41
) Dit wordt door verscheidene auteurs niet voldoende onderkend. Cf. Cerutti, Schepenbank, pp. 69-70, die bij zijn signalering van een laatbank te Helmond in 1485 nog teveel ervan uitgaat dat tussen het dominium de Helmond van 1220 en de heerlijkheid Helmond van na 1314 een continuïteit bestaat. De laatbank van 1485 is m.i. een geheel nieuw instituut, bedoeld voor de cijnzen van de heer van Helmond, die hij in 1314 in leen heeft gekregen. Ook bij Kappelhof (Institutionele structuren, p. 11) meen ik dezelfde misvatting te bespeuren, wanneer hij stelt dat Helmond al een heerlijkheid was voor ze het eerst in de schriftelijke bronnen werd vermeld. 42 ) Smets, Henril,p.94noot3. 43 ) Steurs, La région, p. 799. 44 ) Van Boven, Helmond als stad, p. 102. 45 ) Althans dat meen ik uit „allodium de Helmont" te mogen opmaken. 46 ) J.H. van Hooydonk, Twee verrassende burchten. \n:Fibula,jrg. 23(1982), pp. 17-21. "') T. Klaversma, De Heren van Cranendonk en Eindhoven, ± 1200-1460. Eindhoven 1969, pp. 10-13. 4S ) A.C. Broek, De Stad en Meierij van 's-Herlogenbosch ofderzelve beschrijving: facsimile uitgave Streekarchivariaat „Langs Aa en Dommel" te Veghel(1^78), p. 350. 49 ) Idem, bijlagen achter p. 144; Door 19e eeuwse auteurs als Coppens en Sassen is dit verhaal overgenomen (Cf. Van Boven, Helmond als stad, p. 103). Het werk van De Lannoy heb ik niet kunnen achterhalen. so ) De door mij geraadpleegde genealogieën van het geslacht Van Horne (Klaversma, Geslachten van Altena en Horn, Goethals, Histoire maison Homes en J. Linssen, Iets over de afstamming van de heren van Horn. In: De Limburgse Leeuw*) (1961), pp. 1 1 3 - 1 1 7 ) maken geen van alle melding van deze door De Lannoy genoemde personen. Enige relatie met Willem van Horne is dan ook op voorhand niet te ontdekken.
TORENMOLENS IN NOORD-BRABANT WIM EN WIRO VAN HEUGTEN INLEIDING
Bij de discussie over de oudste windmolen in Noord-Brabant, die in de afgelopen jaren in dit tijdschrift werd gevoerd') betrof het uitsluitend standerdmolens. Uit die discussie is duidelijk geworden dat men wel degelijk met de technische en bouwkundige aspecten rekening moet houden, wil men op een accurate wijze de molengeschiedenis van (Noord-)Brabant onderzoeken. De actes uit de 13e, 14e en 15e eeuw geven echter slechts uiterst summiere aanwijzingen met betrekking tot het molentype en de techniek. Ook de afbeeldingen uit die tijd zijn niet altijd betrouwbaar. Het was dan ook zeer opvallend dat we in een 15e eeuwse acte uit Helmond, die al in 1928 door Frenken 2 ) werd aangehaald, de opmerking „stenen wyntmoelen" aantroffen. De draagwijdte van de aanduiding stenen bleek groter dan een nietmolenkenner zou vermoeden. We bleken het met een zogenaamde torenmolen te doen te hebben waarvan werd aangenomen dat dit molentype slechts een beperkt verspreidingsgebied had in het Land van Kleef en de directe omgeving. In de literatuur werd tot nu toe geen torenmolen gemeld op het 14
Figuur l - Plaatsen waar v贸贸r plm. 1600 een torenmolen vermeld wordt, mei in N oord-Brabant Helmond en Gemert en vermoedelijk Alphen en Engelen. Hel zwaartepunt ligt duidelijk in hel Land van Kleef.
