Skip to main content

Reineringen - 2022 (13/3)

Page 1

Reineringen

Duive

nstraat 22

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich Verschijnt driemaandelijks • Jaargang 13, nummer 3 (juli - september 2022)

E

Voorwoord

en artikeltje uit een krant van 1930. De lezers zullen denken het is komkommertijd op de redactie van Reineringen. Niets is echter minder waar. Onze auteurs hebben voldoende inspiratie en stof om over na te denken en te schrijven. Waarom dan teruggrijpen naar het verleden? Wel, de heemkundige kring beschikt over nogal wat jaargangen van de Gazet van Kontich en aanverwante titels. Die werden onlangs professioneel ingebonden. Ze staan nu niet alleen maar te blinken in hun mooie blauwe kaft, maar zijn nu ook veel beter raadpleegbaar. De toegankelijke jaartallen zullen eerlang op onze website worden gepubliceerd. Maar we willen ook van de gelegenheid gebruikmaken om een nieuwe rubriek op te starten en telkens een berichtje uit het verleden weer aan de oppervlakte te brengen. Grappig, ernstig, geëngageerd, cultureel, …, we merken dat heel veel zaken – soms onder gewijzigde vorm – terugkeren. Andere zaken dreigen dan weer te verdwijnen of vergeten te raken. Daarom lijkt de zoektocht naar de nog bestaande Heilig Hartbeelden op ons grondgebied een uitstekende kans om van dit onroerend stukje erfgoed geen ontroerend vergeten erfgoed te maken. Het Kontich-Kazernese Heilig Hartbeeld is daarbij het startpunt om op zoek te gaan naar de oorsprong en de beleving van een - in onze contreien - zo goed als verdwenen devotie. Verrassend is het verhaaltje dat gastauteur Dolf Van Herck vertelt. Het past perfect in de traditie van oraal erfgoed dat steeds aan belang wint en laat je meeslepen door Pudding en Eergisteren. Helemaal verdwenen zijn de Kontichse zoeaven en waarschijnlijk ook de referenties aan die pauselijke wacht of Zwitserse garde. Een oude foto van een Kontichse Romenaar die niet verder raakte dan de Waarlose en Walemse cafés is de aanleiding voor een duik in een door ons vergeten geschiedenis. En al helemaal vergeten is waarschijnlijk Elisabeth, neen niet onze vroegere koningin, maar een dame die ons terugbrengt naar het Kontich van vroeger. Je leest er meteen ook wat slavernij en sigaren met elkaar te maken hebben. En wie tabak zegt, zegt ook bier. Dat dit ook in Kontich aanwezig was kun je lezen in het artikel over De Arend. Dat doet waarschijnlijk een belletje rinkelen. Inderdaad, het gaat om het gebouwencomplex waar het seniorenlokaal, de bibliotheek en ons museum zich bevinden. Ons museum voor heem- en oudheidkunde is vanaf september weer elke zondagnamiddag van twee tot vijf uur open. Wie het voor het eerst bezoekt, blijkt zich telkens weer te verbazen over de rijkdom van ons Kontichs patrimonium. Het is makkelijk te bereiken. Ook al zal dat voorlopig nog altijd niet met de tram zijn. De redactie


DE VERERING VAN HET HEILIG HART (deel 1)

Van een waargebeurd verhaal uit Kontich-Kazerne tot wetenswaardigheden. HET VERGETEN KONTICH-KAZERNESE HEILIG HARTBEELD

Wie vanuit Kontich Kazerne naar Lint rijdt of wandelt, moet het sowieso passeren. Daar, bij de oprit van de brug op de splitsing van de Liersebaan en het Mortelstuk, staat Jezus met het Heilig Hart al vele jaren op zijn bakstenen sokkel, ietwat eenzaam en mistroostig weer en wind te trotseren. Afhankelijk van de seizoenen al dan niet verstopt tussen het - in Kontich-Kazerne steeds zeldzamer wordende - gebladerte. Zo vertrouwd is zijn aanwezigheid dat velen hem waarschijnlijk niet eens meer opmerken. Is het daarom dat hij er wat somber en troosteloos bij staat? Zijn lichaamstaal spreekt boekdelen. Met het hoofd lichtjes voorovergebogen richt hij zijn blik dromerig naar een niet nader te bepalen punt op de grond. Zijn armen lijken zwaar, alsof het hem aan moed en energie ontbreekt om ze op te heffen. Als ik hem daar zo zie staan voel ik in mij een gevoel van compassie opborrelen. Ik speel met de gedachte om de sokkel te beklimmen om hem met een warme troostende omhelzing op vrolijkere gedachten te brengen. Toch besluit ik om het maar te houden bij het nemen van een foto met de intentie op zoek te gaan naar de geschiedenis van dit vergeten Heilig Hartbeeld in Kontich-Kazerne. Want daar was ik tenslotte voor gekomen.

GEDEELDE INTERESSE

Heel toevallig ontmoette ik niet zoveel later iemand met een gemeenschappelijke interesse in het beeld. Maggy Goossens was na enkele omzwervingen opnieuw in haar ouderlijke huis aan de Liersebaan komen wonen. Toen ze op een keer met meer aandacht dan gewoonlijk naar het beeld had staan kijken was de twijfel toegeslagen. Er was iets wat niet klopte. Het beeld uit haar herinnering, met één specifieke gebeurtenis in het bijzonder, kwam niet overeen met het beeld dat ze hier voor zich zag. Of had de tijd haar herinnering zo vervormd dat deze ver was gaan afwijken van de werkelijkheid?

Foto: Ilse Van Weert

MAGGY’S HERINNERING: “JEZEKE MET DE LOSSE POLLEKES”

Als kind was Maggy een echte “kwajongen” en speelde ze graag buiten. Ook de bosjes aan het Heilig Hartbeeld behoorden tot haar speelterrein. Maggy zat niet verlegen om een “deugnietenstreek” of een grapje. Op zekere dag kwam ze op het idee om één van de stenen handen van Jezus los te maken en in haar mouw te steken. Zo leek het alsof ze zelf een hand van steen had. Vol “voorpret” ging ze daarop naar huis en bij het binnenkomen stak ze enthousiast - bij wijze van begroeting - de hand naar haar moeder uit. Moeder Lucienne (Geysels) schrok zich een hoedje toen ze zich realiseerde dat het hier om de hand van het Heilig Hartbeeld ging. Kleine Maggy had hiermee een kanjer van een inschattingsfout gemaakt. Terwijl het haar bedoeling was haar moeder aan het lachen te brengen, draaide het verkeerdelijk uit op een pijnlijk pak voor haar broek. De hand van “Jezeke” werd door haar vader snel terug aan zijn mouw bevestigd zodat mijnheer pastoor het niet te weten zou komen. Ja, ook Kontich-Kazerne had zijn “Witte van Zichem”. Vele jaren later stond Maggy dus opnieuw voor het beeld en kon ze zich niet van de indruk ontdoen dat hier iets was wat niet klopte. Was dit wel het beeld uit haar kindertijd?

OP ZOEK NAAR DE VERDWENEN VOORGANGER

Het “oude” Heilig Hartbeeld eind jaren 60.

.3 13

2

en

ng

eri

in Re

Het verhaal van Maggy wakkerde mijn nieuwsgierigheid nog aan en wat later dook ik in mijn fotoverzameling, op zoek naar een oude foto van het beeld. Die had ik al snel gevonden en wat bleek: Jezus met het Heilig Hart

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


uit Maggy’s jonge jaren zag er heel anders uit! Hij stond - in tegenstelling tot zijn latere vervanger - trots rechtop met gestrekte rug, opgeheven hoofd en wijd opengesperde armen. Blakend van zelfvertrouwen en toonbeeld van présence. Zijn gewaden hingen nonchalant over beide armen gedrapeerd en wapperden in de wind als de zeilen van een schip op volle zee. Te midden van zijn borst prijkte een groot, met een stralenkrans omgeven hart, zoals het een waardig Heilig Hartbeeld betaamt. Het mooi gemetselde aflopende muurtje met sokkel was duidelijk het werk van enkele ervaren metselaars, wat van de eerder slordige reconstructie waarop het nieuwe beeld geplaatst was niet kan gezegd worden. Ik stuurde Maggy de foto die ik had gevonden. Onmiddellijke herkenning! Dít was het Heilig Hartbeeld uit haar kindertijd in wiens schaduw ze zo dikwijls had gespeeld en met wiens handen ze de mislukte grap had uitgehaald! Dit betekende dat ze zich niets had ingebeeld. Een opluchting. Maar wat was er met het oude beeld gebeurd en waarom was het verwijderd en vervangen? Wie hoogstwaarschijnlijk een antwoord zou kunnen geven op deze vraag was pater Jef, onze vroegere pastoor. Ik ging bij hem te rade.

