DE KLEURRIJKE KEEPER Renny de Bruyn
De gele spin in het centrum omgeven door touwen in een beangstigende leegte terwijl hij zijn armen in alle richtingen uitstrekt om zijn prooi te kunnen omklemmen terwijl hij zich inbeeldt dat hij Boeddha is met duizend armen of een lijvige octopus
fragment uit een gedicht van de poëet M. Saint-Michel naar aanleiding van boek van Peter Handke De angst van de doelman voor de strafschop (1970)
‘Het enige dat ik over moraal weet heb ik geleerd op het voetbalveld.’ Albert Camus
5
INHOUD
Voorwoord 9 Een rare snuiter 11 De geschiedenis van de keeper 16 In armoede geboren en uit arremoede geworden 18 Het middelpunt van de belangstelling 21 De psychologie van de keeper 24 Het karakter van de keeper 28 Een (a)sociale solist 31 Het intelligente brein van de keeper 33 De metapersoonlijkheid van de keeper 36 De (op)voeding van de keeper 39 Een keeper is (veel) meer dan een voetballer 41 De keeper is leeftijdsloos 44 De dominantie van de doelman 46 De eenzaamheid van de keeper 49 De kleurige kleding van de keeper 51 Zijn thuishaven, het doelgebied 54 De stijl van de keeper 56 Zijn familie en framily 61 De levensstijl van de keeper 65 De Kleurrijke Keepster 67 Zijn politieke positie 72 De relatie van de keeper met zijn trainer 75 Zijn relatie met de scheidsrechter 77 De fans van de keeper 80 De keeper en zijn bijgeloof 83 Doelpunt vóór en doelpunt tegen 87 De keeper en de strafschop 89 De keeper en zijn blunders 94 De kwalen van de keeper 97 Het seksleven van de keeper 106 Tot slot en tenslotte 109 Dankwoord 111 Colofon 112
Mijn boek draag ik op aan: Toke, kinderen en kleinkinderen
VOORWOORD
Dit boek heb ik geschreven om de lezer een beter inzicht te geven in de belevingswereld, het karakter en het gedrag van de keeper. Over het algemeen wordt de keeper, ook door zogenaamde voetbalkenners, gezien als een gemankeerde voetballer, een schlemiel en een zonderling. Er moet nou eenmaal één gek zijn, die zo gek is om de ballen tegen te houden. Men kijkt met een zekere minderwaardigheid, bevreemding en afstandelijkheid naar dat elfde wiel aan de voetbalwagen. Daarom wil ik juist bespreken, beweren en bewijzen dat de keeper dé belangrijkste man van de ploeg is, die uiteindelijk winst of verlies bepaalt en derhalve veel meer respect verdient van spelers, pers en publiek. Vandaar ook dat in bijna elk hoofdstuk deze tegenstelling in visie, meningen en ideeën over de keeper aan bod komt. Hoe denkt men over de doelman en hoe denkt hij er zelf over? Wat vindt men van de doelman en wat vindt hij van zichzelf? Waarom oordeelt men zo negatief over de doelman en waarom beoordeelt hij zichzelf zo positief? Mijn wens is dat wie dit boek gelezen heeft een beter begrip, een positievere kijk en meer waardering heeft voor de keeper en voor de mens achter de keeper. Een jaar of twintig ben ik voetbalkeeper geweest. Van mijn zestiende tot en met zesendertigste. Toevallig ermee begonnen in de jeugd en gestopt toen ze me zowat doormidden schopten. Voordat ik begon met keepen deed ik verwoede pogingen om als stopperspil te slagen en dacht er geen moment aan om die rare snuiter tussen de palen te worden. Toen ik eenmaal de voordelen van het keeper zijn had ervaren, kregen ze mij met geen stok meer dat hok uit. Die bijzonder aparte positie paste zo bij mijn karakter, levenshouding en persoonlijke levenservaring dat ik het doelman zijn steeds aantrekkelijker ben gaan vinden. Dat besefte ik toen absoluut niet, maar het voelde zo goed dat ik nooit meer echt heb gevoetbald en helemaal verknocht ben geraakt aan het zestienmetergebied. Van een keeper wordt vaak gezegd dat hij geen echte voetballer is. Van alle technische kwaliteiten en tactische inzichten heeft hij meestal geen kaas gegeten. Op latere leeftijd, zeg maar in mijn veteranentijd, kwam ik bij mijn voetbalbewustzijn en snapte waarom ik zo graag tussen die twee palen wilde blijven staan. Vandaar deze keepersverhalen over mijn visie op, beleving van en ervaring met het keepersvak, een vak apart. Ik ga steeds, behoudens één hoofdstuk, uit van de mannelijke voetballer en keeper, terwijl, zeker in deze tijd, voor ‘hem’ ook ‘haar’ kan staan.
