standbeelden in nederland SHINJI OTANI
WIE NIET WEG IS, WORDT GEZIEN en rondvaart door de grachten, een huldiging op een plein of rondrit door het dorp, de uitreiking van een prijs of medaille, een plaats in de schoolboeken: Nederland kent een groot repertoire aan eerbetoon. Nog altijd geldt vereeuwiging in brons of steen als een ultiem huldeblijk. Toch is van lang niet alle ‘Grote Nederlanders’ een beeld in de openbare ruimte te vinden. Ook is een beeld geen garantie voor eeuwige roem. Een standbeeld toont boven alles dat er ooit geestverwanten, aanhangers of fans bestonden die over doorzettingsvermogen beschikten. Want wie in Nederland een standbeeld wil realiseren, begeeft zich al snel in een mijnenveld van belangen en perspectieven. Hoeveel standbeelden staan er eigenlijk in Nederland? Dat weet niemand en een exacte telling is lastig, mede vanwege de soms onduidelijke scheiding tussen beeld en standbeeld. Ook komen er regelmatig nieuwe beelden bij. Omdat standbeelden zelden worden verwijderd, hoogstens verplaatst, zijn ze inmiddels overal in het land te vinden en loopt hun aantal in de honderden, wellicht duizenden. Soms abstract, vaker figuratief tonen zij ons diegenen die de moeite waard werden gevonden om te vereeuwigen: streekgenoten, kunstenaars, schrijvers, dichters, martelaren, ministers, wetenschappers, nationale helden, internationale helden. Nog altijd staat het iedereen vrij een beeld op te richten, als er maar financiering en een locatie te vinden zijn.
VAN DE KERK NAAR DE STRAAT Lange tijd werd de straat ongeschikt geacht voor beelden. Die waren er wel, maar stonden vooral in kerken. Grafmonumenten hadden soms veel weg van een standbeeld, zoals dat van prominente zeelieden als Michiel de Ruyter en Witte de With of het praalgraf van Willem van Oranje. Grote pleinen met standbeelden kende Nederland nauwelijks. Alleen in Rotterdam (Erasmus, zie p 90) en Haarlem (boekdrukker Laurens Jan Coster) stond een beeld, in beide gevallen uit lokale trots en om internationale bezoekers te trekken. Dat in de loop van de negentiende eeuw in steeds meer steden standbeelden verschenen, kwam doordat er een nationaal gevoel ontstond dat in de publieke ruimte gevierd en beleefd werd. Het standbeeld werd de manier bij uitstek om daar uitdrukking aan te geven. Er werd weliswaar schamper geschreven over een land als Frankrijk, ‘waar in de kleinste plaatsjes op pleintjes en in plantsoentjes standbeelden te vinden zijn van locale beroemdheidjes, waarvan de buitenlander zeker nooit, de landgenoot uit een andere streek misschien evenmin gehoord heeft.’ Maar om als natie internationaal serieus genomen te worden, leken standbeelden onontbeerlijk. Zo werd, als reactie op de Engelse verering van H.N. als grootste zeeheld, in Vlissingen in 1841 een standbeeld van Michiel de Ruyter onthuld (zie p. 82). Haarlem plaatste in 1856 een nieuw beeld van Laurens Jan Coster als reactie op het beeld van concurrent-boekdrukuitvinder Gutenberg dat in 1840 in Mainz was gerealiseerd. Het standbeeld van Rembrandt in Amsterdam (zie p. 48) was een antwoord op dat van Rubens in Antwerpen. Als reactie op het Martelarenmonument, waarmee in Brussel de onafhankelijkheidsoorlog met Nederland (1830-31) werd herdacht, verrees op de Dam in Amsterdam in 1856 het beeld De Eendracht der Hollandse Natie, in de volksmond ‘Naatje’. Dat herdacht juist de Nederlandse inspanningen in die oorlog en moest uiteraard net wat hoger zijn dan het monument in Brussel. Zo vormden beelden nooit alleen een uitdrukking van wat voorouders hadden gepresteerd, maar ook een eigentijds commentaar op de positie van Nederland in de wereld.
