perceel vormen samen met de collectieve regentuinen één landschappelijk geheel dat de logistieke lus volgt. De terreinafsluitingen rondom de private percelen wordt niet op de rooilijn geplaatste, maar achter de private regentuinen zodat de regentuinen (publieke en private) visueel een geheel vormen.
2.4 SPELREGEL TOEKOMSTBOMEN
Bomen worden op publiek domein geplaatst, maar krijgen een doorwortelbare ruimte die doorloopt op privaat terrein. Daardoor krijgen de toekomstbomen voldoene ruimte en kunnen ze uitgroeien tot grote exemplaren (bomen eerste orde).
2.5 COLLECTIEF BEKKEN VOOR
2.5.1 BUFFERVOLUME.
Buffervolumes voor verschillende toepassingen zijn berekend op basis van het ingeschatte verbruik en gemeten historische regenval. Bij de bepaling van het nodige buffervolume voor hergebruik speelt ook de oppervlakte van het gebied dat naar de buffer afwatert een rol. In deze eerste berekening wordt aangenomen dat 50.000 m² verhard oppervlak afwatert.
Met deze volumes kunnen ca. 95% van de watervraag door regenwater ingelost worden:
2.5.2 COLLECTIEVE OF INDIVIDUELE BEKKENS.
Voor collectief waterhergebruik heeft één collectief bekken de voorkeur over meerdere individuele bekkens verspreid over het bedrijventerrein. De kostprijs kan gedrukt worden omdat er maar één bekken en pomp nodig is. Bovendien is er op het bedrijventerrein in Avelgem slechts één voor de hand liggende locatie voor deze toepassing. Een bijkomend individueel bekken kan interessant zijn dichtbij een grote verbruiker, bijvoorbeeld bedrijf Unilin. Een dergelijke oplossing op het niveau van het individuele bedrijf wordt niet verder overwogen in het kader van dit project.
2.5.3 WATERBEHANDELING.
Een koolstofwaterafscheider is noodzakelijk om het water te zuiveren alvorens het in het hergebruikbekken komt. Regenwater afkomstig van wegen bevat immers olieresten die we niet verder willen verspreiden naar, bijvoorbeeld, de groenzones. Hergebruiktoepassing
3 TRAAG NETWERK
3.1 DOORGAAND FIETSVERKEER
Er worden vijf scenario’s (scenario A, B, C, D1 en D2) onderzocht voor de inrichting van veilige fietsverbindingen voor doorgaand fietsverkeer op en rondom het bedrijventerrein. Bij de laatste twee scenario’s (scenario D1 en D2) wordt een onderscheid gemaakt tussen de routes voor recreatief en functioneel doorgaand fietsverkeer. De positieve en negatieve aandachtspunten worden per scenario opgesomd.
SCENARIO A - DOORGAAND FIETSVERKEER
RONDOM HET BEDRIJVENTERREIN VIA OVERKANT VAN DE SCHELDE
- Het heraanleggen van de veroudere autobrug met fietspaden is niet evident, zowel ruimtelijk als financieel.
- De fietsroute aan de overkant van de laad- en loskade kan in conflict komen met de bedrijvigheid op het industrieterrein gelegen in het Waalse gewest.
- Voor doorgaand bestemmingsfietsverkeer wordt de omrijfactor groot aangezien er twee kilometer moet worden omgereden.
- Hoe verbied je dat het doorgaand fietsverkeer geen gebruik kan maken van de wegenis doorheen het bedrijventerrein? Voor het bestemmingsfietsverkeer zijn verbindingen met de wegenissen rondom zoals met het Guldensporenpad namelijk zeer belangrijk. Die verbindingen wens je niet te sluiten.
SCENARIO C - DOORGAAND FIETSVERKEER
DOORHEEN HET BEDRIJVENTERREIN
- Het doorgaand fietsverkeer wordt doorheen het bedrijventerrein geleid via een gescheiden fietspad.
- Er moeten veilige oversteekplaatsen worden voorzien op conflictpunten met logistiek verkeer.
- De aansluiting op het Guldenspoorpad gaat doorheen de logistieke zone van Unilin en moet een hoogteverschil overbruggen.
figuur 104 traag netwerk - scenario B
figuur 105 traag netwerk - scenario C
SCENARIO D1 - RECREATIEF FIETSVERKEER
RONDOM HET BEDRIJVENTERREIN VIA RIJTGRACHT
EN FUNCTIONEEL FIETSVERKEER DOORHEEN HET
BEDRIJVENTERREIN
- Voor recreatief fietsverkeer speelt een omrijfactor minder een rol. Hier primeert de veiligheid en de aantrekkelijkheid van de route. Voor recreatief fietsverkeer wordt dus voorgesteld om twee kilometer om te fietsen, langsheen de Rijtgracht. De knooppuntenroute loopt dan via deze weg.
- Functioneel verkeer zal de kortere route nemen doorheen het bedrijventerrein. We stellen voor om een veilige fietsroute doorheen de site te crëeren voor zowel functioneel bestemmingsverkeer als functioneel doorgaand fietsverkeer.
- Er moeten veilige oversteekplaatsen worden voorzien op conflictpunten met logistiek verkeer.
- De aansluiting op het Guldenspoorpad gaat doorheen de logistieke zone van Kronospan en moet een hoogteverschil overbruggen.
figuur 106 traag netwerk - scenario D1
Uit varianten onderzoek heeft een scheiding van recreatief en functioneel fietsverkeer de voorkeur gekregen. Recreatief fietsverkeer gaat via de Rijtgracht en functioneel fietsverkeer langs de Schelde en doorheen het bedrijventerrein zoals bij scenario D2.
SCENARIO D2 - RECREATIEF FIETSVERKEER RONDOM HET BEDRIJVENTERREIN VIA RIJTGRACHT EN FUNCTIONEEL FIETSVERKEER DOORHEEN HET BEDRIJVENTERREIN
- Voor recreatief fietsverkeer speelt een omrijfactor minder een rol. Hier primeert de veiligheid en de aantrekkelijkheid van de route. Voor recreatief fietsverkeer wordt dus voorgesteld om twee kilometer om te fietsen, langsheen de Rijtgracht. De knooppuntenroute loopt dan via deze weg.
- Functioneel verkeer zal de kortere route nemen doorheen het bedrijventerrein. We stellen voor om een veilige fietsroute doorheen de site te crëeren voor zowel functioneel bestemmingsverkeer als functioneel doorgaand fietsverkeer.
- Er moeten veilige oversteekplaatsen worden voorzien op conflictpunten met logistiek verkeer.
- De functionele fietsroute maakt zoveel mogelijk gebruik van bestaande fietsroutes langs de Schelde, waarna het fietspad via de lus om de loskade heen beweegt. Er worden dus geen conflictpunten met overslagactiviteiten gecreëerd.
figuur 107 traag netwerk - scenario D2
3.2 BESTEMMINGSFIETSVERKEER
Voor 2030 zijn er twee scenario’s onderzocht voor verschillende straatprofielen voor bestemmingsfietsverkeer langs de logistieke lus.
- Scenario 1: gemengd verkeer over de lus + bovenlokaal functioneel fietspad wordt ingericht als een tweerichtingsverkeerfietspad
- Scenario 2: de wegen worden uitgerust met eenrichtingsfietspaden aan beide kanten van de weg (zowel het BFF als overige wegen van de lus, m.u.v. wegen over percelen Unilin en Kronospan).
We leggen de voordelen en nadelen voor de twee scenario’s uit aan de hand van twee snedes: A en B.
3.3 SNEDE A: NIJVERHEIDSLAAN HOOFDWEG
3.3.1 SCENARIO 1
Bij het gemengde scenario wordt de weg op locatie A (tweerichtingsverkeer, zie onderstaand plan) breder ingetekend, namelijk 7 meter.
Nadelen
- Fietsers fietsen mee op de weg, dit voelt minder veilig. Dit is in de praktijk wel veilig, omdat automobilisten en fietsers meer alert zijn.
Voordelen
- Gemengd verkeer is veilig. Zo worden fietsers en auto/ vrachtwagen mobilisten gedwongen om op elkaar te letten, waardoor er minder ongevallen gebeuren. Het onveiligheidsgevoel maakt het verkeer veiliger.
- Ruimte voor een regentuin met een breedte van +/- 5m op publiek domein.
SNEDE E - NIJVERHEIDSLAAN HOOFDWEG AAN E BALCAENSTRAAT
NIEUWE TOESTAND 2030
SNEDE D - VRIJLIGGENDE FIETSPADEN
figuur 109 Snede A bestaande toestand
NIEUWE TOESTAND 2030
SNEDE E - TWEERICHTINGSVERKEER gemengd verkeer
BESTAANDE TOESTAND
SNEDE F - ZELFDE WEG ALS D MAAR ANDERE PLAATS NL TUSSEN HOUPLINE EN BUDERUS
NIEUWE TOESTAND 2030
SNEDE E - TWEERICHTINGSVERKEER
figuur 110 Snede A scenario 1
NIEUWE TOESTAND 2030
SNEDE E - TWEERICHTINGSVERKEER vrijliggende fietspaden
NIEUWE TOESTAND 2030
SNEDE f - EENRICHTINGSVERKEER groen
figuur 111 Snede A scenario 2
NIEUWE TOESTAND 2030
SNEDE f - EENRICHTINGSVERKEER
SNEDE
3.3.2 SCENARIO 2
Bij het gescheiden scenario wordt de weg op deze locatie (tweerichtingsverkeer) smaller ingetekend, namelijk 6,10 meter. Dit is de minimale breedte.
Nadelen
- De meeste accidenten gebeuren bij het afslaan en niet bij het rechtdoor rijdend verkeer. Dezelfde conflicten bij afslaand verkeer zijn er bij gescheiden fietspaden. Daarnaast zijn fietsers en auto/vrachtwagen mobilisten minder alert bij een gescheiden verkeersinrichting.
- Doordat de fietspaden veel ruimte vragen, moet de tweerichtingsverkeersweg hier smaller zijn: 6m10. Dit is minimaal en vrij krap voor twee kruisende vrachtwagens. Dit is ook beduidend smaller dan de weg die er vandaag ligt. Vandaag heeft de weg op deze locatie een breedte van 7m60.
- Er is geen ruimte meer over voor regentuinen op publiek domein.
Voordelen
- Fietsers fietsen op fietspaden, dit voelt veiliger. Dit is in de praktijk niet veiliger, omdat automobilisten en fietsers minder alert zijn.
De stuurgroep kiest, op basis van de evaluatie van de scenario’s, voor scenario 1: gemengd verkeer over de lus + bovenlokaal functioneel fietspad wordt ingericht als een tweerichtingsverkeerfietspad.
3.4 SNEDE B : WEG TUSSEN IVC EN TERMINAL
3.4.1 SCENARIO 1
Voordelen
- Er zijn geen conflictpunten met de lus, het fietspad blijft ten zuiden van de lus en steekt de lus niet over.
- Er is nog ruimte over voor een regentuin, met een breedte van 3m, in te richten in het publiek domein.
- In-en uitritten aan de kant van het fietspad worden beperkt.
Nadelen
- Er ontstaan conflictpunten tussen de fietsers op het tweerichtingsfietspad en het op- en afrijden van de percelen. Vooral fietsers die van de andere richting komen op het tweerichtingsfietspad vormen het grootste veiligheidsrisico, aangezien mobilisten vaker vergeten om in die richting ook te kijken.
- Fietsers, die als bestemming het bedrijf hebben aan de noordzijde van de weg, moeten de weg oversteken.
3.4.2 SCENARIO 2
Voordelen
- Door de éénrichtingsfietspaden fietsen alle fietsers allemaal rechts van de autoweg. Hierdoor ontstaan er minder conflicten tussen gemotoriseerd verkeer die op- en afrijden van de percelen en de fietsers. Fietsers in de ‘juiste’ richting worden doorgaans wel waargenomen door mobilisten.
Nadelen
- Er ontstaan moeilijke conflictpunten tussen de lus en de fietspaden.
- Er is geen ruimte meer over voor een regentuin in het openbaar domein.
SNEDE D - TUSSEN IVC EN BEDRIJF VOOR AVCT
NIEUWE TOESTAND 2030
112 Snede B bestaande toestand
SNEDE D - TWEERICHTINGSFIETSPAD
BESTAANDE TOESTAND
SNEDE E - NIJVERHEIDSLAAN HOOFDWEG AAN E BALCAENSTRAAT
NIEUWE TOESTAND 2030
figuur 113 Snede B scenario 1
SNEDE D - VRIJLIGGENDE FIETSPADEN
figuur 114 Snede B scenario 2
figuur
3.5 VOETGANGERS
SCENARIO 2030 - VOETGANGERS WANDELEN VANAF DE E. BALCAENSTRAAT RICHTING DE COLLECTIEVE PARKING
Vanaf de bushalte aan de E. Balcaenstraat wordt een voetpad gelegd richting de collectieve parking.
voetgangersroute voetganger ontsluiting percelen
115 voetganger - scenario 2030
SCENARIO 2050 - VOETGANGERS WANDELEN WANDELEN VANAF DE COLLECTIEVE PARKING RICHTING DE RIJTGRACHT
- Doormiddel van het cascadesysteem zal hier plek voor water worden gemaakt dat richting de Rijtgracht gaat. De mogelijkheid bestaat om hier dan ook een wandelpad aan te koppelen richting de sportvelden.
