DODELIJKE DOSIS
thriller
Zaterdag 28 juni, ergens tussen Leuven en Mechelen
Ariane Meulemans telde de omwentelingen van haar trappers terwijl ze over het betonnen fietspad langs de Leuvense Vaart reed. Ze vond de bochtenloze fietsroute saai, maar het was de kortste weg naar huis. Waterjuffers scheerden over het rimpelloze water van het kanaal en de warme zomerzon voelde heerlijk aan. Ariane gooide haar hoofd in haar nek en snoof de geur van de beginnende zomer op.
Glimlachend dacht ze terug aan haar gesprek met Lore, twee uur eerder op het terras van café Commerce. Het had haar goed gedaan om eens te ontspannen, ze had een waanzinnig drukke periode achter de rug. Onder het genot van een bord spaghetti had haar beste vriendin uitgeweid over de kortstondige maar intense affaire met een jonge Griekse adonis tijdens haar vakantie op Kreta. Lores ogen hadden gefonkeld toen ze wegdromend vertelde over de vijfentwintigjarige hotelbediende en diens talent om een gescheiden vrouw van eenenveertig te verwennen.
Ariane zuchtte en dacht aan haar eigen armzalige liefdesleven. Haar carrière als onderzoekster aan de ku Leuven eiste vrijwel al haar tijd en energie op. Ze had in het verleden wel al relaties gehad, maar de ideale man had ze nooit kunnen strikken. En de enige man voor wie ze alles zou opgeven had haar duidelijk gemaakt dat een affaire niet kon. Toch had ze de hoop nog niet opgegeven – ze kon de man van haar dromen iedere dag nog tegenkomen. Ach wat, misschien moest ze ook maar eens op vakantie naar Kreta.
Maar dat zou nog even moeten wachten. Ook de komende weken en maanden zouden weer heel druk, maar vooral spannend zijn. Het project waaraan ze maandenlang zonder medeweten van haar afdelingshoofd had meegewerkt, was klaar om te worden uitgerold. Niet iedereen was gelukkig met het behaalde resultaat, maar Ariane was tevreden en optimistisch.
Honderd meter verderop op het fietspad trok iets haar aandacht. Een man stond met de handen in de zij naar zijn fiets te kijken. Hoe dichter ze naderde, hoe scherper ze zijn trekken kon onderscheiden. Een meter vijfentachtig en ongeveer even oud als zijzelf, schatte ze hem, een sportieve, goed getrainde man met kort getrimd donkerbruin haar en bakkebaarden die zijn jukbeenderen accentueerden. Ze trok haar schouders op en stopte ter hoogte van de man.
‘Probleempje?’ vroeg ze met gefronste wenkbrauwen.
De man knikte zuchtend.
‘Lekke band!’
‘Geen spullen bij je om ’m te plakken?’ vroeg ze glimlachend.
‘Nee, ik ben op weg naar Leuven, ik woon hier vlakbij.’
Tiens, hij woont in de buurt en toch is hij me nooit eerder opgevallen, dacht Ariane. ‘Tja, da’s pech, dan zul je moeten lopen.’
‘Er zit niks anders op, zeker? Leuven zal moeten wachten.’ De man keek haar aan met pretlichtjes in zijn grijsblauwe ogen.
Ariane voelde dat ze bloosde.
‘Ik ben ook van hier vlakbij, waar woon jij?’ vroeg ze, terwijl ze moeite deed om haar interesse te verbergen.
‘Weggevoerdenstraat.’
‘Echt?’ Ariane wist niet wat ze hoorde. ‘Daar woon ik ook,
hoe gek is dat? In dat geval loop ik wel even met je mee,’ lachte ze.
De man stak zijn hand uit.
‘Herman Albers, aangenaam.’
‘Dag Herman, ik ben Ariane, Ariane Meulemans.’
Herman klapte de standaard van zijn fiets in en ze begonnen zij aan zij over het fietspad te lopen.
‘Misschien kunnen we beter dat wandelpad daar nemen,’ stelde Herman voor. ‘Dan lopen we niet in de weg van de fietsers.’
‘Wielerterroristen bedoel je. Vorige week werd ik bijna het kanaal in gereden door zo’n zootje ongeregeld.’
Herman lachte.
Ze sloegen een onverhard pad in, dat aan het zicht onttrokken was door hoge struiken die in volle bloei stonden.
