Skip to main content

Haarlem Filmstad

Page 1

SAMENSTELLING HARRY HOSMAN


Inhoud Schatgraven De erfenis van Joop van Liemt (1912-2000)

50

Ondeugende ogen Annie Bos (1886-1975)

52

Knappe vrouwtjes, aardige jongens Filmfabriek Hollandia (1912-1915)

56

Kakelende kippen 18 De komst van vaste bioscopen: Centraal (1911-1920)

Scheve hoeken Filmfabriek Polygoon (1912-1940)

68

Gerief voor dames De komst van vaste bioscopen: Modern (1912-1913) en Apollo (1913-1920)

21

Handige regelneef Alex Benno (1872-1952)

72

24

Clubliefde van een pionier Dick Laan (1894-1973)

74

Gegokt en verloren De komst van vaste bioscopen: Union (1913-1914)

26

Tabaksdampen Scala (1920-1928) en Standaard (1928-1932)

82

Verfijnde smaak De komst van vaste bioscopen: De Kroon (1917-1927) en Rembrandt (1928-1929)

Zegevierende rommel Luxor (1921-1932)

86

Zonder boord geen rang De komst van vaste bioscopen: Cinema Palace (1915-1929)

30 Met eigen krachten Atlanta (1923)

90

De schaterlach van de trompet Het salonorkest van Cinema Palace

36

Bij de oren optillen De Bioscoopcommissie

92

Films aan zee Bioscopen in Zandvoort

40

Vrome handen Witte Bioscoop

98

Een talent voor verkleedpartijen Filmfabriek Hollandia (1912-1923)

44

Katholieke vormen 102 Frans Bosen, pionier van het filmaffiche (1891-1949)

Inleiding 7 Levensechte bewegingen Reisbioscopen (1898-1908) Ernst en humor De komst van vaste bioscopen: Bioscope Theater (1908-1917)

8

15


Wroeten in kristallen Multifilm en J.C. Mol

108

Idealisme 180 Minerva Theater Heemstede (1951-1968)

Beschaafd publiek Haarlemse Filmliga (1927-1928)

112

Een magische sterrenhemel Lido (1952-1984)

184

In habijt Jan Hin (1899-1957)

116

De kruitdamp hing over de prairie Roxy (1953-1988)

190

Zucht naar lawaai De geluidsfilm komt naar Haarlem

122

Bibberen bij Doctor Zhivago Rembrandt Theater (1945-1971)

196

Vervlogen dromen Spaarne Theater (1933-1940)

128

Straatkunst 202 De gevelreclame van Henk Smit

Heibel 132 Frans Hals Theater (1935-1940)

Heimelijke genoegens Luxor (1945-1995)

204

Met vuur spelen Cineone (1937)

Het Tuschinski van Haarlem Cinema Palace (1945-2011)

210

Tussentijd 140 Moviac (1938-1940)

Een avontuurlijke onderneming Studio (1954-1987)

220

Tussen front en vaderland Haarlemse bioscopen in oorlogstijd

Verf en kleurpotlood Animatiefilmer Gerrit van Dijk (1938-2012)

226

Hoe de goede films toch naar Haarlem kwamen Van Melkwoud naar Filmschuur

232

Naar de kelder Brinkmann (1981-2012)

242

137

142

Handelsoorlog 152 City (1946-1954) Een moeilijk bolgewas Haarlemse Filmkring H 46

155

Nationale trots Polygoon na 1945

158

Suizende molenwieken Herman van der Horst (1910-1976)

162

Zorgeloze jaren Lennaert Nijgh (1945-2002)

168

Monopolie 244 PathĂŠ (2011)

Kaalslag 174 Bioscopen in Zandvoort na 1945 Blauw van de rook Frans Hals (1945-1983)

177

Achter de schermen Filmdecor Haarlem

247

over de auteurs noten bronnen illustraties index colofon

255 256 260 261 262 272


Zaal van De Kroon op de Grote Markt.


Inleiding Op 11 februari 1946 publiceerde het Haarlems Dagblad een groot artikel onder de kop ‘Een nationale filmindustrie. Zal Haarlem een centrum worden?’ De auteur gaf een waarschuwing: “Zo Haarlem ooit een goede gelegenheid heeft gehad een volledige industrie in zijn omgeving samen te trekken, dan is dat wel het geval met de nationale film.” De filmstudio van Loet Barnstijn in Wassenaar lag in puin, de Cinetone Studio’s in Amsterdam waren leeggehaald door de Duitsers. “Haarlem is nu het centrum geworden waarheen de blik van de cineast zich richt.” De krant wees op de productiegroepen en de filmers die in de stad bezig waren, zoals Multifilm van J.C. Mol, de filmers Jan Hin, Jo de Haas, Dick Laan, Herman van der Horst, Mannus Franken en Eddie Verschueren. De auteur vergat zelfs nog Filmfabriek Polygoon te noemen. “Deze ‘oude rotten’ vervaardigen vooral documentaires. Er heerst een grote vraag naar film en de regering heeft weinig deviezen. De enige uitweg is dan: zelf doen! Waarom ook niet?” Ver weg lag de tijd van de Filmfabriek Hollandia, die in de jaren tien en twintig zo’n zestig speelfilms produceerde. En Annie Bos de eerste Nederlandse filmster was. Maar volgens de krant gloorde er hoop. “De Nederlandse toneelspeler weet zich doorgaans goed aan de eisen van de filmtechniek aan te passen.” Het was slechts een kwestie van tijd, kijk naar de opbloeiende Franse filmcultuur. “Een klein zetje van overheidswege kan de Nederlandse film voorgoed in het zadel helpen en zo bijdragen tot een monument van volkscultuur: de nationale film, die gemakkelijk tot de massa spreekt.”

De Nederlandse overheid gaf dat zetje in de jaren vijftig met de oprichting van de Nederlandse Filmacademie en het Productiefonds voor de financiering van speelfilms. Maar er veranderde wel iets. Vóór de oorlog mocht Haarlem zich vele jaren onofficieel de filmstad van Nederland noemen, na de oorlog werd het pleit definitief beslist in het voordeel van Amsterdam. Dit boek vertelt hoe Haarlem een halve eeuw lang bruiste van film, wie erbij betrokken waren en waarom de stad die positie verloor. En hoe de bioscopen in de Haarlemse binnenstad in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw één voor één hun deuren sloten. Het artikel in het Haarlems Dagblad eindigde met een vraag: “Waarom Kennemerland, dat centraal gelegen is tussen de grote steden en in klein bestek een grote variatie van terrein herbergt, niet als Nederlands filmcentrum? De duinstreek zal wellicht nog wel een plaatsje weten in te ruimen voor de jongste muze.” De vraag is verhoord. Haarlem is tegenwoordig na Amsterdam de stad met de meeste draaidagen voor speelfilms, tv-series en commercials in Nederland. Met dit boek kijken we naar al die activiteiten en vertellen we in chronologie over de geschiedenis van de Haarlemse filmmakers en de bioscopen in de stad. Harry Hosman


H A A RLEM FILMS TA D

Omstreeks 1908. De reisbioscoop van Albert (Bernard) en Willy Mullens (bekend onder de naam Alberts Frères) op de kermis op de Grote Markt.

Reisbioscopen 1898-1908

Levensechte bewegingen Rond 1900 kende Haarlem al een rijk filmleven. De eerste filmopnamen van straten, pleinen en gebouwen werden gemaakt, er waren filmvertoningen van reisbioscopen op de kermis, in verenigingsgebouwen en in de schouwburg. In Zandvoort werd een korte speelfilm opgenomen, die een groot succes was. ROMMY ALBERS

8


R E I S B I O S CO P E N 1 8 9 8 -1 9 0 8

1898 gaven de Oostenrijkse illusionist Professor (Charles) Kalb en de Spaanse ‘magiërin’ Mary Fay een eenmalige voorstelling in Sociëteit Vereeniging in de Lange Begijnestraat 9. Ze hadden er al een tournee van een halfjaar opzitten langs tal van Nederlandse steden. De twee traden afzonderlijk op, afgewisseld met de projectie van enkele korte films door Edison’s Biograph, onder meer de allereerste in Nederland opgenomen film Zeebad Scheveningen (juni 1896) en L’arroseur arrosé (De gefopte tuinman) van de gebroeders Lumière. De avond – en zeker het filmdeel – kreeg een positief onthaal, maar het bleef slechts bij een incidentele voorstelling en de belangstelling voor het nieuwe medium beklijfde niet.