- Vanaf de parking kunnen achterkanten van bedrijven ontsloten worden zodat voetgangers veilig bij hun werk kunnen komen. Hier zullen ook de fietsenstallingen geplaatst worden.
- Wanneer de lus wordt vergroot, kan de oude wegenis worden ingezet als trage weg.
116 voetganger - scenario 2050
figuur
figuur
6.3
VERDIEPEND THEMATISCH ONDERZOEK
2.1
7.1
7.2
1 PERCEEL 1: ZUINIG RUIMTEGEBRUIK
1.1 SPELREGELS PERCELERING
- Het bedrijventerrein heeft de ambitie om een plek te geven aan een mix van regionale en lokale bedrijvigheid. Hiervoor is een flexibel frame van belang waar zowel ruimte is voor grote als kleinere percelen. Om de diversiteit van bedrijven te kunnen waarborgen op de site, dienen Large (12.000 - 30.000m2) tot Extra Large percelen (> 30.000 m2) te worden beschermd. Versnippering van grote percelen is bijgevolg ongewenst, ze kunnen niet verder worden opgesplitst.
- Intensief ruimtegebruik wordt gestimuleerd door in te zetten op twee-gevel gebouwen i.p.v. vier-gevel gebouwen. De verhouding van bebouwing tot het terrein (B/T index) kan daardoor verhoogd worden van gemiddeld 50% naar 70% B/T.
1.2 SPELREGELS BEBOUWING
- Toegang tot de percelen worden gebundeld om ruimte te besparen en zo min mogelijk conflictzones te hebben tussen fiets- en wandelverkeer en gemotoriseerd verkeer. Voorkanten en logistieke toegangen richten zich tot de lus.
- Fietsenstallingen worden zoveel mogelijk ingericht aan de fietsinfrastructuur (vrij van het conflict met logistiek verkeer), bv. fietsenstallingen gekoppeld aan de Rijtgracht of aan de achterliggende trage weg tussen percelen.
- De bouwlijn wordt uniform uitgezet zonder verspringingen, en bevindt zich op een bepaalde afstand van de rooilijn, om ruimte te geven aan een private regentuin. Bedrijven kunnen vanaf de bouwlijn een kwalitatieve gevelwand bouwen.
- Functies zoals kantines, opslag, vergaderzalen et cetera kunnen efficiënt gedeeld worden in plaats van individueel te voorzien. Deze ruimtes kunnen intern geschakeld worden tussen gebouwen en/of opengesteld worden via een deelsysteem.
- Opslagruimtes mogen niet aan de voorzijde zichtbaar vanuit de straat worden ingericht. De opslagruimte dient intern in eigen bedrijfsgebouw te worden voorzien of achteraan buiten het zicht van de straat. Bij voorkeur worden opslagruimtes gedeeld tussen minstens twee eigenaars.
- Functies zoals kantoorruimtes of vergaderzalen worden zo veel mogelijk gestapeld.
- Daken worden zoveel mogelijk gebruikt voor verschillende soorten programma zoals zonnepanelen, parkeren, een recreatieruimte voor werknemers, groendak of waterbuffering.
1.3 SPELREGELS PARKEREN
Op het gebied van parkeren zijn er verschillende opties mogelijk die als een cascade kunnen worden gezien. Gebruik van de collectieve parking wordt aangemoedigd en parkeervoorzieningen op private percelen ontmoedigd, maar indien er toch op eigen perceel moeten worden voorzien, kunnen de spelregels worden gebruikt. De optie 1 geniet de voorkeur, maar indien dit niet mogelijk is, kan er worden gekeken naar optie 2 enzovoort.
- Optie 1: collectieve parkeervoorziening, toegankelijk voor alle bedrijven op het bedrijventerrein.
- Optie 2: gedeelde parkeervoorzieningen tussen een aantal bedrijven, bv. een bedrijf verhuurt overcapaciteit in hun parkeergarage aan andere bedrijven. De bouw van grotere parkeervoorzieningen kan gestimuleerd worden als de intentie is om dit open te stellen en collectief te maken.
- Optie 3: parkeren dat niet collectief geregeld is, wordt op het dak of intern in het gebouw of onder het gebouw op level 0 ingepast.
- (Optie) 4: parkeren in de open ruimte wordt op perceelsniveau ontmoedigd, dit is namelijk geen voorbeeld van zuinig ruimtegebruik en ten kosten van bebouwd oppervlak. De parking bij voorkeur inrichten achter of tussen de bedrijfsgebouwen in plaats van aan de straatvoorzijde.
1.4 SPELREGELS WATER
- Regentuinen liggen aan de voorzijde van het perceel en worden direct gekoppeld aan het watersysteem in openbaar domein. Door deze ligging kunnen private regentuinen nog steeds los van elkaar worden ingericht en individueel, met een overloop, verbonden worden met het openbaar domein. Percelen zijn dus niet afhankelijk van elkaar voor het voorzien van de regentuin / regentuin op eigen perceel.
- De regentuinen en het groen vormen samen een heldere lineaire groenstructuur. Dit zorgt voor een hogere beeldkwaliteit en aantrekkelijke toegangen.
1.5 SPELREGELS WATERGEBONDEN BEDRIJVIGHEID
- De laad- en loskade wordt een conflictvrije zone. Dit houdt in dat de kade niet toegankelijk is voor verkeer dat niet essentieel is voor overslagactiviteit zoals fietsers, wandelaar of personenwagens.
- De bedrijven zullen hun kortste zijde richten naar het water zodat zoveel mogelijk bedrijven toegang hebben tot de laad- en loskade. Dit voorkomt dat één bedrijf met een lange gevel de kade afdekt.
- De gebouwen kunnen geschakeld worden (tweegevelbedrijven).
- Een doorgang wordt gemaakt om tweedelijns bedrijven te verbinden met de laad- en loskade. Het aantal doorgangen naar tweedelijns bedrijven en daarmee conflictpunten met de lus dienen geminimaliseert te worden. Daarnaast is het mogelijk om over de weg te gaan met een transportband.
spelregels percelering
Spelregel: mix van percelen
“Streven naar een bedrijventerrein met een flexibel grid, met mix van grote en kleine percelen. Om dit te realiseren zullen grote percelen worden beschermd en wordt opsplitsing tegen gehouden.”
ca. 60 m (richtinggevend)
richtinggevend oppervlakte flexibele perceelsgroottes = 5.000 m 2 ca. 85 m (richtinggevend
Spelregel: intensief ruimtegebruik “van vier-gevel gebouwen naar twee-gevel gebouwen”
figuur 117 VGP-Park, Oosterhout
spelregels bebouwing
Spelregel: logistieke toegangen koppelen
“De verharding voor opritten naar de individuele bedrijven wordt zoveel mogelijk gekoppeld”
Spelregel: fietsenstallingen aan fietsinfrastructuur
“Stimuleren om fietsenstallingen aan de fietsinfrastructuur te leggen , zodat je rechtstreeks van het fietspad of trage weg je fiets kan afzetten bij de fietsenstalling ”
figuur 118 Wiedauwkaai, Gent
figuur 119 Bluegate, Antwerpen
Spelregel: één uniforme bouwlijn
“De bouwlijn wordt uniform uitgezet, en bevindt zich op een bepaalde afstand van de rooilijn, om ruimte te geven aan een private regentuin”
Spelregel: ruimte delen
“Functies zoals kantines, opslag, vergaderzalen et cetera kunnen efficiënt gedeeld worden in plaats van individueel te voorzien.”
figuur 121 Kantine Belpairegebouw, Brussel
figuur 120 Bedrijvenpark Lummen - MAMU Architects
Spelregel: opslag aan de achterzijde of inpandig “Opslag wordt aan de achterzijde of inpandig geclusterd buiten het zicht vanaf de straat. Deze logistieke ruimtes worden bij voorkeur gedeeld’’
Spelregel: van horizontaal naar verticaal “Functies zoals kantoorruimtes of vergaderzalen worden zo veel mogelijk gestapeld.’’
figuur 122 Werkliedenloods, Machelen - WE-S architecten
figuur 123 Bluegate, Antwerpen (nog niet uitgevoerd)
Spelregel: daken gebruiken
“Daken worden zoveel mogelijk gebruikt voor een bijkomende functie: bijvoorbeeld voor parkeren, zonnepanelen, waterbuffering of recreatie voor werknemers”
figuur 124 BALDR, Brugge
spelregels parkeren
Spelregel: parkeren optie 1
“Collectieve parkeervoorziening (in de vorm van een parkeergebouw of via een collectief laadplein op maaiveld), toegankelijk voor alle bedrijven op het bedrijventerrein.
Spelregel: parkeren optie 2
“Gedeelde parkeervoorzieningen tussen een aantal bedrijven”
figuur 125 Parking Zandpoortvest, Mechelen
Spelregel: parkeren optie 3
“Parkeren dat niet collectief is geregeld, wordt op het dak of intern in het gebouw of onder het gebouw op level 0 ingepast”
Spelregel: parkeren optie 4
“parkeren in de open ruimte wordt op perceelsniveau ontmoedigd, dit is namelijk geen voorbeeld van zuinig ruimtegebruik en gaat ten kosten van bebouwd oppervlak.”
figuur 126 Wiedauwkaai, Gent, parkeren op level 0
spelregels water
Spelregel: gekoppelde regentuinen
“Van gefragmenteerd groen en waterbuffering naar een gekoppeld watersysteem tussen publiek en privaat en één samenhangende groenstructuur”
Spelregel: regentuinen aan de voorzijde
“Private regentuinen worden aan de voorzijde van het perceel ingepast en staan direct in verbinding met het openbaar domein”
figuur 127 Fortstraat, Mortsel - OKRA
figuur 128 Buda, Vilvoorde - Denis Dujardin
spelregels watergebonden bedrijvigheid
Spelregel: conflictvrije kade
“De kade is enkel toegankelijk voor verkeer dat nodig is voor de overslagactiviteiten’’
Spelregel: korte gevel aan kade
“Gebouwen richten hun kortste gevel naar het water zodat zoveel mogelijk bedrijven toegang hebben tot de laad- en loskade.’’
Spelregel: tweedelijns verbinden
“Doorgangen tussen de gebouwen zorgen voor verbinding met tweedelijns bedrijven.’’
Spelregel: conflictpunten minimaliseren
“Zo min mogelijk doorgangen en verkeersbewegingen over de lus’’
2 PERCEEL 2: ENERGIE
2.1 ENERGIEBALANS VANDAAG EN IN DE TOEKOMST
2.1.1 ENERGIEBALANS OP NIVEAU VAN HET BEDRIJVENTERREIN
Om een beter beeld te krijgen van het energieverbruik werd de energiebalans op niveau van het bedrijventerrein in kaart gebracht. Het elektriciteitsverbruik- en productie werd geïnventariseerd voor het bedrijventerrein, hieruit blijkt dat er ondanks de aanwezigheid van 3 windturbines op de site nog meer dan een factor 4 meer verbruik dan productie is op de site. De totale elektriciteitsvraag in 2022 bedroeg 87 MWh, terwijl er zo’n 18 MWh lokaal geproduceerd werd. Hierdoor is de zelfvoorzieningsgraad van het bedrijventerrein beperkt tot 20%. De mate van zelfconsumptie is hierdoor wel hoog, boven de 90%. Dit betekent dat het overgrote deel van de lokaal geproduceerde energie ook ogenblikkelijk verbruikt wordt op het bedrijventerrein zelf, maar dat dit slechts een beperkt deel van de totale elektriciteitsvraag dekt. Daarnaast wordt er ook een aanzienlijke hoeveelheid gas verbruikt op het bedrijventerrein. In 2022 bedroeg de jaarlijkse gasafname net geen 60 GWh.
Richting 2050 verwachten we een sterke wijziging van het energie verbruik op de site als gevolg van de verwachte elektrificeringsgolf in transport, het verwarmen van gebouwen en voor productieprocessen. Op basis van de bedrijvigheid vandaag verwachten we als gevolg hiervan een stijging van de elektriciteitsvraag tot 116 MWh. Daarnaast is er op de site ook nog veel vrije dakoppervlakte beschikbaar waar er met behulp van PV-panelen extra energie geproduceerd kan worden. Er vanuit gaande dat op termijn alle daken volledig uitgerust kunnen worden met PV-panelen, kan de lokaal geproduceerde energie stijgen tot 28 MWh/jaar. Hieruit stellen we vast dat het elektriciteitstekort met het productiepotentieel op de site, zal aanhouden in de toekomst, de kloof zal zelf nog groter worden. Dit zorgt ervoor dat de zelfconsumptie nog verwacht wordt verder te stijgen tot 99%, de zelfvoorzieningsgraad stijgt licht als gevolg van de extra lokale productie tot 24%. Dit wil zeggen dat in de toekomst quasi alle lokaal geproduceerde energie ook lokaal gebruikt kan worden, maar dit blijft nog steeds een beperkt deel van de totale elektriciteitsvraag. We gaan er hierbij vanuit dat er in de toekomst geen gasverbruik meer zal zijn.
Op basis van bovenstaande energiebalansen trekken we volgende conclusies:
1. Er is nog maar een beperkt deel van de daken uitgerust met PV-panelen. Het productiepotentieel van de daken is daarmee vandaag slechts beperkt benut, echter is 65% van het productiepotentieel op de site al gerealiseerd door de plaatsing van de windturbines.
