Voor Charlie en Jess
Met speciale dank aan Michael Ford
Renegades
Boek 1: De magie ontwaakt
Erin Hunter
Vanaf 10 jaar
© 2026, Erin Hunter en Pelckmans Uitgevers nv pelckmans.be
Brasschaatsteenweg 308, 2920 Kalmthout, België
Oorspronkelijke uitgave: Renegades #1: The Magic Awakens
Oorspronkelijke uitgever: HarperCollins Children’s Books © 2026 by Working Partners
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, op welke wijze ook, zonder de uitdrukkelijke voorafgaande en schriftelijke toestemming van de uitgever, behalve in geval van wettelijke uitzondering. Informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot de reproductie vindt u op www.reprobel.be. Tekst- en datamining van (delen van) deze uitgave is uitdrukkelijk niet toegestaan.
All rights reserved, including those for text and data mining, AI training and similar technologies. No part of this book may be reproduced, stored or made public by any means whatsoever, whether electronic or mechanical, without prior permission in writing from the publisher.
Vertaling: Pauline Akkerhuis
Omslagontwerp: Devin Elle Kurtz
Illustraties binnenwerk: © HarperCollins Children’s Books (katten) & Shutterstock
D/2026/0055/182
ISBN 978 94 6530 359 8
NUR 283
THEMA YFH, 5AL
pelckmans.be facebook.com/pelckmans.be instagram.com/pelckmans.be
PROLOOG
De ziel was haar leven.
De ziel wervelde boven het water, onzichtbaar, maar Volharding bespeurde haar, even duidelijk als een roofdier de geur van bloed. De verborgen getijden van magie lieten haar zintuigen een oeroud lied zingen. Het maakte niet uit dat haar gezichtsvermogen steeds slechter werd door ouderdom. Het maakte niet uit dat er geen maanlicht door de wolken drong om haar weg te verlichten. Ze had deze reis met haar ogen dicht kunnen maken.
De oude pad hupte langs de rivieroever. De motregen kriebelde op haar rug en ze hield haar tenen gespreid om grip te krijgen in de modder. Ze baande zich een weg langs het afval dat de waterstroom belemmerde – oude blikjes en stukjes metaal, verpakkingen die nog steeds naar mensenvoedsel roken. Meegevoerd op de wind of weggegooid vanaf de weg erboven, bleef hun rotzooi in het ondiepe water vastzitten, om daar te verroesten of te verrotten. In haar
jongere jaren was de waterweg schoon en helder geweest, het gekabbel ervan alleen vermengd met het gezoem van dikke insecten. Of misschien speelde haar geheugen haar parten. Deze avond was er geen insect te bekennen.
Maar wat voor veranderingen de tijd ook teweeg had gebracht, de ziel was er altijd. Er werd gezegd dat ze van verafgelegen bergen kwam, waar zich geen mensen waagden. Op sommige plekken in de stad was ze moeilijker te bespeuren. Maar hier, bij de rivier, vloeide ze vrij en rijkelijk.
Volharding was bijna op haar bestemming – de brug die de stad in tweeën deelde –, waar, bij iedere vollemaan, het Genootschap bij elkaar kwam. Vreemd genoeg voelde ze kriebels van opwinding in haar buik. Ze had de laatste tijd verontrustende visioenen gehad en wist niet goed wat ze ervan moest denken.
Ze hoorde het verkeer lang voordat ze het kon zien, keek omhoog en zag de brug opdoemen. Zelfs op dit tijdstip stroomden er auto’s overheen. Hun koplampen veranderden de regen in zilveren vonkjes. Aan beide uiteinden van de brug verrees een helft van de stad waar de mensen zich voortplantten en door elkaar wemelden. Die kwamen maar zelden onder de brug – hooguit een van die zonderlinge jongemannen die de vangrails met rare krullen en symbolen markeerden. Zelfs mensen hebben hun rituelen, had de oude Branie ooit opgemerkt. Maar Volharding had ze al lange tijd niet gezien hierbeneden, en hun markeringen waren vervaagd, of begroeid met modderig mos.
Tot haar blijdschap was het Genootschap al bijna voltallig. Zo roerloos als stenen hurkten drie padden op de plek waar de afgebrokkelde oever een met onkruid overwoekerd eilandje had gevormd. Op de een of andere manier was hier ook een winkelwagentje beland dat nu ondersteboven in het ondiepe water lag, als de botten van een lang vergeten dier.
