Bewaren

Page 1


BEWAREN

MAS

BOOKS

WAARDELOOS OF -VOL?

REUZE OF MINIEM?

PRUTS OF PRECIEUS?

SNUFJE OF KRIKKEMIK?

MISSCHAT OF OVERKEND?

LACHEDING OF SPEELDING?

FUNDAMENTEEL OF BAGATEL?

GEWlCHTIG OF ONBEDUIDEND?

TOONAANGEVEND OF ONNOZEL?

VERSTREKKEND OF BIJKOMSTIG?

NIET VOOR DE POES OF OUDE KOEK?

ONGOEDKOOP OF SPOTBETAALBAAR?

VITAAL OF FUTIEL? of FUTAAL OF VITIEL?

GEEN KLEIN WATER OF STORM IN EEN GLAS BIER?

LIG-, LEUN-, STA- OF HANGDINGEN?

WIE-, WEI- OF WIJDINGEN?

VOORWOORD

Jaap Kruithof (1929-2009) groeide op in Antwerpen, werd filosoof en was van 1964 tot 1995 hoogleraar Ethiek aan de Universiteit Gent. Van de jaren 1960 tot 2000 gold hij ook als een invloedrijk maatschappijcriticus in Vlaanderen. Naast zijn publieke werk was Jaap Kruithof in zijn privéleven een gepassioneerd verzamelaar. Hij verzamelde tussen 1973 en 2009 ongeveer 10 000 dingen, dingen die anderen doorgaans niet bewaren. Intussen bekritiseerde hij fel de wegwerpcultuur.

Na het overlijden van Jaap Kruithof nam het MAS de collectie in huis, met het plan om later de waarde ervan te onderzoeken en een definitieve beslissing te nemen over de bestemming. Dat gebeurde in 2018, in samenwerking met vele partners. Het onderzoek volgde de internationale werkwijzen voor het waarderen van collecties.

Het MAS kwam tot het besluit dat de waarde van deze collectie vooral ligt in het feit dat ze gedachten en gevoelens rond de waarde van dingen stimuleert. De collectie heeft anders gezegd vooral filosofische en emotionele waarde en een beperktere cultuurhistorische waarde.

Daaruit vloeide een verrassend bestemmingsplan voort, verrassend in vergelijking met de keuzes die musea vaak maken, maar op maat van deze unieke collectie.

Het MAS heeft de helft van de verzameling opgenomen als museumcollectie met een bijzonder doel. Deze 5000 dingen worden in handen gegeven van kunstenaars om er betekenisvolle creaties mee te maken rond de waarde van dingen. Benjamin Verdonck en Guy Rombouts zijn de eersten die dat doen.

De andere helft van de Collectie Kruithof geeft het MAS terug aan de samenleving als grondstof voor de toekomst. Mensen of organisaties die geïnteresseerd zijn, kunnen een voorstel doen om een aantal Kruithofdingen een nieuw leven te geven. Onder de voorwaarde dat alles hergebruikt moet worden.

Het essay ‘Bewaren’ dat Jaap Kruithof voor het eerst publiceerde in zijn essayboek Ingaan op de dingen (Dedalus, 1992), is de meest uitvoerige tekst van de filosoof over bewaren en weggooien.

Het essay weerspiegelt enerzijds hoe Jaap Kruithof stond tegenover de maatschappelijke realiteit van 1992, maar bevat anderzijds ook een aantal algemene beschouwingen over bewaren. Het zijn die algemene beschouwingen die vandaag mogelijk nog relevantie hebben. Ze nodigen uit om het bewaren in musea, het bewaren en weggooien in de samenleving en het bewaren van de planeet, samen te bekijken. Het verbinden van de zorg voor erfgoed met de zorg voor de planeet is meer dan ooit een actueel thema, zowel voor musea en erfgoedinstellingen als voor beleidsmakers.

Daarom publiceert het MAS dit essay opnieuw, ditmaal met een nawoord van de Franse antropoloog Octave Debary en een beeldessay van Benjamin Verdonck en Guy Rombouts. Het geheel wordt ingeleid door Leen Beyers, curator van het MAS.

We hopen dat dit boekje en de DINGEN expo u kunnen inspireren.

Nabilla Ait Daoud Schepen van cultuur, Stad Antwerpen

HET PROBLEEM VAN HET

BEWAREN

INLEIDING

10 000 dingen. Dingen die anderen doorgaans niet bewaren. Dat verzamelde de Belgische filosooof Jaap Kruithof (1929-2009). Van 1964 tot 1995 werkte Jaap Kruithof als hoogleraar Ethiek aan de Universiteit Gent. Hij richtte er samen met Leo Apostel de opleiding Moraalwetenschappen op. Daarnaast verscheen hij vaak in de media als maatschappijcriticus.

Veel minder is bekend dat Jaap Kruithof ook een gepassioneerd verzamelaar was. Hij verzamelde in twee fasen. In de eerste fase (1973-1985) vond hij objecten in het antiekcircuit. In de tweede fase (ca. 2000-2009) trok Jaap Kruithof vooral naar kringloopwinkels en begon hij radicaler spotgoedkope, afgedankte dingen te verzamelen. Hij stelde zijn verzameling thuis op in zijn Museum Primrose.

Vanaf midden jaren 1980 werd Kruithof bijzonder kritisch voor de wegwerpcultuur, die volgens hem de natuur vernietigde. Als filosoof evolueerde hij van het antropocentrisme naar een nieuwe ontologie die hij ecocentrisme noemde, waarin de mens wel zingever, maar niet het middelpunt van de kosmos is. Een terugkerende gedachte bij Jaap Kruithof was: ‘We gooien te veel weg en we gooien het verkeerde weg.’

Museum Primrose, Serre, 2009 (foto van Philip Boël)

EEN ONDERZOEK

Na het overlijden van Jaap Kruithof werd zijn collectie eerst getoond in een tijdelijke tentoonstelling in het Huis van Alijn, Gent. Daarna nam het MAS de collectie in huis, met het plan om later de waarde ervan te onderzoeken.

Dat waarderingsonderzoek gebeurde in 2018 in samenwerking met vele partners. Twee vrijwilligers fotografeerden en beschreven de 160 dozen en bundels afkomstig uit Museum Primrose. We telden ongeveer 10 000 alledaagse voorwerpen die vermoedelijk werden gebruikt in België en West-Europa tussen 1850 en 2009. Speelgoed en decoratieve objecten (zoals kleine modellen van huizen en schepen, doosjes, vazen, beeldjes, tegels, toeristische souvenirs en objecten in glas, metaal, hout en steen en slechts zelden in plastic) domineerden. Ze vulden 136 dozen. Werktuigen en gebruiksvoorwerpen (in hoofdzaak keukengerei, medische instrumenten, kappersgerief, rookwaren, drukstempels) kwamen voor in slechts 24 dozen, waarin ook nog decoratieve objecten zaten.

We vergeleken de Kruithofcollectie met verzamelingen met gelijkaardige inhouden: museumcollecties over dagelijkse cultuur en kunstinstallaties met alledaagse dingen en afval. We noteerden gelijkenissen en verschillen. We verzamelden ook alle documentatie over Museum Primrose en we onderzochten alle publicaties en interviews van Jaap Kruithof over de thema’s ‘bewaren’, ‘waarderen’ en ‘musea’. Daarnaast spraken we met familie en vrienden van Jaap Kruithof en ook met filosofen, kunstenaars en museumcollega’s. In deze gesprekken peilden we naar feiten, visies en gevoelens over de Collectie Jaap Kruithof. We lieten ons ook inspireren door de meest recente, internationale handleidingen voor collectiewaardering, vooral Op de museale weegschaal en Significance 2.0. 1 Maar we kozen wel voor een open exploratie

Collectie Jaap Kruithof, Doos 28 (foto MAS)

en niet voor het louter afvinken van vooraf vastgelegde waardecriteria. Zo vonden we gaandeweg een taal om de waarde van de collectie te benoemen.

Het werd een bijzonder jaar waarin we geconfronteerd werden met fundamentele vragen over ‘bewaren’, in musea en in onze samenleving: Hoe kunnen we de waarde van deze collectie het best verwoorden? Is het geheel waardevol of de delen? Welke bestemmingen versterken deze collectie? Hoort deze collectie in een museum? Past ze bij ons museum? Wat is de waarde, de betekenis van waardeloosheid?

EEN WAARDESTELLING

Op 25 februari 2019, tien jaar na het overlijden van Jaap Kruithof, presenteerden we in het MAS de conclusie van het waarderingsonderzoek of anders gezegd de waardestelling. Deze waardestelling vloeide voort uit het diepgaande onderzoek, maar is onvermijdelijk ook ingebed in de tijdsgeest. In die zin is deze waardestelling een momentopname. De waardestelling luidt als volgt:

De grootste waarde van de Collectie Jaap Kruithof is de filosofische waarde en het is ook deze waarde die de collectie uniek maakt in België. Jaap Kruithof heeft als maatschappijcriticus veel losgemaakt in de Vlaamse samenleving van de jaren 1960 tot 2000. Hoewel Kruithof vanuit emotie begon te verzamelen, en dus niet omdat hij filosoof was, verbond hij zelf in publicaties en interviews vanaf de jaren 1990 zijn kritiek op de wegwerpmaatschappij en zijn fascinatie voor de menselijke creativiteit met zijn collectie. De collectie zette Jaap Kruithof zelf ook voortdurend aan het denken. De collectie als ensemble reflecteert visueel meerdere kernideeën van Jaap Kruithof rond de ‘waarde van dingen’ door: de veelheid van dingen, de nederigheid van de voorwerpen, de gedachtenzinnen die Kruithof ophing bij de collectie, het feit dat het allemaal gebruikte dingen zijn en de gelijkwaardige nevenschikking van meer en minder kostbare, tot zeer onooglijke dingen. De collectie heeft dan ook filosofisch potentieel. Ze kan het denken stimuleren, omdat ze te verbinden is met het gedachtengoed van Jaap Kruithof, maar ook omdat ze meer algemene vragen oproept over bewaren, erfgoed en musea.

De gedachtenzinnen Museum Primrose, 2009 (foto’s Huis van Alijn):
Gezelle was een bekrompen reactionnair - Sans-souci s’amuse avec sans-culotte - Onzegbaar groots in het leven

Deze filosofische waarde wordt versterkt door de visuele kracht van de collectie als ensemble. Jaap Kruithof noemde zichzelf geen kunstenaar, maar was op twee manieren gefascineerd door vorm. Bij het verzamelen verkoos hij dingen met een bijzondere vorm en werd hij geboeid door ‘de diversiteit van het menselijke kunnen’. Daarnaast investeerde hij de laatste tien jaar van zijn leven veel tijd in het schikken van de dingen in Museum Primrose. Museum Primrose doet denken aan artistieke installaties, maar Kruithof had een minder sterke intentie om visueel betekenis te creëren en hiermee naar buiten te treden. De artistieke waarde van de Collectie Kruithof is dan ook weinig uitgesproken, maar de collectie heeft wel visuele kracht. Die visuele kracht zit in de veelheid van de dingen en de wijze waarop al die dingen geschikt waren in Museum Primrose. De Collectie Jaap Kruithof heeft daarnaast een sterk emotioneel potentieel. Jaap Kruithof heeft de collectie niet met een groot aantal mensen gedeeld tijdens zijn leven en dus is de actieve emotionele waarde van de verzameling momenteel beperkt. De collectie heeft wel een groot emotioneel potentieel, om te beginnen door de passie zelf van Kruithof als verzamelaar. Misschien is deze collectie een zelfportret, van dingen die hem raakten. Het verhaal van Kruithof als verzamelaar en de immense verzameling wakkeren universele, emotionele vragen aan over het bewaren van dingen. Het emotionele potentieel zit daarnaast in de dagelijksheid en nederigheid van elk van de voorwerpen in de Collectie Kruithof. Dit zijn de spullen die, alvast op korte termijn, voor vele mensen herkenbaar zijn, als ze opgroeiden in België of WestEuropa, omdat ze doen denken aan de spullen van ouders of grootouders.

Museum Primrose, KELDER A, 2009 (foto van Philip Boël)

De cultuurhistorische waarde en het cultuurhistorische potentieel van de Collectie Jaap Kruithof als ensemble is echter beperkt. Kruithof verzamelde met een historische en antropologische blik, maar vorm en intuïtie waren minstens even belangrijke criteria, met als resultaat een erg eclectische collectie. Daarnaast gaf hij het beschrijven van de collectie na verloop van tijd op. De wel gemaakte objectfiches zijn na zijn dood vernietigd. Heel wat objecten raken aan belangrijke cultuurhistorische thema’s van de 20ste eeuw zoals massaproductie- en consumptie, het tweedehandscircuit, beeldcultuur en toerisme, maar rond deze thema’s zijn in andere erfgoedcollecties in Vlaanderen beter gedocumenteerde objecten te vinden. De Collectie Jaap Kruithof bevat wel een aantal objecttypes die musea tot vandaag weinig verzamelen. Het gaat om onooglijke voorwerpen die niemand als erfgoed koestert, maar die wel deel uitmaken van de dagelijkse cultuur, zoals een rol toiletpapier, eenvoudige toeristische souvenirs of goedkope decoratieve beeldjes. Maar het gebrek aan herkomstgegevens beperkt ook voor deze objecten de onderzoekmogelijkheden. De collectie is vooral een eye-opener voor musea om met een veel bredere blik te verzamelen.

De veelheid van dingen is meer betekenisvol dan de aparte objecten in de Collectie Kruithof. Vanuit de cultuurhistorische invalshoek zou het logisch zijn om alleen de objecten die niet in bestaande museumcollecties voorkomen te selecteren voor museale bewaring. Voor de Collectie Kruithof weegt echter de

Collectie Jaap Kruithof, Doos 83 (foto MAS)

filosofische waarde het zwaarst door en daar sluiten de visuele en emotionele waarde bij aan. Voor deze waarden is het ensemble van de collectie veel belangrijker dan de individuele objecten. Toch lijkt ook voor die waardes de veelheid en het eclectische geheel belangrijker dan dat het precies 10 000 dingen zijn. Het is enerzijds teveel, omdat Jaap Kruithof zelf in 2007 aangaf dat hij 2000 tot 3000 dingen zou kunnen wegdoen. Anderzijds is het altijd te weinig, als we denken aan hoe sterk Jaap Kruithof de waarde van dingen bepleitte: dat religieuze zit in het bewaren dat zit er bij mij in maar ik kan het niet allemaal goed uitleggen maar ik wil ergens iets dat ik denk dat heel waardevol in de kosmos is of voor de planeet dan wil ik dat niet kapotgemaakt hebben

Omdat de Collectie Jaap Kruithof vooral filosofische waarde heeft en minder cultuurhistorische waarde, kan het versterken van de waarde van de collectie zowel binnen als buiten musea gebeuren. Er zijn tal van mogelijkheden om het filosofische potentieel van de collectie en het daarbij aansluitende visuele en emotionele potentieel te ontwikkelen buiten de museumsector, onder meer in theater, tv of film, performances, socio-cultureel werk, onderwijs, therapiecontexten. Omdat

Museum Primrose, KELDER A, 2009 (foto van Philip Boël)

het filosofisch potentieel van de collectie echter gaat over “de waarde van dingen”, is het inzetten van de collectie in musea wel relevant, want dit thema raakt aan de kern van de museale praktijk.