2. De elektriciteitsconsumptie is vandaag meer dan een factor 4 groter dan de productie. De consumptie wordt verwacht nog verder te stijgen in de toekomst (+30%) als gevolg van de elektrificatie van verwarming en transport.
3. De zelfvoorzieningsgraad is beperkt tot 20% vandaag en 24% in de toekomst. Dit is een gevolg van het beperkte productiepotentieel op de site en de aanzienlijke elektriciteitsconsumptie.
4. De zelfconsumptie is vandaag zeer hoog (93%), dit wordt verwacht zich verder te zetten in de toekomst (tot 99%). Dit wil zeggen dat quasi alle lokaal geproduceerde energie ook lokaal verbruikt kan worden op het bedrijventerrein, dit komt omdat de elektriciteitsconsumptie vele maten groter is dan de productie.
2.1.2 ENERGIEBALANS OP NIVEAU VAN DE INDIVIDUELE BEDRIJVEN
Om een meer gedetailleerd beeld te krijgen van het energieverbruik op niveau van de bedrijven trachten we de energiebalans op niveau van de individuele bedrijven in kaart te brengen. We hebben hiervoor data proberen te verzamelen via een bevraging bij de bedrijven, de input hieruit is eerder beperkt, dit werd verder aangevuld met aannames waar mogelijk. Op dit moment kunnen we echter geen volledig beeld schetsen op niveau van de individuele bedrijven. Hoewel de data een onvolledig beeld schetst, toont deze oefening alsnog een aantal duidelijke tendensen:
1. IVC/Unilin is verantwoordelijk voor meer dan de helft van het elektriciteitsverbruik vandaag (60%)
2. Voor een aantal bedrijven verwachten we een sterke toename in de elektriciteitsvraag omwille van elektrificatie van transport, deze bedrijven hebben ook weinig potentieel voor lokale productie op de site (bv. Eco Wash, D’Huyvetter Beton, Rulo Service)
3. Bedrijven die vandaag al PV hebben, hebben een hoge mate van zelfconsumptie, omdat het verbruik aanzienlijk groter is dan de productie. Voor een aantal bedrijven is er een mooie balans tussen productie en consumptie in 2050 (bv. Baetens, Jardinico, Schellaert), maar de meeste bedrijven hebben een energietekort.
2.1.3
CONCLUSIES
Op basis van de eerste analyse van het bedrijventerrein zien we volgende conclusies:
1. Het bedrijventerrein wordt geconfronteerd met een energietekort, dit is vandaag het geval en zal in de toekomst zo blijven
Op dit moment is er sprake van een energietekort op de site, we stellen vast dat de elektriciteitsconsumptie meer dan 4 keer groter is dan wat er vandaag geproduceerd wordt. We stellen vast dat vandaag reeds 65% van het productiepotentieel benut is. Het windpotentieel is vandaag volledig benut met de 3 reeds geplaatste windturbines. Het resterende productiepotentieel zit in de daken die vandaag nog onvoldoende voorzien zijn van PV-panelen. Vandaag zien we een zelfvoorzieningsgraad van slechts 20%, met de bijkomende lokale productie via PV-panelen kan dit in beperkte mate stijgen tot zo’n geschatte 24%. Bijgevolg verwachten we dat ook in de toekomst het merendeel van de consumptie buiten het bedrijventerrein geproduceerd zal worden.
2. Er wordt een sterke stijging verwacht van de elektriciteitsconsumptie in de toekomst als gevolg van de elektrificatie van verwarming en transport
Als gevolg van de elektrificatie van verwarming en transport wordt een aanzienlijke stijging van de elektriciteitsconsumptie in de toekomst verwacht, de consumptie zal naar verwachting met zo’n 30% toenemen. We verwachten voor een aantal bedrijven op het terrein, zoals Eco Wash, D’Huyvetter Beton en Rulo Service, een sterke toename door de elektrificatie van transport. Deze bedrijven hebben echter weinig potentieel voor lokale energieproductie op hun eigen site. Door het grote verschil tussen consumptie en lokale productie zien we vandaag reeds een hoge mate van zelfconsumptie, met de bijkomende elektriciteitsvraag wordt verwacht dat dit nog verder zal stijgen tot een geschatte 99%. Dit betekent dat bijna alle lokaal geproduceerde energie ook daadwerkelijk lokaal wordt verbruikt.
3. Er zijn grote verschillen tussen de verschillende bedrijven op het bedrijventerrein op vlak van energieconsumptie en -productie(potentieel)
We zien dat er zowel op vlak van elektriciteitsconsumptie als -productie grote verschillen zijn tussen de bedrijven. Terwijl bepaalde bedrijven een groot verbruik hebben met een beperkt potentieel voor bijkomende lokale productie, geldt het omgekeerde voor andere bedrijven. Het valt op dat IVC/Unilin verantwoordelijk is voor meer dan de helft (60%) van het huidige elektriciteitsverbruik. Dit heeft als gevolg dat zij in staat
zijn om een aanzienlijk deel van de lokaal geproduceerde energie dat door andere bedrijven wordt opgewekt, zelf te verbruiken. Onder de bedrijven die al beschikken over zonnepanelen zien we een hoge mate van zelfconsumptie, aangezien hun verbruik aanzienlijk groter is dan hun productiecapaciteit. Dit verwachten we in de toekomst nog steeds te zien voor het merendeel van de bedrijven.
figuur 129 Elektriciteitsvebruik Avelgem vandaag
figuur 130 Energievebruik Avelgem vandaag
2.2 TOEKOMSTBEELD 2030-2050
In het toekomstbeeld van het bedrijventerrein zullen we volop inzetten op het verduurzamen van de energievoorzieningen, het bevorderen van de energiezekerheid en het behouden/bevorderen van het concurrentievermogen van de bedrijven met een betaalbare energievoorziening. Deze drie doelstellingen dienen als uitgangspunt bij het opmaken van de toekomstvisie. Op basis van de vaststellingen uit de statusanalyse zetten we in op drie pijlers die bovenstaande doelstellingen mogelijk maken, deze pijlers zijn:
1. Duurzame energieopwekking: Door maximaal in te zetten op lokale duurzame energieopwekking verminderen we de afhankelijkheid van externe energieopwekking en verhogen we de zelfvoorzieningsgraad van het bedrijventerrein, we geven invulling aan de elektriciteitsvraag die we nog bijkomend verwachten in de toekomst. Hiermee verhogen we de energiezekerheid, verduurzamen we de energieproductie en krijgen de bedrijven toegang tot goedkope groene energie.
2. Collectieve systemen: Door collectieve systemen te voorzien kunnen we op een efficiëntie manier gebruik maken van de benodigde energie-infrastructuur en kunnen we optimaal gebruik maken van de lokaal geproduceerde energie. Hiermee kunnen we een betaalbare, duurzame energievoorziening realiseren.
3. Flexibele energie-uitwisseling: Een flexibele energietuitwisseling moet zorgen voor een optimaal gebruik van de lokaal geproduceerde energie op het bedrijventerrein, dit moet er voor zorgen dat we maximaal kunnen inzetten op zo veel mogelijk lokaal geproduceerde energie, die duurzaam, betaalbaar en zeker is.
In het toekomstbeeld van het bedrijventerrein wordt er duurzame energieopwekking voorzien door:
- De dakoppervlakte maximaal te benutten voor energieproductie via PV-panelen
- Het productiepotentieel van wind verder uit te breiden door ook de mogelijkheden voor bijkomende windturbines in de omgeving te activeren en door de bestaande windturbines op termijn te vervangen door nieuwe, performantere turbines
- De mogelijke warmtebronnen in de omgeving te ontginnen die een warmtenet kunnen voeden (aquathermie, riothermie, geothermie)
Er worden collectieve systemen voorzien in de vorm van:
- Een warmtenet dat duurzame warmte kan transporten naar de bedrijven op het bedrijventerrein
- Een collectief laadplein voor het laden van elektrische voertuigen (personenwagens en/of trucks)
én er wordt op een flexibele energie-uitwisseling opgezet tussen de bedrijven door:
- Een energiegemeenschap op te richten waarbinnen energie gedeeld kan worden tussen de bedrijven
- Een smart grid uit te rollen dat voor een slimme energieuitwisseling zorgt waarmee consumptie optimaal wordt afgestemd op (lokale) productie (demand side management). De flexibiliteit van de collectieve systemen zoals het laadplein kunnen hiervoor optimaal benut worden.
- Een gecoördineerde aanpak voor netuitbreidingen af te spreken
Onderstaande figuren tonen het toekomstbeeld van het bedrijventerrein op korte termijn (2030) en lange termijn (2050). Vandaag spelen aardgas en andere fossiele brandstoffen nog een prominente rol in de energievoorziening op het bedrijventerrein. Het toekomstbeeld focust daarom sterk op elektrificatie van warmte en transport, en op de uitbouw van duurzame elektriciteitsopwekking. Tegelijkertijd erkennen we dat deze fossiele brandstoffen niet van vandaag op morgen zullen verdwijnen, en ook in de komende jaren nog een rol zal blijven spelen.
We zien de korte termijn visie als een eerste transitiestap die de lange termijn visie mogelijk moet maken. De fasering en concrete acties worden verder toegelicht in het actieplan.
figuur 131 Toekomstbeeld 2030 energie
figuur 132 Toekomstbeeld 2050 energie
3 PERCEEL 3: ‘WATER’
3.1 NULMETING
Het bedrijventerrein Avelgem Industriezone is gelegen in het zuiden van Avelgem langs de gewestweg N391A en is watergebonden via de Schelde. Het bedrijventerrein werd door Leiedal gerealiseerd eind de jaren ’70, begin de jaren ’80. Leiedal is tevens de beheerder van dit bedrijventerrein en staat in voor de wettelijk verplichte taken die hieraan verbonden zijn. Het onderhoud van het openbaar domein wordt door de gemeente Avelgem opgenomen en bekostigd. Onderstaande figuur geeft een overzicht van het bedrijventerrein en verdeling van de percelen.
133 Perceelplan
De volgende bedrijven zijn aanwezig op het bedrijventerrein.
134 Overzicht bedrijven
3.1.1 WATERBALANS BEDRIJVEN
Om een beter beeld te krijgen van de waterstromen op het bedrijventerrein werd de waterbalans in kaart gebracht. De watervraag- en aanbod werd geïnventariseerd voor het bedrijventerrein. We hebben hiervoor data proberen te verzamelen via een bevraging bij de bedrijven. De input hieruit werd verder aangevuld met aannames waar mogelijk. Dit resulteert in onderstaand Sankey-diagram. Bedrijven met weinig werknemers die geen water gebruiken in het productieproces zijn niet opgenomen in dit overzicht. Hieruit wordt het volgende besloten:
- In totaal wordt er 21.411 m³ water per jaar verbruikt op het bedrijventerrein.
- De verschillende bedrijven gebruiken zowel drinkwater, grondwater, als hemelwater.
- Er is een afnamepunt voor Scheldewater op het terrein.
- Het maximaal op te vangen volume hemelwater bedraagt ca. 160.000 m³ per jaar.
figuur
figuur
- Dit werd berekend aan de hand van onderstaande aannames:
Oppervlakte gebouwen = 24,13 ha 740 mm neerslag per m² per jaar
Infiltratiecoëfficient = 0,9
- In theorie, met een oneindig grote hemelwaterbuffer en indien de kwaliteit zou volstaan, kan alle watervraag ingevuld worden door regenwater. Hieruit kan besloten worden dat er intern op het bedrijventerrein een overschot aan hemelwater is.
figuur 135 Sankey diagram
3.1.2
OVERSTROMINGSGEVOELIGHEID
De overstromingsgevoeligheid van het bedrijventerrein werd onderzocht aan de hand van beschikbare kaarten. Ook werd in de bevraging nagevraagd of de bedrijven reeds wateroverlast gekend hebben. Hieruit wordt het volgende besloten:
- De gemeente Avelgem ondervindt regelmatig overstromingen. Bij hevige regenval wordt de sluis in Oudenaarde dicht gedaan terwijl in Frankrijk net de sluizen open gezet worden, waardoor er in Avelgem veel water samenkomt en er problemen optreden.
- Tot nu toe zijn er op het bedrijventerrein weinig problemen, al ligt het bedrijventerrein wel in overstromingsgevoelig gebied (zowel pluviaal als fluviaal). D’Huyvetter Beton heeft al wateroverlast ondervonden op hun terreinen bij hevige regenval, maar niet in de gebouwen.
- Wat-als-simulatie Vlaanderen met neerslag juli 2021 (rapport Vlaamse Waterweg en IMDC):
- Indien waterbom van Demer 2021 (107 l in 24u) zou vallen boven Avelgem, dan zou er 14.231.000 euro schade zijn.
- Indien waterbom van Wallonië 2021 (230 l in 48u) zou vallen boven Avelgem, dan zou er 575.705.000 euro schade zijn.