grondgebied van de huidige provincie Noord-Brabant. In dit artikel willen we gaarne ingaan op de Helmondse torenmolen en mogelijke andere in Noord-Brabant. Tevens willen we aandacht besteden aan de bijdrage, die de torenmolens aan de molengeschiedenis in ons gewest hebben geleverd. TORENMOLENS 3 )
De houten standerdmolen, die in de loop van de 12e en 13e eeuw vanuit de Zuidelijke Nederlanden naar het noorden oprukte, was een tamelijk kwetsbaar bouwwerk, dat bij brand en oorlogsgeweld gemakkelijk totaal verwoest werd. Ook bij stormen gebeurde het regelmatig dat dergelijke molens gewoonweg omwaaiden. Zo is bekend dat met de storm van 6 januari 1558 in Den Bosch 5 molens omwaaiden waarbij twee molenaars om het leven kwamen. Ook de Somerense standerdmolen ging in die storm tegen de vlakte 4 ). Men zal dan ook spoedig zijn gaan zoeken naar verbeteringen, die de molen 15
minder kwetsbaar maakten en tevens de duurzaamheid van het bouwwerk verlengden. Dit resulteerde uiteindelijk in een windmolen, die in een stenen toren was ondergebracht. De belangrijkste en tevens noodzakelijke uitvinding hiervoor was de kruibare kap. Het wezenlijke van deze uitvinding was dat men in de stenen toren het koppel maalstenen met het staakijzer gecentreerd plaatste zodat de wieken via de as, het groot rad en het ronsel de loper konden aandrijven, onafhankelijk van de windrichting, waarop het wiekenkruis gericht stond. Bij de standerdmolen was dit niet het geval zodat de standerdkast met daarin de wieken, as en molenstenen in totaal op de wind gericht moest worden. In een later stadium werd in de torenmolen een centrale as geplaatst (de koning) met een rad, dat meerdere koppels stenen kon aandrijven. Oude afbeeldingen van torenmolens uit de 15e en 16e eeuw laten meestal een stereotiepe en nogal plompe torenmolen zien (zie fig. 2) waaraan een staartkruiwerk ontbreekt. Dit duidt op het gebruik van een binnenkruiwerk, zoals dat nu nog op bijvoorbeeld de Zeddamse torenmolen te zien is. De combinatie van een plompe molen en het ontbreken van een buitenkruiwerk was noodzakelijk. De kap moest voldoende zwaar zijn om de winddruk op het wiekenkruis en het wringen tijdens het malen te kunnen opvangen zonder gevaar voor afschuiven van de kap. Wil men bij archiefonderzoek molens naar type kunnen onderscheiden, dan blijkt dat de aanduiding „stenen" of „houten" van belang is om te kunnen zeggen of we het met een toren- of standerdmolen te doen hebben. De aanduiding „houten" windmolen slaat tot plusminus 1570 uitsluitend op een standerdmolen of de daaruit afgeleide wipmolen. Pas na de uitvin-
Figuur 2 - Een Nederrijnse torenmolen bij het dorpje Doornik/Dornick aan de Rijn bij Emmerik. Gravure van Paul van Liender naar een tekening van Jan de Beijer uit 1732.