De Collectie Jaap Kruithof is tot vandaag behoorlijk volledig en de onderdelen van het oorspronkelijke Museum Primrose van Kruithof zijn momenteel nog te onderscheiden. De toestand van de collectie is redelijk. Slechts een klein aantal objecten zijn zwaar beschadigd. De staat van de collectie zal op korte termijn verslechteren, als niet wordt gekozen voor optimale museale bewaring.

Het volledige verslag van het waarderingsonderzoek kan u hier gratis vinden: https://issuu.com/museastadantwerpen/docs/mas_collectie-jaap-kruithof_2019

EEN RADICAAL PLAN

Uit deze waardestelling vloeide een bestemmingsplan voort om de collectie een nieuw leven te geven en de filosofische waarde uit te spelen. Dat werd tijd, na de negen jaar waarin de collectie als tijdelijk depot in het MAS lag. Dat plan lijkt radicaal in vergelijking met de keuzes die musea doorgaans maken, maar het was dan ook een plan voor een radicaal eigenzinnige collectie.

Museum Primrose, Kelder D, 2009 (foto van Philip Boël)

Eén helft, dus 80 dozen, werd opgenomen in de MAS collectie als museumcollectie met een bijzonder doel. Dit ensemble, dat we benoemen als Filosofische Collectie, is bestemd voor beeldend werk dat gedachten en emoties rond de waarde van dingen aanwakkert. Intussen maken kunstenaars Benjamin Verdonck en Guy Rombouts nieuw werk met deze verzameling. Hun DINGEN tentoonstelling is te bezichtigen in het MAS Kijkdepot vanaf 4 april 2020. Vanaf maart 2022 zal de Filosofische Collectie opnieuw vrijkomen en beschikbaar worden voor nieuwe creaties. De andere helft, dus 80 dozen, werd grondstof voor de toekomst. We lanceerden een oproep waarin we voorstellen vroegen voor upcycling. Mensen of organisaties die de oproep beantwoorden, krijgen één of meer Kruithofdozen. Onder de voorwaarde dat alles hergebruikt moet worden. Deze upcycling leidt intussen tot verrassende resultaten. Die worden onthuld op de Kruithofblog van het MAS: www.mas.be/kruithof

Bij deze opdeling van de Kruithofcollectie hanteerden we geen cultuurhistorische criteria. We probeerden integendeel in de beide delen de eclectische samenstelling van de Collectie Kruithof te behouden, want die draagt sterk bij tot de filosofische waarde. We namen telkens de helft van de dozen van elke afdeling in Museum Primrose. Dit wil zeggen dat we de lijsten met dozen van KELDER A, KELDER B+ATRIUM, KELDER C, KELDER D+WASKELDER, SERRE en EERSTE VERDIEPING in twee opdeelden. Zo bleef de eclectische samenstelling van de Collectie Kruithof in elk deel overeind.

Museum Primrose, KELDER D, 2009 (foto van Philip Boël)

Na de opdeling hebben we enerzijds 80 dozen als “Collectie Kruithof: Filosofische Collectie” opgenomen in de MAS collectie en inventarisnummer MAS.0272 gegeven. We bewaren dat ensemble als een dynamisch object dat verschillende vormen kan krijgen. We hanteren in het MAS een gelijkaardige aanpak voor het dynamische Dia de los Muertos Altaar van Antwerpen (MAS.0226). We beslisten om deze Filosofische Collectie in optimale omstandigheden te bewaren, maar geen restauraties van individuele objecten te doen. Jaap Kruithof koos er immers zelf voor om beschadigde objecten met gebruikssporen te bewaren. Vergankelijkheid mocht en moest zichtbaar zijn. Te zwaar beschadigde objecten die de rest van de collectie bedreigen, halen we weg en dat wordt gedocumenteerd.

Anderzijds hebben we 80 dozen of 5000 dingen verwijderd uit het museum en aangeboden aan de samenleving. Dat gebeurde pas na 1 mei 2019. Tot dan hebben we de foto’s en beschrijvingen van deze dozen ter beschikking gesteld van de familie Kruithof en van de Vlaamse erfgoedinstellingen. Zij konden een voorstel doen, om bepaalde objecten ofwel zelf te bewaren in hun collectie ofwel aan te duiden als beschermwaardig. Het Tabaksmuseum in Wervik en het Centrum Academische en Vrijzinnige Archieven Vrije Universiteit Brussel namen via die weg enkele Kruithofobjecten op in hun collectie. Ook de familie Kruithof besliste om enkele objecten uit deze 80 dozen zelf te bewaren.2 Zo konden we een te bruuske afstoting van de 80 dozen vermijden. We haalden inspiratie voor deze werkwijze bij de Nederlandse LAMO procedure. In Vlaanderen is er geen duidelijke procedure voor afstoting van museale objecten uit de publieke sector.3

Museum Primrose, Eerste Verdieping, 2009 (foto van Philip Boël)

Waarom is de Filosofische Collectie relevant voor het MAS? Het MAS heeft een collectie van circa 500 000 objecten. Als professioneel museum is het MAS doordrongen van de internationale standaarden rond verzamelen, bewaren, onderzoeken, documenteren en presenteren van museumobjecten, en de soms al te vastgeroeste manieren van waarderen van erfgoed die daarmee samenhangen. Het MAS wil die internationale standaarden niet opgeven, maar heeft wel de ambitie om experiment en kritische reflectie rond de omgang met collecties te stimuleren. Bedoeling is om met deze Filosofische Collectie vernieuwing in en buiten het MAS aan te wakkeren. Daarom krijgt deze collectie een ander statuut dan onze cultuurhistorische collecties. Zo hopen we dat de collectie voor het MAS en misschien ook voor andere musea een “slimme parasiet” kan zijn, een begrip dat we overnemen van Stef Van Bellingen: in feite zou deze collectie een slimme parasiet moeten zijn een domme parasiet is iets wat de gastheer doodt een slimme parasiet … verandert de gastheer lichtjes een soort van stimulator die … het bestaande lichaam kan beïnvloeden

Waarom is upcycling relevant voor het MAS? Selectie van erfgoed behoort tot de kerntaken van elk museum en dat leidt soms ook tot herbestemming of afstoting van collecties. Vanzelfsprekend dient dit weloverwogen te gebeuren na grondig waarderingsonderzoek. We vermoeden dat dit experiment de museumsector kan inspireren om bij herbestemming creatief te zoeken naar bestemmingen die aansluiten bij de waarde van de objecten. We willen daarnaast met deze keuze voor upcycling aandacht vragen voor de ecologische voetafdruk van museaal bewaren en tentoonstellen. Daarom kiezen we niet voor het weggeven van Kruithofobjecten aan allerlei mogelijke geïnteresseerden, maar voor toekomstgericht hergebruik. Om Jaap Kruithof te parafraseren: het heeft geen zin om in onze samenleving eilanden van perfect geconserveerd erfgoed te creëren en daar nostalgisch terug te kijken op het verleden, terwijl we ondertussen de planeet ten gronde richten. Kruithof pleit voor een ander soort bewaren, niet om het oude te verheerlijken, maar omdat we “moeten hergebruiken in plaats van weggooien. …. de natuur moet in zichzelf de mogelijkheid behouden om de schade die haar door de mens wordt berokkend, ongedaan te maken.”4

HET PROBLEEM VAN HET BEWAREN IS UITGEGROEID TOT HET BELANGRIJKSTE VRAAGSTUK VAN ONZE TIJD

Dat schreef Jaap Kruithof in 1992 in zijn essay ‘Bewaren’, dat deel was van zijn boek Ingaan op de Dingen (Dedalus, 1992) en dat dat we hier opnieuw publiceren. Het is de meest uitvoerige en tegelijk de meest concrete tekst van de filosoof over het thema bewaren. Het essay weerspiegelt enerzijds hoe Jaap Kruithof stond tegenover de maatschappelijke en politieke realiteit van 1992. Zo levert hij kritiek op het pensioenbeleid van de Universiteit Gent en op de eerste klimaatconferentie van de Verenigde Naties in Rio de Janeiro, die toen net had plaatsgevonden. Anderzijds bevat het essay een aantal algemene beschouwingen over bewaren. Het zijn die algemene beschouwingen die inspirerend kunnen zijn vandaag. Ze nodigen uit om het bewaren in musea en archieven, het bewaren en weggooien in de samenleving en het bewaren van de planeet, samen te bekijken. Het verbinden van de zorg voor erfgoed met de zorg voor de planeet is meer dan ooit actueel. Niet toevallig was het een centraal agendapunt op de afgelopen internationale museumconferentie van ICOM (Kyoto, september 2019).

Na het Bewaren essay van Jaap Kruithof volgt een nawoord van de Franse antropoloog Octave Debary. Debary kijkt, net als Kruithof, met een brede blik naar het menselijke gedrag van bewaren en weggooien dat resulteert in zowel afval, erfgoed als het tweedehandscircuit. Hij ontleedt hoe die werelden veel meer verbonden zijn dan we denken.

Het beeldessay van Benjamin Verdonck en Guy Rombouts sluit dit boekje af. Voor hen spreekt uit de Collectie Kruithof “een grote tederheid ... het zorg dragen voor de dingen waarin je uiteraard een kritiek ten aanzien van ons consumptiegedrag leest, maar veel meer nog het koesteren van een teloorgegane relatie van een persoon en een object… het is alsof kruithof al die dingen adopteerde om op die manier in één grote beweging die relatie te herstellen….”

Leen Beyers

Curator MAS

Notes

1 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Op de museale weegschaal Collectiewaardering in zes stappen. Amersfoort, 2014; Collections Council of Australia, Significance 2.0 A guide to assessing the significance of collections, 2009.

2 Voor meer details over de LAMO fase: https://www.mas.be/nl/pagina/19-krachtobjecten-om-te-beschermen

3 https://www.museumvereniging.nl/lamo-leidraad-afstoten-museale-objecten

4 Jaap Kruithof, “Bewaren” in: Jaap Kruithof, Ingaan op de dingen. Over het gedrag van de moderne westerling. Antwerpen, Dedalus, 1992, p. 135-159.

BEWAREN

Jaap Kruithof, 1992

(uit: Jaap Kruithof, Ingaan op de dingen. Over het gedrag van de moderne westerling. Dedalus,Antwerpen, 1992.) –

Als ik mijn medeburgers in hun doen en laten beoordeel, hanteer ik vaak een tweedeling. Er zijn mensen die in eerste instantie maximaal profijt en comfort zoeken en daarmee onverstoorbaar doorgaan, wat er ook gebeurt. Volgens de conformisten is er eigenlijk niets aan de hand. Ze eten tijdens hun protserig bestaan te veel vlees en blijven ervan overtuigd dat ze nette mensen zijn. Discussies vinden ze vermoeiend. Ze lezen geen onheilspellende rapporten en houden van egocentrisch vermaak. Zolang er niet wordt geschoten, is politiek voor hen, zoals voor György Konrád, even belangrijk als een voetbalwedstrijd. Gelukkig ontmoet ik ook personen, die beseffen dat we met levensgevaarlijk vuur spelen. Dat ons huis, de aarde, zonder koerswijziging een puinhoop zal worden. Ze volgen angstig de grote milieudebatten, kiezen, tegen de stroom in, voor een alternatieve levenswijze, vaak zelf niet goed wetend wat er in de veralgemeende degradatie nog milieuvriendelijk mag genoemd worden. Met die tweede soort mensen voel ik me solidair. Met hen heb ik genoeg van vraatzucht en verspilling, van roven en doden, van egocentrisme en kortzichtigheid. Daarom schrijf ik dit essay over bewaren. Eerst wil ik

erop wijzen hoe complex het verschijnsel is, daarna volgt een sociologische benadering en ik eindig met normatieve vragen.

HET BEGRIP

De werkelijkheid waarin we leven, is een samengaan van blijven en veranderen, van voortbestaan en verdwijnen, van opbouw en afbraak. Ook in onszelf leeft die dualiteit: we behouden en transformeren, laten vergaan en vernieuwen, onthouden en vergeten. Er zijn zaken die voortbestaan zonder dat we tussenbeide komen. We hoeven ze niet te bewaren, dat gebeurt ook zonder ons. Andere gegevens houden op te bestaan maar duiken later vanzelf weer op. Ze waren niet onherroepelijk verdwenen. Nog andere dingen zijn er niet meer en keren nooit terug, ze zijn definitief weg. Veel in ons kunnen we niet behouden, bijvoorbeeld onze jeugd. Niets aan te doen. We kunnen zelfs onszelf niet bewaren, want we vergaan. Ten slotte zijn er gegevens, die door menselijke interventie worden geconserveerd. Ze worden vóór hun ondergang door ons behouden of na hun verdwijning door ons toedoen weer tot werkelijkheid gemaakt.

Zo kom ik dichter bij de betekenis van bewaren. In de objectieve sfeer gaat de problematiek van het conserveren over het voortbestaan of verdwijnen van de dingen en over de positieve of negatieve kenmerken van die processen. Als we constateren dat iets blijft, verwijst onze vaststelling naar een reële aanwezigheid van dat gegeven in een evoluerend bestel en naar het effect daarvan voor het beschouwde geheel. In de subjectieve orde heeft de vraag naar het bewaren te maken met de rol van de menselijke actor. Zo weten we dat personen de zaken op hun beloop kunnen laten. Ze komen er dan niet in tussen, laten het zijn gang gaan. Bij gebrek aan belangstelling of macht leggen ze zich neer bij de filosofie van ‘laisser faire, laisser aller’. Fundamenteel ontbreekt hier een intentie, een wil, een inzet voor het object waarom het te doen is. Daardoor kan dat gegeven de kans krijgen zich op eigen houtje te redden, maar het tegenovergestelde is ook mogelijk. Dan verkommert of bederft de zaak bij gebrek aan menselijke aandacht en engagement, door nalatigheid en zelfs verwaarlozing.