9
EEN RARE SNUITER
Er zijn twee redenen waarom een voetballer keeper wordt. De ene reden is een reactieve, de andere is een proactieve. De reactieve reden De reactieve reden waarom een voetballer keeper wordt, is de reactie op zijn voetballende leeftijdgenoten, die fysiek en mentaal veel beter en voetbaltechnisch verder zijn dan hijzelf. De reactieve keeper beseft en voelt dat hij dermate grote tekortkomingen heeft, dat hij als voetballer niet mee zal kunnen komen en het risico loopt buitenspel gezet te worden. Hij wil toch het gevoel hebben erbij te horen en ertoe te doen, zodat hij ervoor kiest om keeper te worden. Hij maakt dan deel uit van het geheel, wat nog altijd beter is dan buiten de groep te vallen. De groep geeft hem veiligheid, zelfvertrouwen en eigenwaarde. Het noodlot van de reactieve keeper Reactieve keepers zijn in aanleg vaak te sloom, te dik, te langzaam, te onhandig, te ‘onvoetig’, te weinig onderlegd en talentvol om mee te kunnen voetballen. Ze zijn, zeg maar, motorisch dyslectisch. Ze ervaren zelf dat ze als een krant voetballen en gaan dan maar op doel staan of worden daar door de groep neergezet. Bij het bekende ‘afvoeten’ – het kiezen van twee partijen – blijft deze motorische dombo over en wordt zonder pardon tot keeper gebombardeerd. Op de hiërarchische voetballadder staat de keeper helemaal onderaan, terwijl de groep nauwelijks beseft dat deze laatste sport van de ladder eigenlijk de belangrijkste is. Uiteindelijk is de sluitpost van het team van doorslaggevend belang voor het eindresultaat. Het aanzien van de aanvaller, de middenvelder en de verdediger, in die volgorde, is vele malen groter. Een voetballer kan zelf laten zien wat hij waard is: passen-passeren-scoren, terwijl een keeper maar af te wachten heeft of hij veel, nauwelijks of niets te doen heeft. Deze ‘lulletjes rozenwater’ lopen er voor spek en bonen bij, worden nauwelijks gewaardeerd om de ballen die ze wel tegenhouden en vooral afgerekend op de ballen die ze door laten. Als het elftal met 18-1 verliest, dan wordt de keeper erop afgerekend dat hij er 18 heeft doorgelaten; anders hadden ze met 0-1 gewonnen. De andere tien spelers projecteren hun gebrek aan kwaliteit, inzet en motivatie heel gemakkelijk op hem, want hij, de doelman, heeft gefaald. Zo is de keeper vaak het middelpunt en mikpunt van kritiek, alleen al om de rest van het team het misplaatste gevoel te geven onschuldig te zijn aan de nederlaag. En als de keeper dan eens een keer 88 minuten zijn doel schoon houdt en de verder als een vaatdoek spelende spits in de 89ste minuut het winnende doelpunt maakt, ook
11
al is het met een inlopertje of inkoppertje, dan is die superspits de gevierde man. Hij stond er toch maar mooi op het juiste moment, want als hij daar niet had gestaan, was het 0-0 gebleven! Er is geen hoop voor de reactieve keeper De meest bevredigende stand voor een keeper is 0-0. Hij heeft de nul gehouden en de andere tien hebben geen doelpunt kunnen maken, hij is dus de morele overwinnaar. Geen speld tussen te krijgen zou je zeggen. Maar helaas, die tien andere voetballers ontberen vaak enige vorm van zelfreflectie. Ze zijn meesters in het externaliseren, het buiten zichzelf leggen van de verantwoordelijkheid: * * * * * * *