De eerste filmvoorstellingen Op 12 maart 1896 vond de eerste filmvoorstelling in Nederland plaats. De eer komt toe aan de Belgische journalist Camille Cerf. Hij vertoonde enige weken films van de Franse filmpioniers Auguste en Louis Lumière in de Amsterdamse Kalverstraat. Overdag vanaf tien uur in een leeg winkelpand. Na deze introductie vond het nieuwe medium zijn weg naar het uitgaanspubliek. Buitenlandse filmvertoners als de Duitse gebroeders Max en Emil Skladanowsky en de Engelsman Robert William Paul bezochten ons land en lieten hun films zien in de revuetheaters in de grote steden. Op kermissen en jaarmarkten verschenen de eerste reisbioscopen. De eerste Nederlandse filmvertoner was de Leeuwardense kermisexploitant Christiaan Slieker. Hij had in Duitsland een projector aangeschaft en liet vanaf half juli 1896 films op kermissen zien onder de naam Edison’s Ideal. De eerste voorstellingen waren in Leeuwarden, daarna volgden andere steden.

Koningin Wilhelmina Ruim zes maanden later was dat wel het geval. In het Haarlem’s Dagblad van 3 augustus 1898 verscheen een lang artikel over de kermis getiteld ‘Kermisvermaken’. Aan het slot stond de verslaggever stil bij het feit dat er voor de eerste keer op de kermis filmbeelden te zien waren. Ze werden vertoond door de Electrische Kinematograaf, de reisbioscoop van Henri Grünkorn, die stond opgesteld op de Gedempte Oude Gracht bij de Turfmarkt. De hoofdnummers waren Aladin en zijn wonderlamp en Het Jubileum-Feest der Engelsche Koningin. Die laatste film betrof opnamen van de grootse viering van het zestigjarig regeringsjubileum van de Britse koningin Victoria in 1896. De beelden van de plechtigheden waren uitermate geliefd in Groot-Brittannië en droegen enorm bij aan de groeiende populariteit van film. In Nederland gebeurde ongeveer hetzelfde. Sinds 1896 werden er weliswaar steeds meer voorstellingen gegeven op kermissen en in revuetheaters in grote steden als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, maar film bleef vooral een attractie, een nieuwigheid. Pas door een gebeurtenis van nationaal belang kon het medium zijn zeggingskracht tonen, die de grenzen van louter attractie oversteeg. Op 6 september 1898 werd koningin Wilhelmina in Amsterdam ingehuldigd, nog geen week na haar achttiende verjaardag. Van deze gebeurtenis maakten twee filmmaatschappijen opnamen: de Britse vestiging van de internationale Biograph & Mutoscope Company en de Amsterdamse Filmfabriek F.A. Nöggerath van Franz Anton Nöggerath sr., ook eigenaar van Variété

In het Haarlem’s Dagblad van 2 augustus 1897 wordt onder het kopje ‘Stadsnieuws’ een opsomming gegeven van alle attracties op de Haarlemse kermis. Een grote variëteit aan vermakelijkheden passeert de revue – en te midden van deze bonte stoet ook een ‘kinematographietent’, een reisbioscoop. Ze zou op de Botermarkt hebben gestaan, samen met een carrousel, het paardenspel van Blanus en de paradetent van Hart. Het is echter de enige verwijzing naar deze reisbioscoop; verder geen spoor, niet in advertenties, krantenartikelen of andere bronnen. Pas veertig jaar na dato vinden we een eerste aanwijzing. In een artikel in het Nieuwsblad van Friesland van 14 oktober 1935 vertelt George Christiaan Slieker dat hij al in 1896 – dus nog een jaar eerder dan bovengenoemde kermis – met zijn bioscoop op de Haarlemse kermis stond. De voorstelling mislukte door technische problemen, maar, zei hij, in 1897 lukte wel. Hierbij bleef het. Geen advertenties, geen besprekingen, slechts een vage aanduiding en late herinnering. Voor de eerste in kranten gedocumenteerde filmvoorstelling moesten de Haarlemmers tot begin 1898 geduld hebben. Op de avond van zondag 16 januari

9


H A A RLEM FILMS TA D

georiënteerde Mutoscope Maatschappij was de vredesconferentie een actualiteit van de eerste orde, die zij ook kon vertonen tijdens voorstellingen door haar filialen in de Verenigde Staten en tal van Europese landen. Lauste maakte die dag ook nog twee lokale opnamen: Bloemencorso in Haarlem en Ringrijden voor sjeezen te Haarlem. Het Haarlem’s Dagblad recenseerde op 10 juni 1899 onder het kopje ‘Hippisch feest’ een voorstelling van de films in Amsterdam. De schrijver vond de opnamen geslaagd, mede omdat mevrouw Gevaerts van Simonshaven en de heren L.C. Dudok de Wit, A. Koolhoven en G.B. Crommelin goed te onderscheiden waren. Ook de aankomst van de deelnemers bij de vredesconferentie kwam aan bod; de heer W.C. de Vos, de secretaris van het hippische feest, stond er ook duidelijk op. Eind juli vertoonde de NBMM de films in Haarlem in Sociëteit Vereeniging. Jammer genoeg werkte het mooie weer tegen en werden de vertoningen slecht bezocht. De NBMM was niet de enige die in 1899 opnamen maakte in Haarlem. Voor de kermis in augustus schreven zich twee reisbioscoopexploitanten in: Hermann Fey en Henri Grünkorn. De inschrijving van Fey werd geaccepteerd en hij verzorgde tijdens de kermisweek filmvertoningen met zijn Electro Biograph. Een van de films was de opname die hij korte tijd eerder bij de Amsterdamse Poort en de Oostersingelgracht had gemaakt: Het verlaten der Centrale Werkplaats van de Hollandsche (IJzeren, red.) Spoorwegmaatschappij, op Vrijdag 28 juli 1899, te 12 uur. Honderden personen – kantoorpersoneel en fabrieksarbeiders – waren duidelijk herkenbaar te zien. Lokale opnamen pasten in de strategie van reisbioscopen om zoveel mogelijk bezoekers te trekken. Jezelf, familieleden en bekenden op film zien, was een buitengewoon populaire, extra attractie. Fey had ook nog beelden van het bezoek van koningin Wilhelmina aan Wormerveer en twee zogeheten travelogues, waarbij vanaf een rijdende trein het landschap werd gefilmd: Spoorlijn-Panorama Haarlem-Leiden, Leiden-Den Haag. En tenslotte vertoonde hij opnamen van buitenlandse steden en landschappen, korte komische films en actualiteiten.

Flora in de Amstelstraat. Dankzij deze opnamen kon iedereen ‘getuige’ zijn van het historische evenement. De korte films van de aankomst van de prinses in Amsterdam, de in- en uittocht naar de Nieuwe Kerk en de balkonscène op het Paleis op de Dam werden nog jaren na dato met veel succes vertoond. Biograph & Mutoscope Company bracht deze films ook naar Haarlem. Op 1 en 2 oktober 1898 was er in de oude schouwburg aan de Jansweg 55 (tussen de Nieuwe Gracht en de Parklaan) onder de naam The American Biograph een programma met een aantal korte films, waarin de opnamen van de kroning van Wilhelmina centraal stonden. Ook werden er nog beelden vertoond van jongleurs en infanteristen, en een komische opname van zwemmers. Sindsdien draaiden er regelmatig films in Haarlem, veelal in de theaters. Revuedirecteuren gaven films een plek in specialiteitenvoorstellingen, waarin veel verschillende artiesten optraden: coupletzangers, jongleurs, dierentemmers, komieken, enzovoort. Het einde van de avond was dan gereserveerd voor film: korte natuuropnamen, komische acts en feeërieën. Zo vertoonde Nöggerath sr. met zijn ambulante bioscoop The Royal Bioscope in de eerste maanden van 1899 enkele keren films tijdens revuevoorstellingen in de oude Haarlemse schouwburg. ‘Hippisch Feest’ De specialiteitentheaters hadden baat bij een geregelde aanvoer van films. Ze sloten daarom exclusieve contracten met buitenlandse maatschappijen die aan deze behoefte konden voldoen. Zo werden in het Amsterdamse Theater Carré, waar revuedirecteur Frits van Haarlem voorstellingen presenteerde, films vertoond van de Biograph & Mutoscope Company en had Nöggerath een vast contract met de Britse Warwick Trading Company (The Royal Bioscope). In 1899 kreeg Biograph & Mutoscope Company (B&MC) een Nederlands filiaal: de Nederlandsche Biograaf en Mutoscope Maatschappij (NBMM). Het was de NBMM die de eerste filmopnamen in Haarlem maakte. In juni 1899 kwam Emile Lauste, de vaste cameraman van de Britse zustermaatschappij, naar ons land. Na Amsterdam en Marken reisde hij op 4 juni 1899 naar Haarlem. Hij filmde er die dag het uitje van de deelnemers aan de Haagse Vredesconferentie. Voor de internationaal