Pluviale overstroming
- Een groot deel van het bedrijventerrein is nu al gevoelig voor pluviale overstromingen. In het zuiden heeft D’Huyvetter Beton hier al hinder door ondervonden bij hevige regenval. Echter ook rondom de gebouwen van Balta en Unilin/IVC zijn verschillende overstromingsgevoelige zones te vinden. Bij een T100 (=regenbui die eens om de 100 jaar voorkomt) wordt op de meeste plaatsen een waterdiepte tot maximaal 50 cm voorspeld. In het zuiden bij D’Huyvetter beton is er ook een zone waar waterdiepte meer dan een halve meter bedraagt.
- Onder het toekomstig klimaat blijft de overstromingszone ongeveer hetzelfde, maar de waterdiepte zal toenemen.
figuur 137 Pluviaal overstromingsgevaar huidig klimaat
figuur 138 Pluviaal overstromingsgevaar toekomstig klimaat
Fluviale overstroming
- Onder het huidige klimaat is er vooral overstromingskans in de noordelijke hoek van het terrein. Het LVT3 gebouw van IVC staat daar in de gevarenzone. Op onderstaande kaarten zie je verder ook het bufferbekken bij IVC/Unilin aangeduid staan, alsook laadplaatsen voor vrachtwagens langs de bedrijven.
- Bij het toekomstig klimaat (2050) breidt de overstromingszone zich uit langs de noordwestelijke zijde van gebouw Balta en tussen de gebouwen van Balta, Osta Carpets en Unilin/IVC.
139 Overstromingsgevoeligheid fluviaal
figuur
figuur 140 Fluviaal overstromingsgevaar huidig klimaat
figuur 141 Fluviaal overstromingsgevaar toekomstig klimaat
3.1.3
VERHARDINGEN
Het bedrijventerrein heeft een verhardingsgraad van ongeveer 90%, 43 van de 48 ha is er verhard. De helft van het bedrijventerrein bestaat uit gebouwen (24 ha), terwijl de oppervlakte van groenzones vrij beperkt is (4 ha).
Nieuwe GSV
Volgens de nieuwe GSV moet er bij de (her)aanleg van (nieuwe) verhardingen 330 m³/ha infiltratievolume voorzien worden. Wanneer dit niet mogelijk is, dient er 430 m³/ha bufferingvolume aangelegd te worden.
Dit wil zeggen dat er in theorie voor het hele bedrijventerrein zo’n 18.503 m³ buffering nodig zou zijn, wanneer alle verhardingen meegeteld worden (43 ha x 430 m³/ha = 18503 m³). Er werd gerekend met 430 m³/ ha, gezien de beperkte infiltratiemogelijkheden op het bedrijventerrein (zie Sectie 2.6). Een aantal bedrijven beschikken echter reeds over hemelwaterputten, hierdoor zou hun dakoppervlakte deels in mindering mogen gebracht worden in bovenstaande berekening. Ook
verhardingen die afwateren naar groene zones vallen, onder bepaalde voorwaarden, niet onder de GSV verplichting. Indien de wegenis dus bijvoorbeeld kan afstromen naar de berm valt deze oppervlakte weg. Uit de bevraging van de bedrijven blijkt dat Eco-Wash infiltratieputten van 40 m³ heeft en Rulo Service heeft 240 m³ infiltratiekratten. Daarnaast heeft D’Huyvetter Beton een buffervoorziening van 250 m³. Bij IVC zijn er ook twee bufferbekkens, maar het volume hiervan is niet gekend. Op basis van luchtfoto’s is te zien dat deze samen een oppervlakte hebben van ongeveer 1600 m². Wanneer een diepte van 2 meter verondersteld wordt, komt dit neer op een volume van ongeveer 3200 m³. Wanneer dit allemaal opgeteld wordt, schatten we dat er momenteel zo’n 3730 m³ infiltratie-/buffervolume aanwezig is op het bedrijventerrein. Dit ligt dus nog ver van de 18500 m³ buffervolume die in theorie nodig zou zijn volgens de nieuwe GSV. Wanneer er in de toekomst een nieuwe riolering zou komen of wanneer bedrijven verbouwingen willen doen, zullen ze rekening moeten houden met deze regelgeving.
figuur 142 Bodembedekking
figuur 143 : Op basis van de resultaten uit de bevraging van de bedrijven werd aangeduid welke daken aangesloten zijn op een regenput of een buffer. De groengekleurde gebouwen, zijn gebouwen waarvan we op basis van de bevraging niet hebben kunnen afleiden wat er met het regenwater gebeurt. IVC/Unilin heeft nog een bekken, maar we weten niet juist welke gebouwen daarop aansluiten.
3.1.6 ONTHARDINGSKANSEN
De verhardingsgraad op het bedrijventerrein is zeer hoog (±90%). De onthardingskansenkaart hieronder geeft aan welk soort verhardingen er aanwezig zijn: publiek/privaat, gebouwen/wegenis/andere. Hierdoor zien we dat het openbaar domein maar een zeer beperkt deeltje inneemt van de totale oppervlakte, daar zijn dus relatief weinig kansen om te ontharden. Op privaat domein nemen de gebouwen het grootste deel van de ruimte in, maar er zijn ook heel veel andere verhardingen aanwezig op privaat domein.
Deze ‘andere verhardingen’ kunnen mogelijks kansen bieden om te ontharden, zo dient bekeken te worden of deze allemaal wel noodzakelijk zijn en of ze bijvoorbeeld niet waterdoorlatend kunnen aangelegd worden. Een goed voorbeeld hiervan zijn parkeerplaatsen voor auto’s, vaak kunnen deze ook aangelegd worden met kiezels, grasdallen of waterdoorlatende verhardingen. Op basis van luchtbeelden en Google Streetview werden de parkeerplaatsen op het bedrijventerrein aangeduid, zoals te zien op de figuur hieronder. Verschillende bedrijven hebben al parkeerterreinen die met kiezels zijn aangelegd, maar het bedrijventerrein telt ook nog zo’n 1,7 ha aan volledig verharde parkeerplaatsen. Dit biedt dus wel nog wat onthardingsmogelijkheden.
145 Parkeerplaatsen bestaande situatie
figuur
3.1.4
RIOLERING
Momenteel ligt op het bedrijventerrein een gemengd rioleringsstelsel dat loost op de Oude Schelde en de Bovenschelde, dit wil zeggen dat zowel regenwater als afvalwater in de waterlopen belanden. De gebouwen in het noorden van het bedrijventerrein liggen in centraal gebied (zie geel gearceerde zone op onderstaand figuur), en zouden dus wel aangesloten moeten zijn op de collector van Aquafin die naar het RWZI loopt.
figuur 146 Huidige rioleringsstelsel uit de databank van Aquafin
3.1.5 INFILTRATIEMOGELIJKHEDEN
Op basis van de infiltratiegevoeligheidskaart, hellingen in het terrein en grondwaterpeilen is het mogelijk om een infiltratiekansenkaart op te stellen, die aanduidt welke zones geschikt zijn voor infiltratie. Zoals te zien is op onderstaande figuur, zijn de kansen voor infiltratie op het bedrijventerrein eerder beperkt. Enkel in de zuidelijke hoek is er een gunstige combinatie van bodem en grondwaterstanden.
De bodemkaart toont dan ook aan dat grote delen van het bedrijventerrein een kleibodem hebben (groene vlakken op de bodemkaart). De bruine vlakken duiden natte zandleem aan, wat beter geschikt is voor infiltratie dan klei, maar toch als ongunstig wordt aangeduid op de infiltratiegevoeligheidskaart.
Daarnaast hebben we gekeken naar grondwatermetingen die vrij beschikbaar zijn op Databank Ondergrond Vlaanderen (DOV). Op het bedrijventerrein zelf zijn geen meetpunten beschikbaar, dus werd een interpolatie gemaakt van meetpunten in de buurt. De kaart hieronder toont de gemiddelde diepte van het grondwater onder het maaiveld, maar dit is dus slechts een inschatting o.b.v. interpolatie: in realiteit kunnen deze waarden anders zijn. De legende toont aan dat er ook negatieve waarden zijn, waar het grondwater dus boven het maaiveld zou staan, dit is een gevolg van de interpolatie.
De kaart duidt in de noordelijke helft van het bedrijventerrein aan dat het grondwater minder dan 1 meter diep zit. Dit maakt het moeilijk om in te zetten op infiltratie. In het zuiden van het projectgebied zou het grondwater wel 1 à 3 meter diep zitten, daar is dus in theorie wel ondiepe infiltratie mogelijk.
figuur 148 Gemiddelde diepte van het grondwater onder het maaiveld
figuur 149 Bodemkaart
3.2 ANDERE ACTIES
Er werden verschillende mogelijke acties overwogen met betrekking tot water op het bedrijventerrein in Avelgem. Niet al deze acties werden opgenomen in de longlist. Hieronder volgt een korte bespreking van deze alternatieven en waarom ze na onderzoek niet opportuun bevonden zijn voor dit bedrijventerrein.
- Hergebruik effluent Aquafin op het bedrijventerrein. Effluentwater heeft als voordeel dat het continu beschikbaar is. In Avelgem is een effluentpotentieel van maar liefst 1481 m³/d (bron: Aquamarkt). Deze actie is weerhouden omdat de gekende watervraag (2030) op het bedrijventerrein relatief klein is. Aan deze watervraag kan voldaan worden door regenwater. Regenwater is bovendien van een hogere kwaliteit dan effluentwater. Mocht het verbruik hoger worden in 2050, kan hergebruik van effluentwater wel een mogelijkheid zijn, maar er zijn momenteel te weinig elementen om dit aan te nemen.
- Gebruik van hemelwater buiten het bedrijventerrein: Haalbaarheid onderzoeken voor regenwateropvang en -hergebruik irrigatie van sportterrein KVK Avelgem. KVK Avelgem heeft 3 sportterreinen. Er werd onderzocht of het overtollig water van bedrijventerrein Avelgem naar de bestaande regenwaterput dicht bij het sportterrein gebracht kan worden. Hiervoor zou een lange leiding moeten aangelegd worden. Dergelijke kosten vallen niet binnen dit project, dat focust op het bedrijventerrein zelf.
- Gebruik van effluentwater voor landbouw/haalbaarheid onderzoeken voor regenwateropvang en -hergebruik, en infiltratie voor de landbouw. Niet weerhouden omdat de watervraag vanuit de landbouw te beperkt is. Dit blijkt uit de input van Inagro. Er is bovendien al een afnamepunt voor Scheldewater op het terrein waarvan landbouwers gebruik kunnen maken.
4 PERCEEL 4 ‘MATERIALEN’
4.1 ONDERZOEK NAAR INDUSTRIËLE
SYMBIOSE: SYNERGIEËN IN RESTSTROMEN VAN KERNACTIVITEITEN
Industriële symbiose op een bedrijventerrein klinkt eenvoudig: de reststromen van het ene bedrijf worden grondstoffen voor het andere. In de praktijk blijkt dat een stuk complexer. De bedrijventerreinen in Vlaanderen zijn vaak een mix van zeer uiteenlopende activiteiten, waardoor reststromen in samenstelling, volume en kwaliteit sterk verschillen. Wat voor de ene onderneming een bruikbare grondstof lijkt, voldoet zelden aan de technische of kwaliteitsvereisten van een andere speler. Vaak zitten in Vlaanderen ook volledig verschillende waardeketens samen op één terrein. Daar komt nog bij dat er weinig transparantie is over welke reststromen beschikbaar zijn. Veel bedrijven registreren hun stromen niet in detail of houden die gegevens liever vertrouwelijk. Daardoor is het moeilijk om goede matches te maken, laat staan om er betrouwbare samenwerkingen rond op te bouwen.
Ook de wetgeving werkt industriële symbiose niet altijd in de hand. Reststromen worden vaak juridisch als “afval” gezien, wat betekent dat er strikte regels gelden voor transport, verwerking en hergebruik. Dat verhoogt de administratieve lasten en maakt projecten complex en duur. Zonder een coördinerende partij of gedeelde infrastructuur op het terrein – denk aan opslag, leidingen of transportfaciliteiten – blijft de drempel om samen te werken bovendien hoog.
In de toekomst kan industriële symbiose ook op kleinere bedrijventerreinen realiteit worden. Digitale platforms (zoals MATIS van OVAM) en realtime monitoring zullen duidelijk maken welke stromen beschikbaar zijn, in welke volumes en met welke kwaliteit, waardoor bedrijven sneller en efficiënter kunnen samenwerken. Een meer flexibele regelgeving kan daarbij het hergebruik van reststromen stimuleren door ze onder voorwaarden niet langer als afval te bestempelen. Een bedrijventerreinvereniging kan als neutrale coördinator optreden en gezamenlijke investeringen in gedeelde opslag, transport of zelfs microgrids faciliteren. Door bedrijventerreinen bovendien regionaal te verbinden, wordt de kans groter dat vraag en aanbod elkaar vinden, met circulaire hubs als knooppunten in het netwerk. De kade in Avelgem biedt hier duidelijke opportuniteiten.
4.2 ONDERZOEK NAAR EEN GEZAMENLIJK RECYCLAGEPARK
Het gezamenlijk inzamelen van de verplichte afvalfracties op een bedrijventerrein lijkt op het eerste gezicht een logische en efficiënte oplossing. In de praktijk is dat vandaag echter vaak minder evident dan het lijkt. Elk bedrijf is wettelijk verplicht om een reeks afvalfracties gescheiden in te zamelen, en die verantwoordelijkheid ligt bij de individuele perceeleigenaar of huurder. Daardoor kiest elk bedrijf zijn eigen afvalpartner, met eigen contracten, containers en ophaalmomenten. Het resultaat: een wirwar van containers op de percelen, veel onbenutte ruimte, en een stroom van verschillende vrachtwagens die het terrein op- en afrijden. Dat is niet alleen inefficiënt
qua ruimte en logistiek, maar ook duur voor de bedrijven afzonderlijk.