Vanuit de menselijke actor gezien is bewaren meer dan iets op zijn beloop laten. In een strikte betekenis gaat het niet om een louter laten bestaan, maar om een willen behouden. Evenzo is iets niet bewaren gelijk aan een niet willen conserveren. Als gevolg daarvan wordt het dan versleten, verbruikt, weggegooid, vernietigd of weggegeven. Willen behouden veronderstelt bij de conservator aandacht, een bewuste selectie van een bepaald goed op grond van een waardering van zijn positieve eigenschappen. Bovendien is er bij de bewaarder een bedoeling (waartoe iets wordt geconserveerd),

een motivering (waarom het behoud van een gegeven wenselijk is) en een inzet (om wat is, ook morgen te laten zijn) aanwezig. Willen veronderstelt kunnen of minstens menen te kunnen want bij een gevoel van onmacht rest slechts nostalgie. Impliceert bewaren als ‘in stand willen houden’ een ingreep, een menselijke actie? Niet altijd. Het gebeurt ook dat een goed slechts kan gered worden door elke inmenging te weren. In andere gevallen is het behoud van het beoogde object afhankelijk van een daadwerkelijke interventie. Dan zijn meerdere soorten tussenkomsten mogelijk: opbergen (isoleren, buiten de oorspronkelijke functie plaatsen), verbergen, beschermen (aan destructieve invloeden onttrekken), repareren, genezen en nog andere. Die ingrepen vergen veel of weinig inspanningen naargelang de moeilijkheidsgraad van de operatie. Acties kunnen gewaagd zijn, riskant, of zonder risico, zeker, als ze berusten op een gedegen technische ervaring. Uiteraard bestaat er op dat vlak een overvloed van bewaarvormen, afhankelijk van het soort gegeven, dat men wil conserveren, en van het beoogde perspectief, bijvoorbeeld het behoud op korte of lange termijn.

Wie over bewaren nadenkt, moet oog hebben voor de grote menigte van gegevens, die vatbaar zijn voor conservering. Het gaat over elementen, of relaties tussen elementen, of structuren, relatief constante verhoudingen tussen relaties, of systemen, samenhangende gehelen van structuren. Enige zin voor nauwkeurigheid is hier nodig om precies te beseffen naar welke objecten die termen verwijzen. Het bewaarmateriaal kan verder worden ingedeeld in statische toestanden en

dynamische processen. En in materiële gegevens, organische entiteiten, psychische wezens en menselijke subjecten. Ook mensen zelf zijn het voorwerp van conservering of verspilling, denk maar aan slaven van weleer en aan de proletariërs die door uitbuiting voortijdig stierven. Zelfs vandaag worden velen nog zo misbruikt dat ze na dertig jaar arbeid hun menselijke waardigheid verloren hebben. Van groot gewicht in het intermenselijk verkeer zijn de psychische activiteiten en relaties. Ten aanzien van die fenomenen gelden dezelfde vragen over voortbestaan en verdwijnen. Neem bijvoorbeeld onze smaken en geuren. Zijn die de laatste vijftig jaar niet ingrijpend veranderd en hoe beoordelen we dat? Smaakt een kippebout, een aardappel of een aardbei nog zoals in de tijd van grootmoe op de boerderij? Betekent die verschuiving kwalitatief een vooruitgang, een regressie of een neutraal feit dat we zonder zeuren accepteren? Moeten we ons neerleggen bij de diepgaande transformaties in onze ervaringsmogelijkheden of gaan we op de barricades om het verloren genot te heroveren? Ik denk ook aan psychische relaties zoals vriendschap en liefde. In onze geïndustrialiseerde samenleving nemen de korte, oppervlakkige, steeds wisselende contacten toe. Zijn we in die context nog in staat duurzame betrekkingen te onderhouden of hoeft dat niet meer? Wie is, bij een steeds sneller levensritme, nog bekwaam enige diepgang in de intermenselijke communicatie te ontwikkelen? Vergeten we bovendien niet dat bewaren op verschillende sociale niveaus plaatsvindt. Het eerste vlak is van microsociale aard en betreft de beperkte leefwereld

waarin we ons dagelijks bewegen, bijvoorbeeld het gezin. De plek waar je kunt nagaan wat we uit ons milieu verwijderen is de vuilnisbak. Dertig jaar geleden kwamen daar oude foto’s, kinderboeken, schoolschriften, zelfs het verroeste scheermes van Opa in terecht. De meerderheid dacht toen dat wat voor haar tijd met zorg werd gemaakt naar het rijk van de prullaria mocht verhuizen. In de jaren zestig kon ik, dank zij een wekelijkse inspectietocht langs de bakken van mijn wijk, een mooie verzameling gebruiksgoederen uit de periode tussen de twee wereldoorlogen aanleggen. Het zou interessant zijn in concreto na te gaan wat in de afgelopen decennia thuis wel en niet behouden werd. Maar de resultaten van zo’n onderzoek blijven beperkt omdat er nog andere niveaus bestaan. Het tweede vlak is van mesosociale aard en betreft maatschappelijk organisaties zoals de school, het ziekenhuis, het distributiebedrijf, de fabriek. Wat wordt daar bijgehouden, wat verdwijnt in de kelders, op de belt of in een verbrandingsoven? Misschien is op dat vlak de weggooirage nog krachtiger, de lichtzinnigheid nog groter dan op het eerste niveau omdat wie voor de bewaring instaat minder direct betrokken is bij de resten waarover hij moet beslissen. Als we ons op een nog hoger vlak bewegen, dat van een gemeenschap als geheel, het macrosociale niveau, stapelen de problemen zich op. Voor de geschiedenis van hele streken van bijvoorbeeld vier eeuwen geleden zijn er, qua documentatie, zulke grote lacunes dat we er nooit meer in zullen slagen een nauwkeurig beeld op te bouwen van wat zich toen heeft afgespeeld. Sommige historici willen daarom nu zoveel mogelijk bewaren. Dat is

praktisch vaak niet haalbaar omdat de nodige ruimte ontbreekt. Er komen kwalijke gaten in ons maatschappelijk geheugen.

Ik stipte al aan dat achter elk bewaren een motivering werkzaam is. Als mensen iets niet kwijt willen hebben ze daarvoor hun beweegredenen. Die motieven berusten enerzijds op persoonlijke evaluaties, al dan niet bewuste keuzes van wat waardevol en wat waardeloos is, anderzijds op de door het sociale verkeer gegenereerde meer algemene maatstaven over wat niet en wat wel valabel is en, binnen laatstgenoemd domein, over het minder en het meer waardevolle. Zowel de persoonlijke waarderingen als de maatschappelijke normen zijn gebaseerd op behoeften, wensen. Mensen bewaren wat ze gekregen of zelfs verworven hebben omdat ze het in de onmiddellijke toekomst denken nodig te hebben, menen te kunnen gebruiken. Ze kijken ook verder dan hun neus lang is en houden zaken bij zich die later van pas kunnen komen. De fundamentele overgang van het ogenblikkelijke consumeren naar het sparen. Bewaren heeft slechts betekenis voor wie ervan uitgaat dat de toekomst even belangrijk of gewichtiger is dan het heden. Als slechts het huidige telt heeft bewaren geen zin. Het gaat niet alleen over dingen die voor de conservator zelf nuttig zijn. De behoeften van anderen, bekenden of onbekenden, hebben eveneens een invloed, zoals blijkt uit het bewaren van gegevens om ze weg te geven, te ruilen, te verhuren of te verkopen. Naast de persoonlijke gebruikswaarde speelt de sociale ruilwaarde (de marktwaarde, uitgedrukt in een prijs) dus een grote rol. In een breder cultureel kader zijn ook

maatschappelijke ideologische factoren, onder andere gangbare opvattingen en standpunten betreffende het onaantastbare en het aantastbare, invloedrijk. Dingen kunnen na verloop van tijd in waarde dalen door functieverlies, vermindering van hun intrinsieke kwaliteiten als gevolg van slijtage of veroudering, en nog andere factoren. Ze kunnen ook waardevoller worden, bijvoorbeeld door toenemende schaarste. De complexe wereld van het gevaloriseerde bepaalt wat er wel en niet behouden wordt. Er is de plaats van een gegeven op de persoonlijke waardenschaal, het aspect van de substitutiemogelijkheid, de werking van het aanbod (de graad van schaarste), de vraag (de druk van de behoeften) en hun resultante, de prijs op de markt. Hoe hoger een gegeven is geplaatst op een persoonlijke rangorde van waarden, of hoe minder het vervangbaar is, of hoe hoger het op de markt geprijsd wordt, des te sterker zal de conserveringsdrift zijn. Bewaren vergt in een aantal gevallen actie, schreef ik. Of zo’n ingreep lukt, hangt af van de vaardigheden en middelen waarover men beschikt. Het is zinvol even stil te staan bij de belangrijke relatie tussen bewaren en macht. Conserveren kan het noodzakelijk gevolg zijn van een gebrek aan actiemogelijkheden. We weten dat in vroeger tijden het menselijke kunnen beperkt was. Men leefde met een geringe kennis en primaire technieken met weinig impact. Er was een zwakke productiekracht, een magere productievariëteit en een lage productiviteit. Snel verslijten of weggooien was in die omstandigheden vaak riskant, omdat tal van goederen niet konden worden vervangen door andere met

gelijke functie en efficiëntie. Als de dag van morgen te weinig nieuwe bevredigingsmiddelen opbrengt is bewaren een noodzaak. In de moderne tijden – ik doel vooral op de economische en industriële explosie na de tweede wereldoorlog – werden in het westen de traditionele opvattingen en houdingen met betrekking tot het conserveren op de helling gezet. Wat vroeger werd voortgebracht daalde in waarde. Door de snelle ontwikkeling van de productie, de markt en de consumptie veranderden de condities van het omgaan met de dingen. De transformatierage en de uitbreiding van allerlei substitutiemogelijkheden stimuleerden de neiging om producten, die niet meer voldeden aan de stijgende verlangens, te verspillen, te vernietigen of te verwijderen. Een allesverslindende consumptiedrift werd dominant want het kon niet op. Dank zij onze inventiviteit zou er morgen en overmorgen toch genoeg zijn.

Vanuit de invalshoek van deze bijdrage bestaat de geschiedenis van de mensheid uit drie fasen. In het eerste tijdperk was bewaren een must, een dwangmatige norm. Bij gebrek aan kunnen was er geen keuze. Zelfs wat we niet wilden behouden moesten we met ons meeslepen. Wat we wensten in stand te houden moesten we vaak laten vergaan. In het tweede tijdperk werd het bewaren boven het niveau van de dwangmatigheid getild. Het werd het voorwerp van een echte keuze. Wat vroeger teloorging kon nu gered worden, denk aan de strijd tegen het bederf van voedsel, de evolutie van het inzouten via het inblikken naar het invriezen. En aan het in leven houden van comateuze patiënten. Door de groei van wetenschap en techniek,

kennen en kunnen, verwierven mensen een grotere vrijheid. Ze waren in staat bewust te kiezen tussen constructie en destructie. Men koos voor de sprong voorwaarts, opteerde voor de eindeloze vernieuwing. Tijdens de tweede periode is de invloed van het moderne dominant. Het nieuwe concurreert met het oude en wint die wedloop. Het is technisch en functioneel superieur, gerieflijker. Het houdt de productiemachine op gang en zorg voor meer werkgelegenheid. Volgens de inprentingmethode die we de mode noemen, is het, los van alle andere consideraties, zelfs voldoende dat iets nieuw is om het als beter te laten doorgaan. Wie is er opgewassen tegen dergelijk geweld van het moderne kapitalisme? Het lijkt een onbegonnen zaak. Waarom zich verzetten tegen de groei om de groei, als die ons van pas komt? In een derde tijdperk, dat nu ongeveer een kwarteeuw oud is, stuiten we op de limieten van de vervangbaarheid, op de grenzen van het produceren en consumeren, het roven. Als we geen paal en perk stellen aan het dolle voortbrengen en verbruiken, zullen we onze omgeving en onszelf uitschakelen. We staan voor een eindpunt: wie het buitenmenselijke niet wil respecteren, kan de mens zelf niet bewaren. Het leven werd door ons zo verwaarloosd dat de weerwraak niet kon uitblijven. Goddank. Eindelijk is het zover gekomen dat bewaren de conditio sine qua non van ons overleven is. Weg met alle antropocentrische fundamenten van een vorig, verkeerd bestaan. Conserveren is weer een must geworden, een noodzaak op een hoger vlak. Geen pure onmacht, maar een opgave, verbonden met vrijheid, macht en keuzemogelijkheid. Geen behoud bij gebrek aan actiemogelijkheden, maar een laten voortduren waarvoor we

ons totale kunnen nodig zullen hebben om nog te slagen. Waar het niet kunnen conserveren tijdens het tweede tijdperk een handicap was maar geen onoverkomelijke hinderpaal, gezien het naïeve vertrouwen in ons grenzeloos innovatievermogen, is die onmacht nu levensgevaarlijk geworden. De opdracht om de destructie te beeindigen stelt ons voor grote problemen. Zijn we bereid ons verbruik drastisch te beperken? Terwijl velen denken nog te leven in de tweede periode, dringt de tijd. Hoe moet het met de miljarden mensen in de derde wereld die een hoger welvaartspeil eisen? Kunnen we die doelstelling halen bij een snel stijgende wereldbevolking, al die baby’s en kleuters die toch iets verwachten van het leven? Dat de strijd om het behoud van de planeet kolossale inspanningen en kosten zal meebrengen, staat vast. Wil de westerse bourgeois dat offer brengen, met name de reductie van zijn zeer gesofistikeerde behoeftebevrediging? Wie zal het natuurbehoud financieren in de derde wereld, waar het nodige kapitaal ontbreekt? De pot op, wij eerst, zegt het Vlaams Blok.

DE SOCIALE CONTEXT

Hoewel ik me liever wat dieper zou willen storten in abstracte, filosofische beschouwingen, stel ik dat uit tot een volgende keer. Omdat ik ook iets wil schrijven over de sociologische benadering van het bewaren. Het gaat om drie werkelijkheden die in onze maatschappij coëxisteren. De eerste wereld is de spil van het sociale gebeuren, de kern waaromheen alles draait.