‘Fransch heertje’ In de oude schouwburg aan de Jansweg en in zalen als het Brongebouw in het Frederikspark en gebouw Vereeniging aan de Lange Begijnestraat

10


Hoek Lepelstraat en Oude Groenmarkt. Op de achtergrond de Grote Markt met de voorgevel van theater De Kroon op nr. 15. Na 1917 kreeg het theater steeds meer de bestemming van bioscoop.

De komst van vaste bioscopen: Bioscope Theater (1908-1917)

Ernst en humor

De belangstelling voor film groeide spectaculair. Na 1905 zochten de exploitanten van reizende bioscopen naar permanente plekken voor filmvertoningen. De eerste ‘vaste bioscopen’ verschenen in het hartje van de stad. JAN DEKKER

15


H A A RLEM FILMS TA D

(La vie et la passion de Jésus Christus, 1903). Volgens een advertentie van 10 september 1909 wisselde het programma iedere donderdag. Er waren dat jaar ook nog toneelvoorstellingen. In 1911 was er een speciale kindervoorstelling met de film Assepoester (in de advertentie ‘Assepoetster’ genoemd). Het Bioscope Theater draaide probleemloos, tot er op 3 april 1911 ineens een aanschrijving van de gemeente in de bus viel. Schetzer moest binnen een maand een metalen kast rondom de filmprojector plaatsen; die stond tot dan toe eenvoudig en onbeschermd op een verhoging achter in de zaal. Het beschermende kastje werd één dag te laat geplaatst en even dreigde het stadsbestuur de bioscoop te sluiten. De directie wist het onheil af te wenden. Schetzer was een ondernemend type. Zijn activiteiten beperkten zich niet tot het vertonen van films in zijn eigen theater. Zo organiseerde hij in 1910 op zomeravonden voorstellingen buiten in de tuin van het Brongebouw in het Frederikspark, op de plek waar later het Sportfondsenbad gebouwd werd. Hij was ook de stuwende kracht achter een vliegfeest in Schoten. De Belgische vliegenier Léon Verstraeten kwam van 13 tot 18 oktober 1910 in Haarlem zijn kunsten vertonen. Uiteraard stond Schetzer met zijn opnameapparatuur langs de kant van het voetbalveld “bij het bruggetje”, waar een vliegveld was ingericht, met ruimte voor toeschouwers. Voor de zomers bedacht hij een attractie in de tuin van het Brongebouw: “het vroolijke rad”, een soort centrifuge van hout met een diameter van vijf meter. Wie durfde kon aan den lijve ondervinden wat middelpuntvliedende kracht betekende.

Al jaren organiseerden de gebroeders Albert en Willy Mullens tijdens de kermisweken op de Grote Markt hun filmvoorstellingen in een veredelde tent. Maar nu was het dan eindelijk zover: op 20 juni 1908 openden zij de eerste ‘vaste bioscoop’ in Haarlem. Een bioscoopje met 88 zitplaatsen in het voormalige Kleerenmagazijn De Komeet op Grote Markt 15. Was er een mooiere plek denkbaar, zo tussen café-restaurant De Kroon en het historische gebouw de Hoofdwacht in? Midden in het centrum, waar de Haarlemmers kwamen winkelen en uitgingen. Ze huurden het pand van l’Union Maatschappij tot exploitatie van Hotels en Restaurants, ook eigenaar van De Kroon. Het ging goed. Een paar maanden na de opening jubelde een verslaggever van het Haarlem’s Dagblad: “Haarlem vooruit! Ja, ja, nu hebben we al een eigen bioscoop-theater, dat dag aan dag, avond aan avond, de stadgenoten en vreemdelingen de gelegenheid biedt, om de wonderen op bioscopisch gebied – en dat zijn er heel wat! – te aanschouwen. (…) Men ziet het – het programma is afwisselend, er wordt ernst en humor in rijke verscheidenheid gegeven.” Die eerste maanden dreef Willy Mullens het Bioscope Theater, maar al vrij spoedig kreeg hij assistentie van een bedrijfsleider/directeur in de persoon van Leonard Schetzer. De voorgevel van het winkelpand bleef aanvankelijk ongewijzigd. De etalage was dichtgeplakt met reclame voor de films. Links was de entree van de bioscoop, de deur rechts gaf toegang tot de bovenwoning, die Leonard Schetzer in 1913 betrok en vanwaar hij zo’n vijftien jaar het filmbedrijf leidde. Over het interieur is weinig bekend. De krant noemde het “een intiem zaaltje, netjes ingericht, behoorlijk verlicht als er licht nodig is, kortom, een knus, niet ongezellig zitje.” Er was “een afwisselend programma, geen hoge entrée, voor kinderen nog verlaagd, alle elementen zijn dus aanwezig om de onderneming te doen slagen.”

Entree Het filmaanbod was opvallend breed en kwam uit landen als Italië, Denemarken, Duitsland, Zweden en Frankrijk, veel minder uit de Verenigde Staten. Een mooi voorbeeld is (La voix d’or) Verloren en gewonnen, 1913 van de Franse regisseur Georges André Lacroix, over een componist die in de ban raakt van een zangeres. De opnames van de film vonden onder meer plaats in Amsterdam en in Volendam. Regelmatig waren er ook Nederlandse films te bewonderen. In juni 1915 startte het “noodlotsdrama” Fatum (“treurspel op den Zeedijk te Amsterdam”) van Theo Frenkel, met Louis Bouwmeester als steenrijke Noord-Hollandse boer Kobus, die huwt met de

Ondernemend Titels van films werden in de krantenadvertenties zelden genoemd. Vaak verwezen ze voor de programmering naar “de strooibiljetten”. In 1908 waren onder meer te zien Autorennen te Dieppe (Circuit de Dieppe, 1907) en Het leven en lijden van Jezus Christus

16


Het Bioscope Theater op de Grote Markt was de eerste bioscoop in Haarlem. De zaal opende op 20 juni 1908 en telde ruim tachtig zitplaatsen. De eerste tijd werd de bioscoop geleid door Willy Mullens.

films korte tijd later, soms al in dezelfde week, in de veel grotere zaal van De Kroon vertoond – “onder leiding van de Directie van het Bioscope Theater”. Na de aankoop van Grote Markt 15 in maart 1916 door N.V. Café-restaurant voorh. Gebr. Brinkmann, werden de kleine bioscoop en de schouwburgzaal achter het café-restaurant samengevoegd. Grote Markt 15 was nu de entree van de concert- en theaterzaal De Kroon. En die zaal kreeg in de jaren daarna steeds meer de bestemming van bioscooptheater – onder de bezielende aanvoering van Schetzer.

Volendamse Anna. Maar ja, Anna heeft haar woord ook gegeven aan knecht Arend. De criticus van de Oprechte Haarlemse Courant had zijn bedenkingen: “’t Is een Hollandsche film, dus heeft men de verzoeking niet kunnen weerstaan een bevolking van Volendamse vissers en fraai gemutste boerinnetjes op het doek te brengen.” Hij besluit positief: “We voorspellen het Bioscope-theater met deze film volle zalen.” Het liep anders. Op zondag 24 juni 1917 vonden de laatste voorstellingen plaats in het Bioscope Theater. Dat kwam zo. Meer dan eens werden succesvolle

17


Publiciteitsfoto van Christine van Meeteren, een van de vaste krachten van Filmfabriek Hollandia.