2
Ook binnen Nederland speelde rivaliteit een rol. Op het Rotterdamse eerbetoon aan dichter Hendrik Tollens (zie p. 100) reageerde Amsterdam met de plaatsing van ‘concurrent’ Joost van den Vondel in het naar hem vernoemde Vondelpark. Rivaliteit zorgde er tevens voor dat het standbeeld van staatsman Thorbecke (zie p. 114) in 1876 niet zoals bedoeld in Den Haag terechtkwam. Politieke tegenstanders die na zijn dood het stokje hadden overgenomen, zaten namelijk niet te wachten op een eerbetoon aan hun opponent, waarna Amsterdam het beeld adopteerde.
WIE BETAALT, BEPAALT Het oprichten van standbeelden was in de negentiende eeuw een privilege van welgestelde burgers, al was het maar omdat zij over tijd en geld beschikten. Ze verenigden zich in burgercomités en schreven doorgaans een prijsvraag uit waarop kunstenaars konden reageren. Ze waren ervan overtuigd het algemeen nut te dienen. ‘Een standbeeld is een uitstekend leermiddel’, stelde bijvoorbeeld een krant in 1895. ‘Een jongen, die telkens Rembrandt, Spinoza, Vondel, Willem I, Thorbecke enz. enz. ziet, vraagt allicht wie dat was? Dan vertelt de vader van den schilder, den wijsgeer, den dichter, den vorst, den staatsman.’ Het eren van voorvaderen zou een bijdrage leveren aan de saamhorigheid, deugdzaamheid en nationale eenheid. Het waren dan ook lang niet altijd de meest beroemde of uitgesproken landgenoten die in steen of brons op straat verschenen. Beelden van ideologische scherpslijpers, bon vivants, dandy’s en excentriekelingen bleven schaars. Literaire allemansvrienden en populaire volksschrijvers kregen vaak al kort na hun dood een standbeeld, terwijl meer omstreden collega’s moesten hopen op volgende generaties. Als beroepsgroep zijn schrijvers en hun literaire figuren in het nationale beeldenpark overigens goed vertegenwoordigd, net als schilders. Ook het Oranjehuis is prominent aanwezig, meer dan politici, van wie het aantal standbeelden op een paar handen te tellen is. Het zijn er nog altijd meer dan militairen, van wie de weinige standbeelden vaak ook nog omstreden zijn. Deze verhoudingen worden soms toegeschreven aan het burgerlijke karakter van de Nederlandse samenleving. In ieder geval gaan ze al ver terug. De drie oudste openbare standbeelden van Nederland, die van humanist Erasmus (1622), drukker Laurens Jan Coster (1722) en schrijver Jacob Cats (1829), betroffen alle drie de letterkunde – opvallend, omdat elders vaker vorsten, militairen en politici op een voetstuk werden geplaatst. Maar ook het aantal musici en componisten in steen en brons steekt schril af tegen veel andere Europese landen.
STRIJD OM DE STRAAT Standbeelden moesten weliswaar de natie verbeelden en samenbrengen, maar slaagden daar nauwelijks in. Rond 1900 dienden ze volgens een criticus vooral ‘tot amusement van de Hollandsche straatjeugd, het kwaadaardigste menschentype dat er te vinden is.’ Een geestverwant signaleerde dat op veel plekken hekken met punten rond de standbeelden noodzakelijk waren en voegde eraan toe: ‘Tot versiering dient het niet, daarover wordt men het zo langzamerhand eens. Het volk waardeert standbeelden alleen maar als curiositeit om aan familieleden en vrienden van buiten te laten zien. Een fontein, een beeldengroep, een aardig waterpartijtje worden oneindig meer bekeken en gewaardeerd.’
