Skip to main content

Molenvriend 15 web

Page 1

Uitgave van de vereniging Molenvrienden Land van Cuijk

herdruk oktober 2004


VERENIGING MOLENVRIENDEN LAND VAN CUIJK BESTUUR VOORZITTER SECRETARIS PENNINGMEESTER BESTUURSLID

ROBBERT-HANS VERKERK 5431 GW CUIJK DON WERTS 5443 NC HAPS HANS HEIJS 5831 CW BOXMEER PERRY HENDRIKS 5437 BP BEERS

ISABELLALAAN 30 TEL. 08850-13647 STRAATKANTSEWEG 28 TEL. 08850-15362 BILDERBEEKSTRAAT 26 TEL. 08850-71463 DE VANG 20 TEL. 08850-22872

MOLENEIND 4 TEL. 08850-13298 STRAATKANTSEWEG 28 TEL. 08850-15362 STRAATKANTSEWEG 28 TEL. 08850-15362

5431 HW

CUIJK

5443 NC

HAPS

5443 NC

HAPS

COMMISSIES BIOTOOPCOMMISSIE ARCHIEFCOMMISSIE PROMOTIECOMMISSIE LEDENADMINISTRATIE

HANS HEIJS 5831 CW BOXMEER BANKNUMMER VERENIGING: GIRONUMMER VERENIGING:

BILDERBEEKSTRAAT 26 TEL. 08850-71463 1105.56.194 4008385

MOLENARCHIEF STRAATKANTSEWEG 28 5443 NC HAPS LAND VAN CUIJK TEL. 08850-15362 Het “MOLENDOCUMENTATIECENTRUM LAND VAN CUIJK” is in principe voor iedereen na afspraak toegankelijk DE MOLENVRIEND 15

Colofon Jaargang 7, nummer 1, maart 1991 Lijfblad van de vereniging Molenvrienden Land van Cuijk, opgericht in 1984. De Molenvriend wordt gratis toegezonden aan de leden en donateurs van de vereniging. De contributie hiervoor is resp. ƒ 20,- en ƒ 12,50, welke bij aanmelding gestort kan worden op de bankrekening van de vereniging. Losse nummers ƒ 1,50. De Molenvriend is een advertentiemedium. REDACTIE REDACTIEADRES

Don Werts Straatkantseweg 28 Tel. 08850-15362

VERDER WERKTEN MEE ILLUSTRATIES

Frits Harteman, Jan Scheirs, Robbert H. Verkerk en W. Verwers Frits Harteman, het ROB, Don Werts en anderen

VOORPAGINA

Tekening molen te Watten (F) door M. Voet

5443 NC

Haps


Van de redactie Een stralend begin van de lente dit jaar betekende weer eens het einde van de winter. Een bevroren tijd was het me wel. Niet alleen in de natuur, maar ook op redactioneel gebied lag het een en ander stil. Vandaar dat het weer even duurde voordat deze Molenvriend uitkwam. De volgende Molenvriend trouwens zal niet lang na deze verschijnen. In verband met een te houden excursie naar Duitsland in juni, moet nummer 16 namelijk daarvoor verschijnen. Meer informatie over de excursie vindt u elders in dit blad. De verdere inhoud bestaat uit het laatste deel van het artikel over de Romeinse watermolen te Escharen; een gemaakte molentocht in Zuid-Frankrijk; een verslag van de restauratie van “De Ster” te Wanroy en het wel en wee van een molenbiotoopverbetering. Hoe het verder in de molenwereld gaat, is een vraag waarop uiteenlopende antwoorden mogelijk zijn. Op het gebied van de opleiding tot vrijwillig molenaar ontstaan steeds meer klachten en op het gebied van veiligheid mankeert soms ook nog wat, zoals bleek bij de tragische dood van een vrijwillig molenaar uit de provincie Zeeland die door het bovenwiel werd gegrepen, eind vorig jaar. Maar gelukkig draaien de meeste molenaars er lustig op los. In het Land van Cuijk hebben we zelfs weer een molenaar-in-opleiding erbij en ook een ander zal binnenkort zijn opleiding weer hervatten. Voorts gaat er in juni een molenaar op voor het molenaarsexamen. Resultaten zullen hopelijk niet uitblijven! De redactie

Mededelingen van het bestuur De activiteiten binnen de vereniging gaan rustig hun gangetje. Qua activiteit was de excursie naar noordwest Frankrijk en zuidwest België, die op 31 augustus tot en met 2 september 1990 werd gehouden, een hoogtepunt. Volgens de (slechts) zes deelnemers was het een zeer succesvolle en mooie excursie. In totaal werden in drie dagen een dertigtal molens bezocht. Menige Vlaming moet wel raar opgekeken hebben toen hij of zij een blauwe, Nederlandse auto, steevast achtervolgd door een rode, over de kleinste landweggetjes zag scheuren. Op zoek naar een molen werd namelijk geen enkele weg geschuwd. De mooiste molen van de hele route was wel die te Watten (Frankrijk) waar enthousiaste vrijwilligers ons ontvingen. We hebben ze zelfs geholpen bij een wel zeer merkwaardige manier van kruien. Tevens hebben we ze het werken met een zeil “bijgebracht” alsook het klampen ervan. Op de voorpagina vindt u een tekening van deze prachtig gelegen torenmolen, bovenop een berg. Een volgende excursie is inmiddels al weer gepland (zie elders). Het bestuur zelf zit ook niet stil. Zo waren er bijeenkomsten met de gemeente Cuijk en St. Agatha en de gemeente Mill en St. Hubert. terwijl andere alweer in voorbereiding zijn. Ook de nodige telefoontjes werden gepleegd, waaronder naar belanghebbende instanties met betrekking tot watermolen “De Klef” te


