


![]()




Lectoraatsprogramma 2025-2028
Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten Naomi Bueno de Mesquita
Al op jonge leeftijd was ik gefascineerd door de manier waarop ontwerp sociale relaties weet te bemiddelen. Na mijn schooltijd koos ik daarom voor een studie in architectonische vormgeving, vanuit de wens een discipline te vinden die de reflectieve dimensie van antropologie kon verbinden met de interventionistische kracht van ontwerp. Mijn belangstelling lag bij de sociale en culturele aspecten van antropologie, maar ik besloot bewust niet uitsluitend dat pad te bewandelen. Ik was ervan overtuigd dat een louter beschouwende benadering onvoldoende recht zou doen aan de complexiteit van de wereld. Een interventionistische benadering, die nieuwe condities schept, bood naar mijn idee een eerlijker en productiever kader voor de relatie tussen object en subject, onderzoeker en onderzochte, theorie en praktijk. Gedurende mijn studie, en ook in de jaren daarna, heb ik mij dan ook steeds bewogen tussen deze twee kennisdomeinen.
Enkele jaren geleden voltrok zich een kantelpunt in mijn denken toen ik meerdere debatten over activisme in de academische wereld bijwoonde. De zalen waren gevuld met studenten, kunstenaars en onderzoekers die met grote stelligheid spraken over macht, ongelijkheid en de noodzaak tot verandering. Wat mij echter vooral trof, was niet wat er gezegd werd maar het onuitgesprokene: in de blikken van sommige toehoorders las ik aarzeling; vragen en afwijkende standpunten leken niet te passen binnen het dominante register van het gesprek.
Rond diezelfde periode sprak ik met verschillende academici die aangaven bepaalde onderwerpen rond diversiteit en sociale rechtvaardigheid liever te vermijden. Zij wezen erop dat in de academische wereld sommige standpunten sneller erkenning vonden of gemakkelijker toegang boden tot subsidies en promoties, terwijl andere juist spanningen of zelfs risico’s voor hun loopbaan opleverden.

Dit bevestigde mijn indruk dat universiteiten en kunstinstellingen steeds minder ruimte boden aan uiteenlopende perspectieven en vaak opereerden vanuit een elitaire afstand tot de wereld, met weinig werkelijk contact met mensen buiten hun eigen kring.
Binnen de kunsten zelf zag ik een vergelijkbare tendens: activisme verhardde geregeld tot het innemen van onwrikbare posities, terwijl het onderzoeken, bevragen en luisteren naar andersdenkenden over controversiële onderwerpen naar de achtergrond verschoof. Het publieke gesprek over sociale rechtvaardigheid, alsook de ontwerppraktijk verbonden met deze thematiek, bood steeds minder ruimte voor nuance en nieuwsgierigheid. Daardoor verloor veel onderzoek op dit terrein voor mij zijn aantrekkingskracht, juist op een onderwerp dat mij bijzonder na aan het hart ligt en de oorspronkelijke reden was dat ik een carrière in de kunsten ben begonnen.
Op dat moment stond ik voor een fundamentele keuze: de academische wereld verlaten, of van binnenuit bijdragen aan een opener en constructiever debat. Ik koos voor het laatste. Dit lectoraat is het resultaat van die beslissing. Het heeft tot doel een onderzoek context te ontwikkelen waarin vraagstukken van sociale rechtvaardigheid kritisch kunnen worden onderzocht zonder te verworden tot rigide dogma’s. Daarbij staat niet alleen de analyse van ongelijkheid en machtsverhoudingen centraal, maar evenzeer het scheppen van ruimte voor samenwerking, dialoog en het expliciet hoorbaar maken van stemmen die doorgaans gemarginaliseerd of onuitgesproken blijven binnen de kunsten. Het uitgangspunt is een benadering die niet over maar met anderen spreekt, en daarmee de relatie tussen onderzoek, praktijk en samenleving fundamenteel heroverweegt.

Naomi Bueno de Mesquita

De omslag van dit document toont een grid-structuur waarin verschillende zoomniveaus zijn gevisualiseerd. In alle output van dit lectoraat zal gespeeld worden met digitale kaartelementen en zoom-niveaus. Deze keuze is gestoeld op het idee dat bij het navigeren door een kaart bepaalde lijnen bij het uitzoomen juist zichtbaar worden, terwijl andere dunner worden of volledig verdwijnen. Het is een analogie voor de manier waarop complexiteit en meerstemmigheid zich tonen: sommige stemmen of perspectieven treden duidelijk naar voren, terwijl andere slechts latent aanwezig blijven of zich pas bij nauwkeurige bestudering laten zien. Daarmee verbeeldt de kaart niet alleen de ruimte, maar ook de dynamiek van sociale rechtvaardigheid: wat zichtbaar is, is altijd een kwestie van perspectief en schaal, en vraagt om een actieve en nieuwsgierige houding van de onderzoeker en lezer.
De nadruk op zoom-niveaus en schaal benadrukt bovendien dat geen enkel zichtveld ooit volledig kan zijn. Het vermogen om te schakelen tussen niveaus—van het intieme en persoonlijke tot het institutionele en structurele—is een vaardigheid die
dit lectoraat centraal stelt. Juist in dit schakelen ontstaat de mogelijkheid om verbanden te zien die anders verborgen blijven. Deze visuele strategie maakt zichtbaar dat sociale rechtvaardigheid niet statisch of eendimensionaal is, maar voortdurend in beweging en afhankelijk van het gekozen perspectief.
Daarnaast is gekozen voor een prominente rol voor voetnoten. Waar voetnoten traditioneel worden gezien als aanvullend of secundair, worden ze hier gepositioneerd als parateksten: elementen die de hoofdtekst niet hiërarchisch ondersteunen, maar functioneren als poorten die de lezer uitnodigen om van perspectief te wisselen, verder te verdiepen of context toe te voegen. In die zin werken ze meer als hyperlinks dan als ondergeschikte notities: ze structureren, kaderen en verrijken de hoofdtekst. De voetnoten openen op deze manier nieuwe perspectieven en maken ruimte voor kritische reflecties, theoretische kaders of contrasterende stemmen, zonder noodzakelijk te wedijveren met de hoofdtekst. Zo ontstaat een dynamische verhouding tussen hoofdtekst en paratekst waarin meerdere registers—analytisch,

beschouwend, narratief of ervaringsgericht—naast elkaar bestaan.
Deze keuze sluit aan bij de methodologische kern van het lectoraat, waarin dialoog en meerstemmigheid centraal staan. Net zoals kaarten slechts een interpretatie zijn van de werkelijkheid, vormen ook de voetnoten een uitnodiging om het verhaal te bevragen, uit te breiden of te corrigeren. In toekomstige publicaties van het lectoraat zal dit principe verder worden uitgewerkt: om te laten zien dat kennis altijd relationeel, voorlopig is en in dialoog ontstaat.
Op die manier worden zowel de kaartelementen als de voetnoten meer dan vormkeuzes: zij zijn representaties van de werkwijze en onderzoekshouding van het lectoraat. Samen belichamen zij een visuele en tekstuele strategie die benadrukt dat onderzoek naar sociale rechtvaardigheid nooit eenduidig is, maar altijd vraagt om schakelen, positioneren en luisteren naar meerdere stemmen tegelijk.