3
ALBERT PLESMAN DEN HAAG, 1959
BONIFATIUS DOKKUM, 1962
MULTATULI AMSTERDAM, 1987
PIET PAALTJENS LEIDEN, 1959
ANDRÉ HAZES AMSTERDAM, 2005
P.8
P.10
P.12
P.14
P.16
FRITS PHILIPS EINDHOVEN, 2007
JONGEN MET HAAN AMSTERDAM, 1955
DE REDDER HOEK VAN HOLLAND, 1931
PIETER SJOERDS GERBRANDY SNEEK, 1976
P.26
P.28
P.30
P.32
WIM KAN EN CORRY VONK AMSTERDAM, 1986 DEN HAAG, 1997
KONINGIN WILHELMINA ROTTERDAM, 1968 DEN HAAG, 1987
P.44
P.34
JOHAN EN CORNELIS DE WITT DORDRECHT, 1918
FANNY BLANKERS-KOEN ROTTERDAM, 1956
JAN PIETERSZOON COEN HOORN, 1893
ANTON PHILIPS EINDHOVEN, 1950
P.20
P.22
P.24
P.18
HANS BRINKER SPAARNDAM, 1950
MARIKEN VAN NIEUMEGHEN NIJMEGEN, 1957
JOHAN VAN OLDENBARNEVELT ROTTERDAM, 1920
H.P. BERLAGE AMSTERDAM, 1966
P.36
P.38
P.40
P.42
PEERD VAN OME LOEKS GRONINGEN, 1959
REMBRANDT AMSTERDAM, 1852
PIERRE CUYPERS ROERMOND, 1929
ANTON DE KOM AMSTERDAM, 2006
BARUCH SPINOZA AMSTERDAM, 2008
DE VERWOESTE STAD ROTTERDAM, 1953
JAN VAN SCHAFFELAAR BARNEVELD, 1903
HERMAN DE MAN MONUMENT OUDEWATER, 1977
P.46
P.48
P.50
P.52
P.54
P.56
P.58
P.60
KONINGIN EMMA AMSTERDAM, 1938
VINCENT EN THEO VAN GOGH ZUNDERT, 1963
WILLIBRORD UTRECHT, 1947
MATA HARI LEEUWARDEN, 1976
BARTJE ASSEN, 1954
PETRUS REGOUT MAASTRICHT, 1965
VROUW IN HET VERZET HAARLEM, 1982
MONSEIGNEUR W.M. BEKKERS TILBURG, 2010
WILHELMINA DRUCKER AMSTERDAM, 1939
P.62
P.64
P.66
P.68
P.70
P.72
P.74
P.76
P.78
FRANS HALS HAARLEM, 1900
MICHIEL DE RUYTER VLISSINGEN, 1841
SCHEEPSJONGENS VAN BONTEKOE HOORN, 1969
J.H. VAN ‘T HOFF ROTTERDAM, 1915
FLOOR WIBAUT AMSTERDAM, 1967
DESIDERIUS ERASMUS ROTTERDAM, 1622
VISSERSMONUMENT URK, 1968
WILLEM VAN ORANJE DEN HAAG, 1845
P.80
P.82
P.84
P.86
P.88
P.90
FERDINAND DOMELA NIEUWENHUIS AMSTERDAM 1931
P.94
P.96
HENDRIK TOLLENS ROTTERDAM, 1860
ALBERT SCHWEITZER DEVENTER, 1975
WILLEM DREES DEN HAAG, 1988
ALETTA JACOBS GRONINGEN, 1988
WILLEM VAN ORANJE DEN HAAG, 1848
P.98
PIETER STUYVESANT DE DOKWERKER WOLVEGA, 1955 AMSTERDAM, 1952
JHERONIMUS BOSCH DEN BOSCH, 1930
P.92
P.100 P.102 P.104 P.106 P.108 P.110 P.112
JOHAN RUDOLF THORBECKE AMSTERDAM, 1876
P.114
ALBERT PLESMAN (1889-1953) Luchtvaartpionier Door Mari Andriessen (1897-1979) Brons Den Haag, 1959 Kort na het overlijden van Albert Plesman, grondlegger van de KLM, ontstond een nationaal comitĂŠ dat een standbeeld wilde realiseren. Uit vier kunstenaars werd beeldhouwer Albert Termote (1887-1978) gekozen. Hij was onder andere bekend van het standbeeld van Willibrord (zie p. 66) en als een van de weinige beeldhouwers van zijn generatie geoefend in het maken van ruiterstandbeelden. Zijn eerste ontwerp beeldde Plesman dan ook af als Pegasus, het mythologische Griekse paard. Die symbolische benadering kon niet alle betrokkenen bekoren en ook een gewijzigd ontwerp werd als te symbolisch beoordeeld, waarna Termote zich terugtrok. Vervolgens vroeg het comitĂŠ Mari Andriessen, bekend van De Dokwerker (zie p. 106), om een ontwerp te leveren. Dit beeld werd zes jaar na de dood van Plesman onthuld.