Zodra de andere padden Volharding in het oog kregen, verhieven ze hun zangerige stemmen ter begroeting. Ze plonsde door de smalle geulen naar hen toe.
‘Je bent laat, wijze moeder’, morde Stoïcijn. Hij was grotendeels feloranje van kleur, maar de huid van zijn onderbuik was sneeuwwit.
‘Toon wat respect voor onze leider’, merkte Geestkracht, een kleine, groene pad, op. ‘Ze is achttien zomers oud.’
‘En ze kan voor zichzelf antwoorden’, reageerde Volharding vinnig terwijl ze op het eilandje klom. ‘Maar Stoïcijn heeft gelijk. Het spijt me dat ik jullie heb laten wachten. Ik vrees dat mijn poten de laatste tijd weinig veerkracht hebben.’
Moed, het jongste lid van het Genootschap, donker, met lange poten en een smalle kop, kroop dichter naar haar toe. Hij was pas vijf manen eerder toegelaten, na de vroegtijdige dood van de arme Branie. De oude pad was door de wielen van een auto vermorzeld terwijl hij nog half versuft was van zijn winterslaap. Maar Volharding voelde dat Moed ondanks zijn jonge leeftijd krachtig was afgestemd, misschien het krachtigst van allemaal.
‘Ik ben blij dat jullie zijn gekomen’, kwaakte Moed kalm. ‘Mijn visioenen… waren…’
‘Nog niet’, zei Stoïcijn. ‘We moeten ons aan de gebruiken houden. Veerkracht is er nog niet.’
‘Ja, hoor, die is er wel!’ klonk een stem uit de schaduwen, gevolgd door het gespetter en geplons van een pad die zich snel over drassige grond verplaatste. Tegen de tijd dat hij hen bereikte, gingen zijn knobbelige flanken op en neer.
‘De mensen hebben een nieuwe woning gebouwd, precies op mijn vaste route. Ik moest een andere route eromheen vinden.’
‘Zullen ze ooit stoppen?’ mopperde Geestkracht. ‘Nog even en er is geen stukje wildernis meer over!’
‘De mensen komen steeds dichterbij. En de ziel vloeit minder. Maar zolang er ziel is, zullen er altijd plekken voor onze soort zijn’, kweelde Volharding. Ze wachtte tot Veerkracht weer op adem was gekomen voordat ze zich tot Moed richtte. ‘Vertel ons eens over je visioen, jongen.’
Moed schraapte zijn keel. ‘Ik was op mijn gebruikelijke plek, boven op een van hun torengebouwen’, begon hij kalm.
‘Het was een stormachtige ochtend. De wind blies de regen zijwaarts, en in de buiken van de wolken flitste het. Maar een ogenblik lang klaarde een stukje van de hemel op en toonde me het beeld van de toekomst. Ik zag een boom met grote, hangende takken en daarachter een bleke, gele maan.
Het maanlicht dat tussen de takken door scheen, werd een schaduwhand die door de stad onder me klauwde. Hij leek
zo echt dat ik me kon voorstellen dat hij grote groeven in de straten trok.’
Volharding slikte diep toen zijn woorden tot haar doordrongen. Misschien was het toeval dat zij hetzelfde had gezien.
‘Een boom in de lucht?’ kwaakte Stoïcijn. ‘Weet je het zeker?’
Volharding tikte met haar voet tegen de grond. ‘Hij zegt dat hij het gezien heeft. Waarom zou je aan zijn woorden twijfelen?’
Stoïcijn schudde een beetje met zijn lijf. ‘Ik wilde hem niet beledigen, wijze moeder’, kraste hij. ‘Het is alleen… nou, ik heb ook iets dergelijks gezien.’
Alle koppen draaiden zich naar hem om, en Volharding voelde hoe haar huid rimpelde.
‘Ik was in het stadspark’, vervolgde Stoïcijn. ‘Er is daar een plek waar nooit kinderen en honden komen, waar de grond moerassig is en de lucht bedompt. Daarvandaan kan ik de fontein bekijken. Geen enkele niet-afgestemde kon het weten, maar in de neervallende nevel verzamelt zich de ziel.
Daar zag ook ik de maan, maar in mijn visioen reikte er een boom naar boven, alsof hij de maan tegen de aarde wilde werken.’
