Skip to main content

De Munt / La Monnaie - Magazine 2026-27

Page 1


We hebben lief, we hebben angst, we hebben honger en dorst naar schoonheid en mededogen.

We zijn aandoenlijk in onze pathos, in onze woorden en tranen en kaakslagen, in de wrede drang om te voelen dat we bestaan.

We zijn Brussel, Wenen, Verona en Yangon. We zijn handen, stemmen, armen en ogen.

We zijn slaven, tsaren en tragische heldinnen.

We zijn vlees, beweging en ontucht.

We zijn ervaring en jong geweld en kritiek op elkaar.

We zijn stukken van iets dat ons allen overstijgt.

In onze briljante en jubelende absurditeit komen we dissonant samen in een huis vol warmte, in een ruimte van gedeelde menselijkheid.

We zijn vele stemmen en één enkel woord.

We zijn opera

Nous avons nos passions, nos angoisses. Nous avons faim et soif de beauté et d’empathie.

Nous sommes touchants dans nos élans et nos failles, dans nos mots, nos larmes, nos éclats, dans ce besoin cruel de se sentir exister.

Nous sommes Bruxelles, Vienne, Vérone, Yangon. Nous sommes les mains, les voix, les bras, les yeux.

Nous sommes les esclaves, les tsars, les héroïnes tragiques.

Nous sommes la chair, le mouvement, la démesure.

Nous sommes l’expérience, la rage juvénile, la critique. Nous sommes les fragments de quelque chose qui nous transcende.

Dans notre folie absurde et jubilatoire, nous nous rejoignons au-delà des dissonances, dans une maison pleine de chaleur, dans un espace d’humanité partagée.

Nous sommes de nombreuses voix et un seul mot. Nous sommes l’opéra

We love, we fear, we hunger and thirst for beauty and compassion. We are touching in our pathos, in our words and tears and blows, in our cruel need to feel that we exist.

We are Brussels, Vienna, Verona and Yangon. We are hands, voices, arms and eyes. We are slaves, tsars and tragic heroines. We are flesh, movement and excess. We are experience, youthful rage and contestation. We are fragments of something greater than us all.

In our brilliant, jubilant absurdity we find one another beyond dissonance in a house full of warmth, in a space of shared humanity. We are many voices and a single word. We are opera

NL In samenwerking met de beeldredacties van De Standaard en Le Soir spiegelt de seizoenscampagne 2026-27 opera aan de dagelijkse realiteit die zijn verhalen blijft inspireren.

F R En collaboration avec les services iconographiques du Soir et de De Standaard , la campagne de saison 2026-27 met l’opéra en miroir de la réalité quotidienne qui continue d’inspirer ses récits.

EN Developed in collaboration with the visual editors of De Standaard and Le Soir, La Monnaie’s 2026-27 season campaign reconnects opera with the everyday realities that continue to inspire its stories.

03

Opera in het hart van de stad

Presentatie van het seizoen 2026-27 door

Algemeen directeur Christina Scheppelmann en Muziekdirecteur Alain Altinoglu

L’opéra dans la cité

Présentation de la saison 2026-27 par la directrice générale Christina Scheppelmann et le directeur musical Alain Altinoglu

Martine D. Mergeay

10

14

L’art vivant crée des images qui restent dans la rétine

Marie Baudet

ROMÉO ET JULIETTE , Charles Gounod

Assepoester in influencerland

Dirk De Wachter

LA CENERENTOLA , Gioachino Rossini

17 In beeld / En images / In pictures

CAVALLERIA RUSTICANA , Pietro Mascagni & PAGLIACCI, Ruggero Leoncavallo

20 Tien dingen om te weten (of te vergeten) over Wozzeck

Eline Hadermann

WOZZECK , Alban Berg

24 Catching Butterflies with Bare Hands

Catho De Cordt

M. BUTTERFLY, Huang Ruo

28 L’oubli, en face

Béatrice Delvaux

LUCIDITY, Laura Kaminsky

32 De verboden stem van de stad genaamd Hoekje

Johan de Boose

BORIS GODUNOV, Modest Musorgsky

35 In beeld / En images / In pictures

ARIADNE AUF NAXOS, Richard Strauss

36 Zerbinetta, l’explosive sexologue

Camille De Rijck

ARIADNE AUF NAXOS, Richard Strauss

38 George Orwells Burmese Days als opera

Willem Bruls

BURMESE DAYS, Prach Boondiskulchok

43 Een seizoen als geen ander

Une saison à nulle autre pareille

KINDER- EN JEUGKOOR / CHŒURS D’ENFANTS ET DE JEUNES

MM ACADEMY

ORCHESTRA ACADEMY

48

Een wonderlijk labyrint

Un merveilleux dédale

RONDLEIDINGEN / VISITES GUIDÉES

51 Christine en Frank over hun ervaring binnen ons sociaal programma

Christine et Frank partagent leur expérience au sein de notre programme social EEN BRUG TUSSEN TWEE WERELDEN / UN PONT ENTRE DEUX MONDES

56

59

Interview: Laurence Renson, koorleider / cheffe de chœur

CHŒUR CASSANDRA KOOR

De verhalen achter de cijfers

Derrière les chiffres : les histoires

MM SCHOOLS

64 Opera koolstofarmer maken

Décarboner l’opéra

GREEN OPERA

66 Drie getuigenissen Trois témoignages

YOUNG OPERA

67 FRIENDS

70 De kracht van mecenaat

L’impact du mécénat

MAECENAS & CORPORATE

NL De vorm verrast maar is veelzeggend: als seizoenspresentatie laten de twee gangmakers van de Munt, Christina Scheppelmann en Alain Altinoglu, zich samen interviewen door Martine D. Mergeay. Niet om te verkondigen of te bekrachtigen, maar om vragen te beantwoorden en ook zichzelf in vraag te stellen.

FR La forme est inhabituelle et révélatrice : en guise de présentation de saison, les deux pilotes de la Monnaie, Christina Scheppelmann et Alain Altinoglu, se prêtent à l’exercice d’un double entretien avec Martine D. Mergeay. Non pas pour annoncer ou affirmer, mais pour répondre, et même s’interroger.

OPERA IN HET HART VAN DE STAD

MISSIE VAN DE DIRECTIE

Vanwaar het idee om, aan de hand van een dubbelinterview, dit seizoen gezamenlijk voor te stellen?

CHRISTINA SCHEPPELMANN — Ik wou dat je de tijd zou kunnen vinden om álle medewerkers van dit huis te ontmoeten en hen te horen vertellen over de honderden, duizenden kleine en grote voorbereidselen die al in gang zijn gezet voor 2026 ­ 27. Ik voel me ongemakkelijk bij de gedachte om me al dit werk alleen te willen toe ­ eigenen. Het gaat niet om wat ik doe of jij doet, het gaat om wat de Munt doet! We zijn met 420 mensen die het huis draaiende houden, en al die mensen zijn verantwoordelijk voor de goede werking ervan. Ik oefen mijn verantwoordelijkheid uit als Algemeen directeur, en Alain is er om het beste werk te leveren op muzikaal vlak. Hij dirigeert twee sleutelproducties van ons operaseizoen ( Wozzeck en Boris Godoenov) en heeft een cruciale rol als Muziekdirecteur van ons orkest, waar mee hij ook zes symfonische concerten brengt en de finale van de Koningin Elisabethwedstrijd verzorgt.

ALAIN ALTINOGLU — Ik ben het roerend met je eens: bij de Munt wordt het seizoen collectief opgebouwd, iedereen draagt zijn steentje bij. Deze gezamenlijke presentatie drong zichzelf op, omdat ze een weerspiegeling is van de realiteit van ons werk. Als Muziekdirecteur waak ik over de ontwikkeling van de muzikale krachten van het huis, over de kwaliteit en de uitbouw van ons koor en orkest. Deze aandacht voor samenhang en samenwerking sluit ook aan bij wat ik zelf heb mogen ervaren tijdens mijn loopbaan, waarbij ik als gastdirigent ook vaak heb kunnen steunen op het werk van mijn collega’s.

DE SPRONG VAN REALITEIT NAAR POËZIE

Christina, jij kwam naar Brussel met de reputatie van een pragmatische intendant in Amerikaanse stijl, maar presenteert hier heel wat recente opera’s met een uitgesproken ethische, soms ook polemische dimensie. Werken over thema’s als de ziekte van Alzheimer, gender, kolonialisme…

CS — Je kunt pragmatisch zijn en toch maatschappelijke thema’s aansnijden, dat is niet onverenigbaar… In de opera Lucidity van de Amerikaanse componist Laura Kaminsky staat de impact van de ziekte van Alzheimer centraal, een bijzonder interessant thema omdat het niet ‘discriminerend’ is: deze ziekte kan iedereen treffen, in alle milieus. Ik denk ook aan M. Butterfly van de Amerikaans ­ Chinese componist Huang Ruo, die aan de hand van een interculturele liefdesaffaire en spionagezaak uit de jaren 1960 ­ 80 een licht werpt op de soms complexe beleving van genderidentiteit. Of aan Burmese Days van Prach Boondiskulchok dat, geïnspireerd op het gelijknamige boek van George Orwell, over kolonialisme handelt.

Maar zelfs al zijn deze onderwerpen actueel, ze bepalen niet onze hele programmering. Sommige van mijn criteria zijn prozaïscher: ik vraag me af welke waardevolle stukken hier al lang niet meer zijn opgevoerd – op de terugkeer van Roméo et Juliette (Gounod) of Ariadne auf Naxos (Strauss) moet het Muntpubliek al wachten sinds 1959 en 1997 – of zelfs helemaal niet! Ik let er ook op dat het repertoire gevarieerd blijft qua periode, taal, traditie, school en, heel belangrijk, dat ik de musici en zangers niet opbrand!

Martine D. Mergeay is een Belgische journaliste en muziekcritica (La Libre, Le Vif, Musiq’3). Als gezaghebbende stem binnen het domein van de klassieke muziek en opera, is ze auteur en coauteur van tal van publicaties.

AA — Een ander essentieel criterium heeft te maken met de praktische uitwerking van een seizoen: als we kijken naar de planning van de techniek, de beschikbaarheid van teams, diensten en zalen, en je voegt daar nog eens de beperkingen van de agenda van de artiesten aan toe, dan moet je een enorm complex schaakspel weten te beheersen.

DE

CS — Het risiconiveau is in ons vak altijd maximaal, en dat is precies wat het zo mooi maakt. Het is ergens zelfs de voorwaarde voor schoonheid. Een geslaagde productie is een productie die zoveel mogelijk parameters, inclusief de tijd, onder controle weet te houden, zonder dat de materialiteit van het proces de poëtische kwaliteit ondermijnt. Sterker nog: een geslaagde productie is een productie die al deze materialiteit weet om te zetten in poëzie!

DE GRILLEN VAN HET REPERTOIRE

Nog steeds over de hedendaagse opera en zijn banden met de actualiteit: het doel is niet louter een actieve ondersteuning van creaties, maar de focus ligt ook op het vormen van nieuw repertoire…

CS — Ja, het ene leidt trouwens tot het andere. Maar om ervoor te zorgen dat een opera in het repertoire wordt opgenomen, volstaat het niet om hem te creëren. Hij moet ook worden opgevoerd én heropgevoerd, in steeds nieuwe ensceneringen: zonder dit proces van herhaling en circulatie in verschillende operahuizen maakt een nieuwe opera geen schijn van kans om te overleven. Kijk naar het verleden: de premières van La traviata en Carmen waren rampzalig. Als het daarbij zou gebleven zijn, zouden deze meesterwerken de eerste hindernis niet hebben genomen en zouden ze in de vergetelheid zijn beland… Dat is wat we gaan proberen te doen met M. Butterfly en Lucidity: ze een plaats bezorgen in het repertoire.

AA — Ik wil hieraan toevoegen dat sommige operadirecteurs geneigd zijn om koste wat kost op zoek te gaan naar primeurs, naar exclusiviteit en nieuwigheid, en zich terughoudend opstellen inzake hernemingen. Vertrouwen tonen in een weinig bekende hedendaagse opera, hem opnieuw op het programma zetten in een nieuwe productie, dat is een echte beleidskeuze.

DIRIGENT, DIRIGENTES

Als we het volledige operaprogramma bekijken, springen enkele elementen in het oog. Allereerst is er de toename van het aantal producties (9 opera’s, waarvan 2 kameropera’s) en van het aantal voorstellingen (in plaats van 59 voorstellingen in 2025-26 worden het er dit seizoen 72).

CS — Zelfs in tijden van budgettaire beperkingen blijft het onze prioriteit om het Belgische publiek een rijke en reguliere toegang tot opera te bieden. Dat lukt ons door langere speelreeksen van dezelfde productie aan te bieden, grote successen zoals Cavalleria rusticana en Pagliacci te hernemen en meer intieme en compacte formats zoals kameropera’s te verkennen. Door coproducties met onze Europese partners kunnen we ons aanbod verrijken

en tegelijkertijd middelen delen. Een duurzame aanpak die zowel economisch als ecologisch voordelig is. Zo blijven we een ambitieus en voor iedereen toegankelijk operahuis.

Andere vaststelling: vijf van de zeven producties in de Grote Zaal worden gedirigeerd door vrouwen.

CS — Oh, dat is een beetje toeval. (Iedereen lacht.)

AA — Ik ben blij dat de mentaliteit sterk is veranderd ten opzichte van wat ik twintig jaar geleden heb ervaren, toen een vrouwelijke dirigent bij sommige musici nog spottende opmerkingen uitlokte…

En jij, Alain, krijgt het gezelschap van Wozzeck en Boris…

AA — Twee immense meesterwerken, waarvoor ik een grenzeloze bewondering koester en die ik altijd al heb willen dirigeren. Wozzeck van Alban Berg is een absoluut kroonjuweel, intens, ontroerend, onbeschrijfelijk…

CS — Wozzeck is een nieuwe productie, geregisseerd door Christophe Coppens, een artiest voor wie ik enorm veel respect heb en die onlangs nog te gast was voor Bellini’s Norma Boris Godoenov is een coproductie met de Opéra de Lyon, in een regie van Vasily Barkhatov, die het seizoen 2025 ­ 26 van La Scala opende met een spraakmakende Lady Macbeth uit het district Mtsensk van Sjostakovitsj. Het werk van Barkhatov is tot in de puntjes verzorgd, soms complex, maar alles blijft coherent en getuigt van een ongelooflijke intelligentie.

AA — In Boris Godoenov komt de muziek van Moessorgski mij door zijn ongepolijste en radicale karakter als typisch Russisch over, iets waarin hij enigszins verschilt met bijvoorbeeld Rimski­Korsakov, een componist die dichter bij de westerse harmonische geest staat. Dat laatste geldt overigens ook voor Tsjajkovski, van wie ik dit seizoen de Vierde symfonie dirigeer.

Dat brengt ons bij jouw symfonische concertreeks…

AA — Het gaat om een vrije programmering, maar ze is vaak gelinkt aan een artistieke actualiteit. Zo kondigt het openingsconcert al de feestelijke herdenking van Beethovens 200 ste sterfdag in de lente van 2027 aan, met de uitvoering van zijn beroemde Vijfde symfonie, voorafgegaan door het Vierde pianoconcerto met de sublieme Seong­ Jin Cho als solist. Maar niet alles zal even vertrouwd in de oren klinken! We brengen twee concerten met de Lyrische Symphonie van Zemlinsky, een aangrijpend mooi werk op gedichten van de Indiase Nobelprijswinnaar Rabindranath Tagore dat ik al heel lang wilde dirigeren. Daarnaast zijn er ons nieuwjaarsconcert, waarin Gershwins An American in Paris wordt gekoppeld aan de wereld van Offenbachs

La Gaîté parisienne, symfonische programma’s met Spaanse en Venezolaanse invloeden, een zomerse seizoensfinale en onze familieconcerten met De toverfluit

De concerten worden vaak ook gekoppeld aan de opera die op dat moment wordt opgevoerd en maken het ook mogelijk om met aangepaste formats contact te leggen met publiek van alle leeftijden – kinderen, tieners, volwassenen. Zulke ontmoetingen boeien me enorm en ik kijk ernaar uit om een zo breed mogelijk publiek te verwelkomen!

OVER DANS EN DE KRACHT VAN DE MENSELIJKE STEM

Om terug te komen op de programmering: dans maakt zijn grote comeback in de Grote Zaal!

CS — Dans is voor mij een uiterst belangrijke kunstvorm en ik ben er trots op dat we dit seizoen met Sasha Waltz en Sidi Larbi Cherkaoui twee choreografen van internationaal kaliber verwelkomen die ook bij het Belgische publiek welbekend zijn. Ook Anne Teresa De Keersmaeker staat uiteraard op de affiche: we presenteren haar nieuwe creatie op muziek van Philip Glass in het Théatre National Wallonie ­Bruxelles – samen met KVS onze vaste partner voor Troika Dance.

En de recitals, waarvoor je stuk voor stuk grote namen hebt uitgenodigd?

CS — Ik wil graag komaf maken met de soms ietwat saaie, statische recitals, waarbij minstens de helft van het publiek geen flauw benul heeft van wat er gezongen wordt. Er zijn manieren om het genre te vernieuwen, met andere formules en een ander repertoire – bijvoorbeeld Frank Sinatra door Lucio Gallo, jazz met Marina Viotti, folkmuziek met Emily d’Angelo en spirituals met Jeanine De Bique of Freddie Ballentine – en des te beter als we daarbij ook eens Schuberts Winterreise een plaats kunnen geven.

AA — Toch ook geen slechte muziek. (lacht)

Over naar het cruciale belang van de menselijke stem: wat zijn de criteria voor de selectie van bepaalde zangers en welke politiek hanteert de Munt om ons als samenleving te sensibiliseren over het belang van zang?

CS — Wat voor mij doorslaggevend is bij de casting zijn de kwaliteit van de stem en van het acteerwerk, en de geschiktheid van het stemtype voor de rol. Echt ‘magische criteria’ zijn dat niet. Wat de sensibilisering voor de zangkunst betreft, denk ik in alle eerlijkheid dat die rol vooral aan de scholen toekomt…

Dit gezegd zijnde, zet de Munt zich op verschillende niveaus in, via het Kinder ­ en jeugdkoor, de MM Academy, het Chœur Cassandra Koor, ons sociaal programma ‘Een brug tussen twee werelden’… We leggen de focus dus vooral op het zingen in groep. Dat is voor veel deelnemers niet alleen een groot plezier, maar vaak ook een diepgaande ervaring. Het maakt je er tegelijk bewust van hoeveel inspanningen het vergt om als zanger door te stoten tot de grote podia.

En dan zijn er nog de meer intieme podia, zoals die van de Concertini.

AA — Voor mij blijven deze wekelijkse kamermuziekconcerten een van de pijlers van onze muzikale praktijk. Het is een specifiek en nauwgezet artistiek werk dat onze musici in staat stelt om zich bij het publiek bekend te maken, elkaar beter te leren kennen en via een omweg de kwaliteit van het orkest verder te ontwikkelen. Om nog maar te zwijgen van de pracht van het aangeboden repertoire.

Laatste vraag, die ook de eerste had kunnen zijn en die alle andere vragen omvat: de Munt, een theater in het hart van de stad?

CS — De werkelijkheid om ons heen is de inspiratiebron van alles wat wij doen! En het doel is niet langer om te bewijzen dat de Munt openstaat voor de stad en voor het publiek, maar vooral om daar zoveel mogelijk mensen bewust van te maken. We openen echt onze deuren. Op dit eigenste moment [januari 2026, n.v.d.r.] zijn er in onze inkomhal tientallen studenten aan het blokken. Onze activiteiten voor scholen, jongeren en gemeenschappen bereiken bijna 40 000 mensen.

AA — Christina en ik, maar ook al onze collega’s bij de Munt, zijn de schakels tussen de stad en de opera, net zoals ikzelf als dirigent een schakel ben tussen de componist en het publiek…

CS — Tussen de zuilen van de façade hebben we een grote afbeelding van de zaal gehangen, die de boodschap uitdraagt: ‘Ja, hier gebeurt iets waarbij het publiek welkom is’. De Munt is meer dan een mooi fronton boven mooie zuilen, het is een operahuis. En La traviata is niet alleen de naam van een pizzeria…’ Het is geen schande om dat niet te weten, het is onze taak om het publiek duidelijke en aantrekkelijke informatie te geven: we hebben echt alles in huis om jullie te verwelkomen.

L’OPÉRA DANS LA CITÉ

LA MISSION DES DIRECTEURS

Pourquoi avoir choisi, à travers cette double interview, une présentation commune de votre saison ?

CHRISTINA SCHEPPELMANN — J’aimerais tant que vous trouviez le temps d’écouter l’ensemble des collaborateurs de notre maison vous présenter les centaines, voire les milliers, de petits et grands préparatifs déjà en cours pour la nouvelle saison. Pourquoi vouloir s’approprier le travail, « c’est moi », « c’est toi », non : « c’est la Monnaie » ! Nous sommes ici 420 personnes à faire tourner la maison, 420 personnes responsables de son bon fonctionnement. Moi, j’exerce ma responsabilité de directrice générale, et Alain est là pour faire le meilleur travail sur le plan musical. Il dirige deux productions phares parmi les opéras ( Wozzeck et Boris Godounov) et il est le directeur musical de l’orchestre à la tête duquel, en plus, il dirigera six concerts symphoniques et la finale du Concours Reine Elisabeth.

ALAIN ALTINOGLU — Je suis pleinement d’accord avec Christina : à la Monnaie, la saison se construit de manière collective, chacun apportant sa pierre à l’édifice. Cette présentation commune s’est donc imposée naturellement, car elle reflète la réalité de notre travail. Dans ma responsabilité de directeur musical, je veille au développement des forces musicales de la maison, à la qualité et à l’évolution des chœurs et de l’orchestre. Cette attention à la cohérence et au travail partagé s’inscrit aussi dans l’expérience que j’ai acquise au fil de mon parcours au cours duquel, comme chef invité, j’ai pu bénéficier du travail réalisé par mes confrères.

Martine D. Mergeay est journaliste et critique musicale belge ( La Libre, Le Vif, Musiq’3…). Très active dans la vie culturelle, voix reconnue dans la musique classique et l’opéra, elle est l’autrice et la co-autrice de divers ouvrages sur le sujet.

DU RÉEL À LA POÉSIE

Christina, vous êtes arrivée à Bruxelles avec la réputation d’une intendante pragmatique, à l’américaine, mais vous présentez des opéras récents à contenu éthique fort, parfois polémique, comme la maladie d’Alzheimer, les questions de genre, le colonialisme…

CS — On peut être pragmatique et parler des thèmes de société, ce n’est pas incompatible… Je pense à Lucidity, de la compositrice américaine Laura Kaminsky : le thème abordé est celui de la maladie d’Alzheimer, thème particulièrement intéressant parce qu’il n’est pas « discriminant », cette maladie peut toucher n’importe qui, dans tous les milieux. Je pense aussi à M. Butterfly du compositeur sino ­ américain Huang Ruo, qui s’inspire d’une pièce américaine remontant aux années 60 où il est question de transidentité. Ou encore à Burmese Days de Prach Boondiskulchok, inspiré du roman éponyme de George Orwell, qui aborde la question du colonialisme.

Mais, même d’actualité, ces sujets ne déterminent pas toute notre programmation. Certains de mes critères sont plus prosaïques : je regarde aussi en arrière et m’interroge sur ce qui a de la valeur et n’a pas été monté depuis longtemps (Roméo et Juliette ou Ariadne auf Naxos, par exemple, absents de l’affiche depuis respectivement 1959 et 1997), ou pas du tout. Je veille aussi à diversifier les répertoire – selon les époques, les pays, les traditions, les écoles – et, très important, je veille aussi à ne pas tuer les musiciens et les chanteurs !

AA — Un autre critère primordial touche à la concrétisation pratique d’une saison : si l’on songe au planning de la technique, à la disponibilité des personnes, des services, des salles et que l’on y ajoute les contraintes de calendrier, c’est un immense jeu de dominos qu’il s’agit de maîtriser, dans l’espace et dans le temps.

CS — C’est le propre de notre métier : le niveau de risque y est toujours à son maximum, et c’est précisément ce qui en fait la beauté. C’est même la condition de la beauté. Une production réussie

est celle qui parvient à maîtriser le maximum de paramètres, y compris le temps, sans que la matérialité du processus n’entrave la qualité poétique de ce qui est donné à voir et à écouter. On peut même aller plus loin : une production réussie est celle qui parvient à transformer toute cette matérialité en poésie.

LES ALÉAS DU RÉPERTOIRE

Toujours dans le domaine de l’opéra contemporain et de ses liens avec l’actualité : l’objectif ne se limite pas au soutien actif à la création : il tend, plus largement, à faire émerger de nouveaux répertoires…

CS — Oui, l’un entraînant l’autre d’ailleurs. Mais pour qu’un opéra entre au répertoire, il ne suffit pas de le créer, il faut le jouer et le rejouer, en renouvelant les mises en scène ; sans ce processus de répétition et de circulation dans les maisons d’opéra, le nouvel opéra n’a aucune chance de se maintenir. Regardez dans le passé : les premières de La Traviata , ou celle de Carmen , ont été des désastres. Si on en était restés là, ces chefs­ d’œuvre n’auraient pas franchi le premier cap et auraient été abandonnés… C’est ce que nous allons tenter de faire, notamment avec M. Butterfly et Lucidity : les faire entrer au répertoire.