16
ding van het buitenkruiwerk in 1573 was men in staat om een lichtere molen te bouwen, die gebaseerd was op het principe van de torenmolen (kruibare kap) en waarvan de romp van hout was. De kap kon door het tegenwicht van de zware staartbalken lichter worden en kleiner van omvang. De molen kreeg daardoor een konische vorm, die meer stevigheid verschafte. Dergelijke molens konden zowel in hout (de zogenaamde Hollandse achtkante molens) als in steen worden gebouwd. De eenduidigheid in de aanduidingen „houten" of „stenen" molen is daarmee verloren: na plusminus 1570 kan een houten molen zowel een standerdmolen als een achtkante molen zijn en een stenen molen een torenmolen of stenen buitenkruier. Voor het molenonderzoek is van belang dat uit bovenstaande geconcludeerd mag worden dat windmolens, die in actes van vóór plusminus 1570 worden vermeld met het bijvoegsel „stenen", zeker torenmolens waren. Een bevestiging van deze conclusie wordt gegeven door de namen, die Gorissen5) publiceerde voor zowel de standerd- („holt moeien") als de torenmolen („steen moeien"), die in de 15e eeuw op nog geen honderd meter van elkaar voor de Ketelpoort van Kalkar stonden. Waar de torenmolens zijn ontstaan is nog onzeker. Het is nogal opvallend dat de meeste vermeldingen van torenmolens stammen uit het land van de Nederrijn, ruwweg tussen Keulen en Arnhem. De oudste vermeldingen zijn gedateerd in het einde van de 14e en het begin van de 15e eeuw en stammen uit die gebieden, die toentertijd tot het graafschap Kleef behoorden. We noemen: Udem (Uedem bij Gogh) in 13596), Huissen (bij Arnhem) plusminus 13807), Kleef 1383-S58), Kalkar kort voor 14005) en Gennep in 14139). Het is op grond van de verspreiding van deze oudste torenmolens heel aannemelijk dat de torenmolen aan de Nederrijn werd ontwikkeld. Ook de ligging van het graafschap (na 1417 hertogdom) Kleef aan grote handelswegen en de economische opbloei van dat gebied in de 14e en 15e eeuw zijn factoren, die deze aanname ondersteunen. De gunstige ligging van Oost-Brabant ten opzichte van Kleef en de intensieve (handels)contacten van Brabant en Vlaanderen met het Land van Kleef, zullen ongetwijfeld bijgedragen hebben tot de snelle verspreiding van de torenmolentechnologie in ons gewest. DE TORENMOLEN VAN HELMOND
In een acte van 9 februari 1418 is er sprake van „die stenen wyntmoelen', die nabij de „Vogelsanck" stond in de straat, die al in 1435 de Molenstraat wordt genoemd. Ook de mulder, die in die tijd deze molen van de heer van Helmond pachtte is bekend. Een acte gedateerd 7 mei 1419 meldt dat „Matheus die molner Art Loppartssoen heeft tegen onsen lieven Here van Helmont die stenen molen gepacht vier jaer lanc, aengaende te Sunt Jansmisse naestkomend. . .". Hoogstwaarschijnlijk was deze stenen molen de opvolger van een windmolen op het Hoogeind van vóór 13932). De stenen molen zelfheeft maar kort dienst gedaan want op l oktober 1484 was er nog slechts sprake van een „steenen molentoren"10). Hij lag bij de 17
oude landweer en heeft waarschijnlijk van deze verdedigingslinie, die ruim om de stad heen lag en wellicht tegen de Geldersen was opgeworpen, deel uitgemaakt"). Mogelijk heeft men het toch maar verstandig gevonden om na de strijd tegen de Geldersen in 1479 en 1482 opnieuw een molen te bouwen binnen de vesting op het Hoogeind. Een misschien wel interessante bijkomstigheid is dat de in Helmond geboren schilder Lucas van Gassel (ca. 1500- ca. 1550) een windmolen afbeeldde op zijn schilderij „Pyramus en Thisbe". Deze klein geschilderde molen heeft wel wat weg van een torenmolen. Dat is opmerkelijk omdat in die tijd windmolens slechts zelden werden afgebeeld. Eveneens opmerkelijk aan een torenmolen is: dit type kwam te Brussel, waar Van Gassel gewerkt heeft, niet voor. TORENMOLEN DE BEER TE GEMERT