1. Onderzoeksprofiel en -programma
1.1 Missie en visie
1.2 Onderzoeksprofiel
1.3 Onderzoeksmethoden
1.4 Onderzoeksdomeinen
1.5 Visualisaties van de onderlinge relaties tussen projecten
1.6 Aansluiting AHK beleid en TCP thema’s
2. Doorwerking en Zichtbaarheid
2.1 Beoogde doorwerking/impact
2.2 Voorgenomen Activiteiten
2.3 Verwachte Resultaten en Disseminatie
2.4 Indicatoren
3. Kwaliteitszorg
3.1 Kwaliteitscriteria
3.2 Kwaliteitsborging
4. Organisatie (mensen en middelen)
4.1 Organisatie lectoraat
4.2 Bemensing lectoraat
4.3 Relatie interne netwerken
4.4 Relatie externe netwerken
4.5 Meerjarenplanning en -begroting
Referenties
Invloedrijke literatuur

Sociale rechtvaardigheid en diversiteit in de kunsten zijn vandaag onderwerp van intensief—en vaak gepolariseerd—publiek debat. Juist omdat het gesprek regelmatig verhardt, begrippen verwateren en nuance verloren gaat, is er behoefte aan verdieping, onderzoek en duiding. Vanuit die overtuiging én vanuit persoonlijke drijfveren om te werken aan een opener, onderzoekende cultuur binnen de kunsten, is het lectoraat Sociale Rechtvaardigheid en Diversiteit in de Kunsten (SRDK) ingericht: een plek waar uiteenlopende perspectieven zorgvuldig worden verkend, waar praktijk en theorie elkaar ontmoeten, en waar dialoog en kritisch denken hand in hand gaan.
1. Sinds november 2024 staat het lectoraat onder leiding van dr. Naomi Bueno de Mesquita. Tussen 2022 en 2024 werd het geleid door dr. Aminata Cairo, samen met associate lector Rosa te Velde. Met de komst van Naomi is het lectoraat een nieuwe koers ingeslagen.
SRDK is het jongste van de zeven lectoraten van de AHK1 en richt zich op kennisontwikkeling rond sociale rechtvaardigheid in kunst, onderwijs en onderzoek—binnen en buiten de AHK. Vijf lectoraten zijn verbonden aan een specifieke academie (AvB, ATD, CvA, NFA, RWA); de lectoraten Kunsteducatie en SRDK (beiden gevestigd op het Marineterrein) vallen onder de adjunct-directeur Onderwijs & Onderzoek. Het lectoraat opereert AHK-breed (niet academie‑gebonden) en werkt structureel samen met alle academies en relevante partners. Zo wil SRDK, midden in een maatschappelijk gevoelig en veelbesproken domein, bijdragen aan een constructief, open en vakmatig dialoog.
Het lectoraat heeft als missie om via onderzoek en kennisuitwisseling bij te dragen aan een duurzame, lerende en open samenleving. Vanuit een liberaal sociaal-rechtvaardigheidsperspectief richt het zich op het kritisch onderzoeken van ongelijkheid en machtsverhoudingen, zonder te vervallen in dogma’s of rigide posities. Uitgangspunt is dat sociale vooruitgang ontstaat waar openheid en dialoog samengaan met een respectvolle omgang met uiteenlopende ervaringen en met universele waarden als vrijheid, gelijkheid en mensenrechten.

De visie van het lectoraat is dat kunst en kunsteducatie bij uitstek plekken zijn waar maatschappelijke vraagstukken onderzocht, bevraagd en vormgegeven kunnen worden. Door theorie, praktijk en ethiek te verbinden, wil het lectoraat bijdragen aan onderzoek dat niet alleen beschouwend is, maar ook handelingsperspectieven biedt. Dit vraagt om methoden die zowel ruimte bieden voor kritische reflectie als voor ontwerpende en participatieve vormen van kennisproductie.
Het lectoraat beoogt:
Sociaal/maatschappelijk geëngageerd onderzoek te stimuleren dat bijdraagt aan een rechtvaardiger en veerkrachtiger samenleving.
Interdisciplinaire samenwerking te bevorderen met andere lectoraten en academies binnen de AHK, zodat uiteenlopende kennisdomeinen elkaar kunnen versterken.
Een brug te slaan tussen onderzoek en onderwijs, door bevindingen en werkwijzen te integreren in curricula en leeromgevingen.
De uitwisseling tussen institutionele en informele kennis te vergroten, door samen te werken met maatschappelijke organisaties en gemeenschappen buiten de muren van de AHK.
Bij te dragen aan het ontwerp van interdisciplinair onderzoek en nieuwe vormen van samenwerking, waarin kunst en wetenschappelijk onderzoek gezamenlijk kunnen reageren op actuele maatschappelijke thema’s.
Met deze missie en visie wil het lectoraat een platform zijn waar nieuwsgierigheid, kritisch denken en artistieke verbeelding en vormgeving samenkomen om bij te dragen aan sociale rechtvaardigheid in een open, onderzoekende geest.
Bij de start van het lectoraat heeft de lector onderzoek gedaan naar de verschillende academische discoursen rondom sociale rechtvaardigheid. Op basis hiervan heeft ze een positioneringsstuk geschreven. In deze introductie wordt kort ingegaan op die positionering, en wordt aangegeven met welk discours dit lectoraat zich identificeert.