Filmfabriek Hollandia

Knappe vrouwtjes, aardige jongens Mijn herinneringen als filmster (1912-1915) Christine van Meeteren was een van de sterren van de Filmfabriek Hollandia. In 1958 schreef ze haar nimmer volledig gepubliceerde herinneringen op aan die avontuurlijke begintijd, toen Haarlem het centrum was van de speelfilm in Nederland. CHRISTINE VAN MEETEREN

aangedaan. De tranen sprongen me in de ogen, toen ik mezelf en de andere artiesten terugzag zoals we er 46 jaar geleden uitzagen. Er ging een grote weemoed door mij heen, toen ik bedacht dat de meeste van de artiesten die destijds aan die filmen mee werkten, er niet meer waren. Ik dacht aan Chrispijn, toen nog bruisend van levenslust. Theo Frenkel, Jan van Dommelen, Binger, Benno (Alex Benno, red.) en al die anderen die van ons zijn heengegaan. God bless them all! Er ging zoveel door mij heen dat ik besloot dit alles eens op schrift te zetten, vooral aangemoedigd door de vele reacties die er volgden op deze televisieuitzending en aangemoedigd door de heer De

Het was een zeer eigenaardige gewaarwording toen ik zaterdag 8 februari 1958 plotseling geconfronteerd werd met een oude film, waarin ik had gespeeld in 1912. Deze film was gemaakt door de Filmfabriek Hollandia in Haarlem, destijds de enige onderneming die als geregeld bedrijfsfilms produceerde. De VPRO had mij namelijk uitgenodigd voor een vraaggesprek met de heer Simon van Collem, die een nieuwe rubriek zou lanceren, De oude draaidoos. Door het Nederlands Filmmuseum was deze film voor dit doel welwillend ter beschikking gesteld. De film was genaamd De avonturen van Trijntje en Mijntje. Het is misschien gek, maar ik werd erg

57


H A A RLEM FILMS TA D

Scène in de tram van Haarlem naar Zandvoort uit Twee Zeeuwse meisjes in Zandvoort, met Annie Bos en Christine van Meeteren. De film werd opgenomen in de zomer van 1913. Het is de enige aflevering van de serie Mijntje en Trijntje, die bewaard is gebleven.

en Annie Bos gaan in Zeeuws kostuum als twee avontuurlijke Zeeuwse schonen een dagje naar Zandvoort met de blauwe tram. In de tram maken ze kennis met een paar stadse heertjes. Enfin, de rest laat ik aan jullie eigen fantasie over. Voor de heertjes nemen we natuurlijk ook een paar artiesten. Benno is er al op uit ze in Amsterdam ergens op te scharrelen. Zie maar wat je ervan maakt. De rest bespreken jullie maar onder elkaar, als je maar zorgt dat het ’t aankijken waard is. Verdorie het is al laat, ik moet weg.” Dit alles werd in één adem tot Chrispijn gezegd – en weg was hij. We keken elkaar eens aan. Binger was een fijne baas, maar je moest echt aan hem wennen. Hij gaf je plotseling een idee en dan moest je maar zien wat je ervan maakte. Chrispijn ging zonder een woord te zeggen naar z’n kantoor. Ik wist dat hij nu zou proberen in ieder geval iets voor ons, al waren

Vaal, directeur van het Nederlands Filmmuseum! Het filmen ging vroeger wel een beetje anders dan nu. Ik herinner me bij voorbeeld nog als de dag van gisteren hoe dit filmpje De avonturen van Trijntje en Mijntje tot stand kwam. Glundergezicht Het was in de zomer van 1913, toen we ’s morgens zoals gewoonlijk om negen uur aan de fabriek kwamen (met we bedoel ik L. H. Chrispijn, met wie ik getrouwd was, en mijn persoontje). Binger wachtte ons al op en ik zag dadelijk aan zijn glundergezicht dat er weer iets geks op til was. Hij zei dan ook tegen Chrispijn: “Ik heb wat bedacht voor vandaag. Het is stralend weer, echt geschikt voor buitenopnamen. Hier kan ik jullie trouwens niet hebben, want ik heb alle ruimte nodig om decor op te bouwen. Nu heb ik zo gedacht: je vrouw

58


FILMFABRIEK HOLL ANDIA

jonge toneelspeelster bij de Kon. Ver. gekomen en trouwde twee jaar later met de veel oudere, toen zeer geroemde en bekende regisseur en toneelspeler L. H. Chrispijn. In 1908 gingen we voor een tournee van acht maanden naar Ned. Indië met het gezelschap Kimmel-Chrispijn. Het gaf een grote beroering in de toneelwereld dat Chrispijn zich had los gemaakt van de Kon. Ver. Hij deed dit deels omdat hij ontevreden was over de genrestukken die hij moest regisseren, maar ik geloof voornamelijk omdat hij wat meer van de wereld wou zien. Na deze tournee, die voor ons beiden een groot succes was, bleven wij achter toen het gezelschap weer naar Holland vertrok. We begonnen de succesvolle tournee Chrispijn. We speelden met z’n beiden allerlei eenakters, die geweldig insloegen. Dit duurde veertien maanden, waarvan de laatste drie maanden tezamen met Jean-Louis Pisuisse en Marc Blokzijl, die juist terugkwamen uit China en Japan. We ontmoetten hen op Sumatra, ze waren van plan nu in Medan te beginnen. Wij waren reeds in Medan en we zouden elkaar dus lelijk in de wielen rijden. We besloten dus iets met z’n vieren te gaan proberen en Chrispijn, sprankelend van geest en fantasie, had een nieuw nummer bedacht voor ons vieren. Het kreeg de naam Sprekende film, niet vermoedend dat er zoveel jaren later werkelijk een sprekende film zou ontstaan. Ik werd aan het werk gezet om een grote zwarte lijst van fluweel te maken. Daarin werden kleine stopstukjes gezet, zoals ze nu bij de tv ook doen, die door Marc Blokzijl waren geschilderd. Er werden de nodige meubeltjes in gezet. Pisuisse zong z’n chansons onzichtbaar, Blokzijl accompagneerde en Chrispijn en ik speelden ze, geheel volgens de inhoud, zo ontstond bij ons de Sprekende film. Het nummer had een overweldigend succes en we gingen er ook mee naar Java en Singapore. Inmiddels was hier in Holland bij de Kon. Ver. een nieuw lid van de Raad van Beheer gekomen, wiens eerste daad was ons een telegram te zenden met het verzoek terug te komen. Na rijp beraad deden we dit, en zo waren we weer goed en wel twee jaar verbonden bij de Kon. Ver, toen de heer Binger ons verzocht in Haarlem te komen wonen en ons uitsluitend beschikbaar te stellen voor zijn films. Chrispijn zou dan de artistieke leiding van de fabriek krijgen en ook meespelen, ik zou alleen

