Skip to main content

Nationaal Park Bosland - Landschapsbiografie

Page 1


De Landschapsbiografie, het Masterplan 2024-2048, het Operationeel Plan 2024-2030 en het Governanceplan kwamen tot stand door de gezamenlijke inspanningen van een brede ploeg enthousiaste Boslanders.

Coördinatie en expertise

Jolien Janssen, Herwig Dessers en Jeroen Clerix (Projectbureau Bosland), An Creemers, Koen Thijs, Bart Tessens en Karen Tuytens (Agentschap Natuur en Bos), Els Jorissen (Regionaal Landschap Lage Kempen), Ferdi Geerts (Erfgoed Lommel), Tine van Mierlo en An Verspecht (IOED Bosland), Marjel Van den Boer (BosLAB) en de leden van de thematische werkgroepen.

Coalitiepartners

Jan Dalemans en Nele Lijnen (Hechtel-Eksel), Bob Nijs en Sophie Loots (Lommel), Dennis Franssen en Leen Gielen (Pelt), Dries Gorissen (Agentschap Natuur en Bos), Eddy Conjaerts (Natuurpunt), Ilse Ideler (Regionaal Landschap Lage Kempen), Cathy Blervacq en Bart Daems (Sibelco).

Studiebureaus

Michelle Accardo, Cathy Cardon en Arnout De Vleeschouwer (Idea Consult), Siebe Puynen, Gert Stappaerts, Tim van den Branden, Stijn Buytaert, Manon Minnebo, Simon Steegmans, Simon Van De Vijver (Antea Group), Wim Rasschaert en Ruben Merckx (Rasschaert Advocaten), Yves Segers (Centrum voor Agrarische Geschiedenis).

Met dank aan

Dank aan de leden van de thematische werkgroepen en de stakeholders die hebben bijgedragen aan de diverse plannen

Fotografen & bronnen van beeldmateriaal in Masterplan, Landschapsbiografie en Governance

ANB, Angelica Van Genechten, A. Maes, Beeldverhalen, Ben Philipsen, Bosland, Boslab, Cartogis Christof Daens, David Peters, Delcampe, Ecopedia, Eddy Ulenaers, Elke Vanrijkel, Erfgoed Lommel, Ernesto Zvar, Erwin Christis, Ferraris, Fotopelt, Frank Torfs, Freepik, Geneanet Geopunt, Google, Henri Loomans, Istockphoto, InternetGazet, Ingrid Gilis, Ján Svetlík, Jens Veraa, Jente Kasprowski, Jeroen Clerix, Joss de Groot, Karolien Van Nerum, Kathleen Woinin, Kobe Van Looveren, Kristof Vrancken, Leon Van Ham, Liesbet De Keersmaecker, Lieven Geuns, Luc Beysen, Michelle Accardo, Mike Bastiaens, Marc Faes, Marc Slootmaekers, Michele De Meersman, Monique Abrahams, Natuurpunt, Niek Janssen, Onder De Radar, Onroerend Erfgoed Inventaris, Patricia Palmans, Paul Smeets, Paul Wouters, Pieter Cox, Reinhardt Strubbe, RLLK, Robert Boons, Robert Vandingenen, Roger Hamblok, Ruben Evens, Rudi Bergmans, Stefane Lamers, Theo Geuens, Tiffany Heymans, Toerisme Lommel, Toerisme Hechtel-Eksel, Toerisme Pelt, UGent, Visit Limburg, Vilda, Wikipedia, Werner Willems, Will Beckers.

Deze Landschapsbiografie is opgemaakt in kader van de kandidatuur van Bosland voor een erkenning als Nationaal Park Vlaanderen. De contour van het Nationaal Park Bosland wordt (bij indiening in 2023) gevormd door natuurkernen in de gemeenten Lommel, Hechtel-Eksel en Pelt. De biografie is een belangrijk brondocument voor o.a. de perimeter, visie, ontwikkeling en groei van dit Nationaal Park.

Bosland deelt haar geschiedenis met de ruimere omgeving en vormt landschappelijk het hart van een samenhangend landschap, dat zich verder uitstrekt over de Vlaamse en Nederlandse Kempen. Om de brug te slaan met de ruimere omgeving; het huidige Bosland (met als perimeter de gemeentegrenzen van Lommel, Hechtel-Eksel, Pelt en Peer) en de directe regio hierrond, koos de parkcoalitie ervoor om de Landschapsbiografie ruimer op te vatten. Bij uitbreiding komen daardoor ook de Vlaamse en Nederlandse centrale Kempengemeenten aan bod, en de gelijkenissen die deze met (Nationaal Park) Bosland vertonen.

In de tekst wordt voor de eenvoud over ‘Bosland’ gesproken, een naam die duidt op de regio van de drie à vier gemeenten zonder hierbij een expliciete perimeter voor ogen te hebben.

Bosland is gesitueerd in het noorden van de provincie Limburg. Het is gelegen op de overgang tussen het Kempisch Plateau en de Kempische laagvlakte in het westen en de vlakte van Bocholt in het oosten - op de grens van twee werelden.

In deze Landschapsbiografie bestuderen we de evolutie van het gebied van ongeveer een miljoen jaar geleden tot nu. De kleur, smaak en sfeer van Bosland komen voort uit een rijke Kempische geschiedenis. Aan de basis hiervan liggen de typerende geologische vormingsprocessen van het Kempisch Plateau en de vlaktes waaruit zand en stuifduinen zich doorheen de geschiedenis hebben gevormd.

Ook de mens heeft het landschap mee geschapen. Na duizenden jaren als jager-verzamelaars, schakelen mensen in het gebied geleidelijk over naar een agrarisch bestaan. Vastberaden en vindingrijk ontwikkelt men nieuwe toepassingen om de arme zandgronden te bewerken. Zaken zoals de heide met het plaggensysteem, de vloeiweides, de ontginningen en bebossingen, de teutenhandel, maar later ook de wereldoorlogen en industrie laten hun sporen na. Een rijke geschiedenis die leidt tot een boeiend en divers landschap.

Het is net dit afwisselend landschap, met diverse habitats gedragen door bodem en water, dat ervoor zorgt dat waardevolle natuur telkens weer de weg hiernaar (terug) vindt; zoals de eerste Vlaamse wolvenroedel

die na 150 jaar terug vertoeft in Bosland. De diversiteit van unieke habitats en dierenpopulaties - de Bosland Big 5 (wolf, oehoe, everzwijn, ree en vos) en Magnificent 7 (knoflookpad, lentevuurspin, boomleeuwerik, gladde slang, veldparelmoervlinder, nachtzwaluw, ijsvogel) - bewijzen dat dit gebied Vlaamse topnatuur herbergt.

Het is tegelijkertijd een multifunctioneel landschap. Het beschermt tegen het veranderende klimaat, zorgt voor drinkwater en propere lucht en biedt bewoners en bezoekers een gezonde omgeving. Recreanten en toeristen vinden vandaag vlot hun weg naar en in Bosland.

Deze Landschapsbiografie biedt een wetenschappelijke basis voor de Nationaal Park ambitie van Bosland. De biografie tracht het nodige inzicht te bieden en voedt de visie, het Masterplan en het Operationeel Plan voor het beoogde Nationaal Park Bosland.

Deze biografie bevestigt de huidige waarden en kwaliteiten van Bosland, duidt knelpunten en potenties aan en maakt vooral duidelijk hoe deze kunnen worden aangepakt. Werken aan landschap, natuur, erfgoed en de gemeenschap betekent een boost voor biodiversiteit en een hefboom voor wetenschappelijk onderzoek, ondernemerschap, recreatie en gezondheid.

Om meer inzicht te geven in het ontstaan van Bosland biedt de biografie een terugblik in de tijd, geschetst in het hoofdstuk ‘Evolutie van het landschap’. Er wordt dieper ingegaan op veranderingen in leefomgeving op vlak van wonen, landbouw en handel.

Het verhaal wordt chronologisch opgebouwd en uitgezet op een tijdlijn. Er zijn geen vaste tijdssprongen of periodes gevolgd bij het uitschrijven van de ontstaansgeschiedenis. De data op de tijdlijn zijn gekozen op basis van het voorkomen van impactvolle verschijnselen en veranderingen. De lezer wordt per tijdsperiode ondersteund door een bijhorende informatieve tekst, verwijzingen naar klassieke historische periodes en een illustratief beeld. Dit beeld geeft een impressie van hoe het landschap er toen uitzag.

Doorheen deze ontstaansgeschiedenis wordt er stilgestaan bij bepaalde landschappelijke systemen zoals bodem, hydrografie en natuur, afhankelijk van de vormingsgeschiedenis en de impact ervan.

Het laatste deel ‘De kwaliteiten van Bosland’ besluit met hoe dit gebied nu als geheel functioneert en wat de meest kenmerkende landschappelijke eigenschappen zijn op vlak van natuur en klimaat, ruimte en omgeving, erfgoed, toerisme en recreatie.

Het verhaal van Bosland begint ongeveer een miljoen jaar geleden. Vanaf dat ogenblik vinden de belangrijkste geomorfologische vormingsprocessen plaats die bepalend zijn voor het huidige landschapsprofiel. Hierdoor kunnen specifieke eigenschappen verklaard worden van de topografie, de bodemstructuur en het watersysteem.

Opgebouwd door stroming…

De Skeidararsandur (Ijsland) is een vlechtende rivier zoals de Oermaas en Oerrijn vroeger (Foto: Wikipedia)

Het Kempisch Plateau is een kenmerkend geomorfologisch element van de provincie Limburg. Het bereikt hoogtes van ongeveer 100m boven zeeniveau in het zuiden en het daalt geleidelijk af richting het noordwesten. Tijdens de vroege ijstijd (het Cromeriaan, 850 000 - 465 000 v.C.) ontstond het initieel als een puinwaaier in een rivierbekken: grof zand, grind en keien accumuleerden in het toenmalige gemeenschappelijk stroomgebied van de Oermaas en de Oerrijn. Deze hadden toen nog een stroombekken tot in de Vogezen doorheen de Ardennen. De rivieren wrikten het ‘puin’ in deze gebieden los en brachten het bodemmateriaal tot in Bosland.

De Oermaas en Oerrijn hadden toen het uitzicht van een vlechtende rivier met vele kleine beddingen, elkaar kruisend en verspreid over een groot grondgebied wat nu Belgisch en Nederlands Limburg en oostelijk Noord-Brabant is. In deze beddingen werden vaak grove sedimenten van verschillende groottes afgezet, waardoor de puinwaaier zich gestaag maar zeker vormde.

…en opgetild door erosie

Tijdens de daaropvolgende ijstijd (het Elsteriaan, 465 000 - 418 000 v.C.) werd de Maas door de Moezel onthoofd van zijn bovenloop in de Vogezen. Het debiet en de hoeveelheid stenig materiaal dat mee stroomde, nam sterk af, wat leidde tot het einde van het accumulatieproces. De tot dan steeds groeiende puinwaaier werd nu onderhevig aan erosieprocessen.

De puinafzettingen waren niet gelijk verspreid over de waaier heen. De westelijke en oostelijke kant van de puinwaaier bestond uit fijnere Tertiaire zanden, terwijl centraal in de puinwaaier er meer grindlagen waren. De Tertiaire zanden erodeerden veel sneller dan de erosieresistente grindlagen, waardoor er een inversie van het reliëf ontstond. De voormalige brede rivierbedding van de Oermaas en Oerrijn, van oorsprong laag gelegen, begon nu uit te steken in het landschap als een platform. Het Kempisch Plateau is geboren.