Daarin vinden we de knooppunten van het economische, politieke en culturele leven. Voorbeelden zijn: een onderneming, een warenhuis, een vliegveld, een beurs, een parlement. Die realiteit is actief, bruisend, hard. Ze leeft van opwinding, van concurrentie en conflict. De deelnemers willen slagen, het laken naar zich toehalen in de wilde wedloop van het erop of eronder. Centraal staat de cultus van de transformatie en de mobiliteit zonder respect voor het verleden. Bewaren is er niet bij. Steeds meer en steeds sneller produceren, distribueren en verbruiken, daarover gaat het. Gevorderde televisiekijkers volgen tegelijkertijd op verschillende zenders de Tour de France, Roland Garros en een Formule Een-wedstrijd. In die wereld vol modieuze, wisselende belangstellingspunten is uiteraard niet alles razernij of hysterie. Op zondagmorgen is in de binnenstad alles heerlijk rustig en in de week vind je hier en daar nog een park waar het leven trager verloopt. In de ene wijk is het minder jachtig dan in de andere; hetzelfde geldt voor de verschillende economische sectoren. Ik ken kappers die op klanten wachten en chique winkels waar het personeel soms kaart. Tijdens de vakantie zakt het ritme, hoewel het toerisme ook een verslindende aangelegenheid is geworden. Zelfs van een dagje naar Blankenberge kun je een hartinfarct krijgen. Dat wijst erop dat in de eerste wereld alles is onderworpen aan het evangelie van de arbeid in dienst van het kortstondige succes. In de kernwerkelijkheid wint het vernietigen het van het behouden. Er is een tweede realiteit waarin het conserveren domineert. Daarin komen alle personen terecht over

wie wordt geoordeeld dat ze om een of andere reden niet geschikt zijn voor de eerste wereld. Ze worden opgeborgen in de reserve, in de centra van bewaring, zoals de scholen, de ziekenhuizen, de psychiatrische instituten, de bejaardenhuizen, de gevangenissen, de opvangcentra voor vreemdelingen, de cafés voor werklozen. We stippen enkele categorieën voor geheel of gedeeltelijk uitgerangeerden aan: mensen met een handicap; zieken van wie velen in de primaire realiteit werkzaam waren, maar dat milieu moesten verlaten. Een groot aantal wordt er later, na een tijdelijke verwijdering, weer in opgenomen. Gevangenen, die, om andere redenen weliswaar, in analoge condities leven. Kinderen, die nooit in de eerste wereld vertoefden en daarin later worden geïntegreerd. Ze worden gedwongen zich in tijdelijke afzondering voor te bereiden op de intrede in het echte leven. Huisvrouwen, van wie de meerderheid nooit in de primaire wereld is geweest. Ze verhuisden van de schoolbanken naar de haard en komen nooit in de kern. Ze misten de trein van het reële gebeuren. Gepensioneerden, die in de eerste werkelijkheid verbleven maar vrijwillig ontslag namen of daartoe werden gedwongen. Een definitieve uitsluiting weegt vaak zwaar, zeker bij de ouderen, die zich nog bekwaam voelen. Werklozen, onder wie sommigen uit het eerste circuit komen. Anderen hebben nooit gewerkt. Na verloop van tijd belandt een fractie weer in de eerste werkelijkheid, terwijl een ander deel die kans niet krijgt. Het bewaren als gedwongen nietsdoen. Migranten, die geen stemrecht krijgen, asielzoekers die het land moeten verlaten.

Wat de oorzaak van hun uitsluiting en hun toekomstverwachtingen ook mogen zijn, in de tweede wereld leven veel mensen zonder echte zuurstof. Het is onterend steeds te worden behandeld en niets te mogen ondernemen. Ze zijn afhankelijk, hebben geen macht, brengen weinig in en kosten veel (voor de huisvrouwen geldt deze conclusie niet). De eerste wereld mogen ze slechts vanop afstand bekijken, bijvoorbeeld via de televisie. Tussen sociaal opgelegde machteloosheid enerzijds, voortijdige veroudering, verzieking, depressie en opstandigheid anderzijds bestaat een verband. Het summum is dat de uitgerangeerden nog een gelukkig bewustzijn wordt aangepraat en ingeprent. Achtergesteld worden is één punt – en dat is dan maar zo, we kunnen het ook niet helpen – maar die discriminatie voelen, uitspreken en ertegen protesteren, dat wordt niet geduld. Laten we het bewustzijn van de ‘bewaarden’ vergiftigen. Laten we hun negatieve ervaring ombuigen tot een positieve en daarna mogen wetenschappelijke onderzoekers interviews afnemen. Is het de bedoeling medeburgers kennis te laten maken met wat we psychose noemen? Psychoten zijn mensen die niet in staat zijn een onderscheid te maken tussen schijn en werkelijkheid. Mensen bewaren lijkt een mooie zaak maar het blijkt niet enkel daarover te gaan. Naarmate de eerste realiteit harder en brutaler wordt, groeit het leger van degenen, die ten onrechte worden uitgerangeerd. Begin 1991 ontvingen honderden personeelsleden van de universiteit van Gent het bericht dat ze zonder pardon op hun zestigste moeten vertrekken. Sommige gepensioneerden krijgen in ons bestel vóór de deportatie een snoepje,

dat noemen ze dan een gouden handdruk. Bij hoge ouderdom, ernstige ziekten, zware handicap of erge misdaad zijn afzondering en verzorging uiteraard geboden, maar veel mensen beantwoorden niet aan die criteria. Het gaat niet over de afloop van ‘la nature des choses’ maar over intentionele maatschappelijke discriminatie. Vitale ouderdom, getergde werklozen, opgesloten gevangenen, huisvrouwen die de ‘salons de thé’ onveilig maken, wat een verspilling van krachten! We kunnen niet allemaal in de beste kamer zitten, roept salonheer Tobback naar de asielzoekers. Veel afdelingen van de tweede wereld doen me denken aan het brutale product van menselijke arrogantie en ongevoeligheid dat we dierentuin noemen.

Er bestaat een derde wereld, niet van mensen, maar van gegevens, die naar de vorige werkelijkheden verwijzen, ze afbeelden, ze vervangen. Die wereld is in de eerste of de tweede realiteit aanwezig of wordt daarbuiten aangelegd. Het gaat om ons geheugen met daarin een massa van elementen, die naar het heden of het verleden verwijzen. Ons archief. De beschreven realiteiten van eerste of tweede orde zijn dynamisch, ze veranderen buiten ons willen om van gedaante of worden door ons bewust getransformeerd. Dat schept een streven om wat verdween op een ideële manier te behouden via een spiegelbeeld, een afbeelding, een kopie. We nemen bijvoorbeeld een foto van onze oudste dochter van zes. Als de realiteit vergankelijk is, wat we beseffen en soms betreuren, kunnen we tenminste een afdruk ervan bewaren. Dank zij dat document kunnen we de werkelijkheid van vroeger weer in ons bewustzijn oproepen,

te voorschijn toveren. Weet je nog hoe Vader op Kerst 1976 zich in zijn vinger sneed? Het gaat dan over de reproductie van één onderdeel op één moment in het tijdsverloop. De realiteit als geheel van elementen en verbanden tussen die onderdelen is definitief weg. Onze kopie geeft wel iets weer van de oude toestand maar is tegelijkertijd een vertekening omdat we niet meer dan een stukje van het reële kunnen te voorschijn roepen. Het gaat steeds om tekengehelen die niet gelijk zijn aan de echte werkelijkheid. We kunnen ons slechts behelpen met vertalingen die verwijzen naar iets dat veel rijker is of was. Wat doen mensen? Ze slaan data (eigenschappen, vormen, feiten, gebeurtenissen, processen) op in hun brein, hun bewust betekeningsvermogen. Prikkels uit de omgeving worden opgevangen, geïnterpreteerd, geklasseerd, in het geheugen opgeborgen en daarna weer in het bewustzijn opgeroepen en gebruikt. Bewaren is geen luxe, maar een levensnoodzakelijkheid. Zonder memorie kun je niet autorijden, kun je geen boodschappen doen en wat nog allemaal meer. Mensen stofferen hun geheugen met herinneringen, afdrukken, afbeeldingen, allerlei vormen, van concrete of meer abstracte aard. Die mentale operatie heeft een praktisch nut: ze stelt ons in staat om ons te situeren en te oriënteren in het dagelijkse leven, en dient een verder afgelegen meer theoretische functie, namelijk het verwerven van een ruimere, historische kennis. Wat wij, enkelingen, doen, gebeurt op een analoge manier in groepen, op het microsociale, mesosociale en macrosociale vlak. Ook de samenleving als totaalsysteem heeft een geheugen en produceert een ar-

chief. Daarin worden tekens, symbolen, woorden en beelden geconserveerd. Door de technische ontwikkeling werd het gamma van bewaarvormen sterk uitgebreid: fiches, micro-fiches, foto’s, dia’s, films, cassettes, cd’s, fotokopieën, video’s, computergegevens, enzovoorts. Wat in het brein gebeurt, wordt daarbuiten geprojecteerd, we werken met schermen, het grote doek in de bioscoop, de buis in de zithoek, het computerscherm in de werkkamer. Met het behoud van het verleden kun je twee richtingen uit. Je kunt het als zodanig conserveren, dan heb je een overblijfsel, een origineel stuk. Of je maakt een of andere soort kopie, dan hou je uiteraard geen realiteit over maar een menselijke vertaling van die werkelijkheid. In de derde wereld vinden we beide resten in vele soorten opslagplaatsen: het eigenlijke patrimonium (de reële overblijfselen, van steden, zoals Pompeï, via wijken, wegen, gebouwen, bruggen, kunstwerken tot eenvoudige gebruiksvoorwerpen), archieven met geschreven documenten, musea met plastisch materiaal, bibliotheken met manuscripten en boeken, geschreven en gedrukte bronnen. De laatste decennia zijn daar nog filmotheken, discotheken, videotheken en allerhande databanken bijgekomen.

Het is tijd om even achterom te kijken. De eerste wereld (I) is de kern van het maatschappelijke leven. Daar gebeurt het, wordt er gewerkt, is er een stijging of daling van de productiecijfers, denkt men niet aan conserveren maar aan consumeren. Daar vinden we ook de haarden van reële tegenstand, het geweld, de opstand, de burgeroorlog en de sociale revolutie. De tweede

werkelijkheid (II) kan dat moordende tempo niet aan en verwerpt de boodschap van de destructieve omgang met mensen en dingen in naam van de eeuwige vernieuwing. Het antwoord op de vraag wie wel en wie niet uit het primaire milieu wordt gesloten kan als barometer gelden van onze humaniteit. De derde realiteit (III), het archief, wordt hoofdzakelijk door de eerste wereld geproduceerd en is daarvoor ook onmisbaar omdat I zichzelf wel voortdurend transformeert maar tegelijkertijd kennis van het eigen verleden nodig heeft om verantwoord te handelen. I kan niet functioneren zonder geheugen, zonder III. Toch is III niet te reduceren tot I. Reproducties zijn niet gelijk aan datgene waarvan ze een afspiegeling zijn. Ze zijn armer qua vorm en inhoud, bevatten minder informatie, bieden door hun isolement van het reële leven en hun gebrek aan interne dynamiek geen weerstand en zijn daardoor meer vatbaar voor manipulatie. Wie contact zoekt met I en II en er kennis over wil verwerven is meer en meer gedwongen een beroep te doen op III. Kinderen zien nauwelijks dieren in hun omgeving, ze leren die kennen via de buis. Bijna geen enkele van mijn studenten heeft ooit de geboorte van een baby meegemaakt. Ze konden het wel in een bioscoop of op de televisie zien. Is de gefilmde versie gelijk aan het reele gebeuren? Nee. Waarom mag alleen de vader dit grootse evenement beleven? We moeten vertrouwen op wat anderen –de sociale autoriteiten – ons qua berichten en beelden over het werkelijke overbrengen. Onze persoonlijke ervaringen van de dingen zelf, de ultieme basis van

een stevige kennis, worden steeds minder toereikend. Naarmate er in de eerste realiteit meer wordt vernietigd, proberen we in wereld III meer te reproduceren en op te stapelen. Op die manier willen we een evenwicht in stand houden, maar dat is een hersenschim. Een illusie omdat vernietigen winst oplevert en conserveren geld kost en we weten wat in ons kapitalistisch bestel zwaarder weegt. Een voorbeeld daarvan is de destructie van duizenden soorten levende wezens en de poging om zoveel mogelijk genen in banken op te slaan om die later eventueel weer tot leven te wekken. Een verliesgevende operatie want er worden meer diersoorten definitief vernietigd dan er via genenbanken worden bewaard. Hoewel de ontwikkeling van de reproductie ongelooflijk positieve mogelijkheden opent, zijn er aan die evolutie risico’s verbonden. Een eerste gevaar is dat mensen zonder kritische zin geloven dat III een getrouwe en adequate weergave is van I en II. Ze menen I te bereiken terwijl het over III gaat, denkend dat het bewaarde samenvalt met het nietbewaarde, het duplicaat met het origineel. Ze beseffen niet dat manipulatie in onze samenleving een grote vinger in de pap heeft. Landen die sinds geruime tijd nooit aan bod kwamen in het nieuws, verdwijnen uit ons bewustzijn, bestaan voor ons eenvoudig niet. Ik herinner me wat mijn schoolmeester over het toenmalige Kongo wist te vertellen. De moordpraktijken onder Leopold II waren er niet bij. Wisten we wat er in de golfoorlog gebeurde toen CNN uit Washington ons volpropte met pro-westerse beelden en de Irakese versie van de gebeurtenissen bij ons niet aan bod kwam? Nogmaals: psychoten nemen schijn (fictie) voor werkelijk-

heid en werkelijkheid voor schijn. Als ik een avond doorbreng voor mijn televisiescherm moet ik toegeven dat mij dat ook wel eens overkomt. Was het wilde enthousiasme van een groot deel van het Amerikaanse publiek voor de interventie in het Midden-Oosten een vorm van collectieve psychose? Die hypothese sluit ik niet uit. Het tweede gevaar is dat mensen III boven I en II stellen, als belangrijker beschouwen. De vlucht in een ideële, irreële werkelijkheid. Wereld III verliest dan zijn dienende functie, wordt als autonoom gegeven verafgood. Niet I maar III wordt dan wezenlijk omdat je via III aan I denkt te kunnen ontsnappen. Dat is een vergissing want III komt uit I en niet omgekeerd. Een begrijpelijke vergissing, weliswaar, want III is meer dan een kopie. Daarin kan ook een wereld van wenselijkheden, van genotsartikelen worden aangeboden. Het wordt dan het rijk van de fictie, de verbeelding. Mensen kunnen zich in die sfeer onbeperkt uitleven, los van reële hinderpalen. Ze kunnen zich verlustigen in paradijzen vol genot, zonder pijn, hebben oneindig meer macht dan in het dagelijkse leven, overwinnen tijd en ruimte, wat wil je nog meer. Ongetwijfeld zal dit ongemeen krachtige opium voor miljoenen een van de grootste uitdagingen, zelfs verleiders van de 21ste eeuw worden. Schijn, maar wat doe je eraan als de eerste wereld je geen schijn van kans geeft.