De Gemertse torenmolen is minder overtuigend en verdient nader onderzoek. Op l april 1364 verkocht Didderic van Ghemert onder andere de windmolen aan de Duitse Orde12). Het zou de voorloper van de stenen bergmolen De Beer zijn geweest. De molen werd in 1881 gesloopt en had een onderbouw in de vorm van een toren. Dat we hier met een torenmolen te doen hebben wordt mede ingegeven door de vondst in 1914 van de overblijfselen van een gracht, die het terrein waarop molen De Beer heeft gestaan, omringde. Van meerdere torenmolens is bekend dat ze oorspronkelijk bij een kasteel stonden en al dan niet in de verdediging waren opgenomen. Als voorbeelden gelden Gennep, waar in 1413 een heektoren van kasteel Lonesteijn tot torenmolen werd omgebouwd9) en Well, waar omstreeks 1400 een torenmolen binnen de buitengracht van het kasteel stond13). Gerlachus van den Eisen 14 ) vermoedt dat op de plaats waar molen De Beer stond, het kasteel van de Heren van Gemert, het zogenaamde Hooghuis, heeft gestaan. Dit vermoeden wordt thans evenwel bestreden, mede aan de hand van recente opgravingsresultaten bij de Latijnse School15). ELDERS IN NOORD-BRABANT
Uit enkele summiere gegevens blijkt dat er in ons gewest mogelijk meer stenen torenmolens hebben gestaan. Zo stond er onder Alphen, op 5 minuten lopen ten noordoosten van de Princehoef, een molen, die aangeduid wordt met „Stéenenmolen". Mogelijk was het dezelfde molen als de meermaals genoemde „Akkermolen", die onder andere in 1564 door de heer van Breda werd verpacht, in 1696 grondig werd hersteld (en veranderd?) en in 1919 werd afgebroken 16 ). Verder is er in 1741 en op een kaart uit 1749 van W.F. Hattinga sprake van de „Steenen Molen" gelegen ten oosten van de Dieze tegenover fort Engelen, dit is de Dieskant17). Uit verscheidene 17e en 18e eeuwse kaarten, van onder andere Jacques Prempart (1630) en de gebroeders Hattinga (1748), valt op te 18
Figuur 3 - Ligging van de torenmolen buiten Helmond bij de landweer (ontleend aan Jacob van Deventer plm. 1540 en J. van Hooydonk 1977).
maken dat toen op die plek geen molen (meer) stond, zodat het wellicht een veldnaam is, die herinnert aan een torenmolen. Vermeldenswaard is eveneens de molen op de Lithse Ham, dit is een versterking onder Lith aan de Maas. Deze versterking werd al in 1504 en 1535 opgeworpen tijdens de Gelderse Oorlogen en opnieuw in 1581 tijdens de Tachtigjarige Oorlog in gebruik genomen. Volgens Van der Aa18) werden in 1825 behalve de funderingen ook de resten van een houten korenmolen teruggevonden. Omdat de toenmalige eigenaar het plan had een stenen beltmolen te bouwen liet hij de resten van die molen slechten om er de fundamenten voor de nieuwe molen te leggen. Weldra ontdekte men evenwel het sterke muurwerk van een ronde toren, die juist de grootte had van het onderstuk van een torenmolen! 19
TORENMOLENS EN MOLENGESCHIEDENIS
Een voorlopige conclusie, die we uit het voorkomen van middeleeuwse torenmolens op het grondgebied van de huidige provincie Noord-Brabant mogen trekken, is dat deze streek zeer zeker tot het verspreidingsgebied van dergelijke molens heeft gehoord. Dit is in tegenstelling tot wat men tot nu toe aannam. Tevens wordt duidelijk dat er reeds in de Middeleeuwen intensieve contacten hebben bestaan op molentechnisch gebied met het Land van Kleef. Dergelijke contacten bleven bestaan tot in onze eeuw toe. Nog in deze eeuw trokken Oostbrabantse mulders naar Kleef om er het vak te leren"). Ongetwijfeld heeft dit ook het gebruik van de vaktechnische molentermen be誰nvloed. Het voorkomen van torenmolens in Noord-Brabant vormt dus eveneens (indirect) een bevestiging van de conclusies, die Stroop20) op grond van zijn taalkundige onderzoekingen kon trekken. Hij vond dat de windmolen langs twee verschillende wegen in Nederland is binnengedrongen: 1) via Vlaanderen voor wat het Zuidwesten van Nederland betreft en 2) via het Duitse Rijnland wat het midden en noorden van het land betreft. Het zal duidelijk zijn dat het zuiden ook tot deze tweede invalsweg behoort.