8
BONIFATIUS (672/675-754) Missionaris Door Gerrit Bolhuis (1907-1975) Steen Dokkum, 1962 De Angelsaksische missionaris Bonifatius vond in 754 in Dokkum samen met 52 metgezellen de dood toen hij werd aangevallen door de Friezen die hij wilde bekeren. Het verzet werd uiteindelijk gebroken; niet lang na zijn dood stond er in Dokkum waarschijnlijk al een kerkje ter nagedachtenis. Het bedevaartsoord Dokkum trok in de late middeleeuwen veel pelgrims, in de moderne tijd liep de belangstelling terug. In de overwegend protestantse Nederlandse Republiek was immers weinig plaats voor heiligenverering. Dat veranderde in de negentiende eeuw, toen godsdienstvrijheid een grondrecht werd. De nieuwe positie werd tot uitdrukking gebracht met nieuwe kerken en kloosters en met grootschalige bijeenkomsten en bedevaarten. In het geval van Bonifatius was er ook vanuit Duitsland veel belangstelling; hij wordt ook wel Apostel van de Duitsers genoemd vanwege zijn belangrijke rol in de vestiging van het christendom aldaar. Om alle pelgrims goed te kunnen ontvangen en de belangstelling blijvend te voeden, werden na de Eerste Wereldoorlog plannen gemaakt voor een groot Bonifatiuspark, waarin onder andere de eerder geopende Bonifatiusbron, een openluchtaltaar met aangebouwde sacristie, een groot beeld van Bonifatius en een kruisweg een plek moesten krijgen. Park, kruisweg en kapel werden in fasen gerealiseerd en in 1962 werd ten slotte ook het beeld geplaatst. Dat vormde lange tijd ook het slotstuk van de belangstelling voor Bonifatius, maar sinds de jaren 1990 is weer sprake van groeiende bezoekersaantallen.
10
MULTATULI, PSEUDONIEM EDUARD DOUWES DEKKER (1820-1887) Schrijver Door Hans Bayens (1924-2003), belettering door Gerrit Noordzij (1931). Brons Amsterdam, 1987 Multatuli verzocht in zijn Idee 305 ‘het nageslacht, de gelden die 't zal willen byeenbrengen voor myn standbeeld’ te spenderen aan historisch onderzoek naar de Nederlandse aanwezigheid in Indië. Daar hadden zijn bewonderaars geen boodschap aan en in 1920 en 1930 organiseerden ze inzamelingsacties voor een standbeeld, die jammerlijk mislukten. Het honderdjarig overlijden van de schrijver bood een nieuwe kans. ‘Multatulianen’ Geert van Oorschot (1909-1987) en Hans Bayens vonden elkaar rond 1983 in het plan voor een beeld op de Amsterdamse Torensingel, nabij het geboortehuis van de schrijver en met uitzicht op de Letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam. Het daaropvolgende jaar kon op een tentoonstelling al een model van Bayens’ beeld worden bewonderd. De gemeente zegde toe de sokkel en plaatsing te betalen, de resterende 125.000 gulden werd door het Comité Multatuli opgehaald, onder andere met de publicatie van een bundel waarin zesentwintig schrijvers hun licht over Multatuli lieten schijnen – het boek was al voor het verschijnen uitverkocht. Het standbeeld werd onthuld in het bijzijn van koningin Beatrix (1938) en kreeg al snel bijnamen als ‘de geest uit de fles’, ‘ribbenkast’ en ‘het waterhoofd’.