Visuele representatie van de reliëfinversie (Bron: Cartogis, UGent)

Deze erosieprocessen bleven zich gestaag verderzetten in de daaropvolgende glacialen, terwijl de Maas zich steeds meer begon in te snijden in het zuidoostelijke deel van zijn eigen puinwaaier. Hierdoor verplaatste de rivier zich steeds meer oostwaarts, waardoor deze steile rivierterrassen begon te vormen aan de zuidoostelijke zijde van de puinwaaier.

Zand en wind vervolledigen het topografisch profiel

In de laatste ijstijd (het Weichseliaan, 116 000 - 9600 v.C.), waaiden vanop de droge Noordzeebodem grote hoeveelheden zand en slib op. Het zand werd als een deklaag afgezet op het Kempisch Plateau.

Dit eolische dek was het dunst op de steile hellingen en op de hogere delen van het plateau, terwijl het veel dikker was op zwakke hellingen en in de dalen. Dalen en landschappelijke depressies werden zo opgevuld met zand, waardoor de oorspronkelijke topografie duidelijk afgezwakte en het Kempisch Plateau nog meer uitgesproken een plateau werd.

Deze processen hebben geleid tot het huidig topografisch profiel. De nu hoger gelegen puinwaaier kennen we vandaag als het Kempisch Plateau en de sterk geërodeerde tertiaire zandvlaktes hebben geleid tot de Kempische laagvlakte en de Vlakte van Bocholt errond. Dit is ook te zien op de topografische kaart; het zuiden van Bosland ter hoogte van Hechtel-Eksel en Peer ligt nog op het plateau, waarna er een gestage daling plaatsvindt richting de laagvlakte meer naar het noorden en uiteindelijk ook naar het oosten en westen toe.

Op de kaart van de hydrografische structuur wordt weergegeven waar er vandaag waterlopen stromen en tot waar hun stroomgebieden reiken. Stroomgebieden zijn de gebieden rond een waterloop waarvan het water dat er terecht komt, afvloeit naar en afgevoerd wordt door de desbetreffende waterloop.

Omwille van de geologische vorming en de resulterende topografie ligt Bosland op een brongebied; waterlopen kennen hier hun start. Belangrijk hier is de waterscheidingslijn tussen het Schelde- en het Maasbekken die dwars door Bosland loopt (aangegeven in rood op de kaart), welke is ontstaan tijdens het Elsteriaan (465 000 - 418 000 v.C.) als een resultante van de topografie van de puinwaaier. Waterlopen aan de westzijde van de scheidingslijn stromen naar de Schelde toe, terwijl de noordelijke en oostelijke waterlopen richting de Maas stromen. Deze kleine waterlopen vormden kleine valleitjes in het plateau, welke zich steeds verder en dieper in het landschap sneden, mede dankzij de hoge debieten tijdens de aanhoudende koude periodes in de ijstijden.

Waterlopen ontstaan dus langsheen de waterscheiding en stromen vervolgens naar het noorden, oosten en westen, telkens weg van Bosland. De waterscheidingslijn is hiervoor definiërend. Het reliëf en het landschap is het hoogst langsheen deze lijn en fungeert als heuvelrug, waardoor een gescheiden oostelijk en westelijk hydrografisch systeem ontstaat. Toch is er ook een duidelijke topografische gradiënt langsheen deze rug van zuid naar noord (zie Topografische kaart). Dit zorgt bijgevolg voor vele gradiënten in waterhuishouding zowel in de noord-zuid als de oost-west richting.

De aanwezigheid van deze verschillende gradiënten heeft ertoe geleid dat er opvallend veel kleine tot middelgrote waterlopen ontspringen in de (directe) omgeving van Bosland. Door de aanwezigheid van deze brongebieden speelt Bosland een grote rol in de hydrografie van de ruime omgeving.

Hierdoor komen tal van stroomgebieden voor in de omgeving van Bosland. De voornaamste aan de westelijke kant van de waterscheiding zijn deze van de Kleine Nete en de Aa (Mol en Lommel), de Molse Nete en Scheppelijke Nete (Lommel, Mol en Balen), de Grote Nete (Lommel, Hechtel-Eksel, Leopoldsburg en Balen) en tenslotte de Zwarte beek (Hechtel- Eksel, Houthalen-Helchteren, Heusden-Zolder en Beringen). De oostelijke stroombekkens zijn deze van de Dommel en iets verder gelegen van Bosland ook de Warmbeek.

Het stroomgebied van de Dommel zorgt voor de afwatering van het volledige oostelijke deel van Bosland.

Naast de hydrografische structuur zelf wordt ook een alternatieve blik op het watersysteem geworpen nl. hoe dit gebied omgaat met water: waar stroomt het water weg, waar blijft het liggen en waar infiltreert het.

Op onderstaande waterretentiekaart wordt in blauw weergegeven waar er altijd water kan gevonden worden, de zogenaamde permanente retentie. Hier stroomt het oppervlaktewater naartoe en wordt het verzameld. Deze zones zijn doorgaans terug te vinden centraal in de valleigebieden. Bosland heeft echter met de zandontginningsputten, meren en plassen die grote waterbuffers vormen, een bijkomende troef op dit vlak

De groene zones zijn de gebieden waar het water eerder traag infiltreert en die in nattere periodes heel waterrijk kunnen worden. Dit is typisch net voor, tijdens en na de winter en wordt daarom seizoenale retentie genoemd. Deze plaatsen zijn cruciaal voor enerzijds tijdelijke opvang en buffering van water en anderzijds voor het vertraagd laten infiltreren van water naar de grondwatertafel toe. Het is in deze gebieden dat men plaats vindt om bijvoorbeeld overstromingsgebieden, moerassen en tijdelijke poelen aan te leggen. Het zijn deze plaatsen die actief ingezet kunnen worden om extra waterreserves op te slaan, zodat droogteperiodes beter overbrugd kunnen worden.

De grootste seizoenale retentiegebieden zijn te vinden in en rond de valleigebieden, voornamelijk ten westen in de verschillende bovenlopen van de Grote Nete maar ook in het noordwesten te Mol-Postel. Beide eenvoudig te verklaren door hun ligging aan de onderzijde van het Kempische plateau. Ook op vlakkere delen of in depressies in hoger gelegen gebieden zijn er plaatsen die zich goed lenen tot het tijdelijk opslaan van water in bodem of plassen, zoals te zien is ter hoogte van het Pijnven en het zuidelijke deel van het Militair Domein.

Op de waterinfiltratiekaart wordt de mate van infiltratiepotentie in de Boslandregio weergegeven. Hierop is in de donkere kleuren te zien waar de grootste regenwatervolumes doorgespeeld worden naar het grondwater, waardoor het grondwaterpeil voldoende hoog blijft en waardoor de retentiegebieden hun functie kunnen uitvoeren.

Op deze infiltratiekaart is te zien dat de Boslandregio in het algemeen een sterk infiltratiegebied is omwille van haar topografische ligging en bodemeigenschappen (zie verder). Het Pijnven, het Militair Domein en enkele natuur- en valleigebieden in Lommel en Pelt vormen grote infiltratiegebieden.

De combinatie van infiltratie- en retentie-eigenschappen heeft als gevolg dat Bosland een belangrijke spons vormt in het watersysteem van de omgeving. Haar topografie en centrale ligging in de Kempen leidt ertoe dat hier als eerste wordt bepaald hoe er met water wordt omgegaan in de omgeving. Hoe meer water hier kan infiltreren en kan opgeslagen worden om vertraagd te infiltreren, des te beter de omgeving gevoed kan worden met water in tijden van droogte en des te meer tijd dat waterlopen krijgen om water af te voeren in tijden van overlast.

Bosland is een waterland

Door de ligging op de waterscheiding, welke in essentie een langgerekte heuvelrug is, stroomt water in alle richtingen weg van Bosland. Verschillende grotere waterlopen en tientallen kleine stroompjes kennen hier hun brongebied. Als men in de ruime omgeving een riviervallei stroomopwaarts volgt, is de kans zeer groot dat men belandt in Bosland.

Het afstromende water zorgt in combinatie met de karakteristieke bodemstructuur plaatselijk voor accummulatie. Dit vormt de ideale condities voor het ontstaan van vennen. Deze ecotopen worden gecreëerd doordat matig zuur regenwater ‘gevangen’ wordt door arme zandgronden en opstapelende plantenresten. Ze vormen een thuis voor vele dier- en plantensoorten en spelen een belangrijke rol in de strijd tegen klimaatverandering: ze slaan enorme hoeveelheden koolstof op.

Op het einde van de laatste ijstijd (het Weichseliaan, 11 700 - 10 800 v.C.) vond de Allerödperiode plaats, een warmere periode gevolgd door de laatste ijskoude periode tussen 10 800 – 9600 v.C. (het Jonge Dryas). Tijdens het Alleröd zorgde het warmere klimaat voor het steeds meer voorkomen van vegetatie. Dit zorgde voor een open parklandschap met grassen, berken en dennen en resulteerde in een korte periode van fixatie van het sediment en bodem- en veenvorming. Tijdens het daaropvolgende koude jonge Dryas stierf de vegetatie weer grotendeels af, waardoor erosie terug de overhand nam. Het vele aanwezige zand stoof terug op en erodeerde of bedolf deze nieuwgevormde paleobodems1 en vormde plaatselijk ook paraboollandduinen2 Van deze laatglaciale duinen blijft vandaag weinig over. Wind en verstuiving blijven een invloed uitoefenen op het gebied. Ze zorgen ervoor dat duinen ‘nomadisch’ zijn en zich steeds verplaatsen. De grote duincomplexen in Bosland vandaag zijn dus telkens het gevolg geweest van latere verstuivingen.

Bij het begin van het tijdperk na de ijstijden, zijnde het huidige geologische tijdperk (het Holoceen, 9600 v.C. tot heden), werd het klimaat warmer en maakte de toendra en stuifzandvlakte terug plaats voor grassen en berken- en dennenbos De vegetatie leidde tot een kleiner debiet in de waterlopen, waardoor de erosieve omstandigheden verdwenen. De ingesneden beek- en riviervalleitjes begonnen zich terug op te vullen met zand en leem en ook veenvorming vond op vele locaties plaats. Het water zorgde voor bijkomende, specifiek aangepaste bodemkarakteristieken die verschillen van de zand en grindlagen op het plateau. Deze bodems zijn vanuit een agrarisch perspectief vruchtbaarder omwille van de aanwezigheid van deze grotere hoeveelheden organisch materiaal en de fijnere texturen.

Het waren deze processen die resulteerden in het bodem- en watersysteem dat vandaag nog steeds aanwezig is in Bosland. Kenmerkend voor de regio zijn vooral de veel voorkomende podzolbodems. Deze bodems zijn ontstaan door accumulatie van plantaardig materiaal bovenop arme zandgronden afgezet in het laatglaciaal. Verzuring en uiteindelijk uitloging van nutriënten zorgt voor de typische structuur en het arme karakter van deze bodems. Deze podzolbodems werden doorheen de tijd soms terug bedolven met stuifduinen.