AA — J’ajouterai que certains directeurs de maisons d’opéra ont tendance à rechercher à tout prix la primeur, l’exclusivité, la nouveauté et sont réticents aux reprises. Marquer sa confiance vis-à-vis d’un opéra contemporain peu connu, le remettre à l’affiche, lui offrir une nouvelle production, tout cela constitue un vrai choix politique.

UN CHEF, DES CHEFFES

Quand on reprend l’ensemble de la programmation lyrique, certains éléments sautent aux yeux. Tout d’abord, l’augmentation du nombre de productions (vous proposez neuf opéras, dont deux opéras de chambre) et de représentations (de 59 spectacles en 2025-26, vous passerez à 72 cette saison).

CS — Offrir au public belge un accès riche et régulier à l’opéra reste notre priorité, même en période de contraintes budgétaires. Nous y parvenons en proposant des séries plus longues d’une même production, en faisant revenir de grands succès comme Cavalleria rusticana et Pagliacci , et en explorant des formats plus intimes et compacts comme les opéras de chambre. La coproduction avec nos partenaires européens nous permet d’enrichir notre offre tout en partageant les ressources. Cette approche durable est bénéfique à la fois économiquement et écologiquement. Ainsi, nous continuons à faire vivre un opéra ambitieux et accessible, pour toutes et tous.

Autre constat : cinq des sept productions dans la Grande Salle seront dirigées par des cheffes.

CS — Oh, c’est un peu par hasard ! (Tout le monde rit.)

AA — Je me réjouis que les mentalités aient beaucoup changé par rapport à ce que j’ai connu il y a une vingtaine d’années, où la présence d’une femme au pupitre pouvait susciter quelques moqueries de la part de certains musiciens…

Et vous, Alain, vous serez en compagnie de Wozzeck et de Boris…

AA — Ce sont deux immenses chefs ­ d’œuvre, pour lesquels j’ai une admiration sans borne et que j’ai toujours rêvé de diriger. Wozzeck, d’Alban Berg, c’est le trésor absolu, intense, émouvant, au­ delà des mots…

CS — Je précise que Wozzeck est une nouvelle production, mise en scène par Christophe Coppens, pour qui j’ai une immense estime, et que nous avons suivi récemment dans Norma de Bellini, alors que Boris est une coproduction avec Lyon, mise en scène par Vasily Barkhatov, celui­là même qui a ouvert la dernière saison de Milan avec Lady Macbeth du district de Mzensk de Chostakovitch. Le travail de Barkhatov est très élaboré, parfois complexe, mais tout y est cohérent, et d’une intelligence incroyable.

AA — Dans Boris Godounov, la musique de Moussorgski m’apparaît comme essentiellement russe par son côté sauvage et radical, et en cela différente de celle de Rimski­Korsakov, plus proche de l’esprit harmonique occidental – une influence que je retrouverai en dirigeant également la Quatrième symphonie de Tchaïkovski.

Ce qui nous conduit à votre série symphonique…

AA — C’est une programmation très libre, mais toujours en lien avec une actualité comme, par exemple, le concert d’ouverture, lié à la célébration de l’anniversaire de la mort de Beethoven, avec sa célèbre Cinquième symphonie, précédée du Quatrième concerto pour piano avec le magnifique pianiste coréen Seong ­ Jin Cho en soliste. Mais tout ne sera pas aussi familier ! Nous aurons deux concerts avec la Lyrische Symphonie de Zemlinsky, d’une beauté poignante, inspirée par les poèmes du lauréat indien du prix Nobel de littérature Rabindranath Tagore, et que je souhaitais diriger depuis longtemps. S’y ajouteront notre concert du Nouvel An, où l’Américain à Paris de Gershwin se mêle à l’univers de la Gaîté parisienne d’Offenbach, un programme symphonique aux couleurs espagnoles et vénézuéliennes, un concert estival pour clôturer la saison, ainsi que notre traditionnel concert pour les familles avec La flûte enchantée Fréquemment associés à l’opéra en cours de représentation, ces concerts permettent également

de multiplier les rencontres avec le public, de tous âges – enfants, ados, adultes – selon des formules adaptées et très vivantes. Ces rencontres me passionnent et j’y suis très ouvert, je me sens prêt à accueillir un maximum de publics, et de « nouveaux » publics !

CS — Alain, le Maestro solaire !

DE LA DANSE À LA FORCE DU CHANT

Pour revenir à la programmation, la danse confirme son retour sur la scène de la Monnaie.

CS Oui ! J’ai fait appel à deux magnifiques chorégraphes, de calibre international et aussi bien connus du public belge : l’Allemande Sasha Waltz et le Belge Sidi Larbi Cherkaoui. Et nous retrouverons évidemment Anne Teresa De Keersmaeker, dont nous présenterons la nouvelle création sur une musique de Philip Glass au Théâtre National Wallonie ­Bruxelles, avec lequel nous prolongeons notre partenariat ‘Troika Dance’, incluant aussi le KVS.

Et les récitals, où vous n’avez invité que des grands noms ?

CS — En effet, c’est ce que j’ai voulu, et j’ai souhaité en finir avec les récitals un peu statiques, où la moitié du public (au moins) ne comprend rien de ce qui est chanté. Il y a moyen de renouveler le genre, avec d’autres formules et d’autres répertoires – par exemple Frank Sinatra par Lucio Gallo, du jazz avec Marina Viotti, de la musique folk avec Emily d’Angelo, des spirituals avec Jeanine De Bique et aussi Freddie Ballentine – et tant mieux si l’on peut, au passage, rendre sa place au Winterreise de Schubert.

AA — Qui est quand même de la très belle musique ! (Tout le monde rit.)

Parlons de cette importance primordiale de la voix : quels sont les critères de choix des interprètes, et quelle est la politique de la Monnaie en matière de sensibilisation à la pratique du chant ?

CS — Pour moi, la qualité de la voix et du jeu d’acteur, et l’adéquation du type de voix au rôle sont les principaux critères de choix des interprètes. Il n’existe pas vraiment de « critères magiques ». Quant à la sensibilisation à la pratique du chant, je pense que ce rôle revient avant tout aux écoles… Cela dit, la Monnaie est engagée à plusieurs niveaux, notamment à travers les chœurs d’enfants, la MM Academy, le Chœur Cassandra Koor, les chorales du Pont entre deux mondes… donc surtout la pratique du chant en groupe. Chanter dans un chœur est une joie et apporte une expérience profonde ; c’est aussi une manière de souligner que l’art du chant exige un immense travail pour permettre l’accès aux grandes scènes.

Et puis il y a les scènes plus intimistes, comme les Concertini.

AA — Pour moi, ces concerts hebdomadaires de musique de chambre restent l’un des piliers de notre pratique musicale. C’est un travail artistique spécifique et minutieux qui permet à nos musiciens de se faire connaître du public, de mieux se connaître entre eux et, par ricochet, de développer encore la qualité de l’orchestre. Sans compter la beauté des répertoires proposés.

Dernière question, qui aurait pu être la première et qui contient toutes les autres : la Monnaie dans la ville ? Une réalité ?

CS — C’est la réalité qui inspire tout notre travail ! Et l’objectif n’est plus de démontrer que la Monnaie est ouverte à la ville et au public, mais de le faire savoir. Nous ouvrons les portes en vrai . Au moment où nous nous parlons, des dizaines d’étudiants occupent librement nos locaux et y travaillent [ndlr : janvier 2026]. Nos activités à destination des jeunes, des écoles et des communautés concernent près de 40 000 personnes.

AA — Christina et moi, mais aussi tous nos collègues à la Monnaie, sommes des médiateurs entre la ville et l’opéra, tout comme moi­même, en tant que chef, suis un médiateur entre le compositeur et le public…

CS — J’ai fait placer des images de la salle entre les colonnes de la façade, qui disent : « Eh oui, ici, il se passe quelque chose, et le public est invité à y participer. La Monnaie n’est pas qu’une façade à fronton sur des colonnes, c’est une maison d’opéra. Et La Traviata n’est pas seulement le nom d’une pizzeria… » Il n’y a pas de honte à ne pas le savoir. À nous de donner au public une information claire et attractive : tout est là pour l’accueillir !

L’art vivant crée des images qui restent dans la rétine

Conceptrice des décors et des costumes du Roméo et Juliette de Gounod, en connivence avec la metteuse en scène Julia Burbach, Cécile Trémolières façonne un univers où l’image dialogue étroitement avec la musique et le drame.

Dans cet entretien mené par Marie Baudet , elle évoque la dramaturgie visuelle de l’opéra, l’équilibre entre démesure et retenue, et un travail du costume pensé au contact des corps, des voix et de celles et ceux qui l’habitent.

Française, férue de littérature, la jeune Cécile Trémolières , conjuguant son souvenir tenace d’un Faust découvert dans l’enfance à son envie d’immersion dans la langue anglaise, met le cap sur Londres. Au tournant des années 2010, les spectacles français rivalisent de sobriété. À la différence de l’Angleterre : « C’est le choc, ça m’a ravie, en éveillant mon envie de comprendre qui faisait quoi. » Son goût affirmé pour le dessin et le spectacle vivant la conduisent au Wimbledon College of Arts – l’un des six établissements de la prestigieuse University of the Arts London. Loin des raideurs académiques, l’étudiante trouve là « une approche beaucoup plus libre, instinctive, capable de prendre ses distances avec l’intellectualisme, ou du moins de le laisser de côté ». En 2013, la jeune scénographe compte parmi les finalistes du Linbury Prize. À la clef : de la visibilité et « un pied dans la porte » du monde du spectacle. Peu à peu les spectacles deviennent plus amples, la notoriété de la jeune professionnelle augmente, avec ce facteur « hot new thing» bien présent en Angleterre. Dès 2015, le Grimeborn Festival donne l’occasion à Cécile Trémolières et Julia Burbach de faire connaissance [sur Madama Butterfly à l’Arcola Theatre]. Entente immédiate, premières collaborations, notamment en Allemagne, « dans des maisons d’opéra ‘midscale’ ; la bonne échelle pour vraiment apprendre le métier », confie la scénographe. En 2020, Brexit et Covid s’enchaînent. De retour sur le continent, elle élargit son expérience de l’opéra sans pour autant abandonner le théâtre. D’une discipline à l’autre, la balance s’équilibre. Cécile Trémolières vient de recevoir le ‘Best Costume Designer of the Year’ aux Oper! Awards 2026.

Journaliste, critique, chroniqueuse, Marie Baudet arpente depuis trente ans le paysage des arts vivants, avec une prédilection pour leurs zones hybrides. On la retrouve, entre autres, sur le média web art, culture et société La Pointe.

BAL COSTUMÉ SHAKESPEARIEN

Dans leur opulente demeure, les Capulet donnent une soirée en l’honneur de leur fille Juliette. C’est là que s’ouvre le Roméo et Juliette de Gounod, mis en scène par Julia Burbach et en espace par Cécile Trémolières. Visuellement, il fallait un thème : l’idée du bal shakespearien s’est imposée à la scénographe et costumière, comme un clin d’œil non seulement au drame célébrissime sur le point de se jouer, mais aussi aux autres œuvres du Barde. « Une façon de s’approprier la culture commune, les images populaires, erreurs et décalages compris », sourit ­ elle. « On peut se permettre un côté un peu ironique, voire grandiloquent – dans le monde de l’opéra qui l’est déjà, donc en mesurant ce risque, en visant l’équilibre. En somme, éviter de pousser trop loin le curseur du kitsch tout en embrassant la démesure que peut offrir l’opéra. »

D’entrée de jeu, les silhouettes, les textures, les accessoires, les couleurs parlent, sur fond de décor aux lignes épurées. Bruno Fatalot, chef de l’atelier costumes de la Monnaie, s’enthousiasme pour la palette à la fois franche et extrêmement délicate du bal, « autour du rouge, mais qui va du rose poudré au presque noir ». Entre son équipe, affairée à confectionner les silhouettes du chœur de Roméo et Juliette – pas loin de 200 au total, car la palette rougeoyante du début se dédouble ensuite vers une gamme neutre –, et la créatrice des costumes, la ligne est suffisamment claire pour englober les sensibilités artistiques, pour épouser leurs fluctuations. Le dialogue engagé entre eux s’est tissé avec souplesse ; deux curiosités se font écho, de même que se répondent certains éléments de leurs parcours, de la révélation de l’opéra dans l’enfance à la solide expérience professionnelle anglo ­ saxonne.

La partition de l’œuvre sert ­ elle de carburant à la scénographe et costumière ? « C’est un tâtonnement entre le sens des mots, la musique, les non­ dits », avance Cécile Trémolières. Si le drame de Shakespeare inspire l’ensemble, le texte s’en éloigne. « Outre la situation décrite, il nous importe de déterminer ce que l’on peut et veut évoquer en sous-couches – quels profils psychologiques, quels contextes –, comment étoffer ce que le livret, parfois, a simplifié. Un perpétuel défi. Julia comme moi aimons raconter des histoires riches, ce qui nous pousse à extrapoler. Avec bien sûr l’appui de la musique pour les tonalités émotionnelles, le rythme de l’action. De vastes plages musicales tantôt demandent de les laisser exister, tantôt exigent de créer des images pour les habiter. »

« Éviter de pousser trop loin le curseur du kitsch tout en embrassant
la démesure que peut offrir l’opéra. »

LA FÊTE, LE CRIME, LE MONDE D’APRÈS

Si, à ce titre, chaque opéra est singulier, comment raconter avec le plus d’acuité possible une histoire aussi proverbiale que celle des amants de Vérone ?

« Comment mettre du relief dans la culture populaire ? Comment s’approprier ce que tout le monde connaît ? », renchérit notre interlocutrice. Les premières pistes explorées avec Julia Burbach – déployer l’histoire d’amour, mettre en scène la mise en scène – se sont estompées au profit d’un parti pris, « être au plus proche de ce que c’est : une flamme qui transforme tout sur un temps très court. Une soirée, une fête, la nuit, le crime le lendemain, précipitant le récit vers une espèce d’underworld où la mort, la dépression ont pris le dessus. » Dans ce monde parallèle, quasiment inversé, plus rien de réel n’existe. Aussi la scénographe et la metteuse en scène s’attachent ­ elles dès lors aux récits intérieurs. « Le seul cadre précis posé là, c’est la notion de temps », reprend Cécile Trémolières. Un temps rendu palpable par les costumes qui – comme l’indiquait Bruno Fatalot – vont muter, des rouges du début à un blanc peu à peu maculé de noir. « La fête costumée progressivement se démet. Les silhouettes sont débraillées au moment où le crime est commis. Puis un déclencheur visuel marque le passage dans un autre monde. »

En contraste avec les détails travaillés des costumes, le décor, lui, tend vers la sobriété – rare au regard des univers souvent riches et colorés qu’imagine volontiers Julia Burbach. « La musique de Gounod est déjà un peu “crémeuse”, on ne voulait pas en rajouter. » Pas absente pour autant, la sophistication suit la courbe de leur recherche commune : de l’analyse pragmatique des besoins de l’histoire, passer à une approche plus instinctive pour qu’enfin l’esthétique se resserre à partir d’images récurrentes, explique la scénographe. « Ici, le meurtre central fait tout basculer. Comment traduire cela visuellement ? Des structures à la fois menaçantes et légères représentent le monde dans lequel évolue Juliette. On est chez les Capulet, et l’irruption de Roméo va tout bouleverser. Il y a un côté oiseau en cage, un peu cotte de mailles, le tout dans un espace très vide, très libre, dans lequel ils vont pouvoir danser. » Jusqu’à l’effusion de sang qui obscurcira l’ensemble.

DRAMATURGIE VISUELLE

D’idée d’abord, de projet ensuite, la création se mue en « urgence physique, technique » lorsque se posent les innombrables questions de la fabrication, des matières, des lumières. Temps de doutes, de choix, et toujours d’une manière de rêve à confronter aux réalités.

Mais, insiste Cécile Trémolières, « La Monnaie est pour cela est un lieu légendaire, capable de donner forme à l’imaginaire. »

Pour elle, « le décor et les costumes ne sont pas qu’un arrière ­plan mais des personnages, qui doivent évoluer, suivre l’histoire ». Il faut aussi que les interprètes – solistes, danseurs et danseuses, choristes – s’en emparent. Ce qui systématiquement captive la créatrice alors même que cette étape marque pour elle un début d’éloignement. « Les voix, les personnes, les corps s’approprient le projet qui n’est plus seulement le nôtre. »

Dans l’intervalle, l’écoute, l’attention, le soin auront prévalu. « La beauté du travail du costume, c’est la proximité avec des personnes et leur vulnérabilité, malgré leur habitude à habiter une image qui les dépasse, leur grande conscience de faire partie d’un tout. Dans certains cas il s’agit aussi de les aider, de les mettre en valeur. Je suis fascinée par leur capacité à être sur scène, aussi je vais faire en sorte qu’elles se sentent bien, que la pente soit praticable, la tenue confortable. »

Ses deux métiers font de Cécile Trémolières la dramaturge visuelle de ce nouveau Roméo et Juliette. « On m’a surtout formée au décor ; le costume, je l’apprends avec les gens. »

LEES DIT ARTIKEL IN HET NEDERLANDS

Cécile Trémolières, kostuum- en decorontwerper voor Roméo et Juliette, opent de deuren naar een wereld waarin beeld, muziek en drama op elkaar inspelen. In dit interview verkent ze haar visuele dramaturgie, aan de hand van kostuums die perfect afgestemd zijn op het lichaam en de stem van de zangers.

READ THIS ARTICLE IN ENGLISH Cécile Trémolières, costume and set designer for Gounod’s Roméo et Juliette, opens the doors to a world where image, music and drama interact. In this interview with Marie Baudet, she explores her visual dramaturgy through costumes meticulously tailored to body and voice.

Influencers, beauty-adviseurs en de blijvende kracht van authenticiteit.

Psychiater en auteur Dirk De Wachter leest het libretto van Rossini’s

La Cenerentola door de bril van onze tijd en laat zijn fantasie de vrije loop.

Assepoester in influencerland

Don Magnate is een puissant rijke vastgoedtycoon die zijn fortuin graag breed uitsmeert in de vorm van exclusieve feesten en spraakmakende investeringen. Zijn provocatieve uitspraken en zijn liederlijke levenswandel maken hem tot veelbesproken figuur voor de paparazzi, een gegeven dat hij schaamteloos koestert. Uit een eerste huwelijk met zijn vroeg gestorven echtgenote heeft hij twee dochters die zich ongebreideld laven aan de oeverloos verwennende opvoedingssituatie van hun emotioneel arme vader. Clory en Tissy, de twee jonge dames, zijn intussen op de leeftijd gekomen dat hun relationele strapatsen en decadente avonturen dagelijks voer zijn op sociale media. Met ontelbare volgers op alle platformen zijn ze succesvolle influencers, tot genoegen van hun behaagzieke vader. Het gezin telt nog een dochter, Angie, een buitenechtelijk kind uit een kort avontuur van de Don met een van zijn poetsvrouwen. Angie is een beeldmooie verschijning, wat haar voor Clory en Tissy het mikpunt maakt van afgunst, spot en pesterijen. Wereldvermaarde beauty­ adviseurs, fitnesscoaches en plastisch chirurgen staan de zussen bij, maar de natuurlijke glans van Angie blijkt onbereikbaar. Toch is deze laatste erg ongelukkig. Ze lijdt onder de kwetsende vernederingen van haar zussen en de emotionele verwaarlozing van haar vader. Het meest mist ze haar lieve moeder die gedwongen werd haar kind achter te laten en het contact te verbreken.

Vanuit zijn jarenlange klinische en academische ervaring werpt psychiater Dirk De Wachter in bestsellers als Borderline Times, Liefde en het recent verschenen Wachten. Een levenshouding een indringende blik op de samenleving, onze relaties en de menselijke kwetsbaarheid.

Angie is sowieso al stil en verlegen van karakter, maar soms trekt ze zich helemaal terug om in haar kamer te huilen en te dromen over een ander leven. Haar gedachten kunnen dan plots ook heel donker worden: is de dood niet haar enige mogelijke ontsnapping uit deze eenzame noodlottigheid? Omdat ze dit een keer onbedachtzaam had toevertrouwd aan haar meelevende gouvernante, ging deze laatste op zoek naar een bekwame psychiater. Het is alom bekend dat Don Magnate een bloedhekel heeft aan deze beroepsgroep, die hij graag belachelijk maakt met cynische grappen, en dus moet de dokter met een list binnengesmokkeld worden.

Inderdaad, Dr. Basaglio meldt zich vervolgens aan op het pompeuze domein van de familie als IT­ specialist. Hij heeft, tot wanhoop van de likesverslaafde zussen, hun hele WIFI­netwerk kunnen hacken, en belooft stellig dat hij dat snel terug in orde kan maken. Zo maakt hij, ongemerkt en onverdacht, nader kennis met Angie. Onder haar kwetsbaarheid ontdekt hij een authentieke persoonlijkheid, een kracht en liefdevolheid die hij nog niet vaak zo ontroerend heeft meegemaakt in zijn lange carrière.

Intussen gaat het protserige leven van de familie natuurlijk ook verder. In al zijn triomfantelijke zelfingenomenheid koestert de Don nog één droom, waar hij haast obsessioneel mee worstelt: zijn familie laten toetreden tot de oude adel en zo blauw en koninklijk bloed injecteren in zijn luisterrijke stamboom. Samen met zijn oudste dochters broedt hij op een plan: een van hen zal trouwen met de kroonprins!

De prins van het koninkrijk is inderdaad op meer dan huwbare leeftijd gekomen en de oude vorst is toenemend bezorgd over de toekomst van het koningshuis. Prins Ramiro is een intelligente, gevoelige en uiterst bedeesde man, die gruwelt van de wereld van glamour en schijn waarin hij soms wordt geworpen. Liefst trekt hij zich terug in de immense bibliotheek van het paleis om te lezen en na te denken over de zin van het bestaan. Hij heeft een hekel aan dansfeesten en aan de schijnheilige bewondering van de opdringerige meisjes die naar zijn hand dingen. De koningin, een lieve en bezorgde moeder, probeerde ooit een gesprek hierover aan te gaan, waarna de prins tot haar verbazing in tranen uitbarstte. Daarop ging hare majesteit op zoek naar een ervaren psychiater, die haar zoon in de grootste discretie en geheimhouding kon bijstaan. Zo kwam Dr. Basaglio ook terecht in het paleis. De gesprekken tussen de twee mannen waren voor hen beiden boeiend en begeesterend, de prins genoot van de zinvolle gedachtewisselingen en groeide in zelfvertrouwen en geloof in eigen zijn. De koning en de koningin zagen het met groot genoegen aan.

Toch blijft prins Ramiro terughoudend afwachten wat het volgende grote feest zal brengen. Het paleis wordt in gereedheid gebracht, geld noch mankracht wordt gespaard om het koninkrijk in al zijn luister te tonen. Wereldvermaarde muzikanten komen spelen, topkoks zorgen voor uitmuntende spijzen, gasten komen van over de hele wereld om dit gebeuren mee te maken. Ook de dochters van Don Magnate zijn natuurlijk uitgenodigd. De grote bewondering die de twee oudsten genieten in de gemediatiseerde wereld kunnen de prins niet ontgaan. Allebei zijn ze gehuld in een spectaculaire outfit van een beroemde couturier. Camera’s flitsen onafgebroken bij hun aankomst, alle boulevardbladen zullen dit op hun voorpagina plaatsen, de likes, shares en nieuwe followers zullen niet bij te houden zijn.

LISEZ LA VERSION FRANÇAISE

Ook het eigenlijke libretto van La Cenerentola, geschreven door Jacopo Ferretti, is een bewerking die duidelijk het stempel van zijn tijd draagt. Geen fee die op magische wijze alles ten goede keert, zoals in het sprookje van Charles Perrault, maar een wijze, verlichte filosoof als de spin in het web van een zedenkomedie met een flinke scheut sociale satire. Geen boze stiefmoeder, maar een ijdele, opportunistische patriarch. En al zeker geen glazen muiltje dat door een prins aan een ontblote damesvoet wordt gepast – veel te risqué voor het Rome van 1817! – maar een zedige armband.

Maar Dr. Basaglio heeft een plan. Uiteraard is de jongste dochter van Don Magnate ook uitgenodigd – de beleefdheid heeft zijn wetten. Wel moest zij zich door de dokter laten overtuigen en de hoon en spot van haar zussen ondergaan. Op het feest blijft ze daarom eerst wat op de achtergrond; ze ziet hoe haar zussen grote sier maken en met alle aandacht gaan lopen. Maar dan gebeurt er iets bijzonders. Haar horloge, een discreet, maar hoogtechnologisch ding, dat ze van de dokter heeft gekregen, licht op, gelijktijdig met het exemplaar van de prins. Hij wringt zich door de dichte massa gasten, voorbij de hijgerige kandidaten, om Angie ten dans te vragen. Verbijstering alom. Wie is dit bijzondere meisje, hoe kan het dat we haar niet kennen? De zussen verslikken zich in afgunst en zullen dit nooit te boven komen. Don Magnate is in opperste verwarring, een toestand die hij met zijn opgezwollen zelfzekerheid nooit heeft gekend. Voor de koning en de koningin is dit de mooiste dag van hun leven, ze zien hun zoon zo gelukkig als nooit tevoren. En de schuchtere Angie? Die zal zich ontplooien tot een bescheiden, maar creatieve en ondernemende prinses, een rolmodel voor vele gewone meisjes. Haar authenticiteit, haar bedachtzaamheid en haar natuurlijke uitstraling weten op korte tijd het hele land te bekoren.

È finita la commedia.