Daarnaast spelen er juridische en organisatorische drempels. Bedrijven zijn onzeker over de aansprakelijkheid en conformiteit bij een gedeeld systeem: wie is verantwoordelijk als er een fout wordt gemaakt in de sortering? Hoe garanderen we een veilige afsluiting en vlotte toegang tot de gedeelde containers als deze niet op het eigen terrein staan? Hoe geraken we met ons afval veilig tot aan het gezamenlijk punt (de volumes afval kunnen omvangrijk zijn)? En vooral: hoe worden de kosten verdeeld als de fracties niet evenredig worden aangeleverd? Deze onzekerheden maken dat bedrijven de voorkeur geven aan hun eigen, vertrouwde regeling, zelfs al weten ze dat het niet de meest efficiënte oplossing is.
Ook het gebrek aan coördinatie speelt een rol. Zonder een bedrijventerreinvereniging die de regie neemt, is het moeilijk om bedrijven rond de tafel te krijgen en gezamenlijke afspraken te maken. Bovendien zijn afvalcontracten vaak meerjarig, waardoor de overstap naar een collectieve aanpak niet meteen mogelijk is. Het gevolg is dat veel bedrijventerreinen blijven werken met een lappendeken van individuele contracten en ophaalschema’s, terwijl de collectieve schaalvoordelen onbenut blijven.
Toch liggen er in de toekomst grote kansen. Door het opzetten van een centraal recyclagepunt op het terrein en het gebruik van slimme technologie – zoals digitale registraties en sensoren – kan de inzameling beter worden gecoördineerd. Een neutrale terreinbeheerder kan instaan voor de verdeling van kosten en verantwoordelijkheden, zodat bedrijven niet het gevoel hebben dat ze de controle verliezen. Bovendien kan samenwerking leiden tot betere sortering en lagere tarieven dankzij grotere volumes en minder vervoersbewegingen. Zo kan een terrein evolueren van een gefragmenteerde en dure aanpak naar een efficiënt, collectief systeem dat ruimte bespaart, kosten drukt en de circulaire ambities van het bedrijventerrein versterkt.
4.3 ONDERZOEK NAAR VOORBEELDEN VAN CIRCULAIRE WEGEN
Tijdens het onderzoek naar meer duurzame aanleg van de wegenis, gingen we op zoek naar voorbeelden (voornamelijk Benelux) voor elk van de circulaire strategieën. Hieronder een overzicht per onderdeel van de weginrichting. We hernemen nog even de strategieën:
figuur 150 Algemene circulaire principes
4.4 RIJBAAN
De rijbaan vormt het meest belastbare deel van de openbare weg en wordt in industrie- of logistieke omgevingen vaak zwaar gebruikt. Tegelijk bevat ze de meeste materiaalvolumes, vooral in de onderlagen, funderingen en asfalt- of betonverharding. De milieu-impact van deze materialen is aanzienlijk, zeker bij nieuwe aanleg. Een circulaire benadering moet dan ook starten met een analyse van wat er al ligt. Wanneer een bestaande rijweg aanwezig is, ligt het accent op behoud en hergebruik:
- Bij een asfaltverharding is frezen en hergebruik van asfaltgranulaat (R8 - Recycle) een vaak toegepaste techniek.
- Ook bij betonverharding is vergrijzelen tot granulaat (R8) een optie.
- Wanneer de bestaande onderlagen nog stabiel zijn, kunnen deze behouden blijven (R6 - Remanufacture) en enkel de bovenlaag vernieuwd worden.
Voor nieuwe wegaanleg is het essentieel om de ontwerpkeuzes kritisch te bekijken:
- R0 - Refuse is relevant bij het vermijden van onnodige verbreding of tracés met weinig toegevoegde waarde.
- R1 - Rethink stelt vragen bij het profiel: is de rijbaanbreedte nodig? Kan gedeeld ruimtegebruik overwogen worden?
- R2 - Reduce vertaalt zich in dunnere lagen met hogere performantie, of lichtere constructies door optimalisatie van funderingsopbouw.
Tot slot biedt een vraaggerichte aanbesteding kansen om producenten of aannemers uit te dagen met innovatieve technieken zoals:
- hoogwaardig warm/koud gerecycleerd asfalt (R8 - Recycle),
- hergebruikt bitumen uit dakrollen (R3 - Reuse) of
- opgewaardeerde asfaltmengsels op basis van circulaire bindmiddelen (R5 - Refurbish).
Voor een parking zijn hoofdzakelijk gelijkaardige overwegingen te maken.
R-strategie Voorbeeld
R0 – Refuse (Weigeren)
Gent: Het Mobiliteitsplan vermijdt extra verharding in de binnenstad door doorgaand verkeer te beperken en alternatieven zoals fietsen en openbaar vervoer te bevorderen. Bron
R1 – Rethink (Herdenken)
Gent: Het Circulatieplan hertekent verkeersstromen binnen de stadsring om de leefbaarheid te verbeteren en het autoverkeer te verminderen. Bron
Ander voorbeeld
Nederland: Het kabinet pauzeerde vijf wegprojecten, waaronder de A7/A8 Amsterdam-Hoorn, om middelen te heralloceren naar andere mobiliteitsdoelen. Bron
Nederland: Rijkswaterstaat opende de Innovatiestrook A58 bij Oirschot als testlocatie voor duurzame wegenbouw, waarbij natuurlijke materialen en asfaltvarianten met ten minste 60% hergebruikt materiaal worden getest. Bron
R2 – Reduce (Verminderen)
Zeist: Pilotproject met Ecofalt, een duurzaam asfaltalternatief geproduceerd zonder gasverbruik en met lagere CO2-uitstoot. Bron
R4 – Repair (Herstellen)
R5 – Refurbish (Opknappen)
Leuven: Toepassing van koud asfalt voor het onmiddellijk herstellen van putten en gaten in wegen, opritten en parkeerplaatsen. Bron
Friesland: Opwaardering van de baan met Cold Asphalt Recycling Train. Bron
Nederland: Rijkswaterstaat introduceerde Warm Mix Asfalt, geproduceerd bij lagere temperaturen, wat resulteert in minder energieverbruik en CO2-uitstoot. Bron
Nederland: Onderhoud aan viaduct Immenberg (N786) om beschadigingen te herstellen en de veiligheid te waarborgen. Bron
Nederland: Renovatie van de Westerwoldse Aa-brug in de A7 om onderdelen te vervangen of te renoveren en de beoogde levensduur te halen. Bron
R6 –Remanufacture (Hernieuwbouw)
Antwerpen: Gebruik van asfalt met 70% gerecycleerd materiaal op de E313, waarbij oude materialen zijn hergebruikt en verrijkt met verjongingsmiddelen.
R7 – Repurpose (Hergebruiken voor ander doel)
R8 – Recycle (Recycleren)
Nederland: Oude betonplaten worden hergebruikt als fundering voor fietspaden. Bron
Europa: Re-road framework project – Wetenschappelijk kader voor 99% asfalt recycling. Bron
Nederland: Rijkswaterstaat introduceerde biobased bitumen als vervanger van traditionele bitumen in asfalt, wat bijdraagt aan het terugdringen van CO2-uitstoot en het gebruik van fossiele grondstoffen. Bron
Utrecht: 100% gerecycled asfalt hergebruikt (bitumen uit dakbedekking). Bron
R9 – Recover (Terugwinnen van energie)
Nederland: Energie terugwinnen uit asfalt door het gebruik van thermische reiniging van teerhoudend asfalt.
Nederland: Aanleg van een rijbaan met elektrische tandemwals en asfaltspreidmachine Bron
4.5 FIETSPADEN
Fietspaden en voetpaden vragen minder robuuste materialen dan de rijbaan, maar net daardoor bestaan er meer circulaire ontwerpopties. Bovendien zijn deze zones uitermate geschikt om meervoudige functies te integreren zoals infiltratie, buffering of nutsvoorzieningen. De toegankelijkheid van voetpaden en de vlakheid van fietspaden blijven daarbij cruciale randvoorwaarden.
Bij heraanleg zijn er vier mogelijke insteken:
- Behoud of renovatie (R1, R4): wanneer het bestaande fietspad nog voldoende vlak is en een stabiele fundering heeft, kan het worden behouden of plaatselijk worden hersteld.
- Modulair hergebruik (R3, R5): prefab- of klinkerelementen kunnen worden uitgebroken en elders hergebruikt of opgewaardeerd (bv. herbehandelen, zandstralen).
- Nieuwe aanleg met recyclagematerialen (R8): fietspaden kunnen bestaan uit hergebruikte kunststofmodules, of beton- of asfaltmengsels met circulaire grondstoffen.
- Systeeminnovatie (R1, R7): denk aan combinaties met waterbuffering, groenzones of doorgangen voor nutsleidingen.
Omdat voet- en fietspaden makkelijker te demonteren zijn, kunnen modulaire constructies (R5) op termijn ook omgevormd of verplaatst (R7) worden naargelang noden veranderen (bv. verbreding of andere inrichting). Dit vergt wel doordachte detailontwerpen en robuuste verbindingen.
R-strategie Voorbeeld
R0 – Refuse (Weigeren)
Texel (NL): Reconstructie van het fietspad door natuurgebied de Tureluur en Schettersweid, waarbij het nieuwe fietspad hoger komt te liggen om wateroverlast te voorkomen. Bron
R1 – Rethink (Herdenken)
Utrecht (NL): Pilotproject ‘UpCycling Fietspad van de Toekomst’ langs de N225, waarbij de fiets centraal wordt gesteld in de dorpen langs de route. Bron
R2 – Reduce (Verminderen)
R4 – Repair (Herstellen)
Heemstede (NL): Renovatie van het fietspad Leidsevaartweg met duurzame materialen en verbreding voor meer comfort. Bron
Antwerpen (BE): Asfalteren van 32 kilometer fietspad in 2024, waarbij oneffenheden en hoogteverschillen worden weggewerkt voor meer comfort en veiligheid. Bron
R5 – Refurbish (Opknappen)
Maastricht (NL): Aanleg van een nieuw fietspad langs de Franciscus Romanusweg als onderdeel van de herinrichting van de Wilhelminabrug en omliggende straten. Bron
R6 –Remanufacture (Hernieuwbouw)
R7 – Repurpose (Hergebruiken voor ander doel)
R8 – Recycle (Recycleren)
R9 – Recover (Terugwinnen van energie)
Antwerpen (BE): Aanleg van een circulair fietspad in het havengebied met CCL300-elementen van PlasticRoad, gemaakt van gerecycled kunststof. Bron
Ronse (BE): Verbreding van het fietspad op een oude spoorwegbedding tussen Mgr. Beylsstraat en Rue Beaufaux, waarbij bestaande infrastructuur wordt hergebruikt. Bron
Winterswijk (NL): tot 90% gerecycleerd materiaal in fietspadstructuur met Ecofalt. Bron
Arnhem (NL): Aanleg van een fietspad met elektrisch materieel, wat resulteerde in 96% minder stikstof en 99% minder CO2-uitstoot dan bij een standaard aanlegproject. Bron
Ander voorbeeld
Ronse (BE): Verbreding van het fietspad op een oude spoorwegbedding tussen Mgr. Beylsstraat en Rue Beaufaux, waarbij bestaande infrastructuur wordt hergebruikt. Bron
Brussel (BE): Herinrichting van de Vilvoordsesteenweg met een gedeelde zone voor voetgangers en fietsers, waarbij obstakels zijn verplaatst om de doorstroming te verbeteren. Bron
Wemmel (BE): Vernieuwing van fietspaden en rijweg richting Brussel, met focus op veiligheid en toegankelijkheid. Bron
Bedum (NL): Vervanging van het fietspad aan de Waldadrift vanwege structurele problemen met het beton, waarbij het fietspad volledig wordt vernieuwd. Bron
Sint-Truiden (BE): Voorstelling van het Climatepath®, een klimaatadaptief fietspad dat overtollig hemelwater duurzaam naar de grondwatertafel loodst. Bron
Antwerpen (BE): Aanleg van een fietspad met elektrisch materieel in het havengebied, als onderdeel van een investering van 40 miljoen euro over tien jaar om het fietspadennetwerk te verbeteren. Bron
4.6 NUTSVOORZIENINGEN
Onder de grond bevindt zich een cruciaal, maar vaak vergeten deel van de openbare weg: de leidingen voor nutsvoorzieningen (stroom, telecom, water, enz.) en de riolering. Deze infrastructuur heeft een lange levensduur, maar is moeilijk bereikbaar. Elke vervanging is duur, hinderlijk en genereert veel afval. Een circulaire aanpak betekent hier vooral: toekomstgericht ontwerpen en werken met robuuste, aanpasbare systemen.
Belangrijke strategieën:
- R1 - Rethink: heroverweeg de ligging van nutsleidingen. Door ze bijvoorbeeld onder het fietspad te bundelen in wachtbuizen, kunnen ze later vlotter worden aangepast.