2. Deze benaderingen krijgen in de literatuur door verschillende denkers diverse aanduidingen.
Het concept van sociale rechtvaardigheid kent een rijke en complexe geschiedenis, waarin tradities zoals de ideeën van Plato en Aristoteles, de invloed van Verlichtingsdenkers en sociale bewegingen voor gelijkheid en mensenrechten een belangrijke rol spelen. Hedendaags wordt het begrip uitgebreid met kwesties als raciale, gender- en milieurechtvaardigheid. Echter, de afgelopen jaren is het discours onderhevig aan verwateringen en controverse. Hoewel het enigszins vereenvoudigd is, kan het huidige academische discours over sociale rechtvaardigheid worden onderverdeeld in twee hoofdbenaderingen: liberale sociale rechtvaardigheid en kritische sociale rechtvaardigheid2 .
Hoewel beide benaderingen gericht zijn op het aanpakken van maatschappelijke ongelijkheden, verschillen ze aanzienlijk in hun methodologieën en perspectieven op sociale ongelijkheden. De benadering van liberale sociale rechtvaardigheid legt de nadruk op het belang van individuele rechten, de bevordering van gelijke kansen en de hervorming van bestaande structuren om ongelijkheden te corrigeren. Dit houdt vaak in dat er gepleit wordt voor juridische en beleidsmatige hervormingen om rechtvaardige toegang tot middelen en kansen voor alle individuen te waarborgen. In deze context kunnen voorstanders te veel gefocust zijn op het proces en te weinig aandacht hebben voor de structurele maatschappelijke problemen.
Daarentegen richt de benadering van kritische sociale rechtvaardigheid zich voornamelijk op machtsdynamieken, waarbij de heersende machtsstructuren worden bekritiseerd en de systemische ongelijkheden worden benadrukt die sociale hiërarchieën in stand houden. Dit perspectief pleit voor transformatieve maatregelen gericht op het afbreken van huidige systemen en omvat vaak intersectionele analyses om de complexiteit van discriminatie te adresseren die voortkomt uit samenlopende factoren zoals ras en gender. Deze benadering kan ertoe leiden dat voorstanders zich richten op symbolische representaties in plaats van pragmatisme of tastbare resultaten.
3. Kritische sociale rechtvaardigheid is in wezen een kritiek op het liberalisme. Je zou echter kunnen stellen dat het probleem niet is of het liberalisme heeft gefaald, maar of wij tekort zijn geschoten in het werkelijk belichamen van liberale en
In het hart van de kritische sociale rechtvaardigheidsdiscourse ligt een fundamenteel postmodern perspectief dat concepten zoals individualiteit, universaliteit en wederkerigheid verwerpt3. Academici die kritische sociale rechtvaardigheid aanhangen suggereren dat de organisatie van de samenleving wordt beïnvloed door machtssystemen die privileges
en marginalisering versterken. Individuen zijn geplaatst binnen deze machtsstructuren op basis van hun identiteiten—zoals ras, geslacht en seksualiteit—die hun succes kunnen vergemakkelijken of belemmeren.
Verschillende onderzoeken wijzen uit dat sommige vormen van kritische sociale rechtvaardigheid kunnen vervallen in dogmatisme of nieuwe vormen van uitsluiting—zie bijvoorbeeld het onderzoek van Cass Sunstein (2017), Jonathan Haidt & Greg Lukianoff (2018), Helen Pluckrose & James Lindsay (2020), Helen Lewis (2022) en Yascha Mounk (2023). Enigszins paradoxaal is dat juist discoursen die gericht zijn op inclusie en rechtvaardigheid soms zelf nieuwe vormen van ideologische rigiditeit voortbrengen, bijvoorbeeld wanneer, zoals Mounk laat zien, morele orthodoxie binnen progressieve bewegingen leidt tot uitsluiting van afwijkende stemmen of interne censuurmechanismen. Bovendien vormt de ideologische inflexibiliteit van dit discours een barrière voor het productief bevorderen van kennis en betreft het vaak een niet-verifieerbare positie. Vanuit de overtuiging dat bevoorrechte individuen hun eigen privilege niet (willen) zien, worden pogingen van leden van die groepen om het oneens te zijn geregeld bij voorbaat gediskwalificeerd.
moderne idealen, zoals filosoof Bruno Latour (1993) suggereert. Het moderne perspectief houdt vast aan het idee dat objectieve waarheid bestaat, en dat we deze kunnen benaderen via bewijs en rede, een proces dat we kennen als de wetenschap. Deze objectieve waarheid is in principe toegankelijk voor iedereen en wordt gedeeld met iedereen, ook al hebben individuen verschillende ervaringen van deze waarheden. En juist deze verschillende ervaringen zijn interessant en kunnen de kunsten belichten. De kunsten kunnen de zoektocht naar wetenschap verrijken door deze diverse ervaringen te bestuderen, niet door claims van waarheid af te wijzen, maar door deze aan te vullen, te verrijken en erop uit te breiden.

Een constructief liberaal sociaal-rechtvaardigheidsperspectief, waarmee dit lectoraat zich identificeert, staat voor openheid, dialoog en het kritisch bevragen van kennisclaims. Universele principes zoals mensenrechten, vrijheid en gelijke kansen worden erkend, terwijl kennis wordt gezien als voorlopig en herzienbaar. Deze benadering gaat verder dan het klassieke liberale perspectief door machtsverhoudingen en maatschappelijke situaties actief en kritisch te onderzoeken, met als doel gemeenschappelijkheid te bevorderen in plaats van uitsluitend verschillen te benadrukken. Ze combineert een handelingsgerichte houding—gericht op het adresseren van sociale rechtvaardigheidsconflicten— met een reflexieve en kritische positie die ruimte laat voor reflectie, argumentatie en nuance.
Belangrijk daarbij is dat deze benadering niet uitsluitend leunt op universele waarden, maar ook expliciet oog heeft voor culturele verschillen en de manier waarop rechtvaardigheid in diverse
4. In dit lectoraat is Naomi geïnteresseerd in de manier waarop creativiteit kan bijdragen aan onderzoek naar sociale rechtvaardigheid. Ze gaat uit van de hypothese dat creativiteit op een minder categoriserende en dogmatische manier complexe historische, politieke en sociologische realiteiten weet te onderzoeken. Ze stelt dat creativiteit een essentiële vaardigheid is om met complexiteit om te gaan; een skill die steeds belangrijker wordt voor andere onderzoeksdisciplines, het werkveld en handelingsperspectief biedt in een zeer gepolariseerde samenleving.

contexten verschillend wordt geïnterpreteerd en beleefd. In plaats van culturele diversiteit te zien als obstakel, beschouwt ze die als een essentiële bron voor het verdiepen van het begrip van rechtvaardigheid. Sociale vooruitgang wordt zo gezien als het resultaat van een gedeeld commitment aan rationaliteit en empirisch onderzoek, aangevuld met complementaire vormen van kennisproductie4.
Vanuit deze positionering onderzoekt het lectoraat hoe de kunsten kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van ambiguïteitstolerantie5: het vermogen om onzekerheid en meerduidigheid te verdragen. Vraagstukken rond ongelijkheid, diversiteit en machtsverhoudingen kennen immers zelden eenduidige antwoorden, maar zijn ingebed in complexe sociale, culturele en historische contexten. Ambiguïteitstolerantie betekent het erkennen dat verschillende perspectieven naast elkaar kunnen bestaan zonder dat dit direct tot conflict of consensus hoeft te leiden. Het stelt onderzoekers, kunstenaars en ontwerpers in staat om tegenstrijdige ervaringen en stemmen niet te neutraliseren, maar juist productief in te zetten. Door onzekerheden en spanningen niet te vermijden, maar ze te benutten als bron voor dialoog en nieuwe inzichten, wordt sociale rechtvaardigheid niet herleid tot simplificerende waarheden, maar vormgegeven als een dynamisch en inclusief proces van kennisproductie.
5. Vanuit een liberaal sociaalrechtvaardigheidsperspectief kan tolerantie voor ambiguïteit oorspronkelijk geïntroduceerd door Frenkel-Brunswik (1948)— worden gezien als een fundamentele houding voor het ondersteunen van pluralistische en democratische samenlevingen. Historisch onderzoek liet zien dat mensen met een hoge ambiguïteitstolerantie meer openstaan voor diversiteit, minder vastzitten aan starre categorieën van
Het lectoraat Sociale Rechtvaardigheid en Diversiteit in de Kunsten positioneert zich op het snijvlak van artistiek en ontwerpend onderzoek, wetenschappelijk onderzoek en maatschappelijk engagement. Vertrekkend vanuit een constructief liberaal sociaal-rechtvaardigheidsperspectief verbindt het lectoraat universele principes (vrijheid, gelijkheid, mensenrechten) met een onderzoekende houding die pluraliteit en kritische dialoog centraal stelt. Het profiel vertrekt vanuit de praktijk: kennis ontstaat in het doen en wordt door middel van theoretische reflectie verder verdiept en ontwikkeld. Zie paragraaf 1.3 voor
de methodische uitwerking. Deze werkwijze sluit aan bij de AHK-onderzoeksvisie en het Thematic Collaboration Programme (TCP), het interdisciplinaire samenwerkingsverband tussen lectoraten. zie paragraaf 1.6.2→
Inhoudelijk richt het lectoraat zich op vier onderling verweven thematische velden—Diversiteit en Perspectieven; Ruimte en Rechtvaardigheid; Kennis en Gemeenschap; Erfgoed en Macht— met als rode draad: hoe kunst en ontwerp bijdragen aan rechtvaardiger omgevingen en kennispraktijken. De keuze voor deze velden is ingegeven door maatschappelijke urgentie, opgebouwde expertise en bestaande netwerken binnen en buiten de AHK.
De methodische signatuur is hybride; zie paragraaf 1.3 voor methoden en inzet van beeld/kaart/geluid als analysemiddelen. Daarnaast vormt interdisciplinariteit een structureel uitgangspunt binnen dit lectoraat. Projecten koppelen bewust verschillende disciplines en veldpartners.
De relevantie en belofte van dit onderzoeksprofiel ligt in (1) praktische bruikbaarheid—tools, formats, navigatie apps, luisteroefeningen en didactische modules die inzetbaar zijn in onderwijs en praktijk; (2) kennisontwikkeling—conceptuele kaders en publicaties die artistieke, ontwerp en erfgoeddiscoursen verrijken; en (3) publiekswerking—exposities, podcasts, online platforms en publieke dialogen. Principes voor open toegang en data-transparantie zijn gebundeld in paragraaf 2.3.3 onder ‘open dissemination’. Tot slot sluit het profiel aan bij AHK‑beleid en TCP‑thema’s. zie paragraaf 1.6→
nationale, raciale of genderidentiteit, en beter in staat zijn om met verschil of onzekerheid om te gaan. Recente studies bevestigen dit door verbanden te leggen tussen ambiguïteitstolerantie, openheid, emotionele intelligentie en het vermogen om complexiteit te hanteren. Binnen liberale kaders draait sociale rechtvaardigheid niet om ideologische zekerheid, maar om het vermogen om meervoudige perspectieven naast elkaar te laten bestaan, dialoog te voeren en responsief te blijven op veranderende realiteiten. Ambiguïteitstolerantie ondersteunt zo epistemische bescheidenheid en inclusiviteit— kwaliteiten die cruciaal zijn voor het omgaan met complexe maatschappelijke vraagstukken. In de context van het lectoraat wordt deze tolerantie niet alleen gezien als psychologische eigenschap, maar ook als een sociaalmaatschappelijke en culturele vaardigheid die centraal staat binnen de kunsten, het onderwijs en het publieke debat.