We hadden twee keer wind tegen. De scheidsrechter is omgekocht, is lid van hun vereniging, had de pik op ons. Hun grensrechter vlagde altijd voor buitenspel. We hebben ten onrechte geen drie strafschoppen gekregen. De bal was te zwaar, te licht, te groot, te klein, van plastic, vierkant. Er is veel te vroeg afgefloten en geen blessuretijd bijgeteld. Onze trainer heeft de verkeerde mensen opgesteld en ook nog eens fout gewisseld. * De tegenstander had alleen maar lompe, domme, stomme voetbalboeren, waar niet fatsoenlijk tegen te voetballen valt. * Geen wonder dat we geen doelpunt kunnen maken. Onze trainer traint te weinig op aanvalssituaties, we trainen bovendien te zwaar, te lang, te vaak, te intensief, we zijn al moe voordat we aan de wedstrijd beginnen. * Onze keeper wachtte te lang met uittrappen en als hij uittrapte kwam de bal of over de zijlijn of bij de tegenstander en als hij uittrapte kon hij beter uitgooien en als hij uitgooide kon hij beter uitrappen. En ga zo maar door! Er zijn weinig voetballers die eerlijk en oprecht in de spiegel kunnen kijken en de hand in eigen boezem steken. Die 0-0 stand kan dus in de verste verte nooit aan de tien veldspelers liggen. Een intelligente keeper weet natuurlijk wel beter, maar de doorsnee keeper trekt zich dit feit wel aan en voelt zich schuldig aan het gelijkspel. De keeper heeft inderdaad de nodige dilemma’s te verwerken: * Is het 0-0, dan zie je het bovenstaande. * Is het een 1-0 zege, dan is de matchwinnaar de gevierde man. * Is het 0-1 verlies, dan ben je als keeper de gebeten hond, want ‘als jij nou die ene bal had tegengehouden, hadden we tenminste gelijkgespeeld’. De reactieve keeper kiest, vaak onbewust, voor de rol van de loser, het slachtoffer, de schuldige. Daar zit een hele hoop psychologie achter. In de kern is de
12
keeper het pispaaltje van het team, een rol die hij met verve vervult! Voor hem is er geen hoop. De proactieve reden Een tweede en andere reden waarom een voetballende jongen keeper wil worden, is een proactieve. Hij kiest er zelf voor om op doel te gaan staan. Hij voelt dat hij daarvoor talent heeft. Hij merkt dat hij gemakkelijk en goed kan vallen en duiken, met voeten én handen uit de weg kan en, zodra hij op doel staat, een persoonlijkheid is die respect afdwingt bij medespelers en tegenstanders. Voor deze keepers is er toekomst De proactieve keepers onderscheiden zich door hun motorische keepersaanleg, hun positionering in het doel en het strafschopgebied én hun grote mond. Daar stáát iemand in de goal. Zijn verbale vermogen en lichaamstaal stralen zelfvertrouwen, zelfverzekerdheid en zelfrespect uit. Een keeper met aanleg duikt van nature gemakkelijk, heeft een snelle reflex, springt op het juiste moment met de juiste inschatting en het juiste balgevoel (stompen of pakken die bal). Hij keept met vier ledematen en zijn hele lijf en weet intuïtief wanneer hij zijn benen bij elkaar moet houden! Een belangrijk aspect is zijn natuurlijke gevoel voor de juiste positionering. Een echte keeper weet van tevoren waar de bal naartoe gaat bij een voorzet, een doelgericht schot, een dieptepass van de tegenstander en zelfs bij een penalty. Overigens zeggen de voetballeken en voetbalkenners onder ons dat een keeper bij een strafschop vijftig procent kans heeft om de goede hoek te kiezen, maar zij vergeten dat de bal ook recht door het midden geschoten kan worden (zie daarvoor het hoofdstuk ‘De keeper en de strafschop’). Een doelman met een natuurlijke aanleg voor de juiste positionering is daardoor de tegenstander fracties van seconden te vroeg af. Deze keeper beweegt ook met de bal mee en als het spel zich afspeelt op de helft van de tegenstander staat hij op de rand van hun strafschopgebied of zelfs verder, het risico nemend een paar keer in zijn carrière te worden gefopt en geklopt door een diepe, verre, hoge bal vanaf de helft van de tegenstander. Jammer, zult u zeggen, maar de relatieve winst van vooruit keepen is vele malen groter. Het onderscheppen van een diepe bal van de tegenstander is veel gemakkelijker én de tegenstander zal eerder twijfelen een diepe bal te spelen, omdat hij in zijn ooghoek die keeper zover voor zijn doel ziet staan. Het zijn ook deze keepers die op het einde van een wedstrijd in een desperate poging naar voren stormen om toch nog een gelijkspel of overwinning voor hun ploeg in de wacht te slepen. Dat doen ze door gevaar te stichten, de verdediging te verwarren en zelfs door te scoren, omdat ze weten waar ze moeten staan en waar de bal zal komen. Deze goalies durven ook zelf een penalty te nemen. Ze kennen het klappen van de zweep en weten wat die andere keeper denkt: ‘Wat
