DE TORENMOLEN BIJ KASTEEL WELL (L.) G. W. C. VAN WEZEL*
Aan het kleine aantal torenmolens dat in Nederland nog bestaat kan er een worden toegevoegd. Het is de cilindrisch gemetselde toren, staande op de westhoek van het kasteelterrein te Well tussen de binnen- en buitengracht (fig. 1). Deze molen, waarvan de ruïne nog over is, wordt in 1586 genoemd in een journaal, dat Splinter Helmich, hopman onder Willem Lodewijk, heeft bijgehouden tijdens het beleg van het kasteel door Marten Schenck. Hij schreef: “den 25e junij (1586) ‘s morgens gelijcks den dach begonst den vijant dat huys te beschieten met 2 cortouwen ende een halve, ende schoten tot die middach toe meest op den muelentoorn ende die flanckeering van dat rondeel”. De toren fungeerde toen dus als molen: later, waarschijnlijk nog in de tachtigjarige oorlog, werd hij verbouwd tot kruitbergplaats. De toevoegingen en verbouwingen, die hiervoor nodig waren, zijn gemetseld in kruisverband, 10 lagen =73,5 cm. De oude romp is gemetseld in Vlaams verband, steenformaat 28,5 x 14/15 x 6,5/7, 10 lagen = 86 cm. Dat hij gebouwd zou zijn als verdedigingstoren lijkt onwaarschijnlijk; de hele opbouw, de indeling, de plaats van de vensters en van de deur en de aanwezigheid van blokkelen voor de kruiring wijzen op de functie van een torenmolen. Hij is gelijk aan alle hoofdzakelijk 15de-eeuwse torenmolens in het Hertogdom Kleef. Well en Walbeck (Duitsland) zijn voorbeelden van uitlopers van deze groep. Zelfs de afmetingen zijn praktisch dezelfde. Betreden we thans de ruïne dan komen we binnen via een ingehakte doorgang, van gelijke breedte als de erboven liggende oorspronkelijke ingang en het daarboven liggende luigat. Deze toegang zal waarschijnlijk gemaakt zijn in de tachtigjarige oorlog. We staan nu in een vertrek onder de maalzolder, een ruimte die bij de oudste torenmolens niet werd gebruikt. De diameter bedraagt inwendig 5 a. 5,05 m, de muurdikte is 1,52 m. Zoals reeds vermeld bevond de oorspronkelijke ingang zich op de maalzolder; men kwam hier via een trap buitenom langs de molen. Aan de rechterzijde van de ingang zijn geen sporen van een linksomgaande trap te zien, zoals o.a. bij de torenmolens van Zeddam en Uedem (Duitsland) het geval was. In Uedem was zelfs de trapboom ± 5 cm in het metselwerk uitgespaard. Aan de linkerzijde van de ingang zijn enkele beschadigingen in het metselwerk te zien. Mogelijk had de molen een rechtsomgaande trap. Dat dit geen uitzondering is geweest, is te zien op een gravure uit 1653 van de Heidebergermolen in Kleef. Deze bezat een rechtsomgaande trap. In Well kon de oorspronkelijke ingang met aan de buitenkant een eiken latei en aan de binnenkant een segmentboog erboven, door een sluitboom afgesloten worden; het gat rechts en de sleuf aan de linkerzijde zijn nog aanwezig. Ook aan de linkerzijde ziet men de duimen van de oorspronkelijke deur nog zitten. De maalzolder, die ten opzichte van de eronder liggende verdieping 12 cm versnijdt en zich zodoende vergroot tot een binnenwerkse diameter van 5,29 m, heeft een muurdikte van 1,41 m. De vloerdelen rustten op vier balken van ± 30 cm in het vierkant. Rechts van de ingang is een vensternis, die gelijk is aan het venster tegenover de oorspronkelijke ingang. Een derde venster bevindt zich haaks hierop, dus links van de ingang. Evenals in Zeddam bevindt zich ook in deze molen een op het oosten gerichte stookplaats. Ook wat vorm en plaats betreft is deze gelijk: een nis, afgedekt door een segmentboog, op vloerhoogte 47 cm diep, en ter hoogte van de segmentboog 61cm. Het rookkanaal! loopt schuin omhoog en eindigt aan de buitenzijde van de muur in een gat ter grootte van enkele koppen. Verder omhooggaande komen we op de steenzolder, bij torenmolens tevens de kapzolder. Ook hier rustte de vloer op vier balken van gelijke afmeting als die van de maalzolder, echter 90 graden gedraaid. Beide balklagen zijn verdwenen, maar herkenbaar aan de balkgaten. Door een versnijding van 30 cm vergroot de diameter zich inwendig tot 5,89 m; de muurdikte is hier 1,15 m. Op deze zolder bevindt zich het luigat, zoals al eerder vermeld, recht boven de oorspronkelijke ingang, Iets wat men bij alle 15de-eeuwse torenmolens ziet.