Het lectoraat hanteert een breed en interdisciplinair palet aan onderzoeksmethoden dat zich uitstrekt van wetenschappelijk empirisch onderzoek tot ontwerpend en artistiek onderzoek. Deze combinatie weerspiegelt de centrale overtuiging dat vraagstukken rond sociale rechtvaardigheid en diversiteit niet vanuit één enkel perspectief te begrijpen of te adresseren zijn. Waar empirische

methoden systematische en herhaalbare kennis opleveren, dragen antropologische, etnografische, fenomenologische en ontwerpmethoden juist bij aan het blootleggen van context, ervaring, betekenis en verbeelding.
De methodologische benadering van het lectoraat is hybride en situationeel: afhankelijk van de onderzoeksvraag worden methoden gecombineerd, geherinterpreteerd of uitgebreid met nieuwe vormen. Beelden, geluiden, kaarten en archieven fungeren daarbij als analysemiddel én als uitkomst. Daarbij staat een praktijkgerichte en ontdekkingsgerichte houding centraal, waarin kennis ontstaat vanuit concrete praktijken en de interactie met gemeenschappen, omgevingen en materialen.
Binnen dit kader worden zes kernmethoden onderscheiden—
Grounded Theory, etnografie, cartografie, visueel onderzoek, sonisch onderzoek en archiefonderzoek—die elkaar aanvullen en kruisen. Elk onderzoeksproject binnen het lectoraat koppelt onderzoekers uit verschillende disciplines en stimuleert zo interdisciplinair werken, waarbij methodologische kruisbestuiving en dialogische kennisproductie nadrukkelijk worden nagestreefd. Het lectoraat streeft daarbij naar een multisensorische benadering, die niet één zintuig boven een ander stelt bij het onderzoeken en analyseren van sociale fenomenen, maar juist de fenomenologische ervaring in haar volle gelaagdheid probeert te verdiepen. In aansluiting hierop sluit het aan bij inzichten uit de geluidsstudies, waarin onder anderen Jonathan Sterne (2012) heeft gewezen op de neiging om visuele waarneming te privilegiëren boven auditieve ervaringen, met name binnen mediastudies.
Grounded Theory (GT) biedt een kader dat de ontwikkeling van theorie vanuit de praktijk centraal stelt, in plaats van uitsluitend te werken met vooraf bestaande theoretische modellen. Deze benadering maakt het mogelijk dat inzichten ontstaan vanuit praktijkgestuurd onderzoek. In kunst- en ontwerponderzoek volgt kennisproductie vaak een inductief model: theorie vloeit voort uit observatie en analyse, in plaats van omgekeerd. Traditioneel is onderzoek veelal deductief van aard, waarbij bestaande theorieën de interpretatie van gegevens sturen. GT keert deze logica om: door middel van systematische analyse van empirisch materiaal wordt theorie ontwikkeld.
Deze bottom-up benadering is bijzonder geschikt voor artistieke en ontwerp contexten, waar intuïtieve en verkennende werkvormen een

belangrijke rol spelen. Oorspronkelijk ontwikkeld door Barney G. Glaser en Anselm L. Strauss (1967) als kritiek op deductieve onderzoeksmodellen, stimuleert GT de creatie van nieuwe theorieën die gevoed worden door empirische data. Dit sluit goed aan bij artistiek onderzoek, waarin praktijken vaak unieke inzichten genereren die niet volledig door bestaande theorieën kunnen worden verklaard. De nadruk op data-gedreven theorievorming maakt GT een krachtige methodologie voor het verkennen van de complexe en vaak dynamische processen die kenmerkend zijn voor kunst en ontwerp.
In artistiek en ontwerpend onderzoek kan GT worden aangepast om uiteenlopende soorten data te analyseren, zowel kwalitatief als kwantitatief. De methodologie omvat het verzamelen van gegevens, het identificeren van terugkerende patronen via codering, en het groeperen van deze patronen in concepten en categorieën die uiteindelijk nieuwe theoretische kaders voeden. Dit proces weerspiegelt de creatieve cyclus, waarin ideeën zich ontwikkelen en transformeren door voortdurende praktijk en reflectie. Het kenmerkt zich door een dialectische beweging van heen en weer schakelen, waarbij wordt ingezoomd op details en uitgezoomd op het grotere geheel dat gaandeweg vanuit het veld zichtbaar wordt.
Artistieke praktijken profiteren van het idee van emergentie in GT, een kernconcept dat ondersteunt dat ontwerpen en concepten zich organisch ontwikkelen gedurende het onderzoeksproces.
Deze benadering kan leiden tot innovatieve ontwerpen, onderzoeksmethoden en concepten, en uiteindelijk nieuwe theorieën vormgeven die resoneren met de artistieke praktijk.
Bovendien stelt de aanpasbaarheid van GT de onderzoeker in staat om de beperkingen van traditionele theorieën te overstijgen, die vaak gebonden zijn aan specifieke lexicons binnen bepaalde onderzoeksgemeenschappen. Door een divers scala aan vocabulaire te integreren—van participatief ontwerp en sociale netwerktheorie tot computerwetenschappen (bijvoorbeeld via scraping tools) en meer—wordt artistiek onderzoek daadwerkelijk transdisciplinair. Deze transdisciplinaire benadering verrijkt het onderzoek en stimuleert de ontwikkeling van theorieën die verschillende vakgebieden en perspectieven met elkaar verbinden. Tegelijkertijd benadrukt GT de beweeglijkheid en flexibiliteit van het onderzoeksproces: inzichten kunnen zich gaandeweg ontwikkelen en worden aangepast naarmate de onderzoeker zijn of haar argumentatie en/of artistieke idee verder uitwerkt.
Een belangrijk aspect van GT binnen het lectoraat is dat zij een praktijk nabije, contextgevoelige benadering van thema’s als