- R4 - Repair en R5 - Refurbish zijn van toepassing op oudere rioleringen: via camerainspectie en relining kunnen veel leidingen langer behouden blijven.
- R3 - Reuse van buissegmenten is eerder uitzonderlijk, maar mogelijk bij tijdelijke leidingen of als hergebruik van gesaneerde elementen in andere toepassingen.
- R8 - Recycle kan toegepast worden op oude leidingen bij vervanging, mits scheiding van materiaaltypes.
Bij nieuwe aanleg is het slim om modulaire buizen of vooruitziende dimensionering te gebruiken. Denk ook aan slimme aansluitputten of toegangsluiken (R6 - Remanufacture) die demontabel zijn. Tot slot zijn innovatieve materialen met een lagere CO2-voetafdruk zoals gerecycleerde HDPE-leidingen of alternatieve bindmiddelen voor betonnen putten in opmars.
R-strategie Voorbeeld
R1 – Rethink (Herdenken)
BUCH-gemeenten (NL): Ontwikkeling van een handreiking voor circulaire infrastructuur die gemeenten en marktpartijen helpt om circulariteit structureel toe te passen in ontwerp, bouw, beheer en onderhoud. Bron
R2 – Reduce (Verminderen)
Nederland: De strategie Klimaatneutrale en Circulaire Infrastructuur van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft als doel om in 2030 klimaatneutraal en circulair te werken aan infrastructuurnetwerken, met 50% minder primaire grondstoffen. Bron
R3 – Reduce (Hergebruiken)
Voeren (BE): Op het circulaire KMO-terrein Weesterveld worden gerecycleerde Thiotube-rioolbuizen gebruikt, gemaakt van zwavelbeton dat herhaaldelijk kan worden gesmolten en hergebruikt. Bron
R4 – Repair (Herstellen)
Relining (kousrenovatie) wordt breed toegepast: kostenefficiënt, geen graaf en met minimale overlast. Bron
Ander voorbeeld
Vlaanderen (BE): Tijdens de Vakbeurs Openbare Ruimte 2025 werd benadrukt dat circulaire principes in infrastructuur meer behelzen dan alleen recyclage, met aandacht voor slimmer ontwerpen en denken in systemen die over de levensduur heen hun waarde behouden. Bron
Nederland: De routekaart ‘Naar een circulaire energie-infrastructuur’ richt zich op het verminderen van materiaalgebruik in de energietransitie, met focus op elektriciteitskabels, gasleidingen en transformatoren. Bron
4.7 STRAATMEUBILAIR
Straatmeubilair zoals banken, verlichting, signalisatie en vuilnisbakken zijn relatief kleinschalige onderdelen, maar ze zijn sterk aanwezig in het straatbeeld en worden vaak sneller vervangen dan de rest van de infrastructuur. Ze vormen dus een belangrijke opportuniteit voor circulaire ontwerpprincipes.
Hier ligt de nadruk op:
- R3 - Reuse: demonteerbare elementen zoals verkeersborden, palen of banken kunnen hergebruikt worden bij heraanleg.
- R4 - Repair en R5 - Refurbish: bestaande armaturen of zitbanken kunnen opgeknapt of herschilderd worden.
- R7 - Repurpose: oude materialen kunnen creatief herbestemd worden (bv. hergebruik van oude metalen verkeersborden als infoborden).
- R8 - Recycle: materialen zoals staal, aluminium, hout of kunststof kunnen eenvoudig worden ingezameld en opnieuw als grondstof dienen.
- R1 - Rethink: heroverweeg het nut van bepaalde objecten (bv. minder borden door clustering), of kies voor gedeeld meubilair (zitbanken aan een oplaadpunt).
Nieuwe ontwerpen kiezen best voor modulaire en demonteerbare elementen, idealiter uit gerecycleerde en recycleerbare materialen, en met lange garantie of reparatiemogelijkheden. Voor verlichting is energie-efficiëntie (bv. LED) cruciaal, met bijkomende circulariteit door vervangbare componenten en slimme aansturing (R6).
R-strategie Voorbeeld
R0 – Refuse (Weigeren)
Amsterdam maakt gebruik van paaltjes ‘Amsterdammertje’ in de openbare ruimte dooft uit. Bron
R1 – Rethink (Herdenken) Gent ‘Straatmeubilair Labath’ heroverweegt het gebruik van publieke ruimte met licht en verplaatsbaar meubilair. Bron
R2 – Reduce (Verminderen) Falco productie van straatmeubilair met minder materiaal en gericht op circulaire dienstverlening (product-asservice) Bron
R3 – Reuse (Hergebruiken)
R7 – Repurpose (Hergebruiken voor ander doel)
R8 – Recycle (Recycleren)
Amsterdam upcycling van restmeubilair tot nieuw straatmeubilair via makerslabs. Bron
Amsterdam Guerrilla Upcycling is transformatie van straatborden, reclameborden, enz. tot zitmeubilair. Bron
Vlaanderen productie van openbare banken uit gerecycleerd huishoudplastics met circulaire businessmodellen. Bron
Ander voorbeeld
Vlaanderen Cradle-to-cradle modulaire fietsenrekken. Bron
5 PERCEEL 5: ‘MOBILITEIT’
5.1 NULMETING
5.1.1 BEREIKBAARHEID
Deze bereikbaarheidsfiche brengt op basis van desktop research en plaats bezoek de bestaande mobiliteitsvoorzieningen (diensten en infrastructuur) in kaart in de omgeving van het bedrijventerrein van Avelgem. Er werd vastgesteld dat het terrein slecht is ontloten met het openbaar vervoer, zo wordt de bushalte aan de ingang van het terrein slechts bediend door één buslijn van de TEC. Het bedrijventerrein takt wel aan op een fietssnelweg en het BFF-netwerk ofwel het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk. Vandaag vormt het terrein in eerste instantie een zogenaamde ‘autolocatie’.
figuur 151 bereikbaarheidsfiche - bestaande situatie
5.1.2 WAGENPARK, MODAL SPLIT, VERPLAATSNIGEN NAAR & OP HET
BEDRIJVENTERREIN
Om een idee te krijgen van de verplaatsingen op en naar het terrein werd het mobiliteitsprofiel van de site en de bedrijven die er zijn gevestigd opgemaakt aan de hand van een bevraging, mobiscan van Treffik, verschillende tellingen, plaatsbezoek en een verkeerseviligheidsaudit. De bevraging werd vervolledigd door 12 van de 18 bedrijven op het bedrijventerrein.
Samen tellen de bedrijven minstens 163 personenwagens, waarvan 50 elektrisch, 41 bestelwagens, waarvan 1 elektrisch en 31 vrachtwagens waarvan geen elektrisch ofwel een totaal van minstens 235 dienstwagens en bedrijfswagens.
Naast dienstwagens en bedrijfswagens, die al dan niet mee naar huis mogen kent het bedrijventerrein een modal split van 91% individueel gemotoriseerd vervoer, 9% actief vervoer (fiets, e-fiets, speedpedelec, te voet, ...), 0% carpool en 0% colletief vervoer (deelwagens, deelfietsen en openbaar vervoer). Deze verdeling is gebaseerd op een mobiscan uit 2022 van één van de grootste spelers op het terrein (N= 862; n=599) representatief voor de overige bedrijven. Deze modal split betekent, dat maar liefst 784 personen alleen met de wagen pendelen naar het werk en dat de oveirge 78 op een actieve manier naar het werk komen. Kortom dagelijks een hele boel personenauto- bewegingen naar het bedrijventerrein van Avelgem.
figuur 152 huidige modal split bedrijventerrein
Wat betreft fietsbewegingen op het bedrijventerrein zijn er door intercommunale Leiedal tellingen uitgevoerd van vrijdag 18 april 2025 15u00 tot en met dinsdag (in de figuur rechts) 025 15u00 op drie (1, 9 en 10) tellocaties zoals weergeven in bovenstaand figuur. De drie tellers registreerden de volgende aantallen gedurende deze periode:
Teller 01 | 3 994 tweewielers (Nijverheidslaan) | 222 per dag Teller 09 | 9 360 tweewielers (jagpad x Guldensporenpad) | 520 per dag
Teller 10 | 3 377 tweewielers (E. Balcaen) | 188 per dag
Teller 1 en 10 wijzen op normaal gebruik voor de omgeving in kwestie en teler 9 op een matig tot druk gebruik. In combinatie met de gegeven van de modal split kan er worden veronderstelt dat er niet alleen bestemmingsfietsverkeer passeert op het terrein, maar ook doorgaand fietsverkeer hetzij functioneel, hetzij recreatief.
Kortom zijn de aantallen fietsers, ondanks de modal split van de werknemers, niet te onderschatten op het bedrijventerrein.
figuur 153 locaties tellingen (1,9 & 10)
Wat betreft de vrachtwagenbewegingen op het terrein geven de bedrijven via de bevraging aan samen over 31 eigen vrachtwagens te beschikken maar wel zo’n 225 vrachtwagens per dag te ontvangen (incl. leveranciers), wat maakt dat er per dag zo’n 450 vrachtwagenbewegingen plaatsvinden op het bedrijventerrein (aanrij- en afrijbewegingen).
5.1.3 POTENTIEEL VOOR EEN DUURZAME MODAL SHIFT
De huidige modal split van het woon-werkverkeer op het bedrijventerrein is er geen van een bedrijventerrein van de toekomst. De data uit dezelfde mobiscan uit 2022 wijst echter op basis van een geanonimiseerde adressenlijst uit dat 81% van de werknemers vallen binnen het potenitieel voor actief vervoer. Dit wil zeggen dat zij binnen afzienbare tijd zich met de fiets, e-fiets of speedpedelec naar het werk kunnen verplaatsen. Concreet gaat het om:
14% fietspotentieel | max. 20min ofwel 6km tegen 20km/u
35% e-fietspotentieel | max 35min ofwel 15km tegen 25lm/u 81% speedpedelecpotentieel | max. 45min ofwel 25km tegen 33km/u
Hierbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat iedereen die in het fietspotentieel valt ook in het e-fiets en speedpedelec potentieel valt, zoals weergegeven in de figuur rechts.
Daarnaast vallen 38% van de werknemers in het carpoolpotentieel, 0% in het OV-potentieel rekening houdend met het huidige aanbod en slechts 14% heeft in theorie geen alternatief voor het individueel gemotoriseerd vervoer op basis van het thuisadres en de ligging van het bedrijventerrein van Avelgem.
Kortom heel wat onontgonnen potentieel om een duurzame modalshift te bewerkstelligen in het woonwerkverkeer. De acties die hieromtrent later werden geformuleerd kunnen worden geraadpleegd onder Hoofstuk 5.
figuur 154 potentieel voor een duurzame modal shift
figuur 155 visualisatie van het fietspotentieel (paars), e-fietspotentieel (roos) en speedpedelec potentieel (blauw)
Ook de logistieke modal split kan beter met het oog op het bedrijventerrein van de toekomst. Uit de enquête blijkt dat 2 van de 12 respondenten (bedrijven die de bevraging hebben vervolledigd (N= 18; n=12)) gebruik maken van de waterweg. Bedrijven die de waterweg niet gebruiken gaven ook aan geen interesse te hebben in het gebruik ervan. De acties die later werden geformuleerd om het gebruik van de waterweg te stimuleren kunnen worden geraadpleegd onder hoofdstuk 6.3, 5.2 acties.
5.1.4 PARKING VRAAG & AANBOD
Uit de bevraging van de bedrijven (N=18; n=12) blijken er in totaal minstens 697 parkeerplaatsen voor personenwagens en bestelwagens te zijn verspreid over heel het bedrijventerrein, waarvan 24 voorzien van een laadpaal. Er werd vastgesteld dat daarmee het parkeersaldo, gelet op alle parkeerplaatsen op heel het bedrijventerrein en gelet op het feit dat niet alle werknemers steeds simultaan aanwezig zijn (nachtshiften), licht positief is, dit zonder rekening te houden met de potentiële modal shift. Met andere woorden zijn er globaal gezien voldoende parkeerplaatsen op het bedrijventerrein. Een bijkomende parkeerbehoefte ontstaat enkel bij een shiftenwissel bij grote spelers. Uit de bevraging blijkt echter eveneens dat werknemers nooit buiten het eigen perceel parkeren.
Deze vaststelling op basis van de bevraging van de bedrijven werd later bevestigd en veleer overtroffen door parkeercapaciteitstellingen uitgevoerd door intercommunale Leiedal. Er werd op een donderdag (voorjaar 2025) buiten de vakantieperiodes geteld gedurende één dag tussen 14u en 15u. In totaal werden er 783 parkeerplaatsen geteld. Op het moment van de telling waren 396 van deze parkeerplaatsen bezet (zie figuur op de volgende pagina). Wat resulteert in een totale bezettingsgraad van 51% (zie figuur op de volgende pagina). Hierbij was de centrale parking (met de windmolen) quasi volledig leeg. Indien deze volledig bezet zou zijn zou de totale bezettingsgraad resulteren in 65%.
Volgens de bevraging van de bedrijven (N=18; n=12) bevinden zich in totaal 76 parkeerplaatsen voor vrachtwagens.op het bedrijventerrein. Daarmee is de vraag naar parkeerplaatsen voor de vrachtwagens in het bezit van de bedrijven (in totaal 31) volledig ingevuld op de eigen percelen. Desondanks bestaat er een behoefte aan parkeerplaatsen voor vrachtwagens van leveranciers, bijvoorbeeld als zij toekomen buiten de openingsuren van het bedrijf in kwestie.