Qua vorm is hij bijna gelijk aan de ingang, een natuurstenen dorpel en ook hier een segmentboog erboven. Rechts van dit luigat bevindt zich een tweede gelijke opening. Waar deze voor diende is niet duidelijk; was dit een tweede luigat? Recht tegenover deze deur en haaks hierop bevinden zich twee vensternissen, gelijk aan die van de maalzolder en links ervan een muurkastje. De rij kruiblokken voor het vastzetten van de kap tijdens het kruien — meestal bij een binnenkruier rondom aanwezig — ontbreekt hier. Of de kap op een andere manier vastgezet kon worden is niet bekend. Enkele beschadigingen in het metselwerk, ter hoogte waar deze blokken behoren te zitten, zouden mogelijk op een andere constructie, waarvoor minder blokken nodig waren, kunnen duiden. Een staartkruiwerk kan hij niet gehad hebben, aangezien zover bekend dit pas aan het eind van de l6de eeuw uitgevonden werd. Men ziet dit wel bij torenmolens, maar dan steeds pas later aangebracht. O.a. de torenmolen van Didam en die op de Schenkenschans hadden een staartkruiwerk. Op 4,81 m boven de maalzolder eindigt het. * Gravure van Sebastian Leclerc (1637-1714). Universiteitsbibliotheek Leiden, coll. Bodel Nijenhuis no. P,9 N.115.
* Bijdrage vanwege de Ryksdienst voor de Monumentenzorg 1 E. W. Moes en K. Sluyterman, Nederlandsche Kasteelen en hun historie. I, Amsterdam 1912, 25-46. 2 Frietlrkh Gutissen, Cotist'ectus Ctiviae, nEme rheinische Kesdenzstadt in der Niederlandischen Kufisl des siebzehnten Jahrhunderts", Kleve 1964 Opmerking door Peter Pouwels; Bezoek restant van deze torenmolen d.d. 17-10-10. De molenromp heeft veel overeenkomsten met de molen van Zeddam met de toegang op het oosten en de haard iets NO ervan. De kruikrans werd gedragen door 15 blokkelen,(blokkeel nummer 16 ontbreekt omdat hier de deuropening zit) waarvan de meeste nog op hun oorspronkelijke plaats zitten. De molen is later vanaf de blokkelen verder verhoogd wat te zien is aan het mestelwerk. De vensteropeningen liggen niet zo als gebruikelijk op de vier windrichtingen georiënteerd, een en ander heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de molentoren opgesloten zat tussen twee zware verdedigingsmuren, waarvan er een noord-zuid liep en de andere oost-west. Tussen de eigenaars van een aantal torenmolens zijn aantoonbare genealogische verbanden te vinden. De torenmolen van Well en die van Betekom (B) en Walbeck (Dld) hadden via hun eigenaars uit de 16 e eeuw een familieband met de heren van Grevenbroek. 1. Robrecht van Grevenbroek, zoon van Jan van Grevenbroek (1360-1427) en Elisabeth Dickbier, was getrouwd met Johanna van Arendael, dochter van Roelman en Aleydis van den Berg, kasteelheren van Well. 2. Hendrik van Grevenbroek, broer van Robrecht, was getrouwd met Katharina van Kersbeke, dochter van Jan en Margrete van Bisdomme, eigenaars van Betekom. 3. In het Gelderse Walbeck regeerde de familie Schenck van Nydeggen, die langs moederszijde verwant was met de heren van Well 4. Torenmolen de Tomp van Grevenbroek in Achel (B) is vermoedelijk in het begin van de 15 e eeuw gebouwd door de heren van Grevenbroek.