sociale rechtvaardigheid mogelijk maakt. Niet ‘praten over’, maar onderzoeken mét betrokkenen—en waar passend via ontwerpende praktijken, kaarten, beelden en geluid—zodat begrippen geleidelijk en gegrond in data en ervaring ontstaan. Daarmee adresseert dit lectoraat een kenniskloof: veel discussies rond sociale rechtvaardigheid blijven abstract en normatief, terwijl GT in voortdurende dialoog, in wisselwerking met het veld werkbare categorieën en inzichten ontwikkelt die meer pragmatisch ingestoken zijn. Door systematisch coderen, constant vergelijkende analyse en theorie‑ gestuurde selectie van casussen worden context, ambiguïteit en nuance expliciet meegenomen. Zo levert GT robuuste én toepasbare inzichten op in de complexiteit van sociale vraagstukken, die zowel theoretisch vruchtbaar als praktisch inzetbaar zijn.
Etnografie vormt binnen dit lectoraat een kernbenadering, omdat zij onderzoekers in staat stelt sociale praktijken, interacties en betekenissen te begrijpen vanuit de leefwereld van betrokkenen. In plaats van afstandelijke observatie beoogt etnografie contextueel ingebedde kennis te genereren via langdurige betrokkenheid, participerende observatie, reflexieve analyse en— waar relevant— auto-etnografie.
In aansluiting op het werk van filosoof Maurice Merleau Ponty (1962/1945) beschouwt dit lectoraat etnografie als een methodologische benadering die gebaseerd is op belichaming: het lichaam als locus van waaruit en waardoor onze ervaring van de wereld zich ontvouwt (Csordas, 2002). Etnografen die vanuit deze fenomenologische benadering werken, verzamelen informatie over—en besteden bijzondere analytische aandacht aan—lichamelijke praktijken, affectieve en zintuiglijke ervaringen. Zij benadrukken het belang van het begrijpen van de geleefde ervaring van onderzoeksdeelnemers (Csordas 1994; Desjarlais 2003; Geurts 2002).
Een centrale rol speelt tevens het concept thick description— oorspronkelijk geformuleerd door Gilbert Ryle (1968/1971) en uitgewerkt door Clifford Geertz (1973)—waarbij niet alleen handelingen worden beschreven, maar ook de sociale, culturele en historische context waarin zij betekenis krijgen. Thick description omvat stemmen, emoties, intenties en betekenislagen (Ponterotto 2006). In lijn met Norman Denzin (2006) vraagt een rijke etnografische beschrijving om explicitering van wie betrokken zijn, welke factoren een rol spelen, welke interacties plaatsvinden en hoe betekenissen en relaties worden geconstrueerd.
Binnen dit lectoraat wordt etnografie—en in het bijzonder embodiment en thick description—ingezet om fenomenen rond ongelijkheid en sociale vraagstukken te onderzoeken die via andere methoden onvoldoende zichtbaar worden. Kunstdisciplines, met hun media-sensitieve en multimodale werkwijzen (beeld, geluid, ruimte, ritme), zijn bij uitstek geschikt om deze gelaagdheid te vatten: zij maken belichaamde ervaring en impliciete betekenissen zichtbaar of ervaarbaar, en verrijken daarmee de overwegend tekstgeoriënteerde antropologische praktijk.
Cartografie, traditioneel het maken en lezen van kaarten, heeft in de kunsten en sociale wetenschappen een brede, door digitalisering gedragen ontwikkeling doorgemaakt. Benaderingen als participatory mapping, deep mapping, gigamapping, countermapping en critical cartography maken ruimtelijke, sociale en politieke dimensies zichtbaar die in conventionele kaarten vaak onderbelicht blijven. Met GIS-technologie én artistieke map-apps fungeert cartografie in dit lectoraat zowel als onderzoeksinstrument als dialoog-medium: we visualiseren historische lagen, alledaagse ruimte‑ervaringen en sociale dynamieken, en maken die bespreekbaar in co-creatieve settings.
Voor dit lectoraat is cartografie bijzonder relevant omdat zij—anders dan narratieve methoden—relaties, hiërarchieën en machtsverhoudingen ruimtelijk ordent. Cartografie dient daarmee tegelijk als analytische lens en als ontwerptool om scenario’s te verkennen. We verbinden de historische en culturele diversiteit van de stad actief met locationbased formats, gekoppeld aan archieven, orale geschiedenis en lokale netwerken. Een voorbeeld van didactische doorwerking: studenten reconstrueren alledaagse, historische dialogen op basis van archiefmateriaal en interviews en verankeren die in een interactieve navigatietool; audio wordt geactiveerd bij specifieke kijkrichtingen of loopritmes. Zo ontstaat een belichaamde, zintuiglijke geschiedbeleving in (semi) publieke ruimte, terwijl studenten kritisch leren navigeren door de stedelijke én digitale lagen die deze ervaring mede vormgeven6.

6. Deze methode bouwt voort op het promotieonderzoek van de lector, dat zich richtte op de ‘affordances’ (de handelingsmogelijkheden en gebruikspotenties die een technologie biedt) van digitale media en mobiele technologie met betrekking tot publieke participatie in cartografie, zoals participatory GIS en Open Street Maps. De digitalisering van kaarten heeft geleid tot een verschuiving in de cartografische praktijk, waardoor de rol en exclusieve macht van cartografen ter discussie is komen te staan. Met de digitalisering van kaarten en kaartinstrumenten nemen burgers actief deel aan het in kaart brengen, wat resulteert in een diversificatie van kaarten en het ter discussie stellen van traditionele representaties. In Naomi’s proef-
schrift wordt deze verschuiving aangeduid als een ‘performative draai’ in de cartografie: kaartmaken als sociaal-ruimtelijke handeling die relaties smeedt, kwesties agendeert en publieke betrokkenheid mobiliseert. Deze benadering opent methodische kansen om mensen op nieuwe, laagdrempelige manieren bij publieke vraagstukken te betrekken—van co-creatieve kaartsessies tot locatiegebonden mobiele interfaces—met als doel inclusievere besluitvorming en een bredere representatie van perspectieven in het publieke domein. Tegelijk vergt dit expliciete aandacht voor datakwaliteit, representativiteit, eigenaarschap en platformbias.