Figuur 4 - De torenmolen bij de Ulrichspoort te Keulen. Fragment uit het stadsgezicht vanAnton van Woensam uit 1531.
20
Uit het kaartje blijkt dat de grens van deze beide invloedssferen dwars door het oude hertogdom Brabant loopt. Waarom in Zuid-Brabant geen en in Noord-Brabant wel torenmolens voorkwamen, is een interessante vraag. Vooral in het licht van de intensieve contacten die er in de 14e en 15e eeuw hebben bestaan tussen Brabant (met als economisch en politiek zwaartepunt Brussel-Leuven-Antwerpen) en Kleef op zowel politiek als dynastiek gebied, is deze grens merkwaardig. Men kan er vanuit gaan, dat deze contacten ook een gemakkelijke uitwisseling van technische vindingen mogelijk maakten en dat daardoor in Zuid-Brabant de vinding van de kruibare kap bijna zeker bekend moet zijn geweest. OPMERKING
Een enkele opmerking over de aanduiding „Duits", die Stroop expliciet gebruikt in verband met het Rijnland. In de periode vóór 1800 is de aanduiding Duits in dit verband onterecht. Noch in politiek, noch in taalkundig opzicht is er vóór 1817 sprake van een Duits-Nederlandse grens. Ook wordt te weinig beseft dat het Nederrijnse gebied ten noorden van ruwweg de lijn Roermond-Duisburg tot in de eerste helft van de vorige eeuw Nederlandstalig was. Pas in 1827 werd in de toenmalige Pruisische gebieden aan de Nederrijn het Duits als officiële taal in de kerken en scholen ingevoerd 21 ). Tot op de dag van vandaag worden de Nederrijnse dialecten als Nederlandstalig beschouwd 22 ).
Literatuurlijst/Noten ') Zie hiervoor o.a. het artikel van: Jan Scheirs, Brabants Heem 34 (l982), p. 69-78. 2 ) G.A. Helmond Prot. no. 215 f. 107 v; A.M. Frenken, Helmonds Verleden I ('s-Hertogenbosch, 1928), p. 163. 3 ) A. Sipman, Molenbouw, het staande werk van de bovenkruier, (Zutphen, 1975), p.33-57. J.C. Notebaart, Windmühlen, der Stand der Forschung über das Vorkommen und den Ursprung, (Den Haag, 1972). ") J. Cunen, Inventaris van het archief der gemeente Someren, (Asten, 1940), p. 14. s ) F. Gorissen, NiederrheinischeStadteatlas, 2.Heft Kalkar (Kleef, 1953), p.59. 6 ) E. & W. Fröde, Windmühlen. Energiespender und aesthetische Architektur, (Keulen, 1981), p.42. De auteurs maken geen vermelding van hun bron. Zij onderscheiden echter wel degelijk torenmolens. Gezien het jaartal zal de torenmolen in de acte, waarbij Udem van Jan l van Kleef stadsrechten in 1359 aan Udem verleende, vermeld zijn. Vermoedelijk betreft het de zogenaamde Hoge Molen, een tot oorlogsmonument ingerichte torenmolenstomp aan de weg van Udem naar Marienboom/Marienbaum. 7 ) A. Sipman, o.c. p.36 en de verwijzing aldaar naar G. van Wezel. 8 ) F. Gorissen, Niederrheinische Stadteatlas, l .Heft Kleve, (Kleef, 1952), p.35. ')Th.W.J. Driessenen M.P.J.van den Brand, 1000 jaar Gennep, (Nijmegen, 1975), p.56. 10 ) G.A. Helmond Prot. no. 225 f.89 r; A.M. Frenken, o.c. p. 164. ") Wiro van Heugten, De Gelderse Oorlogen in de Meierij e.o., (Deurne, onuitgegeven), p.8-9, 36,42. l2 ) P. Brokken, N. Lindemann, Inventaris Duitse Orde Gemert, (Gemert, 1977), p.219. ") D. Kransbergen H. Mils, Kastelengids van Nederland, (Haarlem, 1979), p.256. 21