DE WISSEL VAN DE WACHT: PATER JEF VAN KERCKHOVEN GEEFT OPHELDERING

Hij vertelt: “Het oorspronkelijke betonnen beeld was met de jaren, onder invloed van de weersomstandigheden, wat in verval geraakt. Sommige onderdelen waren gaan brokkelen of hingen nog maar met haken en ogen vast. Dat was dus ook het geval met Jezus’ handen. Deze bleven nog maar net met een kort stompje ijzerdraad in zijn mouwen vasthangen”. Voor een behendige klimmer moet het dus een fluitje van een cent geweest zijn om via het schuine muurtje tot bij het beeld te komen en met enig rek- en strekwerk de handen te bereiken. Wie al langer in Kontich-Kazerne woont en op zekere dag opmerkte dat Jezus daar plots stond met zijn handen achterwaarts gedraaid kan nu waarschijnlijk al wel raden wie dat gedaan had! Jef vervolgt: “Ik vond dat beeld een schandaal en heb toen een nieuw Heilig Hartbeeld besteld bij de firma Haenecour in Brussel. Deze firma was gespecialiseerd in het vervaardigen van heiligenbeelden. Dat hebben we dan met geld van de parochie betaald. De gemeente is het oude, vervallen beeld komen halen. Toen was de sokkel dus leeg. Eerst moest er onderaan een soort “colle” gemaakt Pater Jef, die het nieuwe beeld bestelde en hielp plaatsen. worden en daar heb ik dan, samen met iemand van (Foto: Phil Bosmans) Haenecour, het beeld op geplaatst. Dat moet ergens in de jaren negentig geweest zijn. Ik was toen al pastoor.” Op mijn vraag of hij ook wist wanneer het eerste beeld er werd geplaatst en van waar het afkomstig was, moest hij spijtig genoeg het antwoord schuldig blijven. Echter, zonder het zelf te beseffen reikte hij me enkele dagen later de sleutel voor het vinden van het antwoord zelf aan. Namelijk in de vorm van de dagboeken van de paters montfortanen die hij me digitaal doorstuurde.

OPNIEUW & CO: EEN (TWEEDEHANDS) HEILIG HARTBEELD VOOR DE KONTICH‑KAZERNENAREN

13

.3

Foto: Kring voor Heemkunde Kontich

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

Op zondag 16 oktober 1955 stond er te lezen: “Na ’t Lof van 3 uur plechtige inhuldiging van ’t H. Hartbeeld; predicatie door de onderpastoor Dockx van Kontich en zegening van ’t beeld door Pater Klerkx, Overste. Het beeld is afkomstig van Kinderheil, aan de Paters afgestaan, toen deze stichting werd opgedoekt.” Met deze waardevolle informatie kon ik alvast verder aan de slag. In onze Kring voor Heemkunde ging Guido Pede voor mij op zoek naar oude foto’s van het Kinderheil in de hoop daarop het beeld aan te treffen. En we hadden geluk! Dit Kinderheil was ooit in Kontich-dorp gevestigd, op de plaats waar nu het postgebouw staat. De rijke

3


geschiedenis van dit prachtige landgoed ging terug tot in de zestiende eeuw. (zie artikel uit “Kontich-Waarloos vroeger en nu”, mei 2010) Een Kinderheil waar weesjes, zieke of geplaatste kinderen werden opgevangen door de zusters maricolen van Antwerpen was de laatste bestemming van het gebouw. Later werd het beheer ervan overgenomen door de stichting “Clinique de l’Espérance”. Onder het beheer van deze laatste werd het opgedoekt en … in 1954 werden ook de gebouwen gesloopt. Een Heilig Hartbeeld bleef daarbij - als enige stille getuige - verweesd achter in “den hof”. Wiens idee het was om dit beeld een nieuwe “thuis” te geven in Kontich-Kazerne en aan de paters montfortanen te schenken kwam ik niet te weten.

EEN BROKJE PAROCHIALE GESCHIEDENIS

In vroegere tijden was Lint nog een gehucht van Kontich. Het had al sinds 1767 een eigen kapel waarvoor een geestelijke was toegewezen omdat de parochiale Sint-Martinuskerk in Kontich-centrum in de winter moeilijk bereikbaar was. De kapel werd in 1823 vergroot tot de kerk die ze nu is. Inclusief een toren. In 1842 werd Lint een volwaardige parochie van Kontich St.-Martinus. Bij deze parochie (Lint) behoorde ook het nog “jonge” Kontich-Kazerne want daar was tot 1933 nog geen kerk. Sinds 1928 konden de gelovigen van KontichKazerne al wel naar de mis gaan in een kapel van de pas gebouwde Sint-Montfortmeisjesschool. In oktober 1931 werd dan met de bouw van de kerk begonnen en twee jaar later werd de kapel “Onze-Lieve-Vrouw-OnbevlektOntvangen” plechtig ingewijd. Tot in 1952 was het nog een rectoraat en moesten de Kontich-Kazernenaren voor doopsels, huwelijken en begrafenissen noodgedwongen naar de Sint-Martinuskerk in Kontich-centrum of naar de Onze-Lieve-Vrouw-Geboortekerk in Lint afzakken. Vóór 1952. Een begrafenisstoet vertrekt vanop de hoek Hoge Akker/Liersebaan naar de kerk van Lint. Begrafenis Vanaf 1952 werd het een kapelanie. Er mochten vanaf dan ook sacramenten worden toegediend, maar dit alles dochtertje van de “Pin” van café Bellevue (nu La Cucina) nog steeds onder het toeziend oog van Kontich Sint(Foto: Familie Torfs-Heymans) Martinus. Pater Klerkx was de eerste kapelaan. Het was drie jaar later dat het tweedehandse Heilig Hartbeeld op de straathoek aan de Liersebaan werd geplaatst en door hem werd ingewijd. In 1966 werd “Onze-Lieve-Vrouw-Onbevlekt-Ontvangen” eindelijk een zelfstandige parochie.

EEN IDEALE “PLACE TO BE” VOOR EEN HEILIGENBEELD

Tot ongeveer 1935 grensden de tuinen van de Dorre Eikstraat aan die van de Liersebaan. Hier maakte de komst van de autobrug over de spoorweg definitief een einde aan. Er ontstond tegelijk een nieuwe wegsplitsing in de helft van de Liersebaan. (In 2006 werd het stuk vanaf de brughelling tot aan de spoorlijn tot “Mortelstuk” omgedoopt.) Was deze nieuw gecreëerde straathoek door zijn centrale ligging geen uitgelezen plaats voor een imposant heiligenbeeld? Iets wat ze in Kontich-Kazerne – in tegenstelling tot Kontich-centrum en buurdorpen Waarloos en Lint – nog niet hadden. Op deze plaats zou een beeld ongetwijfeld door elke passant die zich vanuit Kontich Kazerne naar Lint begaf worden opgemerkt. Bovendien zou het een meerwaarde betekenen voor de vele gelovigen die Kontich-Kazerne toen (nog) telde. Zeker nu de Kontich-Kazernenaren twee jaar eerder (in 1933) ook een eigen kerk hadden gekregen. Maar … eer het zover zou komen gingen er nog twintig jaren voorbij.