Archivistiek (archiefonderzoek) is een kernonderdeel van de methodologische benadering van dit lectoraat. Archieven worden niet louter opgevat als passieve verzamelingen van documenten of objecten, maar als dynamische omgevingen waarin selectie, ordening, beschrijving en toegang voortdurend kennis vormen. Door kritisch te onderzoeken wat wordt bewaard (selectie), hoe het wordt geordend en beschreven (metadata, classificatie), wat ontbreekt en onder welke condities materiaal en data worden ontsloten (toegangs- en eigendomsregimes), maakt dit lectoraat zichtbaar welke verhalen en stemmen gemarginaliseerd blijven. Dit onderzoek adresseert tegelijk de ethische vraagstukken rond archieven—zoals eigenaarschap, herkomst, privacy, auteursrecht, (on)gelijke toegang en de implicaties van digitalisering en platforminfrastructuren.
Artistiek en ontwerpend onderzoek heractiveren archieven via performatieve en sonische interventies (o.a. re-enactment via navigatie en sonic annotation), maar ook via co curatie met gemeenschappen en op ervaring gerichte reconstructies. Zo ontstaan nieuwe perspectieven op erfgoed en geschiedenis, en worden innovatieve vormen van publieksparticipatie ontwikkeld—van participatieve metadata tot open en multimodale presentaties. Het resultaat is een kritisch en inclusief archiefbegrip dat niet alleen het verleden documenteert, maar ook handelingsperspectief biedt voor hedendaagse culturele en maatschappelijke praktijken.
1.3.5
Sonisch onderzoek richt zich op geluid als bron van kennis en ervaring. Geluid—van stemmen, omgevingsgeluiden tot muziek— wordt hierbij begrepen als drager van sociale en culturele betekenis. Aansluitend bij recent werk in sound studies en artistieke praktijken rond sonic ethnography, onderzoekt sonisch onderzoek hoe luisteren en geluidsproductie inzicht geven in machtsverhoudingen, historische lagen en ruimtelijke beleving. Methodes kunnen variëren van veldopnames en geluidsanalyses tot het ontwikkelen van podcasts of soundscapes als onderzoeksuitkomst. Binnen dit lectoraat wordt sonisch onderzoek toegepast

“Mijn onderzoek maakt vergeten en in ons geval zelfs door de Nazi’s uitgewiste stemmen zichtbaar en bevordert zo inclusieve geschiedschrijving. Door de ervaringen van weesmeisjes centraal te stellen, levert het een bijdrage aan vrouwengeschiedenis en aan het debat over zorg, opvoeding en sociale ongelijkheid. Voor de kunsten biedt dit project inspiratie voor nieuwe narratieven en artistieke interventies, en het benadrukt het belang van een zorgvuldige omgang met historische bronnen in artistiek onderzoek”.
—Jaïr van Dijk, onderzoeker verbonden aan het project Polyphonic Archive.
in combinatie met archivistiek om vergeten en gemarginaliseerde stemmen hoorbaar te maken, en om innovatieve vormen van archivering en kennisdeling te ontwikkelen.
Voorbij het praktische gebruik van auditieve praktijken en tools, stelt het aannemen van geluid als analytisch uitgangspunt ons in staat om alledaagse fenomenen om ons heen op nieuwe manieren te verkennen—fenomenen die vaak onopgemerkt blijven, zoals architectuur, de texturen van dagelijkse omgevingen en de soundscapes van publieke ruimtes—en om aandacht te besteden aan hun subtiele dynamiek. Omdat geluid altijd van zichzelf wegvoert—het is het ene moment hier en het volgende moment verdwenen—vraagt het om een houding waarin men zich richt op een potentieel van betekenis, in plaats van iets direct te willen oplossen. Bovendien worden sonische verbeeldingen van nature gestuurd door een oriënterende nieuwsgierigheid (Sterne, 2012) en vereisen ze de fenomenologische houding van opschorting, die Don Ihde (2012) beschrijft als het terzijde schuiven—of ‘buiten spel zetten’—van vooronderstellingen. In deze zin sluit deze benadering goed aan bij de werkwijze van het lectoraat rond sociale rechtvaardigheid. Door zich te verhouden tot objecten en vraagstukken die worden gemedieerd door geluidsculturen, technologieën en omgevingen, kunnen de projecten binnen dit lectoraat profiteren van een methodologische benadering die nadruk legt op contemplatie en alternatieve denkroutes.
In dit lectoraat vormt visueel onderzoek een essentieel onderdeel van de methodologie, variërend van foto-etnografie tot representaties, tekeningen en infographics. Deze visualisaties functioneren niet louter als illustraties, maar worden ingezet als analytische instrumenten. In aansluiting bij benaderingen uit de visuele antropologie en ontwerpend onderzoek wordt beeld
“Working through the framework of sound-and specifically the practice of listening-the project seeks to cultivate ambiguity tolerance: the ability to engage with contradictions, absences, and uncertainties without forcing resolution. Instead of privileging one narrative over another, it examines how multiple voices might coexist. This approach treats listening as a form of literacy: one that trains us to live with ambiguity and to recognize the limits of archival authority. At the core of the project lies the question of how we might attune ourselves more closely to the traces of those excluded or spoken for, and how power inscribes itself into the technologies and procedures of remembrance”.
—Tzlil Sharon, onderzoeker binnen het project
Polyphonic Archive
gebruikt om complexe fenomenen te analyseren, te materialiseren en zichtbaar te maken, maar ook als cognitief hulpmiddel om denkrichtingen te verkennen en verbanden te leggen. Visualisaties maken het mogelijk om relaties en spanningen inzichtelijk te maken die zich moeilijk in woorden laten vangen, zoals emotionele dynamieken, ruimtelijke patronen of impliciete machtsstructuren. Binnen dit lectoraat fungeert visueel onderzoek dan ook zowel als analysemethode—bijvoorbeeld om de relaties tussen projecten, onderzoeksdomeinen en methoden te verhelderen— als communicatiemiddel om onderzoeksresultaten toegankelijk en betekenisvol te maken voor uiteenlopende publieken.
“Academic freedom is essential to the production of meaningful scholarship. This is freedom from both external interference or censorship such as that posed by certain governments and regimes, but also from internal practices of censorship and silencing, such as from colleagues and academic institutions. As such, this project aims to first and foremost contribute to open and fruitful conversations about diversity, plurality, freedom of expression and censorship within academia, in a way that would lead to the creation of academic spaces free of censorship, where a plurality of opinions and perspectives, where dialogue and conversation lead to the production of good, interesting, engaged scholarship. The project also seeks to foster engaged conversations about the themes it engages with in broader non-academic circles, in ways that eschew tribalism and polarized positions.”
—Nofit Itzhak, onderzoeker verbonden aan het project Viewpoint Diversity in the Arts


