David en Goliat
Gouden Bijbelverhalen – deel 6
Tekst: Milouska Meulens
Illustraties: Harmen van Straaten
Concept: Eric Holman, Gerard van Midden en Bas Ragas
Vormgeving: Rubinstein en Leoniek de Hoop – Hoop Werk
Redactie: Gerard van Midden, Sophie Visser en Rubinstein
Productiebegeleiding: Eric Daams
Uitgever: Uitgeverij Rubinstein – Amsterdam
ISBN: 9789047674108
NUR: 274
© 2026 Uitgeverij Rubinstein. Tekst: Milouska Meulens. Illustraties: Harmen van Straaten. Vermenigvuldiging van (delen van) deze uitgave is niet toegestaan. Geen enkel deel van dit boek mag worden gebruikt voor het trainen van kunstmatige intelligentie. All rights reserved.
Voor contact: info@goudenbijbelverhalen.nl www.goudenbijbelverhalen.nl www.rubinstein.nl
David en Goliat
Milouska Meulens
Harmen van Straaten
Wie is zo vrolijk, daar in de heuvels van Judea? Het is David de herdersjongen.
Hij tokkelt op zijn harp een zelfbedacht liedje.
‘Schaapjes, stil nu, geen geblaat.
Ik ben herder, geen soldaat.
Luister kudde, naar mijn gezang.
Ik ben hier, wees maar niet...’
David stopt plotseling met zingen. Hij hoort iets in de bosjes. Zijn hand glijdt naar de slinger die altijd klaarligt voor je weet maar nooit. Dan, gebrul. Een beer, denkt David. Hij schiet overeind en mikt. Raak! ‘Schaapjes,’ zegt David opgelucht, ‘we gaan naar huis.’
Als de kudde veilig achter het hek staat, holt David naar zijn vader. Buiten adem begint hij te vertellen. ‘Ik hoorde geritsel.’ Zijn vader knikt afwezig en mompelt: ‘Prima jongen.’
‘Het was een-’ zegt David.
Maar zijn vader onderbreekt hem.
‘Ga slapen, zoon. Morgenvroeg moet je naar je broers, vragen hoe het met ze gaat. En brood, kaas en melk brengen.’
David slikt zijn teleurstelling weg. Het verhaal is nog niet af. En hoe trots hij ook is op zijn grote broers, het zijn pestkoppen. Toch gehoorzaamt hij zijn vader en gaat naar bed.
Voor zonsopkomst staat David op. Hij pakt eten, zijn staf en zijn slinger en zegt zijn vader gedag. De weg kronkelt, de zon steekt. Na uren lopen zoekt David koelte onder een olijfboom. Hij staat met zijn slinger te zwaaien, om zijn hand soepel te houden, als er reizigers voorbijkomen. Een van hen waarschuwt hem.
‘Ga niet die kant op,’ zegt de man. ‘Goliat is daar. De gigant uit Gat.’
‘Hij wil vechten met onze soldaten,’ vertelt een andere reiziger. ‘Maar die zijn bang en laf.’
Een derde stamelt: ‘M-m-maar wie zou niet bang zijn?’
‘Mijn zeven broers zijn vast dapper,’ antwoordt David. Met die hoop in zijn hart stapt hij stevig door.
Bij het legerkamp gekomen kijkt hij uit over de vallei van Elah. Daar ergens zit de vijand, weet David.
Om hem heen is het een drukte van belang. Overal klinkt metaalgekletter, geroep van soldaten en het gehinnik van paarden. David is onder de indruk.
Hij hoopt dat zijn broers hem een rondleiding geven. Dan moet ik ze eerst vinden, denkt hij, en zoekt gauw verder. Zeven broers vinden, zo moeilijk kan dat niet zijn toch? Maar dat is het wel. David zoekt en zoekt en… raakt de weg kwijt. Al die tenten lijken ook zo op elkaar.