We hebben ons tot dusver vooral beschrijvend opgesteld. Wat nu met de normatieve aspecten, de richtlijnen van ons gedrag? Na

de laatste wereldoorlog is onze samenleving uitgegroeid tot een machine die van geen bewaren wil weten. Er wordt zorgeloos geroofd, geconsumeerd en verspild. Energie en grondstoffen worden verkwist, lucht, water en bodem worden vervuild. We dreigen te stikken onder een afvalberg die we niet meer beheersen. Kernenergie is op het eerste gezicht erg praktisch maar niemand heeft een afdoende oplossing voor de radio-actieve restanten. Op de beperkte bol, die onze planeet is, kun je je niet blijven verstoppen. We zijn in de twintigste eeuw ontstellend bekrompen geworden. Dankzij Vapona een huis zonder insecten. We willen de wereld uitbuiten, dus niet bewaren, en onszelf sparen dan wel bewaren. Dat is een hopeloze onderneming. Het antropocentrisme, de universele godsdienst van onze tijd, keert zich tegen de mens zelf. De natuur, uiteindelijk machtiger dan wij ooit kunnen worden, leert ons mores door erosie, droogte, woestijnvorming, overstroming, hongersnood en kankerzon. Zijn mensen tijdig vatbaar voor rede of komen ze te laat? Als het over opruimen gaat, ben ik een domme fanaat. Geregeld reserveer ik een uurtje om alles wat er in mijn werkvertrek staat of ligt secuur te bekijken met de vraag of het werkelijk moet blijven of onherroepelijk verdwijnt. Ik heb een kleine prullenmand maar ga fors te werk. Mijn vrouw hoort me gedurig naar de grotere bak in de schuur hollen om het intellectuele ongedierte daarin te deponeren. Weet ik hoe je moet schiften? Ik denk altijd aan meer ruimte, aan nieuwe lege plekken. Zodat ik tijdens het werk mijn blik kan laten rusten op een sober geheel zonder slordige papieren, knipsels, kranten of tijdschriften.

Door die hang naar simpele netheid, die me psychische rust moet brengen, gaan er ook waardevolle dingen verloren. Ik ben destructief.

Bewaren gaat vanzelf, zonder moeite, of kost inspanning. In het laatste geval is er een interventie nodig. Die vraagt macht en geld om op te treden en, daaraan voorafgaand, een keuze. Als je niet alles kunt opstapelen en je niet te veel mag weggooien – dat is dan verspilling – moet je selecteren. Wie wil bewaren, moet beslissen wat daarvoor wel en niet in aanmerking komt. De keuze tussen belangrijk en onbelangrijk. Het gaat om dingen die je nog nodig zult hebben of denkt nog te kunnen gebruiken, over wat wel en niet onaantastbaar is. Die keuze is, als je doordenkt, zo gewichtig dat ze van religieuze aard is. Uiteindelijk zijn wij, mensen, aan onszelf overgeleverd. Wij zijn afhankelijk van wat wijzelf en miljoenen anderen beoordelen als negatief (dus te vervangen, te verwijderen, te vernietigen, enzovoorts) en positief (dus te behouden). Dat oordeel is niet unaniem, er zijn meningsverschillen, disputen, en het verandert door de groei van de kennis en de morele ontwikkeling. Wat voor X op moment A hoogst belangrijk is, kan op moment B voor datzelfde subject een onbenullige zaak zijn. Ik denk in dat verband aan de taak van archivarissen, niet de mensen die, wat bewaard wordt opbergen en inventariseren, maar de personen die beslissen wat er van de dagelijkse stroom van nieuwe documenten wel en niet mag verdwijnen. Beseffen zij wat er over honderd jaar nuttig zal zijn om de jaren negentig van onze eeuw te begrijpen? Hoe bepalen zij vandaag wat historici in

2100 te weten willen komen over onze tijd? Die vraag moet onbeantwoord blijven omdat we niet kunnen achterhalen hoe de zaken dan beoordeeld worden. Mensen slagen er vaak niet in eens en voor altijd te bepalen wat positief is en wat negatief. Ze weten uit ervaring dat nieuwe kennis hen in de toekomst zal bereiken en dat daardoor ook hun waarde-oordelen zullen veranderen. Sommige toestanden, processen, kennen we vandaag beter dan tien jaar geleden en over weer tien jaar kan die kennis nog verbeterd zijn. Die overweging im-pliceert niet dat we noodzakelijkerwijze terechtkomen in een compleet irratio-nalisme in die zin dat we, bij gebrek aan definitieve oordelen, zwalpen. Wie van mening is dat het behouden een centrale plaats moet innemen in ons denken en handelen, mag niet verward worden met de klassieke ‘conservatieve burger’. Er is geen sprake van een verheerlijking van de traditie als zodanig, van een streven om elke ingrijpende maatschappelijke wijziging te veroordelen, zodra die de gevestigde belangen van de sociale boven-laag schaadt. Het oude is niet altijd het goede en het nieuwe mag niet steeds worden gelijkgesteld met het slechte. Het bewaren, waaraan ik denk, heeft niets te maken met een ideologie, die allerlei vormen van uitbuiting – van natuur door mens of van mens door mens – in stand wil houden. Het heeft, integendeel, een progressieve, zelfs revolutionaire betekenis.

Als we onze misdaden tegen de natuur op een rijtje zetten, zijn ze tot drie hoofdzonden tegen het bewaren te herleiden: ten eerste roven we te veel energie en andere grondstoffen, ten tweede vervuilen we

lucht, water en bodem, ten derde vernietigingen we landschappen, biotopen. Door ons toedoen verdwijnen er jaarlijks duizenden soorten planten en dieren definitief van de aardbol. Als je vanaf Mars de jongste evolutie van onze planeet bekijkt, zie je dat op die bol één biologisch wezen, de mens, erin geslaagd is naar hartenlust te stelen, de ‘Umwelt’ te verloederen en alles te vernietigen wat hem op korte termijn hindert. We weten grosso modo wat het herstel van het bewaren impliceert. Zuinigheid wordt in de wereld van morgen een dwingende richtlijn. Minder roven, minder vervuilen en minder vernietigen, is de boodschap. Dat houdt in dat we via de ontwikkeling van nieuwe technologieën het gebruik van niet uitputbare energie en grondstoffen snel moeten stimuleren. Dat we moeten hergebruiken in plaats van weggooien. En dat we duurzame productie- en consumptiegoederen moeten vervaardigen. Van fundamenteel belang bij dat alles is het herstel van het verbroken evenwicht tussen natuur en mens. We raken hier de diepste kern van het bewaren: de natuur moet in zichzelf de mogelijkheid behouden om de schade die haar door de mens wordt berokkend, ongedaan te maken. Zoals in de intermenselijke betrekkingen de normen van vrijheid en zelfbeschikking van personen en groepen gelden – ze worden niet overal gevolgd maar hebben in het westen sinds de val van het Ancien Régime wel aan invloed gewonnen – zo moet in de mens-natuur relatie de uitbuiting vervangen worden door meer autonomie.

In onze omgang met de natuur wordt het bewust beslissen om niet in te grijpen, hoewel

de mogelijkheid daartoe bestaat, een steeds belangrijker opdracht. In de prehistorische grot van Lascaux wordt geen publiek meer toegelaten. Zelfs als de bezoekers niets aanraken, beschadigt hun adem de tekeningen op de wanden. Bewaren betekent hier elke rechtstreekse waarneming, elk contact, zelfs het meest vluchtige, verbieden. Dat er naast de grot een kopie werd gebouwd, is uiteraard een smakeloze toegeving aan de commercie. Toen ik dit jaar in het woud van Fontainebleau bij Parijs een afgesloten deel van het bos bezocht, waarin op geen enkele manier meer wordt geïntervenieerd, was ik verbaasd over het resultaat van dit ecobiologisch experiment.Ik proefde als dief – de toegang was voor mij uiteraard verboden – de kracht van de autonomie, echte natuur. Een fel contrast met het stuk ernaast, dat bestemd is voor de weekendrecreatie van vermoeide Parijzenaars. Voor het behoud van natuurgebieden is behoedzaamheid geboden. We weten uit ervaring dat mensen zich voortdurend vergissen en dat de gevolgen van die verkeerde beslissingen dramatisch zijn.

Bij elke selectie moeten we beseffen wat we willen bewaren en waarom. Van groot belang zijn de maatstaven die we daarbij hanteren. Zij vormen de grondslagen van ons handelen en zijn bij een latere verantwoording onze steunpunten. Belangrijke criteria zijn de volgende: de zeldzaamheid van de gegevens waarover het gaat, hun ouderdom, hun biologische waarde (rijkdom), hun complexiteit, hun functionaliteit (bijdrage tot de werking van het geheel waarin zij zich bevinden), hun schoonheid en nog enkele andere aspecten. Het valt niet te loochenen dat de ecologische wetenschap sinds dertig jaar grote

vorderingen heeft gemaakt in het vaststellen van relevante criteria bij de beoordeling van de waarde van natuurgegevens. Over het gewicht van de gebruikte maatstaven in de eindbeoordeling bestaan er ongetwijfeld meningsverschillen maar dat hoeft niet tot een fatalistisch scepticisme te leiden.

Tenslotte is er, in de strijd voor natuurbehoud het dimensieprobleem. Sommigen vatten het gevecht aan in hun onmiddellijke omgeving. Zij hebben genoeg van het ouderlijk tuintje met het onbetreden grasveldje en de strakke bloemperkjes en opteren voor de vrije, biologische ruimte. Daarin gaan struiken en bomen vrolijk hun eigen gang. De afgeborstelde paadjes, plastic banken en pseudo-Romeinse vazen worden opgeruimd en de wekelijkse onkruidverdelging wordt van de agenda geschrapt. Vrije ontwikkeling voor de hobbeltjes die de zestigjarige bezoekers vervloeken omdat ze altijd vrezen te vallen. Als tante Eulalie toch de tuin in wil, moet ze zelf maar naast de bultjes stappen. Wat een arrogantie, ik zou er honderd velletjes over kunnen schrijven. Het betere biologische tuintje is een vooruitgang maar als het daarbij blijft, zijn we verkeerd bezig. Vegen voor eigen vloer mag goed bedoeld zijn, het is niet doeltreffend omdat het echte gevecht tegen de natuuruitbuiting zich op een dieper vlak situeert. Ook de wilde gronden en het bos naast de kerktoren – ik denk aan mijn padvinderstijd – zijn al lang geen oplossing meer. Ze verkommeren door de vieze regen en de vervuiling van riviertjes en het grondwater. De tijd is voorbij dat we lapjes aarde geïsoleerd kunnen beschermen want zij ontsnappen niet aan de degradatie van lucht, water en bodem.

Ik pleit er niet voor om de natuurparken en grote reservaten op te doeken maar ook zij zijn het slachtoffer van dieperliggende destructieve processen zoals zure regen, aantasting van de ozonlaag, erosie en temperatuurstijging. Het blijft zinvol zich te verzetten tegen de mogelijke toekomstige exploitatie van zeer grote onontgonnen gebieden – denk aan Antarctica – met grondstoffenroof en uitroeiing van zeer waardevolle planten en dieren, maar zelfs dat is helaas onvoldoende. Wat moet er gedaan worden als dat allemaal niet genoeg is? Wat bedoelde ik met de stelling dat het gevecht tegen de natuuruitbuiting ‘zich op een dieper vlak situeert?’ Het gaat in laatste instantie om de totaalverhouding tussen wat de mensheid als geheel aan haar omgeving verandert en de mogelijkheden die de natuur overhoudt om zichzelf in stand te houden (met daarbij de wezenlijke bedenking dat de mensheid zonder die autonome, dynamische natuur geen toekomst heeft). Als we dat perspectief voor ogen houden, kunnen we niet blijven stilstaan bij de petit-bourgeois, die zijn tuintje verknoeit. We richten ons op de eigenlijke veroorzakers van de verwoesting: de moderne agrobusiness, de bloeiende bio-fabrikanten, de multinationale chemie-reuzen, de miljoenen genoegzame gebruikers van auto’s en verwarmingsinstallaties. Het zijn die actoren – ze zien er netjes uit en stemmen voor gematigden – die verantwoordelijk zijn voor de beangstigende ecologische gevolgen als daar zijn de aantasting van de ozonlaag, de verstoring van het waterhuishouden, het broeikasgegeven (met temperatuurverhoging en mogelijke kli-

maatswijzigingen) en de erosieve debacles (vernietiging van de humuslaag, droogte, woestijnvorming, overstromingen). Het probleem van het bewaren is uitgegroeid tot het belangrijkste vraagstuk van onze tijd. Voor de eerste keer in de geschiedenis van de mensheid werd een grote internationale conferentie over het natuurbehoud ingericht. Die bijeenkomst werd georganiseerd door de Verenigde Naties en had plaats in juni 1992 te Rio de Janeiro in Brazilië. Het ging essentieel over het natuurbehoud, gekoppeld aan de onderontwikkeling en liep uit op een confrontatie tussen het noorden en het zuiden van de planeet over wat er ecologisch en sociaal moest gebeuren. De resultaten van Rio waren pover omdat het noorden het been stijf hield. Toen president Bush oreerde dat de Amerikaanse levensstijl niet bespreekbaar was, fluisterde een jongetje uit Somalië achter mijn rug ‘Is dat een gangster?’ en ik zei: ‘Natuurlijk, en een hele grote.’ In Rio hebben de rijke landen het niet aangedurfd de analyse tot het einde door te zetten. Ze wilden niet praten over de basiskenmerken van het internationale economische en sociale uitbuitingssysteem, over de schuldenlast van het zuiden en de politiek van het IMF en de Wereldbank. Mensen die enerzijds beweren dat ze iets wezenlijks willen doen tegen de natuurverloedering maar anderzijds de brute exploitatie van wereldgebieden niet bespreekbaar achten, zijn ongeloofwaardig. Het ene is verbonden met het andere. Mensuitbuiting veroorzaakt meer natuuruitbuiting, die dan weer tot grotere mensuitbuiting leidt. Belangrijk is dat men langzamerhand tot het inzicht komt dat alleen een

geïntegreerde behandeling van de kwalen zinvol is. Daarbij worden de verschillende oorzaken niet gescheiden maar in hun onderlinge samenhang aangepakt, waardoor rekening kan worden gehouden met de invloed van de ene op de andere oorzaak. Uiteindelijk komen we terecht bij de vraag of ons beschavingsmodel, het kapitalistisch bestel, wel deugdelijk genoeg is om de met elkaar verbonden problemen van natuurverloedering en menselijke onderontwikkeling aan te kunnen. Tegen de zelfgenoegzame Fukuyama antwoord ik: nee. Alleen een democratisch en consequent socialisme – dus geen halfslachtige sociaaldemocratie – kan wezenlijke verbetering brengen. Venceremos.