het maar een paar punten, vast te zetten op de schrijfmachien, zodat we tenminste een klein beetje houvast zouden hebben. Tenslotte droeg hij de artistieke verantwoording. Ik ging naar de kleedkamer om eens te kijken hoe die Zeeuwse kostuums waren. Annie Bos, die inmiddels ook gearriveerd was, zette grote ogen op, toen ze van mij hoorde wat de plannen waren. We gingen naar de kleedkamer, pasten de kostuums, en ik moet eerlijk zeggen, die zagen er lang niet gek uit. Benno had keurig voor alles gezorgd. We spraken af wat we er zo ongeveer van konden maken. De hoofdzaak moesten we aan het toeval overlaten. Het slagen van zo’n filmpje hing dus hoofdzakelijk van de fantasie en de intelligentie van de spelers af. En van de cameraman, niet te vergeten. Daarmee hadden we gelukkig geboft. De heren Metman en Boersma waren volkomen berekend voor hun taak. Zelfs onder de moeilijkste omstandigheden hielden zij hun hoofd koel. Nu nog zelfs, na 46 jaar, viel me op hoe goed het camerawerk was geweest van de heer Metman bij dit filmpje. Wij zagen er als Zeeuwse meisjes werkelijk helemaal niet gek uit en dat gaf ons wat vertrouwen in de hele onderneming. Daarvóór hadden we nog weinig benul wat we er van zouden maken. Benno was intussen ook aangekomen met twee jonge acteurs, die hij had kunnen charteren voor de twee fatjes die met ons zouden aanpappen. Het waren Theo Frenkel, mij wel bekend van de Kon. Ver. ‘Het Nederlandsch Tooneel’ en Pietje Perin, zoals ieder hem noemde. In ieder geval twee jonge acteurs die over de nodige flair beschikten om een dergelijk gegeven tot een succes te maken. We waren geen van allen geschminkt, dus alles leek zo echt mogelijk, en eindelijk gingen we op stap naar de blauwe tram. Metman en Benno volgden ongemerkt en Chrispijn deed helemaal of hij ons niet kende en nooit gezien had. Benno had een koffertje bij zich waarin een politie-uniform zat, want hij zou in Zandvoort als agent van politie fungeren, die slaags zou raken met de jonge dames en ze eindelijk onder grote belangstelling van het publiek naar het politiebureau moest brengen. Dit had Chrispijn bedacht als slot van deze film. Beroering Men zal zich afvragen, hoe kwamen Chrispijn en ik eigenlijk bij de film? In 1905 was ik als veelbelovend

59


Kleine Houtstraat met het Spaarne Theater.


Spaarne Theater (1933-1940)

Vervlogen dromen Abraham Canis van het Spaarne Theater in de Kleine Houtstraat probeerde verschillende keren een nieuwe bioscoop te beginnen in Haarlem. De andere bioscoopexploitanten lagen dwars. HARRY HOSMAN

Haarlem. Een nieuw theater zou “een nog grotere achteruitgang der bioscopen” betekenen. Het laatste argument werd gedeeld door de machtige Commissie Nieuwe Zaken van de Nederlandsche Bioscoopbond, die plannen voor nieuwe bioscopen moest beoordelen. Ook de brancheorganisatie, die de belangen verdedigde van de ondernemers in het Nederlandse filmbedrijf, vreesde te veel concurrentie voor de bestaande theaters. Bloemsma was geen lid van de bond, die kort daarvoor had besloten geen nieuwe leden meer toe te laten. Het maakte niet uit. Half maart 1935 verwierp de Haarlemse gemeenteraad de plannen met 18 tegen 17 stemmen uit “welstandsoverwegingen”. Bloemsma toonde zich nog bereid te overleggen met de Haarlemse schoonheidscommissie, maar de deur bleef potdicht.

Een moderne bioscoop aan de zuidzijde van de Parklaan tussen de Kruisstraat en de Jansweg. In het najaar van 1936 presenteerden de Amsterdamse architect Pieter Rinze Bloemsma en Abraham Canis, exploitant van het Spaarne Theater in de Kleine Houtstraat, een maquette van het “City-theater”. De nieuw bioscoop zou moeten verrijzen op de plek van het toenmalige garagebedrijf van ondernemer Jan Slot op Parklaan 24. Het Haarlem’s Dagblad publiceerde een tekening van de compleet nieuwe bioscoop. Achter een hoge gesloten voorgevel in “moderne bouwtrant”, bekroond door een reusachtige vlaggenmast, zou een zaal verrijzen met ongeveer 450 stoelen. Volgens sommige berichten zelfs 650 plaatsen. Het plan was niet nieuw. Al in maart 1935 had Bloemsma zijn plan voor een bioscoop aan de Parklaan gepresenteerd. Veel medewerking vanuit de gemeente kreeg hij niet. Al meteen had B&W hem laten weten zich te verzetten tegen de nieuwe grote bioscoop. Het stadsbeeld bij de Parklaan “zou door een hoog gebouw geschaad worden”. De in januari 1935 geopende Frans Hals-bioscoop had “het stadsbeeld ook lelijker” gemaakt. Bovendien waren er al genoeg bioscopen in

Rekensommen Het is moeilijk voorstelbaar dat architect Bloemsma de bioscoop zelf had willen exploiteren. Waar hij de middelen vandaan moest halen om zich een bioscoop te kunnen permitteren in een tijd van economische malaise is ook een raadsel.

129


H A A RLEM FILMS TA D

hun winsten op peil houden en daarom oordeelde de Commissie Nieuwe Zaken negatief over de aanvraag. Canis ging in beroep, maar begin december 1936 wees het hoofdbestuur van de Bioscoopbond het bouwplan aan de Parklaan definitief af. De protectionistische bond liet zien pal voor de belangen van haar leden te staan. Architect Bloemsma kon zijn maquette en bouwtekeningen in de vuilnisbak gooien. Zijn carrière was overigens niet voorbij. Na de oorlog zou hij onder meer samen met Jan Rietveld het opvallende flatgebouw Westereind langs de Haarlemmerweg bij Amsterdam-Sloterdijk ontwerpen, sinds 2010 een Rijksmonument. En in Haarlem de flat Haarlem Hoog bij de Randweg.

Maar in het najaar van 1936 stond zijn bioscoopplan weer volop in de belangstelling. Abraham George Canis, eigenaar van het Spaarne Theater (soms werd er geadverteerd met Spaarne Sound Theater) in de Kleine Houtstraat, had het overgenomen. Hij had de wind niet mee. Canis was wel lid van de Bioscoopbond, maar die had juist in 1936 een selectief vestigingsbeleid ingevoerd. Maar hij had een list verzonnen. Als hij toestemming kreeg voor de bouw van het City-theater, zou hij het Spaarne Theater in de Kleine Houtstraat sluiten, zo liet Canis het Haarlem’s Dagblad weten. Eind oktober 1936 schatte de krant zijn kansen niet hoog in. De krant onthulde dat de Commissie Nieuwe Zaken van de Bioscoopbond liefst vier keer besprekingen had gevoerd over het City-plan. In de commissie had ook zitting genomen Johan (Jo) Mollerus, secretaris van de Haarlemse Kamer van Koophandel en Fabrieken. Om zich op de hoogte te stellen van de plaatselijke omstandigheden hadden de leden de Haarlemse bioscopen bezocht. Er waren rekensommen gemaakt en de krant citeerde uit het verslag, nog vóór er een beslissing bekend was gemaakt. Waarschijnlijk was het onderzoek gelekt door Mollerus. Hij was ook medewerker van de krant. De Haarlemse exploitanten hadden inderdaad redenen om bezorgd te zijn. Rembrandt, Cinema Palace, Luxor en Frans Hals telden tezamen ongeveer 3000 stoelen. Volgens de bioscopen zelf was dat voldoende “om in de behoeften van het publiek te voorzien”. Ongeveer 1.272.000 Haarlemmers kochten in 1935 een bioscoopkaartje, inclusief de bezoekers van het Spaarne Theater. Dat bleek uit de opbrengsten van de vermakelijkheidsbelasting. De capaciteit was veel groter: “De vier grootste Haarlemse bioscopen geven elke dag drie voorstellingen zodat zij per jaar met hun 3000 plaatsen ongeveer 3.285.000 bezoekers kunnen ontvangen.” Sinds de opening van Frans Hals was het totale aantal bioscoopbezoekers in Haarlem licht gestegen, maar het gemiddeld aantal bezoekers per voorstelling was bergafwaarts gegaan. Bij sommige avondvoorstellingen was minder dan een derde van de stoelen bezet. De bond was helder: “Het Spaarne Theater heeft thans een eigen publiek. Als dit zou worden vervangen door een theater aan de Parklaan, in de geest van de vier genoemde bioscopen, zouden de laatste daarvan nadeel ondervinden.” Ze wilden