HULDE AAN HET HEILIG HART

Tot een buitenkansje zich aandiende en het beeld vanuit de tuin van het Kinderheil in 1955 een tweede leven kreeg in Kontich-Kazerne. Ik ga ervan uit dat de Kontich-Kazernenaren blij waren met dit beeld, ook al was het een “afdankertje” en vertoonde het hoogstwaarschijnlijk al tekenen van beginnende slijtage. Voordien werd het Heilig Hart vereerd bij het beeld links vooraan in de kerk. Enkele oudere Kontich-Kazernenaren herinneren zich nog de bloemenhuldes bij dat beeld in de maand juni. Maar sinds er nu ook buiten een beeld was gekomen, trokken de gelovigen, waaronder de leden van de Heilig Hartbond en Chirojeugd, voorafgegaan door pastoor(s) en misdienaars er in processie naartoe. Vlaggen en vaandels werden meegedragen en vaak zorgde de muziekkapel van de Chiro of leden van het zangkoor voor de muzikale omlijsting. Bij aankomst vond dan een plechtige viering plaats met gebeden, muziek en liederen.

en

ng

eri

in Re .3 13

4

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Kapelstraat, waar nu de KBC bank is. Gelovigen en leden van de Heilig Hartbond stappen met hun vlag naar het Heilig-Hartbeeld. (Foto: verzameling K. Soudan)

Aan de afwezigheid van gebladerte op sommige foto’s kunnen we opmaken dat er ook op andere tijdstippen dan de “Feestdag van het Heilig Hart” (de derde vrijdag na Pinksteren die meestal in juni viel) vieringen plaatsvonden. De overige dagen van het jaar bleef het Jezusbeeld geduldig waken over de brave inwoners van KontichKazerne en de toevallige passanten. Tot het in de jaren 90, oud en versleten na vele jaren trouwe dienst, door een jonge vervanger werd afgelost. Met de tijd kwam de toewijding tot het Heilig Hart, tezamen met een algemene geloofsafval, in verval. De Heilig Hartbonden hielden op te bestaan. Bij het Heilig-Hartbeeld hadden geen vieringen meer plaats en zo werd een eenzaam en onopvallend bestaan zijn trieste lot.

Chirojeugd met muziekkapel bij het H.- Hartbeeld. (Foto: verzameling K. Soudan)

VAN HET EEN KOMT HET ANDER …

Dit boeiende speurwerk naar de geschiedenis van het Heilig Hartbeeld van Kontich-Kazerne deed op zijn beurt weer nieuwe vragen rijzen. Hoe is deze cultus voor het Heilig Hart ontstaan en hoe werd deze beleefd? Waar in Kontich en Waarloos staan of stonden er Heilig Hartbeelden en wat is daarvan de geschiedenis? Waar en hoe en door wie werden deze heiligenbeelden vervaardigd? Wat was de “Bond van het Heilig Hart”? Met welk doel en sinds wanneer werden zulke bonden opgericht en hoe functioneerden ze? Bestond er ook een Heilig Hartbond in Kontich en Waarloos? Zijn er specifieke devotieprentjes van het Heilig Hart te vinden? Enzovoort. Al wie benieuwd is naar het antwoord op deze vragen nodig ik graag uit voor een rendez-vous in de volgende edities van dit tijdschrift. Tot dan!

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

13

.3

Ilse Van Weert (met dank aan pater Jef Van Kerckhoven en Maggy Goossens)

5


Pudding en Eergisteren

K

leinkinderen luisteren graag naar verhaaltjes. Zeker als opa of oma die vertellen. Daar bestaan tegenwoordig erg goede voorleesboeken voor. Maar Kontichnaar Dolf Van Herck ging wel een stapje verder en schreef zelf verhaaltjes voor zijn kleinkinderen. Of hij hertaalde bestaande verhalen. Het gaat om kindermopjes, leuke verhalen en sprookjes. Dat deed hij ook met dit verhaal dat zo´n beetje het midden houdt tussen deze drie categorieën. Dolf hertaalde dit verhaaltje dat hij zelf vroeger in zijn kindertijd had gehoord en nam het op in zijn verhalenboekje met de leuke titel Vake, vertel nog eens een verhaaltje. Lees en geniet van vroeger. pc

In een heel klein landje leefde een familie met twee kinderen. Twee jongetjes met nogal rare namen. De oudste heette “Pudding”. Zijn papa en mama hadden wel een andere naam voor hem gekozen. Maar als de fiere papa zijn pasgeboren zoontje liet inschrijven in het bevolkingsregister, het boek waarin elke baby moet genoteerd worden, gaf hij aan de ambtenaar vooraf een potje lekkere pudding. De ambtenaar, een oude, verstrooide man, was zo verlekkerd op de pudding dat hij die zo snel mogelijk wou opsmullen. Hij was zo in de war dat hij per abuis “Pudding” schreef in het register, op de plaats waar de naam van het jongetje moest ingevuld worden. Helaas mag er in het bevolkingsregister niets geschrapt worden. Niets aan te doen, het jongetje heette voortaan “Pudding”. Toen ruim een jaar later hun tweede zoontje werd geboren, dacht de papa, laat ik maar geen pudding meer meenemen. Weer stond hij voor de oude, verstrooide ambtenaar. Die vroeg: “Wanneer is het jongetje geboren?” “Eergisteren”, zei de papa. Oh ramp, weer maakte de oude man een fout en schreef per abuis “Eergisteren” in het bevolkingsregister. En aangezien dit niet meer kon gewijzigd worden, werd hun tweede kindje “Eergisteren” genoemd. In dat kleine landje leefde ook een koning. Een klein dik niet al te snugger maar ijdel mannetje. Hij had één grote passie, namelijk, pronken met zijn kleren. Telkens hij een nieuw gewaad had, wilde hij dat tonen aan zijn onderdanen en dan ging hij met zijn nieuwe kleren paraderen door de straten. Hij genoot ervan dat iedereen naar hem keek. Op een dag, ging de koning weer eens met nieuwe kleren door de straten wandelen. Pudding en Eergisteren waren thuis. Maar het was weer zo’n dag van kibbelen en ruzie maken in plaats van te spelen. Ja, dat heb je soms met broertjes. De ene dag zijn het de beste maatjes. De andere dag kunnen ze elkaar niet luchten. Hun mama was gaan werken en de papa werkte thuis. Na een tijdje was de papa dat geruzie en lawaai zo beu en riep hij de jongens voor de zoveelste maal bij zich. Hij stuurde hen deze keer naar boven, naar hun kamer. Ze moesten daar blijven tot het avondeten en ze mochten niet naar beneden komen, want hij wou absoluut rustig kunnen verder werken. Na een tijdje zei een van de jongens, ik weet echter niet meer wie van beiden, dat hij dringend naar de wc moest. Maar ... de wc was beneden en zij mochten niet naar beneden, dat had hun vader duidelijk laten verstaan. Wat nu? De jongens waren te groot om nog in hun broek te doen en dat zou papa alleen nog maar bozer maken. Idee ... gelukkig stond daar in de hoek een emmer, dus die emmer was dan maar het toilet. Na een poosje begon de inhoud van die emmer zo te stinken, echt niet om uit te houden. Beide jongens konden toch niet hun neus blijven dichtknijpen. “Ik heb een idee”, zei een van hen, “we kieperen de inhoud door het raam.” Zo geschiedde. Toeval … net op het ogenblijk dat de jongens de stinkende inhoud uitgoten, passeerde de koning hun woning. Hij kreeg de stinkende smurrie over zijn hoofd en natuurlijk ook over zijn nieuwe kleren. De koning was razend kwaad. Zijn anders al rode hoofd werd nog roder en uiteraard ook … een beetje bruin!

en

ng

eri

in Re .3 13

6

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


“Wie heeft dit gedaan en waar komt dat vandaan?” Hij bonkte op de deur van het huis tot de papa van de jongens kwam opendoen. De koning was zo kwaad dat de papa er niet veel van verstond. Hij begreep dat er iets gebeurd was, en iemand moest dat gedaan hebben. De papa dacht direct aan zijn jongens en vroeg aan de koning of het Pudding was. De koning werd nog woester en riep: “Neen, neen, neen ...het is kaka.” “Was het dan Eergisteren?” vroeg de papa. De koning antwoordde: “Neen, neen, neen … het is vandaag het is net gebeurd!” “Is het dan toch Pudding herhaalt de papa.” “Neen, neen man,” zei de koning “ het is kaka!” “Ja maar”, reageerde de papa, ”als het niet Pudding is, dan moet het Eergisteren zijn.” Opnieuw schreeuwde de koning uit dat het net was gebeurd, dus vandaag en zeker niet eergisteren. Intussen stond er al heel wat volk te kijken, waarop de koning zich met zijn nieuwe, maar intussen stinkende kleren, snel uit de voeten maakte en terugkeerde naar zijn paleis. De dag erna stond de koning, weliswaar gewassen, doch zonder nieuwe kleren, opnieuw aan de deur. De jongens waren naar school en de papa was alleen thuis. Opnieuw vroeg de koning, nu al iets minder kwaad, wie dat gisteren gedaan had. En opnieuw met hetzelfde resultaat. Weer vroeg de papa: “Was het Pudding?” De koning: “Neen, maar man toch het was kaka!” De papa: “Was het dan Eergisteren?” De koning: “Neen, neen, neen, neen … het was gisteren!” En dat bleef zo maar doorgaan tot de koning het beu werd en weer huiswaarts trok. Gelukkig voor Eergisteren was de koning de dag daarop niet meer langsgekomen. Sinds die dag loopt de koning wel altijd met een grote paraplu boven zijn hoofd door de straten.