De aanwezige kleine klei- of zandleemgehelen in de bodemlaag werden verder herwerkt door het stromend water in de valleigebieden. Hierdoor kregen de valleigebieden een verschillende hydrologische waterhuishouding en konden vennen ontstaan. Deze ondiepe, meestal kleine meren worden gevormd wanneer in heide afstromend en infiltrerend regenwater botst op een ondoordringbare bodemlaag. Dit is soms een klei- of leemlaag, maar in de Kempen veelal de humus- en uitlogingshorizont van een podzolbodem.

Terwijl het bodemsysteem vandaag reeds significant beïnvloed is door de mens, blijven relicten uit de ijstijden zichtbaar Het is op de bodemkaart te zien dat Bosland gedefinieerd wordt door zandgronden, doorsneden met landduinen en valleigebieden. De landduinen zijn nog heel zichtbaar, maar de valleigebonden veenbodems zijn door menselijke ontginning grotendeels verdwenen.

1 Een paleobodem is een bodem die na zijn vorming afgedekt werd.

2 Een paraboolduin is een zandrug of duin in een halve-maanvorm.

Landduinen van In den Brand in Hechtel-Eksel

Op de foto is een Holocene podzolbodem te zien op het Lommelse Kristalpark, gelegen in het dal van de Molse Nete in Kattenbos. De verschillende zichtbare lagen vertellen veel over de ontstaansgeschiedenis van deze plaats. Het bovenste laagje is een laag rijk aan plantaardig materiaal. Daaronder ligt eerst een nutriëntenarme zandlaag waarna de podzolbodem te zien is, met een humusrijke plantaardige laag in donkere oranje tinten.

Nomadische duinen

Enkel in het Kattenbos in Lommel zijn restanten van laatglaciale paraboolduinen te vinden. Hier zijn, net zoals in de rest van Bosland, de hoge duinen (de ‘bergen’) echter veel jonger. De stuifduincomplexen te Hechtel bijvoorbeeld, zoals bijvoorbeeld de duinen van In den Brand, zijn historische zandduinen ontstaan tijdens de late middeleeuwen en de nieuwe tijd (vanaf 1200 n.C.). Veelal speelden menselijke invloeden in de constante duin(her)vorming een grote rol. Het rooien van bossen resulteerde, samen met begrazing door vee zoals schapen, in het ontstaan van heide. Door menselijke activiteiten in dit kwetsbare heidelandschap kwamen dekzanden terug bloot te liggen. Het in het gebied veel voorkomende plaggensysteem (plaggen is het verwijderen van de bovenste grondlaag met heidebegroeiing) zorgde voor het verder vrijkomen en opwaaien van veel zand. De aanplant van de vele mijnhoutbossen riep een halt toe aan deze duinmigratie.

De stuifzanden zorgden ervoor dat in vele verschillende perioden doorheen de geschiedenis, relicten bedolven zijn geweest met zand. In Bosland zijn uit vele perioden van de menselijke geschiedenis archeologische vondsten gedaan welke waardevol zijn voor historisch onderzoek. Zo geven bijvoorbeeld de veenbodems, soms uit het laat-glaciaal maar vaker uit het Holoceen, een inzicht in de vegetatie uit het verleden.

Het sterk infiltratiegericht karakter van Bosland vertaalt zich in een relatief laag overstromingsgevaar. Wel zijn er duidelijke risicogebieden geconcentreerd in stedelijke zones en langsheen waterlopen.

Gelegen op het uiteinde van het Kempisch Plateau en op de waterscheiding, heeft Bosland topografisch een gunstige positie om slechts beperkt geteisterd te worden door wateroverlast. Bovendien is het een fenomeen dat eerder de mens schaadt dan de natuur. Kennisname van overstromingsgevoeligheid in natuurzones blijft echter relevant om beheer en toepassingsmogelijkheden (vb toerisme en recreatievoorzieningen) te gaan ontwikkelen.

De meest overstromingsgevoelige zones zijn georiënteerd rond de valleigebieden en zijn aanwezig in lagergelegen gebieden en lokale depressies, waar water van nature zal accumuleren in tijden van overlast. Het voorkomen van menselijke activiteiten, veelal onder de vorm van landbouw en bebouwing, is in deze zones niet zonder risico.

Terwijl dergelijke overstromingsgevoelige zones hoofdzakelijk voorkomen verder benedenstrooms in de valleigebieden, is het water dat hier accumuleert nog steeds afkomstig van gebieden bovenstrooms (nabij de bron). Bosland als centraal gelegen brongebied kan zo een eerste buffer zijn in het watersysteem en potentieel een belangrijke rol spelen in overstromingsbeheersing in de omgeving.

De grootste koolstofreservoirs bevinden zich onder de grond, hoofdzakelijk bepaald door de aanwezigheid van water.

Op de kaart Koolstofopslag in de bodem is te zien dat de grote natuurgehelen van Bosland de lokale hotspots van koolstofopslag vormen. Naast bos slaat ook heide grote hoeveelheden koolstof op in de bodem. Vegetaties zorgen hier voor een natuurlijke bodemontwikkeling, waardoor dood plantenmateriaal en humus kunnen accumuleren in de bodem.

Binnen deze natuurgebieden is er nog een vrij hoge variatie waar te nemen. In het oosten van het domeinbos Pijnven is een duidelijke hotspot van koolstofopslag te zien. Deze is gelegen rond de brongebieden van de Holvenloop en de Gortenloop, die samen een zijstroom van de Dommel vormen.

Hetzelfde is te zien in andere waterrijke, vaak lagergelegen gebieden, zoals ten zuiden van het Pijnven en andere valleigebieden in de omgeving zoals deze van de Dommel, Warmbeek, Grote Nete, de Molse Nete en Zwarte Beek

Het zijn net deze waterrijke omstandigheden die ervoor zorgen dat er zeer veel koolstof kan opgeslagen worden in de bodem. Dit komt omwille van de veenvorming die plaatsvindt in de zuurstofarme omstandigheden die het water veroorzaken. Dit vormingsproces heeft echter veel tijd nodig. Organisch materiaal wordt over honderden jaren heen gestaag opgeslagen. Daarbij is het belangrijk dat bestaand veen niet ontgonnen wordt, en ook niet verdroogt. Bij verdroging wordt het veen afgebroken en komt er koolstof vrij.

Bosland is omwille van de topografie en bodemkarakteristieken gevoelig voor droogte. Onderstaande kaart toont hoe droogtegevoelig de bodems in Bosland zijn en waar in het landschap kwetsbare ecotopen of landbouwpercelen te vinden zijn.

De hoger gelegen zandgronden, zijnde de goede infiltratiegebieden, zijn gevoeliger voor droogte. Het enige water dat hier in de bodem terecht komt, is het regenwater dat ter plekke valt. In tijden van droogte zullen de bodemwaterreservoirs - welke gering zijn omwille van de goede infiltratiecapaciteit - snel opgebruikt zijn. Landbouwgebieden op deze gronden zijn in zekere zin risicopercelen, vermits opbrengstverlies door watertekorten hier het snelste zal voorkomen.

De retentiegebieden, voornamelijk de permanente, hebben ook waterinput via oppervlakkige waterstroming en opwellend grondwater, waardoor een droogteperiode veel beter overbrugd kan worden. Het is vaak in deze meer waterrijke gebieden dat de meest gevoelige en waterafhankelijke habitats en vegetaties voorkomen. Droogtes veroorzaken lagere waterloopdebieten en zelfs droogval, wat onomkeerbare schade kan berokkenen. Langdurige droogte in deze habitats kan zorgen voor sterfte van vegetaties en populaties, ophoping van polluenten, sedimenten en nutriënten en een overwoekering of verruiging met meer rudimentaire planten.

De eerste bewoners (11 700 - 4000 v.C.)

De eerste sporen van de moderne mens (Homo Sapiens) in Bosland dateren van het Finaalpaleolithicum, meer bepaald van de Allerödperiode (11 700 - 10 800 v.C.). Het warmere klimaat leidde tot het ontstaan van een landschap bestaande uit grassen, berken en dennen. Hierin ontwikkelde zich een fauna van dieren zoals ree en everzwijn, welke jager-verzamelaars aantrok.

De kampplaatsen die zij maakten, kwamen doorgaans voor op de noordelijke dalhellingen van een landelijke depressie. Het werd gezien als de beste verblijfplaats, daar waar twee werelden samen kwamen: het landschap met de bijhorende flora en fauna van zowel het plateau als de laagvlakte waren hier binnen het bereik om te exploreren.

Enkele plaatsen in Bosland getuigen nog van deze periode uit de geschiedenis. Op drie verschillende sites in Lommel zijn goed bewaarde paleobodems uit de Allerödperiode aanwezig waarin archeologische artefactenconcentraties terug te vinden zijn. Op twee van de drie sites is bovendien nog veen uit dezelfde periode aanwezig. Op de Lommelse Maatheide werden een drietal gegraveerde rolkeien gevonden die dateren van ongeveer 11 000 v.C. Eén van deze gegraveerde rolkeien staat op de Vlaamse Topstukkenlijst en is tevens de oudste archeologische getuige van het abstract denken van de mens in Vlaanderen. Het zijn niet-functionele voorwerpen die erop wijzen dat deze jager-verzamelaars reeds in staat waren abstract te denken. Wellicht gaat het om een vorm van ‘grafische communicatie’, een soort (maan)kalender die van betekenis was voor hun levenswijze. De Finaalpaleolithische sites van Lommel zijn van internationaal wetenschappelijk belang.

De oudste archeologische vondst van Bosland en tevens Vlaanderen - een gegraveerde rolkei uit de late ijstijd (Lommel-Maatheide)

Het koude jonge Dryas (10 700 tot 9600 v.C.) dat hierop volgde, zorgde terug voor een pak minder bewoners. Enkel een sporadische nomadische rendierjager waagde zich op de ijskoude (stuifzand)vlakte.

Vanaf het begin van de huidige tussenijstijd, het Holoceen, voelden mesolithische jager- verzamelaars (9600 - 4000 v.C.) zich steeds meer thuis in het gebied dat we nu als Bosland kennen. Vanaf het Boreaal (een periode in het Holoceen tussen 8700 en 7200 v.C.) wordt het klimaat zachter en doen steeds meer loofbomen hun intrede, zoals de hazelaar, olm, es, linde en de els. Dennenbomen worden in deze periode steeds zeldzamer. Het daaropvolgende Atlanticum (7200 - 3700 v.C.) was warmer en vochtiger dan vandaag, waardoor Bosland een dens woud van eik, olm en linde was en de den uiteindelijk (quasi) verdween.

Talrijke vindplaatsen van artefactenconcentraties waarin vooral de microlieten (kleine pijlpunten met soms een geometrische vorm zoals een driehoek, een segment of een trapezium) opvallen, getuigen van jagerverzamelaars die hun levensonderhoud voorzagen in dit boslandschap met een rijke fauna en flora.

Het prille begin van de landbouw (4000 - 2000 v.C.)

De jager-verzamelaars kwamen rond 5000 v.C. in contact met de eerste landbouwers en hun landbouwtechnieken in Zuid-Limburg. Langzaam maar zeker, met vallen en opstaan, deed rond 4000 v.C. vervolgens de landbouw zijn intrede in de Kempen, wellicht sterk gericht op veeteelt. De neolithische boeren in de Kempen blijven echter schimmen en we kennen ze vooral van vele losse vondsten van gepolijste bijlen, pijlpunten en grote messen (of ‘dolken’).