Stille dood Na het afwijzen van het plan voor het City-theater aan de Parklaan ging Canis niet bij de pakken neerzitten. In mei 1937 kondigde hij in de Oprechte Haarlemsche Courant aan dat een architect in Velp werkte aan een verbouwingsplan voor de oude schouwburg aan de Jansweg, pal om de hoek van de Parklaan. De opgeknapte zaal met ongeveer 700 plaatsen zou ruimte moeten bieden aan toneelvoorstellingen, vergaderingen, concerten en bioscoopvertoningen. Maar Canis had te snel de publiciteit gezocht, bleek bij navraag van de krant. Zowel de eigenaar van het gebouw aan de Jansweg als de afdeling Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente wisten nog van niets. Het plan stierf een stille dood. Intussen vertoonde Canis in zijn Spaarne Theater voornamelijk allerhande Amerikaanse films, met in de hoofdrollen onder anderen Rin Tin Tin, Shirley Temple, Tarzan en James Cagney. En hij verhuurde zijn zaal aan allerlei verenigingen. In april 1933 bij voorbeeld aan Adolf Bruinsma, lijsttrekker van het Nationaal Verbond Plicht, Orde, Recht. In een advertentie in het Haarlem’s Dagblad deed Bruinsma een oproep aan “arbeiders, intellectuelen, middenstanders, gij allen, die het welzijn van land en volk beoogt”, om naar de Kleine Houtstraat te komen. In oktober 1934 vierden de communistische partij en communistische jeugdorganisatie het zeventienjarig bestaan van de Sovjet-Unie. “De directeur van het Spaarne Sound Theater heeft zijn gebouw voor deze middag afgestaan.” In december 1936 hield de arts Bernard Premsela een inleiding bij de Duitse

130


S PA A R N E T H E AT E R (1 93 3-1 9 4 0)

film Uit het dagboek van een vrouwenarts (Das erste Rechte des Kindes, 1932), een vertoning voor de NieuwMalthusiaanse Bond, de voorloper van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming ofwel NVSH. En in november 1938 organiseerde professor David Cohen voorstellingen op de woensdagmiddag en -avond ten bate van het ComitĂŠ voor Joodsche Vluchtelingen. Er zaten andere tijden aan te komen. Ook in de levens van Bernard Premsela, David Cohen en directeur Abraham Canis van het Spaarne Theater zouden de veranderende tijden zich doen gelden.

↑ Maquette

van het City-theater aan de Parklaan. Bioscoopexploitant Canis steunde het plan van architect Bloemsma, maar de overige Haarlemse bioscoopexploitanten zaten niet te wachten op een nieuwe concurrent. Bovendien was de gemeente na de bouw van V&D aan het Verwulft en het Frans Hals Theater aan de Schoterweg huiverig geworden voor grote gebouwen in de stad.

131


H A A RLEM FILMS TA D

Moviac was de opvolger van journaalbioscoop Cineone.

Moviac (1938-1940)

Tussentijd Uit het faillissement van Cineone op de Grote Markt 25 herrees bioscoop Moviac. De naderende oorlog wierp zijn schaduw over de films. HARRY HOSMAN

140


Moviac vertoonde een film over de allegorische optocht en straatversiering vanwege het 40-jarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina, september 1938. Op de foto de versiering in de Anegang bij de Grote Houtstraat, richting Kleine Houtstraat.

Mooi Haarlem van cameraman Jan de Koning. En in april 1939 organiseerde de bioscoop van dezelfde maker de première van De straat, een documentaire over de Generaal Cronjéstraat. Volgens een aankondiging “een film met een avantgardistisch karakter”. Intussen presenteerde de bioscoop ook nog zijn eigen Moviac Nieuws, vervaardigd door J.P.B. Beets van de Nederlandsche Smalfilm Centrale in Amsterdam. In een van de zes afleveringen was onder meer een filmpje te zien over een reddingsdemonstratie in Zandvoort. In de jaren dertig was de Nederlandse speelfilm bijzonder populair bij exploitanten en publiek. Moviac profiteerde er volop van mee. Zo was de “Hollandse geluidsfilm” Uit het leven van Dik Trom van regisseur Gerard Niestadt een daverend succes in januari 1939. Trots meldde het theater: “Aanstaande zaterdag verwachten wij de 5000ste bezoeker. Deze ontvangt een exemplaar van het bekende boek Dik Trom.” Tollenaar en Bröse adverteerden in die dagen met de slogan: “Komt lachen in de Moviac en vergeet uw zorgen.” Maar de politieke beroering die Europa dreigde te verscheuren, drong ook steeds sterker tot de bioscoopzaal door. Bezoekers van Na 100 jaar (1939), de jubileumfilm voor de Nederlandse Spoorwegen van Max de Haas, zagen ouders op een station afscheid nemen van hun gemobiliseerde zonen en wagons vol kanonnen. Eind december 1939, drie maanden na de Duitse inval in Polen, vertoonde Moviac de film Onze soldaten in mobilisatietijd. Ook ons land werd onvermijdelijk de oorlog ingezogen. Vijf dagen na de Duitse inval sloot de kassa van Moviac, om een jaar later pas weer open te gaan. Onder een andere directie en met een totaal andere programmering.

De gesloten bioscoop Cineone op de Grote Markt leek maanden gevangen te zitten in het drijfzand van een faillissement. Maar eind juli 1938 gebeurde wat eigenlijk niemand had verwacht: de deuren van de journaalbioscoop zwaaiden weer open. De kersverse bedrijfsleider H. Tollenaar hing aan de gevel een nieuwe naam: Moviac. Tollenaar werd geassisteerd door G.O.H. Bröse, die afkomstig was van de voormalige lunchroom Zum Klausner die vroeger in het pand was gevestigd. Het concept van de nieuwe bioscoop was nauwelijks gewijzigd. Ook Moviac was een soort Cineac met doorlopende journaalvoorstellingen, nu van half drie ’s middags tot half twaalf ’s avonds. In de maanden die volgden vertoonde Moviac regelmatig in Haarlem opgenomen 16 mm films. Bijvoorbeeld in de week van 12 september “eigen opnames” van de “allegorischen optocht te Haarlem” ter gelegenheid van het 40-jarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina. Een reusachtige stoet had kriskras de binnenstad doorkruist. Herauten met bazuinen, bereden vaandeldragers met de standaarden van Noord-Holland en Haarlem, muziekkorps De Spaarnebazuin en pijpers en trommelslagers waren door duizenden toegejuicht in de Grote Houtstraat, op de Grote Markt, de Dreef en de Wagenweg. De opnames van de plechtigheid maakten diepe indruk op de Haarlemmers. Een paar maanden later konden ze nogmaals op het doek van hun stad genieten. Moviac vertoonde

141


Cinema Palace in de Grote Houtstraat, in 1962.


Cinema Palace (1945-2011)

Het Tuschinski van Haarlem Een prachtig doek van goudgeel satijn, grote sierlijke kroonluchters. Cinema Palace in de Grote Houtstraat was in de ogen van vele Haarlemmers de mooiste bioscoop van de stad. Ze zagen er kaskrakers als Ben-Hur, Dr. No, The Graduate, Love Story, Ryan’s Daughter, The Sound of Music, Grease, Saturday Night Fever en The Godfather. HARRY HOSMAN

Niet alleen het doek, ook de rest van de zaal straalde cachet uit. “Cinema Palace werd wel eens het Haarlemse Tuschinski-theater genoemd”, zegt Hendriks. Aan het plafond hingen reusachtige kroonluchters van Venetiaans glas. Om die schoon te maken werden ze eens per jaar een stukje omlaag getakeld. Van Toorn werd gewaarschuwd voor losse onderdelen op de grond, maar tot schrik van het personeel vertrapte hij soms per ongeluk stukjes van de glazen versiering. Hendriks gaf alle onderdelen een sopje. “In de Cinema Palace werd enorm geboend, gedweild en in de was gezet.” Ook aan de buitenkant straalde Cinema Palace deftigheid uit. Onder de directie van Hein Daudey sr.