De honderdjarige oorlog tussen Edegem en Kontich

E

en vreemde titel die misleidend is en vooral foutief. Want die oorlog wordt zonder wapens gestreden en is nog geen volle honderd jaar oud. En ook een slagveld is nergens te bespeuren. Neen, alle gekheid op een … rail, sorry stokje, zo erg is het allemaal niet. Ook al zijn er altijd wel puntjes van discussie tussen buurdorpen. Dat gebeurt in de beste families. En dus ook tussen Edegem en Kontich. En er zijn zo van die dingen die om de zoveel tijd de kop op steken. Eentje daarvan is de geplande tramlijn naar Kontich. Inderdaad, gepland, want verder dan alle mogelijke plannen is die tramlijn nog nooit geraakt. Het is daarom hier al de plaats om te vermelden dat er op het grondgebied van de gemeente Kontich nog nooit een tram heeft gereden. En voor zover we weten voorlopig ook niet zal rijden. Daarom even terug in de tijd met dit merkwaardige artikeltje uit de krant Het Kanton Contich van 4 oktober 1930 (nummer 39). Dit past uiteraard in het opheffen van stations in die tijd, waardoor een buurdorp plots weer verderaf was dan ervoor. Die vraag voor een tramlijn naar Kontich was helemaal niet gek. Wel het beschreven tracé. Naast de nog steeds bestaande spoorlijn van Kontich-Kazerne naar Antwerpen. In de loop der jaren zijn er ondertussen al veel tracés en plannen voorgesteld, besproken en weer afgewezen. Die plannen nemen stilletjesaan de vormen van het monster van Loch Ness aan. Met andere woorden, af en toe zie je er iets van, maar dan verdwijnen ze weer onder water. Of in dit geval in de mobiliteitsdiepvries. Dit artikeltje uit 1930 duidt ondertussen aan dat er inderdaad zelden iets nieuws onder de zon is. En misschien moeten we afsluiten met de hoopvolle zin: zeg nooit nooit.

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

13

.3

Paul Catteeuw

7


Een standbeeld voor Elisabeth Tussen de plooien van de geschiedenis

Er werd heel wat verzwegen in de lessen Vaderlandse Geschiedenis. Denk maar aan het hoofdstuk Belgisch Kongo. Of aan het aandeel van onze landgenoten in de internationale slavenhandel. Inwoners uit Afrikaanse landen werden ontvoerd of gekocht van vooral Arabische slavenhandelaars. Hun tactiek om ze gewillig te maken was ze te ontmenselijken: ze werden gebonden, mishandeld, verkracht en vernederd. Ze werden slechter behandeld dan vee, want als dat tijdens het transport niet goed werd verzorgd, konden ze het vlees niet verkopen. Zowel Nederlandse als Belgische havens werkten mee aan deze mensenhandel. Portugezen charterden in de 16e eeuw schepen vanuit Antwerpen naar Zuid-Amerika. De Hollanders hadden de reputatie de meedogenlooste trafikanten te zijn. Veel van hun slachtoffers zullen voor altijd anoniem blijven. Maar de lotgevallen van sommigen zijn gedetailleerd terug te vinden in oude documenten. Iedereen kent De hut van Oom Tom van Harriet Beecher Stowe dat in 1852 in boekvorm verscheen. Deze roman was een aanklacht tegen de slavernij die de heersende opvattingen rond die kwestie sterk heeft beïnvloed. Wat wel nodig was, want zelfs George Washington, de eerste president van Amerika (1789-1797), blijkt niet minder dan 300 slaven in zijn bezit te hebben gehad, die hij bijzonder hardvochtig behandelde. De blanke pioniers hadden hen nodig als goedkope werkkrachten, anders zouden ze Amerika niet kunnen laten uitgroeien tot de welvarende natie die het nu is. Tussen 1510 en 1888 brengen Europeanen naar schatting tien miljoen Afrikaanse slaven naar Amerika. Ze zijn eigendom van hun meester, moeten vaak bruut werk doen en kunnen lijfstraffen krijgen. Velen sterven op het schip of tijdens het eerste slavenjaar. (MAS, tentoonstelling Vaart)

(G)een willekeurige vrouw

.3 13

8

en

ng

eri

in Re

Van Elisabeth Dieudonné Vincent (1798-1883) is het avontuurlijke levensverhaal al duidelijk te volgen van voor haar geboorte. Haar vader was Fransman, en gekleurd, want hij was geboren in Saint-Domingue, een toenmalige Franse kolonie, het huidige Haïti. Haar moeder was een ooit tot slaaf gemaakte vrouw van het West-Afrikaanse Palavolk (Senegal). Toen de Vrijheidsoorlog uitbrak, besloten ze naar Amerika te verhuizen. Elisabeth en haar man Jacques Tinchant verdienden in New Orleans de kost met hun bouwbedrijf en ook met de verhuur van … twee slaven. Een gemengd echtpaar was in die tijd niet evident, en zeker niet in Amerika. Daarom moesten ze omwille van de onmenselijke rassenwetten emigreren. Eerst naar Zuid-Frankrijk, waar ze een wijngaard en een melkveebedrijf uitbaatten. Uiteindelijk kwamen ze in Antwerpen terecht. Daar lanceerden ze mee de tabaksfirma van hun zonen Louis en Ernest. Hun vier andere zonen zorgden voor de nodige grondstoffen vanuit de zuidelijke Verenigde Staten en de Golf van Mexico (Veracruz). Zo ontstond in ’t stad de sigarenwinkel en -fabriek met de naam Maison Américaine, Louis Tinchant (1858). De jonge Ernest (19) wordt er bediende. Vader Jacques sterft in Elisabeth en zoon Ernest 1871. Daarna wordt het ingewikkeld. Het komt tot een breuk tussen de broers en Louis verkoopt zijn aandelen aan Edouard die met zijn vrouw Stéphanie-Altagrazia Gonzalès en hun gezin uit Mexico overkomt. In 1875 richten Ernest en José de maatschappij Tinchant Frères op met werkplaatsen en kantoren in de Antwerpse Breydelstraat 11-17. In 1884 worden twee bijhuizen opgericht in Stratum (Eindhoven, NL) en Sint-Niklaas. In 1891 stellen ze 1200 arbeiders te werk en exporteren ze dertig miljoen sigaren over heel Europa, van Portugal tot Noorwegen en Rusland. Fabriek in de Breydelstraat, Antwerpen In 1895 komt het weer tot een breuk, waarbij de fabriek in tweeën wordt gedeeld door een haastig gemetselde muur. Zo ontstaan José Tinchant y Gonzalès & Cie aan de ene kant en Ernest Tinchant, Successeur de Tinchant Frères aan de andere. José overlijdt in 1899 en zijn firma wordt overgenomen door zijn drie zonen. Een van de vele sigarenErnest Tinchant bouwt zijn zaak verder uit en heeft vooral veel succes met het merk bandjes van hun merk Melior Melior. Zijn kinderen Ernest jr. en Paul worden vennoten en zetten de zaak voort na Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


zijn overlijden op 6 december 1923. Vier jaar later wordt ze echter verkocht aan de Arendonkse sigarenfabriek Verellen (Karel I).