Vierlingsbeek. Resultaten werden geboekt in Cuijk waar de biotoop van de molen aanzienlijk verbeterd is. De “heimolen� in St. Hubert zal nog enige tijd moeten wachten op een afname van de windbelemmeringen. De rondreizende stand staat momenteel in de openbare bibliotheek van Wanroy. In de directe planning liggen nog Beers en Grave. Voor de stand zijn trouwens vaste panelen in de maak. In contrast met de hoop dat deze uitgebreide promotie naast interesse en bekendheid ook nieuwe leden en donateurs zal werven, staat een licht ledenverlies van dit jaar. Wat betreft de leden en donateurs: wij willen u graag wijzen op de bijgevoegde acceptgirokaart voor het voldoen van de contributiegelden over 1991 (zoals u daarop kunt zien, hebben we een girorekening erbij). Stuur deze automatische overmaking s.v.p. binnen niet al te lange tijd op; dit voorkomt een onaangename situatie voor beide partijen. Bij voorbaat dank weer voor de te geven steun! De secretaris


Een bezoek aan de molen van Alphonse Daudet Waarheen gaan we (mijn vrouw Ria en schrijver dezes) dit jaar (1990) op vakantie? Zuid-Frankrijk; de Provence? Met in het achterhoofd de vraag: “Zouden daar ook molens staan?” Ja, zeker. maar waar staan ze precies? Op deze laatste vraag geeft o.a. het boekje van J.M. Homet, “Provence des Moulins à vent,” een antwoord. In het gebied waar wij onze vakantie doorbrachten, staan er helaas niet zo veel en zeker niet in de nabijheid. Bovendien bleek bij navraag dat afgezien van een aantal rompen, een aantal gerestaureerde molens privé-bezit is en verbouwd is tot woning, zodat het al moeilijker wordt deze molens te bezichtigen. Een molen die zeker te bezichtigen is, is o.a. de molen van Daudet te Fontvielle. Deze man is mede bekend door zijn boek “Lettres de mon moulin” met daarin het mooie verhaal “Le secret de Maître Cornille”: de molenaar die niet wenste toe te geven aan de meelfabrikanten, die hij dieven noemde, en om de schijn hoog te houden met zijn ezel stenen naar de molen bracht i.p.v. het niet weer aan hem geleverde koren. Op weg dus naar deze molen. Via Avignon-Tanascon richting Arles kwamen wij in Fontvielle aan. Even buiten het stadje zagen wij hem door het geboomte op een heuvel staan. De plaats op zich was al een plaatje (figuur 1).

Figuur 1. Foto van de molen van Alphonse Daudet uit het boek “Le Moulin d’Alphonse Daudet” geschreven door M. Guitteny


Auto geparkeerd en via een voetpad naar de molen gelopen van waar men een mooi panorama heeft op het dal onder de molen, waarin zich bovendien nog drie molenrompen bevinden. Alleen al om vanaf deze plaats de omgeving in je op te nemen, is een bezoek aan deze molen waard. Gelukkig troffen wij het. Er waren n.l. op het tijdstip van onze komst nauwelijks bezoekers en die er waren hielden het al spoedig voor gezien. Onder de molen is een klein museum ingericht. Vroeger stond er in deze ruimte de buil, maar nu kan men er foto’s, documenten, manuscripten betreffende Daudet en zijn werken bekijken. Het betreft hier een ronde stenen molen met drie verdiepingen waarvan de onderste, zoals we al schreven, dienst doet als museum. Op de tweede verdieping (meelzolder en tevens entree) is de licht nog aanwezig met nog een aantal attributen zoals een buil, diverse zeven en molenaarsgereedschap. Een wenteltrap langs de muur geeft toegang tot de derde verdieping (steenzolder). Afgezien van de kuipmantel is alles voor het malen aanwezig, inclusief staakijzer met lantaarn. Staande op de stenen kun je de constructie van de kap goed bekijken. Het puntdak bestaat uit een geraamte, bekleed met verticale houten stroken, dat tevens dienst doet als bevestigingsplaats voor de bovenas. Met zijn overring rust het dak op de kruivloer. Deze kruivloer, uitgerust met neuten, is op de romp bevestigd naast een in de romp gemaakte goot met afvoergaten voor het regenwater. De bovenas, waarin aan het einde de roeden zijn gestoken, is gemaakt uit een zware, eiken balk. De hals is voorzien van schenen en rust in een hoek van 7 graden op een halssteen. De as is verder voorzien van een armwiel en is gebouwd uit een samenstelling van haagbeuk, iepen en essenhout. De 40 kammen zijn van peerlijsterbes. De overbrenging is 1:5. De vang is een blokvang en wordt aangetrokken door middel van een hefboom. Figuur 2. De molen is aan het begin van deze eeuw tijdens de laatste jaren van zijn activiteiten. Links op de achtergrond is ook een molen waar te nemen. Deze foto komt uit het boekje “Le moulin d’Alphonse Daudet” van M. Guitteny.


Figuur 3. Doorsneetekening van de molen, eveneens afkomstig uit genoemd boek. Met behulp van de tekening moet het voor de molenkenner niet moeilijk zijn de franse molentermen te vertalen.