13
DE PSYCHOLOGIE VAN DE KEEPER
Hoe komt het nou dat een keeper een keeper wil zijn? Wat zijn de (on)bewuste drijfveren die maken dat hij kiest voor het keepersvak?? Waarom wil hij juist de schietschijf van de tegenstander en de schijtschijf van zijn medespelers zijn??? Interessante beweegredenen, zowel voor de reactieve als proactieve keeper. Wat drijft de reactieve keeper om toch op doel te blijven staan, terwijl hij eigenlijk geen spat talent heeft en veroordeeld is tot het spelen in de onderste, laagste regionen van het clubvoetbal? En de keuze van de proactieve keeper om toch de verantwoording te nemen om als sluitpost te fungeren, de ondankbaarste plek in het team met het risico met hoon te worden overladen? Is het alleen vanwege die aanleg voor het keeper zijn of heeft zijn opvoeding hier ook invloed op? Ieder mens is een cocktail van aanleg en natuurlijke kwaliteiten én de factoren die zijn opvoeding bepalen: gezin, familie, buurt, school, vrienden. Deze dragen bij aan het besluit keeper te worden en aan het gedrag van de keeper. Hieronder volgt een toelichting. De keeper heeft op zijn positie het gevoel controle uit te kunnen oefenen op wat er voor hem gebeurt. Hij kan iedereen en alles in de gaten houden. Meestal, behalve bij een corner, heeft hij niemand achter zich. Dat geeft hem een gevoel van veiligheid, zekerheid en vertrouwen. Een kind uit een gezin waar veel onveiligheid, (be)dreiging en onzekerheid heerst, die geen controle heeft over allerlei ‘gevaarlijke’ situaties’, zal in de keuze van zijn studie, werk, hobby en sport eerder kiezen voor een vorm en inhoud waar hij wel de controle (over) heeft. Wat de keeper is in een voetbalteam, is de drummer in de band. Ook achterin, zijn medespelers voor zich, een muur van geluid en materiaal om zich heen, geborgen en verborgen achter zijn slag- en drumstellen. Een niet te ontkennen subtiel en belangrijk detail is dat de drummer het basisritme bepaalt en het gespeelde nummer vaak bij hem begint en eindigt. Let daar maar eens op. De keeper is verliefd op de bal. Hij vindt het heerlijk om dat ronde leder vast te houden, rond te draaien en te stuiteren. Het liefst zou hij die bal een tijdje aaien, strelen en koesteren. Dit langer dan nuttig en nodig is vasthouden van de bal is een moeilijk af te leren gewoonte van vele voetbalkeepers. Het spel is vaak juist gebaat bij een snelle hervatting. De tegenstander is nog in de aanvalsmodus, de medespelers lopen gemakkelijker weg uit de dekking en een snelle, verrassende tegenstoot kan de
24
tegenstander meteen overrompelen, mede omdat deze nog niet de verdedigende stellingen heeft ingenomen. Toch weifelen en twijfelen die keepers maar. Die bal is ook zo lekker om vast te houden! Vandaar dat doelmannen vaak de fout maken om de bal klemvast te vangen, ook al is het schot snoei- en loeihard, terwijl het verstandiger is om hem (weg) te stompen. Graag dan ook in de goede richting – de buitenzijde van het veld, wat een echte keeper instinctief weet. Toch die keihard geschoten bal klemvast willen vangen en vasthouden is blijkbaar veel mooier en dan het liefst nog met een schoonheid van een save. Er zijn zelfs keepers die bij een gemakkelijke bal eerst twee, drie stappen opzij zetten om daarna toch die mooie duik te kunnen laten zien. Een kind dat onveilig is opgegroeid, met te weinig hechting en te weinig geborgenheid, gaat zich onzeker