Nalatenschap

Twaalf jaar na haar echtgenoot Jacques, sterft Elisabeth Vincent, in 1883. Hun graf is een van de blikvangers op het Schoonselhof in Antwerpen. Hun nakomelingen zijn drie generaties lang belangrijke sigarenfabrikanten en tabakshandelaars geweest, verspreid aan beide kanten van de Atlantische Oceaan. Na bijna honderd jaar komt er een eind aan de tabakshandel, wat mede te wijten is aan de perikelen van de Tweede Wereldoorlog. De nazaten van Elisabeth en Jacques hebben hun plaats verworven in de haute bourgeoisie van Antwerpen en Vlaanderen, waar zij het Frans, de taal van de meeste van hun voorouders, bleven koesteren en cultiveren. Merkwaardig is dat deze uitgebreide familie dank zij haar ondernemingskracht is uitgegroeid tot een geslacht van succesvolle en gerespecteerde burgers in een wereld die neerkijkt op mensen die negers en zwarten worden genoemd, in een samenleving die slavernij als vanzelfsprekend ervaarde. Toch was het voor hen geen probleem om deel te nemen aan de slavenhandel en zelf over slaven te beschikken. Later blijken sommigen van de vijf zonen hun werknemers ook Ernest Tinchant onbarmhartig te behandelen. Er zijn krantenartikels te vinden waarin gemeld wordt dat de sigarenmakers van de firma Tinchant in Antwerpen tot staking zijn overgegaan omdat de patroon van de fabriek in Sint-Niklaas weigerde arbeiders aan te nemen die lid zijn van het werkliedensyndicaat. En ook lezen we in Het levensverhaal van een veldwerker (1987) van Karel Heirbaut: Karel Maes de communist, woont al jaren in Sint-Niklaas (…). De sigarenfabriek van mijnheer Tinchant was niet weg te denken uit de Tabakstraat, ze bepaalde er het leven. (…) Ik heb mijn tante Roos altijd horen zeggen dat mijn moeder een snelle en goeie sigarenmaakster was, ze werkte namelijk in de sigarenfabriek van mijnheer Tinchant, en Tinchant was ’n baas zoals er vele zijn: Arbeiders in de fabriek van een die de mensen kon opjagen. De vrouwen, bijna allemaal stukwerksters, moesten Eindhoven Ernest Tinchant de hele dag springen voor een karig loon, terwijl mijnheer Tinchant dikke sigaren rookte en op zijn sloffen liep. Er is dan ook heel wat verloop van werknemers. In 1906 is er in Eindhoven dan weer een loonconflict over een bepaald model sigaar: de directeur weigert 5 centiem per stuk opslag en dreigt dat hij de fabriek zal sluiten als ze blijven volhouden met hun eisen. Ze zal worden gesloten. Geld is belangrijk voor de Tinchants. Zo veel mogelijk winst. Om exclusieve huizen en kasteeltjes te kunnen kopen in Antwerpen en de landelijke stadsrand.

Het park, eertijds Hof van Tinchant

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

13

.3

Ernest Tinchant had zijn oog laten vallen op het Hof van Rom in Kontich. Van die familienaam is niet veel geweten, alleen dat hij vaak voorkomt in onze streek, vooral in Reet. Archiefonderzoek ontbreekt nog. Van Passen verduidelijkt wel iets: L. J. F. Rom was een koopman uit Antwerpen. Hij kocht het pand van de familie Peeters, die er enkele generaties had gewoond en van wie P. J. Peeters van 1859 tot 1884 burgemeester was. Van Passen: Het Handelsblad van 11 januari 1873 noemde het eigendom, dat “vanouds” het vermaarde “Hotel La Cour Royale” was geweest, een zeer geschikt pand voor nering, hotel buitenverblijf enz.” En onder de nieuwe eigenaar Rom werd het ook inderdaad een buitenverblijf en kreeg het in de volksmond de naam “Hof van Rom”. Welke constructie er toen heeft opgestaan, blijkt nergens uit onze archiefdocumenten. We mogen wel aannemen dat het pand een bepaalde allure had, vermits in 1875 de omheinde haag door een gemetselde muur mocht vervangen worden. Zeker is dat de rijstal en de schuur toen nog aanwezig waren. Rom genoot niet lang van zijn “ kasteeltje” want in 1877, op 43-jarige leeftijd, overleed hij en werd in Kontich begraven. Dat eigendom is in die tijd nog heel uitgestrekt: langs de Antwerpsesteenweg tot aan de Edegemsesteenweg, en achteraan lopen nu de toen nog onbestaande Nieuwstraat, Noordstraat, Schuttershofstraat, Transvaalstraat en Peter Benoitlaan. In 1835-36 heeft de familie Peeters al de hoek verkocht aan de familie Cols, die daar het nog altijd aanwezige Martinushof als buitenverblijf bouwt. Twintig jaar later bouwt de familie Thys een huis met wagenmakerij (De Ploeg, niet te verwarren met het huidige gebouw aan het Sint-Jansplein, dat pas sinds 1951 zo werd genoemd en

9


toen nog pastorie was), waar later de notarissen Sansen hun intrek nemen (nu o.a. fysiotherapeut Jan Braeckmans). En zo wordt het de beurt aan de erfgenamen Rom om de gronden te verkopen. Pas in 1905 zien we Ernest Tinchant tabaksgroothandelaar in Antwerpen eigenaar worden van een schoon buitenverblijf met lusthof, hovenierswoning, stalling, remise, park evenals van uitgestrekte bouw- en villagronden. Nog geen tien jaar later, tijdens de Eerste Wereldoorlog, wordt zijn riante tweede woonst ingepalmd, eerst door de generale staf van het Belgische leger (koning Albert zou Gemeentepark met paviljoen nog een tijdje in dit hoofdkwartier hebben verbleven). Na de overgave van Antwerpen (Conventie van Contich) wordt het een pleisterplaats voor Duitse officieren en manschappen. Ze laten het kasteeltje half vernield achter en hebben de kostbaarste stukken huisraad, tapijten en andere voorwerpen meegeroofd. De zoon van Elisabeth Vincent en haar kleinkinderen komen niet meer terug. In 1920 koopt de gemeente het pand Oud Hof Tinchant aan voor 118.000 frank Ernest sterft in 1923 en wordt bijgezet in het familiegraf bij zijn vrouw en ouders. In 1926-27 Zicht op het park vanaf de wordt de inmiddels bouwvallig geworden woning en de omheiningsmuur gesloopt Antwerpsesteenweg en spoedig kan de Kontichse bevolking van haar gemeentepark genieten. Wat jammer dat de stammoeder van de Tinchants nooit het lusthof heeft kunnen opzoeken om te komen verpozen na haar avonturen in de Nieuwe en de Oude Wereld. Ze is in 1883 op 85-jarige leeftijd gestorven. Jammer ook dat ze nooit een standbeeld heeft gekregen, verscheidene echte slavenhandelaars en kolonialen daarentegen wel. Misschien kunnen we al beginnen met het park naar haar te noemen? Naar de vrouw die ons eenvoudige dorp met de wereldgeschiedenis verbond. Zowel in het Red Star Line Museum als in het MAS (de nieuwe tentoonstelling Vaart) in Antwerpen krijgt ze alleszins de nodige aandacht. Frank Hellemans Referenties voor informatie en illustraties: Scott, Rebecca J.; Hébrard, Jean M.: Les papiers de la liberté. Une mère africaine et ses enfants à l’époque de la révolution Haïtienne (2007) en Rosalie of the Poulard Nation: Freedom, Law and Dignity in the era of the Haitian Revolution ((2014). Wikipedia. Grafzerkje. Hobonia Groeiboek Kastelen (Paul Arren). Robert Van Passen (Geschiedenis, Heemkundige sprokkels). Stapperloot (Boechout). Agentschap Onroerend Erfgoed Vlaanderen. Tinchant.blogspot.com (Histoire des fabriques de cigares TINCHANT)…

Zoeaven in Kontich?