Omwille van het koelere en drogere klimaat tijdens het Subboreaal (3700 - 400 v.C.) en als gevolg van menselijke landbouwactiviteit (het rooien van bos, begrazing door vee...) doen zeker vanaf 2000 v.C. de eerste heidevelden hun intrede in het landschap. Beuk en linde worden de dominante soorten in de loofbossen

Een definitief landbouwbestaan (2000 v.C. - 57 v.C.)

De mensen van de klokbekercultuur - een eerste elitecultuur in onze geschiedenis - introduceerden de eerste bronzen voorwerpen in onze streek. De steentijd maakte stilaan plaats voor de ‘metaaltijden’

Er zijn in de streek rond Bosland weinig sporen bewaard gebleven van de vroege (2000 - 1800 v.C ) en de midden-bronstijd (1800 - 1100 v.C.). Onze kennis ervan is hoofdzakelijk gebaseerd op enkele grafheuvels, zoals de Molse drieperiodenheuvel, en de vier heuvels op de Haarterheide in Hamont. De grafheuvels waren opgeworpen met heideplaggen.

In de late bronstijd (1100 - 800 v.C.) wijzigde de begrafeniscultuur. Mensen werden begraven in grotere grafvelden welke gevonden zijn in Achel - Pastoorsbos en Neerpelt - Achelse Dijk. Samen met de doden werden ‘schatten’ mee begraven, waarschijnlijk als onderdeel van een ritueel. Onder meer in Lommel (Konijnenpijp in Lutlommel), in Eksel en in Bergeijk werden dergelijke depotvondsten, waarin vooral de bronzen kokerbijlen opvallen, teruggevonden.

De grafheuvel van de Roosen te Pelt welke dateert van 800 - 450 v.C.

Kokerbijl uit de late bronstijd (1100 - 800 v.C.). Deze vondsten duiden op een cultusplaats en heilig bos (Konijnenpijp in Lutlommel, Lommel)

Sieraden uit het bronsdepot van de Konijnenpijp te Lutlommel, Lommel

In dit landschap verschenen de eerste boerderijen op de hoger gelegen leemhoudende zandgronden. Ze waren voorzien van raatvormige akkercomplexen, de zogenaamde Celtic Fields, waarvan vandaag de dag op vele plaatsen relicten van te vinden zijn. Ze dateren wellicht uit de late bronstijd, waren in de vroege ijzertijd (800 - 450 v.C.) veelvoorkomend en bleven daarna wellicht nog een hele tijd in gebruik.

Hedendaagse restant van Celtic Fields in de Lindselse Heide

Deze boeren waren sterk afhankelijk van het vee dat ze konden houden. Aangezien de zandgronden nutriëntenarm waren en snel uitgeput geraakten, was hun mest nodig om de akkers te bewerken. De hoeveelheid dieren die men kon houden, hing af van de hoeveelheid voedsel die voorzien kon worden De natte beemden in de valleien bleken uitermate geschikt voor het produceren van hooi en kregen hierdoor ook een agrarische rol.

Vanaf het Subatlanticum (400 v.C. - heden) deed het hedendaagse Europese klimaat haar intrede, welke terug iets vochtiger is. De omgeving bestond uit een licht golvend landschap met dekzandruggen en beekdalen (bijv. Dommel, Abeek, Grote Nete). De vochtigere zones binnen dit landschap bestonden uit grote, open moerassen en natte heidevelden. De valleien kenden een vegetatie bestaande uit broekbossen, nat bos van elzen, essen en wilgen op venige bodems. Op de hoger gelegen zones kwamen voornamelijk gemengde loofbossen voor met veel eik en beuk.

Op het einde van deze periode leefden hier de Eburonen. Dit volk maakte het de Romeinen flink lastig toen die arriveerden, maar ze moesten uiteindelijk toch het onderspit delven. De stam verdween volledig van de kaart.

Urne met crematieresten gevonden op het ijzertijdgrafveld van Lommel-Kattenbos

Schaarse bevolking, rijke cultuur (57 v.C - 500)

Tijdens de Romeinse overheersing van onze gewesten vestigde een Germaanse volksstam zich in het noordelijke en dunbevolkte deel van de Kempen. Deze stam droeg de naam Texuandri en gaf deze naam later aan het gebied, dat we vandaag kennen als Taxandria. Van de naam ‘Kempen’ was toen nog geen sprake.

Lang was er een kennishiaat betreffende de Romeinse periode. En dat hiaat is eigenlijk nog steeds niet opgevuld. Er zijn zeker begraafplaatsen en (kleine) nederzettingen geweest met een lokale bevolking die zich ingeschakeld had in de Romeinse leefwereld. Maar de precieze aard en betekenis van die vindplaatsen/nederzettingen is erg slecht gekend.

Dit beeld van een misschien wat ‘vergeten’ regio binnen het grote Romeinse rijk staat een beetje haaks op een bijzondere ontdekking die men enkele jaren geleden in Grote Brogel, Peer, deed. Archeologen groeven er twee cultusplaatsen op uit de overgangsperiode van de Kelten naar de Romeinen. Honderden munten en mantelspelden, tientallen armbanden, vele aardewerkscherven en resten van dierenoffers getuigen van bijzondere religieuze activiteiten. Het wetenschappelijk belang van beide cultusplaatsen is van internationaal niveau.

Bij de instorting van het Romeinse staatsgezag vestigden Salische Franken zich als nieuwkomers in de streek. Zo was er in Donk (Herk-de-Stad) een dergelijk Frankisch dorp dat gekenmerkt werd door Grübenhauser - in de grond gegraven kelderhutten. Hoe dan ook blijven de Limburgse Kempen tot het einde van de 5de eeuw zeer dunbevolkt. Het landschap wordt gekenmerkt door loofbossen, met open gedeelten waar heide en graslanden domineren.

De opkomst van een gemeenschap en het Christelijk geloof (500 - 750)

Vanaf het einde van de 6de eeuw vestigden steeds meer rurale kolonisten zich op zandige plateau’s gelegen tussen beekvalleien. Vondsten van grafgiften van deze Merovingische vrije lieden, zoals deze in Lommel en Overpelt, duiden op een steeds sterker wordende gemeenschap. Glas, sieraden, aardewerk en wapens zijn gevonden in gemeenschappelijke begraafplaatsen.

Vanaf de 7de eeuw drukten geestelijke instellingen met de zegen en steun van de adellijke Frankische elite in toenemende mate hun stempel op de lokale nederzettings- en ontginningsgeschiedenis. Abdijen werden opgericht waarvoor vele, niet ontoevallig, vruchtbare gronden werden verworven. In de Limburgse Kempen kwamen de oudste kloosterdomeinen (weliswaar tussen 700 en 850) tot stand in de riviervalleien van de Dommel (Hoksent, Eksel, Lindel-Hasselt) en de Abeek (Reppel). In de omgeving spelen ook de abdijen van Echternach, Sint-Truiden, Floreffe en Lorsch een belangrijke rol.

De Hoksentkapel te Hechtel-Eksel

Een goed voorbeeld voor een dergelijke religieuze nederzetting is Hoksent in Hechtel-Eksel. Het is een landgoed dat geschonken werd door de heilige Willibrord, welke er een kapel stichtte en deze in 726 naliet aan de abdij van Echternach. Het domein bestond uit één hof en vijf kleine boerderijen. Hieruit zou zich later het gehucht Hoksent ontwikkelen, een bewoningskern met vrije boeren. Hoksent bestaat vandaag de dag nog steeds en is daardoor één van de oudste gehuchten van de Limburgse Kempen.

Kort daarna aan het begin van de 8ste eeuw verwierf de Abdij van Sint-Truiden het Karolingische domein van Eksel. Uit deze tijd dateren ook de eerste watermolens op de Dommel, wat uitzonderlijk vroeg is voor de geschiedenis van de Lage Landen. De abdij van Corbie verwierf mogelijk vanaf 774 domeinen op Mols grondgebied

Wedelse

in Pelt is de oudste watermolen op de Dommel in Bosland en mogelijk zelfs de oudste watermolen van de Benelux

De
Molen (8e eeuw)

Van gehuchten naar dorpen (750 - 1000)

Van de verdere evolutie in de Karolingische tijd (751 - 987) is weinig geweten. Wel was duidelijk dat naast religieuze nederzettingen, ook de rurale boerengemeenschappen verder evolueerden. In deze periode duiken de eerste geschreven vermeldingen op van dorpen in Bosland, meer bepaald Hoksent (710), Eksel (714), Peer (725), Mol (vermoedelijk in 774), Overpelt (815) en Lommel (990). Steeds meer hoeven, hutten en schuren werden gebouwd, bestaande uit lemen wanden en een strodak of rieten dak. Nederzettingen werden doorgaans georiënteerd rond een driehoekig plein, de “biest” of “opstal” genoemd. Het gehucht evolueerde zo naar een “pleindorp”. Een dergelijk pleindorp heeft bijvoorbeeld geleid tot het ontstaan van Mol, maar ook in Eksel zijn dergelijke pleinen te vinden.

In de vroege tot de late middeleeuwen kreeg het centrale gezag (graaf, hertog...) een steeds grotere rol in het dagelijks leven. Via belastingen en een meer gericht politiek systeem werd het hebben en houden van de lokale maatschappij steeds nauwkeuriger georganiseerd. Het punt waarop bewoners geen recht meer hadden om de oorspronkelijke gemeenschappelijke veldcomplexen te bewerken, werd bereikt. Een nieuwe individuele aanpak leidde tot de vorming van blokpercelen met levende perceelscheidingen. Eigenlijke dorpsgrenzen ontstonden vanaf de 9de eeuw als gevolg van de opkomst van cijnsrechten.

De inwoners van de gehuchten begonnen met het verbinden van de verschillende vroegere veldwegen, waarmee de eerste verbindingswegen ontstonden in de regio. De grote banen vermeden natte gronden en liepen vnl. van oost naar west. Deze zijn in het huidige landschap nog steeds herkenbaar. Pas later ontstonden er ook verbindingswegen tussen de hoofdwegen, dwars op de valleien.

Er werden in deze periode verder nog een reeks dijken gebouwd in het landschap. Deze werden aangelegd zodat landbouwers hun vee vlotter doorheen de natte beemden naar de heidevelden konden brengen. Het vergemakkelijkte ook de turfontginning in de verschillende verdroogde delen.

Nieuwe agrarische ontwikkelingen (1000 - 1200)

In de loop van de 12de eeuw namen de agrarische activiteiten een hoge vlucht. Er verschijnen steeds meer wind- en watermolens en het aantal ontginningen steeg spectaculair. De geldeconomie kwam toen op gang, waardoor de macht van wereldrijke heren, met name de hertogen van Brabant en de graven van Loon, toenam. Hun invloed begon deze van de religieuze instellingen te overschaduwen.