Influenceurs, conseillers en beauté mais aussi force durable de l’authenticité. Le psychiatre et auteur Dirk De Wachter lit le livret de La Cenerentola de Rossini à travers le prisme de notre époque.

READ THIS ARTICLE IN ENGLISH Influencers, beauty advisers and the enduring power of authenticity. Psychiatrist and author Dirk De Wachter reads the libretto of Rossini’s La Cenerentola through the lens of our time.

CAV &

NL De meest geliefde double bill van de opera keert na 8 jaar en een wereldtournee via Sydney, Londen en Göteborg terug naar de Munt.

FR Après une tournée internationale avec des escales à Sydney, Londres et Göteborg, la double affiche d’opéra tant aimée revient, huit ans plus tard, à la Monnaie.

EN The most beloved opera double bill returns to La Monnaie after 8 years and a world tour with stops in Sydney, London, and Gothenburg.

PAG

Tien dingen om te weten (of te vergeten) over Wozzeck

dit op muziek zetten!”, zou hij lijkbleek gestameld hebben. In een Europa dat aan de vooravond van de Grote Oorlog getekend werd door militarisme en een groeiende klassenongelijkheid, leek de tijdsgeest inderdaad rijp voor het verhaal van deze eenvoudige soldaat die door zijn kapitein systematisch wordt vernederd, door zijn dokter als een proefobject wordt gebruikt en door zijn vrouw Marie wordt bedrogen met de tamboer ­majoor. Bergs persoonlijke ervaringen tijdens zijn administratieve legerdienst zouden dat gevoel alleen maar versterken: in zijn brieven naar huis schreef hij meermaals over de onmenselijke druk en mentale ontregeling die de soldaten aan het front moesten ondergaan.

Eline Hadermann is sinds 2023 content writer bij de Munt. Ze werkt er mee aan de online duiding van de producties, via artikels en audio-inleidingen.

DRAMATISCHE EENHEID

Büchners fragmentarische tekst bood weinig houvast voor een sluitende materiaal daarom doelgericht te herstructureren. Hij schrapte enkele passages en herschikte het bestaande materiaal tot een libretto van drie bedrijven, elk bestaande uit vijf scènes. Die een zorgvuldig geconstrueerde spanningsboog volgens het klassieke principe van dramatische eenheid. In het eerste deel, de expositie of uiteenzetting, maken we kennis met Wozzeck en zijn verhouding tot de andere personages. Het B ­ gedeelte drijft de dramatische ontwikkeling op de spits wanneer Maries overspel aan het licht komt – de onomkeerbare aanleiding voor het laatste deel met de catastrofale uitkomst: Wozzeck vermoordt zijn vrouw met een mes, en wanneer hij zijn sporen wil wissen in de nabijgelegen rivier, stapt hij te diep het water in en verdrinkt hij. Voor deze muzikale ABA­ structuur doet Berg beroep op klassieke instrumentale vormen. Zo neemt het tweede bedrijf het geraamte van een vijfdelige symfonie over: een grootschalige structuur die het dramatisch zwaardere B eerste en derde bedrijf krijgen dan weer kortere en lichtere instrumentale structuren toegewezen. Zo bestaat het derde bedrijf uit vijf ‘inventies’, en het eerste uit evenveel ‘karakterstukken’. Daarin wordt elk personage gekoppeld aan een historische muzikale vorm.

aan een reeks wetenschappelijke experimenten. Hier kiest Berg voor de passacaglia, een barokvorm die bestaat uit een aantal variaties boven een zich continu herhalende baslijn. Die hardnekkige muzikale vorm weerspiegelt de rigiditeit van de koude wetenschapper die zijn experimentenreeks zonder omzien – en vol van zichzelf – doordrijft. Des te opvallender dat Berg precies dit thema uitwerkt volgens de principes van de twaalftonentheorie, een soort prototype van wat Schönberg vanaf 1923 systematisch zou toepassen. Geeft hij hier een speelse knipoog naar zijn leermeester?

VERWANDLUNGSMUSIK

Zelfs voor elke scènewisseling voorzag Berg in een nauwe muzikale samenhang. Zo schreef hij ‘overgangsmuziek’ die de laatste maten van het ene tafereel en de aanzet van het volgende met elkaar verbindt. Opvallend is dat hij daarbij niet alleen de muziek, maar ook de toneeltechniek tot in het detail regisseert. In de partituur noteert hij nauwkeurig wanneer en hoe en neergaan. Zo schrijft hij scène dat het doek “eerst snel, dan plotseling traag, en vervolgens gestaag” moet vallen om de “plotselinge verandering in het gedrag van de Dokter” uit te drukken. Door de fysieke scheidingslijn tussen zaal en podium onder muzikale controle te plaatsen, maakt Berg het theaterapparaat integraal deel van de compositie.

specifiek over hoe zangers hun stem moeten gebruiken. Gesproken dialoog, geritmeerde spraak, gezongen, volledig gezongen: verschillende soorten stemgebruik passeren de revue. Met de term ‘Sprechstimme’ refereert Berg opnieuw naar Pierrot Lunaire (1912) eerder al eenzelfde vocale techniek vooropstelde, tussen spreken en zingen in. Zonder de noten volledig uit te zingen of aan te houden, moeten de zangers wel de aangegeven intonatie benaderen, het ritme bewaren en de voorgestelde dynamieken respecteren. Volgens Berg was het “een zeer doeltreffend communicatiemiddel” en wat de klank betrof een “welkome aanvulling op het volledig gezongen woord”.

WOZZECK-VORTRAG

“Dan zou ik het orkest nu vriendelijk willen vragen de epiloog te spelen. Maar eerst wil ik jullie iets verzoeken – namelijk om alles wat ik hier heb proberen uitleggen over muziektheorie en mijn esthetiek te vergeten wanneer je naar een voorstelling van Wozzeck komt kijken in dit theater.”

Met deze woorden sloot Berg een voordracht af die hij in 1929 bracht voor het publiek van de opera van Oldenburg. Het is een opmerkelijke conclusie van een lezing waarin hij, samen met een zanger en orkest, zijn muziektheoretische uitgangspunten voor Wozzeck tot in de kleinste details uiteen had gezet – iets wat hij ook bij andere opvoeringen in Duitsland nog zou herhalen. Voor Berg was het echter essentieel dat zijn technisch vernuftige en minutieus gecalculeerde compositie ­ aanpak altijd ten dienste bleef staan van een opera ­ ervaring die muzikaal en dramatisch in je kleren kruipt.

Met deze tien goed­ om­weetjes ben je alvast goed voorbereid om Wozzeck vanaf oktober live in Munt te beleven. Maar evengoed kan je ze, geheel op advies van de componist, ook meteen weer vergeten…

LISEZ LA VERSION FRANÇAISE

De la pièce originale de Büchner aux fondements musicaux de l’opéra révolutionnaire d’Alban Berg : dix choses à savoir (ou à oublier) sur Wozzeck.

READ THIS ARTICLE IN ENGLISH

From the original play by Büchner to the musical foundations of Alban Berg’s groundbreaking opera: ten things to know (or forget) about Wozzeck.

Inspired by true events, M. Butterfly tells the story of a French diplomat in Mao’s China who falls under the spell of what he believes to be his own Cio-Cio-San. Caught up in his fantasies, cultural misperceptions and even an espionage case, he is ultimately deceived by love and shares the same heartbreak as Puccini’s heroine. With the European premiere of the opera on the horizon, Catho De Cordt spoke with composer Huang Ruo and director Krystian Lada.

Catching Butterflies with Bare Hands

Catho De Cordt studied drama at KASK School of Arts in Ghent, followed by a master’s degree in English language and literature. Alongside this academic trajectory, she developed an idiosyncratic practice as a performer and theatre-maker, as well as an author and theatre critic, among others for Etcetera. She is currently working on a new production, young girls.

How does M. Butterfly subvert the dynamics of Puccini’s opera Madama Butterfly in terms of both the characters’ relationship and the cultural landscapes they navigate?

KRYSTIAN LADA — Huang’s opera, and the original play by David Henry Hwang, are anchored in a specific historical context: the geopolitical circumstances between East and West in the 1960s and early 1970s. This setting is a source of rich detail about the relationship between the Chinese and the French or, by extension, European governments while also inviting reflection on political questions that remain relevant today.

However, the real events behind the story are meaningful on a personal level as well. They revolve around two people: Bernard Boursicot, a diplomat at the French embassy in Beijing, and a Chinese opera singer he fell in love with. Their affair developed into a long ­term relationship, continuing in both China and Paris. Two decades later, it was revealed that the woman was actually a man, acting as a spy for the Chinese government. The story sparked widespread public debate and became a sensational court case. Everyone wondered, ‘How could he not have known?’. What interests me more, however, is the following question: what if this diplomat, who later identified as queer, actually knew all along? Back then, when being queer was still illegal in France, I can understand why he might have denied it. For him to say, ‘Oh, of course I knew it was a man I loved!’ would have made him even more of a criminal in the eyes of public opinion. In the 1960s and 70s – the period of the M. Butterfly story – homosexuality was not illegal, but it was still socially stigmatized and homosexuals did not have full equal rights. So, all my empathy goes to Gallimard, the protagonist of the opera that is based on this man, imagining him as someone who consciously chose not to see or label certain things.

HUANG RUO — I agree, and I think this sense of ambiguity is also present in the historical Shi Pei Pu – or in their operatic counterpart, Song Liling. Were his feelings of love sincere, or was he acting solely out of duty to the Chinese government? In the opera, I do not want to provide clear answers to these questions. I believe that the ambiguity in the characters’ motives is what makes it so compelling. It is also something which I try to emphasize through the music, for example by having a countertenor sing Song Liling’s role.

KL — I feel like that musical ambiguity is also very apparent in your treatment of Puccini, Huang. There are striking moments in the score where you quite literally turn his music on its head. While working on the piece, I remember wondering where I had heard a specific melody before. It was the overture from Madama Butterfly, inverted. You can still recognize it, but it is like seeing someone’s face upside down, at once familiar and strange.

Should we interpret this transposition as engaging in a dialogue between East and West, or as questioning the very idea that they stand in opposition?

HR — It is about creating a new cultural space, one that is neither strictly Eastern nor Western. Of course, Puccini’s work inspired the piece, and elements of his music have been incorporated, but M. Butterfly is an entirely new creation, blending different elements into a unified whole.

Take, for example, Puccini’s choice for the word ‘butterfly’ to describe an Asian woman, a term carrying rich references in Chinese literature and culture. David Henry Hwang, who wrote the libretto, and I use two of these references in M. Butterfly

First, we draw on the Butterfly Lovers story from Chinese opera, which also involves a gender identity switch. The second appears in what we call the ‘I Woke as a Butterfly’ aria, sung by Song Liling. This references the famous ‘butterfly dream’ of Chuang ­tzu, an ancient Chinese philosopher. One night, he dreamt that he became a butterfly, experiencing the freedom of flight. When he awoke, he was troubled to find himself without wings again. This led him to wonder: was he, Chuangzi, dreaming he was a butterfly, or was he a butterfly dreaming he was Chuangzi? On a fundamental level, can we ever truly be sure of our identity?

What does the metaphor of the ‘butterfly’ mean to you, Krystian?

KL — I remember that, as a child, I always wanted to catch butterflies. I also vividly recall the only one I ever caught: something so beautiful, yet when I opened my hands, I saw a crushed, frightening creature. That memory captures for me the trial in M. Butterfly: an almost violent moment of catching, naming and trying to understand. Some things must remain ungraspable, ambiguous. Beauty lingers

longest in the spaces where meaning remains uncertain.

On a broader level, the opera makes a very political statement: it examines the cost of choosing illusion over reality and asks us to question what reality truly is. During the trial, what unfolds on stage is Gallimard’s perception of his own reality as opposed to the reality imposed by society, represented by the chorus. In today’s world, this is particularly relevant: what the masses dictate is not always the reality you should follow. Or when the masses tell you that you are living in an illusion, you can also consciously decide to keep living in that illusion, because it is a healthier, more caring place. In general, we are living in times where the question of what is real is an important and dominant one: seeing a picture of a friend on social media, reading a news report – you have no idea whether these are true depictions of reality. Addressing this tension in opera feels urgent today.

Illusion vs reality: how does this tie back to the depiction of masculinity in the opera?

HR — When Gallimard is confronted by the naked Song Liling for the first time, he cries – like a child, overwhelmed by the reality before him. But in an instant, his tears give way to laughter, and from then on, he asserts his own agency, taking his fate into his own hands. Krystian, do you think this reflects something fundamental about Western notions of masculinity?

KL — I think this is simply the nature of being in love: it proves that his emotional involvement with Song Liling is real. Interestingly, we notice how Gallimard’s feelings change him, how they make him increasingly conform to the stereotype of a Western male. But is this truly him, or is it Song Liling’s vision of him shaping his transformation? It works the other way as well: if M. Butterfly, the stereotypical beautiful female Chinese opera singer, ever truly existed, it was in his eyes, through his gaze.

I cherish every chance we get to show a more nuanced depiction of masculinity on the opera stage. When we look at the core of the popular opera repertoire, that representation is too often overly simplistic: men are either tyrants or idiots, either full of themselves or only there to provide comical relief. Here, on the other hand, we have two protagonists who enter a continuous dialogue on Eastern and Western notions of masculinity – of what it means to be soft or decisive. The power dynamic between these two men, biologically speaking, is so multilayered, so contemporary, so subversive. To me, this makes M. Butterfly absolutely unique in the world of opera.

Huang, you mentioned the crucial moment when Gallimard first sees Song Liling naked. What shift occurs in Song Liling then?

HR — This is the moment Song Liling stops performing and just wants Gallimard to see the person he truly is. In China, one of our favourite dishes is soup. We simmer it for hours, layering flavours until, in the end, a tiny bowl holds a richness beyond measure. That’s how I see Song Liling’s visit to him. Everything that happened before has been distilled into this intimate confrontation.

Song Liling shows up in Gallimard’s cell dressed in male clothes, representing a biologically male identity; then, layer by layer, the clothes are removed. In that moment, Song Liling really is like a butterfly, emerging from its cocoon – a symbolic transformation into one’s true self. For Gallimard, that moment is equally pivotal. He is forced to confront reality and recognize that his beloved butterfly is, biologically, a man. That confrontation scene – raw, layered, intimate – is very dear to me.

The moralistic potential of this opera is quite clear. Can opera inspire us to be sensual in our political engagement?

KL — Yes! Opera forces you to engage through emotion. Historically speaking, it has often been the strategy of opera to address political questions, not by creating distance through rational criticism, but rather the reverse, by exploring the emotional depth of these questions, which almost doesn’t allow us to take a critical stance. In opera, there is no safe space. The music manipulates you to empathize with the protagonists on stage regardless of the perspectives they represent, to recognize within yourself universal human feelings you didn’t know you had. To exaggerate, you don’t have to die because of love, you have for instance La traviata as a kind of real­time simulation of that emotion, of that process; and this is delivered to the audience not as a dry hypothetical text but as an immersive multisensory experience of live sound and images on stage. Of course, this approach is often misinterpreted as being overly sentimental or pathetic, but in reality it is often a conscious decision of composers who are politically engaged themselves.

As a final thought, what kind of encounter do you hope the audience will have?

HR — When I began studying at Oberlin College in the US, the first play I went to see there was a school production of M. Butterfly. Of course, funnily enough, I was confused, because I had expected to see Madama Butterfly. But I was totally blown away!

So, I am already looking forward to the moment someone in the audience thinks they bought a ticket to Puccini’s Madama Butterfly, only to discover that that is not at all the case. For an audience to come with their own illusions to be crushed brutally by reality – and to be totally blown away by it! (laughs)

LEES DIT ARTIKEL IN HET NEDERLANDS

Geïnspireerd op waargebeurde feiten, is M. Butterfly het verhaal van een Franse diplomaat die in Mao’s China volledig in de ban raakt van een zangeres, in wie hij zijn eigen Cio-Cio-San herkent. Verstrikt in zijn fantasieën, interculturele misvattingen en spionage, wordt hij uiteindelijk door de liefde misleid.

LISEZ LA VERSION FRANÇAISE

Inspiré de faits réels, M. Butterfly suit, dans la Chine de Mao, un diplomate épris d’une chanteuse qu’il imagine être sa Cio-Cio-San. Pris au piège des fantasmes, des malentendus culturels et de l’espionnage, il est trahi par l’amour, et sombre dans le drame.

Confrontée à un effacement temporaire, brutal et profond de la conscience de sa mère, Béatrice Delvaux raconte la violence intime de l’oubli : celui qui efface les morts, brouille les liens familiaux et amicaux et fait basculer les vivants dans un « non-monde » que l’on préfère ne pas voir. Entre honte, fuite et lucidité tardive, elle interroge notre rapport à la vieillesse, à la perte de mémoire et à ces lieux que la société relègue hors champ. Jusqu’à oser une question dérangeante : « Et si l’oubli, parfois, ouvrait un autre chemin vers l’humanité ? »

L’oubli,

Béatrice Delvaux est journaliste au Soir depuis plus de 40 ans : cheffe du service économique, puis rédactrice en chef, elle est éditorialiste en chef depuis 15 ans. Chroniqueuse à la RTBF et au Standaard, elle analyse politique et économie en lien étroit avec la culture et œuvre à rapprocher le nord et le sud de la Belgique.

« Où es-tu ? Je t’attends pour petit-déjeuner. J’ai gardé un demi-pistolet pour Cécile, elle ne mange jamais beaucoup. »

Je suis pétrifiée. Je suis au volant de ma voiture, à des kilomètres de là, je ne peux plus respirer. Cécile ? Ma sœur est morte depuis huit ans, et maman, qui est en maison de repos depuis deux ans, prend évidemment toujours seule son petit ­ déjeuner. Je regarde mon compagnon, à mes côtés. Peu de choses le déstabilisent, mais dans ses yeux, je vois le trouble. J’ai l’impression que mon corps va me lâcher, ou qu’il tremble à l’intérieur. Secondes, minutes de silence. Comment lui dire ? Faut ­il lui dire ? Comme ça, par téléphone ? Je finis par répondre, j’ai l’impression d’être au ralenti, comme si chaque mot allait désormais se fracasser sur ce nouveau mur et n’avait plus de sens :

«

Maman, je serai là tout à l’heure comme prévu. Et Cécile, tu sais, c’est comme Papa, elle est…

»

Elle m’interrompt, clinique :

« … Ah oui. Au cimetière. »

en face.

Sa réponse me transperce. Comme une deuxième mort. Jamais depuis huit ans, je n’avais entendu évoquer ma sœur « vivante », entrant dans une pièce pour s’y asseoir et manger. Ce souvenir est surtout intolérable par la précision de sa réalité. J’en veux soudain à ma mère : me donner à ressentir ma sœur en mouvement, dans mon quotidien, alors que je suis sa veuve, son orpheline – vous avez remarqué, il n’y a pas de mot pour qualifier celui ou celle qui perd sa fratrie ?

Dans la voiture, je peux toucher le silence. Pas un mot n’est prononcé, comme si on voulait oublier ce qui s’est passé. Surtout ne pas donner vie, surtout ne pas plonger dans ce qui vient de nous tomber dessus.

Quelques heures plus tard, je suis devant la maison de repos. Je le sais : j’ai peur de pousser la porte de sa chambre, j’ai peur de « voir » physiquement la coupure du lien à la normalité. Maman est là, assise. Très élégante comme toujours. Son manteau est sur le lit, son sac à main est préparé, elle a mis ses chaussures et elle est en colère : « Cela fait des heures que j’attends, on y va. » Où ? « On retourne à la maison, qu’est ­ ce que je fais ici ? ». Cette nuit ­là, elle va s’échapper de sa chambre.

Je la retrouve le lendemain, frêle, très pâle, en pleurs. Cette femme exigeante, gérant le moindre détail de sa « quatrième vie » comme elle dit souvent – comme de toutes ses autres et celles des autres avant – est devenue une petite chose en détresse.

« On m’a dit que je perdais la tête. Ce n’est pas possible, personne dans la famille n’a été touché par “ça”. Il faut que ça tombe sur moi ! » Elle ne veut plus sortir de sa chambre, ne veut plus descendre manger au réfectoire. Elle veut se cacher, disparaître.

« J’ai honte, j’ai tellement honte. » Elle m’implore :

« Dis aux infirmiers et aux soignantes, dis à Dylan que je m’excuse. »

Les voir ? Dans ce couloir, depuis des mois, j’évite de me confronter à ces petites dames et ces hommes autrefois solides, et qui errent, prostrés, ou sont assis dans des fauteuils comme des corps morts. Le cerveau et les yeux vides. Trop difficile, trop angoissant. Comme si ne pas les regarder, empêchait maman de passer de « l’autre côté », comme si cela m’interdisait de tomber dans leur abîme et me protégeait pour « après ». Comme si, surtout, cela me permettait d’oublier que ce « non­monde » existe et qu’il est bien vivant.

Chaque étage a un code, affiché au mur, et à taper à l’envers pour permettre aux seuls « lucides » de sortir. Taper et ne pas réfléchir : ceux et celles qu’on veut tromper/protéger par ce subterfuge qui crève les yeux, ont été des parents, des employés, des profs, des ingénieurs, incapables aujourd’hui de retrouver leur chambre, de dire leur prénom, de reconnaître leur conjoint, leurs enfants, de lire quatre chiffres, et qui déambulent en répétant à chaque minute le même mot, ou restent comme « congelés » dans l’un ou l’autre fauteuil.

Le premier soir où j’ai quitté la maison de repos, laissant maman dormir dans son nouveau chez elle, une femme au crâne chauve gisait sur le sol, barrant la porte donnant accès à l’ascenseur.

J’ai composé fébrilement le numéro de l’accueil :

« Une femme est tombée par terre ! » L’infirmier de garde est arrivé, s’est penché sur ce corps au sol, doucement, lentement, affectueusement : « Lève ­toi, Jenny, Madame doit passer. » Il lui a caressé le coude, l’a aidée à se redresser, l’a rassurée.

« Je suis foutue ? Je suis foutue ? » À chaque visite désormais, elle me suit, puis s’en retourne.

Sa voix de basse, ses yeux de glace me pétrifient.

Oublier, oublier vite.

« Les regards en disent long. » La banderole qui porte ces mots est suspendue en haut du couloir. À l’attention des soignants ? Des visiteurs ?

Des familles qui ne regardent plus les leurs ? Ce dimanche ­là, je la prends pour moi, cette pancarte qui pointe mon délit de fuite. Honte sur moi qui évite les contacts visuels avec les pensionnaires perdus, honte sur moi qui marche plus vite pour arriver à la chambre de maman où je m’engouffre comme on sauve sa vie – ouf, vu personne, croisé personne. Mais j’ai peur de quoi ? De la contamination ? De me voir dans ce miroir grandeur nature qui m’est soudain tendu depuis le passage définitif, volontaire et lucide de cette mère qui a décidé d’aller en maison de repos. Comment moi, qui prône depuis 40 ans la vérité, qui ai fait de la transparence et de la diffusion de l’information une éthique personnelle et une leçon de morale aux autres, moi qui dénonce les angles morts de la société, puis ­je à ce point censurer et dénier une place dans ma vie et dans mon espace ­temps à cet endroit et aux êtres humains qui y sont accueillis ?

Depuis 40 ans, j’ai du temps pour tous les malheurs de la Belgique et du monde, mais depuis trois ans, je n’ai pas trouvé une journée pour regarder, écouter et comprendre le ventre de ce monde de silences et de ceux et celles qui ont l’apparence de morts vivants ? Et si c’était juste une apparence, et s’il y avait une vie dans leur « boîte » qu’on croit vide ? Et s’ils avaient quelque chose d’important, de sensible, de différent, à nous dire – à me dire –, dans ce monde qui parle, tweete, whatsappe et tiktoke à tort et à travers ?

« There is a place in the brain, where music lives, where music plays, time cannot touch it.
Through music, we teach into a place, the hiding hole of music, to bring out memory.
Sound. Sound is with us From the beginning to the end. »
Dr Klugman. In Lucidity

S’il y a une place dans le cerveau, pour toujours, pour la musique, il doit y en avoir pour des couleurs, des animaux, des sensations, du plaisir, non ?

Dimanche, 18 heures. Il fait froid et noir dehors. Une petite dame, aux cheveux blancs coupés courts, attend sur le fauteuil près de la sortie, avec son manteau noir sur le dos, son sac à la main, des chaussures aux pieds. Rien qu’à l’apercevoir, en deux secondes – est ­ ce la façon dont elle est assise, prête à bondir ? Ses pupilles qui bougent de droite à gauche à l’affût d’un moment d’inattention de ceux qui passent ? – Je le sais, je le sens : elle veut s’échapper. Je fais le code de sortie à l’envers, la porte coulissante s’ouvre, je la franchis, elle est sur mes pas, elle fonce, je l’arrête : « Où allez ­vous Madame, vous ne pouvez pas sortir ! » Mais d’où je sors ça, moi ? De quel droit ? Elle est obsédée par le dehors enfin à portée de sa main, elle me hurle dessus, sans me jeter un regard : « Foutez ­moi la paix. On ne se connaît pas. » Je la bloque, elle me pousse, j’appelle : « À l’aide, j’ai besoin d’aide ! » Mais pour qui je me prends ? J’ai honte, j’espère que personne ne me voit. La petite dame, enfermée dans son monde, me hait, moi, qui referme ce couvercle qu’elle a réussi à pousser. Un cuisinier arrive, je fuis. Dehors ! Mon privilège, le sien autrefois. Un jour, ma place sera de l’autre côté de la porte, et je serai empêchée à mon tour par une plus jeune, qui m’interdira de sortir. Oublier. Oublier vite. Rejoindre l’autre rive, de l’autre côté. Du bon côté ?