“The project is aimed to engage with both academics within the arts and without, as well as broader publics interested in discussions on freedom of speech and expression. This is a debate that is long overdue, especially as questions pertaining to freedom of expression and free speech have become in recent years politicized and polarizing, often used cynically and for political gain, and in ways that do not in fact foster open and fruitful debate.”
—Nofit Itzhak, onderzoeker verbonden aan het project Viewpoint Diversity in the Arts
Het lectoraat verkent hoe sociale rechtvaardigheid via kunst, architectuur en erfgoed bevorderd kan worden. Dit vindt plaats binnen vier onderzoeksdomeinen: Diversiteit en Perspectieven; Ruimte en Rechtvaardigheid; Kennis en Gemeenschap; Erfgoed en Macht. De domeinen functioneren als overkoepelende, elkaar kruisende thema’s. Het gaat erom deze thema’s/domeinen verder uit te werken en ze te kaderen als overkoepelende thema’s die in interactie met elkaar staan.
Projectformulering en acquisitie gebeuren in samenwerking met andere lectoren en actoren uit het werkveld, zoals culturele instanties en overheidsinstellingen. Op deze manier kunnen ook extern aangedragen projecten worden ontwikkeld. Relevantie voor het onderwijs wordt steeds meegewogen. Samenwerkingen met andere lectoren kunnen zich uiten in de uitvoering van interdisciplinair onderzoek (met methodische uitwisseling) en in disseminatieactiviteiten, zoals het schrijven van discussiepapers of het samen deelnemen aan seminars en symposia.
Dit onderzoeksdomein verkent kritisch hoe diversiteit in kunst en onderwijs wordt gedacht, gepraktiseerd en geformaliseerd—van beleid en programmering tot het onderliggende discours en de daaruit voortkomende dynamieken. Centraal staan perspectiefdiversiteit, pluraliteit, vrijheid van meningsuiting, academische vrijheid en expressievrijheid. Waar de aandacht de afgelopen jaren vooral lag op sociale veiligheid, bepleit dit lectoraat een noodzakelijke aanvulling: intellectuele en artistieke veiligheid—ruimte om te twijfelen, diverse perspectieven te onderzoeken en te experimenteren, zonder sociale of institutionele sancties. Het lectoraat onderzoekt daarbij mechanismen van zelfcensuur, (politieke) conformiteit, gatekeeping en binaire frames die nuance en dialoog onder druk zetten.

Onderzoeksvragen omvatten o.a.: wie wordt binnen de kunsten gehoord—en wie niet? Welke normen binnen de kunsten bepalen wat als legitiem standpunt of als minderheid telt? Hoe beïnvloeden instituties, media en platforms de grenzen van het zegbare? Wat wordt zichtbaar—en wat verdwijnt—in curricula, programmering en (digitale) publieke ruimte?
Het domein zoekt nadrukkelijk de dialoog: we verbinden onderzoekers en partners met uiteenlopende benaderingen (zowel ‘kritische’ als ‘liberale’ rechtvaardigheidstradities) om polarisatie te doorbreken en het domein draagt methoden aan waarmee constructief meningsverschil gedragen kan worden.
1.4.2 Ruimte en Rechtvaardigheid
Dit domein onderzoekt sociale dynamiek en (on)toegankelijkheid in publieke sferen die steeds vaker hybride zijn: fysieke plekken raken verweven met digitale infrastructuren, platforms en algoritmen. Centraal staan vragen wie mee kan spreken, wat gedrag en opinie stuurt en wie eigenaarschap heeft over data, zichtbaarheid en ruimte. Binnen dit kader verkent het project Hybrid Public Spaces (een samenwerking met lector Hans Teerds) hoe digitale media ontmoetingen tegelijk mogelijk maken én inperken/conditioneren, en hoe publieke ruimte opnieuw geconceptualiseerd kan worden als plek voor democratisch samenleven.
Analytisch hanteert dit onderzoeksdomein drie samenhangende lenzen: een zelf-curerend perspectief, een identiteitsgedreven perspectief en een gecommercialiseerd perspectief. In het zelf-curerende perspectief fungeert publieke ruimte als podium voor zelfpresentatie; in een hybride context verschuift die performativiteit naar selfies, avatars en filters, waardoor plekken decor worden voor het digitale zelf—met kansen voor expressie, maar ook risico op mentale afwezigheid en verschraling van ontmoeting. Het identiteitsgedreven perspectief laat zien hoe likes, notificaties en algoritmen homogeniteit en polarisatie kunnen versterken; filterbubbels en sanctionerende dynamieken vernauwen het zegbare en lekken terug in het alledaagse gebruik van de stad. Het gecommercialiseerde perspectief belicht hoe navigatieapps, reviewplatforms en sensornetwerken stromen en keuze-architectuur sturen: de “smooth city” levert comfort en efficiëntie, maar reduceert frictie en experimenteerruimte.
Empirisch bouwt het onderzoek Hybrid Public Spaces op veldwerk in Amsterdam, aangevuld met expert-interviews en literatuur. Visuele methoden worden zowel analytisch als communicatief

“We zijn gewend het archief vooral te zien als een vorm van opslag, maar door ons uitsluitend te richten op behoud vergeten we de functie van overdracht, die al bestond lang voordat archieven werden aangelegd: in de orale traditie, waarin kennis en verhalen door spraak werden bewaard en doorgegeven, zat altijd een element van beweging en verandering”.
—Tzlil Sharon, onderzoeker binnen het project Polyphonic Archive
ingezet om gelaagde interacties en spanningen zichtbaar en bespreekbaar te maken. Het zijn zowel “conversation pieces” alsook toepasbare tools die worden ontwikkeld die ontwerpers moet helpen de publieke ruimte op een nieuwe manier te leren lezen met als doel meer inclusief te kunnen ontwerpen.
1.4.3 Kennis en Gemeenschap
Dit domein onderzoekt hoe kennis in en door kunstpraktijken wordt gemaakt, gedeeld en belichaamd. Centraal staat de rol van kunst en ontwerp als kennisvormende praktijken, met bijzondere aandacht voor participatieve en belichaamde vormen van kennisproductie die vaak buiten het schrift domineren, zoals orale tradities.
Het lectoraat verkent hoe informele, vaak ongedocumenteerde kennis verbonden kan worden met institutionele kaders, én omgekeerd hoe schriftelijke bronnen (bijv. archieven) nieuwe lagen krijgen wanneer zij worden aangevuld met stem, geluid en situatieve performativiteit.
Methodisch combineert het domein media-etnografie, sonisch onderzoek, cartografie en ontwerpend onderzoek. Digitale en mobiele media worden onderzocht op hun ‘affordances’: welke mogelijkheden bieden zij om publiek te betrekken, drempels te verlagen of nieuwe vormen van publieke kennis en participatie te laten ontstaan? Daarbij kijkt het lectoraat zowel naar makers- en publiekspraktijken (interactieve performances, live-responsieve installaties, AI gestuurde interventies) als naar didactische doorwerking: hoe vertaal je deze praktijken naar onderwijs, curricula en training?
In samenwerking met lector Michiel Schuijer (CvA) is het project Music, Media and Making Public(s) opgezet. Dit project onderzoekt hoe media en digitale formats kennisproductie, muziekbeleving en overdracht vormgeven—én hoe musici die inzichten strategisch kunnen inzetten. Uitgangspunt is dat de vijf CvA‑afdelingen sterk verschillen in hun invulling van métier en onderwijspraktijken,
7. Dit onderzoek bouwt voort op Naomi’s proefschrift over de performatieve draai in de cartografie, die mede is ont staan door de digitalisering van kaarten en kaart software. Daarin laat zij zien hoe digitale kaartpraktijken nieuwe vormen van publieksbetrokkenheid mogelijk maken, wat kan leiden tot inclusievere besluitvorming en een bredere representatie van perspectieven op publieke ruimte en publieke zaken. Een vergelijkbare transformatie voltrekt zich in andere media en kunstvormen: denk aan de invloed van streaming- en mobiele apps—zoals Spotify—op hoe muziek wordt ervaren, gecirculeerd en gecureerd. De luisteraar is niet langer louter ontvanger, maar participeert actief via keuzes, playlists, deling en locatiegebonden gebruik; zo verschuiven overdracht, productie en de belichaamde ervaring van muziek richting co-creatie tussen makers, technologie en publiek.