Ze waren nog geen tien meter ver toen hij haar plotseling bij de bovenarm greep, haar fiets neergooide en haar brutaal de struiken naast het pad in duwde. Ariane was compleet verrast. Ze verzette zich zo hard ze kon, maar Herman beschikte over bovenmenselijke krachten. Ze schreeuwde om hulp en schopte hem tegen de onderbenen, maar de trappen met haar lichte sandalen lieten hem onverschillig. Voor ze het goed en wel besefte lag ze plat op haar rug tussen het struikgewas, haar haar verstrengeld in een braambessenstruik. De doornen maakten rode schrammen in haar hals, wangen en oren en ze stootte een hulpkreet uit, maar kreeg meteen een harde vuistslag op haar neus, die als een rietje brak. Verdoofd door de pijn proefde ze haar eigen bloed in haar mond. Hij zat nu boven op haar, waardoor ze haar benen niet meer kon gebruiken om zich te verdedigen. Hijgend en angstig pakte ze zijn armen vast, maar hij greep haar keel met beide handen.
Haar wijd opengesperde ogen keken in de zijne, en toen
ze de ijskoude, emotieloze blik in zijn staalgrijze ogen zag besefte ze dat hij haar zou vermoorden. In paniek schudde ze haar hoofd heen en weer om uit de klemmende greep te ontsnappen. Ze trok haar knieën op en probeerde haar heupen te bewegen in een ultieme poging om onder de man uit te komen, maar niets baatte.
Opeens leek het alsof zijn greep verslapte. Ariane voelde haar gebroken neus opzwellen.
‘Asterion. Wat kun je me vertellen?’ vroeg hij hijgend.
Ariane schrok. Asterion, hoe…? Ze schudde het hoofd.
‘Wat heb je in Genval gedaan, en wie waren de anderen? Ik wil hun namen!’ zei hij, dit keer op een dreigende toon die niets aan de verbeelding overliet.
‘Ik weet niet wat je bedoelt,’ antwoordde ze niet-begrijpend, schrikkend van de nasale klank van haar stem door haar gebroken neus.
‘Je bent een van hen, samen met De Keyser en Delafaye. Ik weet wat jullie gedaan hebben, geef me de namen van de anderen, nu meteen!’
Hij gaf haar opnieuw een klap, dit keer met zijn vlakke hand op haar wang.
‘Zeg het! Of je gaat eraan!’ brieste hij. Ariane voelde zijn speeksel op haar gezicht spatten.
‘Ik weet niet waarover je het hebt, laat me los!’ jammerde ze hoofdschuddend. Ze wachtte op de volgende klap.
‘Ik wil hun namen, hoor je me?’
De tijd leek stil te staan. Tussen de helse pijn en de ziltige bloedsmaak in haar mond door flitste een beeld van de kliniek van Genval door haar hoofd. Waar had hij het over? Alles was toch…
‘Ik wil antwoorden, nu! Waarom hebben jullie je onderzoek niet aangemeld?’
Niet-begrijpend schudde ze het hoofd.
‘Ik weet niet wat je bedoelt, echt niet,’ stamelde ze met tranen in de ogen.
De man boven op haar vloekte, woedend om haar voortdurende ontkenningen.
‘Je weet niet wat ik bedoel? Asterion, verdomme, rotmens, wat anders?’ siste hij. ‘Wat is er misgegaan?’
‘Er… er is helemaal niks misgegaan met Asterion, wat bedoel je toch?’ prevelde Ariane, wanhopig zoekend naar antwoorden op vragen die ze niet kon vatten, naar een aanknoping bij zijn uitspraken.
Zijn beheerste woede sloeg om in ongecontroleerde razernij.
De krachtige handen sloegen opnieuw toe, nog harder dan eerst. Ze voelde hoe zijn duimen met vernietigende kracht haar luchtpijp dichtknepen. Met opengesperde mond hapte ze naar lucht om de pijn in haar brandende longen te verzachten. Haar blik werd wazig en in de verte zag ze een troebel, bleek lichtpuntje dat snel dichterbij kwam. Het trillende licht vulde haar hoofd met een intense, warme gloed en spatte uit elkaar tot er niet meer dan een donkere leegte overbleef. Toen de man met de bakkebaarden zeker wist dat ze dood was, doorzocht hij haar handtas en graaide de sleutels van haar woning eruit. Hij veerde overeind, stapte op de fiets van zijn slachtoffer en reed het wandelpad op in de richting van de Weggevoerdenstraat.