Relatie tussen levensbeschouwing (Hemel en Aarde) en burgerschap Om te kijken naar de relatie tussen de inhoud van de lessen van Hemel en Aarde en het vak burgerschap, nemen we het wettelijk kader als uitgangspunt. Het is namelijk de wet waar de scholen zich bij de inrichting van hun burgerschapsonderwijs aan moeten houden. Zolang de scholen aan de wettelijke eisen voldoen, kunnen zij zelf kiezen voor de invulling die het beste past bij de school, de leerlingen en de ouders. Voor het vak levensbeschouwing zijn overigens geen wettelijke eisen, dus daar hoeven we geen rekening mee te houden. In de lessen van Hemel en Aarde leren kinderen nadenken over levensbeschouwelijke onderwerpen en ervaringen. Hemel en Aarde maakt daarbij gebruik van bronnen uit verschillende tradities, waaronder religieuze, maar ook volksverhalen, mythen en sagen. In de methode werken we aan zes basisvaardigheden. Deze vaardigheden komen terug in de wettelijke eisen van het vak burgerschap:
Het wettelijk kader Burgerschap Artikel 8, derde lid, van de Wet op het primair onderwijs: 3. Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doelgerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op: š °š ° het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grondwet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens, en het handelen naar deze basiswaarden op school; š ±š ± het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving; en š ²š ² het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. 3a. Het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, creĆ«ert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht de in het derde lid, onder c, genoemde verschillen. Ā© Kwintessens
Pagina 1 van 5