12
PIET PAALTJENS, PSEUDONIEM FRANÇOIS HAVERSCHMIDT (1835-1894) Dichter Door Auke Hettema (1927-2004) Brons Leiden, 1959 Om de grote groei van het aantal studenten na de Tweede Wereldoorlog op te vangen, werden eind jaren 1950 in Leiden enkele grote studentenflats gebouwd. Voor de flats moest een beeld van François Haverschmidt verrijzen, de dichterdominee die in het midden van de negentiende eeuw zes jaar in Leiden studeerde, voorzitter was van het studentencorps en er zijn vermaarde wrange gedichten schreef. Auke Hettema’s naturalistische, traditionele stijl sloot goed aan bij de wensen van de commissie en leverde hem de opdracht op. Werk van Hettema is in meerdere Nederlandse steden te vinden: nadat hij in 1951 de Prix de Rome had gewonnen, was hij een veelgevraagd maker van herdenkingsmonumenten. Ook maakte hij verschillende standbeelden, waaronder dat van Jan van Hooff in Eindhoven en dat van Hugo de Groot in Rotterdam.
14
ANDRÉ HAZES (1951-2004) Volkszanger Gemaakt in Hongkong door (vermoedelijk drie) onbekende kunstenaar(s) Brons Amsterdam, 2005 Na het overlijden van André Hazes, Nederlands populairste volkszanger, kregen fans de kans een bijdrage te leveren aan een standbeeld. Een stichting, opgericht door concertorganisator Mojo en weduwe Rachel Hazes, haalde meer dan € 40.000 op. De weduwe Hazes koos uiteindelijk voor een Chinees beeld ‘omdat ik hier in Nederland niemand kon vinden die een beeld kan maken zoals ik dat wil’. Het standbeeld werd een jaar na het overlijden van de zanger onthuld. Daarbij ontstond enige controverse omdat de voorstelling op een eerder ontwerp van beeldhouwer Hans Jouta (1966) zou zijn gebaseerd. De nabestaanden ontkenden dit: het beeld zou gemodelleerd zijn naar televisiebeelden van een duet met Willy Alberti (1926-1985).
16
JOHAN DE WITT (1625-1672) EN CORNELIS DE WITT (1623-1672) Raadspensionaris van Holland ( Johan), bestuurder en militair (Cornelis) Door Toon Dupuis (1877-1937) Brons, zandsteen Dordrecht, 1918 Johan en Cornelis de Witt, de belangrijkste politici van hun tijd, werden in het ‘Rampjaar’ 1672 door een woedende volksmassa gelyncht uit onvrede over het desastreuze verloop van de oorlog met zowat alle buurlanden. De moord behoort al eeuwenlang tot de canon van de Nederlandse geschiedenis. Ze was, net als eerder de executie van Johan van Oldenbarnevelt (zie p. 40), een gevolg van de machtsstrijd tussen de burgerlijke elite en het Oranjehuis. Iets van die historische tegenstelling die de Nederlandse Republiek kenmerkte, herleefde toen rond 1900 het plan voor een standbeeld voor stadhouder Willem III (1650-1702) ontstond, de historische tegenstrever van Johan en Cornelis. Verdienden de broers dan niet ook erkenning? Uiteindelijk kwam het zelfs tot twee burgercomités, een ter realisatie van een beeld van Johan de Witt op de Plaats in Den Haag, nabij de plek van de moord, een voor een beeld voor de beide broers in hun geboortestad Dordrecht. Dat werd onthuld op 20 augustus, de dag van hun wrede dood. Een kleine postume genoegdoening voor de broers: de Oranjes betaalden mee aan dit eerbetoon.
18