Volharding had het vreemde gevoel dat de nacht haar samenperste. Ze was nog niet klaar om haar eigen visioen te delen, maar wat ze tot nu toe had gehoord, vervulde haar met angst.
‘Ik heb het ook gezien!’ kweelde Geestkracht. ‘Op de bodem van mijn vijver, tussen het zwarte wier, zag ik een maan die als een vuur boven een boom brandde. Terwijl ik keek, veranderden de bladeren in as en vielen ze neer totdat de zwartgeblakerde takken helemaal kaal waren.’
‘En jij, Veerkracht?’ vroeg Volharding.
De laatkomer nam haar aandachtig op met zijn zwarte kraalogen. Hij blies zijn keelblaas op, alsof hij moed verzamelde. ‘Hetzelfde’, kwaakte hij. ‘Een maan en een boom, met elkaar in conflict. Wat betekent dat?’
Volharding bevochtigde haar lippen met een snelle lik van haar tong. ‘Ik heb het ook gezien’, zei ze. ‘Bijna iedere nacht sinds onze laatste bijeenkomst. In mijn visioenen wordt de maan groter en krimpt dan weer, terwijl de boom afwisselend verdort en bloeit. Wanneer de een floreert, gaat het slecht met de ander. Het is alsof de twee verbonden zijn… alsof ze vechten om dezelfde levensadem.’ Ze huiverde terwijl ze de angstaanjagende beelden in gedachten voor zich zag. ‘Ik weet niet wat het voorspelt, maar we moeten het niet negeren. Er komt iets belangrijks aan. Een hevige strijd.’
Er viel een stilte over het Genootschap; het enige geluid dat overbleef was het gesuis van het verkeer boven hen. ‘Kom allemaal dichterbij’, zei Volharding.
Ze schuifelde naar de waterkant en het Genootschap verzamelde zich naast haar. Het rivierwater, dat zo zwart was als de nachthemel, gaf geen weerspiegeling. Maar Volharding voelde de ziel ervan, dicht en rijk en levengevend.
‘Leen me jullie kracht’, smeekte ze de andere leden van het
Genootschap, ‘om samen helderder te kunnen zien.’
Ze sloot haar ogen, ademde diep in, en hoorde haar medepadden hetzelfde doen. Terwijl ze lucht aanzoog, vulde de ziel haar, zo warm als de oever van de rivier op een zomerdag. En hoewel ze de andere leden van het
Genootschap niet zag, voelde ze hun aanwezigheid door de ziel, die haar met dichte stromen omhulde. Volharding voelde hoe de ziel haar optilde, hoe het jarenlange zwoegen uit haar vermoeide ledematen leek te verdwijnen.
Ze stak haar kop in het donkere water, waar de ziel de grenzen tussen de wereld van het verleden en het heden vervaagde, waar de geesten van haar voorouders en van vroegere Genootschappen zich verenigden.
En daar, in haar geestesoog, zag ze de toekomst.
Volharding trok haar kop uit het water waarbij de druppels de andere leden om de oren vlogen, en deinsde achteruit, weg van het water. Er ontsnapte haar een kreet.
‘Wat is er?’ wilde Geestkracht weten.
‘Wat zag je?’ vroeg Veerkracht.
Langzaam sijpelde de ziel uit haar aderen. Volharding rilde. Ze had nog nooit zo’n krachtig visioen ervaren. Ze voelde hoe ze wankelde tot in de puntjes van haar tenen.
‘Vertel het ons alsjeblieft!’ smeekte Stoïcijn. ‘Was het erg?’
Ze draaide zich naar hen om. Iedere pad staarde haar aan. Ze willen antwoorden op hun vragen, maar wat kan ik ze vertellen?
‘Ik… ik weet niet wat het betekent’, kwaakte ze.
‘Maar zag je iets?’ vroeg Moed.
Daar bestond geen twijfel over. Ze had het niet alleen gezien – ze had het gevoeld met iedere vezel van haar wezen.
Hitte, op haar huid.
Rook in haar neusgaten.
Geknetter in haar oren.
Een oranje golf die haar richting uit raasde.
‘Ja’, mompelde ze. ‘Ik zag vuur. Verschrikkelijk, verschrikkelijk vuur.’

HOOFDSTUK 1
Er zat iets achter haar aan.