I

n de mooie (helaas uitgeputte) uitgave van Archiefbeelden Kontich (2004) van onze heemkundige kring staan heel wat foto´s uit het verleden van onze gemeente. Op bladzijde 93 vonden we een afbeelding van een Kontichs echtpaar met het onderschrift: Deze man stond bekend als de Romenaar. Voor 1914 was hij de enige werkman van de gemeente. Zijn beroemdste wapenfeit lag ergens op een ander vlak. Toen hij hoorde dat de paus in gevaar was, besloot hij als zoeaaf de paus te gaan bevrijden. Op weg kwam hij in Waarloos en Walem wat cafés tegen en zijn geld was rap op. En dan is hij maar naar huis teruggekeerd. Se non è vero … We zien hem hier in gezelschap van zijn vrouw Dieneke (met Kempische muts) in de typische kleren van die tijd. Mijn heemkundige aandacht werd hierbij getrokken door twee, mij vaag bekende, elementen namelijk: wat is een zoeaaf en wat heeft dit te maken met ‘het bevrijden van een paus in Rome’. Deze Romenaar (dialect voor Romein) was dan wel geen ‘echte’ zoeaaf, maar ik blijf wel achter met een terechte vraag: ‘Waren er nog andere zoeaven in Kontich?’

Wat zijn pauselijke zoeaven?

.3 13

10

en

ng

eri

in Re

Het Italië van de negentiende eeuw (circa 1840-1870) was een kluwen van koninkrijkjes en hertogdommen met de onvermijdelijke Kerkelijke Staat Rome, met de paus die naast hoofd van de katholieke kerk, ook wereldlijke machthebber was in een beperkt gebied omringd door de stad Rome. De koning van Sardinië, Victor Emmanuel II en zijn bondgenoot Giuseppe Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Garibaldi (een liberaal en nationalist) streefden naar een totale hereniging van de Italiaanse laars, streven aangeduid met de naam Risorgimento. Zo ontstond in 1849 kortstondig zelfs een Romeinse republiek. De Franse keizer bleef echter voorstander van een status quo en ondersteunde de paus in dit streven. Uit angst dat de geschiedenis zich zou herhalen, riep Paus Pius IX in1860 de hele katholieke wereld op om jonge, ongehuwde mannen (tussen 16 en 60 jaar) te zenden, om als vrijwilliger dienst te nemen in een nieuw op te richten infanterieregiment. Men sprak van de pauselijke zoeaven die samen met de Zwitserse Garde het leger van de Kerkelijke Staat vormden. De eerste vrijwilligers kwamen hoofdzakelijk uit Frankrijk en België en vormden de zogenaamde Tirailleurs Franco-Belges, onder leiding van Christophe, graaf de Lamoricière, een Franse maarschalk, opgeklommen tot gouverneur van Algiers en voormalig leider van een Frans legeronderdeel in Noord-Afrika. De naam Pauselijke Zoeaven zou zijn bedacht door de Belgische aartsbisschop en pauselijk minister van Oorlog (sic) Frédéric François Xavier Ghislain de Mérode (1820-1874). Deze vrijwilligers tekenden voor een diensttijd van twee jaar, maar konden zich later opnieuw aanmelden. Zo tekenen de Belgische en Franse zoeaven voor zes jaar en konden ze opklimmen tot onderofficier of officier. In totaal telden we tussen 1860-1970 liefst 11.000 ingeschreven vrijwilligers, maar uit de lijsten blijkt dat het regiment jaarlijks slechts 5.000 à 6.000 soldaten telde. In België verliep de aanwerving via het Belgisch comité voor de recrutering van de zoeaven, en financiële middelen werden via de Pauselijke Werken ingezameld. Het bisdom Gent leverde zelfs 35% van alle Belgisch zoeaven, waarschijnlijk aangespoord door de sterke organisatie van deze Pauselijke Werken in dit bisdom.

Pauselijke Zoeaven in actie

In 1868 waren zoeaven al afkomstig uit Nederland, Frankrijk, België, Rome, Canada, Ierland, Pruisen, Engeland, Spanje, Duitsland, Zwitserland, de Verenigde Staten, Napels, Modena, Polen, Schotland, Oostenrijk, Portugal, Toscane, Malta en Rusland. Alle bevelen werden in het Frans gegeven, daar werd dan ook stevig op gedrild. Ze werden grotendeels verdeeld over 28 garnizoenen binnen de Kerkelijke Staat. Hun verplaatsingen gebeurden meestal te voet in etappen van 18 tot zelfs 40 uur, langs kleine bergwegen en veldpaden, er waren nauwelijks deftige verbindingswegen van oost naar west ter hoogte van Rome richting Adriatische Zee. De diensttijd werd opgevuld met wachtlopen, gedisciplineerde exercitie, aanleren van de bevelen in het Frans, waarbij volgens getuigen de Nederlanders de grootste moeite hadden. Patrouilles door de bergen tot aan de Adriatische kust en het onderhouden van de uitrusting konden niet beletten dat al in 1860 Romagna, Marken (slag bij Castelfidardo) en Umbrië in de Apennijnen voor de paus verloren gingen. Echt gevochten werd er nog niet, wat historicus Vincent Viaene de uitspraak ontlokte: Het waren in die periode eerder volwassen boyscouts. Een zware klap incasseerde het zoeavenleger in 1866 toen de Franse troepen die tot dan de paus hadden ondersteund werden teruggeroepen. De troepen van Garibaldi vochten tegen de zoeaven in 1867 bij Mentana ten noordoosten van Rome, maar leden er een belangrijke nederlaag, terwijl intussen de Romeinse bevolking tegen het (erg autoritaire) bestuur van de paus in opstand kwam. De Nederlandse zoeaven werden bij deze laatste veldslag de helden van de dag. Gelukkig bleef het zoeaafse leger ondersteund door achtergebleven Franse troepen.

Kerkelijke Staat – Romeinse republiek – Italië en het Vaticaan

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

13

.3

In 1870 vielen Duitse troepen Frankrijk binnen en de Franse keizer riep nu definitief zijn soldaten uit Italië terug. Nu had Italië niets meer te vrezen van deze Franse troepen en de zoeaven moesten bij een slotoffensief op 20 september 1870 rond Rome het onderspit delven. De paus werd gevangengenomen in Rome en bleef achter in een kleine wereldlijke enclave, het Vaticaan. De Kerkelijke Staat had definitief opgehouden te bestaan. De eenwording van Italië was een feit. Pas in 1920 zullen Mussolini en de paus de realiteit Italië-Vaticaan officieel wettelijk vastleggen in een concordaat. Belangrijk om weten blijft dat slechts 5% van de zoeaven sneuvelden, en 78% van dit aantal stierf niet tijdens de strijd, maar wel ten gevolge van besmettelijke ziekten: cholera, pokken, buiktyfus en malaria. Vandaag kunnen we deze ziekten voorkomen door een betere hygiëne, door vaccinatie en door verzorging. België telde 120 verliezen: 20 tijdens de strijd, de overige 100 door ziekte of ongeval. Voor België ging het in totaal over 1700 mannen die zich kandidaat hadden gesteld, vooral na de opname van Venetië in de groeiende Italiaanse statenbond en de verminderende Franse ondersteuning die hierop volgde. Na 1870 kregen de Belgische vrijwilligers heel wat bijval van de eigen bevolking. Zo werden vooral in West-Vlaanderen zoeavenkorpsen opgericht in colleges met driloefeningen in uniform en met houten wapens. Heel wat teksten voor toneel leidden tot voorstellingen, zelfs in het intussen zelfstandig

11


geworden Lint (1913). Bedevaarten en processies werden georganiseerd, of zoals Vincent Viaene noteerde in het katholieke blad Bien Public in Gent: niet de schoten die ze losten telden, wel de persartikels die inspireerden en het geld dat ze bijeenbrachten. De Pauselijke Werken leven vandaag nog verder in de stichting Pro Petri Sede. Het archief en museum Roeselare, gewijd aan de zoeaven, werd nog onlangs, einde 2017, overgedragen aan KADOC, het Katholiek Documentatiecentrum van de Universiteit Leuven.

Waren er Kontichnaren bij de Pauselijke Zoeaven?