Deze boost in landbouwactiviteiten kwam voort uit Norbertijnse invloeden. De wereldrijke heren schonken, verkochten en verpachten steeds meer woeste gronden in hun zoektocht naar extra inkomsten. Het landbouwareaal nam hierdoor sterk toe. Ook bos werd gekapt voor de ontwikkeling van nieuw cultuurareaal en graslanden. Er was onvoldoende beemd om de nodige hoeveelheid hooi te produceren, waardoor bossen werden overgeëxploiteerd door begrazing en strooiselroof (bosstrooisel werd gewonnen om landbouwgronden te bewerken). Mest en andere manieren om de gronden vruchtbaarder te maken bleven gegeerd. Mest werd opgehaald van begraasde gronden en zelfs assen van de kachel werden gebruikt om net wat meer nutriënten in de bodem te krijgen. De landbouwers verhoogden de waterafvoer op nattere gronden en arme heidegronden werden omgeploegd en voor een eenmalige oogst gebruikt. Dit werkte verstuivingen en nieuwe duinvorming in de hand (zie ook ‘Nomadische duinen’). Op deze manier ontstonden steeds grotere heidevlaktes, met als gevolg de intrede van specifieke fauna en flora.

Als gevolg van de verhoogde ontginningsactiviteiten, onderging het landschap een significante wijziging. Bosrijke landschappen werden omgevormd tot open vlaktes met uitgestrekte heidevelden doorkruist met akkers. Enkel de beekdalen vormden overgebleven groene linten welke de onmetelijke heidevlakten onderbraken. Enkele schaarse boscomplexen bleven behouden omwille van hun beschermende functie voor heren en abdijen.

Tegen het einde van de 13de eeuw zorgden oorlogen, misoogsten en epidemieën voor een bruusk einde van deze eerste ontginningsfase.

De eerste opkomst van handel

De hertog van Brabant schonk in het begin van de 13de eeuw een aantal vrijheden aan verscheidene Kempense dorpen ter bevordering van de handel. Als gevolg ontstonden er enkele voor de regio belangrijke marktcentra langsheen de knooppunten van de eerder aangelegde verbindingswegen. Deze centra groeiden doorheen de tijd uit tot volwaardige dorpen. Zo zijn bijvoorbeeld Mol en Herentals ontstaan.

Deze marktcentra waren eerder atypische nederzettingen. Het nederzettingspatroon veranderde hoofdzakelijk door het ‘leegmaken’ van akkers, welke werden omgevormd tot gehuchten waar bewoning werd geconcentreerd in dorpskommen. Hierdoor ontstaat vanaf 1175-1250 het landschapspatroon dat met de Ferraris en Degault kaarten werd vastgelegd (zie onderstaande kaart)

Van dorpen naar steden

Naast de vele rurale gehuchten ontstonden tussen de 12de en de 14de eeuw ook de eerste historische steden van de Loonse Kempen. Deze kwamen voort uit stedenpolitiek van de graven en werden gestimuleerd door de verbinding Brugge-Keulen en het toenemende belang van ambachten. Zo kende de wolhandel een bloei in het gebied in 14de en 15de eeuw. De (eerder bescheiden) rijkdom die hieruit werd verworven resulteerde wellicht in de bouw van grote bakstenen kerktorens van deze periode, bijvoorbeeld in Peer en Lommel. Toch bleven deze steden gekenmerkt door een sterk agrarisch karakter omdat handel zich moeilijk verder ontwikkelde. Landbouw en ambachten bleven hoofdzakelijk in functie van een primerende zelfvoorziening staan.

De waarde van heide

De meeste van dergelijke nederzettingen bleven rurale, kleinschalige landbouwgehuchten. Deze ontstonden niet enkel nabij vruchtbare gronden (bv. Hoeven in Overpelt, Hoef in Hechtel), maar ook langs beekvalleien (bv. Hoksent te Eksel), op kruisingen van wegen (bv. dorpsplein van Hechtel) en op hoger gelegen plateau’s (bv. Wauberg in Peer). Allen konden ze bestaan dankzij de aanwezigheid en (over-)exploitatie van heide Het diende als voedsel voor de veestapel (voornamelijk schapen) en als bron voor hakhout en leem.

Meest kenmerkend voor het gebied is echter het gebruik van turf en het plaggensysteem. Turf werd rechtstreeks als brandstof gebruikt. De plaggen, zijnde de afgegraven bovenste laag organisch materiaal van de heidebodem, werden in potstallen als bodemmateriaal gebruikt - een systeem uitgevonden in de Kempen. Het werd vermengd met uitwerpselen van het vee en zo als meststof gebruikt om de arme zandgronden cultiveerbaar te maken.

Door de eerste grootschalige ontbossingen en landontginningen verdween het grootste deel van de van nature voorkomende vegetatie in Bosland: het door beuk en linde gedomineerde Holoceen loofbos. Dit resulteerde in een vrij open landschap met wilde heide, waar stuifzanden opnieuw onderhevig werden aan wind. Oude landduinen werden zo omgevormd tot nieuwe stuifduinen. Uitgestrekte heidelandschappen boden (net zoals bos) de mens vele levensmiddelen zoals hakhout, leem, wild, turf en plaggen.

De Kempische tragedie

Het landbouwbestaan liep zelden zorgeloos. Vanaf de 14de eeuw geraakten de agrarische reserves uitgeput. De verdere ontwikkeling van het gebied beperkte zich tot enkele jonge nederzettingen aan de rand van heide waar nog nieuw cultuurland te vinden was. Deze en vroegere nederzettingsontwikkelingen leidden tot een kenmerkende eigenschap van de regio: de gemeenten bestaan telkens uit een groot aantal gehuchten.

In de 16de en 17de eeuw verschenen er ook andere bouwwerken in het landschap: de zogenaamde boerenschansen Schansen zijn toevluchtsoorden, vaak omgeven door een watergracht en omwalling, gebruikt als schuilplaats en verdediging tijdens de Tachtig jarige Oorlog (1568-1648). De oudste is te vinden in Eksel in het gehucht Hoksent, maar ook in Overpelt, Hechtel, Lommel, Peer en Neerpelt zijn ze te vinden, allen tegen de Brabantse grens. Ze werden meestal gebouwd op lagergelegen terreinen in de buurt van moerassen en een waterloop.

Schans als toevluchtsoord omgeven door een watergracht waar men zich in tijden van oorlog kon verschansen

Het moeilijke landbouwbestaan door de uitgeputte agrarische reserves werd er niet beter op door deze oorlog. Een verdere verarming vond plaats en het volk kon haar kost niet altijd meer verdienen met het boeren. Men ging dus op zoek naar andere manieren van leven. Ondernemende kooplieden en ambachtslui besloten weg te trekken uit het gebied, om hun koopwaar elders te gaan verkopen. Dit verliep niet altijd onder het toeziend oog van de wet. In de Franse Tijd hoorde Lommel nog tot de Noordelijke Nederlanden en het dorp stak als een taartpunt in het Frans grondgebied. Het bleek een ideale plaats voor smokkel, waar de teuten gretig en georganiseerd gebruik van maakten.

Teutenhuis Linmans in Hechtel-Eksel

In het begin van de 19de eeuw bloeide en groeide het centrum van Lommel met stapelplaatsen, pakhuizen, herbergen... De reizende handelaars, beter bekend als teuten, trokken rond in de Kempen en gingen in Nederland, Duitsland en zelfs Denemarken op zoek naar een meer welvarend bestaan. Deze teutenhandel kende zijn bloei in de 18de en 19de eeuw en kwam vooral voor in Bocholt, Hamont-Achel, Bergeijk, HechtelEksel, Lommel, Overpelt en Neerpelt. In Overpelt was in 1796 zelfs meer dan 15% van de bevolking actief in

de teutenhandel. Deze vaak welvarende handelslui hebben hun stempel achtergelaten in de regio. Zo bouwden vele teruggekeerde teuten riante woningen in hun geboortedorp.

De Ferrariskaart (1771-1777) geeft weer hoe dorpen en steden evolueerden in de regio. Bij Mol en Eksel (toen nog Excel) is te zien dat deze organisch zijn gegroeid in functie van hun ligging langsheen de verbindingswegen. Peer en Hamont zijn daarentegen meer bewust geplande dorpskernen - voornamelijk omwille van de dorpswal - met duidelijke afbakeningen.

In de nasleep van de Belgische onafhankelijkheid in 1830 werd een geschikte locatie gezocht voor een militair kamp dat het hoofd moest bieden aan de dreiging vanuit Nederland. Het heidegebied ten noorden van Beverlo bleek het meest geschikte, mede doordat het Kamp van Beverlo een uitgebreid ruiterkamp was: er werden namelijk ruim 4000 paarden gehouden.

het Kamp van

De Kempense wateringen stonden veelal in functie van hooiproductie om de 4000 paarden te kunnen voeden.

Met 55 km² is het Kamp van Beverlo vandaag het grootste Militair Domein van Vlaanderen en tegelijk een van de grootste heidegebieden van Vlaanderen. Grote stukken natuur blijven tot vandaag goed bewaard. Het domein bestaat uit een rijk natuurlijk lappendeken van droge en natte heidegebieden, landduinen, vennen, kwelzones en moerassige depressies. De Zwarte Beek doorkruist het landschap en vormt één van de best bewaarde beekdallandschappen van de Benelux.

Wateringen en vloeiweides

De jonge Belgische staat bracht een volgend tijdperk van landschapsontwikkeling op gang. Naast militaire kampen, verschillende infrastructuurwerken en nieuwe wegen, werd in 1847 de wet van ontginning van onbebouwde gronden in het leven geroepen. Dit bracht een diepgaande landschappelijke transformatie teweeg, met in de Kempen een duidelijk doel: hooiproductie om het vee en de vele paarden van het militair kamp te kunnen voeden. In deze periode was akkerbouw beperkt en waren beemden en hooiwinning de motor van de landbouw.

Het Kamp van Beverlo
Het ruiterkamp van
Beverlo.
Kamp van Beverlo - militair kamp Krijgsnatie

De Grote Watering van Lommel-Kolonie. Met 215 ha het grootste overgebleven restant van het Kempense vloeiweidenproject van 1850

De overheid initieerde via de nieuwe wet vele ontginningsprojecten van woeste gronden. Dit uitte zich in de 19de eeuw veelal in de omvorming van woeste gronden naar grasland en veeweiden, wat mogelijk werd door intense irrigatie met water uit het in 1843-1846 aangelegde kanaal Bocholt-Herentals Eerder trachtte men al vaker de hooiproductie te maximaliseren via eerder primitieve methoden van bevloeiingen. Met de komst van deze nieuwe vloeiweides ontstond een vorm van hooiproductie op industriële schaal, wat de draagkracht van de streek ver oversteeg. Het dure en intensieve systeem kwam verspreid voor in de streek, met één van de grootste vandaag gekend als de Grote Watering in Lommel of de watering van De Maat in Mol. Het kalkrijke Maaswater bereikt tot op vandaag op meerdere sites nog steeds de vloeiweiden en zorgt voor een unieke fauna en flora. De techniek van graslandbevloeiing van de Plateaux-Hageven en De Grote Watering is voorgedragen voor een UNESCO erkenning als immaterieel cultureel erfgoed van de mensheid

In 1850 werd een poging gedaan om in Lommel een landbouwkolonie op te richten. Het project faalde doordat de grond wederom te arm was. Toch zetten landbouwactiviteiten zich verder op deze gronden mede doordat verschillende landbouwers uit Bergeijk op Lommelse gronden hun activiteiten kwamen uitvoeren Nadat de landbouwontginningen in Nederland een halt waren toegeroepen werden de Lommelse gronden goedkoper om te pachten dan de Nederlandse gronden en er heerste een gunstig duanetarief. Er was dan sprake van een zekere landbouwmigratie.