Zigzaggend, met grote sprongen, rende Luna zo hard als ze kon, maar het had geen zin. Wat er ook achter haar aan zat – ze durfde zich niet om te draaien om te kijken wat het was – liep op haar in. Ze rook zijn smerige adem, voelde de warmte van zijn lichaam steeds dichterbij komen. Het mag me niet te pakken krijgen, dacht ze machteloos. Ik moet maken dat ik wegkom.
‘Wakker worden, Lu!’
Slaperig, nog half in haar droom, schoof ze heen en weer. Wilgs stem klonk dringend, maar niet genoeg om Luna zover te krijgen dat ze haar ogen opendeed. Haar zus was altijd gestrest, maakte zich altijd zorgen. Het was vreselijk vermoeiend. ‘Wat is er?’ mompelde ze.
‘Brand!’ schreeuwde Wilg.
Deze keer kwam de stem met een fikse por, precies tussen haar ribben, en terwijl de betekenis van het woord tot haar
doordrong, snuffelde Luna in de lucht. Een bijtende stank drong haar neusgaten binnen. De schrik sloeg haar om het hart. Het volgende moment was ze klaarwakker en stond ze recht overeind. Wilg zat rechtop naast hun slaapplek op het versleten leer van het eettafelbankje. In het donker van het eethuis was Luna’s zus een zwarte silhouet. Haar staart zwiepte ongerust heen en weer en haar blauwe ogen glansden door een flakkerende oranje weerschijn.
Luna hupte met haar voorpoten op de rugleuning en zag het ook. Door het matglas van de keukendeuren, wazige, opspringende vlammen. Grijze rookpluimen die onder de deuren door kropen. Er hing al een dichte waas in de lucht, en haar ogen begonnen te prikken.
‘We moeten hier weg – nu’, mauwde Luna, terwijl ze haar kalmte probeerde te bewaren.
‘Dat kunnen we niet doen!’ zei Wilg kronkelend. ‘Dit is ons thuis…’
‘Het staat in brand!’ antwoordde Luna. ‘We zoeken gewoon een nieuw thuis.’
Ze duwde haar kop in Wilgs nekvacht om haar tot actie aan te sporen, en sprong van het bankje op de betegelde vloer. Al snel volgde Wilg haar voorbeeld terwijl ze doodsbange blikken op de vlammen wierp. Luna rende richting de hoofdingang, maar bleef stokstijf staan toen ze zag hoe de rook de trap naar beneden verslond in een golf van brandende hitte. ‘Daar kunnen we niet heen’, mauwde ze.
Wilg drukte zich dicht tegen haar aan, haar ogen groot
van schrik, toen boven hen een laag gerommel hoorbaar werd. Ze keken allebei omhoog. De zwart geworden plafondpanelen bewogen. Ze trokken krom en verschoven als de buik van een groot beest.
‘Opzij!’ schreeuwde Luna, en ze gaf haar zus een harde duw terwijl ze zelf de andere kant op sprong. Op datzelfde moment stortte het plafond in, met een regen van puin en vonken, exact op de plek waar zij hadden gestaan. Luna sputterde toen ze een wolk van roet over zich heen kreeg. Op de een of andere manier kwam het vuur van boven en van beneden.
De smog werd dikker. Ze zag haar zus niet meer. Luna’s poten voelden slap van angst.
‘Wilg!’ jammerde ze.
Er kwam geen antwoord.
‘Wilg! Waar ben je?’
‘Luna?’ klonk een klagend miauwtje. Opeens zag ze haar, door de bewegende rook heen.
‘Gaat het?’
Wilg schudde vlokken as uit haar vacht. ‘We kunnen nergens naar buiten. Het is overal!’
Luna wierp panische blikken op de kolkende rook. Wilg had gelijk. Het leek van alle kanten dichterbij te komen, hongerig likkend van de ene tafel naar de andere.
‘Daar, boven’, mauwde Luna. Ze wees met haar neus naar de legplanken achter de toonbank van het eethuis, waar een raampje zat. Het had altijd op een kier gestaan, en ze hoopte
dat ze zich er net doorheen konden wurmen. Ze had geen idee waar ze terecht zouden komen.
De zussen zochten voorzichtig een weg over de gloeiende, rokende restanten van de plafondpanelen, hupten de toonbank en daarna een oude vitrinekast op. Luna zag nauwelijks een poot voor ogen in de wervelende rook, en bij iedere oppervlakkige ademhaling werd ze draaierig in haar hoofd en dreigde ze te struikelen en te vallen. Ze wist dat het dan afgelopen zou zijn met hen. Maar ze bereikten allebei het raampje, waar de rook naar buiten wolkte, de nacht in.