• François AERTS, °12/29-04-1829 - Drabstraat, Kontich Inlijving: 1-9-1870, Beleg van Rome 1870 Eretekens: Croce pro Benemerenti • Albert CARPENTIER, °Antwerpen, 10-4-1844 - +Kontich, 24-7-1910 – Nieuwstraat, griffier bij het vredegerecht Inlijving: 18-11-1866: pauselijk zoeaaf – 1-12-1867: korporaal – 21-2-1868: sergeant – 1867: veldtocht – 26-111868: ontslag Eretekens: Burgerlijk Ereteken voor dienstanciënniteit: medaille Eerste Klasse – Gouden Medaille; Herinneringsmedaille aan de Regeerperiode van Koning Leopold II; Croce di Mentana o Croce Fidei et Virtuti ; Croce pro Benemerenti • François REYCKX, °3-1 (of 6)-1850 - Pastorijstraat Kontich (Sint-Jansstraat?) Inlijving: 1-9-1870 70, Beleg van Rome 1870 • Eugène STROYKENS, ° 7-1-1841 Inlijving: 29-10-1863 – 29-10-1865: ontslag – 9-12-1865: herintrede nr. 1860 – 31-12-1867: ontslag – 11-3-1868: herintrede nr. 7367 – 1867: veldtocht – 21-6-1868: overplaatsing naar de artillerie Eretekens: Croce di Mentana o Croce Fidei et Virtuti; Croce Pro Benemerenti Paul WYCKMANS Bronnen COLLA Joris, opzoeking in ODIS - archief, https://www.odis.be/hercules/search2.php?histid=1002542 (ook 1002253) HERTOGS Eddy, in ‘Lintse feestzalen van weleer’ (Kon. Bibliotheek D/2021/551/22), uitgave Heemkundige Kring Lint, blz. 56-57. KONINKLIJKE KRING VOOR HEEMKUNDE KONTICH, Archiefbeelden uit Kontich (2004), blz. 93 TANT Hugo, Gemeentelijk archief Kontich, Zoeaven te Kontich, opzoekingen. VRINTS Luc, in ‘Koorts’, Erfgoedmagazine van KADOC, Leuven (2020), nr. 2 blz. 12-17. WIKIPEDIA, https://nl.wikipedia.org/wiki/Pauselijke_Zoeaven

Ook tijdens de zomermaanden zat de kring niet stil.

O

rfeo Productions vzw organiseerde in samenwerking met de Cultuurdienst van onze gemeente, een celloconcert in het Cultuurhuis Altena. De heemkundige kring werd aangezocht om voorafgaand aan dat concert een heemkundige wandeling te organiseren. Zo kregen we de kans om voor twee groepen historische duiding te geven bij een aantal hotspots in onze gemeente. De organisatie stuurde met elke groep een timekeeper mee, want Johann Sebastian Bach laat je niet wachten. Cellist Christoph Bunzendahl (Duitsland) speelde daarna een aantal suites van Bach, afgewisseld met een greep uit de solosuites van Max Reger. Hij vertelde zijn publiek kleurrijke verhalen over de componisten en hun leven. Zou in de salons van het toenmalige hof van plaisantie Altena ooit een gigue of een sarabande zijn gedanst? Dat zullen we wel nooit weten. Erwin Van de Velde

en

ng

eri

in Re .3 13

12

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


De Arend: een dorp in het dorp

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

13

.3

H

et Sint-Jansplein – de vroegere tuin van de pastorie – is een rijk brongebied. Niet te verwonderen dat we daar een belangrijke brouwerij terugvinden: De Arend. Oorspronkelijk was dat de naam van het hoekhuis, gevormd door de huidige panden van Magdalenastraat 34 en Varkensmarkt 4, 5 en 6. In 1430 stond dit vermeld als huis en hoeve, in 1433 als herberg met woning. De naam (soms ook Dubbele of Zwarte) Arend verwijst waarschijnlijk naar de heraldische figuur in het wapen van het Duitse Rijk, dat eeuwenlang met het hertogdom Brabant was verbonden. Het moet van in het begin een omvangrijk geheel zijn geweest, gedeeltelijk bebouwd, maar voor het overgrote deel tuin en boomgaard. Het geheel liep door tot tegen de pastorie (vorige en deze eeuw De Ploeg). De Arend heeft een rijke en soms ook bewogen geschiedenis achter de rug. In een tekst van 1431 lezen we dat de bewoner van het huis – dat voordien De Valk werd genoemd – gewoon bakker was. Daarnaast was er ook al een herberg. Op 23 april 1538 brandde het gebouw af tijdens een grote dorpsbrand. Het werd hersteld, maar in 1542 weer verwoest door de huurlingen van de Gelderse krijgsman Maarten van Rossem. Gelukkig was de familie van de vermaarde (en rijke) Antwerpse koopman Pieter Pot eigenaar, zodat niet alleen het stenen gebouw werd gerenoveerd, maar er werden ook stallingen aan toegevoegd en … een brouwerij. Wanneer in 1572 de kerk afbrandde, werd De Arend (ondertussen nogmaals heropgebouwd) als noodkerk gebruikt. In de 17e eeuw zal er nog een schuur, een woonhuis en een bakhuis worden aan toegevoegd. In 1678 stonden er al twee grote brouwketels, brouwkuipen, een ast enzovoort. Dat was geen klein bier voor die tijd! De open ruimte van het oorspronkelijke pand werd in de loop van de 17e eeuw bebouwd met enkele huizen aan de kant van de Kleine Steenweg, nu Magdalenastraat. De Arend zelf werd in 1758 gekocht door Sr. Petrus Bernardus Hosselet dit de Villers, licentiaat in de medicijnen. De eerste huisarts in Kontich die aan een universiteit (Leuven) was afgestudeerd! Hij moest als bijberoep brouwer zijn om zijn schulden af te lossen. Wat hem helaas niet lukte want nog geen tien jaar later moest hij de hele doening verkopen aan wagenmaker Coveliers. Gedaan met het bier. In 1818 droegen de erven Coveliers het eigendom over aan bakker Jan Baptist Huybrechts en zijn vrouw Anna Catharina van Schoor. De nieuwe eigenaar, geboren in Edegem, was al in het bezit van De Fortuin waar hij naast bakker-herbergier ook smoutslager was. Hij splitste De Arend in vier huizen. Hij verbouwde het brouwerijcomplex zodat er na ruim vijftig jaar weer gerstenat kon geproduceerd worden. In 1837 werden de huizen met brouwerij gekocht door zoon Ludovicus (Louis) Huybrechts, toen olieslager. Vader Jan-Baptist bleek ook eigenaar te zijn van Het Schaakbord, een herberg met brouwerij aan de overkant van de Varkensmarkt gelegen (nu restaurant De Ganzenpoel). Daarnaartoe verplaatste hij de oliemolen van De Fortuin en in plaats van bier werd er nu olie gewonnen, tot in 1857. Jan Baptist blijft er nog als tapper gevestigd. Louis Huybrechts, gehuwd met MarieThérèse Reypens, bleef zijn leven lang brouwer in De Arend aan de Varkensmarkt. Hij was een burger van aanzien en zetelde ook (als schepen) in de gemeenteraad. In 1864 overleed hij. Maar zijn weduwe zette zijn werk in de brouwerij voort. In 1865 maakte ze een inrijpoort aan de Kleine