DINGEN

Benjamin Verdonck en Guy Rombouts herschikken Jaap Kruithof

Jaap Kruithof, filosoof en hoeder der dingen

Gedachten over een ongedachte verzameling (1973-2009) –

‘Wat echt gebeurt, wat we beleven en het overige. Al het overige, waar is dat naartoe? De gebeurtenissen van elke dag, het banale, het dagelijkse, het voordehandliggende, het gewone, het normale, het onder-gewone, de achtergrondruis, het gebruikelijke: hoe houden we daar rekening mee? Hoe stellen we dat in vraag? Hoe beschrijven we dat?

Georges Perec, L’infra-ordinaire, Parijs, Le Seuil, (1973-81), 1989, p. 11.

Jaap Kruithof (1929-2009), de Belgische filosoof en auteur, liet een kritisch oeuvre na dat in Vlaamse intellectuele en universitaire kringen voor veel gespreksstof zorgde. Hij liet zijn protestantse opvoeding achter zich en ging zich verdiepen in het werk van de Duitse filosoof Hegel (naar aanleiding van zijn doctoraatsthesis aan de universiteit van Gent in 1958).1 Daarna kwam het Marxisme aan de beurt. Zijn humanistische waardenkader bracht hem van kritiek op het ‘neoliberalisme’ en de ‘kapitalistische verdrukking’ (sic) midden jaren ’80 tot kritiek op het destructieve antropocentrisme en betogen tegen de onverschilligheid rond de toekomst van onze planeet. Vele critici trachten intussen, zoals Kruithof, te beschrijven en te begrijpen wat tegenwoordig het ‘antropoceen’2 wordt genoemd: het tijdperk waarin een blind misbruik van het leven op aarde de toekomst bedreigt. Het ecologische gedachtengoed profileert zich steeds meer als afweersysteem tegen de rampzalige gevolgen van een leeggeroofde wereld.3

Het ‘ecocentrisme’ dat Kruithof 4 voorstelt, is echter meer dan een pleidooi voor het behoud van ecosystemen. Het is een levensfilosofie waarin de toekomst van de natuur moet worden verzoend met die van de cultuur. Verzoening vóór het te laat is. De wendbaarheid van zijn gedachtegoed (van religie naar Marxisme en van Marxisme naar ecocentrisme) moet niet worden gezien als een ‘recyclage’, maar veeleer als een gemeenschappelijk kenmerk: een moreel engagement in en voor de wereld. Er is een scherp en ongerust bewustzijn bij Kruithof, zelf professor ethiek,5 ten aanzien van ons onvermogen om de kwetsbaarheid (het mirakel) en de

kracht (schepping) van onze wereld rustig te aanschouwen, te zien, te begrijpen. Alsof ons vermogen om het leven te domineren en te vernietigen in verhouding staat tot ons onvermogen om onze eigen eindigheid te aanvaarden. De uitbuiting van de wereld vond haar tegenhanger in de commerciële overproductie. De overvloed aan goederen is de blinde vlek in een liberale economie van plundering en vervangbaarheid van mensen en dingen. We produceren (creëren) meer dan we consumeren (vernietigen), alsof de wereld een stortplaats met onuitputtelijke middelen is. Alsof consumeren ons kan beschermen tegen het ontkennen van de eeuwigheid. Hoe omgaan met die ongerustheid en die onverschilligheid ten overstaan van de toekomst van onze planeet? Kunnen we de planeet bewaren, redden?

Jarenlang wijdde Kruithof zich ook nauwgezet aan een andere activiteit, naast het schrijven van boeken, het doceren aan de universiteit en het becommentariëren van de maatschappelijke realiteit. Een discreet, persoonlijk en dagelijks oeuvre. Na het overlijden van zijn vader in 1973 begon hij spullen te verzamelen. Die persoonlijke verzameling bestond uiteindelijk uit 10.000 voorwerpen, waarover hij nooit letterlijk schreef.6 Ze kwam geleidelijk tot stand, bij hem thuis in Mortsel, in het huis met de naam ‘Primrose’. De afwezigheid van zijn vader en die periode van rouw stimuleerden hem om te gaan verzamelen en die stukken ordelijk uit te stallen in wat hij in 2005 het ‘Museum Primrose’7 zou gaan noemen. In de westerse wereld worden grote namen uit de geschiedenis vaak in verband gebracht met privécollecties die, na hun dood, aan musea worden toevertrouwd. Zo leeft hun naam verder in heiligdommen van musea die dankzij hen werden opgetrokken.

Vanuit dat oogpunt is het verhaal van Kruithof niet uitzonderlijk. Op één detail na. Zijn verzameling bestaat uit uitzonderlijke voorwerpen. Voorwerpen die normaal niemand bijhoudt, die geen enkel museum zoekt voor zijn bewaarcollecties of tentoonstellingen. Hij verzamelde datgene wat niets bijzonders had, niet zeldzaam of apart was. Alles wat voorbestemd was om afval te worden. Voorwerpen zonder (hoge) marktwaarde (gemiddeld tussen 10 cent en 5 euro), serieel geproduceerd (makkelijk te reproduceren en vervangbaar), soms van geringe kwaliteit, soms uit meer stevige materialen. Alles wat een kort leven beschoren was en zou worden weggegooid of in het beste geval gerecycleerd. Dat verzamelde Kruithof.

Vazen, beeldjes, brillen, borden, kerstversiering, speelgoed, dozen, decoratie, gereedschap, vorken, lepels, flessen, medische instrumenten, haarborstels, tegels, snuisterijen, vergrootglazen, scharen, lampen, kruisbeelden, kandelaars, uurwerken, toeristische souvenirs, voorwerpen in glas, in metaal, in hout (weinig in plastic), ....8 Met die wirwar aan objecten besloot de filosoof een verzameling aan te leggen. Om ze te redden? Al die voorwerpen die ooit functioneel werden gebruikt en daarna ophielden te bestaan, werden collector’s items. Al die voorwerpen die, normaal gezien, in een huis rondslingeren, gingen zijn huis transformeren. Van de kelder over de slaapkamer tot het salon: het huis van Kruithof herbergde een museum dat hij (zelden) voor bezoekers, voor familie en vrienden openstelde.

Een verzameling voor zichzelf en bij hem thuis. Objecten die onze samenleving deelt (anonieme dagelijkse voorwerpen) raakten vermengd met persoonlijke objecten van de filosoof (familiestukken). Bijna dertig jaar (tussen 1973 en 2009) kuierde hij langs veilingen, rommelmarkten, garageverkopen, vlooienmarkten, kringloopwinkels en andere tweedehandszaken. Hij bracht al zijn vondsten, doorgaans gebruikte voorwerpen, mee naar huis. Op die manier zette Kruithof zijn huis open voor zowel de dagelijksheid van mensen als voor dagelijkse dingen. Hij hield zich niet enkel bezig met het verzamelen, maar ook met het schikken en herschikken van de steeds grotere hoeveelheid banale voorwerpen. Dat tentoonstellen zouden we in de terminologie van Barthes kunnen omschrijven als de ‘nulgraad’ van de scenografie.9 Hij neutraliseerde stijleffecten, esthetiek en zingeving door de objecten op rekken (en soms op tafels of in kistjes) uit te stallen, op te stapelen en te schikken. In zijn museumdemocratie bracht de filosoof schijnbaar geen hiërarchie aan. Alles was welkom en seriële voorwerpen werden bijzonder. Opgeborgen objecten, als in de depots van een museum. Voorwerpen die ergens op leken te wachten, uit de wereld weggeplukt en samengebracht. In een museum op mensenmaat, waarin alle voorwerpen uniek waren. Ze werden verzameld, bij de hand gehouden en beschermd in een ‘archief van mogelijke betekenissen’. Kruithof gaf nergens een overzichtelijke beschrijving van zijn verzameling. Hij gaf het oplijsten vrij snel op. Hij rechtvaardigde zijn selectie zonder meer als ‘visuele intuïtie’.10 De initimiteit en nabijheid van al die verschillende voorwerpen doet vragen rijzen. Is dit een verzamelobject (bijzonder) of een alledaags voorwerp (gewoon)? Het antwoord op die vraag is verontrustend: alledaagse voorwerpen zijn tegelijk verzamelobjecten.

De collectie van Jaap Kruithof bewaart wat gedoemd was verloren te gaan. Objecten ontworpen en geproduceerd door een samenleving van overvloed waarvan ze, met vertraging, getuigenis afleggen. Door ze te verzamelen, besluit hij ze te redden. Zijn museum is als een ‘ark voor voorwerpen’, waarbij het risico op een ecologische catastrofe doorklinkt in de echo van een Bijbelse zondvloed. Waarvan legt zijn verzameling getuigenis af? Een onzinnige collectie?11 Een provocatie?

Huis Primrose - Museum Primrose (Eerste verdieping en Serre), 2009 (foto’s van Philip Boël)

Waarom voorwerpen bijhouden die niemand wil bewaren? Het raadsel leidde na de dood van de filosoof tot verlegenheid. Bij de dood van hun vader erfden zijn kinderen zijn verzameling. Ze wilden die eigenlijk niet bijhouden, maar ook niet weggooien. Het plan om de verzameling in 2010 aan het Museum aan de Stroom (MAS) te schenken, bleek een uitstekend idee. Het Museum werd zo erfgenaam van het raadsel, van een raadselachtige verzameling van 160 dozen waarin 10.000 voorwerpen zaten. Kruithof zelf ging ervan uit dat geen enkel museum zijn verzameling zou willen.12 Waarom het banale bewaren, datgene wat gebeurt zonder dat we ons ervan bewust zijn, zonder dat we het op dat moment beseffen, zonder belang. De schenking bracht op haar beurt het museum in verlegenheid, omdat het daardoor in vraag werd gesteld. Aanvankelijk besloot het MAS de collectie niet te klasseren. Ze werd ‘in de wachtrij’ gezet, ze onderging een overgangsritueel en werd ondergebracht in een ‘transitzone’, vergelijkbaar met een vagevuur. Er werd tijd genomen om over een bestemming voor de objecten na te denken, om te bedenken welke objecten voor de eeuwigheid deel zouden uitmaken van de museumcollecties en welke niet. In 2019 nam het MAS een stoutmoedig besluit. Het museum besloot afstand te doen van de helft van de collectie en die terug te sturen naar haar oorsprong met het oog op hergebruik (upcycling) binnen de maatschappij. De andere helft van de verzameling bleef bewaard en is nu bestemd voor installaties en interpretaties die de waarde van dingen in vraag stellen.13 Het museum liet het banale binnen zijn muren toe. En daarmee de afzienbare tijd, de alledaagsheid van het heden. Hoe kunnen we die geste begrijpen? Wat is er in de verzameling te zien? Laten we de vraag omdraaien: wat staart ons aan als we de verzameling bekijken?14

Museum Primrose, Kelder B, 2009 (foto van Philip Boël)

EEN (ON)MOGELIJKE TERUGKEER NAAR HET VERLEDEN

Een deel van de hedendaagse kunst vermengt ook graag ‘gewoon’ met ‘bijzonder’, ‘echt’ met ‘vals’, ‘origineel’ met ‘kopie’, .... In zijn werken rond de/zijn herinnering maakte ook de Franse kunstenaar Christian Boltanski een inventaris van het alledaagse op. In de eerste plaats een inventaris van herinneringen aan autobiografische voorwerpen. In 1969 trachtte de kunstenaar alle momenten die hij in zijn jeugd beleefde, tot aan de leeftijd van zes jaar (1944-1950), te reconstrueren in Recherche et présentation de tout ce qui reste de mon enfance. ‘Ik besloot me toe te leggen op een project dat ik al lange tijd koesterde: onszelf helemaal bewaren, sporen van elk moment in ons leven en van elk voorwerp in onze omgeving bijhouden, van al onze uitspraken en van alles wat er rondom ons werd gezegd. Dat was mijn bedoeling’.15 Een onmogelijke terugkeer naar het verleden, een onmogelijke terugkeer van al die voorwerpen. Hij bracht steeds vaker het verleden in beeld: Essais de reconstitutions (1970), Vitrines de références (1972). Boltanski stelde (valse) souvenirs uit zijn kindertijd voor. Dix portraits photographiques de Christian Boltanski, 1946-1964 (1972): een reeks kinderfoto’s waarmee Christian Boltanski zichzelf voorstelde toen hij 5, 6, 7, ... jaar oud was. Ze toonden niet wie hij was, maar wie hij had kunnen zijn. De gefotografeerde kinderen leken op hem. Waarom geen foto’s van zichzelf? In Inventaires multiples (een vijftiental) werden ze dan weer naast elkaar getoond: alle voorwerpen en meubelstukken die aan één individu toebehoorden. Elke afbeelding en elk object kreeg een label, als in een inventaris na een overlijden. Kunnen we louter op basis van die objecten iemand identificeren, herkennen of terugvinden? Er zijn zo veel gelijkenissen! ‘Elk leven is bijzonder, maar alle levens lijken op elkaar. Dat is wat die werken ons lijken te vertellen. Ze tonen telkens dezelfde soort familiefoto’s en vergelijkbare meubelstukken’.16 Is elke herinnering aan een voorwerp niet zonder meer autobiografisch? Zoals de kunstenaar toelicht: ‘de inventarissen vertellen niets over het individu. Het enige interessante is dat wie er naar kijkt er zijn of haar eigen portret in herkent. We bezitten immers allemaal min of meer gelijkaardige voorwerpen: een bed, een tandenborstel, een kam, ...’.17

DE SOCIOLOGIE VAN DE ACHTERDOCHT

Lokt de verzameling van de filosoof autobiografische herinneringen uit, tegelijk stemt ze ook tot nadenken over het lot van alledaagse voorwerpen in onze samenleving. Voorwerpen die we uit het oog verliezen en waaraan we geen waarde hechten, die enkel goed zijn om (eenmalig?) te gebruiken en daarna hun nut verliezen en worden weggegooid. Alsof het alledaagse en de bijbehorende objecten, die telkens opnieuw en dag na dag terugkeren, niet veel voorstellen. We vergeten dat ze moeten worden gemaakt om te bestaan, zelfs ten koste van een samenleving vol ongelijkheden en dominanties.