14
) M. van de Velde, in Gemeits Heem 4 (l 962), p.9. De auteur heeft in dit artikel de bevindingen van Gerlachus van de Eisen weergegeven. 15 ) A. Otten, in Gemerts Heem 21 (1979), p.70. In de jongste afleveringen van Gemerts Heem wordt regelmatig aandacht besteed aan de opgravingen bij de Latijnse School. ") J. P.W.A. Smit, De Commanderij „Ter Braake" onder Alphen, in Taxandria XXVII (1920), p. 142-149. ") CJ. Gudde, 's-Hertogenbosch, geschiedenis van vesting en forten, ('s-Hertogenbosch, 1974), p.135,170. 18 ) A.J. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, VII, (Gorinchem, 1846), p.365-366. ") Mededeling van o.a. Joep Coppens, Vlierden en de mulder van Keeken bij Kleef. 20 ) J. Stroop, Molenaarstermen, Molengeschiedenis, (Amsterdam, 1977), p.226. 21 ) J. van Banning, in Jaarboek Zannekin 2 (leper/Soest, 1978/79), p.73 en volgende. L. Kremer, in Jaarboek Zannekin 4 (leper/Soest, 1982), p.31 e.v. 22 ) A. Weijnen, in Rijn en Maas-Rhein und Maas, (Venlo-Düsseldorf, 1974).
VASTENAVOND J.J.M. SICKINGpr.
De elfde november, de „elf-elf-avond" herinnert er ons weer aan, dat het straks Vastenavond zal wezen, Carnaval. Is de Kerk tegen feestviering? Onze Lieve Heer was op de bruiloft van Cana en zorgde zelfs voor wijn, toen die te kort kwam. Hij zeide, dal: de gasten niet hadden te vasten, zolang de bruidegom bij hen was. Onze „kermis" (het verbasterde woord duidt er nog op) ontstond uit het Kerkwijdingsfeest (Kerkmis). De Kerk mag dus niet tegen feestviering zijn. Maar feestvieren is een kunst, die niet ieder verstaat. Een feestviering kan ontaarden in „braspartijen en dronkenschappen" en daar is de Kerk vlak-af tegen (Gal. 5, 21). Het Zuiden heeft de naam, dat het goed kan feestvieren en ik hoorde van menig Brabander en Limburger de klacht, dat uit het Noorden afkomstige herriemakers die doorsloegen en geen maat kenden, de zuidelijke Carnaval-viering kwamen bederven. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat wij helemaal brandschoon zijn. Een kundig verpleegster uit het Bossche Groot Ziekengasthuis zei mij eens, dat aan het aantal ongehuwde moeders, dat moest bevallen, duidelijk af te lezen was, dat het negen maanden tevoren Carnaval was geweest. Dit is ook geen wonder, want de door drank gevoede uitgelatenheid krijgt nog een bijzonder karakter doordat men door masker en verkleding naamloos en onherkenbaar voor elkander wordt, zodat de normen van fatsoen gemakkelijk wegvallen. De lezer versta ons goed. Wij erkennen volmondig, dat een mens wel eens helemaal zich zelf, dat hij wel eens onbekend wil zijn. Zelfs, dat het nuttig en aantrekkelijk is, om eens niet door de barrières van status of standsverschil gehinderd te worden. Zo zou het een feest van echte verbroedering kunnen zijn. Maar elk denkend mens zal moeten toegeven, dat de sfeer, die ontstaat door drank en verkleding en gemaskerd zijn, gemakkelijk tot buitensporigheden 22