Mijn groene pak Missie Afghanistan: een persoonlijk verhaal over moral injury
‘ He who passively accepts evil is as much involved in it as he who helps to perpetrate it. He who accepts evil without protesting against it, is really cooperating with it.’ — Martin Luther King, Jr.
Heb ik alles gedaan wat ik kon?
Vijf minuten
Ik kende de jongens niet goed genoeg. Ik voer zoveel gesprekken, de meeste vergeet ik. Je weet op voorhand niet wie er doodgaan, anders zou je die gesprekken wel onthouden. Mijn eerste missie naar Afghanistan. Ik was amper gearriveerd toen de eerste raketaanval op Kandahar plaatsvond. Ik lag te slapen toen het alarm afging. Bam, ik zat rechtop in bed. Als de sodemieter haastte ik me naar de dichtstbijzijnde bunker. De eerste inslag was geweest, maar er zouden er meer volgen. Ik was totaal overrompeld door de heftigheid van alles, het kabaal, de vernietigende werking van zo’n inslag. Vaak had ik nagedacht over angst, maar ik had eigenlijk geen flauw benul hoe dat precies voelde. Nu wist ik het. Ik dook weg en bleef ineengedoken zitten tot lang nadat de rust was teruggekeerd. De eerste nachten daarna durfde ik alleen in volledige uitrusting te gaan slapen. Als een volslagen idioot lag ik in bed, met mijn helm op en mijn scherfvest aan, maar dat werkte natuurlijk niet. Ik kon niet liggen, paste niet fatsoenlijk in het bed, een ramp. Toen bedacht ik: Frans, je moet nog vijf maanden. Hoe ga je hiermee dealen? Deze aanval had ik overleefd, maar de dood had op mijn deur geklopt. Ik stelde me de dood voor die zei: je hebt nog vijf minuten te gaan jongen, ben je klaar om te sterven? Ik vroeg me af: als ik doodga, hoe wil ik dan doodgaan? Wat doe ik in die laatste vijf minuten? Ik besefte dat ik schoon wilde sterven. Dat ik gezegd wilde hebben wat ik moest zeggen. Er kwamen drie dingen in me op: ik wilde tegen mijn dochter zeggen dat ik van haar hou, ik wilde tegen mijn moeder zeggen dat ik van haar hou en ik wilde mijn excuses aanbieden aan een collega. Die avond verontschuldigde ik me bij die collega. Ik trok mijn uitrusting uit en viel in slaap. De volgende morgen belde ik mijn moeder en daarna mijn dochter en geloof het of niet maar toen ik haar goed en wel aan de lijn had en gezegd had wat ik wilde zeggen, ging het luchtalarm af. ‘Schat, ik moet ophangen’,
13
zei ik en ik rende naar de bunker. Als die vijf minuten toen waren ingegaan, had ik alles gezegd wat ertoe deed. In de bunker aangekomen leunde ik achterover en vulde mijn tijd met genieten. Genieten van beelden in mijn hoofd: het landschap, de torretjes op de grond, de wolken, de mooie serveerster op het terras, een zwerm vogels die net op dat moment allemaal dezelfde kant opvliegen… Waar dachten die twee jongens aan, die laatste minuten voor hun dood? Daar moet ik steeds aan denken. Of waren ze vrij van angst, dachten ze nooit aan de dood? Ze waren vooraan in de twintig. Dan ben je nog onsterfelijk. Hij had geprobeerd te helpen en was in een reflex op de gewonde jongen afgerend. Zijn maten probeerden hem tegen te houden. ‘Fuck it’, had hij gezegd en was gegaan. Misschien hoorde dat bij zijn laatste vijf minuten, er alles aan doen om zijn kameraad te helpen.
14
16
In het vliegtuig op weg naar de missie leek het wel vakantie. Boven de grens van Afghanistan gingen de lichten uit. Een paar uur later kwam ik aan op een grote camping. Er stonden tenten en er was een zwembad. Het zwembad bleek geen zwembad. Het was de shitpool. Daar zaten we dan. Het was warm, er was zand. En toen vielen de eerste bommen. We waren niet op vakantie. Dit was oorlog.