voelen, wil in zijn verdere leven controle houden en zich veilig wanen in een gestructureerde omgeving. Een uitgelezen mogelijkheid om dit te bereiken is, als hij talent voor keepen heeft, doelman te worden. Hij ervaart zijn goal als veilig vanwege de twee doelpalen en de doellat, een vastomlijnd domein en, heel belangrijk, een doelnet. Keep maar eens in een goal zonder net, dat voelt heel onbeschermd en natuurlijk ook heel ongewoon. Het lijkt erop dat er géén rugdekking is, terwijl het in feite niets uitmaakt. En dan die fijne lijnen van doel- en met name strafschopgebied. Die geven aan de keeper houvast, structuur en begrenzing. Zonder lijnen zou hij als een kip zonder kop over het veld lopen en nauwelijks weten waar zijn doel staat. Zodra een keeper zijn strafschopgebied verlaat, voelt hij zich direct ongemakkelijk. Daarom blijven de meeste keepers angstvallig op de rand van dat gebied staan, bang om hun kompas kwijt te raken. Keepers hebben een hartgrondige hekel aan corners en aan vrije trappen net buiten het zestienmetergebied. Door de desorganisatie neigen ze volledig de kluts kwijt te raken. Let maar eens op hun paniekerige gedrag. Ze beginnen te schreeuwen, maken grootse en theatrale gebaren en trachten door protocollaire opstellingen hun paniek te temperen. Vandaar die vaste patronen van Pietje bij de eerste en Jantje bij de tweede paal, wat de tegenstander onmiddellijk het voordeel biedt van twee mannetjes vrij. Dit relatieve tekort aan verdedigers wordt opgelost door van aanvallers verdedigers te maken. Dit brengt de nodige risico’s met zich mee, want een aanvaller is minder goed in verdedigen. Die staat daar dan ook meer voor de vorm als voor de inhoud. Door deze wanorde wordt daarom relatief vaak gescoord vanuit corners. Een keeper wil echter koste wat kost mannetjes bij de paal, vooral vanwege zijn onzekerheid. Die mannetjes staan prompt in de weg, mede omdat een keeper niet gewend is dat ze daar staan. In die chaos vergeet een keeper dan te duiken als een bal binnen wordt gekopt of geschoten. Hij staat aan de grond genageld. De doelman weet amper wat hem overkomt bij een hoekschop. Minder
25
ZIJN FAMILIE EN FRAMILY
Zoals gezegd worden met framily vrienden bedoeld die als familie voelen. De keeper is een vreemde eet in de bijt binnen zijn team, zijn club en in het voetbal in het algemeen. Het is logisch dat zijn karakter, gedrag, ideeën, normen en waarden zich ook manifesteren, in zijn verbindingen met zijn gezin, familie en vrienden. Ook binnen deze relaties is hij een rare vogel, ‘unne aparte’, zeggen ze in Brabant. Hij conformeert zich nauwelijks, heeft zijn eigen criteria en onderscheidt zich door outside the box te denken en te doen. De doelman kent een voortdurende interne strijd tussen deel willen uitmaken van de samenleving en er tegelijkertijd los van willen staan. Dit heeft alles te maken met zijn bindingsangst. Bindingsangst is zowat synoniem aan verlatingsangst: wie bang is verlaten te worden, gaat geen verbinding aan, want een verbond resulteert met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in verlaten worden. Deze overtuiging heeft zijn grondslag in het verleden van de bangerik. Een mens slaat lange termijn-herinneringen op, die essentieel zijn om te kunnen overleven. Ons emotioneel geheugen laat ons toe dingen te onthouden die we geassocieerd hebben met positieve of negatieve gebeurtenissen. Als zich een vergelijkbare gebeurtenis voordoet, wordt dit geheugen onmiddellijk geactiveerd en zendt dezelfde gevoelsboodschap uit. Wie ooit verlaten is en op het punt staat een nieuwe relatie aan te gaan, zal dankzij het emotioneel geheugen direct het saboterende gevoel krijgen opnieuw verlaten te zullen worden. Dit gevoel stuurt de keeper in het aangaan van los-vast