Het miezerde een beetje, en achter het kozijn lag de zoete belofte van frisse lucht, maar de moed zakte Luna in de poten. De straat lag twee verdiepingen lager, een smal steegje tussen het eethuis en het gebouw ertegenover. De steile muur bood geen enkel houvast om omlaag te klimmen. Hun enige hoop was een afvalcontainer die schuin onder het raam tegen de muur stond. Maar het zou een flinke sprong zijn.
‘We zullen moeten springen’, mauwde Luna.
Wilg tuurde omlaag. ‘Het is te ver.’
Luna voelde golven van hitte aan haar staart likken. Een blik achterom vertelde haar dat het eethuis helemaal in lichterlaaie stond. ‘We hebben geen andere keus.’
Haar zus tuurde nog steeds naar de straat onder hen. Haar grijze flanken trilden. Luna voelde de angst van haar zus haast nog sterker dan die van haarzelf.
‘We kunnen dit’, gromde ze, zowel om zichzelf te overtuigen als Wilg. Konden ze het echt? Ze wist het niet, maar
het was hun enige kans. De val overleefden ze misschien, maar de brand in geen geval. Ze wurmde zich door de opening. ‘Ik spring als eerste.’
‘Ik ben bang’, mauwde Wilg achter haar.
‘Ik ook,’ reageerde Luna, ‘maar we moeten dit doen. Samen, oké?’
Wilg knikte. ‘Altijd’, mauwde ze snorrend.
Luna haalde diep adem en spande de spieren van haar achterlijf aan. ‘Nu!’ siste ze.
Met uitgestrekte poten sprong ze uit het raam. Ze leek een eeuwigheid in de lucht te zweven voordat ze meer vaart kreeg en de grond haar tegemoet stormde. Met een bons landde Luna met alle vier haar poten op het deksel van de afvalcontainer. Haar poten vingen de klap op. Een hartslag later kwam Wilg naast haar neer. Ze gleed een stukje door, maar wist haar evenwicht te bewaren.
‘We hebben het gefikst!’ mauwde Wilg dolblij.
Er ging een golf van opluchting door Luna heen, van haar snorharen tot haar staart, en ze zoog diepe teugen lucht in haar brandende longen. In het donkere steegje kwam het enige licht uit de ramen van het eethuis boven hen, met een dreigende rode gloed.
‘Er is niets meer van over’, mauwde ze zachtjes.
Wilg keek ook omhoog en wreef daarna met haar neus langs de nek van haar zus. ‘Het komt wel goed met ons…’ mauwde ze, niet echt overtuigend.
Luna’s panische angst voor, en de triomf van hun sprong
maakten al snel plaats voor verpletterende wanhoop. Het oude eethuis was het enige thuis dat ze ooit gekend hadden. Althans bijna. Sinds ze, na de dood van hun moeder, als piepkleine kittens waren weggevlucht, was dit hun toevluchtsoord in de stad geweest. Een dak boven hun kop met genoeg knaagdieren om hen te voeden, zonder afhankelijk te zijn van de bemoeienis van mensen.
‘Het komt wel goed met ons’, herhaalde Wilg.
De motregen ging over in een stortbui die hun hete vacht verkoelde. Luna draaide zich om naar het einde van de steeg, waar de lichten van de stad wachtten, vertroebeld door de plensregen. Plotseling leek hun beschermde, veilige leven van de afgelopen paar manen haar zo klein. Ze had kunnen weten dat het niet eeuwig kon duren. Ze voelde zich dwaas omdat ze zich niet beter had voorbereid op het onvermijdelijke einde ervan. Ze hadden één keer ongelooflijk veel geluk gehad –maar van nu af aan zou hun leven er heel anders uitzien.
Ze konden nu niet meer doen alsof de buitenwereld niet bestond. Ze moesten er overleven.
De rest van de nacht lagen ze dicht tegen elkaar aan gekropen onder een auto, luisterend naar het gebeuk van de stortregen. Terwijl ze onbedaarlijk lag te rillen, dacht
Luna dat ze nooit in slaap zou vallen. Maar dat moest toch gebeurd zijn, want toen ze haar ogen opende, was een grijze dageraad aangebroken, en was Wilg haar oor aan het likken.
‘Je bent vies, zus’, mauwde ze.