Kanalen maakten van zand een troef

Het kanaal Bocholt-Herentals werd aangelegd dwars door de Kempen in 1843-1846 en was de eerste stap om een verbindingskanaal te leggen tussen de Maas en de Antwerpse Schelde. Verscheidene andere kanalen volgden snel en takten op deze hoofdas aan. Deze nieuwe transportmogelijkheid werd al snel dé economische motor van het gebied en faciliteerde de reeds op gang getrokken landschappelijke transformatie. Tussen deze kanalen zit een buitenbeentje: het in 1854-1857 aangelegde Kanaal van Beverlo. Het is uniek in België omdat dit het enige kanaal is dat een militaire oorsprong kent. Het kanaal volgt de westelijke rand van het Kempisch Plateau en kent daardoor tevens een atypisch bochtig verloop.

Een paard trekt een vrachtschip voort via het jaagpad langsheen de Kempische vaart

De hoofdfunctie van deze kanalen was logischerwijze het vervoer van goederen. Dienstverlenende functies ontsprongen langsheen de oevers van deze waterassen. Cafés, magazijnen, handelspanden, tolkantoren en overslagplaatsen dienden de vele scheepslui.

In de tweede helft van de 19de eeuw ontstonden dankzij deze nieuwe omstandigheden nieuwe vormen van bedrijvigheid. Het vele zand in het gebied bleek eindelijk een troef: een zandwinningsindustrie kwam op gang. Het zand bleek van bijzonder hoge kwaliteit en werd gretig verscheept naar de Waalse glasindustrie. Met name in Mol en in de Lommelse groeve op Maatheide werd een van de fijnste zanden van Europa ontdekt.

Het landschap veranderde mee met deze razendsnelle ontwikkelingen. Langsheen het kanaal werden loofbomen aangeplant en jaagpaden aangelegd. Het plots rijkelijk aanwezige water stimuleerde de praktijk van de vloeiweides.

Een postkaart uit 1961 toont de zandontginningen die reeds vanaf 1887 plaatsvinden aan de Blauwe

Maar het is vooral de zandwinningsindustrie die haar stempel drukte in het landschap, doordat zandwinningsputten ontsprongen op verschillende plaatsen nabij het kanaal en zo een netwerk van plassen en vijvers vormden. Zo kwamen er op de Stevensvennen te Lommel in 1896 groeves en er werd een glasfabriek gebouwd waar voornamelijk flessen werden geproduceerd. Deze zandgroeve wordt vandaag nog steeds uitgebaat door zandbedrijf Sibelco, net zoals nog een reeks andere groeves in Mol en Lommel langs het kanaal.

Kei in Lommel

Zink op het spoor

De komst van nieuwe spoorwegen hadden naast de kanalen ook een sterke impact op de ontwikkeling van de omgeving. Voornamelijk de komst van ‘de Ijzeren Rijn’, welke in gebruik genomen werd in 1879 en Antwerpen met het Duitse en Pruisische Ruhrgebied verbond, betekende een belangrijke hefboom. De sporen vervoerden niet enkel goederen maar ook pendelende arbeiders. Door deze beschikbare werkkrachten en de vlotte aanvoer van de nodige grondstoffen kwam in de regio de zinkindustrie op gang.

Ondanks dat het een enorme economische bloei teweegbracht, was deze industrie een eerste les voor de regio omtrent de ecologische gevolgen van dergelijke bedrijvigheid. De overgebleven herinneringen aan deze industrie zijn niet enkel welvaart en drukbevolkte tuinwijken, maar ook grootschalige verontreinigingen met zware metalen. Bijvoorbeeld in Lommel constateerde men, na het in werking treden van de zinkfabriek in 1904, dat het heidegebied in het noordoosten ervan wegkwijnde en afstierf. Hierdoor ontstond, na zovele duizenden jaren, opnieuw een kaal stuifzandgebied. Dit landschap werd over een periode van 20-25 jaar volledig herschapen in een zandwoestijn die vandaag gekend is als de Lommelse Sahara. De waterplas hier is dan weer de resultante van een zandontginning in 1927. Vandaag de dag vormen historische bodemverontreinigingen nog steeds een belangrijk aandachtspunt op enkele plaatsen in Bosland.

De grootschalige impact van de zinkindustrie in Lommel-Maatheide waar de zinkverontreiniging van heide een stuifzandvlakte maakte

De zinkindustrie zorgde samen met de zandwinningsindustrie voor een zeer hoge tewerkstellingsgraad, wat welvaart en een bevolkingsgroei teweegbracht. Heide moest plaats maken voor verschillende nieuwe, rationeel uitgedachte arbeiderstuinwijken waarvan Overpelt-Fabriek en Lommel-Werkplaatsen twee voorbeelden zijn. Dit zorgvuldig geplande karakter verschilt sterk van de meer traditionele en eerder organische groei vanuit de stads- en gemeentekern. Na de Tweede Wereldoorlog hadden Lommel, Overpelt en Mol nog steeds grote oppervlakten open ruimte. Dit leidde tot de aanleg van grote industrieparken (o.a. Kristalpark in Lommel en Nolimpark in Overpelt), die een grootschalige en zichtbare indruk nalieten op het landschap. In Lommel vestigden zich naast de glasfabriek en de zandsteenfabriek ook technologiebedrijven (Philips), autobedrijven (de testbaan van Ford) en papierproducenten. In Overpelt vonden de plastic- en sigarennijverheid hun thuis in het 250 ha grote Nolimpark. Mol trok naast zand en glasnijverheid ook het studiecentrum voor kernenergie (SCK) en aanverwante bedrijven aan.

Bosbouw als broodwinning

Volgend op de industriële ontwikkelingen, kwam op het eind van de 19de en in de 20ste eeuw een verdere landschapsontwikkeling op gang, met een steeds grotere rol voor bos. De toenmalige industriebekkens van Luik en later de ontluikende mijnbouwsector in Limburg zorgden immers voor een grote vraag naar hout. Voor de mijnbouw bleek het hout van de grove den, sterk en recht grenenhout, het meest geschikt voor het stutten van de mijngangen. Grove den gedijt bovendien goed op de arme zandgronden.

Omwille van de industriële houtvraag vonden rond de eeuwovergang grootschalige omvormingen van heide naar productiegericht dennenbos plaats. In 1893 ontstond zo het eerste staatsbos “Op’t Stort” in Lommel, goed voor een oppervlakte van 160 ha. In 1904 volgde het grootste omvormingsproject van de regio: 428 ha heidegebied werd omgevormd tot het bosgebied dat we vandaag kennen als het Pijnven.

Ook aan de Nederlandse zijde vond deze evolutie plaats. Het dominante open landschap met heide en zandduinen van Bergeijk uit de 18de eeuw maakte plaats voor bos.

Wetenschappelijke bosbouwprincipes zorgden ervoor dat deze bossen gekenmerkt worden door een geometrische perceelstructuur en beheerd werden via een doordacht aanplant- en uitdunbeleid. De focus van deze principes was duidelijk: de houtproductie maximaliseren. Dit omvormingsproces hertekende het landschap volledig en zorgde voor het typerende en uitgestrekte bos waar zovele jaren later in 2005 Bosland haar naam aan ontleende.

De gestapelde oogst mijnhout bij de Ekselse houthandel Van Duffel begin 1960

De bosbouwplantage van het Pijnven

De evolutie naar een geometrisch cultuurlandschap

Eeuwenlang is Bosland een extensief heidelandschap geweest, vroeger ook wel “La Grande Bruyère” genaamd. Het is een heidelandschap dat volledig in functie stond van de mens, waardoor dit reeds vanaf de middeleeuwen een grofkorrelig en overgeëxploiteerd cultuurlandschap was.

De militaire ontwikkelingsplannen uit 1826 van het Kamp van Beverlo

Vanaf het begin van de 19de eeuw transformeerde de industrialisatie en ruimtelijke ontwikkelingen deze grofkorreligheid tot een heus geometrisch landschap. Kanalen werden zo recht mogelijk gegraven en ontginningsputten zijn rond of rechthoekig. Bossen werden in rijen op vierkante percelen aangeplant en vloeiweides loodsten water over de velden in vele rechte lijnen. Ook bouwwerken ontsnapten de dans niet: arbeiderswijken werden zo recht en efficiënt mogelijk ingericht, het Kamp van Beverlo is rechtlijnig en structureel ingericht en zelfs fabrieksgebouwen geven een zeer strakke en hoekige indruk.

De zeer rechtlijnige structuur van de landbouwontginningen in de Lommelse vloeiweides

De opkomst van natuurbehoud

Na de tweede wereldoorlog werd duidelijk dat de voor de mijnbouw aangelegde naaldhoutmonoculturen3 vele risico’s met zich meebrachten. Zo waren deze bossen gevoelig aan plagen en was er slechts een beperkte faunadiversiteit voor de jacht. Daarenboven zorgde de modernisering van de mijnbouw voor een keldering van de houtprijzen waardoor houtwinning minder rendabel werd. Het besef dat er nood was aan diversiteit in bos en natuur begon te groeien. Langzaamaan deed natuurbehoud zijn intrede en het aandeel van van nature voorkomende loofbomen begon terug te stijgen. Omzetting van heide naar bos gebeurde nog maar zelden en enkel op gerichte plaatsen. Zo werd in 1960 nog 120 ha heide omgezet naar naaldbos om het

3 Monocultuur betekent dat op hetzelfde stuk grond altijd hetzelfde gewas verbouwd wordt.

Pijnvendomein verder uit te breiden. In 1995 kwam er nog een bosuitbreiding met hoofdzakelijk zomereik op landbouwgronden gelegen in “In Den Brand” en “Kamert” in Hechtel.

De aanplant van zomereik uit 1995 met op de achtergrond een beboste stuifduin

Landbouw groter dan ooit

De opkomst van de industrie en bos- en natuurbeheer stootte landbouw van de troon als dominante vorm van bestaan in Bosland. Landbouw verdween hierdoor echter geenszins van het toneel. Meer nog, het werd mede door de industriële ontwikkelingen productiever, grootschaliger en rendabeler.

De veestapel veranderde ingrijpend doorheen de laatste 2 eeuwen. Geiten en schapen maakten plaats voor runderen, varkens en pluimvee

De landbouwtellingen, welke werden georganiseerd door de Belgische overheid vanaf 1846, maakten deze evolutie in landbouwmanagement en landgebruik verder inzichtelijk. Onderstaande cijfers vatten het landgebruik van de Boslandgemeenten samen.

In de periode van 1846-1950 nam akkerbouw ongeveer 25% in van het beschikbare cultuurareaal. Grasland steeg in deze periode van 7% naar 28%. De groei van het bosareaal is het meest opmerkelijke in deze periode, gaande van 8% naar 38%. Vee in deze tijd bestond hoofdzakelijk uit schapen en geiten, welke gestaag daalde met het verdwijnen van de heide-economie.

Na 1950 zat bosareaal niet meer in de telling. In de periode 1950-2020 is het wel te zien dat grasland stijgt naar bijna 50%. Ook voedergewassen stijgen in deze periode, met een aandeel cultuurgrond ingenomen door voedermaïs van 22% in 1980 en zelfs 32% in 2020. Dit was een gevolg van de veeteelt die zich vanaf 1950 begon te ontwikkelen in Bosland. Het aantal runderen en varkens steeg gestaag, maar voornamelijk de pluimveesector werd dominant in de regio: het aandeel dieren, met name vleeskippen, steeg al snel van 60.000 in 1910 naar 160.000 in 1950, tot 675.000 in 1980 en maar liefst 1.730.000 in 2020.

