Skip to main content

2009 0716 <h>art vermeiren gerrit nl [m fi 50] & [m st 136]

Page 1

Philippe Vandenberg 1952 – 2009 EVIL – EXIL – VILE

“Er bestaat, denk ik, weinig of geen kunst over het geluk. De mens heeft dat niet nodig.” Zo liet Philippe Vandenberg optekenen in zijn laatste interview met dit blad (zie <H>ART #34 van 27 maart 2008). Kunst over het geluk is inderdaad overbodig; dat geluk zelf is dat natuurlijk niet. Philippe Vandenberg werd dood aangetroffen in zijn atelier op dinsdagochtend 30 juni. In de nacht van maandag op dinsdag heeft de kunstenaar zelfmoord gepleegd. Er is iets stuitend aan de manier waarop zijn dood in de media verscheen. Vandenberg kende zijn grootste successen en diepste nederlagen op een moment waarop de Belgische kunstwereld nog een dictatuur was. De telefoon van Jan Hoet, de belangrijkste speler in die tijdsspanne, moet roodgloeiend gestaan hebben die dinsdag, afgaande op de citaten in de kranten. Men kan zich afvragen wie er op dat moment een boodschap had aan zijn suggestie dat het misschien allemaal wel te verwachten was. Jan Hoet is de man die Vandenberg gemaakt en gekraakt heeft. Gemaakt, omdat het niet zo moeilijk was om Vandenberg van bij het begin te herkennen als een buitengewoon authentieke kunstenaar, een kunstenaarschap ‘serious as cancer’, een ‘natural born artist’, een kunstenaarschap dat misschien wel thuishoorde in een andere tijd maar ook in het nu voluit zijn relevantie bewees. Gekraakt, omdat Hoet op een bepaald moment letterlijk “te veel” werk van de kunstenaar zag. Te veel werk in de collecties van privéverzamelaars, te veel tentoonstellingen met werk van Vandenberg, zelfs te veel schilderijen in het atelier van de kunstenaar (wie anders dan de kunstenaar zelf had daar iets te zoeken dan?). Ten aanzien van Vandenberg, een kunstenaar met een existentiële drijfveer, was zoiets een schlemielige opmerking. Hoet zelf heeft dat ook ingezien en publiekelijk mea culpa geslagen (verontschuldigingen die door Vandenberg aanvaard zijn), maar eigenlijk was het toen al te laat. De perceptie en appreciatie van het oeuvre was lange tijd te gronde vergiftigd. Pas in de laatste jaren van zijn leven kon men opnieuw een tentoonstelling van Vandenberg zien zonder aan Jan Hoet te denken. En misschien is het zo dat, als Vandenberg de affaire achter zich kon laten, veel banalere stervelingen zoals ikzelf dat ook moeten kunnen, maar toch dit: heer Hoet, oude man, mijn generatie heeft op geen enkel moment te veel Vandenberg gezien. Ik ga u daar niet voor bedanken.