Het was een magisch moment. Terwijl de lichten gedempt werden, schoof het doek langzaam omhoog. Ouvreuse Les Hendriks herinnert zich het nog levendig. “Het voordoek was vervaardigd van goudgeel satijn en hing aan draden in halfronde plooien. Als vanuit de filmcabine het doek werd opgehaald, duwde de onderste rij boogjes het doek steeds verder omhoog.” Philinea-buislampjes lichtten het doek vanboven fraai aan. Als er een lampje stuk was, was de lichtlijn onderbroken. Hendriks: “Directeur George van Toorn eiste dan dat zo’n kapot lampje meteen werd vervangen.” Operateur Luc Boumans klom dan op een wiebelende hoge trap naar de bovenkant van het doek. “In die tijd bestonden er nog geen arbo-eisen.”

211


H A A RLEM FILMS TA D

In Cinema Palace in de Grote Houtstraat draaiden kaskrakers als James Bond. Foto uit 1974.

Haag viel hem zwaar. “Ik was dolgelukkig dat ik in het mooiste theater van Haarlem mocht werken.” De bioscoop was eigendom van de erven Daudey in Amstelveen, middels hun N.V. Eerste Haarlemsche Automaatschappij v.h. J. Inpijn. Directeur George van Toorn was getrouwd met Doortje Desmet, van de befaamde bioscopendynastie Desmet. “Heel secuur en altijd in het pak. We moesten wel een beetje om hem gniffelen”, zegt Luc Boumans. “Hij speelde directeurtje.” Zodra iedere bezoeker in zijn stoel zat, drukte Van Toorn op een knop in een kastje achter in de zaal. In de filmcabine klonk dan een bel ten teken dat de film gestart kon worden. Als het doek dan niet meteen omhoogschoof, drukte hij ongeduldig nog een paar keer, tot irritatie van het personeel. Bedrijfsleider en boekhouder was Leo Dijkstra, zijn vrouw Jo stond achter het buffet. Van Toorn en Dijkstra woonden vlak achter de bioscoop aan het Klein Heiligland, te bereiken via een gang.

was de bioscoop in 1929 grondig verbouwd. Onder leiding van architect K.J. Aanstoot was de voorgevel gelijkgetrokken met die van sociëteit Trouw moet blijcken. Het ontwerp was sterk beïnvloed door de Amsterdamse School en de art deco: de gevel in (rode) baksteen, fraaie glas-in-loodramen en in sierlijke letters ‘Cinema Palace’. Meteen onder die letters was over de volle breedte een smalle lichtbak aangebracht voor de filmtitel van de week. Later kreeg Cinema Palace nieuwe letters en werd de lichtbak verwijderd. Eind 1968 begon Luc Boumans als operateur bij Cinema Palace. Zijn voorganger Frans Thijsen was gehandicapt; het vele traplopen in de bioscoop en het slepen met de filmdozen werd hem te zwaar. Boumans had het operateursvak geleerd in zijn diensttijd bij de Leger Film- en Fotodienst in Den Haag. Daarna werkte hij in het Haagse Apollo-theater, maar het reizen van zijn woonplaats Heemstede naar Den

212


C I N E M A PA L A C E ( 1 9 4 5 -2 0 1 1 )

vloer. Het was hard werken en je salaris was laag. De bazen rekenden erop dat er fooien werden gegeven. Als de zaal helemaal vol zat, kon dat flink oplopen. Het was een sport om in te schatten wie meer zou geven dan het gemiddelde. Dan deed je ook extra je best.” Tijdens de voorstelling zat Les Hendriks soms achter in de zaal op een klapstoeltje – in de tijd van de brandbare films de plaats van de brandwacht. “Dan kon je luidruchtige bezoekers in de gaten houden en ook bezoekers die een goedkoop kaartje gekocht hadden maar in een onbewaakt ogenblik naar een duurdere rang probeerden te verhuizen. Met een sterke lamp zette je de ‘verdachten’ dan in het licht, zodat iedereen ze goed kon zien. Dat werkte heel goed als afschrikmiddel.”

Explosiekokers Ook achter de schermen was Cinema Palace een luxe bioscoop. Meestal liepen in een filmcabine de kabels en leidingen duidelijk in het zicht langs de muren, maar niet in Cinema Palace. Ze waren mooi weggewerkt en er was ook een fraaie indirecte verlichting. Net zo lagen de schakelaars voor de verlichting van de hal, gangen, trappen en foyer verborgen in de donkerbruin gebeitste lambrisering. Bij een stroomstoring kon worden overgeschakeld van de kabel van de Grote Houtstraat naar de kabel van het Klein Heiligland. Sommige apparaten in de filmcabine herinnerden aan de tijd van de zwijgende film, zoals twee zogenaamde explosiekokers. De nitraatfilms uit die dagen waren uiterst ontvlambaar en explosief. De kokers moest ervoor zorgen dat bij een explosie de luchtdruk kon ontsnappen en de cabine niet uit elkaar klapte. Gietijzeren kleppen voorkwamen dat een brand in de cabine zich via de projectievensters uitbreidde naar de zaal. De kleppen werden met elektrische magneten omhooggehouden. Als de stroom in de cabine wegviel, sloten de valkleppen met een luide klap om de glazen vensters. “Als dat tijdens de film gebeurde, zat je verstijft van schrik in je stoel”, herinnert Boumans zich. Een deur in de hal gaf toegang tot een personenlift naar de foyer. Die lift was al jaren buiten gebruik. De liftkooi diende als opslagplaats voor frisdranken. Rechts in de zaal was een bezemkast. Hoog boven de deur zat aan de binnenzijde een klein balkon. Boumans: “Er werd me verteld dat dit de plek was waar vroeger, in de tijd van de ‘zwijgende film’, de explicateur zat.” Achter het projectiescherm was een grote lege ruimte: het voormalige toneel, waar in Cinema Palace naast filmvertoningen ooit ook variétévoorstellingen werden gegeven. Er lag een met touw omwikkelde koperen brandspuit, op de slang stond het woord ‘Tooneel’. En op de zolder onder de kap van de twee puntgeveltjes aan de zijde van de Grote Houtstraat vond Boumans een ‘voorstuk’, het mechanische deel van een projector uit de tijd van de zwijgende film. Relikwieën uit een ver verleden. Les Hendriks was de jongste van de ouvreuses. Zij en haar collega’s brachten de bezoekers naar de rij die op hun plaatsbewijs stond. Vaste klanten vroegen om hun “vaste plaats”. In de zaal waren de rangen Stalles, Parket en Loge, op het balkon de eerste twee rijen Loge en de rest Balcon. “Wij waren de meiden van de

Commerciëler Als het filmpje van de collecte voor het Bio Vakantieoord startte, liep Les Hendriks met de deels gevulde collectebussen al rammelend van achteren naar voren. De bussen werden zoals in de kerk van rij tot rij doorgegeven. “Je moest wel in de gaten houden dat niet de een of andere lolbroek de bus onder zijn jas stopte.” Lange tijd was de bioscoop “de arme man z’n avondje uit, maar betaalbaar”, zegt ze. Eind jaren zestig had meer dan 80% van de Nederlanders televisie en bleef die ‘arme man’ steeds vaker thuis voor zijn televisietoestel hangen. Het bioscoopbezoek daalde dramatisch. In 1969 dreigde zelfs sluiting van Cinema Palace. Zakenman Jaap Kroonenberg uit Amsterdam voerde onderhandelingen met makelaar Henk Fibbe uit Haarlem over de aankoop van de bioscoop. Hij wilde in het kapitale pand met een vraagprijs van f 1.000.000,- een textielsupermarkt vestigen. Maar in oktober 1970 zag Kroonenberg af van aankoop. Cinema Palace werd gekocht door Minerva Bioscoop Exploitatie uit Amsterdam, onder meer exploitant van bioscopen in Amsterdam (Victoria) en Aalsmeer (De drie kolommen). De nieuwe eigenaar was Joop van Willigen. Tegen het Haarlems Dagblad zei hij te streven “naar het sneller naar Haarlem halen van films die in Amsterdam in première zijn gegaan”. Bedrijfsleider werd W. (Wim) G.M. van Bommel. De sfeer in de Grote Houtstraat werd kil. Luc Boumans: “Van Willigen had geld geïnvesteerd in Cinema Palace. Hij riep: ‘Dat geld moet er ook weer

213


West Side Story (1961) van Robert Wise, met in de hoofdrollen Natalie Wood, Richard Beymer en Rita Moreno, was een van de grote hits in Cinema Palace.