Fig. 2 : Calotte du moulin A, B : paliers avant et arrière C : levier du frein D : châssis tournant Fig. 3 : Arbre de couche F : alumelles G : Ie grand rouet Fig. 4 : Fût du moulin I : patins du chemin dormant J : chemin dormant K : gouttière Fig. 6: La meule Z : l’anille

Fig. 5: Mécanique M : grand rouet N : arbre de couche O : lanterne P : fer de meute Q : meule courante R : meule dormante S : œillet T : plancher U : coffrage ou garniture V : crapaudine W : trémie X : conduit de moulure Y : poutre meulière


De molen heeft geen staart, zodat hij van binnenuit werd gekruid; eveneens door middel van een hefboom. Naast de overring is een krans van spaken gemonteerd. De molenaar stak de hefboom tussen een vast gedeelte in de molen en één van de spaken en wrikte de kap (en daarmee het gevlucht) in de verlangde windrichting. Men had volgens de conciërge, die zo vriendelijk was om tussen het kaartjes verkopen door nog nader uitleg te geven waar dit nodig was, 32 windstreken die allen volgens hem een specifieke Provençaalse naam zouden hebben. Om er maar een paar te noemen: N = Tramountano; 0 = Levant; Z = Marin mi-jour; W = Narbounès; N.O. = Mistrau (ou vent terrau). Wel, de namen van deze 32 windstreken heeft men voor het gemak op plaatjes vermeld en op de corresponderende plaats boven aan de muur van de steenzolder onder de kruivloer bevestigd (figuur 4).

Figuur 4. Een foto van het binnenste van de kap, afkomstig uit ‘Le moulin d’Alphonse Daudet’ van M.Guitteny


Door de paar vensters op de steenzolder heeft men eveneens een mooi uitzicht op het dal en de heuvels van de Alpilles met zijn vele kleuren van korenvelden, klaprozen en verschillende kleuren groen. Weer buiten gekomen werd het gevlucht bekeken. Twee ronde bomen. Dwars getuigd. Zeilen waren volgens onze zegsman niet meer aanwezig. Het gevlucht was via een stevige paal in de grond met een kabel verankerd en werd niet neer gebruikt. Erg jammer, want wat zal het een mooi gezicht zijn als deze molen niet alleen als museum, doch ook draaiend te bewonderen is; want wind is er voldoende op die heuvel. Een biotoop om jaloers op te zijn. Na nog een paar foto’s gemaakt te hebben, werd afscheid van de molen genomen. Een paar dagen later hebben we de molen van Saint-Saturnin-d’Apt bezocht (1 molen en 1 romp). Deze zijn echter privé-bezit, dus bleef voor ons alleen de buitenzijde over om te bekijken. Het gevlucht is kleiner dan dat van Fontvielle, doch voor het overige hetzelfde type molen. Ook hier staat de molen op een dusdanige plaats dat de molenaars vroeger vast geen gebrek aan wind hebben gehad (figuur 5).

Figuur 5. Foto van Frits Harteman van de molens te Saint-Saturnin-d’Apt

Via Roussillon kwamen wij met behulp van een inwoonster uit Parthealon bij een molen in de omgeving van Goult (Moulin de la Badelle). Deze molen lag er tussen de wijngaarden mooi bij, doch was ingericht als woning.


Een afrastering, waarbij ook gebruik was gemaakt van een oude bovenas sloot de toegang af, maar gaf ons toch de gelegenheid een foto te maken (figuur 6). Op de terugweg hebben wij ons voorgenomen, als het even kan, dit gebied van Frankrijk weer te bezoeken en zo mogelijk ook de verder weg gelegen molens die o.i. door hun aanwezigheid deze mooie streek een extra charme geven. Frits Harteman Literatuur: H.M. Homet C. Rivals M. Guitteny

: Provence des moulins à vent : Le moulin à vent et le meunier : Le moulin d’Alphonse Daudet

Figuur 6. Molen bij Goult (foto Frits Harteman)