17
Boem
Ik heb een foto van één van de eerste luchtaanvallen die ik zag in Deh Rawod. Hij is genomen vanuit ons kamp. Op de foto zie je vier jongens, twee staan er bij de verdedigingsmuur en twee zitten er op zeecontainers. Waarom ze daar zijn? Tja, kennelijk hadden ze even niets anders te doen. Toen we aankwamen was het dorp achter de muur in handen van taliban. Ze hadden daar een soort hoofdkwartier. Dat moest talibanvrij worden gemaakt. Op de foto zie je de rookpluimen van de tweede bom die viel, waarschijnlijk waren het de Amerikanen. Er vielen meer bommen die dag. Na de eerste knal pakte ik mijn camera. Van de volgende ontploffing was ik getuige. Ik herinner me niet dat ik geschokt was. Die knal, ik weet het niet, ik keek ernaar als naar een natuurfenomeen: het was wel tof. Boem. Blijdschap voelde ik niet, wel opwinding. Een beetje zoals bij een doelpunt voor Nederland tijdens het WK of zo. Punt voor ons. Soms vraag ik me af waarom ik er een foto van wilde maken. Het is oorlog, maar toch ervaar je kennelijk iets anders. Zo’n ontploffing is gewoon indrukwekkend. Ik kreeg er een Überlegenheitsgefühl bij, als je begrijpt wat ik bedoel. Zo van: wij kunnen die taliban wel verslaan. Misschien was het macht wat ik voelde, hoewel het niet eens onze aanval was. Toch kwam ik er later achter dat het niet klopte. Het ging niet om macht. Onze jongens vechten niet tegen taliban, ze vechten voor elkaar. Veilig thuiskomen, dat is het enige wat telt.
19
Far away in Kandahar
I know the days are unending when you’re so far from home Ineens was er dat zinnetje uit een liedje van Heather Nova. Niet bijster diepzinnig of zo, maar het bleef in mijn kop rondzingen omdat ik het heel herkenbaar vond. Op missie zijn er ineens die eindeloze dagen op een vreemde plek. Je gaat je ontheemd voelen, je weet niet meer waar je bent en waarom je er ook alweer was. De tijd heeft geen begin en geen einde en de dingen die je meemaakt zijn onsamenhangende elementen in de tijd. En dan kijk je om je heen en er is niks dat je houvast biedt. Dus na een tijdje, na een aantal weken, begon ik daar echt last van te krijgen. Ik ging dingen anders waarnemen en begon alles in de context van die verrekte oorlog te zien. Ik was niet de enige. De sfeer was: het is oorlog en dat is erg. We gingen ons ernaar gedragen. Een commandant zei tegen een meisje dat ze te veel lachte en dat dat niet de bedoeling was. Ik wist niet wat ik hoorde. Was hij helemaal besodemieterd? Dus ik zei tegen haar: ‘Weet je wat jij moet doen? Twee keer zoveel lachen, dat is je medicijn. Thuis zouden we om die grap lachen en dus lachen we hier ook.’ Het kwam eruit als een bevel en waarschijnlijk was dat ook mijn bedoeling. En dan is er die woestijn, niks dan bergen en zand. Daar valt in geen honderd jaar een greintje thuis meer in te herkennen. Grind en stenen, hobbelweggetjes, alles onverhard. Er is amper eenstukje plat wegdek waar je op kunt lopen. Begrijp me niet verkeerd, ik hou van dat landschap, echt, maar na een paar weken begin je te snakken naar een gewoon huis, een stuk geasfalteerd wegdek of een lullig plantsoen voor mijn part. Gelukkig had ik het op tijd in de gaten, dus ik denk: Frans, focus. Ik moest op zoek naar houvast. Ik besloot om elke ochtend een wandeling te maken. Thuis deed ik dat ook en als ik dat hier ook zou doen, kon ik voor mezelf een ritueel creëren.