Sinds de jaren ‘70, de bloeiperiode van de consumptiemaatschappij, wijst de aanwezigheid van consumptiegoederen op maatschappelijk succes, als bewijsstukken voor geluk. De samenleving sust zichzelf door haar bestaan te rechtvaardigen via bezit en haar destructief (consumptie)vermogen. De sociologie zal een domper op die feestvreugde zetten. De sociologische achterdocht rond bezittingen ontwikkelt zich vanuit de marxistische kritiek op het verafgoden van goederen. Het object is slechts uiterlijke schijn en onecht, alsof de identificatie tussen tekens en dingen een illusie zou zijn. Alsof elk object de stempel draagt van een mislukking, een misbruik, een faling van sociale relaties. De sociologie van de achterdocht van Jean Baudrillard radicaliseert de kritiek op koopwaar en toont aan ‘hoe objecten doordrongen zijn van alles waarvoor in menselijke relaties geen plaats is’.18 Vanuit dat oogpunt is de aanwezigheid van dingen een teken van rouw binnen menselijke relaties vandaag. Elk object wordt gezien als een vorm van ‘troost’. Het object houdt niet alleen een compensatie in, maar schept ook ruimte voor illusies, voor dominantie, voor verafgoding, voor vervreemding. De toekenning van identiteit aan dingen wordt bevraagd. Is er echt iets? Zit er wel iemand achter het object? Creëert het object een sociale link in een gemeenschap van bezetenen? Kan het object tegelijk een expressie van de sociale dominantie en van de scheppingskracht van mensen zijn? De verzameling van Kruithof toont aan dat het de hedendaagse maatschappij is die ons blind maakt, die ons niet langer in staat stelt te zien en die ons onverschillig laat, zelfs in de mate dat we alles zouden willen weggooien.

Museum Primrose, Kelder C, 2009 (foto van Philip Boël)
‘WIE

EEN BERG AFVAL DOORZOEKT, KRIJGT INZICHT IN HOE EEN SAMENLEVING FUNCTIONEERT’

De spanning tussen het leven (het bewaarde) en de dood (het weggegooide) is altijd merkwaardig. Zowel de behandeling als de bestemming van afval past in een sociale logica. Een logica die bepaalt hoe een cultuur zich verhoudt tot de voorbij glijdende tijd, tot eindigheid. Afval is datgene waarvan we afscheid moeten nemen, dat de beslotenheid van onze thuisomgeving overstijgt. De ontologie van afval is ruimtelijk en circulair, zoals aangetoond door Mary Douglas. De Britse antropologe schreef vol passie over de begrippen ‘vuil’ en ‘vies’. Die verwijzen naar datgene waarvan we afscheid moeten nemen, datgene wat door de maatschappij wordt verstoten om de orde te herstellen. ‘Afval’ is iets wat hier niet op zijn plaats is, en soms geen plaats heeft. ‘Vuil is iets wat hier niet op zijn plaats is. Die idee impliceert tegelijk het bestaan van geordende relaties en een verstoring van die orde’.19 Dat onderscheid verwijst naar de ervaring van afbraak, een onverdraaglijk anders-zijn dat een gevaar vormt voor het evenwicht en de sociale eenheid. Zuiveringsrituelen moeten een halt toeroepen aan de verspreiding van en de besmetting met vuil. Zo wordt de integriteit van ons sociaal of individueel lichaam gevrijwaard. Die stelling is verder uitgewerkt door John Scanlan,20 die aantoonde hoe afval en vuil aan de cultuur toelaten zich te profileren. Afval is cultuurgebonden. Afval en de manier waarop we daarmee omgaan verlenen inzicht in hoe een samenleving aankijkt tegen de scheiding tussen mens en natuur. Vanuit dat oogpunt is cultuur een ruimte waarin afval wordt geproduceerd en verbannen. Dat afval vergaat en wordt zo opnieuw een krachtige ontkenning van cultuur, het einde van cultuur, het verval van cultuur en van het bestaan. Die viezigheid is het privilege van cultuur. In de natuur komt het niet voor. Vuil ‘zondigt’ tegen cultuur. Het is de bevestiging van de eigen eindigheid, van het risico dat we verloren gaan. Cultuur wil zich van dat verlies ontdoen. Afscheid nemen van wat is geproduceerd.

In de scheiding tussen wat wel en niet als afval wordt beschouwd, onthult zich anders gezegd de samenleving. Dat toonde ook Michael Thompson aan in zijn beroemde werk over afval: de overbodigheid van dingen is een maatstaf voor het maatschappelijke klimaat.21 We kunnen een samenleving analyseren op basis van wat voor haar geen waarde meer heeft en wordt weggegooid. Hechten mensen meer belang aan een ‘conservenblikje dan aan een luxueus juweel’?

‘Wie een berg afval doorzoekt, krijgt inzicht in hoe een samenleving functioneert’, besluit Marcel Griaule.22

BEWIJSSTUKKEN

De antropologie heeft altijd interesse gehad voor dagelijkse voorwerpen, objecten van beperkte waarde en zelfs voor afval.23 Kruithof verzamelde bijna uitsluitend gebruikte tweedehandse dingen. Die objecten danken hun waarde vooral aan hun geschiedenis. Ze zijn getekend door gebruik of slijtage, het zijn tekens van geschiedenis. De oudste objecten zijn waardevol omdat ze al lang geleden in onbruik raakten. Andere dingen staan op het punt te verdwijnen, omdat het wegwerpgoederen zijn die voor een beperkte tijd werden gemaakt. Etnografen waren altijd al in die objecten geïnteresseerd en zagen ze als ‘bewijsstukken’ voor de samenlevingen die ze bestudeerden. Op voorwaarde dat ze een geschiedenis meemaakten - en soms in onbruik geraakten - kunnen objecten op een overtuigende manier getuigenis afleggen. Zoals Jean Bazin opmerkt, vergissen etnografen zich daarin niet: ‘Een etnograaf die iets koopt, koopt enkel buitenkansjes, gebruikte spullen met een garantiecertificaat van gebruikt te zijn. […] Vandaar de interesse van de verzamelaar-etnograaf voor hopen rommel en oude zolders: als de dingen weggegooid of verwaarloosd zijn is dat omdat ze ooit gebruikt zijn geweest’.24 Dagelijkse voorwerpen hebben een onbedoelde archiefwaarde. Zoals Marcel Griaule in 1931 benadrukte in Instructions sommaires pour les collecteurs d’objets ethnographiques: ‘Een collectie voorwerpen die systematisch werd verzameld, herbergt een schat aan ‘bewijsstukken’. Het samenbrengen daarvan doet een archief ontstaan dat meer onthult en betrouwbaarder is dan geschreven archieven [...]’.25

De stelling dat voorwerpen een bewijskracht bezitten in de mate waarin ze niet bestaan als bewust archief, houdt in dat ze verslag uitbrengen van de geschiedenis zonder ooit als getuige daarvan te zijn bedacht. Zolang ze worden gebruikt, zijn er geen intenties en wordt er geen voorbehoud gemaakt bij de dag dat ze getuigen zouden worden. Het type objecten dat we thuis aantreffen, de huishoudelijke voorwerpen, delen die onbedoelde archiefwaarde: ‘Al die documenten die zich in onze woningen opstapelen […] zijn niet het resultaat van een bewuste beslissing, zoals dat bij een verzamelaar van oude papieren wel het geval zou zijn. Ze stapelen zich organisch op als gevolg van de feiten en handelingen die ons dagelijks leven uitmaken. Die documenten vormen dus een archief in de meest strikte zin van het woord […]’.26 Etnografen selecteren het dagelijkse en soms het weggegooide. Ze verzamelen hun objecten via wat Denis Hollier omschreef als ‘epistemologische liefdadigheid’.27 De auteur gebruikt die term met betrekking tot de stichters van het eerste grote etnografische museum in Frankrijk: het Musée de l’Homme dat in 1937 de deuren opende. Directeurs Paul Rivet en Georges-Henri Rivière wilden de etnografie onderwerpen aan een vorm van dehiërarchisering van kennis. Alle studieobjecten - met inbegrip van het museum - hadden een heuristische waarde aan de hand waarvan een samenleving kan worden doorgrond: van het maatschappelijk meest gevaloriseerde tot het sterkst afgewezene. Al die resten doen vragen rijzen bij het feit dat bepaalde voorwerpen

(als afval) van cultuur kunnen worden uitgesloten, terwijl andere (als verzamelobjecten) worden beschouwd als waardevolle getuigen.

WAT BEWAREN?

Indien we ervan uitgaan dat alle voorwerpen waardevol zijn, hoe kunnen we dan beslissen wat we in archieven en musea zullen bewaren? In de in 1992 geschreven en hier opnieuw gepubliceerde tekst Bewaren 28 stelt Kruithof die vraag op verschillende manieren. In de huidige kapitalistische samenleving observeert hij drie contexten en drie attitudes ten aanzien van het bewaren. De eerste context is die van de productie, van de economische, maatschappelijke en culturele activiteit waarin - volgens hem - niets wordt bewaard. De tweede context omvat diegenen die niet lijken te produceren en die enkel worden ‘bewaard’. Laatstgenoemden hebben geen enkele macht: kinderen, gevangenen, asielzoekers, huisvrouwen, .... De derde context is die van de archieven, de musea en het erfgoed. Kortom, die van het collectief geheugen dat de samenleving weerspiegelt. Maar die weerspiegeling is nooit correct, noch een getrouwe kopie. De taak van archivarissen is dan ook quasi onmogelijk. Archivarissen of bewaarders worden geconfronteerd met het probleem van de selectie: ‘Beseffen zij wat er over honderd jaar nuttig zal zijn om de jaren negentig van onze eeuw te begrijpen?

Museum Primrose, KELDER A, 2009 (foto van Philip Boël)

Hoe bepalen zij vandaag wat historici in 2100 te weten willen komen over onze tijd? Die vraag moet onbeantwoord blijven omdat we niet kunnen achterhalen hoe de zaken dan beoordeeld worden’. Kruithof maakt zich hierbij vooral zorgen over de manipulatie van het geheugen én over erfgoed als vlucht uit de realiteit.

In zijn essay Bewaren toont Kruithof het belang dat hij enerzijds hecht aan het concept ‘bewaren’ en anderzijds aan de kritiek op de consumptiemaatschappij. Bewaren is voor Kruithof dan ook minder een inhoudelijke dan een ethische kwestie. De geschiedenis deed ons evolueren naar wat de filosoof beschouwt als een ‘derde tijdperk’ met betrekking tot bewaren. In het eerste ontwikkelingsstadium was conservatie levensnoodzakelijk binnen een systeem met beperkte productie. Daarop volgde een tweede stadium waarin we de keuze kregen: onze rijkdommen bewaren of weggooien? De consumptiemaatschappij loodst ons binnen in een laatste, kritiek stadium waarbij overproductie ons tot bewaring dwingt. We moeten, zegt Kruithof, de productie beperken als we ons zelf in stand willen houden: ‘Als we geen paal en perk stellen aan het dolle voortbrengen en verbruiken, zullen we onze omgeving en onszelf uitschakelen’. De consumptiemaatschappij is een destructieve gemeenschap, veeleer dan een productiegerichte samenleving. Ze vernietigt vooral dingen en blijft onophoudelijk en gretig verbruiken. Ze vernietigt ook mensen die ze van consumptie uitsluit: alle ‘outcasts’ die ze isoleert in gevangenissen, ziekenhuizen, opvangcentra, vluchtelingenkampen en andere gesloten instellingen. Al diegenen die niet in staat zijn deel te nemen aan de jachtige, zogenaamd inclusieve consumptiemaatschappij. Die hele dynamiek wordt volgens hem aangestuurd door een derde kracht: die van onze archieven en van ons individueel en collectief geheugen dat de herinneringen van de samenleving registreert en bewaart. Maar die geheugenkracht vervult een compenserende rol: terwijl de samenleving produceert en vernietigt, beweert zij de wereld bij te houden en te bewaren. Die bewaring is een ‘illusie’, een vorm van vervreemding. Het geheugen van de wereld zou haar eigen verdwijning beter erkennen. Dat de wereld onmogelijk in stand kan worden gehouden, blijkt uit de vermenigvuldiging van de beelden, we worden verblind door haar virtuele aanwezigheid en verliezen het zicht op de werkelijkheid. In het licht van de ecologische rampen die zich momenteel voltrekken en die door de samenleving van overproductie worden georkestreerd, stelt Kruithof dat ‘Het probleem van het bewaren is uitgegroeid tot het belangrijkste vraagstuk van onze tijd’. Het komt erop aan de natuur te beschermen tegen de rampen die de cultuur veroorzaakt en de vernietigende kracht van cultuur te beperken. Op dat punt liggen de ecologische bekommernissen van Kruithof in het verlengde van zijn geloof in de democratie en het socialisme. De wereld kan zichzelf niet in stand houden zonder een rechtvaardige samenleving van gelijkheid.