Van te hoge bomen tot een picknicktafel DE BIOTOOP VAN DE “JAN VAN CUIJK” TE CUIJK Sinds 1860 wordt de skyline van Cuijk verrijkt wet een witte beltmolen. Vooral in de beginjaren, maar toch zeker ook nog tot ver in de 20e eeuw konden de Cuijkenaren spreken van onze mooie molen op de weg naar Oeffelt, gelegen tussen de uitgestrekte korenvelden. Maar tijden veranderen en wijzigingen in de vegetatie van de Cuijkse zuidelijke gronden zorgden voor enkele nieuwe natuurlijke landschapselementen. Met name de bomen en struiken kwamen in opmars. Zo werd ook in de directe omgeving van de molen het een en ander aangeplant. Naar we mogen aannemen werd de “Jan van Cuijkse” molenbiotoop in die tijd echter scherp in de gaten gehouden door de molenaarsgeslachten Willems en Kessels, zodat het windrecht voor de molen grotendeels gehandhaafd kon blijven. In de begin jaren zestig van deze eeuw voelde het dorpje Cuijk iets voor een destijds in de mode zijnde expansie.Tussen de Maas en de spoorlijn Venlo-Nijmegen werd ten noorden van Cuijk begonnen met het neerplanten van huizenblokken. Alles op gelijke afstand en als het enigszins mogelijk was, moest ook nog gekeken worden naar symmetrie. Vanaf die tijd werd er (op nationaal niveau) meer aandacht besteed aan de ruimtelijke ordening. Na de eerste twee nota’s op de Ruimtelijke Ordening (1962 en 1966) was het de beurt aan CuijkZuid (1970) om omgetoverd te worden tot woongebied. De huizenopstellingen waren dankzij de ontwikkelingen van deze nota’s wat vriendelijker en ruimer opgezet. Er kwamen desondanks twee flats, maar daarentegen werden enkele bestaande huizen en boerderijen gehandhaafd (het Doehuis, etc.). Bij de molen werd er zelfs voor gezorgd dat alleen lage bebouwing werd toegestaan. Inderdaad staan er nu enkele bungalows rond de “Jan van Cuijk”, maar de ruimtes die bij de nieuwe plannen ingecalculeerd waren, kregen een bestemming als groenvoorziening. Deze laatste, mensvriendelijke maatregel pakte echter molenonvriendelijk uit. De bomen en struiken kregen namelijk een dermate hoogte dat wind schaars werd voor de molen. De laatste jaren, met enkele mooie zomers, werden deze groeiprocessen met lede ogen aangezien door de Cuijkse mulders. In 1990 vonden zij dat de limiet inmiddels ruimschoots overschreden was en men stapte naar de gemeente toe om daar de problemen aan te kaarten. De gemeente Cuijk en Sint Agatha begon ook nu het kritieke van de zaak in te zien en eind vorig jaar werd eens op een rijtje gezet waar de knelpunten lagen. Het moest dan nog een jaarwisseling duren, voordat er 16 januari jongstleden het mes werd ingezet. Het resultaat is dan nu ook een flink verbeterde biotoop van deze kleinste windmolen in het Land van Cuijk. Bovendien worden enkele vrijgekomen grondstukken wellicht toeristisch ingericht (picknicktafel, e.d.), zodat we u misschien een keer mogen begroeten op een zaterdagmorgen als u aan het “picknicken” bent


met een nu allicht lustig draaiende “Jan van Cuijk” op de voorgrond. U kunt dan tevens vaststellen wat een goede biotoop betekent voor een molen. Inderdaad, molens en bomen zullen nooit elkaars vrienden worden! Don Werts

MOLENVERZAMELAARS OPGELET: Nu verkrijgbaar catalogus van alle Limburgse molens. Van elke molen is een ansichtkaart of foto verkrijgbaar. Als u ƒ 5,25 overmaakt op giro 2150134 ontvangt u de catalogus plus gratis bestellijsten voor het bestellen van ansichtkaarten of foto’s. U mag ook geldige postzegels sturen. T. Linssen In het Tienderveld 137 6093 JK Heythuysen

Een retourtje Mittellandkanal Op vrijdag 7 juni tot en met zondag 9 juni aanstaande organiseren we als vereniging weer een excursie voor molenbelangstellenden. Ditmaal voert de reis ons naar het noordelijke midden Duitsland, in de streek rond Hannover. Gelegen in het zuidoosten van Niedersachsen wordt dit gebied gekenmerkt door afwisselend bosrijke omgeving met heide en venen (de zuidelijkste uitlopers van de Lüneburger Heide) en weidevelden voor veeteelt. Er is sprake van reliëfvorming door uitlopers van het zuidelijker gelegen Harzgebergte. De molens die op het programma staan liggen verspreid van westelijk bij de Weser tot in het oosten bij het voormalige IJzeren Gordijn. De molentypen variëren van paltrokmolen en standerdmolen tot veelkante stellingmolens. Daarnaast ontbreken ook de nodige watermolens niet, want de te bezoeken streek functioneert als doorgeefluik voor het afvoerwater van het Harzgebergte naar de Noordzee. Dwars hierop ligt met behulp van aquaducten het Mittellandkanal, dat we menigmaal zullen oversteken. Een hoogtepunt van deze excursie zal verder het internationaal molenmuseum te Gifhorn zijn, waaraan meteen de eerste dag al een bezoek afgelegd wordt. In dit museum zijn replica’s te bewonderen van molens uit Rusland, Hongarije, Griekenland, Oostenrijk en andere landen. Verder heeft men er circa 50 molenmodellen staan. Met andere woorden: hèt museum voor de molenliefhebber. In de volgende Molenvriend (nummer 16) zal de excursie helemaal uitgewerkt worden en het programma staat dan tevens vast. Geïnteresseerden onder de lezers wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met het secretariaat van onze vereniging (zie pagina 2).


Molenarcheologie in het Land van Cuijk Een 12e-eeuwse watermolen uit Escharen, Gemeente Grave DEEL 3 +++ DEEL 3 +++ DEEL 3 +++ DEEL 3 +++ DEEL 3 +++ DEEL 3 +++ BEWERKTE STEEN Deze vondstcategorie bestond uit fragmenten van molenstenen, slijpstenen en een ondetermineerbaar voorwerp, dat uit hetzelfde materiaal als de molenstenen vervaardigd was.