23
Van huis uit ben ik een boerenjongen. Binnen hangen is niks voor mij. Ik moet naar buiten, de natuur in, boompjes kijken en zo. Ik hou van het concept van bomen, ze stellen me gerust: ze zijn er als je geboren wordt en als je sterft zijn ze er nog steeds, als ze tenminste niet om een of andere reden gekapt zijn in de tussentijd. Als kind kon ik de ene boom al van de andere onderscheiden. Een eik ruist anders dan een beuk. Als je maar lang genoeg rondhangt op het platteland, zoals ik vroeger, dan leer je de taal van de bomen spreken. Ik besloot om die wandelingen te gaan maken en meteen zag ik ze staan, in de verte, van die middelgrote bomen, een beetje zoals olijfbomen, maar dan iets langgerekter en met muisgrijze bladeren. Dus ik dacht: hÊ, wat gek, die boomsoort ken ik niet. Zo’n grijze bladeren had ik nog nooit gezien. Elke ochtend opnieuw zag ik die bomen staan en ik bleef me maar verwonderen over die grijze bladeren tot het op een dag flink geregend had en diezelfde bomen ineens groene bladeren hadden gekregen. Je kunt je niet voorstellen hoe blij ik was toen ik die groene bladeren zag. Het was stof geweest, al die tijd. Gewoon woestijnstof. Niks grijze bladeren. Je denkt dat je op jezelf kunt vertrouwen, maar dat is niet zo. Je gaat op missie en van de een op de andere dag ben je in dat gekke land dat in niets lijkt op je eigen land. Je komt er binnen als een baby, je hebt geen enkel referentiekader en ze kunnen je alles wijsmaken. Een boom met grijze bladeren, why not? Ik had ze zelf gezien en nu waren de bladeren groen en ik kan me niet herinneren dat ik me ooit blijer heb gevoeld als toen ik die groene blaadjes zag. Voor het eerst in weken was er iets dat ik herkende van thuis. Vanaf toen ben ik me op die wandelingen gaan focussen op herkenbare elementen om houvast te creÍren. Er is daar weinig wat aan thuis doet denken, dus je moet goed opletten. Als je dat doet, dan zie je dingen. Een bloem, rondscharrelende kuikentjes... En grassprietjes, van dat kleine groen dat tussen de tegels door piept. Ik klampte me vast aan die grassprietjes alsof ze mijn laatste strohalm waren. Je moet jezelf op die manier in de realiteit houden. Die groene blaadjes, de grassprietjes, ze vormen het bewijs voor het bestaan van thuis. Ze geven je de zekerheid dat het land waar je opgroeide bestaat en dat je alle jaren dat je daar leefde niet verzonnen hebt.
24
26
Je denkt dat je op jezelf kunt vertrouwen, maar dat is niet zo.
27
Mensen vroegen me waarom hij dat gele bloemetje vasthield. Of het iets betekende of zo. Ik dacht: hij is net als ik. Hij geniet van kleine dingen. Waar moet je anders van genieten?
In het begin lijkt het net vakantie. Het is warm, er is zand en er is een camping. Maar dan vallen de eerste bommen. Langzaam maar zeker sijpelt het besef door: dit is oorlog. Mijn groene pak is een onthullende en ongepolijste weergave in woord en beeld van de oorlogservaringen van Frans Kurstjens. Frans was actief in Afghanistan als humanistisch raadsman en fotograaf. Hij maakte foto’s op momenten en plekken waar normaal geen fotograaf zou komen. Tijdens en na de missies komt hij in een web van morele vragen, herinneringen en zelfbedrog terecht. Lange tijd denkt men dat Frans aan ptss lijdt, tot hij hoort over moral injury. Hij herkent alle symptomen. Mijn groene pak is niet alleen herkenbaar voor oud-militairen en hun naasten. De vragen die Frans stelt, zijn universeel en interessant voor eenieder die zich bewust is van zijn eigen rol in een groter geheel.
Frans Kurstjens (1954) studeerde geestelijke verzorging aan de Universiteit voor Humanistiek en werkte vanaf 1985 in het gevangeniswezen en bij justitie. Daarna was hij werkzaam als humanistisch raadsman bij het Ministerie van Defensie. Hij werd uitgezonden naar BosniĂŤ (SFOR-2002) en tweemaal naar Afghanistan (OEF 2005 en ISAF 2007). Frans fotografeert al zijn hele leven en studeerde in 2013 af aan de hbo-opleiding Fotovakschool. Frans met dochter Eefje, vlak voor zijn eerste uitzending naar Afghanistan.