Pourquoi « eux » et « elles » y arrivent ­ils ? Je les ai vus embrasser Jenny doucement quand elle part en vrille. Ils n’ont pas lâché maman quand elle était perdue – « On va vous sortir de là, Madame ». Ils et elles changent les couches, regardent les photos de famille, épongent les fronts en pleine nuit. Je devrais leur demander qu’ils m’apprennent, qu’ils me montrent comment faire sauter le verrou de cette frontière que je n’arrive pas à franchir, comment ramener ce « non­monde » dans l’autre, qui m’accapare tant ? Comment faire miens ces couloirs et ces gens que maman a spontanément adoptés, et dont elle a fait son nouveau village. Le dernier ? Cela aussi, elle l’a normalisé – « Tu vas devoir t’y faire, je vais partir à un moment donné. » –, répétant cette interrogation qui semble sourdre de toutes ces chambres : « Mais pourquoi vit ­ on si longtemps ? »

Et si l’oubli facilitait la vie ? Et si la disparition de la conscience de celui ou celle qu’on a tant connu, permettait de reconstruire ce qui était brisé, ou abîmé ? Les jours où « j’ai perdu ma mère », je me suis surprise à la laver, à l’embrasser, à lui caresser les joues, à être tendre et douce. Comme si sa soudaine fragilité et son absence éteignaient la méfiance, effaçaient les vieilles rancunes. Comme si je ne devais plus être sur mes gardes, me protéger de son intensité et de sa puissance, pour tout concentrer sur l’amour, la présence, la main tendue. Comme si les sources des conflits n’avaient plus de sens, comme si les conflits eux-mêmes étaient oubliés. L’heure est à la subtilité, à la nuance, au recul, au don de soi. Enfin.

J’en suis venue à souhaiter qu’Alzheimer s’empare du monde. L’auteur libano ­ canadien Wajdi Mouawad a consacré tant de pièces à ces humiliations qui nourrissent depuis l’Antiquité des vengeances et des divisions éternelles. Et si le monde « oubliait » à son tour, pour reconstruire un futur en prenant l’autre comme il est, déchargé du passé, et donc nouveau partenaire ?

Quand la Monnaie m’a suggéré d’écrire un texte sur un opéra qui portait Alzheimer en son cœur, j’ai dit oui, stupidement. C’est tellement moi : accepter d’écrire sur un sujet dont je ne suis pas spécialiste et dont j’ai tout à apprendre. Quel orgueil. Je dois des excuses aux lecteurs et lectrices, pour cet abus de position journalistique. Mais je dois aussi un merci au piège que je me suis tendue : écrire m’a forcée à mettre des mots sur ma fuite. Et à regarder « l’oubli » enfin, en face.

LEES DIT ARTIKEL IN HET NEDERLANDS

Geconfronteerd met het plotse en brutale geheugenverlies van haar moeder, getuigt

Béatrice Delvaux over het intieme geweld van de vergetelheid, dat de doden uitwist, familieen vriendschapsbanden doet vervagen en de levenden laat weg glijden in een ‘on-wereld’ die we liever niet onder ogen zien.

READ THIS ARTICLE IN ENGLISH

Confronted with the sudden and brutal erasure of her mother’s memory, Béatrice Delvaux recounts the intimate violence of oblivion: the kind that erases the dead, blurs family and friendship ties, and plunges the living into a ‘non-world’ one would prefer not to face.

De verboden stem van de stad genaamd Hoekje

BORIS GODUNOV

De wandaden van het Russische gezag aan de kaak stellen, doe je niet ongestraft. Dat geldt voor klokkenluiders vandaag evengoed als voor klokken in de regeertijd van tsaar Boris Godoenov. Auteur en Ruslandkenner Johan de Boose zoomt in op de dramatische gebeurtenissen die aan Moesorgski’s gelijknamige opera ten grondslag liggen.

Wie vanuit Moskou naar Sint ­Petersburg reist op de meest avontuurlijke manier, namelijk over de Wolga, komt na tweehonderddertig kilometer bij een bocht in de rivier, en in die bocht ligt mijn geboortestad. De stad – stadje eigenlijk, met amper veertigduizend zielen – ligt in een hoek, hoekje om precies te zijn, en daarom heet de stad ook zo: Oeglitsj, Hoekje. Hoekje was in de zestiende eeuw de lievelingsstad van Ivan IV, de eerste heerser van Rusland die zich officieel tsaar liet noemen en die de bijnaam ‘de Verschrikkelijke’ kreeg omdat grootsheid in de Russische politiek nu eenmaal niet los staat van schrik, of van een ouderwetse vorm van vrees, een begrip dat diep geworteld is in de christelijke traditie, die wil dat mensen op hun knieën door het leven gaan. Voor mij is die traditie tegelijk de bron van mijn bestaan en de tragiek van mijn lot: ik ben de bronzen ziel van de kerk in Hoekje, van het Kremlintje aldaar, dat noodgedwongen ondergeschikt is aan het grote Kremlin in het verre Moskou. En Moskou is, zoals iedereen weet, na de middeleeuwen en de val van Byzantium het hart van Christus’ wereld, althans volgens de schriftgeleerden. In de mooie rivierstad Hoekje werd ik gegoten, een bronzen kolos van vijfhonderd kilogram, ik kreeg er mijn stem, een klepel van twintig kilogram, en ik werd er opgehangen in de klokkentoren om de grootse momenten in het bestaan van de Russische mensheid op te luisteren met mijn gelui: bijvoorbeeld op feesten en bruiloften, en helaas ook bij begrafenissen en rampen. Alles wat te maken heeft met Hoekje kan gevat worden in verkleinwoorden, maar één gebeurtenis was zo groot, dat ze de geschiedenis definitief van koers deed veranderen. Over die gebeurtenis, de ergste ramp van Hoekje en van het eeuwenoude Rusland,

zal ik u het volgende verhaal vertellen, een verhaal dat wortelt in het verleden maar in de loop van de jaren zo breed vertakt is dat het tot vandaag reikt, alsof het de vervloekte vreesachtigheid van de eerste tsaar heeft bewaard en doorgegeven aan de volgende generaties.

Johan de Boose is een veelzijdig auteur. Hij schreef romans, non-fictie, poëzie en theater. Recent verscheen Joegoslavië, een verhalende kroniek. Zijn roman Het Vloekhout werd genomineerd voor de prestigieuze Libris Literatuurprijs.

Ik weet nog goed hoe in de meimaand van 1591 de kersenbomen bloeiden in de tuin van ons kleine Kremlin. We leefden nog in de verrukking van het paasfeest, dat onze winterse somberheid had verdreven met de belofte van een nieuw leven, niet alleen van een mooie zomer, maar ook van een verlichte toekomst. Misschien waren er wel jonge boerendochters die echt geloofden dat de wereld tijdens hun bestaan een andere wending zou nemen. Ik zag mannen die op hun knieën op de koude vloer in de kerk huilden van verwachting en vertrouwen. Er hing – en die beeldspraak is in mijn geval letterlijk te nemen – iets in de lucht, zodat ik zelf ook, elke zondagochtend na Pasen, en het meest op het pinksterfeest, met het wildste genot de metten luidde, dong ­ dong ­ dong, begeleid door het getinkel van de kleine klokken als een zilverservies op Gods grote dienblad. Er zijn zulke momenten in de geschiedenis van de aarde, dat alle krachten van de natuur samenspannen en in staat zijn om wonderen of rampen te veroorzaken. Tijdens één zo’n wonder was ikzelf ooit gegoten uit de hete stroom van vuur, en zo waren ook de vuren in de lijven van de boeren in Hoekje opgelaaid zodat er dat jaar voor het eerst sinds lang weer meer kinderen werden geboren. Bij elk kind mocht ik het doopfeest inluiden. Eind mei speelde Dmitri met de ijzeren ringen in de tuin. Iedereen verafgoodde de tsarevitsj, een zoon uit Ivans zevende huwelijk, nog meer nadat Ivan enkele jaren eerder na een partijtje schaak een beroerte had gekregen en – godzijdank – niet meer viel op te lappen. Dmitri’s zwakke broer droeg sindsdien de kroon, maar in werkelijkheid zwaaide oom Boris de scepter. Boris genaamd Godoenov. Ik zie Dmitri’s bolle wangen nog voor me, zijn ravenzwarte haar, zijn blote voetjes in het hoge gras langs de Wolga. Hij hield van ringwerpen, er was niets gevaarlijks aan, ik hoor nog steeds zijn stemmetje wanneer een ijzeren ring over een paaltje viel. Zijn stem zinderde na op mijn bronzen huid.

Het was een complete verrassing die ochtend, toen zijn stem opeens heel anders klonk tijdens het ringwerpen. Ik kon niets zien, ik hoorde alleen een kreet en een doffe plof, en mijn eerste gedachte was dat hij een aanval van epilepsie had gekregen, zoals een paar keer per jaar gebeurde. Tegelijk verbaasde ik me erover dat iemand in plaats van naar hem toe te lopen om te zien wat er gebeurd was, juist van hem wegrende. Toen zijn moeder hem kwam zoeken, was het bloed van de jongen al uit de gemene snee in zijn hals weggestroomd. De wereld nam die dag inderdaad een andere wending, maar niet zoals we hadden gehoopt. Onderzoekers uit Moskou stelden vast dat Dmitri tijdens zijn epilepsieaanval ongelukkig genoeg met zijn hals op een van de ijzeren paaltjes terecht was gekomen, terwijl iedereen kon zien dat de wond met vakkundige precisie was aangebracht, niet door een paaltje maar door een dolk. In een minimum van tijd liep het plein voor het Kremlin vol met mensen, die schreeuwden dat het Godoenov was die de jongen had vermoord om zelf tsaar te kunnen worden. Hij had al van alles geprobeerd, zelfs met vergif, telkens tevergeefs, en men had in de omgeving van Hoekje een man gevonden met een bebloed hemd en een tas met een bebloed mes erin. In het gevecht, dat daaruit ontstond, vielen doden. Iemand klom in de klokkentoren en maakte de touwen van mijn klepel los, zodat ik begon te luiden. En ik luidde, vuriger en harder dan ooit, zodat het hele land kon horen dat een groot onrecht was geschied. Ik herinner me dat iedereen huilde van verdriet en woede, het gehuil hield dag en nacht aan, omdat de laatste kans om Rusland te bevrijden van Ivans vloek verkeken was. Ik luidde en luidde, zo hard en lang totdat Boris zijn bereden politie stuurde, een gevreesde bende agenten waartoe hij ooit zelf had behoord, meer nog, die hem groot hadden gemaakt. Zij sloegen alle opstandelingen dood en dreigden de stad in brand te steken, maar toen had Boris een beter idee.

Omdat het klokgelui onrust in het hele land had teweeggebracht, en omdat die onrust had geleid tot anarchie en geweld, werd ik losgerukt uit de toren, zodat ik op de grond viel en daarbij een breuk opliep. Er was honderd man nodig om me naar de rechtszaal te slepen, waar ik aan ketens werd vastgemaakt, alsof ik echt zou kunnen ontsnappen. Er kwam een rechter, benoemd door Boris, die mij met de hand op de Bijbel beschuldigde van staatsgevaarlijke vrijpostigheid, blasfemie en ongeoorloofd libertijns gedrag (hij gebruikte andere woorden, maar hier kwam het op neer). Ik werd veroordeeld tot twintig zweepslagen en verbanning. De ijzeren slagen trokken diepe wonden in mijn huid. Voordat men mij op transport zette naar Siberië, hakte men de klepel los, alsof ze letterlijk mijn tong uitrukten en ik voorgoed zou zwijgen. Honderden slaven, die zelf ook tot verbanning waren veroordeeld, sleepten me over de Oeral naar de Siberische stad Tobolsk, waar ik op een ommuurde moddervlakte werd achtergelaten, onder bewaking, opnieuw alsof ik zou kunnen ontsnappen. Ik kwijnde weg, jaar na jaar, decennium na decennium, eeuw na eeuw. Mijn huid, die toch onsterfelijk is, verweerde, trok krom, barstte en verroestte. Niemand keek nog naar me om, nooit meer zou ik mijn stem laten horen. Men zegt dat een latere tsaar het vonnis ongedaan heeft gemaakt, dat men mij heeft teruggebracht naar Hoekje, en dat ik opnieuw in de klokkentoren hang, met klepel en al, zodat ik weer kan luiden op alle feesten van de stad. Maar dat is niet waar. Mijn land houdt van leugens. In Hoekje hangt een deerniswekkende kopie. Mijn stem zal nooit meer klinken in Hoekje, net zomin als Dmitri’s stem, nergens, net zomin als iedere vrije stem in dit vreeswekkende land.

“En ik luidde, vuriger en harder dan ooit, zodat het hele land kon horen dat een groot onrecht was geschied. Iedereen huilde van verdriet en woede, omdat de laatste kans om Rusland te bevrijden van Ivans vloek verkeken was.”

LISEZ LA VERSION FRANÇAISE

Dénoncer les abus du pouvoir russe ne se fait pas sans risques. Hier comme aujourd’hui, les voix dissidentes sont réduites au silence – des cloches sous le tsar Boris Godounov aux lanceurs d’alerte actuels. Johan de Boose revient sur les événements dramatiques à l’origine de l’opéra de Moussorgski.

READ THIS ARTICLE IN ENGLISH

Exposing the crimes of the Russian authorities rarely goes unpunished. This is as true for today’s whistleblowers as it once was for the bells during the reign of Tsar Boris Godunov. Author and Russia expert Johan de Boose revisits the dramatic events that inspired Musorgsky’s opera of the same name.

ARIADNE AUF ( PLANET ) NAXOS

Entre farce et tragédie, Zerbinetta rayonne au cœur d’Ariadne auf Naxos. Clown virtuose, stratège du désir et philosophe de l’amour libre, elle apparaît, sous la plume de Camille De Rijck , comme une héritière de Mozart réinventée par un Strauss en mutation, où l’explosivité vocale, le théâtre dans le théâtre et l’émancipation féminine se confondent.

Zerbinetta, l’explosive sexologue

Ah, les riches et leurs perverses extravagances qui dévoient le cœur pur des artistes ! Tel est leur bon plaisir. Typiquement, Ariadne auf Naxos est une mise en abîme ; le théâtre y paraît non seulement dans le théâtre, mais on voit comme l’ordonnateur de la soirée veut s’employer à piétiner les œuvres qu’il a lui­même commandées. L’ignorance crasse qui parfois anime les mécènes les plus généreux semble l’avoir pris en otage. Et à cette qualité peu enviable s’ajoutent l’arbitraire et la lâcheté, dans la mesure où jamais il ne montrera le bout de son nez sur scène ; ses instructions prennent vie par la voix de son majordome. Serait ­ ce Don Giovanni , revenu des enfers, qui se cacherait derrière un Leporello encore plus couard qu’à Burgos ?

Mais voilà l’horreur : pour la soirée, deux œuvres furent commandées. Un drame antique, où Ariadne est abandonnée par son amoureux sur une île déserte, ainsi qu’une pièce – plus légère – issue de la tradition du théâtre de rue péninsulaire. Voilà qu’on demande aux artistes, par commodité, de bien vouloir jouer leur pièce en même temps. Si cela occasionne au personnage du compositeur un épisode de décomposition psychotique, se noue entre l’Ariane, toute de marbre, et la Zerbinette, stoïcienne ayant manifestement étudié son compendium de Libidines Nefandæ, une relation où l’homme semble se faire tout petit.

LE LONG CHEMIN DE STRAUSS VERS UN CERTAIN FÉMINISME

Dans la première partie de sa carrière lyrique, Richard Strauss a semblé obsédé par les monolithes. Sa Salome, adaptée de la pièce chichiteuse d’Oscar Wilde, que l’auteur britannique écrit directement dans un français qui ferait passer Mallarmé pour un auteur du Nouveau Roman, Strauss opte pour une écriture vocale allant à rebours du texte. Les lignes sont amples, tendues, les voix doivent surpasser un orchestre considérable, qui jamais ne boude le triple forte

Dans Elektra , son second véritable triomphe – texte du délicat Hofmannsthal – le compositeur bavarois pousse l’outrance encore plus loin. Notoirement, les rôles principaux sont écrasants, mais celui de la jeune Électre dépasse les limites de ce qu’une voix humaine peut envisager en matière d’amplitude sonore. On prête souvent à Strauss la formule, peut ­ être apocryphe tant elle est belle, prononcée à l’issue d’une répétition à l’attention des protagonistes : « Chantez plus fort, j’entends encore l’orchestre. » Et quand on sait que son orchestre fait passer le galop des éléphants des armées d’Hamilcar pour un délicat chassé ­ croisé de ballerines, on en mesure pleinement le sens.

À ce stade, il fut permis de soupçonner Strauss d’avoir trouvé dans les outrances performatives de la ligne wagnérienne le chemin qui serait le sien. La suite allait néanmoins le démentir. Dès Rosenkavalier, l’écriture vocale s’inscrit dans la logique d’un Sprechgesang garni d’envolées lyriques qui rappellent les délicats entrelacements des ensembles mozartiens. La broderie vocale de Camille De Rijck est le fondateur de Forum Opéra – premier webzine francophone consacré à l’opéra. Producteur pendant plus de dix ans à la RTBF, il anime – notamment – le Concours Reine Elisabeth et la Table d’écoute. Il écrit pour Diapason et La Libre.

la Maréchale et de Sophie, dans l’extrême aigu, renvoie au « Quoniam » de la Messe en ut où les soprani rivalisent de ductilité dans le suraigu.

C’est que Strauss – gigantesque chef d’orchestre –connaît ses appétences sur le bout des doigts et celles ­ ci furent avant tout mozartiennes. Der Rosenkavalier est d’ailleurs ce moment ­ clé où Strauss fait son coming out de fanatique d’opéra. Ne retrouve ­t ­ on pas, dans les salons de la Maréchale, un ténor italien qui se lance dans une cantilène censément sirupeuse ; moment de dérision – certes –, mais aussi l’une des plus belles pages de l’opéra ?

Strauss voit en Ariadne auf Naxos l’endroit idéal où convoquer les archétypes du genre et où s’enivrer du brouillage de pistes. Le personnage écorché vif du

Compositeur, incarné par une mezzo ­ soprano, apparaît comme un Cherubino affranchi des affres de la puberté, mais pas encore totalement débarrassé de sa crise d’adolescence. Zerbinetta, elle, se dévoile comme un compendium de la féminité mozartienne. Non seulement son nom repose sur le collage de deux protagonistes de la Trilogie Da Ponte : Zerlina (Don Giovanni ) et Despinetta (Così fan tutte) dont elle adopte d’ailleurs volontiers le caractère. À Zerlina, elle emprunte une coquetterie aguicheuse ; à Despina, une sorte de philosophie nihiliste sur les conséquences de l’amour : parfait contre ­pied de la figure de l’esthéticien donjuaniste tel que défini par Kierkegaard.

ZERBINETTE AURAIT PU THÉORISER BECHDEL

Est ­ ce tiré par les cheveux de postuler que Strauss s’est laissé gagner par le militantisme féministe de Mozart ? Passés au tamis de la sociologie du XXIe siècle, nombre de ses opéras réussissent haut la main le test de Bechdel. Celui­ ci repose sur trois règles : nommer deux protagonistes féminines, les faire parler ensemble et d’autre chose que d’un homme. Pensons à la confrontation d’Elektra avec sa mère Clytemnestre. Certes, Zerbinetta, la conseillère matrimoniale improvisée d’Ariadne, est une monomane de la sexualité, une sorte d’Alain Robbe ­ Grillet en collant rose. Mais elle est dans sa vocalité le succédané des plus beaux personnages de Mozart : de l’Elettra d’Idomeneo à la Konstanze de l’Entführung aus dem Serail. L’une comme l’autre utilisent le registre suraigu pour exprimer le vertige qui les habite. Les contre ­notes caractérisent ce somnambulisme qui sépare la raison des affres de la folie (ou du désespoir, dans le cas de Konstanze).

Zerbinetta, elle, ne tremble pas de ce vertige ­là. Elle démontre, par son explosivité vocale, par son extraordinaire virtuosité, que ce petit clown philosophe est la préfiguration d’une Giulietta Masina. Elle qui – dans Le Notte di Cabiria de Fellini – décide de répondre à la vilenie des hommes par un lumineux sourire d’autodétermination. Elle qui traverse une petite banda de village, se laisse gagner par l’émotion de la musique et disparaît dans la nuit – gaie mais pantelante –convaincue que la beauté du monde ne repose sur rien d’autre que sur sa liberté d’être. Et qu’est ­ elle sinon, telle Zerbinetta, la plus libre des femmes ?

LEES DIT ARTIKEL IN HET NEDERLANDS

In het hart van Ariadne auf Naxos bemiddelt de virtuoze clown Zerbinetta tussen farce en tragedie, tussen de vrije liefde en de pijn van verlatenheid. Camille De Rijck schetst haar als een erfgename van de grote vrouwelijke Mozartpersonages, heruitgevonden door een Richard Strauss in volle transformatie.

READ THIS ARTICLE IN ENGLISH

At the heart of Ariadne auf Naxos, the virtuoso clown Zerbinetta mediates between farce and tragedy, between free love and the pain of abandonment. Camille De Rijck portrays her as an heiress to the great female characters of Mozart, reinvented by a Richard Strauss in the midst of transformation.

De Thais-Britse componist Prach Boondiskulchok (Bangkok, 1985) kwam op zijn veertiende naar Groot-Brittannië om piano en compositie te studeren. Sindsdien heeft hij een opvallend oeuvre opgebouwd dat nu resulteert in de opera Burmese Days, een nieuw werk waarin veel artistieke en autobiografische lijnen samenkomen.

Tussen twee werelden

George Orwells Burmese Days als opera

Dramaturg en auteur Willem Bruls publiceerde over oriëntalisme in de opera, de muziekcultuur van Venetië en de muzikale geschiedenis van Aleppo. Hij werkt eveneens internationaal als productiedramaturg.

De opera is gebaseerd op de gelijknamige roman van George Orwell, voor het eerst verschenen in 1934. Wat sprak je daarin aan?

Daarvoor moeten we teruggaan naar mijn vroegste jeugd in Thailand. Op de staatsschool kregen we onderwijs in zowel Thaise als westerse klassieke muziek. Vanaf mijn jeugd tot nu heb ik het besef van die twee werelden altijd met me meegedragen. Als componist richt ik me erop om telkens tegelijkertijd op verschillende plekken te zijn. Als een Thai die in Europa werkt, word ik onwillekeurig steeds geconfronteerd met de vraag: wie ben ik en wat is mijn muziek? Het antwoord daarop is: altijd iets tussenin, vooruit en achteruit kijkend, oost en west, naar binnen en naar buiten gericht. Er zijn veel boeken geschreven over deze staat van bewustzijn maar toen ik tijdens een vakantie in Cambodja voor de eerste keer Burmese Days las, ging er in mijn hoofd een lichtje branden. Dit boek is het perfecte onderwerp voor een opera. Orwell kijkt naar het oosten met een westerse blik, maar eigenlijk zijn we allemaal buitenstaanders bij de geschiedenis van deze regio. Er is de laatste eeuwen zoveel veranderd. Je kunt je zelfs afvragen of een Thai of een Birmaan de geschiedenis van het pre ­koloniale Thailand of Myanmar beter kent dan wij. Interessant is hoe Orwell het personage van de Britse koloniaal John Flory uitwerkt, als iemand die deel is van het systeem maar er tegelijkertijd een kritische afstand tot heeft. Dat raakt aan de manier waarop ik de afgelopen tien jaar de muziek van Myanmar en Thailand heb onderzocht en hoe ik die vervolgens opneem in de zogenaamde klassieke muziektaal van mezelf. De roman geeft me de mogelijkheid om zaken uit te drukken waarmee ik al mijn hele leven bezig ben.

Hoe zou je de muziek van Myanmar of Thailand omschrijven?

Ik besef dat het een vreselijke veralgemening is, maar er zijn grofweg twee soorten muziek. Enerzijds dat wat we volksmuziek noemen – maar daar zijn er talloze verschillende vormen van in Myanmar en Thailand. En daarnaast is er ook de hofmuziek. Tussen de hoven van de Zuidoost ­Aziatische stadstaten vond een enorme uitwisseling plaats. Veel is trouwens oorspronkelijk afkomstig van de Balinese en Javaanse gamelanmuziek, die nog ouder is. Birmaanse muziek is gebaseerd op één centrale melodie, waar de andere instrumenten versieringen op maken. Die muziek is heel tastbaar, gebaseerd op de materialiteit van de instrumenten. Dubbelriet blaasinstrumenten zoals de pi of de hnè zijn het luidst

en leiden daarmee ook de melodie op een virtuoze manier. De combinatie van melodische percussie en zo’n instrument komt veel voor in de hele regio. Ik hoop dat het publiek mijn versie van deze melodieën en de bijzondere toonhoogten ervan zal kunnen ontdekken, in combinatie met mijn klassieke idioom.

Hoe verhoudt zich dat tot de zangstemmen?

Eigenlijk is het eerste antwoord hierop heel simpel: de stem verwoordt voor mij primair de tekst. De vijf zangers, die samen zeven rollen zingen, hebben hun eigen vocale traditie. U Po Kyin, de enorm ambitieuze Birmaanse magistraat die opgenomen wil worden in de Britse club, heeft een tamelijk virtuoze maar tegelijkertijd moderne stijl. Ma Hlay May, zangeres en de Birmaanse geliefde van John Flory, zingt in een stijl die dichter ligt bij de vocale tradities van Myanmar. Alle andere personages bevinden zich daartussenin.