Afb. 11 Fragmenten van molenstenen van tefriet Schaal 1:7½ 1. Doorsnede, onder- en zijaanzicht van een loper 2. Doorsnede, onder- en zijaanzicht van een loper met opstaande rand rond het kropgat

De molenstenen Het vermoedelijk geringe vermogen van de boven beschreven molen weerspiegelt zich ook in het formaat der molenstenen. Uit de grootste fragmenten die gevonden waren, viel af te leiden dat de diameter der stenen ongeveer 80 cm was, met een diameter van het kropgat van ongeveer 12 cm (afb. 11). De fragmenten molensteen waren over het algemeen zeer dun; sommige stukken waren dikker, tot 16 cm toe. Daaruit valt de conclusie te trekken dat de meeste stukken afkomstig waren van molenstenen die versleten waren, afgemalen tot op een dikte van enkele centimeters en vervolgens ter plaatse achtergelaten. Anders valt de grote hoeveelheid brokstukken ook niet te verklaren. Immers, het gaande werk is vermoedelijk, zoals eerder opgemerkt zeer eenvoudig geweest. Oude prenten, waaronder de eerder genoemde 15e eeuwse prent uit Brugge, tonen meestal slechts één koppel stenen in de molen. We moeten in het midden laten of dit de overheersende situatie bleef tot in de


18e eeuw, toen de overbrenging in de molen dusdanig werd verbeterd dat de aandrijving van meerdere koppels regel kon gaan worden (noot 25). Wel is duidelijk, dat de watermolen met twee koppels stenen in het begin van de 16e eeuw niet onbekend meer was (noot 26). Verondersteld mag dus worden, dat de Escharense molen hooguit twee koppels stenen bevatte die tegelijkertijd bedrijfsvaardig waren. Alle molensteenfragmenten bestonden uit tefriet, een steensoort die ge茂mporteerd is uit het Duitse Eifelgebied (noot 27). In de literatuur wordt dit materiaal overwegend aangeduid met de naam basaltlava. In de vaktaal van de molenaar worden stenen die uit tefriet zijn vervaardigd blauwe stenen genoemd. Qua verschijningsvorm kunnen de gevonden molenstenen typisch middeleeuws genoemd worden: 80 cm is een diameter die slechts ongeveer de helft is van het formaat der nu nog in watermolens voorkomende stenen van hetzelfde materiaal. Ze waren derhalve bijzonder klein. Sommige van de stenen die herkend konden worden als lopers (bovenste molenstenen), vertoonden voorts een kenmerkende opstaande rand rond het kropgat waarvan de functie nog onbekend is (afb. 11:2). Fragmenten die afkomstig waren van liggers konden in het overvloedige materiaal niet met zekerheid worden aangewezen. Aan de bovenzijde waren de stenen ruw bekapt en aan de onderzijde (op het maalvlak) waren zij geheel vlak, zonder sporen van een scherpsel. De dikte der stenen tenslotte, en dat lijkt in contrast te staan met stenen die van v贸贸r of van na de middeleeuwse periode dateren, nam naar de omtrek van de stenen af. Zowel voor de vroege, als voor de late middeleeuwen zijn molenstenen beschreven met de bovengenoemde kenmerken (noot 28). In de meeste gevallen ging het daarbij echter om handmolenstenen, waarvan het formaat meestal kleiner was dan 80 cm (noot 29). De diameter van 80 cm blijkt overeen te komen met de stenen uit een in Rome opgegraven watermolen van rond het begin van onze jaartelling (noot 30). Ook wat het formaat der stenen betreft bestaat er dus verwantschap met de oudste molens en niet met de nog in Nederland bestaande. Overigens kwamen in de 12e en 13e eeuw in ons land ook wel stenen voor die groter waren dan 80 cm; steenfragmenten die op een diameter van ongeveer 1,05 m duidden, werden onlangs gevonden in Oerle (noot 31). Merkwaardig is het ontbreken van een scherpsel. In de Romeinse tijd werden stenen reeds van kerven voorzien om een betere maalwerking te verkrijgen (noot 32). Het ontbreken van een scherpsel kan niet door slijtage verklaard worden, want wilde een scherpsel functioneel zijn, dan diende het goed te worden onderhouden. Zelfs bij vergaande slijtage vindt men er, als het ooit aanwezig was, altijd nog sporen van terug. Het systematisch ontbreken van een scherpsel vormt een intrigerend probleem. Ook over de functie van de ronde of vierkante gaten die aan de omtrek van sommige steenfragmenten uit Escharen werden aangetroffen (afb. 11:1-2), tasten we nog in het duister. Daar het hier duidelijk niet om handmolenstenen ging, kunnen zij niet voor de aandrijving zijn gebruikt. Aandrijving vond plaats via een rijn of molenijzer, dat aan de onderzijde in het hart van de bovenste molensteen, de loper, was bevestigd. De uitsparingen die ten behoeve daarvan rond het kropgat waren aangebracht, zijn zicht baar in afb. 11:1-2.


Afb. 12 Bewerkte steen. Schaal 1:3 1-3 Slijpstenen 4

Gewichtje van tufsteen

5

Diversen

Slijpstenen Van de veertien slijpstenen, die gedetermineerd zijn door H. Kars (ROB), zijn er negen mogelijk van locale herkomst. Enkele exemplaren zijn vanwege hun omvang waarschijnlijk afkomstig uit een gebied meer stroomopwaarts langs de Maas. Veel slijpstenen toonden sporen van verbranding, terwijl twee stukken, beide gemaakt van fijnkorrelige zandsteen, totaal verbrand waren. De determinatie van de locale steensoorten vermeldt verder zandsteen, fijnkorrelige kwartsietische zandsteen en siltsteen. Vier slijpstenen bestonden uit bontzandsteen, ge誰mporteerd uit het Duitse Eifelgebied. Daarbij was een zogenaamd blok (afb. 12:1). Aan de bovenzijde en onderzijde daarvan waren slijpvlakken zichtbaar. De bewerking van de zijkant maakt het aannemelijk dat hier sprake is van hergebruik van een mogelijk bouwfragment. Een ander import betrof een slijpsteen van zogenaamde Eidsborgkwartsfylliet (Telemarken, Noorwegen; afb. 12:2). De vormen van de slijpstenen toonden het normale spectrum zoals dat bij andere nederzettingen voorkomt. Een exemplaar had een plat slijpvlak met een groef die een V-vormige doorsnede had (afb. 12:3).