Luna bedankte haar snorrend en liet haar zus haar gang gaan. Het deed haar denken aan de aanraking van haar moeder, en ze ging even op in de herinnering. Maar haar tevredenheid duurde niet lang. De stank van rook hing nog steeds zwaar in haar neusgaten, en haar poten waren stijf van het zo strak opgerold liggen tegen de kou. Ze rekte zich uit en richtte haar snorharen traag op de ochtend. De straat was verlaten, maar stond vol met auto’s, en het beton was bezaaid met plassen.
‘We vinden wel ergens een nieuwe plek’, mauwde Wilg weemoedig. ‘Een ander eethuis voor mensen, met muizen en ratten en restjes. Misschien nog beter dan het vorige! Wie weet een met tapijt op de grond!’
Luna gaf haar zus een neuskusje en vermoedde dat ook zij terugdacht aan hun allereerste thuis, met hun moeder en de man die kommetjes met verrukkelijk voedsel voor hen neerzette dat je nauwelijks hoefde te kauwen. Ieder oppervlak had warm en zacht aangevoeld, zodat je, na het spelen, alleen maar hoefde te gaan liggen en slapen. Het leek een verre droom van lome dagen, volle magen en hun moeders warmte.
Ze kon zich een tijdje verliezen in de herinneringen, maar nooit voor lang. Want in het verlengde van de heimwee kwam de rest. De nachtmerrie van hoe het allemaal was geëindigd, toen de man die zo vriendelijk had geleken, zijn ware aard toonde.
Ze schudde zich uit. Rondom haar viel roet neer als een schaduw.
‘We moeten ons niet overhaast ergens in storten’, mauwde ze met haar gedachten nog steeds bij het verleden. ‘Een plek is niet altijd zo goed als hij op het eerste gezicht lijkt.’
Ze zag aan het verdriet in Wilgs blauwe ogen dat haar zus begreep waarop ze doelde.
Luna spitste haar oren en probeerde haar op te vrolijken. ‘Dit zou best een geluk bij een ongeluk kunnen zijn. Wie weet wat voor nieuwe kansen op avontuur, op… plezier we krijgen.’
‘Nou,’ mauwde Wilg, met een gemaakt opgewekte stem, ‘als we maar niet nog een nacht in de regen hoeven door te brengen!’
De auto waaronder ze verscholen zaten maakte een soort piepgeluidje terwijl er onder alle vier de hoeken licht op de natte grond knipperde. Ze verstijfden allebei.
Er naderden voetstappen – een man die uit een gebouw aan de overkant recht op hun schuilplaats afkwam. Waren ze ontdekt? Luna maakte zich klaar om te vluchten.
Maar de man bleef stilstaan, opende de deur en klom naar binnen. Het volgende ogenblik kwam de auto grommend boven hen tot leven en leek Luna helemaal door elkaar te schudden. Ze drukte haar lichaam tegen dat van haar zus aan, en ze doken allebei in elkaar toen de auto door de straat wegschoot en hen onbeschermd achterliet. Het voertuig stootte rookwolken uit en vanonder zijn wielen spatte water op.
‘Was dat avontuurlijk genoeg voor je?’ vroeg Wilg terwijl ze de natte stoep op stoven. Luna beefde. Ze wisten zo goed
als niets over de gevaren die in de stad op de loer lagen. Als ze op verkenning uit wilden, hadden ze een veilige plek nodig waar ze iedere avond terug naartoe konden gaan –ergens buiten het zicht van de mensen.
Haar maag knorde, en die van Wilg kaatste het geluid onmiddellijk terug.
‘Zo te horen denken we hetzelfde’, mauwde Luna.
‘Ontbijt!’ reageerde haar zus.
Ze deden hun best om de rustigste straten aan te houden en dicht langs de muren van de hoge gebouwen te lopen. Rondom hen ontwaakte de stad, met auto’s die de straten versperden en mensen die hun dag begonnen te midden van knipperende lichten en rauwe geluiden. Luna probeerde zich een tijdje te oriënteren door te onthouden welke hoeken ze omgingen vanaf het eethuis. Maar uiteindelijk gaf ze het op.
Er is nu geen weg meer terug.