Zijn verzameling is zijn onbedacht antwoord op de vraag: Wat bewaren? De meeste musea antwoorden vanuit de ivoren toren van Cultuur en weren de geschiedenis van slachtoffers, anekdotes, het banale en het dagelijkse uit hun midden. Dagelijkse cultuur kreeg meer dan een eeuw geleden een plaats in etnografische musea, maar bleef binnen de hiërarchie van musea en collecties marginaal. Hoe kunnen we dat rechtvaardigen? De controverse en de aarzeling rond de opname van de verzameling van Kruithof in de collectie van het MAS is een interessant voorbeeld van de weifelende omgang met dagelijkse dingen in musea. Moeten we die weinig kostbare collecties in de wachtrij plaatsen, moeten we een selectie maken of moeten we alles zonder onderscheid klasseren? Selecteren, met het risico het ‘banale’ te verliezen, of niet selecteren, met het risico het ‘overbodige’ te bewaren? Alle museumconservatoren worden gedwongen keuzes te maken en dat is voor ieder van hen een uitdaging. Het bewaren van dagelijkse voorwerpen gaat over het inschatten van sociale waarde (en dus van de geheugenwaarde), maar ook over het omgaan met tijdelijkheid. Kunnen we het dagelijkse altijd bewaren? Het lijkt een onbegonnen werk. Het dagelijkse overspoelt ons, stapelt eindeloos ervaringen en voorwerpen op. Waarom zouden we het echter niet proberen? Waarom verbannen we uit musea datgene wat de geschiedenis nog niet sorteerde en wat dus nog niet waardevol genoeg werd bevonden om te bewaren? Een collectie van het heden oprichten, precies in wat we vandaag de etnografische musea van de huidige tijd of ‘maatschappelijke musea’ noemen. Daarvoor is moed nodig van een instelling die het gebaar van Kruithof overneemt en kiest voor de paradox waarin datgene wordt bewaard wat een samenleving tot verdwijnen voorbestemt. Het verlies bewaren, datgene bewaren wat gedoemd is te verdwijnen of wat nooit zal geselecteerd worden om te bewaren, is een sterk statement van musea die trachten een samenleving te doorgronden. Is dat niet de (stilzwijgende) taak van elk museum: de voorbij glijdende tijd bewaren in een poging het bewustzijn daarrond aan te scherpen? Musea rechtvaardigen hun collectiekeuzes vaak in het licht van wat zij ‘uitzonderlijk’ en ‘bijzonder’ vinden. Is er daarnaast geen nood aan collecties van het banale en het nutteloze? Het banale herhaalt zich, net als het alledaagse. Valt er iets te zeggen, te schrijven? Een veelzeggend niemendalletje, dat voortdurend van zich doet spreken. In 1913 bepleitte Marcel Duchamp de onverschilligheid. Industriële objecten brengen onverschilligheid teweeg. De ready-mades van Duchamp zijn tegelijk een bedrog en een protest vanuit de kunst. Werken die al werden gemaakt, nog voor ze werden gecreëerd, waarvan de levenscyclus al voorbij is en die al dood zijn. Vervalste objecten leggen als geen ander een afwezigheid bloot, die van de mens.29 Is er iets: kunst, leven of niets? Wat is er nog uniek in een productiegerichte samenleving, waarin alles – en zelfs de kunst - wordt gereproduceerd? Wat is nog origineel?, vraagt Duchamp zich af. Waarom geen einde maken aan de

onverschilligheid van objecten ten overstaan van de wereld? Hoe ons laten raken door de banaliteit van de wereld (met goed en kwaad)? Hoe plots beseffen dat we niet langer zien wat ons in onze consumptiemaatschappij wordt voorgeschoteld? Hoe onthutst raken door wat Duchamp ‘l’inframince’ noemt, het onzichtbare verschil tussen twee dingen: ‘Metrohekjes - mensen die daar op het laatste moment doorheen glippen: inframince’.30 Hoe beschrijven we wat er gebeurt als er niets of bijna niets gebeurt? ‘Leven is vanuit de ene ruimte de andere binnen stappen en zo veel mogelijk proberen om onderweg nergens tegenaan te lopen’ , waarschuwt Perec.31 Het is op die drempels, in die tussenruimten, dat de gehechtheid aan de wereld zich nestelt.

Kruithof, zoon van een predikant, vertelde graag dat hij ‘drie huizen’ had bewoond.32 Dat van zijn kindertijd en zijn protestantse opvoeding. Daarna dat van het humanisme, verlicht door het wetenschappelijk bewustzijn van zijn onderzoek. En tot slot dat van het socialisme, waar hij zich liet leiden door een scherp inzicht in de kritiek op het kapitalisme en de onverschillige samenleving. Het MAS biedt hem nu een vierde huis aan en ontvangt zijn collectie. Deze ‘hoeder der dingen’ brengt ons dichter bij datgene wat we zouden weggooien in een wereld zonder geheugen die we als stortplaats gebruiken. De voorwerpen keren terug naar de gemeenschap om een einde te maken aan de onverschilligheid. Zo ontvangt de samenleving betekenisvolle resten. Hun slijtage herinnert aan de voorbijglijdende tijd. Ze zijn rijk door wat ze hebben verloren. Door te verwijzen naar wat ze niet langer zijn, scheppen ze ruimte voor het verleden. Zo laten ze het heden toe zich te profileren: ‘De huidige tijd vereist de aanwezigheid van dingen die duidelijk de stempel dragen van wat ze verloren, van wat ze niet meer zijn (…). Het heden geeft een actuele betekenis aan resten, het heden is hun recyclage’.33 Door het heden krijgt het verleden een nieuwe invulling. Daarvoor kunnen musea zorgen.

Notes

1 Gepubliceerd in 1959: Jaap Kruithof. Het uitgangspunt van Hegel’s ontologie. 1959. Cf. de kritische kanttekening van Jean Paumen in Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 39 (1961) 926-929.

2 Cf. François Gemenne, e.a. Atlas de l’anthropocène, Parijs, Presses de Sciences Po, 2019.

3 Cf. Déborah Danowski en Edouardo Viveiros de Castro, red. The Ends of the World, Polity Press, (2014), 2016.

4 Jaap Kruithof, De mens aan de grens. Berchem, Epo, 1985.

5 Hij was van 1964 tot 1995 professor ethiek aan de universiteit van Gent, waar hij met Leo Apostel het departement moraalwetenschappen oprichtte. Gita Deneckere, Uit de ivoren toren. 200 jaar universiteit Gent, Gent, Tijdsbeeld, 2017, 72-77.

6 Kruithof heeft zijn verzameling nooit in detail beschreven, noch in zijn boeken, noch in de hier gepubliceerde tekst Bewaren. Toch versterken dat essay en zijn collectie elkaar in hun radicaliteit.

7 Jaap Kruithof, Gids Museum Primrose, 2005, 5-6 ter.

8 Een gedetailleerde beschrijving is te vinden op https://issuu.com/museastadantwerpen/docs/mas_collectiejaap-kruithof_2019. Voor een visueel overzicht van zijn verzameling verwijzen we naar: Huis van Alijn, Omgaan met de dingen, 2009 (foto’s Philip Boël). En naar de inventaris bij het MAS: https://search.mas.be/ results (‘Kruithof’).

9 Cf. Rolland Barthes, De nulgraad van het schrijven: inleiding in de semiologie. Amsterdam, Meulenhoff, 1982.

10 Jaap Kruithof, Gids Museum Primrose, 2005, p. 6 ter.

11 Cf. Lincoln Geraghty, red. Cult collectors, Nostalgia, fandom and collecting popular culture. Routlege, 2014.

12 Interview met Jaap Kruithof door tapisplein vzw, november 2007.

13 De kunstenaars Benjamin Verdonck en Guy Rombouts maken een werk met deze 5000 dingen dat ze tonen in het MAS van april 2020 tot april 2022. Voor meer informatie over de beslissing van het MAS: https://issuu.com/museastadantwerpen/docs/mas_collectie-jaap-kruithof_2019.

14 Cf. Georges Didi-Huberman, Ce que nous voyons, ce qui nous regarde. Parijs, Minuit, 1992.

15 Tekst uit 1969, overgenomen door Christian Boltanski: ‘Monumenta 2010’, Art Press, 2010, p. 52.

16 Christian Boltanski, Christian Boltanski, (catalogus), Parijs, Flammarion, 2011, p. 18.

17 Christian Boltanski, Catherine Grenier, La vie possible de Christian Boltanski, Parijs, Seuil, 2010, p. 85. Cf. ook, Faire son temps, (catalogus) Parijs, Centre Georges Pompidou, 2019.

18 Jean Baudrillard, Le système des objets, Parijs, Gallimard, 1968, p. 126.

19 Mary Douglas, De la souillure, Essai sur les notions de pollution et de tabou. Parijs, La Découverte, (1967), 2001, p. 55.

20 John Scanlan, On Garbage, Londen, Reaktion Books, 2005.

21 Michael Thompson, Rubbish Theory The Creation and Destruction of Value, Oxford (NY), Oxford University Press, 1979.

22 Marcel Griaule, Instructions sommaires pour les collections d’objets ethnographiques, (brochure samengesteld op basis van de lessen van Marcel Mauss aan het etnologisch instituut), Musée d’Ethnographie du Trocadéro, missie Dakar-Djibouti, 1931, p. 8-9.

23 Cf. het essay dat ik aan die kwestie wijdde in Octave Debary, De la poubelle au musée. Une anthropologie des restes, inleiding door Philippe Descola, Parijs, Créaphis, 2019.

24 Jean Bazin, ‘N’importe quoi’, in M-O. Gonseth, J. Hainard, R. Kaehr, red. Le musée cannibale, Neuchâtel, MEN, 2002, p. 281-282.

25 Marcel Griaule, Instructions sommaires pour les collections d’objets ethnographiques, p. 8.

26 Krzysztof Pominan, ‘Les archives’, in Pierre Nora, red. Les lieux de mémoire (3). Parijs, Gallimard, 1997, p. 4054.

27 Denis Hollier, ‘La valeur d’usage de l’impossible’, Inleiding op de herdruk van Documents (1929-1931), J.-M. Place, Parijs, 1991, p. XVII.

28 Uit Jaap Kruithof, Ingaan op de dingen. Over het gedrag van de moderne westerling. Antwerpen, Dedalus, 1992.

29 Cf. Hadrien Laroche, Duchamp déchets, Parijs, Ed du Regard, 2014.

30 Marcel Duchamp, Notes, Parijs, Flammarion, (1980), 1990. p. 22.

31 Georges Perec, L’infra-ordinaire, Parijs, Le Seuil, (1973-81), 1989, p. 14.

32 Jaap Kruithof, De Mens aan de Grens, p. 220.

33 Johanne Villeneuve, red. La mémoire des déchets. Essais sur la culture et la valeur du passé, Montréal, Nota Bene, 1999, p. 238.

OVER DE AUTEURS

Jaap Kruithof (1929-2009) was een Belgisch filosoof. Van 1964 tot 1995 werkte hij als hoogleraar Ethiek aan de Universiteit Gent. Hij richtte er samen met Leo Apostel de opleiding Moraalwetenschappen op. Van de jaren 1960 tot 2000 was hij in Vlaanderen een invloedrijk maatschappijcriticus. Vanaf midden jaren 1980 bekritiseerde hij steeds meer de wegwerpcultuur. In zijn privéleven was Kruithof een gepassioneerde verzamelaar. Hij verzamelde vooral wat anderen doorgaans niet bewaren. Hij stelde zijn verzameling van 10 000 alledaagse dingen thuis op in zijn Museum Primrose. Een terugkerende gedachte van Jaap Kruithof was: ‘We gooien te veel weg en we gooien het verkeerde weg.’

Octave Debary is antropoloog, professor aan de Université de Paris, directeur van het Centre d’Anthropologie Culturelle (CANTHEL), SHS Sorbonne. Hij is tevens gastdocent aan de Université de Neuchâtel in Zwitserland, waar hij museumen kunstantropologie doceert. Als onderzoeker richt hij zich op een vergelijkende antropologie van het geheugen en de tijd. Hij werkt regelmatig samen met kunstenaars en musea. http://canthel.shs.parisdescartes.fr/od/

Benjamin Verdonck woont en leeft in Antwerpen. Hij is theatermaker, beeldend kunstenaar, schrijver en verzamelaar. Zijn werk laat zich lezen als een niet-aflatende stroom voorstellingen, installaties, acties, tafeltonelen en vlugschriften. In zijn eigenzinnige praktijk krijgen ‘de dingen’ vaak een hoofdrol: objecten, vormen, vlakken, verzamelingen van gevonden voorwerpen, die hij voor zich laat spreken. In reactie op zijn grootschalige ingrepen in de publieke ruimte (zoals het zwaluwnest tegen een appartementsgebouw in Brussel of een

jaar lang actie in Antwerpen tijdens Kalender 09) werkt Benjamin Verdonck de laatste jaren aan een reeks kleine, mobiele theatervormen uit hout, verf, touwtjes en karton. www.benjamin-verdonck.be

Guy Rombouts is een Belgisch beeldend kunstenaar en verzamelaar. Hij debuteerde in 1982 met de tentoonstelling 1001 dingen van 18 frank en werkte al vaker met gevonden voorwerpen. Hij heeft vooral een grote fascinatie voor taal en letters. Guy Rombouts verbond in verschillende projecten letters met geluiden, vormen en kleuren. Hij ontwikkelde in 1982 het Azart-alfabet, waarbij ons Romeins alfabet verschijnt in vakantiekleding. De 26 letters worden voorgesteld met 26 lijnen zonder snijpunt en met kleuren. Het was het vertrekpunt voor installaties met voorwerpen, grafische werken en kunstwerken in de openbare ruimte, zoals de 9 Letterbruggen in Amsterdam en het metrostation Tomberg in Brussel. www.azart.be

Leen Beyers deed samen met vele partners het waarderingsonderzoek voor de Collectie Jaap Kruithof. Ze is in het MAS hoofd van het curatorenteam dat de MAS collectie, die reikt van de stad en haven van Antwerpen tot de overzeese handel en tot Europa, Azië, Afrika, Amerika en Oceanië, onderzoekt, exposeert en actualiseert. Ze is daarnaast conservator voor de MAS verzameling ‘cultuur en geschiedenis Antwerpen’. Ze is doctor in de geschiedenis en master in de antropologie. Haar expertise als onderzoeker en curator betreft vooral stadsgeschiedenis, migratie, eetcultuur, mondelinge geschiedenis en herinnering. Ze is bestuurslid van COMCOL, het internationale ICOM comité over verzamelen.

BEWAREN

IS EEN INITIATIEF EN ORGANISATIE VAN:

MAS | Museum aan de Stroom

COÖRDINATIE | Leen Beyers

FOTO’S EN BEELDEN | Benjamin Verdonck en Guy Rombouts: Dingen p. 2, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44 en 45; Pat Verbruggen: cover, p. 34, 35 en 64; Philip Boël en MAS

TEKSTREDACTIE | Leen Beyers

VORMGEVING | Ann Walkers / BAI

Met dank aan Karen, Jaap en Marc Kruithof, Carl Depauw, Els Veraverbeke, Philip Boël en alle andere partners, vrijwilligers en collega’s die betrokken waren bij het waarderingsonderzoek van de Collectie Jaap Kruithof en de DINGEN expo van het MAS.

© teksten: MAS | Museum aan de Stroom © afbeeldingen: Philip Boël en MAS | Museum aan de Stroom

Een uitgave van BAI in samenwerking met MAS | Museum aan de Stroom

ISBN 9789085868071

D/2020/5751/6

Niets van deze uitgave mag openbaar gemaakt of gedupliceerd worden zonder schriftelijke toestemming van de uitgever, behoudens hetgeen door de wet wordt toegestaan. De uitgever heeft ernaar gestreefd auteursrechten op de illustraties te regelen volgens wettelijke bepalingen. Wie meent toch zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich alsnog tot de uitgever te wenden.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.