Burmese Days is een vroege roman van George Orwell over Myanmar, en hij was er enige tijd ook zelf als koloniaal militair en politieagent gestationeerd. Is het hoofdpersonage een autobiografische spiegeling van Orwell zelf?

Wie de roman leest kan nauwelijks iets anders concluderen dan dat Flory Orwell is. Dat komt alleen al tot uiting in de artistieke gevoeligheid van het personage. Hij is kritisch over het Britse koloniale imperium, maar hij profiteert er ook van. Er heerst altijd een spanning bij de theoretische kritiek op een systeem waar je zelf medeschuldig aan bent. Dat is een orwelliaans thema. Flory is Orwell, maar ook jou en mij. We bevinden ons allemaal ergens in zo’n situatie. Persoonlijk identificeer ik mij echter veel meer met U Po Kyin. Hij wordt door Orwell neergezet als een lachwekkend en slecht personage, maar ik voel me dicht bij hem staan, misschien omdat ik in Europa ook een soort buitenstaander ben. We kunnen U Po Kyin niet veroordelen omdat het systeem mensen zoals hem produceert.

En hij wordt ook nog eens geconfronteerd met een buitenlandse bezetter.

Precies. We spreken geen morele oordelen uit. We proberen dat deel van de Birmaanse kosmos te laten zien zoals het is of was. We tonen geen postkoloniale kritiek op de Britse bezetting. Het gaat om de complexe elementen van een maatschappij en culturen die botsen, én de rijkdom die dat met zich meebrengt.

LISEZ LA VERSION FRANÇAISE

Entre deux mondes : le compositeur thaï-britannique

Prach Boondiskulchok à propos de Burmese Days, son nouvel opéra de chambre inspiré du roman éponyme de George Orwell, où s’entremêlent de nombreux fils artistiques et autobiographiques.

READ THIS ARTICLE IN ENGLISH

Between two worlds: the Thai-British composer Prach Boondiskulchok on Burmese Days, his new chamber opera inspired by the Orwell novel, in which many artistic and autobiographical threads come together.

There is much more to opera than opera.

Voor dit jonge talent wordt 2026 -27 een seizoen als geen ander Pour ces jeunes talents, la saison 2026 -27 sera

exceptionnelle

NL Via het Kinder- en jeugdkoor, de MM Academy en de Orchestra Academy biedt de Munt jonge zangers en musici ondersteuning op cruciale momenten in hun artistieke ontwikkeling. Voor vier van hen wacht er dit seizoen zo’n moment. Een reportage.

FR Les Chœurs d’enfants et de jeunes de la Monnaie, la MM Academy et l’Orchestra Academy apportent aide et soutien à de jeunes chanteurs·euses et musicien·nes à des moments charnière de leur carrière musicale. Pour quatre d’entre elles et eux, le moment est venu. Reportage.

NL

WAAR HET ALLEMAAL BEGINT

Wie op woensdagmiddag de muziekacademie van Oudergem binnenstapt, belandt in een levendige kakofonie van schuifelende voeten, toonladders en tussendoor meer dan één lachsalvo.

Nelson Smith (10) glijdt behendig een trapleuning af en stapt net op tijd het repetitielokaal binnen voor zijn volgende zangmoment. Voor hem breekt een bijzonder seizoen aan: hij staat voor het eerst op het podium met het Kinderkoor van de Munt. Zingen deed Nelson al zolang hij het zich kan herinneren. Omdat zijn zusje hem voorging bij het koor en dat vooral erg leuk vond, besloot hij om ook auditie te doen. Zijn eerste kennismaking met klassieke muziek bleek allesbehalve wat hij ervan verwacht had: “Ik dacht dat we de hele tijd in het Latijn zouden zingen,” lacht hij, “maar eigenlijk doen we van alles.”

Nelsons zangcarrière mag dan nog in haar kinderschoenen staan, stemtechnisch leert hij elke woensdagnamiddag bij: “Er gaat veel aandacht naar hoe ik sterker kan projecteren, hoe ik meer volume kan maken door mijn mond goed open te houden zodat de klank echt ver draagt.” Die tips komen niet alleen van de koorleider, maar ook van zijn vrienden. “Als we even niet moeten zingen, fluisteren we snel hoe we die volgende hoge noot gaan aanpakken. Dat maakt elke woensdag extra leuk.”

Dat het kinderkoor meer is dan een muzikale leerschool, kan Romane Monami (18) beamen. Net als Nelson sloot ze zich aan op haar tiende, maar volgend seizoen zwaait ze af bij het Jeugdkoor. Behalve aan de vele kerstconcerten, zeker die op het koninklijk paleis, bewaart ze warme herinneringen aan de producties Push, Solar en Snake, waaraan het voltallige Kinder ­ en jeugdkoor meewerkte. “Dat zijn intense periodes,” vertelt ze. “Wekenlang werk je samen, eet je samen, zing je samen en bouw je samen aan één voorstelling. Dat schept een band.”

Die verbondenheid voelt anders dan op school: “Hier krijg je als individu ruimte om jezelf te zijn, om fouten te maken. We zijn hier allemaal om te leren. In het begin durfde ik tijdens individuele zangcoachings nauwelijks te zingen. Gaandeweg heb ik mijn stem leren vertrouwen, en nu durf ik die ook te laten horen.” Ze hoeft maar naar haar rechte houding te verwijzen om die evolutie zichtbaar te maken. “De kleine Romane had waarschijnlijk nooit gedacht dat ze hier vandaag zo zou staan,” glimlacht ze.

Dat haar woensdagen er volgend seizoen anders zullen uitzien, stemt haar licht weemoedig. “Het zal zoeken worden naar een nieuwe manier om met muziek bezig te zijn. Maar ook dat hoort bij volwassen worden…”

FR LÀ OÙ TOUT A COMMENCÉ

En pénétrant le mercredi après-midi dans l’académie de musique d’Auderghem, on atterrit dans une joyeuse cacophonie de raclements de pieds et de jeunes voix en pleines vocalises, entrecoupée çà et là d’éclats de rire.

Nelson Smith (10 ans) glisse avec aisance sur la rampe d’escalier et entre pile à l’heure dans le local de répétition. Pour lui, la saison qui commence est particulière : l’année prochaine, il montera pour la première fois sur scène avec le Chœur d’enfants de la Monnaie.

D’aussi loin qu’il s’en souvienne, Nelson a toujours chanté. Le fait que sa sœur l’ait précédé au sein du chœur et, surtout, qu’elle ait eu l’air de bien s’y amuser lui a donné l’ultime impulsion pour qu’il se lance et passe une audition. Sa première rencontre avec la musique classique s’est avérée fort différente de ce à quoi il s’attendait : « Je croyais qu’on chanterait tout le temps en latin, mais en fait, on chante un peu de tout. »

La carrière de Nelson a beau n’en être qu’à ses débuts, il a déjà acquis de solides notions de technique vocale : « On travaille beaucoup sur la projection de la voix, comment lui donner plus de volume en gardant la bouche bien ouverte, pour que le son porte vraiment loin. » Ces enseignements ne lui viennent pas seulement du chef de chœur, mais aussi de ses camarades : « Dès qu’il y a un moment où on ne doit pas chanter, on chuchote pour voir comment attaquer la prochaine note aiguë. Cela rend les mercredis encore plus sympas », ajoute Nelson dans un sourire.

Romane Monami (18 ans) ne peut qu’approuver : « Le Chœur des enfants, c’est bien plus qu’une école de musique. » Comme Nelson, elle en a rejoint les rangs à l’âge de dix ans, et elle les quittera la saison qui vient pour le Chœur des jeunes de la Monnaie. Outre les nombreux concerts de Noël, en particulier ceux donnés au Palais Royal, elle garde des souvenirs ravis des productions pour la jeunesse Push, Solar et Snake, auxquelles les Chœurs d’enfants et de jeunes ont participé au grand complet. « Ce sont des périodes intenses, raconte ­t ­ elle, on travaille tous ensemble pendant des semaines : on mange ensemble, on chante ensemble, on construit le spectacle ensemble. Cela crée des liens. »

Des liens différents de ceux qui se nouent à l’école, souligne Romane. « Ici, chaque individu a la possibilité d’être lui­même, de faire des fautes. Nous sommes tous là pour apprendre. Au début, j’osais à peine chanter pendant les coachings individuels. Petit à petit, j’ai appris à faire confiance à ma voix, et aujourd’hui, j’ose la faire entendre. » Il n’y a qu’à voir sa posture, bien droite, pour constater cette évolution, fait ­ elle remarquer.

« La petite Romane n’aurait jamais cru que je me retrouverais un jour ici », affirme-t-elle tout sourire.

Mais à partir de la saison prochaine, ses mercredis ne seront plus les mêmes, et elle en ressent un peu de nostalgie. « Je vais devoir trouver une autre manière de pratiquer la musique. Mais c’est ça aussi, devenir adulte… »

NL TUSSEN OPLEIDING EN PODIUM

Een traject bij de Munt hoeft niet noodzakelijk te eindigen op je achttiende. Voor jonge zangers die aan een Belgisch conservatorium studeren en de sprong willen wagen naar een professionele carrière vormt de MM Academy een cruciale schakel. Via audities komen ze terecht in de Kooracademie, waarna ze eventueel kunnen doorgroeien van stagiair-koorzanger tot MM Soloist en uiteindelijk MM Laureate.

Leander Carlier (25) bewandelde dat pad en kijkt er nog altijd met dankbaarheid op terug. “Als academist sta je voor het eerst in een grote Muntproductie, gedragen door het niveau van de zangers rondom je. Als MM Soloist wordt de begeleiding gerichter: zanglessen op maat, taalcoachings, masterclasses, pianobegeleiding, auditietraining én podiumkansen, onder meer tijdens Concertini.” Het absolute kantelpunt volgde in 2023. “Mijn eerste solorol in een opera, Henry VIII. Het waren maar twee zinnen, maar ze staan voor altijd in mijn geheugen gegrift,” lacht hij.

In 2026 ­ 27 keert de bariton terug naar het Muntpodium in Wozzeck, Ariadne auf Naxos en als Pâris in Roméo et Juliette. Vooral dat laatste roldebuut beschouwt hij als de bekroning van een intens artistiek parcours. “Toen ik aan de MM Academy begon, wist ik niet wie ik was als zanger. Qua tessituur en repertoire voelde ik nog niet welke richting ik moest uitgaan. Samen met de coaches zochten we naar mijn stem, mijn kleur, en vooral het juiste repertoire waarmee ik aan de slag kan tijdens belangrijke internationale zang wedstrijden. Ik heb mijn artistieke identiteit grotendeels aan de Munt te danken.” Of dit seizoen ook de finale van de Elisabethwedstrijd lonkt? “Wie weet. Het zou alleszins een droom zijn om het beste van mezelf te geven onder de vleugels van het Muntorkest en Alain Altinoglu.”

FR ENTRE COURS ET SCÈNE

Les parcours à la Monnaie ne s’achèvent pas nécessairement à 18 ans. Pour les jeunes chanteuses et chanteurs qui étudient dans un conservatoire belge et qui souhaitent sauter le pas de la scène, la MM Academy est une étape décisive. Des auditions permettent d’entrer à l’Académie des chœurs de la Monnaie, après quoi on peut éventuellement passer du statut de stagiaire-choriste à celui de MM Soloist, et enfin de MM Laureate.

Leander Carlier (25 ans) a suivi ce chemin. Et quand il y repense, c’est toujours avec gratitude : « Quand on devient membre de la MM Academy, on se retrouve pour la première fois dans une grosse production de la Monnaie, porté par le niveau des choristes qui nous entourent. Une fois MM Soloist, on bénéficie d’un encadrement plus ciblé : cours de chant sur mesure, coachings linguistiques, master classes, accompagnement piano, entraînement aux auditions et occasions de se produire sur scène, notamment lors des Concertini. » Pour lui, le grand tournant a eu lieu en 2023 : « Mon premier rôle solo dans un spectacle lyrique, Henry VIII. Je n’avais que deux phrases à chanter, mais elles ne s’effaceront jamais de ma mémoire », explique Leander en riant. Le jeune baryton revient sur la scène de la Monnaie en 2026 ­ 27 dans Wozzeck, Ariadne auf Naxos et dans le rôle de Pâris dans Roméo et Juliette, pour lui le couronnement d’un parcours artistique intense : « Quand j’ai commencé à la MM Academy, je ne savais pas qui j’étais en tant que chanteur. Je ne sentais pas encore dans quelle direction je devais aller en matière de tessiture et de répertoire. Avec l’aide des coachs, j’ai cherché ma voix, mon timbre et surtout le répertoire approprié pour participer à d’importants concours internationaux. Mon identité artistique, je la dois entièrement à la Monnaie », conclut Leander. Et la finale du Concours Reine Élisabeth ? « Qui sait ! En tout cas, ce serait un rêve de pouvoir donner le meilleur de moi­même en compagnie de l’Orchestre symphonique de la Monnaie et d’Alain Altinoglu. »

VAN HET CONSERVATORIUM

NAAR DE PUPITER

Ook voor jong symfonisch geweld vormt de Munt een rijke leeromgeving. Binnen de Orchestra Academy, een educatief samenwerkingsproject met het Belgian National Orchestra, leren studenten van Belgische conservatoria het métier daar waar het ertoe doet: in de orkestbak.

Dit seizoen vertegenwoordigde trompettist Taro Roncalés (25), een Spaanse masterstudent uit de klas van Muntmuzikant Steven Devolder, het KASK Conservatorium Gent. “Spelen in het orkest van dit huis is een unieke ervaring,” vertelt hij. “Tijdens je opleiding ligt de focus vooral op het symfonische repertoire. In een operaorkest krijg je er meteen een hele reeks andere uitdagingen bij: je zit dichter bij je collega’s, moet voortdurend de balans binnen je sectie bewaken en je spel afstemmen op wat er op scène gebeurt. Die voortdurende wisselwerking met de zangers maakt het extra boeiend.”

Naast die intensieve praktijkervaring is er binnen de Orchestra Academy ook ruimte voor persoonlijke begeleiding. “Samen met Rudy Moercant, trompetsolist van het orkest, heb ik de partituren grondig voorbereid,” zegt Taro. “Ik werd meteen warm onthaald en voelde me gedragen door het hele orkest. Wat me vooral verbaasde, was hoe voorbereid iedereen is en hoe snel je met zo’n discipline samen tot een hoog niveau komt. Iets om mee te nemen gedurende de rest van mijn carrière.”

Die zal een vlucht nemen tijdens het nieuwe seizoen, dat voor Taro in het teken zal staan van audities bij professionele orkesten. “De Orchestra Academy is meer dan een mooie lijn op mijn cv. Ik kreeg ook actieve auditietraining, waarin ik in acht sessies niet alleen technisch veel bijleerde, maar ook mentaal: hoe je gefocust en gecontroleerd aan zo’n momentopname begint. Hopelijk mondt dat binnenkort uit in een geslaagd orkestexamen.”

FR DU CONSERVATOIRE AU PUPITRE

Dans le domaine symphonique aussi, la Monnaie offre un cadre d’apprentissage fécond aux jeunes forces vives. L’Orchestra Academy, projet de coopération pédagogique avec le Belgian National Orchestra, donne la possibilité à des étudiants de conservatoires belges d’apprendre le métier là où il se passe, c’est-à-dire dans la fosse d’orchestre.

Cette saison, le trompettiste espagnol Taro Roncalés (25 ans), étudiant en master dans la classe de Steven Devolder – musicien de la Monnaie – représente le Conservatoire de Gand. « Jouer dans l’orchestre de cette maison est une expérience unique, explique ­til. Alors que notre formation est principalement axée sur le répertoire symphonique, dans un orchestre d’opéra, on se retrouve tout de suite face à plein d’autres défis : on est assis plus près de ses collègues, il faut constamment être attentif à l’équilibre à l’intérieur de sa section et aligner son jeu sur ce qui se passe sur scène. L’interaction permanente avec les chanteurs est particulièrement passionnante. »

Outre une expérience et une pratique intensive, l’Orchestra Academy propose un encadrement personnalisé. « J’ai préparé en profondeur les partitions avec l’aide de Rudy Moercant, trompettiste solo de l’orchestre, raconte Taro. J’ai tout de suite été accueilli à bras ouverts, et je me suis senti porté par tout l’orchestre. Ce qui m’a le plus étonné, c’est de voir à quel point tout le monde est préparé et combien cette discipline permet de parvenir rapidement à un haut niveau. C’est quelque chose qui me servira pendant toute ma carrière. »

Celle ­ ci prendra son essor pendant la saison 2026 ­ 27, car Taro passera plusieurs auditions pour des orchestres professionnels. « L’Orchestra Academy, ce n’est pas qu’une belle ligne sur mon cv ; j’ai aussi bénéficié d’un entraînement aux auditions. Pendant huit séances, j’ai non seulement amélioré mes compétences techniques, mais aussi mon mental : comment aborder avec concentration et contrôle ces moments très courts. J’espère que cela débouchera prochainement sur un examen d’orchestre couronné de succès. » INFO MM ACADEMY academy@demunt.be academy@lamonnaie.be Met de steun van / Avec le soutien de BNP PARIBAS FORTIS

NL Het is zaterdag, het is middag en het is beslist: vandaag zet ik mijn eerste stappen… in de opera! Als eerste kennismaking koos ik voor een rondleiding met een specifiek parcours: ‘Ontdek de Munt’.

FR Aujourd’hui nous sommes samedi, il est midi, et c’est décidé : je fais mes premiers pas… à l’opéra ! Pour cette première approche, j’ai choisi de suivre une visite guidée, un parcours dédié : « Découvrez la Monnaie ».

Een wonderlijk labyrint Un merveilleux dédale

NL Plaats van afspraak is de Leopoldstraat 23, bij de ingang van de Ateliers van de Munt, in hartje Brussel. Druppelsgewijs komen de geïnteresseerden toegestroomd en verdelen zich per taalgroep. Het is een bont gezelschap van koppels, enkele gezinnen en vriendengroepjes, maar ook mensen die alleen zijn gekomen, zoals ik. Er weerklinken vreemde tongvallen, stemmen van nieuwkomers die zich recent in Brussel vestigden, maar ook van geboren en getogen brusseleirs. In een hartelijke en ontspannen sfeer maken we kennis met elkaar.

Wanneer onze gids met een stralende glimlach opdaagt, wordt ze door ons groepje van intussen 25 man enthousiast onthaald en gaan we op pad. De rondleiding start buiten, tegenover de schouwburg. Terwijl we meer vernemen over de oorsprong van het gebouw in 1700, de verbouwingen onder het bewind van Napoleon en de soms gewaagde berekeningen van de plaatselijke architect Joseph Poelaert, wordt elk detail door gsm’s en fototoestellen vereeuwigd. Onder het wegdek, zo krijgen we te horen, ligt een tunnel die sinds enkele jaren de ateliers met de schouwburg verbindt, zodat de decors en kostuums makkelijk kunnen worden vervoerd. Tijdens de graafwerken kwamen verrassingen aan het licht: er werden, naast heel wat asbest, graven van het voormalige nabijgelegen dominicanenklooster gevonden, en zelfs een bank kluis. Onze gids haalt ook een stichtingsverhaal aan, want het was hier, na afloop van een voorstelling van La Muette de Portici van Daniel­François ­Esprit Auber, dat de Belgische revolutie uitbrak.

Vervolgens worden we naar de artiesteningang geleid waar we, eenmaal voorbij de beveiligde deur, in een rij achter elkaar aan tot onder het podium lopen. In een doolhof van gangen bezoeken we de

kleedkamers van de orkestmusici en de nissen waar de grootste instrumenten worden opgeslagen. Van daaruit belanden we bij de vestiaires en vervolgens in de grote inkomhal waar de kunstwerken van Sol LeWitt en Sam Francis mooi contrasteren met de historische architectuur. Vervolgens nemen we de eretrappen naar de hoger gelegen verdiepingen: tussen het marmer, de verguldsels en de symbolistische fresco’s van Emile Fabry die elk bordes verfraaien, strekken de halzen zich uit en draaien de hoofden in alle richtingen: er is zo veel te zien!

Wanneer we de Grote Foyer binnentreden, een kleinere versie van de Spiegelzaal van het kasteel van Versailles, voelen we de geschiedenis van deze plek. Misschien spoken door deze ruimte nog steeds de klanken van de kamermuziek die hier zelfs al ten tijde van Napoleon III werd gespeeld. Na een omweg langs het Koninklijk Salon en vervolgens de Koninklijke Loge, die al een glimp laat zien van de duizelingwekkende grandeur van de Grote Zaal, nemen we plaats op het eerste balkon. Van daaruit kunnen we niet alleen de koepel en de imposante kroonluchter van Boheems kristal bewonderen, maar ontdekken we ook de decors van een productie die in voorbereiding is.

Onze gids vertelt over de eerste verlichting met kaarsen, de komst van elektriciteit in 1887, de evolutie van de podiumtechnieken en de voorstellingen die hun stempel hebben gedrukt op de recente geschiedenis van de Munt. Zonder dat we het beseften, is de tijd voorbijgevlogen. Aan het einde van het bezoek leeft bij iedereen hetzelfde gevoel: de zin om binnenkort naar deze plek terug te keren, de lichten te zien doven en de muziek haar magie te laten voltrekken…

FR Le rendez-vous est fixé au 23, rue Léopold, à l’entrée des Ateliers, en plein centre de Bruxelles. Les personnes arrivent peu à peu et se répartissent selon les groupes linguistiques. Le public est varié : des couples, quelques familles, des petits groupes d’ami·es, mais aussi des personnes venues seules, comme moi. On entend des accents venus d’ailleurs, ceux de personnes récemment installées à Bruxelles, et d’autres, bien ancrés, typiquement bruxellois. Dans une ambiance chaleureuse et détendue, nous faisons connaissance, en attendant le ou la guide.

Notre petite troupe, déjà bien animée avec ses 25 membres, accueille la présence souriante et lumineuse de la guide, et nous partons enfin. La visite commence à l’extérieur, face au Théâtre. Les appareils photos immortalisent chaque détail tandis que l’on retrace l’histoire du bâtiment : sa construction au début du XVIIIe siècle, ses transformations sous Napoléon, et les calculs parfois hasardeux de l’architecte Joseph Poelaert. Sous nos pieds, apprend­ on, se cache un tunnel creusé récemment pour relier les Ateliers au Théâtre et permettre le transport des décors et des costumes. Les travaux ont révélé quelques surprises : de l’amiante, des tombes de l’ancien couvent dominicain voisin, et même un coffre ­fort. La guide évoque aussi un épisode fondateur : c’est ici, à la sortie d’une représentation de La Muette de Portici de Daniel­François ­Esprit Auber, qu’a débuté la révolution belge.

Nous rejoignons ensuite l’entrée des artistes où, après avoir franchi une porte sécurisée, nous avançons en file indienne jusque sous la scène. Dans un dédale de couloirs, nous visitons les loges des musiciennes et musiciens de l’orchestre, et les alcôves où sont entreposés les plus gros instruments. De là, nous gagnons les vestiaires, puis le hall d’entrée principal, où les œuvres de Sol LeWitt et de Sam Francis contrastent avec l’architecture historique. Les escaliers d’honneur que nous empruntons ensuite rythment la progression : entre marbre, dorures et fresques symbolistes d’Émile Fabry qui ornent chaque palier, les cous se tendent et les têtes se tournent de tous côtés : il y a tant à admirer !

En franchissant le seuil du Grand Foyer, version réduite de la Galerie des Glaces du château de Versailles, l’histoire du lieu nous saisit sans tarder. Les échos de la musique de chambre, jouée ici à l’époque de Napoléon III, semblent encore vibrer jusque dans le bois du plancher. Après un détour par le Salon Royal, puis par la loge ancestrale des souverains qui laisse déjà entrevoir la grandeur vertigineuse de la Grande Salle, nous prenons place au premier balcon. De là, nous pouvons non seulement admirer la coupole et son imposant lustre en cristal de Bohème, mais aussi découvrir les décors d’une production en cours de préparation.

Notre guide évoque les premiers éclairages à la bougie, l’arrivée de l’électricité en 1887, l’évolution des technologies utilisées dans les coulisses, ainsi que les spectacles qui ont marqué l’histoire récente de la Monnaie. Le temps a filé sans qu’on s’en rende compte.

À la fin de la visite, un même souhait circule dans le groupe : l’envie de revenir ici­même, que les lumières s’éteignent et que la musique règne. En quittant les lieux, c’est une promesse silencieuse que nous partageons : nous reviendrons à l’opéra !

Zin om zelf een rondleiding bij te wonen?

Elke zaterdagmiddag tussen september en juni kan je om 12 uur het theater of de ateliers bezoeken. Aparte groepsreserveringen zijn eveneens mogelijk.

Envie de prendre part à une visite guidée ?

Chaque samedi à 12 heures, de septembre à juin, vous pouvez visiter le Théâtre ou les Ateliers. Il est possible de réserver séparément pour les groupes.

INFO & TICKETS rondleidingen@demunt.be visitesguidees@lamonnaie.be

“Elke workshop geeft me energie voor een hele week!”
« Chaque atelier me donne de l’énergie pour toute la semaine ! »

NL Twee gepassioneerde amateurzangers vertellen over hun ervaring met het sociaal programma van de Munt.

FR Deux chanteurs amateurs passionnés partagent leur expérience au sein de notre programme social.

“

Om mee te doen, moet je gewoon van zingen houden!”