Gewicht Afb. 12:4 toont een klein gewicht van tufsteen met een rechthoekige doorsnede. Diversen Van het in afb. 12:5 weergegeven voorwerp is zowel de functie als de datering onbekend. Het gaat om een dikke ring van tefriet, waarin een vierkant gat is aangebracht. In een platte zijde is een soort gootje aanwezig. Daar tegenover bevindt zich een aangekoekt roestklompje. Het typische materiaal maakt het niet onaannemelijk dat het voorwerp uit een voormalige molensteen vervaardigd is. CONCLUSIES Het vondstcomplex uit Escharen werpt enig nieuw licht op functie en techniek van de middeleeuwse watermolen, aspecten van de molengeschiedenis die tot op heden nauwelijks zijn bestudeerd. Vanwege het feit dat op de vindplaats geen systematisch onderzoek kon worden verricht en door het ontbreken van archeologisch vergelijkingsmateriaal kon van een aantal vondsten, vermoedelijk de molen betreffende, de functie niet of niet met zekerheid worden bepaald. Conclusies op grond hiervan dienen daarom met enig voorbehoud te worden geformuleerd. De conclusies luiden: 1. De in Escharen verzamelde fragmenten bewerkt hout en molenstenen duiden op een watermolen, waarschijnlijk van het onderslagtype, gelegen aan een inmiddels verzande vroegere loop of zijtak van de Raam. De molen was op het moment van zijn verdwijnen een groot aantal jaren in gebruik geweest. 2. De vondsten zoals het aardewerk, de munten en het leer dateren de watermolen in de 12e eeuw. 3. Het ging om een gecombineerde koren- en oliemolen. In de oliemolen werd het zaad geplet met stampers, niet met een kollergang. Ook was er in de oliemolen een vuister om het zaad te verwarmen. 4. Het schoepenrad en de molenstenen waren van een veel kleiner formaat dan die uit nog bestaande, oude watermolens. Het vermogen van de molen was derhalve gering. Ook het ontbreken van een scherpsel op de stenen wijst op een primitief productieproces. 5. Het idee dat de nog resterende watermolens vertegenwoordigers zijn van een sinds de middeleeuwen onveranderd gebleven watermolentechnologie, moet worden verlaten. Hoewel er nog weinig over de historische ontwikkelingen bekend is, kan worden aangenomen dat er in de loop der eeuwen een vergroting van het formaat en het rendement heeft plaatsgevonden. De in Escharen gevonden resten kwamen wat betreft formaat overeen met de allereerste onderslagmolens uit de Romeinse tijd die buiten Nederland zijn opgegraven.


Noten 25) 26) 27) 28) 29) 30) 31) 32)

Hagens 1979, 32-33; Jones 1979 Denewet 1987, 47 De benaming tefriet is naar Kars 1980 Theuws 1976; Parkhouse 1976; Kars 1980; Verwers 19819 63-64; Harsema z. j. Alle in de voorgaande noot gegeven referenties betreffen handmolens. behalve Theuws 1976. Schigler 1984 Bijnen 1986 Harsema z.j., 33

LITERATUUR -) -) -)

Aebischer, P. “Les dénominations du moulin dans les chartes Italiennes du Moyen Age,” Archivum Latinitatis Medii Aevi 7 (1932), 49-109 aangehaald in Molenecho’s 14 (1986), 53

-) -) -)

Bauters, P. Vlaamse molens Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedeschoon v.z.w., Antwerpen 1978

-) -) -)

Bauters, P. Eeuwen onder wind en wolken. Windmolens in Oost-Vlaanderen Provinciebestuur van Oost-Vlaanderen, Gent 1985

-) -) -)

Bernet Kempers, A.J. Oliemolens Het Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem 1962

-) -) -)

Van Bussel, P.W.E.A. Korenmolens. Van ambacht tot industrie Bura Boeken, Eindhoven 1981

-) -)

Bijnen, J.F.C.M. Archeologisch onderzoek naar de voorgangers van het huidige kerkgebouw in Oerle, Campinia 16 (1986), 100-138

-) -) -) -) -) -) -) -) -) -)

Camps, H.P.H. Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312, deel I, De Meierij van ’s-Hertogenbosch Nijhoff, ’s-Gravenhage 1979 Casparie, W.A.; Coert, G.A.; de Leeuw, G.; Smits, F. en Veen, H.D. “De middeleeuwse keienweg van Bronneger, gem. Borger,” in S.B. Dekker e.a., red. Nieuwe Drentse volksalmanak 1983. Historisch jaarboek voor Drente Van Gorcum & Comp b.v., Assen 1983, 35-89 Denewet, L. “Volmolens voor wol en zeemleer in Vlaanderen en Waals-Brabant”. Deel 1. Geografische en chronologische inventaris” Molenecho’s 15 (1987), nr. 2-3, 5-158


-) -) -) -) -) -) -) -) -) -) -) -) -) -) -)