Uit een voorstudie van Tractebel blijkt dat er weinig publieke parkeergelegenheid is voor vrachtwagens op het bedrijventerrein. Concreet gaat het om acht publieke parkeerplaatsen, die op de telmomenten van de studie steeds maximaal werden ingevuld, zoals weergegeven in de figuur van Tractabel. Leveranciers hebben vandaag zo dus weinig ruimte om in geval van nood te overnachten op het bedrijventerrein.
156 resultaten parkeertelling door
figuur
Leiedal - absolute aantallen parkeerplaatsen (p) en wagens (w) per parking
figuur 157 resultaten parkeertelling door Leiedal - bezettingsgraad per parking uitgedrukt in percentages.
BEZETTINGSGRAAD (PERCENTAGES) Bij >100% stonden er meer wagens dan parkeerplaatsen. Dus de wagens stonden eigenlijk niet reglementair geparkeerd.
figuur 158 Visualisatie studie Leiedal / Tractebel van de parkeersituatie voor vrachtwagens
5.1.5 VERKEERSVEILIGHEID
Uit de verkeersveiligheidsaudit uitgevoerd door het verkeersveiligheidsinstituut Vias blijkt dat in de periode 2017 - 2022 twee ongevallen zijn geregistreerd op de Nijverheidslaan, zijnde frontale aanrijdingen van personenwagens met lichtgewonden, waarvan één op het bedrijventerrein zelf en één op het kruispunt met de E. Balcaenstraat. In de omgeving van het bedrijventerrein is er enige ongevallenconcentratie te zien rond het kruispunt N391A en de E. Balcaenstraat, zie onderstaand figuur. Dit kruispunt is echter heringericht in 2020. De aantakking van de Nijverheidslaan op de E.Balcaen is eveneens heringericht tijdens de loop van deze studie (2024-2025) met de aanleg van een fietspad en oversteek over de E. Balcaen, conform onderstaand figuur, waarbij het stuk in de Nijverheidslaan nog moet worden gerealiseerd. Met andere woorden zijn de geregistreerde verkeersongevallen op het bedrijventerrein beduidend laag en zijn er ook reeds werken uitgevoerd en gepland om de verkeersveiligheid o.a. bij de inrit van de het bedrijventerrein te optimaliseren.
figuur 159 Verkeersongevallen geregistreerd in 2017-2022 op kaart
figuur 160 Ontwerp werken op de E. Blacaen x Nijverheidslaant
Op het bedrijventerrein zelf werd tijdens de verkeersveiligheidsaudit het volgende vastgesteld. Een gebrek aan voorzieningen / infrastructuur voor fietsers en voetgangers, een gebrekkige signalisatie en contraintuitieve voorrangsregeling en wegenis ten opzichte van het gebruik / circulatie, zie onderstaande figuur. Kortom laat de bestaande infrastructuur, zowel de signalisatie als de aanleg van het terrein, te wensen over.
figuur 161 Visualisatie huidige contraintuitieve voorrangsregeling
Uit de bevraging van de bedrijven (N= 18; n=12) blijkt dat zij tezamen tussen (augustus 2023 en september 2024) 5 arbeidsongevallen hebben gerapporteerd bij Fedris, waarvan geen enkele op het bedrijventerrein zelf noch in de onmiddellijke omgeving ervan. Wat betreft een gevoel van verkeersonveiligheid worden momenten van ploegwissels benoemd, de oversteek naar de E. Balcaenstraat en het gebrek aan een scheiding tussen vrachtwagens en fietsers. Het algemene verkeersveiligheidsgevoel wordt gemiddeld gescoord op 6,83 op 10.
5.1.6 SOCIALE VEILIGHEID
Wat betreft de sociale veiligheid blijkt uit de bevraging van de bedrijven (N= 18; n=12) dat zes bedrijven te maken hadden met inbraak,vandalisme, overlast of ander kwaad opzet tijdens de periode augustus 2023 en september 2024. Concreet ging het over diefstal uit geparkeerde tractors, aftappen van Mazout uit vrachtwagens, verdachte aanwezigheid met bestelwagens op het bedrijventerrein en enkele gevallen van straatraces / joyriden, driften en vuurwerk, die ondertussen niet meer voorkomen. Het algemeen veiligheidsgevoel werd door de bedrijven gemiddeld gescoord op 5,25 op 10.
5.2 ACTIES
Hieronder worden de voorgestelde acties (quick win, 2030 en 2050) gebundeld per uitdaging voor de uitdagingen die werden vastgesteld in de loop van deze studie met betrekking tot mobiliteit, verkeersveiligheid en (sociale) veiligheid. Verschillende van deze acties worden nader toegelicht in verschillende actiefiches, de businesscase en/of in hoofdstuk 3 Masterplan.
5.2.1
SOCIALE VEILIGHEID
Wat betreft de sociale veiligheid wordt er in eerste instantie voorgesteld om een workshop rond veiligheid te organiseren, waarbij de aan te pakken problemen eerst worden geïdentificeerd (1). Wat is structureel? Wat is éénmalig? Vervolgens dienen de nodige partners te worden bepaald (2), zoals bedrijven met nachtshiften, BIN, stadswachters, politie, een extern bedrijf, hetzij ter plaatse of op afstand. Daarna kunnen er afspraken worden gemaakt rond preventiemaatregelen, rond melden van overlast en rond optreden (3). Tot slot dient er in zo’n workshop afgesproken te worden wie wat beheert en betaalt (4) (quick win).
Naast zo’n workshop wordt er aanbevolen om de bestaande Whatsappgroep om te zetten tot een volwaardig BIN (quick win).
Wat eveneens wordt aanbevolen is laagdrempelig toezicht door sensibilisering van het personeel. In het bijzonder personeel met nachtshiften (quick win).
5.2.2 OVERLAST AANPAKKEN (DRIFTEN / JOYRIDEN)
Om het driften en joyriden aan te pakken wordt voorgesteld om een ANPR-camera te plaatsen met een infobord dat wijst op de registratie van nummerplaten om potentiële overtreders te sensibiliseren (2030).
Daarnaast kunnen er verkeersdrempels geplaatst worden over de lus (nieuwe circulatie) die doorgaans lage racewagens / driftwagens weerhouden van racen en driften (2030).
De maatregelen onder 5.2.2. kunnen als volgt worden aangevuld om gelegenheidsdiefstal te bestrijden en de toegang tot het terrein te beheren.
In eerste instantie wordt sensibilisering voorgesteld, zowel van werknemers als potentIële overtreders met ieder de gepaste boodschappen en dragers (quick win).
Daarnaast is goede verlichting op het terrein belangrijk. Dit kan op korte termijn met behulp van tijdelijke installaties (quick win). Op lange termijn dient goede verlichting structureel te worden opgenomen in de (her)inrichting van het bedrijventerrein (2030).
De ANPR-camera kan , indien deze behoefte zou ontstaan, eveneens worden verbonden met een fysiek obstakel, hetzij verzinkbare paaltjes, een bareel, een poort of andere om de toegang tot het terrein strenger op te volgen. De verbinding van de ANPR-camera met een fysiek obstakel betekent echter het tijdig doorgeven van nummerplaten die het terrein mogen betreden, alsook een systeem dat terechte uitzonderingen mogelijk maakt (aanmeldsysteem) (2050).
Verder kan het terrein worden voorzien van werfcamera’s die op een opvallende plek worden opgehangen en die 360° filmen (2050).
Er kan steeds worden geopteerd om een security / wachter in te zetten die hetzij van op afstand hetzij op het terrein een oogje in het zeil houdt (2050).
Camerabewaking komt eveneens verder aan bod in het kader van ‘sociale dienstverlening’.
5.2.4 RECREATIEF FIETSEN OP HET BEDRIJVENTERREIN ONTMOEDIGEN
Om het recreatief fietsen op het bedrijventerrein te ontmoedigen wordt voorgesteld om de fietsknooppunt verbinding in de omgeving te verwijderen / verleggen (quick win).
5.2.5 BESTEMMINGSFIETSVERKEER EN FUNCTIONEEL DOORGAAND FIETSVERKEER OP EEN VEILIGE MANIER MOGELIJK MAKEN
Om bestemmingsverkeer en functioneel doorgaand fietsverkeer op een veilige manier mogelijk te maken op het terrein wordt voorgesteld om het bestaand BFF-traject (bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk) over het terrein aan te passen, inclusief de aanleg van een nieuw stuk ter hoogte van D’Huyvetter betton, de heraanleg van de bestaande delen en de aanleg van een nieuw stuk tot dubbelrichting fietspad. Voor de details van de knoop ter hoogte van D’Huyvetter beton wordt er verwezen naar de figuur op de volgende pagina (2030).
5.2.6 AANPAK SIGNALISATIE OP HET BEDRIJVENTERREIN
Zie actiefiche signalisatie.
Wat betreft de signalisatie op het terrein wordt er voorgesteld om zowel de verkeersignalisatie als de signalisatie bedoeld voor navigatie op het terrein te vernieuwen (na de invoer van de nieuwe circulatie) (quick win).
Onder de signalisatie valt eveneens de invoer van een zone 30 en de eerder genoemde verkeersdermpels (5.2.2.) De nieuwe circulatie (lus) maakt het immers moeilijk om hoge snelheden te maken op het bedrijventerrein (quick win / 2030).
figuur 162 Voorstel fietsknoop ter hoogte van D’Huyvetterbeton
5.2.7 STIMULEREN VAN HET GEBRUIK VAN DE WATERWEG MET JURIDISCHE & FINANCIËLE INCENTIVES
In eerste instantie wordt er voorgesteld om onderzoek te doen naar het recht van voorkoop van de Vlaamse Waterweg op het bedrijventerrein om vervolgens via een concessie of domeinvergunning van de Vlaamse Waterweg de gronden open te stellen voor watergebonden bedrijven (2030).
Verder kan er worden gezocht naar subsidies voor bedrijven die watergebonden willen gaan werken (2030).
Het is eveneens aanbevolen om te onderzoeken hoe diverse vergunningsaanvragen en vergunningsverleningsprocessen voor watergebonden bedrijven kunnen worden gefaciliteerd, zoals omgevingsvergunningen, vergunningen voor de economische vestiging, exploitatievergunningen etc (2030).
Tot slot is het ook de moeite om te onderzoeken hoe bijvoorbeeld gemeentelijke belastingen voor bedrijven die watergebonden willen gaan werken kunnen worden beperkt (2030).
5.2.8 STIMULEREN VAN HET GEBRUIK VAN DE WATERWEG MET INFRASTRUCTUUR
Naast financiële en juridische incentives om het gebruik van de waterweg aantrekkelijker te maken kan ook de kade infrastructuur worden vernieuwd / vergroot (2050).
Daarnaast kan het ook opportuun zijn om een vorm van transportband te organiseren tussen de kade en het hartje van het terrein, zodat de fysieke afstand tot de waterweg wordt ‘verkleind’ (2050).
5.2.9 STIMULEREN VAN HET GEBRUIK VAN DE WATERWEG DOOR SAMENWERKING TE ORGANISEREN
Het is aanbevolen om de twee bedrijven op het terrein, die reeds gebruik maken van de waterweg, ter inspiratie te laten toelichten hoe zij dat doen aan de andere bedrijven op het terrein. Eveneens om de praktische do’s and dont’s mee te geven (quick win).
Verder wordt er aanbevolen om te onderzoeken welke huidige bedrijven zich lenen om de waterweg te gebruiken, hetzij op basis van activiteit, hetzij op basis van import en export bestemmingen. Alsook onderzoek van eventuele last mile oplossingen (quick win).
Tot slot wordt er aanbevolen om afspraken tussen bedrijven te stimuleren om het transport over water maximaal te bundelen om op zijn beurt de kosten van het transport te drukken (quick win).
5.2.10 STIMULEREN VAN HET GEBRUIK VAN DE WATERWEG DOOR TE INSPIREREN
Bedrijven kunnen worden aangespoord om de waterweg meer te gebruiken / te beginnen gebruiken door good practices te delen (quick win).
Daarnaast kan ook media-aandacht voor watergebonden bedrijven een extra stimulans zijn (quick win).
5.2.11 IN GANG ZETTEN VAN EEN DUURZAME MODAL SHIFT
Zie actiefiche ‘Verduurzaming van het woon-werkverkeer / bedrijfsmobiliteit’.
Een no brainer om een duurzame modal shift in gang te zetten is alle bedrijven een mobsican van Treffik (Provincie West-Vlaanderen) te laten uitvoeren, zodat zij zicht krijgen op hun modal split en het potentieel van hun werknemers op een duurzame modal shift (quick win).
Verder is een infosessie over bedrijfsmobiliteit interessant om kennis te maken met de bestaande tools rond bedrijfsmobiliteit (woon-werkverplaatsingen en dienstverplaatsingen), zoals bedrijfsvervoerplannen, mobiliteitsbudget, fietsvergoedingen, fietslease etc. (quick win).
Het inventariseren van de vraag naar fietsenstallingen is eveneens aanbevolen met oog op het voorzien van collectieve stallingen bij de maximaal gebundelde toegangen tot de bedrijven (bundelen van opritten om het aantal te minimaliseren met oog op verkeersveiligheid) (quick win).