verbindingen, zowel op het voetbalveld als in het sociaal-maatschappelijke verkeer. Het gevolg is dat hij in al zijn verbindingen te allen tijde zal zoeken naar een uitweg die het, zodra het nodig is, mogelijk maakt onafhankelijk te kunnen zijn. Wat in deze context ook meespeelt, is dat de keeper niet voor niets het rugnummer 1 draagt. Doorgaans begint iedere aanval bij hem. Als hij goed begint, heeft dat een positief effect op de rest van de acties van het team. Een slechte uitworp, een belabberde uittrap of een waardeloze spelhervatting levert geen gevaarlijke aanval op, ergo, het betekent meteen dat de tegenpartij het initiatief heeft. Derhalve is dat rugnummer 1 niet zomaar toevallig, maar juist ook een aanwijzing dat een succesvolle aanval bij de keeper begint. Nummer 1 heeft ook een overdrachtelijke betekenis. Wie het op zijn rug heeft, voelt dat hij de winnaar is, de beste van allemaal. Dat gevoel nummer 1 te zijn neemt de doelman, bewust of onbewust, mee in de posities die hij inneemt in andere sociaal-maatschappelijke contexten. Hij, de nummer 1, voelt zich verheven boven alle volgende cijfers, getallen en nummers. In die hoedanigheid positioneert hij zich ook in zijn gezin, familie en framily. Naar de nummer 1 kijkt men
61
DE KWALEN VAN DE KEEPER
Keepers zijn aanstellers, simulanten, toneelspelers. Gemiddeld in elke wedstrijd is een van de keepers wel een keer ‘geblesseerd’. Meestal voelen ze zich dan te veel aangevallen, in hun territorium te onheus bejegend of ze hebben weer eens wat aandacht nodig. Een keeper kan al van de wap zijn als een tegenstander ‘boe’ roept, een scheet laat of hem de wind van voren geeft. Ik heb al eerder geschreven over de psychische gestoordheid van de keeper en het zou me niks verbazen als er binnenkort in het handboek van de psychiatrie, de DSM-V, een nieuw hoofdstuk komt met als titel ‘Het Keeperssyndroom’. Je moet bij wijze van spreken al afwijkend zijn om tussen die palen plaats te willen nemen. Je staat daar maar te koekeloeren, kou te lijden en de kat uit de boom te kijken. Plotseling kom je dan in actie en als je dan één fout maakt, is heel je dag naar de mallemoer. Je bent of gek dat je deze sportieve hobby kiest of je bent op weg naar de gekte als je een tijdje doelman bent. Afijn, genoeg over het broze brein van de keeper, op naar zijn meest voorkomende fysieke klachten en kwalen. Stelt u zich in op een hele waslijst van blessures, aandoeningen en afwijkingen, want het beroep van keeper leidt vroeg of laat tot de meest uiteenlopende motorische en organische ongemakken. Bij de beschrijving van het fysieke lijden van de keeper benoem ik ook de kwalen die zich gaan openbaren ná zijn loopbaan. Te hoge belasting tijdens zijn actieve periode geeft een vervroegde slijtage op latere leeftijd. We diagnosticeren het lichaam van de keeper van boven naar beneden en beginnen daarom bij de hersenen. Hersenen De flauwste grap, meestal uitgekraamd door veldspelers, is dat de keeper nooit in aanmerking komt voor een hersenschudding omdat hij geen hersens, laat staan verstand heeft. We hebben al stilgestaan bij de vroegtijdige dementie van de veldvoetballer. Veroorzaakt door het vele onverstandige koppen én omdat er bij de meeste veldspelers weinig hersenen in voorraad zijn. Het zijn ook juist deze voetballers die na hun carrière gemakkelijk een loer wordt gedraaid omdat ze hun geld laten beheren door malafide mannetjes. Zelfs onze nationale voetbalicoon Johan Cruijff heeft zich door zo’n maffiafiguur om de tuin laten leiden. Keepers zijn veel uitgekookter en zelfs enige vorm van vergevorderde wijsheid kan hen niet ontzegd worden. Zij zijn het die in de wedstrijd hun hoofd erbij houden, zich de kop niet gek laten maken en hun hersenen honderd procent gebruiken.
97