De geuren van de stad waren overweldigend. Het aroma van voedsel dat vrijkwam uit de winkelpuien, de uitlaatgassen van de voertuigen – ze zagen er een dat enorm was, zo groot dat het bijna de hemel verborg, en tjokvol met mensen. Tussen de geuren zaten ook die van andere dieren waarvoor ze op haar hoede moest zijn, zoals haar instinct haar vertelde. Toch groeide Luna’s zelfvertrouwen met elke stap die ze zette. Er waren natuurlijk gevaren, maar zo’n grote stad barstte ook van de mogelijk heden. Met haar zus naast zich konden ze een manier vinden.
Het verbaasde haar niet dat Wilg terughoudend was bij het verkennen van die nieuwe wereld. Haar zus was altijd al voorzichtiger geweest. Ze aarzelde langer op straathoeken.
Haar grote ogen schoten alle kanten op bij het minste of geringste vreemde geluid, en ze sloop over de stoep met gebogen kop en haar staart tussen haar poten. Luna vertraagde haar pas om niet al te ver voor haar uit te lopen en mauwde haar zo nu en dan geruststellend snorrend toe.
Ze heeft gewoon tijd nodig om zich aan te passen, dat is alles. Maar toen ze een onbebouwd terrein met gras en bomen bereikten, kwamen Wilgs oren overeind en bewogen haar neusvleugels.
‘Ruik jij wat ik ruik?’ vroeg ze opgetogen.
‘Duif’, antwoordde Luna snorrend. Het water liep haar in de mond.
Ze hadden geen duif meer gegeten sinds hun moeder er in de tuin van de man een had gevangen. Wilg en Luna waren nog maar net van de melk af geweest en ze had haar dochters sappige stukjes gevoerd. Hun moeder moest een geweldige jager zijn geweest, realiseerde Luna zich, want in hun prille jeugd had ze hen met haar jachtexpedities van allerlei lekkere hapjes voorzien.
Er stond een metalen omheining rondom het park, maar ze glipten er moeiteloos doorheen en kropen het struikgewas aan de andere kant in. Vanuit de struiken zag Luna de duiven – een grote zwerm vogels die rondhupten bij een overvolle afvalbak. Andere vogels fladderden en klapwiekten
erboven, in een poging een landingsplaats te vinden om deel te nemen aan het feestmaal.
‘Jaag ze mijn kant op’, mompelde Wilg.
Luna zwiepte met haar staart als teken van instemming en keek hoe Wilg naar links sloop, haar lichaam laag bij de grond. De duiven hadden het te druk met hun eetfestijn om te zien hoe de kat met een wijde boog om hen heen sloop, maar Luna betwijfelde of ze haar gezien zouden hebben, zelfs als ze in hoogste staat van alertheid waren geweest. Wilg verplaatste zich met vloeiende sprintjes en leek bij elke pauze in haar omgeving op te gaan. Luna moest haar ogen soms samenknijpen om de grijze schim van haar zus tussen de bladeren te ontdekken, en zelfs dan waren er momenten dat ze haar niet kon zien.
Het besluipen van een prooi had Wilg niet van haar moeder geleerd – het ging haar even gemakkelijk af als ademhalen. En hoewel de zussen ondertussen allebei bedreven waren in hun specifieke rol, voelde Luna altijd een steek van jaloezie over de vaardigheid van haar zus.
Het duurde niet lang voordat ze een flits van Wilgs blauwe ogen opving uit een bloembed op een paar passen achter de duiven, waar ze op de loer lag. Haar schim werd een lichaam, met aangespannen spieren, klaar om in actie te komen. Het was tijd voor Luna om haar aandeel te leveren.
Haar hartslag liep op tot een snel gebonk, terwijl ze laag bij de grond naar voren kroop, en zich schrap zette voor de aanval. Zoals bij iedere jacht bouwde zich warmte in haar
op die langs elk haartje van haar vacht siste. Het zorgde ervoor dat ze zich sterk en springlevend voelde, onoverwinnelijk haast. Het maakte haar klauwen scherper, waardoor ze voelde dat ze overal doorheen kon snijden. Haar ogen richtten zich op een bijzonder dikke vogel, precies midden in de zwerm.
Over het gras en daarna over het asfalt schoot ze er recht op af. De tijd leek te vertragen. Een voor een draaiden de vogels hun kop met een ruk in haar richting. Hun ogen waren opengesperd, hun vleugels gespreid, maar Luna wist nu al dat ze met de vaart die zij had, de duiven te snel af zou zijn. De zwerm begon op te vliegen vanaf de grond in een gelijktijdige opstijging van veren – een panische verwarring van vleugels en kreten.