Recreëren in natuur

Na een periode van weinig actief bosbeheer, werd een nieuw valorisatiepotentieel ontdekt voor bos en natuur: toerisme en recreatie. De grote natuurmassieven en het variërende landschap, inclusief de vele waterplassen ontstaan door de zandontginningsindustrie, bleken een aantrekkelijke vakantiebestemming in een steeds meer welvarende maatschappij.

Toerisme werd al snel een belangrijke troef van de regio als gevolg van de grote en begaanbare bossen, de vele waterplassen en de stuifduinen. De natuurlijke en toeristische ontwikkelingen hangen samen met de industrialisering.

Provinciaal recreatiedomein Zilvermeer in 1957, een strandgebouw opgericht bij een voormalige ontginningsplas

De gemeenten die zich minder leenden tot logistieke en industriële hubs ontplooiden zich als recreatieve wooncentra, vb. Hechtel-Eksel en Neerpelt. De lokale handel in deze gemeenten ontwikkelde zich vooral rond groene recreatiezones.

De eerste recreatiezone werd aangeduid in het zuidwestelijk deel van het Pijnven-domein. 70 ha dennenbossen werden hier toegankelijk en beleefbaar gemaakt. Dit kaderde in een bredere maatschappelijke tendens die zich ook in de gemeentebossen elders in de regio doorzette. Zo ontstonden de recreatiedomeinen van Holven in Overpelt, het Kattenbos in Lommel, In den Brand in Hechtel-Eksel en de Begijnenvijvers (Resterheide) in Peer en Hechtel-Eksel.

In de regio openden vanaf half 20ste eeuw grootschalige campings en bungalowparken, vaak vlakbij beleefbare natuurkernen en/of waterplassen (vb. Center Parcs Vossemeren te Lommel, Center Parcs Erperheide te Peer, Provinciaal Recreatiedomein Zilvermeer te Mol, Camping de Paal en Center Parcs De Kempervennen te Bergeijk. enz.). De ontwikkeling van deze vakantieparken bleef zich doorzetten met vandaag wel tien grote vakantiedomeinen in Bosland en directe omgeving (Hechtel-Eksel, Lommel, Peer, Pelt, Mol, Bergeijk). Ook is er in de loop der jaren een ruim aanbod aan kleinschalige logies. Samen zijn deze logies goed voor een kleine 4 miljoen overnachtingen in 2019!

Verder kon het Kempisch kanaal de afgelopen decennia ook steeds meer waterrecreatie en pleziervaarten verwelkomen in onder meer de jachthavens te Mol, Lommel en Pelt.

Bosland herdenkt WO II

De twee wereldoorlogen hebben net zoals in de rest van België ook in Bosland hun sporen nagelaten. De tweede wereldoorlog heeft hier echter een unieke herdenkplaats gekregen: de Duitse militaire begraafplaats (Lommel). De lichamen van de vele in België gestorven Duitse soldaten werden allen naar Lommel of de Waalse gemeente Foy overgebracht. Zo ontstond in Lommel een 16 ha grote begraafplaats met 39 100 begraven Duitse soldaten.

De begraafplaats was van oorsprong een heidegebied en bleef onderhevig aan de werking van de Boslandse stuifzanden. Om de verstuiving van heidezand tegen te gaan, werd een aarden wal rondom de begraafplaats gebouwd. De grond werd met turf verstevigd en dophei, bomen en struiken werden aangeplant om het zand op zijn plaats te houden. Vandaag blijft het een serene en karakteristieke herdenkingsplaats.

De Duitse militaire begraafplaats te Kattenbos-Lommel

Natuurmassieven

De grote ontginningen, bebossingen en eerste natuurafbakeningen hebben geleid tot de grote bosmassieven die Bosland vandaag typeren, met het Pijnven als centraal complex. Deze zijn op de kaart ‘Natuurtypologieën’ te zien als de grote donkere vlekken: droge en gesloten natuur. Vandaag de dag bestaan deze bossen voornamelijk uit vooroorlogse dennenbestanden die reeds enkele tot tientallen jaren in omvormingsbeheer zijn naar van nature voorkomende en meer klimaatrobuuste loofbossen.

Klimaatrobuuste loofbossen zullen beeldbepalend worden in Nationaal Park Bosland

Er blijven grote open natuurgehelen bestaan, met name heide en enkele stuifzandvlaktes. Vooral het heidecomplex ter hoogte van het militair domein is opvallend. Typerend voor de regio is het voorkomen van de psammofiele heide. Dit is de heidevorm die zich ontwikkelt op de jonge en droge stuifzandafzettingen met extreem voedselarme, droge en zure zandbodems zonder profielontwikkeling. Deze droge heidevorm wisselt af met grote oppervlakken natte heidevormen.

De grote natuurkernen die integraal deel uitmaken van Bosland, sluiten aan op het militair domein in het zuiden. Dit maakt dat het resulterende natuurnetwerk vandaag het grootste aaneengesloten natuurgebied in Vlaanderen vormt. Het is dit grote natuurnetwerk, gelegen op het hellend Noord-Zuid massief en tevens op de waterscheidingslijn tussen de Schelde en de Maas, dat leidde tot de vorming van Bosland.

Verbinding via valleigebieden

Naast het Noord-Zuid massief zelf, blijven de valleigebieden voor het natuurnetwerk cruciaal en structurerend. Ze functioneren als verbindingsassen die in elke richting connectie leggen met andere grote natuurgehelen in de regio. Dit is te zien op de kaart aan de hand van de blauwgroene kleuren. Het is een eeuwenoud fenomeen: reeds vanaf de middeleeuwen behoud het sterk ontgonnen Bosland natuurlijke omgevingen rond de waterlopen. Dit is te zien op de Ferraris en Degault kaarten. Het is in deze valleigebieden dat de oudste en vaak meest waardevolle natuur terug te vinden is. Ook de vennen (zie ook ‘Het bodemsysteem’) en het bijhorende veen zorgen naast de grote stockages van koolstof ook voor het ontstaan van diverse habitats.

Habitatdiversiteit via landschappelijke gradiënten

Binnen de weergegeven typologieën schuilt een grote diversiteit met honderden habitattypen en subtypen. Het voor Vlaamse normen grote natuurgeheel vormt een zeldzame habitat voor species die ook werkelijk dergelijke oppervlakten vereisen. De uitzonderlijke diversiteit komt echter voornamelijk voort uit de verschillende landschappelijke gradiënten.

De landschappelijke gradiënten ontstaan door de kenmerkende topografie (gestage dalingen in 3 richtingen) en watersystemen (insnijdende bron- en valleigebieden). Dit zorgt voor vele variaties in bodem- en watercondities. Op een relatief korte afstand zijn zowel zeer droge als zeer natte habitats te vinden, met daartussen alle minder extreme vormen. Dit leidt tot het ontstaan van vele zeldzame en waardevolle habitats wat zich ook vertaalt zich in de aanwezigheid van vele Europees beschermde habitattypes, zoals blauwgraslanden, een grote verscheidenheid in heidevegetaties van droog tot natte heide, schrale en soortenrijke graslanden en een hele range tussen voedselarme en voedselrijke wateren en ruigtes.

Naast een grote habitatdiversiteit resulteren de landschappelijke gradiënten in een grotere weerbaarheid wanneer de omgevingscondities veranderen. Zij het door impact van lokale verstoringen of grootschaligere trends zoals klimaatverandering (welke bovendien elke habitat beïnvloedt), species kunnen verbreiden naar een habitat ‘hoger of lager’ langsheen deze gradiënten.

Natuurkwaliteit

Een goede indicatie voor natuurkwaliteit is de biologische waardering, gebaseerd op een inventarisatie van het biologische milieu en bodemgebruik. Op onderstaande biologische waarderingskaart zijn bovenstaande bevindingen duidelijk terug te vinden: biologisch zeer waardevolle heidevlaktes en valleigebieden, complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle bosgebieden en vloeiweiden, alsook de waardevolle (voormalige) grootschalige naaldhoutaanplanten (deels in omvorming). Net buiten de contour van het potentiële Nationaal Park Bosland, met name in het militair domein en in de valleigebieden liggen overigens nog zeer waardevolle gebieden.

Een mooi voorbeeld van een blauwgrasland

Bosland kent een zeer diverse fauna en flora. De soortenrijkdom in het gebied komt voort uit zowel de grote uitgestrekte natuurgehelen als de landschappelijke gradiënten. De combinatie van de twee leidt tot een hoge habitat- en biodiversiteit

Fauna

De grootte van de natuurzones zorgt ervoor dat in Bosland uitzonderlijke soorten kunnen gedijen zoals de wolf, raaf, oehoe, ree, vos en everzwijn. In recente jaren zijn er ook zeldzame boommarters gespot. Gericht beheer, gaande van zeer intensief tot quasi nulbeheer, wordt uitgevoerd om het voortbestaan van deze soorten te garanderen.

De lentevuurspin - door liefhebbers ook wel de ‘Panda van Bosland’ genoemd

Naast zoogdieren zijn er nog vele andere species die indicator zijn voor een hoge biodiversiteit in het gebied. Een goed voorbeeld hiervan is de gladde slang. In Bosland loopt het voor deze soort grootste soortenbeschermingsprogramma (SBP) ter wereld. Het is lang niet de enige soort die via SBP worden beschermd, ook voor de knoflookpad, grauwe kiekendief, roerdomp, heivlinder, grauwe klauwier, beekprik, rivierdonderpad, rugstreeppad, kleine modderkruiper, porseleinhoen, bever en een reeks weidevogels bestaan SBP’s met gebieden in Bosland. Verder is Bosland voor de nachtzwaluw een belangrijk gebied waarrond vele initiatieven en internationale onderzoeken lopen.

De wolf is sinds enkele jaren dé iconische soort van Bosland

Niet alle zeldzame species zitten vervat in een SBP. Zo zijn er in Bosland populaties van de ijsvogel, veldparelmoervlinder, boomleeuwerik en de lentevuurspin. Allen (ernstig) bedreigde diersoorten waarvan de populatie lentevuurspinnen zelfs de enige is in Vlaanderen. In 2022 is ook voor de eerste keer sinds de laatste waarnemingen van 1960 terug een kopschildkreeftje waargenomen in Hechtel-Eksel. Het is een prehistorische oerkreeft, een relict uit het verleden en een erg zeldzame vondst te Vlaanderen.

De grootschalige aanplantingen hebben duidelijke impact op de aanwezige soorten en hun dominantie. In 2010 besloeg naaldhout 75% van alle oppervlakte (in het Pijnven zelfs 91%). Vandaag de dag worden deze dennenbestanden zodanig beheerd dat ze gestaag transformeren naar het van nature voorkomende loofhoutbos met eik en berk. De dennen vervulden wel een belangrijke pioniersrol om de arme zandbodem voor te bereiden op de komst van loofhout. Via het moderne natuurbeheer, wordt er afgestapt van het strakke en rigide landschap niet enkel via bosomvoring, maar ook hermeandering van waterlopen, soortgerichte inrichtingswerken (zoals golvende structuren in het kader van gladde slang) en lokaal procesgestuurde of onbeheerde climaxvegetaties.