Atiye (‘Christine’) Aydin

NL Christine is van Aramese oorsprong en kwam 45 jaar geleden naar België. “Ik had mezelf beloofd om ooit dat prachtige gebouw aan het Muntplein te bezoeken,” vertelt ze. “Acht jaar geleden was het eindelijk zover, dankzij een rondleiding die georganiseerd werd door Vie féminine” (een vzw die zich inzet voor vrouwenrechten).

Diezelfde dag vonden toevallig de zangworkshops van ‘Een brug’ plaats en enkele mensen waren koffie aan het drinken tussen twee zangsessies door.

“Daar maakte ik kennis met Mirjam, die me over het programma vertelde en me uitnodigde om deel te nemen aan een workshop.”

En zo begon het avontuur. Christine schreef zich in voor drie workshops: Franse chansons, wereldlied en gospel. Omdat ze als oudste kind al op jonge leeftijd de zorg voor haar acht broertjes en zusjes moest opnemen, kreeg Christine niet de kans om

naar school te gaan. Daardoor kan ze niet schrijven en amper lezen. Maar dat weerhoudt haar niet: “Om aan de workshops mee te doen, moet je gewoon van zingen houden!” Ze leert de teksten uit het hoofd, ongeacht de taal, en gaat op de eerste rij zitten, om de lippen van de repetitoren te kunnen lezen.

“Zingen brengt me vreugde, zelfvertrouwen en geduld. Het is een kostbaar moment, een cadeautje voor mezelf. Ik kijk echt uit naar elke workshop: die geeft me energie voor de hele week!” Ze geniet ook van haar deelname aan de jaarlijkse concerten, vaak met familieleden onder het publiek: “Ze waren zo blij! En ze begrepen wat ik zo leuk vind aan die zangworkshops.”

Twee jaar geleden benaderde Mirjam Christine met het voorstel om vrijwilliger te worden, een missie die ze nu met enthousiasme en toewijding volbrengt.

« Il faut juste aimer chanter pour participer ! »

Atiye (‘Christine’) Aydin

FR D’origine araméenne, Christine est arrivée en Belgique il y a quarante ­ cinq ans. « Je m’étais toujours promis de visiter ce grand bâtiment magnifique sur la place de la Monnaie. Il y a huit ans, à l’occasion d’une visite organisée par Vie féminine (une association engagée dans la défense des droits des femmes), j’ai enfin pu en franchir les portes. » Ce jour ­là se tiennent justement les ateliers de chant du Pont, et de nombreuses personnes prennent un café entre deux sessions de chant. « J’ai fait la rencontre de Mirjam Zomersztajn, qui m’a parlé du programme, et qui m’a invitée à rejoindre un atelier. »

Ainsi débute l’aventure : elle s’inscrit à trois ateliers – chanson française, chants du monde et gospel. Christine n’a pas eu la possibilité d’aller à l’école – très jeune elle s’est occupée de sa fratrie, composée de neuf enfants dont elle était l’aînée – et elle ne sait pas écrire et juste un peu lire, mais ça ne la freine pas : « Il faut juste aimer chanter pour participer aux ateliers ! » Elle mémorise donc les paroles, quelle que soit la langue, et se place au premier rang pour lire sur les lèvres des chefs de chant.

« Le chant m’apporte de la joie, de la confiance en moi, de la patience. C’est un moment précieux, rien que pour moi. J’attends vraiment ce jour : il me donne de l’énergie pour toute la semaine ! » Elle mentionne aussi sa participation aux concerts annuels, avec souvent des membres de sa famille parmi le public : « Ils étaient si contents ! Et ils ont compris ce qui me plaît tellement dans ces ateliers de chant. »

Il y a deux ans, Mirjam a proposé à Christine de devenir bénévole, une mission qu’elle exerce avec enthousiasme et dévouement.

“De koorsessies bieden ademruimte in dit gesloten bestaan.”
Frank

NL Frank leerde ‘Een brug tussen twee werelden’ kennen in de Centrale gevangenis van Leuven. Daar vinden van oktober tot juni wekelijks zangworkshops plaats, waar gedetineerden twee uur lang samen zingen onder leiding van een professionele koordirigent. Voor hem zijn deze momenten een poort naar de wereld buiten zijn vier muren: “Al tijdens mijn leven als vrije burger had ik een grote voorliefde voor klassieke koorwerken en opera. Toen het sociaal programma van de Munt hier voor het eerst workshops en concerten kwam organiseren, ondertussen al 26 jaar geleden, stond ik op de eerste rij om deel te nemen. Na een uitgebreide stemopwarming werken we met een diverse groep zangers aan een aantal nummers. Ik geniet er enorm van om me te verdiepen in bekende aria’s als Puccini’s “O mio babbino caro”, Handels “Lascia ch’io pianga” of het slavenkoor uit Verdi’s Nabucco. Maar we beperken ons niet tot opera: hiphop, schlagernummers en Afrikaanse volksliederen – ze passeren allemaal de revue. Behalve een muzikale verrijking bieden de ateliers dan ook telkens een open blik op de maatschappij en een warme ontmoetingsplek. Van een geboren en getogen West ­Vlaming tot een Antwerpenaar met een Ethiopische achtergrond: ik ontmoet er wekelijks mensen en culturen met wie ik anders nooit in contact zou komen en over wie ik vroeger zelfs vooroordelen had. De koorsessies bieden ademruimte in dit gesloten bestaan, en dat mag je gerust letterlijk nemen: door mijn stem te gebruiken en te ontwikkelen, voel ik me vrijer.”

« Les séances de chant apportent un espace de respiration dans cette existence enfermée. »

FR C’est à la prison centrale de Louvain que Frank a découvert « Un pont entre deux mondes ». Des ateliers de chant y sont organisés chaque semaine d’octobre à juin, offrant la possibilité aux détenus de chanter pendant deux heures sous la direction d’un chef de chœur professionnel. Pour lui, ces moments de chant collectif sont une porte vers le monde extérieur, au­ delà de ses quatre murs : « Déjà dans ma vie de citoyen libre, j’aimais particulièrement les œuvres chorales classiques et l’opéra. Alors, quand le programme social de la Monnaie est venu organiser des ateliers et des concerts ici, il y a 26 ans maintenant, j’étais au premier rang pour y participer. Après un solide échauffement vocal, on travaille plusieurs morceaux avec un groupe, assez diversifié, de chanteurs. J’ai adoré me plonger dans l’étude d’airs célèbres, comme ‘O mio babbino caro’ de Puccini, ‘Lascia ch’io pianga’ de Haendel ou le chœur des esclaves dans Nabucco de Verdi. Mais on ne se limite pas à l’opéra : hip ­hop, tubes ou chansons populaires africaines, tout y passe. En plus d’un enrichissement sur le plan musical, ces ateliers offrent aussi un regard ouvert sur la société et un lieu de rencontre chaleureux. Que ce soit un pur produit de la Flandre occidentale ou un Anversois d’origine éthiopienne, je rencontre chaque semaine des gens et des cultures avec lesquels je n’aurais jamais été en contact sans cela, et contre lesquels j’aurais même eu des préjugés. Ces séances de chant apportent un espace de respiration dans cette existence enfermée, presque littéralement, parce qu’utiliser et développer ma voix me permet de me sentir plus libre. »

INFO

eenbrugtussentweewerelden@demunt.be unpontentredeuxmondes@lamonnaie.be

NL Het sociaal programma van de Munt maakt de wereld van muziek, zang en opera toegankelijker voor kwetsbare publieksgroepen. Daartoe bieden we een hele reeks activiteiten aan, waaronder 20 wekelijkse koorzangateliers in de Munt, in rusthuizen van het OCMW en in gevangenissen.

Elk seizoen worden 5000 gratis tickets uitgedeeld aan kwetsbare groepen uit de sociale sector, terwijl we ook kamermuziekconcerten en recitals op maat voorstellen in de Munt zelf, in rust- en buurthuizen van het OCMW en in gevangenissen.

Wij danken de publieke en private partners die ons met hun gulle steun in staat stellen om dit sociaal programma voort te zetten. /

Nous remercions les partenaires publics et privés dont le généreux soutien nous permet de poursuivre notre programme social.

MAECENAS

M. et Mme Xavier Bedoret

M. Rodolphe Dulait

M. et Mme Michel Peterbroeck

Mme Christa Schleussner

Dhr. en Mevr. Leo en Diana Van Tuyckom–Taets

M. Phil é mon Wachtelaer

Dhr. Hans Vossen

Dhr. Robert Zü rcher & Opera Lovers

En andere anonieme schenkers. / Et d’autres donateurs anonymes.

FR Le programme social de la Monnaie vise à favoriser l’accès à la musique, au chant et à l’opéra pour les publics fragilisés. À cette fin, un ensemble d’actions concrètes est déployé, parmi lesquelles l’organisation hebdomadaire de vingt ateliers de chant, qui ont lieu à la Monnaie ou au sein de maisons de repos des CPAS et dans des établissements pénitentiaires. Chaque saison, près de 5 000 tickets gratuits sont également distribués à des groupes précarisés du secteur social, tandis que des concerts de musique de chambre et des récitals sur mesure sont proposés à la Monnaie et dans différents lieux partenaires, tels que des maisons de repos et des maisons de quartier des CPAS, ainsi que dans des prisons.

BUILDING BRIDGES

CAVALLERIA RUSTICANA

PIETRO MASCAGNI

PAGLIACCI

RUGGERO LEONCAVALLO

11.3.2027 14:00

De Munt laat scholieren tegen een extra voordelig tarief kennismaken met Cavalleria rusticana & Pagliacci, en kwetsbare groepen uit de sociale sector zelfs helemaal gratis.

La Monnaie invite les écoles à découvrir Cavalleria rusticana & Pagliacci à un tarif avantageux, et gratuitement pour les groupes précarisés du secteur social.

Chœur Cassandra Koor

INTERVIEW

LAURENCE RENSON

Koorleidster / Cheffe de chœur

NL Wie zingt mee in het Chœur Cassandra Koor?

Het koor telt 90 vaste leden en is intergenerationeel samengesteld, met leden van 22 tot 78 jaar oud. Je vindt er zowel mensen die voordien alleen onder de douche zongen als professionele muzikanten, maar allemaal hebben ze één iets gemeen: een groot engagement. Of het nu gaat om de bescherming van het milieu of maatschappelijke kwesties zoals de rechten van vrouwen, migranten of genderminderheden: we vieren diversiteit in al haar vormen.

Is iedereen welkom?

Ja, je hoeft alleen maar een mailtje te sturen naar Marie-Caroline Lefin, die het project beheert binnen het team Audience Engagement van de Munt (m-c.lefin@demunt.be). We organiseren regelmatig audities.

Hoe worden de repetities georganiseerd?

We zien elkaar elke week (momenteel op maandagen) van 19 tot 21 uur in de Ateliers van de Munt. Voorafgaand aan de repetities worden er ook facultatieve werksessies per stemgroep georganiseerd – de tenoren samen, de sopranen samen enzovoort – om te focussen op de moeilijkere passages. De meer ervaren leden ondersteunen dan de zangers die geen noten kunnen lezen. We stellen ook audiobestanden ter beschikking om het instuderen te vergemakkelijken.

Wie vraagt jullie voor concerten?

De Munt vraagt ons om op te treden bij verschillende evenementen (persconferenties, festivals) of in de marge van opera’s die zich daar bijzonder toe lenen, zoals Cassandra , The Time of Our Singing of Medusa . Maar we hebben ook samenwerkingsverbanden met Bozar en KVS, of bijvoorbeeld het festival Echo for Peace waarvoor componist en voormalig Muntdirecteur Bernard Foccroulle ons heeft uitgenodigd… Het is in die zin ook een manier om banden te smeden tussen verschillende culturele instellingen. Daarnaast nemen we de vrijheid om te zingen tijdens grote betogingen ter ondersteuning van het klimaat of andere thema’s die ons na aan het hart liggen. Iedereen is vrij om deel te nemen op basis van zijn of haar beschikbaarheid en vooral op basis van zijn of haar gevoeligheden.

Hoe kiezen jullie het repertoire?

Dat wordt hoofdzakelijk door mij gestuurd. Toen het koor werd opgericht, ter gelegenheid van de opera Cassandra , verdedigden we vooral ecologische waarden met liederen over het klimaat, milieuvervuiling en het uitsterven van diersoorten. Vanaf het tweede jaar werd het repertoire diverser. Ik verzamel nieuwe partituren die vaak weinig gezongen worden maar sterke thema’s aankaarten. Daarvoor ben ik geabonneerd op verschillende nieuwsbrieven over koorzang en bezoek ik regelmatig muziekbibliotheken, zoals het Centre d’Art Vocal et de Musique Ancienne in Namen. Daarnaast wisselen we op sociale media partituren uit tussen koorleiders. Een groot deel van de stukken komt uit het Angelsaksische repertoire. Het Canadese Cypress Choral, bijvoorbeeld, is zeer actief op dat vlak en besteedt veel aandacht aan composities van de First Nations. Dat sluit ook aan bij de waarden die wij verdedigen: die van volkeren van wie het land is gestolen en de cultuur is uitgewist, maar die niet opgeven en hun stem laten horen… Ik vind dat brandend actueel.

Zingen jullie ook popmuziek?

Ja! Ik werk ook samen met enkele liedbewerkers, zoals Marie ­Eve Ronveaux en Olivier Bilquin. We zongen al vier ­ of vijfstemmige versies van Respire van Mickey 3D en Vert de colère van

Pierre Perret. Binnenkort volgt Masculinity van Lucky Love… Die diversiteit aan stijlen is een essentieel kenmerk van ons koor: we gaan van Verdi’s “Va, pensiero” naar Franse chansons, reggae, pop of hedendaagse werken.

Wat zijn je mooiste herinneringen sinds de oprichting van het Chœur Cassandra Koor?

Persoonlijk vond ik onze deelname aan de voorstelling Hannibal in KVS geweldig. Die eindigde met een a capella lied – een echt kippenvelmoment. Recenter hebben we feministisch repertoire uitgevoerd tijdens een avond in het teken van geweld tegen vrouwen, georganiseerd op het stadhuis van Brussel. Zingen in deze prachtige zaal, met haar houten ornamenten en een geweldige akoestiek, was erg ontroerend.

Wat willen jullie nog bereiken met het koor?

We zouden graag de Arabische zangcultuur verkennen, een muzikale traditie die vooral monodisch is en door instrumenten wordt begeleid. Dit vraagt om creatievelingen die in staat zijn om zulke liederen aan te passen naar een polyfone versie – de oproep is bij dezen gelanceerd… We willen niet ophouden met onze stem te laten horen. De samenleving neemt een verontrustende wending. Overal ter wereld verhardt de toon. Meer dan ooit moeten we door middel van zang onze waarden verdedigen en zo breed mogelijk delen. Dat is de missie van het Chœur Cassandra Koor!

FR Qui sont les membres du Chœur Cassandra Koor ?

Le chœur compte 90 membres fixes. C’est un groupe intergénérationnel, réunissant des choristes âgés de 22 ans à 78 ans. On y trouve aussi bien des personnes qui chantaient exclusivement sous la douche que des musicien·nes professionnel·les. Bien sûr, tous nos membres sont animés d’un esprit militant, qu’il s’agisse de la défense de l’environnement ou d’autres causes sociétales comme les droits des femmes, des migrant·es, des minorités sexuelles ou de genre… On aspire, en tout cas, à cultiver toujours plus de diversité.

Vous accueillez tout le monde ?

Oui, il suffit d’écrire à Marie-Caroline Lefin, qui gère le projet au sein de l’équipe « Audience Engagement » de la Monnaie (m-c.lefin@lamonnaie.be).

Nous organisons régulièrement des auditions.

Comment s’organisent les répétitions ?

On se voit toutes les semaines (pour le moment, les lundis) de 19h à 21h, dans les Ateliers de la Monnaie. Avant les répétitions, des séances de travail facultatives s’organisent également par pupitre – les ténors ensemble, les sopranos ensemble, et ainsi de suite – pour pouvoir se concentrer sur les passages plus difficiles. Les membres plus expérimenté∙es peuvent aider celles et ceux qui ne lisent pas la musique. Nous mettons aussi à disposition des fichiers audios pour faciliter l’apprentissage.

Qui vous contacte pour des concerts ?

La Monnaie nous sollicite pour des prestations dans le cadre d’événements divers (conférences de presse, festivals), ou dans le cadre de la programmation, quand l’opéra s’y prête, comme c’était le cas pour Cassandra , The Time of Our Singing, ou Medusa . Mais nous avons aussi des partenariats avec Bozar, le KVS… Bernard Foccroulle nous a invité·es au festival Echo for Peace. C’est donc une façon de créer des liens entre diverses institutions culturelles. Et puis, nous prenons la liberté de chanter en soutien au climat, ou à d’autres causes qui nous tiennent à cœur, lors de grandes mobilisations. Chacun·e est libre de participer en fonction de ses disponibilités et, surtout, de sa sensibilité.

Comment choisissez-vous le répertoire que vous interprétez ?

Le choix me revient principalement. Lors de la création du chœur, en marge de l’opéra Cassandra , nous défendions avant tout des valeurs environnementales, à travers des chants abordant la question du climat, de la pollution, de la disparition des espèces animales. Dès la deuxième année, cela s’est diversifié. Je glane beaucoup de nouvelles partitions, souvent peu chantées, mais portées par des

thématiques fortes. Je suis abonnée à plusieurs newsletters dédiées au chant choral, je fréquente des bibliothèques musicales, notamment celle du Centre d’Art Vocal et de Musique Ancienne à Namur, qui offre un large choix. Et puis, sur les réseaux sociaux, on s’échange des partitions entre chef·fes de chœurs. Une grande partie des morceaux provient du répertoire anglo ­ saxon. La Cypress Choral, au Canada, est très active dans ses publications de partitions, accordant une place importante aux compositions issues des Premières Nations. Cela fait écho aux valeurs que nous défendons : celles de peuples dont on a volé la terre, effacé la culture, mais qui continuent à faire entendre leur voix… Je trouve que cette résonance est d’une actualité brûlante.

Chantez-vous aussi des chansons populaires ?

Oui ! Je suis également en lien avec plusieurs harmonisateur·rices, comme Marie ­Eve Ronveaux et Olivier Bilquin. Nous avons déjà interprété, à quatre ou à cinq voix, Respire de Mickey 3D, Vert de colère de Pierre Perret et bientôt Masculinity de Lucky Love… Cette diversité de styles est une vraie spécificité de notre chœur : nous passons du « Va, pensiero » de Verdi à la chanson française, au reggae, à la pop ou à des œuvres contemporaines. C’est très jubilatoire !

Quels sont vos plus beaux souvenirs depuis la création du Chœur Cassandre Koor ?

Personnellement, j’ai adoré notre participation au spectacle Hannibal , au KVS, qui se terminait par un chant a cappella – un moment qui donnait la chair de poule. Plus récemment, nous avons interprété un répertoire féministe lors d’une soirée contre les violences faites aux femmes, organisée à l’Hôtel de Ville de Bruxelles. Chanter dans cette magnifique salle, ornée de boiseries favorisant une formidable acoustique, a été très émouvant.

Quelles sont vos envies pour l’avenir du chœur ?

Nous aimerions explorer le chant arabe. Cette tradition musicale, plutôt monodique et accompagnée d’instruments, nécessite des personnes capables d’adapter ces chants en version polyphonique – l’appel est donc lancé… Et aussi continuer à nous faire entendre. La société prend un tournant inquiétant. Les discours se durcissent, partout dans le monde. Plus que jamais, il est nécessaire de défendre nos valeurs par le chant et de les partager le plus largement possible. C’est là toute la mission du Chœur Cassandra Koor !

INFO & AGENDA / CALENDRIER

m-c.lefin@demunt.be

m-c.lefin@lamonnaie.be

De verhalen achter de cijfers

Derrière les chiffres : les histoires

NL Opera, enkel voor volwassenen? Niet in de Munt. In het seizoen 2025-26 maakten zo’n 12 000 kinderen en jongeren via hun school kennis met ons huis. Ze zongen, experimenteerden, namen een kijkje achter de schermen en kwamen – vaak voor het eerst – in een echte operazaal. Workshops, rondleidingen en voorstellingen vormen samen een educatief aanbod waarmee de Munt zich nadrukkelijk positioneert als een partner van het onderwijs. Samen met coördinatoren Bérangère Martin en Carolien De Schrijver duiken we in de cijfers van onze scholenwerking en de verhalen die erachter schuilgaan.

FR L’opéra, une affaire d’adultes ? Pas à la Monnaie ! Au cours de la saison 2025-26, 12 000 enfants et adolescent·es ont fait connaissance avec notre maison dans le cadre scolaire. Ils et elles ont chanté, exploré la scène et les coulisses, et se sont assis – souvent pour la première fois – dans une vraie salle d’opéra. Ateliers, visites guidées et représentations composent l’offre éducative grâce à laquelle la Monnaie s’affirme résolument comme un partenaire de l’enseignement. Avec les coordinatrices

Bérangère Martin et Carolien De Schrijver, penchons-nous sur les statistiques de notre travail avec les écoles et dans les histoires qui se cachent derrière ces chiffres.

3

630

jongeren namen deel aan workshops jeunes ont participé à nos ateliers

NL Zingen, toneelspelen, ritmes voelen, emoties verklanken: opera is een kunstvorm waarin verrassend veel samenkomt. Ideaal om in de klas mee aan de slag te gaan. Via workshops op school maken kinderen uit de eerste en tweede graad basisonderwijs kennis met opera, meestal als voorbereiding op een voorstelling die ze later in het seizoen bijwonen in de Munt. “Zonder te veel prijs te geven over wat ze precies zullen zien, geven we kinderen een kader,” vertelt Carolien. “We zingen liedjes, oefenen ritmes en laten hen ervaren wat muziek bij je kan teweegbrengen. Niet elk kind krijgt de kans om met opera en klassieke muziek in aanraking te komen. Daarom is het zo belangrijk om dat eerste kleine zaadje te planten via de scholen.”

Vanaf de derde graad van het basisonderwijs worden kinderen uitgenodigd om ook eens in de Munt te komen experimenteren met het operavak. Tijdens de workshop Opera Challenge worden ze uitgedaagd om zelf aan de slag te gaan en een opera in elkaar te boksen, terwijl middelbare scholieren dan weer creatief leren werken met hun eigen stem in een les Sing it Out!. De culturele zelfontwikkeling van de jongeren staat voorop, en dat vanuit een grote aandacht voor de leerdoelen, benadrukt Bérangère: “In het Franstalige onderwijs werd er met het PECA (Parcours d’Education Culturelle et Artistique) een hervorming doorgevoerd waarbij kunstvakken, net als wiskunde en talen, in specifieke eindtermen worden geformuleerd, als handvat voor de leerkrachten. Zo moeten leerlingen bijvoorbeeld ook kennismaken met bepaalde muzikale skills, zoals ritme, zang of luistervaardigheid, en dat is iets waar niet elke leraar zich even comfortabel bij voelt. Ons aanbod komt hun daarin tegemoet, op een hele concrete manier: als je deze workshop volgt, bereik je die PECA­ doelen.”

Ook aan Nederlandstalige kant is die ondersteunende rol cruciaal. “Wij willen scholen begeleiden in een context waarin muzische vorming steeds minder vanzelfsprekend is,” vult Carolien aan. “Leerkrachten krijgen vandaag ongelooflijk veel verantwoordelijkheden, terwijl grote maatschappelijke problemen zich steeds nadrukkelijker binnen de klasmuren laten voelen. Onder die druk valt kunst vaak als eerste weg in het lessenschema.” Net daarom is het belangrijk dat de Munt haar educatieve rol voluit kan blijven opnemen: “Wij hebben de luxe om ons volledig op het stukje cultuur te focussen. Als wij met onze expertise iets kunnen bijdragen, geeft dat leerkrachten meer ademruimte.”

FR Chanter, incarner un personnage, ressentir des rythmes, transposer des émotions en musique : l’opéra est une forme d’art étonnamment polymorphe. Et un excellent sujet à aborder en classe. Des ateliers sont organisés dans les écoles afin d’initier à l’opéra les élèves des premier et deuxième cycles du primaire, généralement pour les préparer à assister par la suite à un spectacle de la Monnaie. « Nous fournissons un cadre aux enfants, mais sans trop en dire sur ce qu’ils verront exactement, explique Carolien ; nous chantons des airs, travaillons des rythmes et leur faisons découvrir les émotions que la musique peut susciter. Tous les enfants n’ont pas l’occasion d’entrer en contact avec certaines formes d’art ou avec l’offre culturelle, il est donc vraiment important de planter cette première petite graine. »

À partir du troisième cycle du primaire, les enfants et les ados sont invités à venir à la Monnaie et à se livrer à une expérience pratique de l’art lyrique. Lors des ateliers Opera Challenge, ils doivent ainsi mettre la main à la pâte et improviser eux­mêmes un opéra. Quant aux élèves du secondaire, ils apprennent de manière interactive et créative à utiliser leur voix dans l’atelier Sing it Out!. L’accent est mis sur le développement culturel des jeunes, en gardant toujours à l’esprit les objectifs d’apprentissage, poursuit Bérangère : « Dans l’enseignement francophone, il y a eu en effet une réforme qui a abouti au PECA (Parcours d’Éducation Culturelle et Artistique), qui décrit les matières artistiques en termes bien précis, exactement comme pour les maths ou les langues, et qui sert de base aux enseignants. Par exemple, les élèves doivent être initiés à certaines compétences musicales, comme le rythme, le chant ou l’écoute, toutes choses dans lesquelles certains enseignants sont moins à l’aise que d’autres. Notre offre répond à leurs besoins, de façon très concrète, en ce sens qu’il suffit de suivre cet atelier pour réaliser les objectifs du PECA. »

Ce rôle d’appui est également crucial côté néerlandophone : « Notre but est d’accompagner les écoles dans un contexte de moins en moins évident en ce qui concerne la formation artistique, ajoute Carolien ; les enseignants ont énormément de responsabilités, de nos jours, et ce, alors que les grands problèmes sociétaux sont de plus en plus présents dans l’école. Les matières artistiques sont souvent les premières à être supprimées du programme. » Il est d’autant plus essentiel que la Monnaie continue d’assumer pleinement sa fonction éducative : « Nous avons le luxe de pouvoir nous concentrer totalement sur la culture ; si nous pouvons apporter notre pierre à l’édifice avec notre expertise, c’est déjà ça de gagné pour les enseignants. »

jongeren volgden een rondleiding in de Munt jeunes ont suivi une visite guidée dans la Monnaie

NL Opera is natuurlijk meer dan wat er op het podium gebeurt. Bij een bezoek aan de Muntschouwburg komen verschillende leeraspecten samen. Zo nemen onze gidsen bezoekers tijdens een rondleiding door het theater mee in de geschiedenis van het gebouw, het ontstaan van opera als kunstvorm en een aantal essentiële cultuurhistorische verhalen. In de basisschool kunnen kinderen kennismaken met de vele beroepen die de Munt rijk is.

“Van ticketverkoper tot lasser, van dramaturg tot hoedenmaker: de vraag ‘wat wil je later worden?’ is na afloop toch een pak moeilijker te beantwoorden”, lacht Bérangère.

Extra bijzonder is de rondleiding Meet the Orchestra , waarbij leerlingen van de derde graad basisonderwijs niet alleen het theater bezoeken, maar ook Muziekdirecteur Alain Altinoglu ontmoeten. Na een vragenrondje mogen ze een echte orkest repetitie bijwonen op de eerste rij. “Deze korte maar persoonlijke ontmoeting kan een grote impact hebben,” vertelt Carolien. “Achteraf hoorde ik eens een meisje zeggen: ‘Ik wou stoppen met viool, maar ik denk dat ik toch ga doorzetten.’ Dat blijft hangen.”

Voor het middelbaar onderwijs biedt de Munt ook een rondleiding door de ateliers, waar elke dag met veel authentiek vakmanschap wordt gewerkt aan de decors, kostuums en rekwisieten voor een operavoorstelling. “Hier richten we ons specifiek tot studierichtingen met een arbeidsfinaliteit, zodat die jongeren kunnen ontdekken dat hun vaardigheden niet alleen aansluiten bij de behoeftes van de klassieke industrie, maar ook heel waardevol kunnen zijn binnen de cultuursector.”

Voor Bérangère raken rondleidingen aan de kern van de educatieve missie: “We geven scholen toegang tot een erfgoed dat van iedereen is. Opera wordt vaak als ontoegankelijk beschouwd, en van buitenaf bekeken lijkt de schouwburg voor sommige kinderen veeleer een bank dan een cultuurhuis. Wij willen dat ze weten wat dit gebouw is, wat er gecreëerd wordt, en wie weet krijgen ze dankzij deze kennismaking zin om terug te komen.”

FR Mais l’opéra, ce n’est bien sûr pas seulement à ce qui se passe sur scène. Lors d’une visite de la Monnaie, diverses thématiques sont abordées. Par exemple, dans le cas d’une visite guidée à travers tout le théâtre, nos guides racontent l’histoire du bâtiment, parlent de la naissance du genre de l’opéra et abordent divers points d’histoire culturelle essentiels. Les élèves de primaire ont en outre la possibilité d’en apprendre plus sur les nombreuses professions représentées à la Monnaie. « Entre vendeur de tickets et soudeur, ou entre dramaturge et chapelière : une fois la visite terminée, ce n’est plus si facile de répondre à la question ‘Qu’est ­ ce que tu veux faire plus tard ?’ », s’amuse Bérangère.

La visite guidée Meet the Orchestra a ceci d’exceptionnel qu’elle permet aux élèves de primaire du troisième cycle non seulement de visiter le théâtre, mais aussi de rencontrer Alain Altinoglu, le directeur musical de la Monnaie. Après un tour de questions, les enfants assistent, au premier rang, à une vraie répétition de l’orchestre. « Cette rencontre, brève mais interpersonnelle, peut avoir un fort impact, explique Carolien ; un jour, j’ai entendu une fillette dire : ‘Je voulais arrêter le violon, mais je pense que je vais quand même continuer.’ Ça marque. »

Pour l’enseignement secondaire, la Monnaie propose une visite guidée des Ateliers, où, au quotidien, de véritables artisans fabriquent avec un immense savoir ­faire les décors, les costumes et les accessoires des spectacles d’opéra. « Ici, on s’adresse spécifiquement à des orientations à finalité professionnelle, dans l’idée que ces jeunes se rendent compte que leurs compétences ne répondent pas seulement aux besoins des industries conventionnelles, mais peuvent aussi s’avérer très précieuses dans le domaine culturel », explique Carolien.

Pour Bérangère, les visites guidées touchent à l’essence même de la mission éducative : « À travers les écoles, nous donnons accès à un patrimoine qui appartient à tout le monde. L’opéra est souvent considéré comme quelque chose d’inaccessible, et, vu de l’extérieur, le bâtiment du théâtre fait plus l’effet, à certains enfants, d’une banque que d’une institution culturelle. Nous avons envie qu’ils sachent ce qu’est ce bâtiment, ce qu’on y crée, et qu’ils reviennent parce qu’ils s’y sentent en terrain connu. »

4

307

jongeren kwamen naar een voorstelling kijken

jeunes ont assisté à une représentation

NL Uiteindelijk draait alles om dat ene moment: het doek dat opgaat. Of het nu gaat om een jeugdproductie of een (voor)generale repetitie van een opera of concert, er gebeurt iets bijzonders wanneer de lichten doven. “Kinderen komen vaak luid binnen,” vertelt Bérangère. “We laten dat gebeuren. We hoeven hen niet tot stilte te manen, want zodra de voorstelling begint, valt die vanzelf. In enkele seconden is het muisstil. En nadien is de verwondering van de gezichten af te lezen.”

De cijfers spreken voor zich: dankzij de scholenwerking bereikt de Munt al heel wat operaliefhebbers van morgen. En de aantallen blijven groeien, mede dankzij de drempelverlagende initiatieven die sinds een paar jaar van kracht zijn. “Drie jaar geleden voerden we een sociaal tarief in. Dat heeft ons publiek echt verbreed: naast trouwe scholen bereiken we er nu ook die anders misschien nooit zouden komen.” “En uiteindelijk gaat het ook niet over de cijfers,” besluit Carolien. “Wat telt, is dat onze activiteiten bij een klas of zelfs maar bij één kind iets in beweging zetten!”

FR Finalement, l’enjeu, c’est ce moment où le rideau se lève. Qu’il s’agisse d’une production pour la jeunesse ou de la répétition (pré)générale d’un opéra ou d’un concert, il se passe quelque chose d’extraordinaire quand les lumières s’éteignent. « En entrant, les enfants sont souvent bruyants, raconte Bérangère, mais on les laisse faire. On n’a pas besoin de leur imposer le silence : il se fait de lui­même dès que la représentation commence. Et après, on peut lire l’émerveillement sur les visages. »

Les chiffres sont éloquents : grâce aux activités scolaires proposées aux écoles, la Monnaie touche un grand nombre de futurs amateurs d’opéra. Et ce nombre ne cesse d’augmenter, entre autres grâce aux initiatives mises en place depuis quelques années pour faire tomber les barrières psychologiques. « Il y a trois ans, nous avons introduit un tarif social, explique Bérangère, et notre public s’est fortement élargi : outre nos écoles fidèles, nous en touchons désormais d’autres qui, sans cela, ne seraient sans doute jamais venues. » Et en fin de compte, conclut Carolien, ce ne sont pas non plus les chiffres qui compte : « Ce qui importe, c’est que nos activités aient déclenché quelque chose, dans une classe ou ne serait ­ ce même que chez un seul enfant ! »

INFO schools@demunt.be schools@lamonnaie.be

Opera koolstofarmer maken

Décarboner l’opéra

NL De Munt is zich ten volle bewust van de uitdagingen op het gebied van milieu en klimaat, en verbindt zich ertoe om haar CO₂-uitstoot te beperken overeenkomstig de doelstellingen van de Europese Unie. Dankzij een analyse van de koolstofvoetafdruk van alle activiteiten in 2022, en van de operaproducties in de seizoenen 2021-22 en 2022-23, zijn we in staat om onze impact te objectiveren en prioritaire actiepunten vast te leggen.

FR Consciente des enjeux environnementaux et déterminée à jouer un rôle exemplaire face au changement climatique, la Monnaie s’est engagée à réduire ses émissions de CO₂ conformément aux objectifs de l’Union européenne. L’analyse de l’empreinte carbone de l’ensemble de nos activités en 2022, et de nos productions des saisons 2021-22 et 2022-23, a permis d’objectiver nos impacts et de définir des priorités d’action ciblées.

46%

SCENOGRAFIE

/ SCÉ N O G R APHIE

/ Décors

Vrachtvervoer / Fret matériel

van het publiek / Déplacement du public

Rekwisieten en kleding / Accessoires et habillage

Kostuums en grime / Costumes et maquillage

Toneeltechniek, geluid en video / Technique de plateau, son et vidéo

Andere / Autres

Uitzending / Diffusion

Gas / Gaz

Gemiddelde verdeling van de impact van een productie (analyse van de koolstofimpact bij 16 producties, 2021-23) Répartition moyenne des impacts d’une production (analyse de l’impact carbone sur 16 productions, 2021-23)

Elektriciteit / Électricité

NL TRANSPORT EN MOBILITEIT

Transport vertegenwoordigt 23% van de koolstofvoetafdruk van onze producties, waarvan 13% verband houdt met de verplaatsingen van ons publiek en 8% met die van onze medewerkers. De Munt verplicht artiesten voortaan gebruik te maken van de trein voor elke werkverplaatsing die in minder dan vijf uur kan worden afgelegd en stelt haar publiek koolstofarme vervoersalternatieven voor, waaronder 40% korting op treintickets, 4 uur gratis fietsenstalling en een carpoolsysteem.

ECO-SCENOGRAFIE: COLLECTIF 17H25

Decorbouw is verantwoordelijk voor bijna 50% van de totale voetafdruk van onze producties. In samenwerking met het Collectif 17h25 heeft de Munt een modulair en herbruikbaar systeem van standaardstructuren ontwikkeld voor operaen theaterdecors. De MOD 200, bestaande uit assembleerbare en aanpasbare elementen, maakt het mogelijk om de systematische bouw van nieuwe decorelementen te beperken en tegelijkertijd te voldoen aan de technische en artistieke eisen van de teams.

ECO-SCENOGRAFIE: THEATRE GREEN BOOK

Aansluitend bij die modulaire structuren is de Munt gestart met de integratie van de principes van het Theatre Green Book, een internationale referentie op het gebied van duurzame productie. Met de technische en artistieke directie werd een stappenplan opgesteld om deze principes in onze werkmethoden te verankeren. Het doel? Tegen 2030 moet 50% van de decors, kostuums en rekwisieten bestaan uit recyclagemateriaal.

ENERGIEZUINIGHEID

Dankzij de invoering van energiebesparende maatregelen daalde het gasverbruik met 28% en het elektriciteitsverbruik met 10% (evolutie van 2018 tot 2022). Duurzaamheid maakt ook deel uit van de doel stellingen voor de toekomstige renovatie van de Munt, waarbij ook zonnepanelen op het dak geplaatst zullen worden.

GOVERNANCE EN STRATEGISCH BELEID

De Munt sluit zich aan bij de alliantie Culture for the Planet, een universitair onderzoeksproject onder leiding van de UNIL (Lausanne) en de ZHAW (Zürich). Binnen dat project draagt de Munt bij aan het testen en implementeren van een managementsysteem voor duurzaamheid dat op basis van objectieve indicatoren is aangepast aan de cultuursector.

FR TRANSPORT ET MOBILITÉ

Le transport représente 23 % de l’empreinte carbone de nos productions, dont 13 % sont liés à la mobilité du public et 8 % aux déplacements professionnels. La Monnaie impose désormais le train pour tout trajet professionnel réalisable en moins de cinq heures et propose des alternatives de déplacement décarbonées pour le public, avec, entre autres, 40 % de réduction sur les billets de train, 4 heures gratuites de parking vélo et un système de covoiturage.

ÉCO-SCÉNOGRAPHIE : COLLECTIF 17H25

La scénographie, principal poste d’impact carbone de nos productions, constitue près de 50 % de l’empreinte totale. En collaboration avec le Collectif 17h25, la Monnaie a développé un système modulaire et réutilisable de structures standards destinées aux décors d’opéra et de théâtre.

Le MOD 200, composé d’éléments assemblables et adaptables, permet de limiter la construction systématique de nouveaux supports de décor tout en répondant aux exigences techniques et artistiques des productions.

ÉCO-SCÉNOGRAPHIE : THEATRE GREEN BOOK

En complément des structures modulaires, la Monnaie a engagé un travail d’intégration des principes du Theatre Green Book, référence internationale en matière de production durable. Une feuille de route a été élaborée avec les directions techniques et artistiques afin d’ancrer ces principes dans les méthodes de travail. À l’horizon 2030, l’objectif est que 50 % des décors, costumes et accessoires utilisés aient déjà connu une ou plusieurs vie(s) antérieure(s).

SOBRIÉTÉ ÉNERGÉTIQUE

Le plan « Gestes pour l’économie d’énergie » a permis une diminution de 28 % de la consommation de gaz et de 10 % de la consommation d’électricité (chiffres de 2022, comparés aux chiffres de 2018). La durabilité et la réduction des émissions de CO 2 font également partie des objectifs de la future rénovation de la façade de la Monnaie. L’installation de panneaux solaires sur le toit est également prévue.

GOUVERNANCE ET PILOTAGE STRATÉGIQUE

La Monnaie rejoint l’alliance Culture for the Planet, projet de recherche universitaire piloté par l’UNIL (Lausanne) et la ZHAW (Zurich), au sein de laquelle elle contribue à tester et déployer un système global de management de la durabilité, adapté au secteur de la culture sur la base d’indicateurs et de données objectives.

INFO

c.levan@demunt.be

c.levan@lamonnaie.be

YOUNG OPERA

NL Extra voordelige kortingen, events en voorstellingen op maat, voorrang bij de aankoop van tickets… Door gratis lid te worden van Young Opera neem je het verrukkelijke risico onweerstaanbaar verslingerd te worden op opera. Drie -30’ers delen hun ervaringen.

FR Des réductions défiant toute concurrence, des événements et des spectacles spécialement dédiés aux jeunes, une priorité à l’achat de tickets… Devenir gratuitement membre de Young Opera, c’est prendre le délicieux risque de devenir irrémédiablement accro à l’opéra. Trois jeunes de moins de 30 ans partagent leur expérience.

FIEN (26 jaar)

Ik ben afkomstig uit een dorpje tussen Brugge en de Belgische kust, maar vandaag woon ik in Brussel, waar ik bij een communicatiebureau werk. Wanneer ik een museum bezoek of mijn interesse voor architectuur volg, treed ik graag in contact met het verleden. Opera werkt op dezelfde manier. Je luistert naar muziek die anderen 200 jaar voor jou ook beluisterden. Toen ik naar Brussel verhuisde, was het voor mij dan ook vanzelfsprekend om naar de Munt te komen. Hier begon de Belgische revolutie en het is een opwindend gevoel om vandaag op diezelfde plaats nog steeds een operavoorstelling te kunnen beleven. Het gratis programmaboek is een mooie bonus als je je vertrouwd wil maken met het verhaal, de muziek en de regie.

CLÉE (29 ans)

Pendant mes études en scénographie à Paris, on nous demandait d’écrire des critiques de spectacle vivant, dont l’opéra. Ce n’était pas du tout ma tasse de thé. J’avais l’impression de voir quelque chose de joli mais de très flou. Je n’y comprenais rien et personne dans mon entourage ne pouvait m’expliquer. Mais une fois arrivé à Bruxelles, j’ai entendu parler du programme Young Opera qui avait l’air vraiment chouette. Avec mon partenaire, nous avons décidé d’assister à une représentation. J’ai été surpris de voir à quel point l’opéra était rendu accessible, grâce aux introductions, aux contenus en ligne et à d’autres événements. Par exemple, pour la Saint ­Valentin, nous avons eu un cours de chant pendant lequel certains airs célèbres nous ont été expliqués. Cela change tout. Pour vraiment apprécier des œuvres, il suffit de recevoir un certain bagage préalable. Autre exemple, j’ai parlé autour de moi d’une visite que j’avais suivie à la Monnaie, expliquant qu’elle était donnée par une drag ­ queen : personne ne m’a

cru. Encore aujourd’hui, l’opéra donne l’impression d’être un peu cérémonieux, mais c’est vraiment un cliché. Il y a aussi des créations engagées – à l’instar de Ali – qui parlent de sujets brûlants d’actualité… On peut vraiment se découvrir une passion pour l’opéra. Cela ne se « consomme » pas. Cela s’apprivoise, comme on découvre de nouvelles saveurs, comme on apprend à aimer le vin.

STELLA (26 years)

Originally from Italy, I came to Brussels to study for a master’s degree in sustainable development. Last summer, after seeing several posts on Instagram about the Young Opera programme, I subscribed to the newsletter, thinking, ‘Why not?’ You can’t say you don’t like opera until you’ve tried it. In September, I attended an open rehearsal of Falstaff. It challenged many of the preconceived notions one can have about opera. It was like discovering a beautiful meadow behind a door that I never knew existed. Today, young people are more conscious of the time and money they invest in their activities. To spend three or more hours in a place where you don’t know the dos and don’ts makes you pause. But here, it lasted just over an hour, accompanied by explanations, and it only cost € 8, less than a movie ticket. Whether it’s guided tours or operas, Young Opera makes everything accessible, affordable, and captivating. I can’t stop talking about it to everyone I know.

JOIN YOUNG OPERA

Schrijf je gratis in /

Inscription gratuite sur Met de steun van / Avec le soutien de BNP PARIBAS FORTIS

That’s what Friends are for.

NL Opera is mensenwerk. Van artiesten op en onder het podium tot technici, ateliers, administratie, zaalpersoneel en vrijwilligers: het is dankzij ieders passie dat we je telkens weer onvergetelijke momenten kunnen bezorgen. Om al dat werk te blijven ondersteunen, hebben we meer dan ooit sterke schouders nodig. Daarom maken we dit seizoen een nieuwe start met de Friends, via twee formules waarmee je niet alleen dichter bij de Munt en de artiesten komt, maar ook mee het verschil maakt.

FR Derrière chaque opéra se trouvent des êtres humains. Qu’ils soient artistes sur scène ou en coulisses, techniciens, collaborateurs aux Ateliers, personnel administratif et de salle ou bénévoles : sans eux et elles, sans la passion qui les anime, nous ne pourrions pas vous offrir ces moments inoubliables. Pour poursuivre ce travail, il nous faut plus que jamais avoir les épaules solides. C’est pourquoi, cette saison, nous relançons le programme Friends, avec deux formules vous permettant de découvrir de plus près la Monnaie et ses artistes, mais aussi d’apporter une contribution décisive.

JE ONDERSTEUNT NIET ÉÉN AVOND, MAAR EEN TOEKOMST.

FRIEND

€ 90 (solo) / € 180 (duo)

Als lid van de Friends ­ community ondersteun je het groeipad van jonge zangers en makers. In de MM Academy worden zij professioneel begeleid, als MM Soloists krijgen ze hun eerste echte kansen op het podium en als MM Laureates worden ze klaargestoomd voor hun doorbraak in grotere rollen en andere huizen.

In ruil zit je als Friend het hele jaar door op de eerste rij om die groei van nabij te volgen met een Friends ­ concert als kers op de taart. Daarnaast verwennen we je met backstage ­ activiteiten, een uitnodiging voor de seizoenspresentatie, kortingen in en buiten de Munt, dagtrips naar bevriende operahuizen en nog veel meer.

JIJ GEEFT DE KANSEN, ZIJ GROEIEN.

VOUS SOUTENEZ NON PAS UN SPECTACLE, MAIS TOUT UN AVENIR.

En tant que membre de la communauté Friends, vous soutenez le parcours professionnel de jeunes chanteurs·euses et créateurs·rices. Au sein de la MM Academy, ils bénéficient d’un accompagnement professionnel. Une fois devenu·es MM Soloists, l’occasion leur est donnée de faire véritablement, pour la première fois, leurs preuves sur scène. Quant aux MM Laureates, ils et elles sont préparé·es à percer dans de grands rôles et d’autres maisons d’opéra.

En contrepartie, vous, membre Friend, êtes aux premières loges pour suivre leur évolution avec, en prime, un concert réservé aux Friends. Mais aussi : coups d’œil en coulisse, une invitation à la présentation de la saison, des réductions à la Monnaie et ailleurs, des excursions d’une journée dans des maisons d’opéra amies…

EN CONTREPARTIE, VOUS POUVEZ

LES AIDER À PRENDRE LEUR ENVOL.

OPERA MAKER

€ 700 (solo) / € 1400 (duo)

JE ZIET NIET ALLEEN HET RESULTAAT, JE MAAKT HET MEE MOGELIJK.

Tussen het eerste idee voor een productie en het eindresultaat op scène liggen vaak meer dan twee jaar van intens werk. Wat begint als een droom van een artistiek team, krijgt vorm in onze decor, kostuum­ en rekwisietenateliers en wordt uiteindelijk voor jou tot leven gebracht door zangers, orkest, koor en podiumtechnici.

Als Opera Maker ondersteun je elk seizoen één specifieke productie die volledig in de Munt wordt gemaakt (in seizoen 2026 ­ 27: La Cenerentola). Je volgt het creatieproces van de Opera Maker ­productie van dichtbij. Daarnaast geniet je onder meer van een uitnodiging voor de premièrerecepties, gratis programmaboekjes en tal van andere voordelen.

SAMEN MAKEN WE OPERA MOGELIJK.

Mogen we op jou rekenen? Ontdek hier alle voordelen in detail of contacteer ons via friends@demunt.be

VOUS NE PROFITEZ PAS SEULEMENT DU RÉSULTAT QUE VOUS VOYEZ, VOUS Y CONTRIBUEZ.

Entre l’idée à l’origine d’une production et le résultat final sur scène, il s’écoule souvent plus de deux années de travail intensif. Ce qui n’est au départ que le rêve d’une équipe artistique prend forme dans nos ateliers de décors, costumes et accessoires, pour finalement devenir réalité devant vous, grâce aux chanteurs, à l’orchestre, aux chœurs et aux techniciens de plateau.

En tant qu’Opera Maker, vous soutenez chaque saison une production en particulier, entièrement réalisée à la Monnaie (pour la saison 2026 ­ 27, ce sera La Cenerentola). Ainsi, vous suivez de près le processus de création de cette production.Vous assistez en outre aux réceptions lors des premières, vous recevez gratuitement les programmes, et vous bénéficiez de bien d’autres avantages.

ENSEMBLE, FAISONS DE L’OPÉRA UNE RÉALITÉ.

Nous comptons sur vous ! Découvrez ici le détail de tous les avantages ou contactez-nous à l’adresse friends@lamonnaie.be

We can’t do (it) without you.

NL De Munt staat al jaren aan de wereldtop op het gebied van opera. Dat is het resultaat van artistieke durf én van een blijvende investering in talent, educatie en maatschappelijke verankering. Om dat ook in de toekomst te vrijwaren, hebben we het vertrouwen nodig van mensen die beslissen: dit is belangrijk. Dat vertrouwen heet mecenaat.

FR La Monnaie est depuis des années une référence mondiale en matière d’opéra. Un succès qu’elle doit autant à son audace artistique qu’à ses efforts inlassables en faveur du talent et de la formation ou sur le plan de l’ancrage social. Un travail qu’elle ne pourra toutefois continuer à mener que si elle bénéficie de la confiance de celles et ceux qui en reconnaissent l’importance. Cette confiance a un nom : le mécénat.

De kracht van mecenaat

NL Iedereen heeft zijn eigen verhaal met de Munt. Young Maecenas Rodolphe Dulait en Maecenas Lin Deletaille vertellen waarom zij de keuze maakten om zich extra te engageren voor ons huis.

FR Chacun a sa propre histoire avec la Monnaie. Rodolphe Dulait (Young Maecenas) et Lin Deletaille (Maecenas) nous expliquent les raisons de leur engagement envers notre maison.

“Opera stelt vragen, maar ze heeft daarom geen gemakkelijke antwoorden.”

Rodolphe Dulait

NL Op een winterse woensdagochtend is het voor één keer stil in de Grote Zaal van de Munt. Maar galeriehoudster Lin Deletaille kan zich de talloze onvergetelijke momenten die ze er al beleefde zo voor de geest halen. “Ik ontdekte de Munt in een tijd van grote artistieke vernieuwing, onder leiding van Gerard Mortier. Ik zag er gedurfde producties, van regisseurs die vragen stelden in plaats van antwoorden te geven. Ook Bernard Foccroulle en Peter de Caluwe legden in hun artistieke praktijk een opmerkelijke durf en toewijding aan de dag, die van mij uiteindelijk een echte operafanaat hebben gemaakt. Ik ben ervan overtuigd dat de toekomst van de Munt ook onder Christina Scheppelmann even baanbrekend en grensverleggend zal zijn.”