Gerrit van Dijk, Henk Maurits en Peter Brouwer aan de filmmaaltijd op het dak van de parkeergarage aan de Raaks.


Van Melkwoud naar Filmschuur

Hoe de goede films toch naar Haarlem kwamen Een nieuwe generatie filmliefhebbers (na de oorlog geboren, hoog opgeleid) moest in de jaren zestig en zeventig weinig hebben van de programmering van de commerciële Haarlemse bioscopen, waar Hollywoodfilms eindeloos werden uitgemolken. Ze organiseerden zelf in zaaltjes en cafés filmvoorstellingen, met werk van een nieuwe lichting filmmakers uit onder meer Duitsland, Frankrijk en Italië. Het Melkwoud en de Witte Bioskoop waren de voorlopers van de succesvolle Filmschuur. HARRY HOSMAN

233


H A A RLEM FILMS TA D

zwarte laklaarzen sierde het omslag van het decembernummer van 1970. Twee getekende figuurtjes gaven in tekstballonnetjes commentaar: “Wat heeft deze blote voorplaat met film te maken?” “Niks, maar het verkoopt zo lekker.” Toch overheerste volgens sommigen de politiek. “Zaten er drie mensen te kijken naar een film over Lenin”, zei een bezoeker. Een jaar later was het dan ook voorbij.

In de jaren zestig en zeventig nam vooral onder jongeren tussen de achttien en dertig jaar de ergernis toe over het aanbod van de commerciële bioscopen in Haarlem. Door de opkomst van de televisie en het dramatisch teruglopende bioscoopbezoek was het bioscoopbedrijf in een diepe crisis beland. Theaters moesten sluiten, distributeurs en exploitanten kozen voor films die hun waarde aan de kassa al bewezen hadden. Artistieke, kunstzinnige films, waarvan niet verwacht werd dat ze een groot publiek zouden trekken, gingen aan Haarlem voorbij. Filmliefhebbers reisden voor de nieuwe films van Rainer Werner Fassbinder, Werner Herzog, Wim Wenders, Marco Ferreri en vele anderen naar Amsterdam, dé filmstad van Nederland. Daar lonkten arthouse-bioscopen als Cinetol, Kriterion, het Leidsepleintheater, De Uitkijk en later ook The Movies.

Frustraties In 1972 broedden Gerrit van Dijk en Peter Brouwer van het Electric Filmcentre (samen hadden ze in 1971 de animatiefilm It is good in heaven gemaakt) op het terras van Brinkmann op de Grote Markt met student massacommunicatie Henk Maurits op een echt filmhuis in Haarlem. Maurits: “Dat filmhuis zou moeten komen op een neutrale plek, een plek waar je niet werd afgeschrikt door wietdampen, zoals op de Bakenessergracht.” Ook in andere steden gistte het. In 1973 begon Huub Bals filmhuis ’t Hoogt in Utrecht, het eerste in Nederland. Maurits verwoordde zijn frustraties over de Haarlemse bioscopen in een stencil. “Ben je het ook zo zat om voor elke ‘goeie’ film steeds maar weer naar Amsterdam te moeten, omdat de vijf Haarlemse bioscooptheaters er geen brood in zien? Een belachelijke zaak voor een stad van bijna 170.000 inwoners. Alsof die allemaal geïnteresseerd zijn in de zoveelste hervertoning van De kanonnen van Navarone (1961) of Gejaagd door de wind (1939).” En: “Film is een keiharde business geworden, waarin alleen de allermachtigsten oftewel degenen met de meeste dollars het nog kunnen uithouden. De praktijk wijst het duidelijk uit. Voormalige grote filmlanden als Frankrijk, Italië of West-Duitsland komen nauwelijks meer aan bod, om maar helemaal niet te spreken van landen als Rusland, Polen, Hongarije, Tsjecho-Slowakije of Japan.” In de theaterzaal op de eerste verdieping van het Bavogebouw in de Smedestraat vonden ze de plek om zulke films te vertonen. De voormalige schietbaan van de Haarlemse politie was in 1970 gekraakt door de actiegroep Toneelschuur met in de gelederen onder anderen Frans Lommerse. Hij vestigde er het Schuurtejater. Na afloop van de theatervoorstellingen was de ruimte vrij. Maurits doopte het eerste Haarlemse filmhuis De Witte Bioskoop. In die dagen stonden de kranten vol over provo, over witte fietsen,

Tijdgeest Sommigen legden zich er niet bij neer. Zo startte Ben van Gelder in het jongerencentrum Electric Centre aan de Bakenessergracht het Haarlems Filmcentrum. Vanaf oktober 1969 werden daar films vertoond die tot dan toe niet de Haarlemse bioscopen hadden gehaald, zoals Prima della rivoluzione (1964) van Bernardo Bertolucci, De liefde van een blondje (1965) van de Tsjechische regisseur Milos Forman en Bande à part (1964) van Jean-Luc Godard. Ook gierde de tijdgeest door de zaal, met films over Vietnam, het Midden-Oosten, Black Panther en Latijns-Amerika. Het centrum vertoonde onder meer de korte film El Che (1968) van Paul Bourron, over het leven van vrijheidsstrijder Che Guevara. Na afloop hield journalist en filosoof Anton Constandse een praatje. Boekhandel Van Gennep uit Amsterdam verkocht in de hal ‘linkse’ boeken. Bij een vertoning van de Maagdenhuisfilm – een documentaire over de bezetting in 1969 van het administratieve centrum van de Universiteit van Amsterdam aan het Spui, uit protest tegen het gebrek aan democratie – vertelden voormalige bezetters na afloop over de gedenkwaardige strijd. Het centrum verspreidde ook een eigen filmblad, met artikelen van onder meer student psychologie Peter Brouwer (hij zou het later schoppen tot president van de internationale afdeling van het imperium van Joop van den Ende) en beeldend kunstenaar Gerrit van Dijk. Een foto van een naakt meisje met

234


Voorstelling in de Filmschuur in 1979. Op de voorste rij (met baard) Jan Heijnis een van de grondleggers van de Toneelschuur.

Franse ster Eddie Constantine en de spraakmakende gedramatiseerde documentaire Coup pour coup (Baas in eigen fabriek, 1972) van Marin Karmitz, over een vrouwenstaking in een Renaultfabriek. Tussen het verwisselen van twee filmspoelen door liet Peter Brouwer aan het Haarlems Dagblad weten: “Wij letten niet zozeer op de commerciële aspecten van een film, maar meer op de kwalitatieve en culturele waarden.” Voorlopig was er slechts één vertoning in de week, op vrijdagavond om half twaalf (later half elf), na de voorstelling van Haarloheim. Maar al na een week stuurde de Nederlandse Bioscoop Bond een brief op hoge poten. De machtige, zeer protectionistische NBB was gealarmeerd door het Wolff-concern, in Haarlem eigenaar van onder meer bioscoop Studio op de Grote Mark. De Witte Bioskoop mocht geen films geleverd krijgen van bij de NBB aangesloten distributeurs, waarschuwde de bond. “Ze dachten dat we een echte bioscoop waren begonnen. Maar we lieten iets anders zien dan de

witte benzine en witte platen. Het was ook een knipoog naar het verleden. In de jaren tien van de 20ste eeuw werden in verschillende plaatsen ‘Witte Bioscopen’ gesticht, waar ‘Witte films’ werden vertoond, films die volgens katholieke functionarissen niet ‘onzedelijk’ waren. Bastion Oorspronkelijk zouden de voorstellingen in de Witte Bioskoop starten in februari 1972, maar de brandweer keurde het gebouw af. Met een Witte Filmnacht opende het filmhuis avant la lettre op vrijdag 13 oktober 1972. Een week voor de opening had de gemeente f 2000,- subsidie toegezegd, goed voor elf voorstellingen. De afdeling Cultuur van de gemeente stuurde het trio een telegram: “Een lang leven zij de tiende muze in de Witte Bioskoop beschoren.” Bezoekers konden in de openingsnacht genieten van oude bioscoopjournaals en van The Navigator van Buster Keaton uit 1924, een knokfilm met de

235


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Haarlem Filmstad by Lecturis - Issuu