13


Steenweg en plaatste een stoomtuig voor het aandrijven van de moutmolen, evenals ventilators, pompen enzovoort. Met die industrialisering kwam ook de eerste milieuhinder op en klachten van de buren. In 1871 overleed ze en van de zes erfgenamen bleken er vier brouwersmaalders te zijn. De opvolger werd Franciscus Gregorius, later kwam zijn broer Achilles er ook nog bij. De Arend werd de grootste brouwerij van de gemeente. Er werden alsmaar zwaardere stoommachines geplaatst die de nodige elektriciteit moesten opwekken, met nog meer bezwaren van de buren. Het bedrijf leverde voornamelijk in de stad en langs de steenweg naar Antwerpen. Het bezat twee bierwagens met dubbele rijen kettingen voor de tonnen. Twee kuipers uit Lint waren in vaste dienst en hadden hun werkplaats, met duigen en repen, op het Sint-Jansplein. Rond 1900 kwam er naast de brouwerij en maalderij ook nog een melkerij met een twintigtal koeien op stal (of in de wei). ’s Morgens en ’s avonds konden de dorpsbewoners met hun stoopke of teiltje komen aanschuiven voor verse volle melk, zoals beschreven staat in de herinneringen van Joseph Van Passen (Reineringen 5/1). De industrialisatie werd er nog uitgebreid. Op een aanpalend pand werd een diamantslijperij met dertig molens geïnstalleerd (uiteindelijk bleken het er in 1924 vijfenzeventig te zijn!). Die was nu bereikbaar via het nog nieuwe SintJansplein. In 2022 wordt deze ruimte ingenomen door de senioren en het museum. De mooie tuin van de oude pastorie was immers in 1878 een gemeenteplein geworden, nadat een jaar eerder de pastoor was verhuisd naar de Magdalenastraat, achter de kerk. De voormalige pastorie is toen rijkswachtkazerne geworden. Toen Achilles Huybrechts in 1924 overleed, werd alles gesloten en gedeeltelijk afgebroken, zodat het Sint-Jansplein kon worden vergroot. Een groot deel van de nalatenschap werd gekocht door zoon Eugène Joseph, het andere door o.a. Jan Vanderstappen van de Edegemsesteenweg. Deze laatste zou voortaan een gedeelte van de voormalige privéwoonst van Huybrechts betrekken. Achteraan richtte hij de limonadefabriek Citrona op. De oorspronkelijke waterput van brouwerij Huybrechts werd verder gebruikt, maar omwille van de hygiëne moest in 1936 een nieuwe waterput worden gegraven. Na het overlijden van vader Jan werd de zaak voortgezet door de broers Jos en Raimond Vanderstappen. Die verhuisden hun woonst en magazijnen naar de overkant, waar eertijds Het Schaakbord en andere afspanningen waren gevestigd, waar Huybrechts zijn kantoren had in ondergebracht. Eugène richtte de N.V. Hubrix op, een veevoeder- en kunstmestbedrijf. Fons Hermans woonde vlakbij op de Varkensmarkt en herinnerde het zich nog levendig: Door de in- en uitritten naast het herenhuis werden grondstoffen met vrachtwagens aangevoerd en de zakken veevoeder voor distributie weggereden. De langzaam in- en uitrijdende camions waren een uitdaging voor sommige jeugdige durvers om er langs achter te gaan aanhangen en zo een kort ritje mee te rijden. Zolang niemand van de fabriek of toevallige voorbijgangers het zag, natuurlijk! En sommige echte durfallen slopen al eens door een openstaande poort ongemerkt de fabriek binnen om een klimavontuurtje te wagen over de reusachtige stapels zakken veevoeder die in de stapelplaatsen op verzending lagen te wachten. Bijzonder uitkijken of niemand het zag, was dan de boodschap! Vooral baas Huybrechts boezemde de nodige schrik in. (Contactblad van de gemeente Kontich, 2008, 38/1) Eugène Huybrechts woonde met zijn gezin in het statige herenhuis naast De Ploeg en de smidse. Na zijn overlijden is het een tijd het kantoor van Iveka (Intercommunale Vereniging voor de Energiedistributie in de Kempen en het Antwerpse, nu opgenomen in Fluvius) geweest. Hubrix hield op te bestaan, de familie zwermde uit en in 1975 kocht onze gemeente het totale complex aan. Zo kreeg deze site dan van een agrarische en industriële functie, uiteindelijk een culturele functie. Met de bibliotheek, de vele ruimtes voor tentoonstellingen, workshops, wijnmakers en senioren, en niet te vergeten het mooiste en boeiendste museum van de wijde omtrek, is er in De Arend weer veel leven in de brouwerij! Frank Hellemans Meer details over De Arend vind je in de Toponymie en de Geschiedenis van Kontich van Robert Van Passen, en in zijn artikelenreeks Geschiedenis van de oude Kontichse huizen. Van Arend tot Gemeentelijke bibliotheek. (Contactblad, 1997, 27/1 & 3)

en

ng

eri

in Re .3 13

14

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich


Activiteitenkalender Het museum voor heem- en oudheidkunde is vanaf april weer elke zondagnamiddag tussen 14 en 17 uur (behalve op feestdagen) open voor het publiek. Museum gesloten in juli en augustus. Bezoek ook onze site www.museumkontich.be voor het laatste nieuws, alle activiteiten en de verhalen uit het gemeentelijk contactblad (Heemkundige sprokkelingen) of uit Kontich-Waarloos Vroeger en Nu. Ben je op zoek naar de oude nummers van Reineringen of publicaties die met Kontich te maken hebben? Surf dan gewoon naar www.issuu.com. Op deze webstek tik je bij zoeken gewoon “Reineringen” of “Kontich” in en je komt zo bij onze vroegere nummers terecht. Activiteiten Lezingen in samenwerking met de Gemeentelijke Erfgoedraad Cultuurhuis Altena: • 10/11/2022: Pieter Serrien – Het elfde uur. De laatste 24 uur van WOI • 16/01/2023: Hans Geybels, Heiligen en tradities in Vlaanderen • 07/02/2023: Alfred Michiels – In de naam van de maagd en Frank Hellemans & Paul Catteeuw – Straatnamen in Kontich • 10/11/2023: Bruno De Wever – titel nog te bepalen • 26/10/2023: Paul Catteeuw – Waren er ooit heksen in Kontich? • 2023 (?): Susan Hamlyn, Janet Dean & Paul Catteeuw – Margriet Ballegeer en Willy Katzenstein Abonnees van Reineringen – vrienden van het museum Graag houden we jullie op de hoogte van al onze activiteiten en publicaties. Dit is echter enkel mogelijk als u ons uw e-mailadres bezorgt via reineringen@gmail.com. Uiteraard kan u zich altijd laten uitschrijven op eenvoudig verzoek aan hetzelfde mailadres.

Re in

Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich

eri

ng

en

13

.3

Facebook Je vindt onze heemkundige kring nu ook op Facebook. We posten er op regelmatige basis foto’s uit de oude (en nieuwe doos). Enkele honderden mensen hebben de weg al gevonden. Hoe geraak je erbij? Zoek gewoon onder “Kontichse historische weetjes”. Ook op LinkedIn zijn we aanwezig. Daar vind je berichten i.v.m. de heemkundige kring. 15


Retouradres: Koninklijke Kring voor Heemkunde Duivenstraat 22 2550 KONTICH

Reineringen 13 (2022), 3 Driemaandelijks (juli - september 2022) Afgiftekantoor Herzele P 912187 - Herzele

INHOUDSTAFEL: Pagina 1 Voorwoord Pagina 2 De verering van het Heilig Hart (deel 1) Pagina 6 Pudding en eergisteren Pagina 7 De honderdjarige oorlog tussen Edegem en Kontich Pagina 8 Een standbeeld voor Elisabeth Pagina 10 Zoeaven in Kontich Pagina 12 Zomeractiviteit van de kring Pagina 13 De Arend, een dorp in het dorp Colofon Reineringen, Tijdschrift van de Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, 13 (2022), 3 ISSN 2033-2742 Redactie: Paul Catteeuw, Frank Hellemans, Erwin Van de Velde, Ilse Van Weert en Paul Wyckmans Eindredactie: Paul Catteeuw Druk: Editoo, Erpe-Mere Verantwoordelijke uitgever: Paul Catteeuw, Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich Correspondentieadres: reineringen@gmail.com © 2021 – Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich De auteurs zijn verantwoordelijk voor de inhoud van hun eigen bijdrage. Abonnementen (inclusief lidmaatschap “Vrienden van het museum”): minimum 20 euro. Te betalen op rekeningnummer BE77 4155-0442-2142 met de vermelding van uw naam, adres en “Reineringen 2022”. Het IBAN-kenmerk is KREDBEBB. Voor een los nummer betaal je 5 euro Gelieve eventuele adresveranderingen zo snel mogelijk aan ons mee te delen. Koninklijke Kring voor Heemkunde Kontich, Documentatiecentrum Duivenstraat 22, BE-2550 Kontich, +32 3 457 86 04 heemkunde.kontich@gmail.com

Museum voor Heem- en Oudheidkunde Bibliotheek- en cultuurgebouw Sint-Jansplein, BE-2550 Kontich www.museumkontich.be


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Reineringen - 2022 (13/3) by Paul Catteeuw - Issuu