Verder is het voor de hand liggend om personeel te informeren over de Mobit deelfietsen bij het station van Avelgem (quick win).
Alle bedrijven worden warm gemaakt om zich te buigen over (de invoer van) thuiswerkbeleid, om verpaatsingen te minimaliseren en/ of maximaal te spreiden in tijd (quick win).
Het is uiteraard ook aanbevolen om sensibiliseringscampagnes op te zetten gericht op meer fietsen naar het werk (quick win).
Op middellange termijn kunnen bedrijfsvervoerplannen worden opgemaakt en ingevoerd. Daaronder (of los daarvan) kunnen bijvoorbeeld carpoolinitiatieven vallen (organisatiebreed of terreinbreed) en het invoeren van mobiliteitsbudgetten (2030).
5.2.12 ORGANISATIE VAN DE COLLECTIEVE PARKING
In eerste instantie wordt de organisatie van een collectief laadplein voor personenwagens op de collectieve parking aanbevolen, alsook een collectief laadplein voor vrachtwagens op de wachtparking (zelfde collectieve parking), zie actiefiche collectieve parking en business case (2030).
Het is voor alle bedrijven ook interessant om te onderzoeken in hoeverre de shiften moeten overlappen met oog op maximale spreiding van toe- en afstromen van het terrein om verkeerspieken te vermijden (quick win).
Verder is het ook aanbevolen om afspraken te maken rond het parkeren van personenwagens over heel het terrein inclusief de collectieve parking (2030).
Globaal parkeerbeheer (over heel te terrein) is eveneens aanbevolen op momenten dat dit noodzakelijk is. Denk aan de afwikkeling van vrachtwagens, organisatie van parkeerplaatsen voor personenwagens per shift, de afwikkeling van personenwagens door een parkeerwachter etc. (2050).
Tot slot wordt er aanbevolen om een deelfietshub / afzetplaats / dropzone te voorzien op de collectieve parking van het bedrijventerrein om de last mile tussen het station van Avelgem en het bedrijventerrein te faciliteren met de deelfiets (2030).
6 PERCEEL 6: ‘LANDSCHAP’
6.1 CONTEXT MACROSCHAAL
Het bedrijventerrein van Avelgem bevindt zich aan de oevers van de Schelde en is (in haar conceptie onbewust) gelieerd aan 2 verschillende watersystemen.
Enerzijds het logistieke logica van de hedendaagse, rechtgetrokken Schelde zelf, met haar historische bagage van Meersen en Meanders.
Anderzijds raakt het terrein aan de hogerop gelegen systematiek van beken die (vandaag) uitmonden in de Rijtgracht.
Deze dualiteit resulteert in 2 complementaire watergebonden uitdagingen die niet eenduidig op te vangen zijn. Waar het Scheldelandschap deel uit maken van een grens- (land-, gewest-, provincie-) overstijgende problematiek liggen er wel kansen om, huidige en toekomstige, lokale adaptaties een plek te geven op en rond de site.
Tegelijkertijd biedt het eco-systeem van de Meersen koppelkansen voor een (klimaat-)robuust biotoop. Waarbij de ecologische kwaliteiten die aanwezig zijn in de ruime(re) omgeving als contrapunt kunnen gebruikt worden voor de logistieke logica van de bedrijven.
figuur 163 Infrastructuurlandschap: gekanaliseerde Rijtgracht met gemeentelijke- / sport-infrastructuur. Contrasten tussen postindustrieel (spoorwegzate) en huidige economische activiteit.
figuur 164 Complementaire landschappen: 1. Beekvalleien (pluviaal overstromingsrisico) 2. Schelde met Meersen en meanders (fluviaal overstromingsrisico) 3. Territorium
6.2
CONTEXT MESOSCHAAL
Voortbouwend op de (economische) post-industriële infrastructuur van de spoorwegzate en de Rijtgracht als herwaardeerde ecologische corridors kunnen we de site verankeren in de lokale bodem en verbinden met de kern(functies) van Avelgem.
Waar de publieke en private ruimte van het bedrijventerrein vandaag gekenmerkt wordt door generieke ‘aankleding’ kan een structurele aanpak gebaseerd op deze fysieke, ecologische, context een nieuwe identiteit voor de site introduceren.
Een blauw-groene ‘logistieke’ aanpak die rekening houdt met het (heel) beperkt infiltratievermogen van de klei- en leembodem, met de verharde oppervlakte en de daaraan gekoppelde periodieke wateroverlast (pluviaal) en afgestemd op schaal en korrel van de economische activiteiten.
165 Context M
figuur
figuur 166 Reliëf: bedrijventerrein omringt door ‘dijken’ (‘Haute Rive’, spoorwegzate en bruggenhoofd)
168 Generieke ‘verfraaiing’
figuur
figuur 167 Context S
6.3 STRUCTURELE UITDAGINGEN
Waar de huidige klimaatverandering gekenmerkt wordt door het verdwijnen van het gemiddelde en we geconfronteerd worden met extremen in frequentie (snelle afwisseling tussen droog en nat) als duur (langere periodes van water(s)nood) moeten we overwegen om ook in onze adaptatie te schakelen tussen kleine (individuele percelen) en grote (bedrijventerrein) schaal d.m.v. een zelf-reproducerend cascadesysteem cf. de ladder van Lansink.
Hierbij gaan we voorbij aan ad hoc oplossingen en koppelen de verschillende schaalniveaus in een productief systeem van Regentuinen. Binnen dit systeem bufferen de regentuinen (langs de nieuw geïntroduceerde mobiliteitslus) het oppervlaktewater van publieke wegenis en private percelen binnen 1 beeldbepalende landschappelijke ingreep. Door het regenwater vast te houden kunnen periodieke droogte overbrugt worden waarbij de flora en bijhorend ecosystemen een hogere kans op behoud krijgen.
170 Gemiddelde temperatuur en neerslag geven steeds vaker vertekend beeld aangezien dit gemiddelde steeds vaker bepaald wordt door een afwisseling van extremen.
figuur 169 Ladder van Lansink
figuur
figuur 171 a. regentuinen gekoppeld aan en i.f.v. afwatering verharding wegenis met extra buffervolume beschikbaar voor private percelen
b. doorheen de tijd kunnen private percelen, op vrijwillige basis aansluiten op ‘binnenring’
c. alle private percelen aangesloten
d. i.f.v. schaal en korrel kunnen grotere percelen meer buffervolume voorzien langs interne lus of richting Rijtgracht
figuur 172 Opbouw ‘concentrische’ lussen en corridors
6.4 STRUCTUREREN
1. overzichtsbeeld blauwgroen netwerk en corridors richting omliggend landschap
2. cascadesysteem dubbele ring. Doordat een % van het buffervolume van de private percelen kan opgenomen worden / gecontroleerd overlopen in de collectieve lus, komt er meer ruimte beschikbaar op die private percelen.
3. behoud van optimaal buffervolume bij toegangen tot percelen
4. opschalen i.f.v. grotere percelen
5. blauwgroene corridor
6. buffering en infiltratie langs Rijtgracht met (uiteindelijk) overloop
1.
2.
3.
figuur 173 referenties regentuinen
figuur 174 collectieve parking, dagbezetting/nachtbezetting
6.5 ECOSYSTEMEN
Complementair aan de regentuinen wordt voorzien in een toolbox voor toekomstige ingrepen op / tussen private percelen. Dit zal tijdens de implementatiefase verder uitgewerkt worden.
Hierbij wordt niet enkel ingezet op ‘vergroening’ als beeldvorming; maar in het organiseren van biotopen die de ecosystemen van de Scheldemeersen complementeren.
De perceelgrenzen tussen de bedrijven worden op dit moment sporadisch aangewend voor en bescheiden groenstrook. Hier ligt ook het potentieel om verschillende ecosysteemdiensten een plek te geven.
Als de beplanting van deze perceelgrenzen (d.m.v. een contextgebonden toolbox) aangevuld wordt door de ondernemers ontstaat een netwerk van groene verbindingen op de schaal van het bedrijventerrein en in symbiose met de meersen.
In functie van de beschikbare ruimte kunnen we een onderscheid maken tussen:
A. < 1,0m: begroeid hekwerk (gemengde beplanting)
B. 1,0 >< 2,5m: heesters (gemengde beplanting)
C. > 2,5m:vogelbosjes
7 PERCEEL 8: ‘BEDRIJVENTERREINVERENIGING EN PARKMANAGEMENT’’
Voor Avelgem was de oprichting van een samenwerkingsvorm dus een logische stap om de volgende fase van het verduurzamingstraject mogelijk te maken.
In de praktijk blijkt echter - niet alleen in Avelgem - dat samenwerking best organisch groeit, verschillende vormen kan aannemen en een werk van lange adem is.
Succes is enkel mogelijk wanneer voldaan is aan een aantal randvoorwaarden: vertrouwen, trekkerschap en concrete meerwaarde.
7.1 INITIËREN VAN SAMENWERKING
CityD-WES zette bij de begeleiding sterk in op het leggen van de eerste fundamenten voor toekomstige samenwerkingsvormen. De stappen werden deels apart gezet (met focus op samenwerking), maar werden ook verweven in de gezamenlijke bijeenkomsten met andere BTvdT-thema’s.
Het traject startte in november 2023 met een reeks informatieve sessies, overlegmomenten en thematische workshops. Het thema ‘Bedrijventerreinvereniging en parkmanagement’ kreeg zijn eerste eigen sessie in juni 2024.
Tijdens deze workshop werd niet alleen het belang van samenwerking en de rol van een BTV toegelicht, maar werd vooral geluisterd naar de 24 aanwezige ondernemers.
Aan de hand van stellingen, discussietafels en meerkeuzevragen werd gereflecteerd over doelstellingen, rollen, lidmaatschapsvormen en eerste gezamenlijke acties.
De workshop eindigde met een ‘Letter of Intent’ — een intentieverklaring die door de aanwezigen werd ondertekend om toekomstgericht in te zetten op meer samenwerking en zo gemeenschappelijke doelen op het terrein te realiseren.
De input uit deze sessie vormde de basis voor een volgende bijeenkomst in januari 2025, onder de slogan: “Van what’s in it for me? naar what’s in it for us?”
Daar werd het belang benadrukt van organisch groeien in samenwerking, volgens drie opeenvolgende fasen:
1. Elkaar leren kennen - informeel
- Inzicht krijgen in gezamenlijke kansen en uitdagingen
- Informele bijeenkomsten, kennismakingssessies en het delen van basisinformatie over het bedrijventerrein.
2. Samenwerkingen organiseren - formeel
- Efficiëntiewinsten en economisch voordeel door samenwerkingen
- Groepsaankopen, collectieve afvalverzameling, gezamenlijk groenbeheer, delen van parkings, delen van faciliteiten, …
- Nadenken over vorm en financiering
3. Samenwerken voor de toekomst- structureel
- Toekomstbestendige ontwikkeling van het bedrijventerrein
- Duurzaamheid, industriële symbiose, …
- Collectieve zonnepanelen, delen van water, delen van grondstoffen, ruimtegebruik, transportorganisatie, …
- Niet alleen financieren maar ook investeren
Bovendien werden een aantal acties gelanceerd om de bal aan het rollen te krijgen. Bijvoorbeeld de oprichting van een WhatsApp-groep als laagdrempelig communicatiekanaal en het voorstel om periodiek gemeenschappelijke lunchmomenten te organiseren, al dan niet in combinatie met een bedrijfsbezoek. Dit gebeurde in samenwerking met twee ondernemers die zich als voortrekkers voorstelden.
Ondertussen werd overheen alle thema’s gewerkt aan toekomstbeelden voor het bedrijventerreinen. De finale toekomstbeelden met bijhorende acties werden aan de ondernemers gepresenteerd in juni 2025. Daar werd opnieuw het belang van samenwerken onderstreept.
7.2 LEIDRAAD ‘SAMENWERKEN OP BEDRIJVENTERREINEN’
Parallel aan de begeleiding in Avelgem werkte CityD-WES aan een overkoepelende leidraad voor samenwerking op bedrijventerreinen. De geleerde lessen uit Avelgem, aangevuld met ervaringen van trajecten uit binnen- en buitenland, werden gebundeld tot een praktische handleiding. Deze werd afgetoetst met zowel publieke als private partners die actief zijn op bedrijventerreinen, strategisch en operationeel.
De leidraad richt zich naar ondernemers die meerwaarde willen creëren voor hun bedrijventerrein (en dus ook voor hun eigen onderneming) door samenwerking te organiseren. Ze bevat praktische sjablonen, tools en tips om stap voor stap te groeien naar een formele of structurele samenwerking. Ook (lokale) besturen en terreinbeheerders zijn een belangrijk doelpubliek voor de leidraad.
7.3 AAN DE SLAG
Met heldere toekomstbeelden voor 2030 en 2050 in het vooruitzicht staan de ondernemers van de Industriezone Avelgem voor een uitdagende maar kansrijke opgave. Door samen te werken - onderling én met publieke partners -kunnen ze hun terrein verder versterken. De eerste stappen zijn gezet; tijdens de komende periode moet naar een verankering en perspectief toegewerkt worden. De leidraad biedt daarbij een concrete handleiding om verder te groeien richting een formele bedrijventerreinvereniging.