Voor de rest lees ook ik de interviews en teksten over een ongelukkige jeugd met de katholieke kerk als sadomasochistische dominatrix en over een heropleving van schilderkunst ergens heel diep in de jaren 1980 (wie wil het zich nog herinneren?). Philippe Vandenberg wordt een ‘neo-expressionist’ of een ‘nieuwe wilde’ genoemd. Persoonlijk heb ik dat nooit zo ervaren, al kan dat liggen aan het feit dat ik vooral vertrouwd ben met zijn werk sinds de latere jaren 90, en met die ogen terugkijk naar zijn oudere werk. Het staat me ook voor dat zijn Belgische ‘collega-wilden’ zich stilzwijgend van hem gedistantieerd hebben eens er te veel tekst in zijn schilderijen begon te verschijnen of vanaf het moment dat het duidelijk werd dat hij in eindeloze reeksen tekeningen een figuratieve, hoogst persoonlijke en heel donkere iconografie aan het uitwerken was, maar misschien zie ik dat verkeerd. Ik kan wel zeggen dat ik nooit werk van een andere kunstenaar, laat staan een -isme, gezien heb dat van ver leek op wat Vandenberg in schilder- en tekenkunst realiseerde. Hij was één van die heel zeldzame kunstenaars bij wie kwantiteit ten volle een kwaliteit was. De totale inzet van zijn oeuvre, fysiek en vooral mentaal, is tegelijk heel monumentaal en heel particulier; het is een pad dat slechts door de enkeling kan bewandeld worden, het vacuüm van de eigen complexiteit. De aanwezigheid van Philippe Vandenberg in ‘het circuit’ was niet altijd heel duidelijk of heel opvallend, maar voor mij was ze een soort van geruststelling. Ergens in een groot atelier in Gent of Brussel bleef een schilder aan het werk alsof hij de laatste in zijn soort was. Die schilder deed dat niet uitsluitend vanuit een ‘buikgevoel’ of vanuit pure emotie, zoals weleens beweerd wordt over kunstenaars met het debiet van Vandenberg. Hij was een groot intellectueel, heel belezen, iemand wiens liefde voor schilderkunst misschien wel geëvenaard werd door zijn liefde voor boeken, getuige ook de fabuleuze kunstenaarsuitgaven die hij op gezette tijden publiceerde (‘Daily Drawings of Good and Vile’, ‘Pelgrims keel’, ‘Exil de peintre’…). Vandenberg ging het ‘grid lock’ tussen geschiedenis, actualiteit, wereldpijn en persoonlijke tragiek frontaal te lijf met een oeuvre dat wankelt en knarst, in liefde en hybris opstijgt en te pletter slaat of versplintert in verdriet. Tegelijk kenmerken heel wat kunstwerken zich tegelijk door een bijna frivole glinstering. Vandenberg kon dansen met verf. Het vluchtige plezier van de arbeid van de creatie sijpelt door in heel wat van zijn werk. Gelukkig is kunst maken ook nog gewoon werken. De iconografie van Vandenberg is een existentialistische mix van biografische elementen, katholieke symbolen, ‘Jezuïtisch’ Frans, antieke mythologie en een fundamentele benadering van kleur, verf, grafiet, papier en doek. Vandenbergs parade van gekroonden, gekruisigden, zelfmoordenaars, berijders, geketenden, verkrachters en gespietsten in het gezelschap van agressieve honden, wandelende gebouwen en dansende kraaien wordt nooit grotesk. Er zit iets in de teken- en schilderstijl van Vandenberg die belet dat zijn werk kan afgedaan worden als fantasme of irrelevante overdrijving. Ik ben geen voorstander van het breed uitsmeren van de ondermaanse patstelling tussen oorlog, liefde, seks en


dood, maar in het werk van Vandenberg heb ik dat nooit als een obstakel ervaren. Hij leek uiteindelijk steeds een afstand in te bouwen door het gewicht van de geschiedenis en van zijn eruditie in rekening te brengen en hij liet ook steeds een opening voor die andere betrokkene in het schilderij: de toeschouwer. Zijn kunst is tegelijk hermetisch en communicatief. De laatste tentoonstelling die ik van hem zag, was ‘Visite’ in het Museum voor Schone Kunsten te Gent (van midden april tot midden augustus vorig jaar). Vandenberg zette er een presentatie neer van een overweldigende nederigheid. Voor hem was het project een terugkeer naar de plek waar hij voor het eerst in contact kwam met kunst. Uit respect voor de meesters van vroeger had hij niets gewijzigd aan de opstelling van de vaste collectie en had hij enkel werk van zichzelf toegevoegd waar het de gebruikelijke atmosfeer van het museum niet verstoorde. Nogal wat werk lag op de grond. Ik was behoorlijk onder de indruk omdat ik die dag kunstwerken in het negatief gezien heb. Vandenberg beschouwde de collectie als hetgeen overgeleverd is, als wat ons rest: kunstwerken die als fiere driemasters de stormen van de geschiedenis hebben doorstaan. Zijn werk hing en lag erbij als diezelfde schepen, na een fatale storm. Wrakhout en as, groots in de herinnering. Gerrit VERMEIREN


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
2009 0716 <h>art vermeiren gerrit nl [m fi 50] & [m st 136] by LIGHTMACHINE agency - Issuu