Hagens, H. Molens, mulders, meesters; Negen eeuwen watermolens in Twente en de Gelderse Achterhoek Uitgeverij Smit, Hengelo 1979 Harsema, O.H. “Handmolens. Maalstenen en handmolens in Drenthe van het Neolithicum tot ca. 1300 A.D.” in A. Bieker Caarten e.a., red., molens in Drenthe Uitgeverij Waanders, Zwolle, z.j., 11-45 Van Houtte, J.A. en Van Uytven, R. ‘Nijverheid en handel,” in Algemene geschiedenis der Nederlanden, deel 4 Fibula van Dishoeck, Haarlem 1980, 87-111 Jones, D.H. “Overdrive watermills in England and Wales,” in Transactions of the 4th international symposium on molinology, TIMS, London 1978, 91-102 Kars, H. “Early-medieval Dorestad, an archaeo-petrological study. Part I: General introduction. The tephrite querns, Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, 30 (1.980), 393-422

-) -) -)

Koolen, M. “Het Raamdal te Escharen,” Jaarverslag AWN, afdeling Nijmegen e.o., (1985), 31-36

-) -) -)

Nijhof, P. Watermolens in Nederland Waanders, Zwolle 1982

-) -) -)

Parkhouse, J. “The Dorestad quernstones” Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, 26 (1976), 181-188

-) -)

Reynolds, T.S. Stronger than a hundred men. A history of the vertical water wheel The John Hopkins University Press, Baltimore 1983

-) -) -) -) -) -) -)

Schiqler, T. “A Vitruvian mill in Rome,” in Transactions of the 5th international symposium on molinology Fédération Française des Amis des Moulins, Saint-Maurice 1984, 429-438 Sloet, L.A.J.W., Baron Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288, deel 1 Martinus Nijhoff, ‘s-Gravenhage 1872


-) -) -)

Theuws, F. “Een laatmiddeleeuwse watermolen te Bergeijk” Brabants Heem, 28 (1976), 56-63

-) -) -)

Verwers, W.J.H. Archeologische kroniek van Noord-Brabant 1977-1978 Stichting Brabants Heem, Eindhoven 1981

-) -) -)

Wampach, C. Geschichte der Grundherrschaft Echternach im Frühmittelalter, I-1 Luxemburger Kunstdruckerei A.G., Luxemburg 1929

-) -)

Zwijnenberg, E. Het Nederlandse molenbestand. Overzicht van alle nog aanwezige wind- en watermolens, gerangschikt per provincie en alfabetisch op plaatsnaam De Hollandsche Molen. Amsterdam 1986

-)

Verklaring literatuurlijst: -) Auteur(s) van artikel of boek -) Titel van boek of artikel en indien van toepassing vermelding van bronnen -) Uitgeverij; plaats en jaar van uitgave en indien deze onbekend zijn nadere bronvermelding De auteurs van dit driedelige artikel (uitgespreid over de nummers 12; 13 en 15 van De Molenvriend) zijn J.G.M. Scheirs en W.J.H. Verwers. J. Scheirs is psycholoog en vrijwillig molenaar in Oisterwijk. Zijn adres is Loostraat 2, 5081 VP Hilvarenbeek. W. Verwers is provinciaal archeoloog van Noord-Brabant en is verbonden aan de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort. De auteurs danken Nico Roymans, die hen op de vondsten attent maakte, en Jo de Wit, voor de door hem verleende medewerking bij de beschrijving van het materiaal. De afbeeldingen werden vervaardigd door de fotoafdeling en tekenzaal van de ROB te Amersfoort. De redactie van “De Molenvriend” wil auteur Jan Scheirs bij deze bedanken voor de belangeloze toestemming voor het publiceren van bovenstaand deel en eerder verschenen delen in bovengenoemd lijfblad van de vereniging Molenvrienden Land van Cuijk. De redactie is van mening dat het totale artikel van groot belang is voor de watermolengeschiedenis, inzonderheid voor de geschiedenis van de watermolens in het Land van Cuijk. N.B. Een “summary” (in het Engels dus!) is eventueel verkrijgbaar bij de uitgeefster of redactie van dit blad.


Over beestjes en boompjes DE RESTAURATIE VAN STANDERDMOLEN “DE STER” TE WANROIJ Het kan 6 tot 8 millimeter lang worden, heeft een donkerbruine kleur en het is de werkverschaffer voor de firma Beijk. Menig molen- en/of monumentenliefhebber is daarentegen niet zo erg te spreken over de bonte knaagkever die hier bedoeld wordt. Enkele maanden geleden kwam ons gelukkig ten gehore dat een zekere man uit Wijhe (Overijssel) een afdoend middel had tegen de bonte knaagkever, namelijk het verwarmen van het hout waar het beestje in huishoudt. Hoe hij dit laatste in gedachten heeft, is ons echter onbekend. Wel weten we dat de man bezig is om octrooi aan te vragen. Sedertdien is het wachten op de toepassing van zijn uitvinding. Voor de ex bovenas (door een schitterend eiken exemplaar uit Noord Frankrijk vervangen) van standerdkast “De Ster” te Wanroij is genoemde methode in ieder geval te laat. De in de kern aanzienlijk door de knaagkever aangetaste oude bovenas wordt momenteel wellicht weliswaar verwarmd, maar dan in een andere context: namelijk de open haard. De nieuwe bovenas, die op woensdag 21 oktober 1990 werd geplaatst, hoeft voorlopig hopelijk geen anti-houtkeverkuur te ondergaan. Na een kleine paar weken heeft De Ster op deze sombere woensdagmiddag zijn wieken weer teruggekregen. Op zaterdag 3 november was dan de dag dat na een stilstand van 13 maanden de Wanroijse bevolking en velen daarbuiten weer konden genieten van de lustig draaiende Ster. Er ging echter heel wat aan vooraf. Ruim tien jaar vol actieve draaiuren na de spectaculaire herbouw van “De Ster” in ‘1978 (na in 1974 ingestort te zijn door verwaarlozing), wordt in deze gele standerdmolen de bonte knaagkever ontdekt. Nu werden tijdens deze herbouw een viertal onderdelen van de ingestorte voorganger hergebruikt, te weten de standerd, het bovenwiel, de steenkraan en de bovenas. Het was deze laatste waarin de bonte knaagkever werd geconstateerd. Speculaties over de graad van aantasting deden in 1989 de ronde. Men kan nu eenmaal niet in de kern kijken van een balk, welke onbeschadigd dient te blijven. Om eventuele rampzalige gevolgen te voorkomen, waaronder het mogelijk neerstorten van het wiekenkruis, werd in overleg met de gemeente Wanroij (de eigenaresse) in september besloten met het draaien van deze molen te stoppen. Vanaf die tijd kon het financiële gedeelte beginnen. Er moest immers een nieuwe bovenas komen, die logischerwijs geld kost, alsmede het inzetten ervan. Een offerte werd opgesteld. Niet alleen moest er een nieuwe bovenas komen, ook wou men tevens zien dat de molen opnieuw zou worden opgehekt (nieuwe hekwerken plus windborden en voorzomen). Daarnaast zou een nieuw steenbed (de “voorlagering” van de bovenas) zeer wenselijk zijn. Alhoewel de offerte dus al ruimschoots klaar was, moest toch nog gewacht worden met de molenmaker het startsein te geven. Het duurde namelijk zijn tijd totdat al het benodigde geld veilig gesteld was. Maar in september 1990 (De Ster stond toen inmiddels