De grote variatie in bodem-watercondities leiden tot de aanwezigheid van diverse habitattypes met hierin vele verschillende plantensoorten Op verschillende plaatsen komt Engels gras en het zinkviooltje voor, een indicatorsoort van zinkrijke bodems. Verder komen er in de vloeiweides wel 350 plantensoorten voor, omwille van de uitzonderlijke omstandigheden gecreëerd door het kalkrijke instromende Maaswater. Op deze plantenrijkdom komen vele insecten en ongewervelden af, welke op hun beurt vogels en zoogdieren aantrekken. Momenteel is er een aanvraag lopende om deze natuurweelde van deze vloeiweides te kunnen bestempelen als Unesco immaterieel erfgoed

De ecologische en toeristisch-recreatieve ontwikkeling en positionering van Bosland

De uitzonderlijke omvang van de natuurgehelen en de duidelijke kansen voor toeristische, recreatieve en ecologische doorontwikkeling, waren de aanleiding voor de oprichting van het bondgenootschap Bossen van de Lage Kempen in 2005 - in 2008 omgedoopt tot Bosland. Het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB),

Kopschildkreeftje in Bosland
Flora
Engels gras langsheen de ringlaan in Lommel

het Regionaal Landschap Lage Kempen, Visit Limburg en de gemeenten Hechtel-Eksel, Lommel, Pelt en later ook Peer sloegen de handen in elkaar voor het grootste bosproject uit de Vlaamse geschiedenis.

Het project staat hoofdzakelijk in het teken van bosbeheer en recreatieve ontsluiting en onthaal. Er werden gezamenlijke doelstellingen geformuleerd en een FSC-groepscertificering werd behaald. Het groeide al snel uit tot een integraal project via een goede wisselwerking met de bevolking en regionale streekontwikkeling en het kreeg in 2009 de erkenning als strategisch project en te ontwikkelen toeristische attractiepool. Hierbij lag een sterke nadruk op de kindvriendelijke ontwikkeling en ontsluiting van Bosland.

Natuur- en gebiedsontwikkeling in sneltempo

De toenemende complexiteit en hoge ambities vereisten een concrete organisatorische aanpak en een duidelijke afbakening van doelstellingen, waarvoor in 2012 het Masterplan Bosland werd opgemaakt voor de planperiode 2012-2020.

Dit was een katalysator voor de ontwikkeling van het gebied en leidde tot de opmaak van verschillende thematische plannen en visies, internationaal erkend bosbeheer, het wetenschappelijk onderzoekscentrum BosLAB, samenwerking met lokale ondernemers en gastheren, speelzones, sociale tewerkstelling en verschillende landmarks zoals de Reus van Bosland (2015) in de Lommelse Sahara en Fietsen door de Bomen (2019) in het Pijnven.

De steeds beter uitgebouwde toeristische infrastructuur en de toenemende ecologische waarde van het gebied leidde tot de selectie van Bosland als een kandidaat Nationaal Park Vlaanderen.

Bosland als centrum voor wetenschappelijk onderzoek

Al meer dan een eeuw is Bosland een plaats voor natuurkundig onderzoek. Reeds vanaf het ontstaan van het Pijnven werd het staatsdomein hoofdzakelijk gebruikt om bosbouwkundige proefondernemingen uit te voeren. Deze waren eerst economisch georiënteerd, maar stilaan werd ecologie de fundamentele drijver van het onderzoek.

Dit onderzoek was oorspronkelijk nogal bosbouwkundig georiënteerd, zoals bijvoorbeeld het onderzoek naar verschillende bestrijdingstechnieken voor Amerikaanse vogelkers tussen 1994 en 1998. Steeds meer begon het onderzoek zich te richten op het bos als ecosysteem in functie van rationele visie- en beheerontwikkeling. Het Pijnven werd zo deel van het Forbio experiment (2012), een wereldwijd biodiversiteitsonderzoek.

Vandaag de dag wordt er nog steeds veel onderzoek gevoerd door zowel universiteiten als private onderzoeksinstellingen. Bijkomend wordt er ook veel kennis vergaard door burgers en vrijwilligers. Sinds 2016 worden deze activiteiten aangestuurd vanuit het centrale orgaan BosLAB. Fundamenteel onderzoek naar bijvoorbeeld de gladde slang, de nachtzwaluw en de zwarte bij is niet alleen waardevol voor het vergaren van kennis maar ook voor de toepassing van aangepast beheer. Sinds kort breidt BosLAB de activiteiten verder uit door te verbreden naar meerdere onderzoeksdomeinen zoals klimaat, geologie en geografie

Bosland is gelegen op de overgang tussen het Kempisch Plateau en de Kempische laagvlakte in het westen en de vlakte van Bocholt in het oosten. Het is een gebied op de grens van twee werelden met een bijzondere geschiedenis, een gedeelde geschiedenis ook. Bosland is het landschappelijk hart van een samenhangend landschap, dat zich verder uitstrekt over de Vlaamse en Nederlandse Kempen. Bosland heeft binnen dit ruimer geheel een kenmerkend landschappelijk profiel met talrijke overgangen: van hoge zandgronden naar beekdalen tot veenbodems. Deze overgangen of gradiënten ontstonden in de ijstijd en laten zich vandaag nog lezen in het landschap. Dit zorgt voor een bijzonder landschapsbeeld dat anders is dan louter vlakte, heuvels of plateau en kent grillige variaties. Dat in deze overgangen sporen zijn gevonden van vroege menselijke activiteiten is sprekend voor de schoonheid en aantrekkelijkheid van het landschap.

Reliëflandschap met stuifzand in de Lommelse Sahara

De gradiënten zorgen voor een uitzonderlijke habitat- en biodiversiteit en multifunctionaliteit In Bosland vinden we uitgestrekte heidegebieden, omvangrijke naaldbossen, landduinen, vennen en veengebieden, beekvalleien met waardevolle graslanden en natte broekbossen. Naast de natuurkwaliteiten zijn er ook belangrijke erfgoedkwaliteiten die de identiteit van het gebied inkleuren, hoewel ze soms minder goed leesbaar of herkenbaar zijn. Het typerend gradiëntlandschap heeft een grote invloed gehad op de economische, culturele en later toeristische ontwikkeling.

Het landschap strekt zich veel verder uit dan de contouren van Bosland vandaag. Het verbindt via de flanken van het Kempisch Plateau de Lage Kempen en de Hoge Kempen, Vlaanderen en Nederland. Het vormt één landschappelijk geheel en doorheen de eeuwen is dit landschap de gedeelde ruimte voor rituelen en tradities, landbouw en ontginningsindustrie, oorlog en vrede, cultuur en recreatie. Bosland is dus een multifunctioneel landschap.

Archeologische vondsten bewijzen dat sinds de oudheid het landschap een plek was om te bezinnen De hedendaagse recreatieve ontwikkeling toont dat het landschap nog steeds een plek is om op adem te komen.

In Bosland zien we een landschappelijke evolutie aangedreven door mens en natuur, die getuigt van een sterke eenheid. Men is steeds op zoek geweest naar nieuwe manieren om het landschap te beheersen, bewerken en bewonen. Het heidelandschap van weleer transformeerde naar een landschap dat ingekleurd is door de landbouw, wat geïllustreerd wordt door het groot contingent aan agrarisch erfgoed en landbouwgebieden in de regio. Het militair verleden wordt vertolkt door militair erfgoed en het grote militair domein

Met de opkomst van de (ontginnings-)industrie, de diensteneconomie en de vrijetijdseconomie, veranderde de omgang en de relatie met het landschap. De zandgroeves die aandoen als lagunes en de aanzienlijke boscomplexen, vormen vandaag een openruimtegebied met een hoge toeristisch-recreatieve attractiviteit.

De regio kende lange tijd een beperkte ontsluiting. De kanalen, sporen en wegen brachten nieuwe dynamieken teweeg. Met name het kanaal Bocholt-Herentals had een sterk aanzuigeffect op industriële ontwikkelingen. Deze industrialisatie vormt een breuk met het verleden: de weinig vruchtbare gronden boden ruimte voor andere economische activiteiten. Dit had ook een invloed op de demografische ontwikkeling, die positief evolueerde.

Sinds de jaren zestig is er toenemende aandacht voor de ecologische, sociale en culturele waarden van het landschap. De perifere ligging heeft de verstedelijking relatief beperkt gehouden. De bebouwing in Bosland blijft eerder geconcentreerd langsheen de grote verbindingswegen, waardoor er relatief veel open ruimte bewaard bleef in de gebieden die zich binnen de contouren van de verbindingswegen bevinden. Dit heeft mede geleid tot het behoud van de grote natuurzones, waardoor het gebied groenrijk is en ook vandaag nog als een oase van rust fungeert.

In 2005 werd het Bosland bondgenootschap opgericht om de ecologische waarden van het landschap te valoriseren. Dit groeide na een tijd uit naar een geïntegreerde ontwikkellingsstrategie, waar Bosland haar ruimtelijke kwaliteiten op een duurzame en maatschappelijk geïntegreerde manier ontwikkelde en zodoende mee zorgde voor de regionale ontwikkeling. Dit heeft ervoor gezorgd dat het doorwaden van het gebied door toeristen en recreanten goed georganiseerd verloopt. Er is een ruim en kindvriendelijk activiteiten-

Landschappelijke impressie van Bosland

en verblijfsaanbod. Dat de behoefte aan vertoeven in de natuur groot is, bewijst de toenemende populariteit van Bosland als bestemming voor dag- én verblijfstoeristen. Vandaag wordt er op initiatief van dit bondgenootschap gezocht naar het bestendigen en versterken van de natuur, zodat inwoners en bezoekers, maar vooral ook toekomstige generaties hier nog lange tijd wel bij varen.

Bosland groeit naar volwassenheid en vindt in haar rijke geschiedenis en ecologische waarden toekomstpotentieel. Het grootste aaneengesloten natuurgebied van Vlaanderen, kan - slim georganiseerd en vanuit haar specifieke eigenheid - verder groeien.

Het samenspel van de hoger gelegen zandruggen, de zacht glooiende heuvelflanken in elke richting en de vele bron- en valleigebieden zorgen vandaag voor een divers en klimaatrobuust landschap. Tegelijk heeft de jarenlange intensieve exploitatie van het landschap ervoor gezorgd dat traag vormende biologische kwaliteit slechts op enkele plaatsen - hoofdzakelijk in de valleigebieden - gevrijwaard bleef. De versnippering van het gebied leidde tot ecologische isolatie van de natuurgehelen.

De voortzetting van het toonaangevend natuurbeheer met focus op versterking en verbinding, zal de biodiversiteit verder doen toenemen. Voornamelijk de reeds in gang gezette omvorming van monotone aangeplante naaldbossen naar (semi)natuurlijk gevormde loofbossen draagt hier vandaag al aan bij. Bosland heeft de potentie om te voorzien in de koolstofopslag van de regio en om uit te groeien tot de kraamkamer van biodiversiteit van Europa.

Vandaag is natuurbeheer en -ontwikkeling in Bosland onderwerp van onderzoek dat via het BosLAB een internationale dimensie kreeg. De inspanningen die geleverd worden op vlak van natuurbehoud enontwikkeling zullen via BosLAB verder onderzocht worden, zodat kennis hierover gedeeld kan worden binnen de internationale academische community, maar evengoed met bewoners en bezoekers van het potentieel toekomstig Nationaal Park.

Voorbeeld van een bestaand heidelandschap in Bosland

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook