ongelooflijke Bijbelverhalen GRAPHIC NOVEL BIJBEL
ongelooflijke Bijbelverhalen GRAPHIC NOVEL BIJBEL
Willeke Brouwer
Ongelooflijke bijbelverhalen Willeke Brouwer ISBN 978-90-65394-78-1 NUR 224 c-NUR 004 Geschreven en geïllustreerd door Willeke Brouwer Vormgegeven door BEEEP GRAFISCH ONTWERP BNO, Brigitte Wolthuis © 2022 UITGEVERIJ ROYAL JONGBLOED – HEERENVEEN Alle rechten voorbehouden. Royal Jongbloed is onderdeel van Royal Jongbloed Publishing. WWW.ROYALJONGBLOED.COM
INHOUDSOPGAVE Het begin De eerste mensen
9 17
Kaïn en Abel
25
De zondvloed
37
De toren van Babel
49
Abram op reis
61
Abram en Sarai
71
Abraham en Isaak
81
Rebekka
87
Jakob en Esau
97
De dromenkoning
109
Jozef is de baas
119
Mozes
127
Vlucht uit Egypte
137
De tocht door de woestijn
147
Jozua en het beloofde land
159
Rechters
169
Ruth
177
Saul
183
David
191
Absalom
199
Salomo
207
De verdeling van de koninkrijken
215
Hizkia
223
Amos
231
Jesaja
239
Job
247
Jona
257
Nehemia
267
Daniël
277
Ester
285
Maria en de engel
297
De baby wordt geboren
307
Met Jezus in de tempel
319
Jezus is spoorloos
327
De doop in de Jordaan
335
De bruiloft in Kana
343
Jezus kan mensen genezen
349
Vijf broden en twee vissen
357
Jezus loopt over het water
363
Lazarus wordt weer levend
369
Jezus komt aan in Jeruzalem
377
Het verraad
383
De kruisiging
391
Jezus is dood. Of niet?
403
Jezus gaat terug naar zijn vader
413
De geest van Pinksteren
419
De eerste kerken
427
Paulus gaat Jezus ook volgen
435
De visioenen van Johannes
443
hoe wat waar Over het begin van alles ZIJN veel verhalen. Heel veel volken kennen een ‘scheppingsverhaal’, over hoe alles ontstond. Het zijn mooie verhalen. Ze hebben veel overeenkomsten. mensen vertelden deze verhalen aan hun kinderen, en die kinderen vertelden ze weer door. Pas later, toen het schrift ontstond, gingen de mensen de verhalen opschrijven. Dit is het scheppingsverhaal dat opgeschreven werd in de bijbel.
Het Begin Eerst is alleen God er. En een woeste waterpartij. Vanuit het niks maakt God de wereld. De hemel en de aarde. Het is donker. Er leeft niks in die hemel of op die aarde. Er is alleen water. Zwart, diep, leeg water. De geest van God zweeft over het water, door het donker. God zegt:
‘Laat er licht zijn!’
Nu is er licht. God noemt het licht ‘DAG’ en het donker ‘NACHT’. Dat is de allereerste dag.
–9–
Op de tweede dag zegt God: ‘Ik wil een scheiding tussen de hemel en het water.’
Er ontstaat een hemel met wolken. Op de derde dag zegt God: God noemt het droge land ‘aarde’ en het water ’zee’. God ziet dat het goed is. Hij zegt:
‘Ik wil dat er allerlei planten en vruchtbomen groeien. Hun zaden zullen weer nieuwe planten en bomen vormen.’
– 10 –
‘Laat het water bij elkaar stromen, zodat er droog land tevoorschijn komt.’
Ook nu ziet God dat het goed is. Op dag vier zegt God:
‘Ik wil dat er heldere lichten aan de hemel verschijnen om de aarde te verlichten. Die lichten moeten het verschil tussen dag en nacht aangeven.’
God maakt twee grote lichten, de zon en de maan. Het grootste licht, de zon, schijnt overdag. Het kleinste, de maan, schijnt ’s nachts. Ook maakt God de sterren, om de aarde te verlichten, dag en nacht aan te geven, en het donker van het licht te scheiden.
– 11 –
Ook nu zagOp God de dat het goed was. zegt
vijfde dag God:
‘Ik wil dat er vissen in de zee zwemmen en dat de lucht vol is met vogels.’
Hij zegent ze, en hij zegt:
‘Zorg ervoor dat jullie aantal groeit, zodat de aarde vol wordt.’
zegenen !? verbinden met het goede, het goede toewensen.
Op de zesde dag zegt God:
‘Er moeten dieren zijn. Vee, kruipende dieren, wilde dieren.’
‘Ik wil dat er mensen zijn. Mensen die op mij lijken.’ God maakt de mensen. Een man en een vrouw. Hij zegent hen. Hij zegt: ‘Zorg ervoor dat jullie kinderen krijgen, bevolk de aarde en zorg voor alle dieren.’
Zo begint het avontuur van God en de mensen.
– 14 –
– 15 –
hoe wat waar Nu zijn er zes dagen voorbij. God heeft uit de chaos van het begin een aarde gemaakt. Een aarde met dagen en nachten; met een hemel en zeeën; bomen, planten, bloemen, vissen en vogels. En de eerste twee mensen. De aarde is prachtig! Het is de zevende dag. God gaat rusten. Hij zegt: ‘Ik wil dat deze dag speciaal wordt voor iedereen. Een rustdag.’
DE EERSTE MENSEN
Het leven van Adam en Eva begint hier, in deze mooie tuin. Zij zijn er en God is er. Het is warm, het ruikt lekker en ze horen mooie geluiden. Ze leren dat vogels die maken. Ze zien prachtige vormen en kleuren. Bloemen! Ze nemen alles in zich op, nog zonder iets te begrijpen. Adam en Eva, de eerste mensen. Ze kijken naar elkaar. Ze zien elkaar. God was er al. Er zijn planten en bomen, waar heerlijk fruit aan groeit. Er zijn bessen, noten en zaden.
– 17 –
God zegt: ‘Je mag van alle bomen in de tuin eten, BEHALVE van DE BOOM VAN DE KENNIS VAN GOED EN KWAAD. Die staat in het midden van de tuin. De boom heet zo, omdat je goed en kwaad zult leren kennen, zodra je ervan eet. Daar zijn jullie nog niet klaar voor. Als je van de boom eet, zul je sterven.’ Zij – Adam en Eva – mogen voor de aarde zorgen. En voor de dieren, en planten en bomen. Zo begint het leven voor Adam en Eva. Het is een mooi leven. Ze lopen door de grote tuin. Ze kijken naar de bloemen en spelen met de dieren. Er is een meertje met een waterval. Ze spelen met elkaar. Ze lachen en spetteren. Ze praten met God. Ze zijn gelukkig, al kennen ze dat woord nog niet.
– 18 –
Adam mag bedenken hoe de dieren zullen gaan heten. Dat is nog niet zo makkelijk. Hij verzint van alles: olifant, kariboe, okapi, helmkasuaris, buffelkopeend … Adam geeft ze de gekste namen. En zo heten ze voortaan.
Terwijl Adam druk is met de dieren, loopt Eva rond in de tuin. Ze ruikt de zoete geuren van de bloemen. Het gras kriebelt onder haar blote voeten. Ze plukt een paar kersen van een boom. Lekker! Langzaam dwaalt ze naar het midden van de tuin. Daar staat-ie: de Boom van Kennis van Goed en Kwaad. Het is een mooie, grote, sterke boom! Eva schrikt. Vlak voor haar, in het gras, duikt opeens een slang op. Hij zegt: ‘God heeft jullie zeker verboden van de bomen te eten, hè?’ ‘Nee, hoor’, zegt ze. ‘Alleen van die daar.’ Ze wijst naar de boom. ‘Als we daarvan eten, sterven we.’
– 19 –
‘Dat is een leugen’, zegt de slang. ‘Dat gebeurt niet. Je wordt net als God. Je zult het verschil tussen goed en kwaad leren kennen. Dat is alles.’ Eva loopt naar de boom. Die vruchten zien er wel superlekker uit.
‘Toe maar’, zegt de slang. Hij kruipt over de stam omhoog met zijn kleine, snelle pootjes. ‘Proef maar!’ Ze denkt aan wat God gezegd heeft. God heeft uitgelegd wat sterven is. Het is niet iets wat ze graag zou willen. Het is fijn in deze tuin. Maar zou de slang gelijk hebben? Dat ze net als God worden? Dat kan toch niet verkeerd zijn? De vrucht glanst in de zon. Eva ruikt de zoete geur. Ach. Ik neem een hap, denkt ze. Het sap loopt langs haar kin.
O, wat is DIT lekker! – 20 –
Ze loopt met de vrucht naar Adam en biedt hem ook een hap aan. ‘Waar komt die vandaan?’ vraagt Adam. Ze wijst naar de boom in het midden. Adam kijkt. Hij kijkt Eva weer aan. ‘Maar … dan sterven we!’ ‘Ik ben er nog’, zegt Eva. ‘Ja’, zegt Adam. ‘Dat is waar.’ Hij neemt een hap. Het lijkt wel opeens donkerder te worden om hen heen. Eva rilt. Ze voelt een koude windvlaag. Ze kijkt Adam aan. Wat heeft ze gedaan? Gaan ze toch sterven? Ze rilt weer en voelt zich bloot. Adam kijkt Eva aan. Hij voelt zich ook niet fijn. Ze willen zich verstoppen en zich bedekken. Van vijgenbladeren prutst Eva een soort rokje in elkaar dat ze om haar middel doet. Voor Adam maakt ze ook zoiets. Ze zeggen niks. Alles lijkt anders nu. De schaduwen tussen de bomen, de lucht … Alles lijkt naar hen te loeren. Het is stil. Ze verstoppen zich in de schaduw van een boom. In de avond horen ze de stem van God. ‘ADAM, WAAR BEN JE?’ ‘Achter de boom’, zegt Adam. ‘Ik voel me zo bloot!’
– 21 –
Hij klinkt heel gewoon, maar Eva ziet hem bibberen. ‘Wie heeft gezegd dat je bloot bent?’ vraagt God. ‘Heb je soms van de verboden boom gegeten?’ Adam haalt diep adem. ‘Die vrouw die u mij gaf, gaf mij een hap.’
‘Hoe kon je dat nu doen?’ vraagt God aan Eva. Eva voelt zich nu echt naar. ‘Het komt door de slang’, zegt ze. ‘Die loog tegen mij!’ Nu spreekt God tegen de slang.
‘Jij bent vervloekt! Voortaan zul je op je buik door het stof kruipen! Jij en de mens zullen voor eeuwig vijanden zijn.’ Dan is Eva aan de beurt. ‘Je zult met veel pijn en moeite kinderen krijgen. Je zult verlangen naar je man en hij zal de baas over je zijn.’ Tegen Adam zegt God: ‘Voortaan zul je hard moeten werken om in leven te blijven. Het zal een zwaar leven zijn met dorens en distels op je pad, totdat je doodgaat. Dan zul je vergaan tot het stof van de aarde.’ Adam en Eva durven elkaar niet aan te kijken. Dan gaat
alles heel snel. God maakt kleren van dierenhuid. Ze moeten direct de tuin verlaten. Want de Boom van het Leven staat er ook. Als ze daarvan eten, blijven ze ook nog voor altijd leven. Daarom stuurt God ze weg. Ze schamen zich diep, wanneer ze vertrekken. Eva kijkt nog één keer om. ‘Adam, kijk’, zegt ze. Voor de ingang van de tuin staan twee figuren van licht. ‘Engelen’, fluistert ze. ‘Daar heeft God me een keer over verteld.’ Tussen de engelen flitst een lichtgevend zwaard heen en weer. ‘We kunnen nooit meer terug’, zegt Adam schor.
– 23 –
‘We kregen zo veel van God. Maar we wilden meer! Nu we uit die mooie tuin zijn gestuurd, begrijp ik pas hoe goed we het hadden. En hoe dom we zijn geweest. Het leven hier is zwaar en koud. We werken hard en hebben spijt. Maar God blijft met ons praten. Hij laat ons niet alleen.’
EVA
– 24 –
kaïn en abel hoe wat waar Adam en Eva wonen niet meer in de tuin. Hun leven is totaal veranderd. Vroeger aten ze alles wat de natuur ze gaf: noten, vruchten, bessen en zaden. Het was heerlijk en er was genoeg. Nu is het moeilijk om te overleven. Vruchtbomen worden kaalgevreten door hongerige vogels. De grond is droog – er kan maar weinig op groeien – en het leven is hard. Er zijn inmiddels kinderen geboren. daarbij zijn twee jongens. Kaïn, de oudste, wordt landbouwer. Kaïn betekent ‘speer’. Zijn jongere broer heet Abel. Dat betekent ‘lucht’. Abel blijkt een goede schaapherder.
– 25 –