Luna bereikte haar doelwit, zich afzettend met haar achterpoten, de klauwen van haar voorpoten uitgestrekt.
Ze begroef ze in de flank van de duif, en landde boven op haar prooi. Met één enkele beet doodde ze de panisch fladderende vogel. Ze spuugde donsachtige veertjes uit en bleef boven het lichaam staan dat ze in haar klauwen geklemd hield.
De rest van de zwerm probeerde weg te vliegen, maar Wilg wachtte de duiven op. Met een loom gemak sprong ze omhoog. Haar gekromde lichaam leek in de lucht te blijven hangen. Ze griste er een uit de lucht, daarna een tweede en bracht ze allebei terug naar de aarde, voordat ze hun met haar vlijmscherpe tanden de dodelijke beet gaf.
Luna’s bloed kolkte nog steeds van de jacht.
Eventjes waren de dingen goed. De verschrikking van de afgelopen nacht en hun hachelijke, onzekere situatie – alles was vergeten in hun overwinningsroes. ***
‘Wat een team!’ mauwde Wilg terwijl ze in de beschutting van de struiken, waar ze hun buit naartoe hadden gesleept, hun tanden in de verrukkelijke prooi zetten.
‘Je was fenomenaal’, mauwde Luna spinnend. ‘Ze wisten niet wat hun overkwam!’
Haar zus onderbrak haar feestmaal even en keek op van de gedeeltelijk afgekloven botjes. ‘Weet je, het voelde… raar. Maar wel goed.’
Luna slikte een grote hap vlees door. ‘Ik dacht hetzelfde.’
Ze hadden natuurlijk al ettelijke keren samen gejaagd door de muizen in het nauw te drijven die zich uit de muren van het eethuis waagden. Maar iets aan het park, en aan de duiven, was totaal anders geweest. Misschien was het omdat ze buiten waren, in de frisse lucht.
Nee, dacht Luna, dat is het niet…
‘Ik voel me, soort van… springlevend’, mauwde Wilg.
Ja, dacht Luna. Levenskracht. Alsof ze onder een donkere hemel hadden geleefd, en de zon opeens tevoorschijn was gekomen.
Ze voelde gevaar. Haar nekvacht kwam overeind, haar
rug bolde en ze draaide met een ruk haar kop om. Enkele stappen verderop, diep in het struikgewas, glansde een paar oogjes. Aan de stand ervan zag Luna meteen wat het was.
‘Rat’, siste ze.
‘Laat zitten’, waarschuwde Wilg. ‘We hebben genoeg.’
De oogjes flitsten toen het dier wegschoot. Luna’s poten reageerden door het achterna te racen.
‘Lu, wacht!’
Luna wist dat haar zus haar zou volgen en hoorde haar al achter zich aan draven. Ratten konden wrede dieren zijn wanneer ze terugvochten, maar tegen hen tweeën zou deze kansloos zijn. Ze renden onder de struiken vandaan, het gras op. Luna hoorde een oud mens schreeuwen, maar hield haar ogen op de prooi gericht die afwisselend naar links en naar rechts uitweek. Achter hem aan zigzaggend liep ze bij iedere uitwijkpoging op hem in. Opeens leek de rat van tactiek te veranderen en rende recht op een bosje bomen af.
Grote fout, ging het door Luna heen terwijl het water haar al in de mond liep.
Als hij recht vooruit bleef rennen, kon hij niet aan haar ontsnappen. Ze stortte zich tussen de bomen achter hem aan.
Terwijl haar ogen zich aan de schemering aanpasten, zag ze hoe de rat zich een weg baande over de met dennennaalden bezaaide grond. Maar hij leek moe te worden. Opeens bleef hij staan en draaide zich met gloeiende oogjes naar haar om. Hij was dus wel een vechter. Ze voelde haar klauwen al tevoorschijn komen en sprong.
‘Stop!’ siste de rat.
Het woord raakte Luna als een fysieke klap. Een rat die praatte?
Opeens was er iets mis. Haar ledematen waren in de greep geraakt van een gek gevoel. Ze hing boven de grond, gevangen in de lucht. In paniek probeerde ze zich te bewegen, maar het enige wat ze kon, was kronkelen.
De rat keek uitdagend toe terwijl ze wild met haar poten en staart sloeg.
‘Je komt geen stap dichterbij!’ snauwde hij.