Foto boven: De kraan wordt in gereedheid gebracht om de as en de twee roeden op hun plaats te takelen. De molen staat er nog ‘onthand’ bij, zo zonder wieken. Foto onder: De bovenas tijdens het takelen. De pen is reeds binnen. Nadat deze door het spiegelgat van het bovenwiel is gestoken, kan de as verder door naar achteren geschoven worden, totdat beide lagers ‘dragen’. Foto’s Don Werts


Foto boven: de askop rust weer in de halssteen. Foto links: de buitenroede wordt gestoken. Foto onder: de binnenroede in de takels.


al een jaar stil) werd begonnen met het afbreken van de wieken. Wat toen overbleef waren twee 26,5 meter lange, kale, stalen roeden, die door kraanbedrijf Jenniskens uit Beugen (na het loswiggen van de roedwiggen) uit de askop van de bovenas werden getakeld. De molenmaker met zijn assistenten was intussen ook druk bezig op de werkplaats van houthandel Hoogenhoff te Mill. Met was namelijk daar waar eerder in het jaar de nieuwe bovenas op een vrachtwagen arriveerde. Er moest echter nog heel wat zaag- en schaafwerk aan de as verricht worden (door de molenmakers) voordat deze in staat zou zijn de wieken van de Wanroijse molen te dragen. Het flink staaltje vakmanschap dat daar geleverd werd (een as zuiver rond krijgen zonder gebruikmaking van een draaibank is niet voor iedereen weggelegd), zorgde ervoor dat, na bevestiging van de gietijzeren insteek-askop, de bovenas in oktober naar “De Ster” kon worden vervoerd. Zoals we al zagen, volgde toen op woensdag 21 oktober het spectaculaire “insteken” van de nieuwe bovenas, wederom door eerdergenoemd kraanbedrijf. Halverwege de middag zat de as keurig in zijn lagers. Het was een heel karwei, want de circa 6 meter lange as moest in zijn geheel door de voorkant van de kap naar achteren verplaatst worden, totdat de pen (het achterste stuk van de as) in het achterlager rustte (de pensteen), terwijl voor de hals van de as in het voorlager kon worden gelegd. Nog zat het werk er voor de kraan niet op, want de twee roeden moesten natuurlijk weer teruggetakeld worden in hun oorspronkelijke positie. Toen dat eenmaal gebeurd was en de roeden provisorisch waren vast gewigd, was het tijd voor ......... koffie! Die verdere middag werden naast opruimen links en rechts nog wat wiggen aangeslagen. De weken die volgden, werden door de molenmakers benut om de puntjes op de “i” te zetten (nieuw. hekwerk maken en aanbrengen, e.d.). Zo werd dus mogelijk gemaakt dat op 3 november standerdmolen “De Ster” weer kon draaien. Zonder slag of stoot maakte de nieuwe eiken bovenas die middag zijn eerste omwentelingen. De molenaars keken (trots en) gelukkig toe op de nagenoeg geruisloze bewegingen van de as. In de laatste weken van het jaar werden de gerepareerde zeilen nog opgehangen. De muizen hadden gedurende de tijd dat ze opgevouwen lagen hier gaten in gevreten. Eind december werd traditiegetrouw een met lichtjes opgesierde kerstboom in de bovenste wiek bevestigd. Pas op 10 maart jongstleden volgde een min of meer officiële herdenking aan de voltooide en succesvolle restauratie. Op een zonnige zondagmiddag werd de bezoekers trots de bovenas getoond. die inmiddels al weer vele omwentelingen achter de rug heeft en er nog hopelijk vele, zeer vele, zal maken. Don Werts

Bij overname van artikelen en/of tekeningen auteur en eventuele bron(nen) vermelden. Tevens hiervan melding maken bij de uitgeefster of redactie van dit blad. De redactie stelt zich niet aansprakelijk voor eventueel gemaakte fouten of andere ongemakken.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Molenvriend 15 web by Pierre Gielen - Issuu