Voor Rodolphe Dulait kwam de eerste ontmoeting onverwacht. “Ik ontdekte de Munt via een voordelige jongerenactie voor Tsjajkovski’s Pikovaja Dama Ik wist niet wat me overkwam. De stemmen, de muziek, de intensiteit. Ik keek niet gewoon naar een voorstelling, ik beleefde iets.” Het werd een begin van een mooi verhaal.

HET WONDER VAN OPERA

Voor beide mecenassen is opera meer dan tijdverdrijf, het is een plek voor reflectie. Rodolphe benadrukt daarbij de combinatie van tijdloze en actuele thema’s. “Macht, liefde, geweld, menselijke relaties: bij hedendaagse creaties, zoals onlangs nog Ali of Cassandra , krijg je een confronterende spiegel voorgehouden, maar ook klassiekers als Carmen of Tosca blijven op hun manier actueel. Operavoorstellingen in de Munt dagen me uit om kritisch te zijn, dwingen me om te vertragen. In een tijd van snelle consumptie is dat bijna een daad van verzet.”

Ook voor Lin Deletaille schuilt daarin de kracht. “Ik noem dat vaak het wonder van opera: eeuwenoud en toch brandend actueel. Door nieuwe interpretaties blijft de kunstvorm resoneren bij een hedendaags publiek.” Ze benadrukt ook het collectieve: “Opera beleef je samen, in een zaal vol mensen die tegelijk ademen, luisteren, reageren. Dat schept een vorm van verbondenheid die zeldzaam is geworden in onze individualistische samenleving.”

DE STAP NAAR MECENAAT

Op een zeker moment wordt beleving betrokkenheid. Voor zowel Lin als Rodolphe was een diepgaander engagement voor dit bijzondere huis dan ook een logisch vervolg.

Bij Lin was het vooral de waardering voor de producties die haar overstag deed gaan. “Wanneer je ziet hoeveel mensen en vakmanschap achter elke voorstelling schuilgaan, wil je bijdragen. Ik vond het belangrijk om nauwer betrokken te zijn bij het huis dat me zoveel geeft.” Ook voor Roldolphe gaf dat inzicht de doorslag. “Toen ik het werk in de ateliers ontdekte, besefte ik: dit is zo’n uitzonderlijke expertise, dat moeten we koesteren. Bovendien is het culturele landschap in België heel kwetsbaar. Als burgers en als private sector kan je ervoor kiezen om mee mogelijk te maken wat waardevol is en zo een eeuwenlange traditie voort te zetten.”

Dat de Munt in 2025 werd uitgeroepen tot Beste Operahuis ter wereld vervult Lin en Rodolphe met trots. “Die kwaliteit heeft een prijs en vraagt om blijvende toewijding.”

Rodolphe: “Cultuur in het algemeen en de Munt in het bijzonder heeft vandaag steun nodig. Ook als jongere kan je daarin een rol spelen, met je eigen middelen en op je eigen tempo. Zo kies je ervoor om deze kunstvorm een toekomst te geven.”

Ook Lin benadrukt dat je op veel verschillende manieren een verschil kan maken. “Door een ticket te kopen, om te beginnen. Maar in deze economisch en politiek onzekere tijden, is een extra gift een krachtig signaal dat je wil strijden voor wat in de afgelopen decennia is opgebouwd.”

DE TOEKOMST VRIJWAREN

De Munt investeert veel in een persoonlijk contact met haar schenkers. Mecenassen krijgen inzicht in het maakproces en toegang tot unieke ervaringen: intieme recitals, vaak op bijzondere locaties, ontmoetingen met artiesten, bezoeken aan ateliers. Ze maken op die manier deel uit van een gepassioneerd netwerk.

Rodolphe is blij dat zijn bijdrage rechtstreeks naar het publiek van de toekomst gaat. “Het succes van Young Opera (­ 30), het programma waardoor ook ik in contact ben gekomen met de Munt, toont hoe essentieel toegankelijkheid is. En projecten als ‘Een brug tussen twee werelden’ maken cultuur bereikbaar voor mensen voor wie dat niet altijd vanzelfsprekend is. Dat raakt me.”

Lin vult aan: “Wat mij voldoening geeft, is weten dat mijn steun concreet bijdraagt aan kwaliteit en talentontwikkeling. Je investeert in de toekomst van het vak. Door daarnaast ook een nieuw publiek toegang te geven tot de Munt kan je echt levens veranderen en dialoog en discussie bevorderen.”

Rodolphe vat het allemaal heel mooi samen: “Mijn steun verandert mijn blik. Ik ben niet langer alleen toeschouwer. Ik ben verbonden met wat er op het podium gebeurt. Ik draag bij aan wat ik beleef.”

« Le mécénat est un moyen de transformer la gratitude en action.

»

FR Un calme inhabituel règne dans la Grande Salle de la Monnaie en cette matinée d’hiver. Lin Deletaille, galeriste, se remémore toutefois sans peine les nombreux moments inoubliables qu’elle a passés ici. « J’ai découvert la Monnaie à une époque de grande effervescence artistique, alors qu’elle était dirigée par Gerard Mortier. J’ai assisté à des productions qui osaient nager à contre ­ courant, assurées par des metteurs en scène qui posaient des questions plutôt que d’apporter des réponses. Bernard Foccroulle et Peter de Caluwe, eux aussi, ont témoigné d’une audace et d’un dévouement sans faille dans leur pratique artistique, et fait de moi une véritable passionnée d’opéra. Et je suis convaincue que la Monnaie connaîtra un avenir tout aussi novateur et audacieux sous la direction de Christina Scheppelmann. »

La première rencontre de Rodolphe Dulait avec notre maison fut, quant à elle, plutôt inattendue. « J’ai découvert la Monnaie en assistant à l’opéra Pikovaya Dama de Tchaïkovski, à la faveur d’une action pour la jeunesse. Ce fut un véritable choc : ces voix, cette musique, cette intensité ! Ce n’était pas simplement un spectacle, mais une révélation. » Le début d’une belle histoire.

LA MAGIE DE L’OPÉRA

Pour nos deux mécènes, l’opéra est plus qu’un simple divertissement, c’est un lieu de réflexion. Rodolphe évoque le mélange de thèmes intemporels et actuels. « Pouvoir, amour, violence, rapports humains : si des créations contemporaines comme Ali ou Cassandra nous confrontent à notre humanité, des classiques tels que Carmen ou Tosca conservent, eux aussi, toute leur pertinence. Les opéras de la Monnaie m’incitent à la réflexion critique, m’obligent à ralentir. En ces temps de consumérisme effréné, c’est presque un acte de résistance. »

Pour Lin Deletaille aussi, c’est en cela que réside la force du genre. « C’est ce que j’appelle souvent la magie de l’opéra : des thèmes intemporels, mais toujours d’une actualité brûlante. Le renouvellement des interprétations dont ceux­ ci font l’objet explique pourquoi cette forme d’art continue de toucher le public. » La galeriste souligne également la dimension collective de l’opéra : « Le fait d’être assis dans une salle au milieu de tous ces gens qui respirent, écoutent et vibrent d’un même élan crée un sentiment de communion devenu rare dans notre société compartimentée. »

LE CHOIX DU MÉCÉNAT

À un moment, certains éprouvent le besoin de s’impliquer. Pour Lin comme pour Rodolphe, le choix d’un engagement plus marqué envers notre maison est vite devenu une évidence.

C’est avant tout l’admiration qu’elle ressentait pour les productions de la Monnaie qui a décidé Lin à franchir le pas. « Quand j’ai vu le nombre de personnes et le savoir ­faire que nécessitait chaque représentation, j’ai eu envie de contribuer. Je trouvais important de m’investir davantage dans une institution qui m’a tant donné. » Cette prise de conscience a également été déterminante pour Rodolphe. « Lorsque j’ai découvert tout le travail réalisé dans les ateliers, j’ai compris à quel point il s’agissait d’un savoir exceptionnel, à préserver absolument. Et puis, le paysage culturel belge est tellement fragile. Les citoyens et le secteur privé peuvent contribuer à préserver ce précieux héritage, et à perpétuer ainsi une tradition séculaire. »

Pour Lin et Rodolphe, le titre de « Meilleure maison d’opéra du monde » remporté par la Monnaie en 2025 constitue un motif de fierté. « La qualité a un prix, elle exige un dévouement de tous les instants. »

Rodolphe : « La culture en général, et la Monnaie en particulier, ont aujourd’hui besoin d’être soutenues. Les jeunes aussi, avec leurs moyens et à leur rythme, peuvent contribuer à assurer l’avenir de l’art lyrique. » Lin rappelle qu’il existe de nombreuses façons d’agir. « En achetant un ticket, par exemple. Mais en ces temps d’incertitude économique et politique, tout don supplémentaire constitue un signal fort de la volonté de défendre un travail poursuivi depuis plusieurs dizaines d’années. »

ASSURER L’AVENIR

La Monnaie s’efforce d’entretenir un contact direct avec celles et ceux qui la soutiennent. Les mécènes ont ainsi la possibilité de découvrir les coulisses de la création et de vivre des expériences uniques : récitals intimes, souvent dans des lieux d’exception, rencontres avec les artistes ou visites des ateliers. Ils forment ainsi un véritable réseau de passionnés.

Rodolphe se réjouit que sa contribution profite directement aux futures générations de spectateurs. « Le succès d’un programme comme Young Opera (­ 30 ans), grâce auquel j’ai découvert la Monnaie, démontre combien l’accessibilité est une donnée essentielle. Des projets comme Un pont entre deux mondes permettent à la Monnaie de toucher un public pour qui l’accès à la culture n’est pas forcément une évidence. Cela me va droit au cœur. »

Un sentiment partagé par Lin : « Le fait de savoir que ma contribution a un impact concret sur la qualité et l’émergence de nouveaux talents me procure une grande satisfaction. En investissant dans l’avenir de la profession, en permettant à un public nouveau d’accéder à la Monnaie, on peut véritablement changer des vies, mais aussi favoriser le dialogue et les échanges. »

La conclusion revient à Rodolphe : « Contribuer a changé mon regard. Au lieu d’être un simple spectateur, je suis en lien avec ce qui se passe sur scène, je participe à ce que je vis. »

Misschien herkent u iets van dit verhaal?

Misschien heeft ook u ooit die eerste noot gehoord die alles veranderde?

Mecenaat begint bij betrokkenheid.

Neem contact met ons op en ontdek alle mecenaatsformules op maat vanaf € 1 500. Mecenaatsbijdragen en giften vanaf € 40 zijn fiscaal aftrekbaar. mecenaat@demunt.be / +32 2 210 84 36

Cette histoire vous semble familière ?

Vous aussi, vous vous souvenez de cette première note qui a tout changé ?

Le mécénat commence par l’implication.

Contactez-nous pour découvrir nos différentes formules mécenat sur mesure à partir de 1 500 €.

Chaque contribution ou don est fiscalement déductible à partir de 40 €. mecenat@lamonnaie.be / +32 2 210 84 36

MAECENAS PLATINUM

vanaf / à partir de € 25 000

Interparking

M. et Mme Paul-Marie Jacques

M. et Mme Erol Kandiyoti

MAECENAS GOLD

vanaf / à partir de € 15 000

M. et Mme Laurent Legein

M. Alain Mallart

Mr Adrian Mibus and Mrs An Jo Fermon

M. Daniel Thierry

M. Philémon Wachtelaer

MAECENAS SILVER

vanaf / à partir de € 10 000

M. et Mme Rudy Dupont

M. et Mme Peter Gangsted

M. Olivier Rijckaert et M. Adrian Husser

M. et Mme Frédéric Samama

M. Philippe Somers et Mme Dominique Verwaest

M. et Mme Antoine Winckler

Cher Godefroid de Wouters

MAECENAS

MAECENAS

vanaf / à partir de € 5 000

M. et Mme Charles Adriaenssen

Dhr. en Mevr. Robert Barge

M. et Mme Xavier Bedoret

Mme Chantel Beineix-Gillion

Mme Marie Anne Carbonez

Mme Lin Deletaille

Dhr. en Mevr. Tobias Desmet

M. François Gérard

B. Xavier Hufkens

B. et B nne Daniel Janssen

M. et Mme Adnan Kandiyoti

M. Benoit van Langenhove de Bouvekercke

Mme Martine Lhoist

Cte et Ctesse Paul Lippens

Mme Daphne Lippitt

M. et Mme Clive Llewellyn

M. et Mme Pierre-Olivier Mahieu

Mme Jessica Parser

M. et Mme Charles-Albert Peers

de Nieuwburgh

M. et Mme Michel Peterbroeck

Dhr. en Mevr. Guy Reyniers

M. Daniel Schellekens

M. et Mme Leonard Schrank

M. et Mme Hans C. Schwab

Mevr. Simonne Timmermans

Mevr. Mia Van Hool en Dhr. Bernard Van Hool

Dhr. en Mevr. Axel Vervoordt

M. et Mme Bernard Vergnes

Dhr. Hans Vossen en Dhr. Robert Zürcher

YOUNG MAECENAS (-45) vanaf / à partir de € 2 500

Mrs. Marixenia Davilla

M. Rodolphe Dulait

Dhr. Frederick Gordts

M. Ludovic Haers

En andere anonieme Maecenas / Et d’autres Maecenas anonymes

NL Sinds 1 januari 2024 zijn erkende instellingen wettelijk verplicht om het rijksregisternummer van schenkers te registreren en te vermelden op de fiscale attesten. Om aan deze nieuwe wetgeving te voldoen, zullen wij uw rijksregisternummer vragen bij elke gift aan de Munt.

FR Depuis le 1er janvier 2024, les institutions reconnues sont légalement tenues d’enregistrer le numéro de registre national des donateurs et de le mentionner sur les attestations fiscales. Pour nous conformer à cette nouvelle législation, nous vous demandons de fournir votre numéro de registre national à chacun de vos dons à la Monnaie.

OPERA LOVERS

vanaf / à partir de € 1 500

Mme Patricia Blake

Mme Liliane Berthol et M. Erwin Burvenich

Mme Monique Carlier

Prince et Princesse de Chimay

Dhr. Wim De Paepe

Dhr. en Mevr. Jacques de Raeymaeker

M. Claudio Fischer

Mme Nicole Lanoye

Mme Kristin Marien

Mme Delphine Scelles Hocquard

Dhr. André Swings

Dhr. Joseph Verrezen

YOUNG OPERA LOVERS (-45)

vanaf / à partir de € 500

M. Yury Bochenkov and Mrs Yulia Zubakina

Dhr. Sam Kestens

Dhr. Gill Stroobandt

M. Mark Kahn and Mrs Katharina Eidmann

Dhr. David Renard

Wilt u investeren in de toekomst van de Munt of meer vernemen over onze Corporate Partners en Business Suppliers?

Vous voulez investir dans l’avenir de la Monnaie ou en savoir plus sur nos Corporate Partners et Business Suppliers ?

CORPORATE PARTNERS

NL De hoofdpartners van de Munt zijn een deel van onze identiteit geworden. Hun steun aan onze artistieke, sociale en educatieve projecten zorgt voor een sterkere realisatie van onze missie op basis van onze gemeenschappelijke waarden en normen. Wij zijn de leden van onze Corporate Club dan ook uitermate dankbaar voor hun toewijding en steun.

FR Les principaux partenaires de la Monnaie font désormais partie de notre identité. Leur soutien à nos projets artistiques, sociaux et éducatifs nous permet de remplir notre mission de façon plus affirmée en nous appuyant sur des valeurs et des normes communes. Nous sommes donc extrêmement reconnaissants envers les membres du Corporate Club pour leur dévouement et leur soutien.

STICHTINGEN / FONDATIONS

BUSINESS SUPPLIERS

NL Hartelijk dank aan onze Business Suppliers die met hun filantropische steun of hun producten helpen om onze voorstellingen en service naar een hoger niveau te tillen.

FR Nous remercions chaleureusement nos Business Suppliers qui, par leur soutien philanthropique ou leurs produits, contribuent à porter au plus haut niveau nos productions et notre service.

AMBASSADORS

NL Met Ambassadors geeft de Munt het woord aan artiesten, CEO’s, zangers en andere prominente persoonlijkheden die de rol van cultuur in onze samenleving naar waarde schatten en in het maatschappelijke debat ook durven te verdedigen.

FR Par le biais de son projet Ambassadors, la Monnaie donne la parole à des artistes, des PDG, des chanteurs, et à toute personne pour qui le rô le de la culture est essentiel dans notre soci été et qui souhaite prendre part au d é bat.

Baloji (singer, artist and film director), Dries Criel (jewellery designer), Koen De Bouw & Chantal Leyers (actors), Tijmen Govaerts (actor), Nora Gubisch (mezzo-soprano), Hugh Harris (The Kooks), Max Jadot (President of the Board of Directors, BNP Paribas Fortis), Élodie Ouédraogo (gold medallist and fashion designer), Joshua Stewart (tenore), Edouard Vermeulen (couturier), Lauren Versnick (actress)

TAX SHELTER

NL Bedrijven die hiervoor in aanmerking komen, kunnen sinds 2018 operaproducties van de Munt helpen financieren via de Tax Shelter. We bedanken graag de ondernemingen die op deze manier één of meer producties hielpen financieren en aldus hebben bijgedragen aan de realisatie van onze artistieke missie.

FR Depuis 2018, les entreprises éligibles peuvent aider à financer les opéras de la Monnaie via le Tax Shelter. Nous tenons à remercier les entreprises qui, de cette manière, contribuent au financement d’une ou plusieurs productions et,  ainsi, à la réalisation de notre missions artistique.

PARTNERS / PARTENAIRES

MM SCHOOLS / KIDS, TEENS & FAMILIES

MEDIAPARTNERS / PARTENAIRES MÉDIA

DE MUNT IS LID VAN / LA MONNAIE EST MEMBRE DE

Verantwoordelijke uitgever / Éditrice responsable / Registered publisher

Christina Scheppelmann

Gerealiseerd door / Réalisation / Realised by Teams Marketing, Communication & Dramaturgy (De Munt / La Monnaie), Delphine Platteeuw & Untitled Workers Club

Teksten / Textes / Texts

Pieter Baert, Marie Baudet, Willem Bruls, Martine D. Mergeay, Johan de Boose, Catho De Cordt, Béatrice Delvaux, Camille De Rijck, Dirk De Wachter, Eline Hadermann, Cécile Le Van, Elena Lombardo, Katrine Simonart, Wim Van Bree, Thomas Van Deursen, Paul Wauters

Vertalingen / Traductions / Translations

Brigitte Brisbois, Jeroen De Keyser, Patrick Lennon, Maxime Schouppe, Émilie Syssau, Koen Van Caekenberghe, Muriel Weiss

Eindredactie / Rédaction finale / Editorial review

Pieter Baert (NL), Katrine Simonart (FR)

Met de medewerking van / Avec la collaboration de / With the collaboration of Tim Beernaert, Carl Böting, Lara Cannaert, Pieter Claes, Quentin Coeckelberghs, Mathias Debroux, Carolien De Schrijver, Lydia Desloover, Marc Dewit, Louise DiTullio, Lies Doms, Lalina Goddard, Frankie Goethals, Marie Goffette, Sébastien Herbecq, Florian Köfler, Thomas Lauriot dit Prévost, Marie-Caroline Lefin, Guillaume L’Hôpital, Eleonora Loontjens, Bérangère Martin, Marie Mergeay, Ingeborg Mertens, Alice Pierson, Angel Senga, Pierre Stubbe, Veronique Van Hees, Simon Van Rompay, Mirjam Zomersztajn

Iconografie / Iconographie / Iconography

Lara Cannaert, Pieter Claes, Pierre Stubbe, Simon Van Rompay

Met bijzondere dank aan / Tous nos remerciements à / With special thanks to Michèle Valkenborghs, Karen Wyckmans (De Standaard) Christophe Berti, Arthur Parzysz (Le Soir)

Vormgeving / Graphisme / Layout

Delphine Platteeuw

Druk / Impression / Printed by Graphius, Gent

Maart / Mars / March 2026

Wettelijk depot / Dépôt légal / Legal registration D/2026/5974/3

Iconografische credits / Crédits iconographiques / Iconographical credits

Cover © Belga / AFP-Archive, Andrew McCarthy, Belga / Associated Press, Shamil Zhumatov (REUTERS)

Verso cover © Sebastian Steveniers

p. 01 © Francesco Gioia, Kaat Pype, Jimmy Kets

p. 03 © Simon Van Rompay

p. 10 © Pieter Claes

p. 13 © Pieter Claes

p. 14 © Simon Van Rompay

p. 17 © Forster

pp. 18-19 © Forster

p. 24 © Wikimedia Commons

p. 27 © Philippe Bouchon, AFP/GETTY

p. 28 © Cristina Vaquero

p. 32 © Nanna Heitmann, Magnum

p. 35 © Krzysztof Bieliński

p. 37 © Krzysztof Bieliński

p. 38 © Kaupo Kikkas

pp. 40-41 © Simon Van Rompay

p. 43 © Simon Van Rompay

p. 44 © Aline Giaux

p. 46 © Simon Van Rompay

p. 47 © Simon Van Rompay

p. 48 © Simon Van Rompay

p. 51 © Ma ël G. Lagadec

p. 52 © Lara Cannaert

p. 53 © Pieter Claes

p. 54 © Simon Van Rompay

pp. 56-57 © Ethan Cannaert

p. 59 © Pieter Claes

p. 60 © Simon Van Rompay, Pieter Claes

p. 62 © Pieter Claes

p. 63 © Pieter Claes

p. 70 © Simon Van Rompay Backcover © Kaat Pype

DIRECTIE / ÉQUIPE DE DIRECTION / SENIOR MANAGEMENT

Intendant – Algemeen & artistiek directeur / Intendante – Directrice générale & artistique / Intendant – General & Artistic Director Christina Scheppelmann

Muziekdirecteur / Directeur musical / Music Director Alain Altinoglu

Financieel directeur / Directeur financier / Financial Director Thomas Lauriot dit Prévost

Directeur aristieke planning & productie / Directeur planning & production artistiques / Director of Artistic Planning & Production Florian Köfler

Communicatie, Marketing & Audience Engagement / Communication, Marketing & Audience Engagement Lydia Desloover

Technische directrice / Directrice technique / Technical Director Charmaine Goodchild

Directeur personeel & organisatie / Directeur personnel & organisation / Director of People & Organisation

Matthias Van Holm

De Munt wordt gesubsidieerd door de Federale Staat en geniet de steun van de Tax Shelter en de Nationale Loterij. / La Monnaie est subventionnée par l’État fédéral et bénéficie du soutien du Tax Shelter et de la Loterie Nationale. / La Monnaie is subsidized by the Federal Government and is supported by the Tax Shelter and the National Lottery.

De Munt wordt ook gesteund door / La Monnaie bénéficie également du soutien de / La Monnaie also receives support from Corporate Club, Business Suppliers, Maecenas & Opera Lovers.

De volgorde van de talen in onze publicaties alterneert ieder jaar conform de federale wetgeving. / L’ordre des langues dans nos publications alterne chaque année, se conformant ainsi à la législation fédérale. / The order of the languages in our publications alternates every year in compliance with federal legislation.

OUR PASSION FOR OPERA?

OUR PASSION FOR OPERA? THAT’S WHAT WE LOVE TO SHARE.

OUR PASSION FOR OPERA? THAT’S WHAT WE LOVE TO SHARE.

OUR PASSION FOR OPERA? THAT’S WHAT WE LOVE TO SHARE.

OUR PASSION FOR OPERA? THAT’S WHAT WE LOVE TO SHARE.

THAT’S WHAT WE LOVE TO SHARE.

With passion and ambition, anything is possible – on and off the stage.

With passion and ambition, anything is possible – on and off the stage.

With passion and ambition, anything is possible – on and off the stage.

With passion and ambition, anything is possible – on and off the stage.

With passion and ambition, anything is possible – on and off the stage.

Like them, we strive to deliver peak performance, time and time again.

Like them, we strive to deliver peak performance, time and time again.

Like them, we strive to deliver peak performance, time and time again.

For over 40 years, we’ve supported the most beautiful voices as they give their all.

For over 40 years, we’ve supported the most beautiful voices as they give their all.

For over 40 years, we’ve supported the most beautiful voices as they give their all.

For over 40 years, we’ve supported the most beautiful voices as they give their all. Like them, we strive to deliver peak performance, time and time again.

For over 40 years, we’ve supported the most beautiful voices as they give their all. Like them, we strive to deliver peak performance, time and time again.

2004

START OF SUPPORT FOR A BRIDGE BETWEEN TWO WORLDS

WE ARE HERE

MORE THAN 115 000 PEOPLE HAVE DISCOVERED OPERA

OUR ENERGY IS ALL YOURS.

ENGIE promotes access to culture for all, in particular by supporting La Monnaie’s social project ‘A Bridge between two Worlds’. More than 115 000 people have taken part in this program since 2004. This is how we aim to share our energy for the greater good.

© Maël G. Lagadec

Merci à tous les joueurs de la Loterie Nationale. Grâce à eux, le Théâtre royal de la Monnaie peut à nouveau vous offrir une programmation artistique passionnante. Et vous, vous jouez aussi, non ?

Bedankt aan alle spelers van de Nationale Loterij. Dankzij hen kunnen wij jullie met de Koninklijke Muntschouwburg opnieuw een boeiend artistiek programma aanbieden. Jij speelt toch ook?

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De Munt / La Monnaie - Magazine 2026-27 by La Monnaie / De Munt - Issuu