terwijl studenten vergelijkbare vragen hebben over artistieke identiteit en eigenaarschap in publieke contexten. Het project ontwikkelt een kritisch instrumentarium dat CvA breed inzetbaar is, met aandacht voor de performatieve mogelijkheden van digitale en mobiele media in relatie tot artistieke identiteit, repertoire en publieksvorming. Drie onderzoekslijnen vormen de kern: muziek in beweging en in relatie tot stedelijke ruimte, gemedieerde lokaliteiten, en nieuwe manieren van publieksvorming en participatie. De resultaten worden verankerd in het curriculum via lessen, opdrachten en tools. Victor van de Ven (tevens docent Electronic Music aan het CvA) is aangesteld als hoofdonderzoeker binnen dit project 7 .
Parallel werkt het lectoraat samen met Carolien Hermans, associate lector aan CvA binnen het onderzoeksthema Muzikale Leerculturen. Voor het door haar opgezette project KlankStad ontwikkelen we een kaartinterface; een hybride platform dat samen met onderzoekers en lokale muzikale gemeenschappen de sociaal-culturele en muzikale infrastructuur van Amsterdam zichtbaar en navigeerbaar maakt. Door audio, interviews, beeld en tekst aan locaties te koppelen ontstaat een hybride luisterarchief dat informele netwerken en praktijken rond Apinti muziek en cultuur documenteert en verbindt met formele kennisinstellingen als het Conservatorium van Amsterdam. Onderzoekers verbonden aan dit project zijn Apinti expert, musicus en onderzoeker Orlando Ceder, cultureel antropoloog Jochem Kootstra en cartograaf Kamiel Verhelst. Het platform streeft ernaar de kenniskloof tussen institutionele praktijken te verkleinen en de stedelijke realiteit van muziek als sociaal bindmiddel te zien. Cartografie fungeert hier als etnografisch én analytisch instrument.
De beoogde opbrengsten zijn tweevoudig: inhoudelijk levert het domein nieuwe inzichten op over hoe kennis circuleert tussen makers, publieken en instituties; methodisch ontwikkelt het toepasbare formats—toolkits, kaart- en luisterplatforms, didactische modules en lexicons—die direct inzetbaar zijn in onderwijs en praktijk. Daarmee versterkt het lectoraat
“ KlankStad aims to research the diverse musical practices in Amsterdam. Specifically, we research the musical, cultural and spiritual significance of the Afro-Surinamese “apinti” drum. We aim to tell the stories surrounding the apinti–collected through a series of workshops and interviews with apinti players and spiritual leaders–through an interactive web map.”
—Kamiel Verhelst, onderzoeker verbonden aan het project KlankStad
zowel de publieke waarde van kunst als de positionering van kunst en ontwerp als volwaardige vormen van kennisproductie.
Dit domein onderzoekt archieven, representatie en de politiek van herinnering als velden waar macht, uitsluiting en kennisproductie samenkomen. Centrale vragen zijn: wie bepaalt wat wordt bewaard, onder welke voorwaarden ontstaat toegang, hoe worden bronnen geordend en geïnterpreteerd, en hoe worden geschiedenissen geautoriseerd, betwist of juist stilgezwegen?
De urgentie is tweeledig. Enerzijds veranderen digitalisering en dataficering de omgang met erfgoed ingrijpend—van massale ontsluiting tot nieuwe vormen van (her)contextualisering.
Anderzijds maken maatschappelijke debatten over herinneringscultuur, identiteit en rechtvaardigheid zichtbaar dat archieven niet neutraal zijn. Dit roept ethische vragen op rond eigenaarschap, consent, privacy, (her) traumatisering en de (on)bedoelde effecten van openbaarheid8. Kunst- en ontwerppraktijken bieden hier kansen én risico’s: zij kunnen immaterieel erfgoed (oral history, taal, rituelen) zichtbaar en ervaarbaar maken en nieuwe publieken betrekken, maar lopen ook kans op anachronistische interpretaties of simplificatie zonder historische inbedding9 .
Methodisch richt het lectoraat zich op archief etnografisch onderzoek, kritische catalogisering en analyse van selectie , classificatie en

8. Sinds januari 2025 zijn sommige archieven openbaar gemaakt, zoals die van het CABR, en er zijn plannen om de transparantie en publieke toegankelijkheid van archieven verder te vergroten. Archieven, als publiek goed, roepen nieuwe en interessante vragen op over publieke participatie in archiefonderzoek en de relevantie daarvan voor de kunsten. Bijvoorbeeld: hoe kunnen historische archieven betekenisvol zijn voor nieuwe disciplines of interdisciplinair onderzoek en op een verantwoordelijke manier worden ingezet? Bovendien kunnen de kunsten archieven op een interessante manier en via verschillende formats dissemineren, waardoor nieuwe publieken worden betrokken bij historische archieven. Tevens zijn er ethische kwesties verbonden aan deze problematiek: wat zijn de voor- en nadelen van openbaarheid? Het lectoraat wil deze vragen verder onderzoeken binnen de context van de kunsten.

9. De afgelopen twee jaar hebben Naomi en haar team, in het kader van haar lectoraat aan de Design Academy Eindhoven, archiefonderzoek gedaan naar de Kolonie van Weldadigheid Veenhuizen. Deze 19e-eeuwse kolonie was bedoeld om armoede te bestrijden via landbouw en sociale tewerkstelling en maakt inmiddels deel uit van het UNESCO-werelderfgoed. Samen met aan het lectoraat verbonden studenten en alumni is etnografisch, archief- en cartografisch onderzoek uitgevoerd om het landschap én het immateriële erfgoed dat aan dit erfgoed ten grondslag ligt te verkennen. Het traject vindt plaats in samenwerking met (en met steun van) o.a. het Drents Archief, de gemeente, de provincie en het Nationaal Gevangenismuseum. Uit dit werk blijkt dat ontwerpers en kunstenaars archieven op innovatieve manieren weten te activeren en te vertalen naar nieuwe vormen van kennis en presentatie. Tegelijkertijd kwam naar voren dat historische contextualisering in artistieke trajecten geregeld tekortschiet, waardoor een onevenredige focus op machtsdynamieken kan ontstaan en nuance verloren gaat (vergelijkbaar met bevindingen rond projecten als Open Archief). Om die reden richt Naomi zich in dit lectoraat op interdisciplinaire samenwerking tussen historici, mediawetenschappers, kunstenaars en ontwerpers. Doel is om strikte bronkritiek, datering, provenance en contextbeschrijving te verbinden met artistieke
beschrijvingspraktijken; op het traceren van stiltes, lacunes en bias in (meta)data; en op performatieve, visuele en sonische interventies die onderbelichte perspectieven hoor- en ervaarbaar maken. Archieven worden benaderd als epistemische infrastructuren: niet alleen de inhoud, maar ook procedures, begrippen en taal die archiefkennis vormen—en daarmee sociale waarheden mede produceren—staan centraal. Waar passend worden participatieve trajecten opgezet met individuen en gemeenschappen die thematisch of biografisch aan het archief verbonden zijn. Dit domein is nadrukkelijk interdisciplinair.
Bijvoorbeeld: in het project Polyphonic Archive werken een historicus, een mediawetenschapper en een componist samen. Het project, en daarin de casus Huize Dina, richt zich op archiefstukken van een meisjesweeshuis uit de vroege jaren twintig tot de jaren veertig. Met een innovatieve, sonische benadering onderzoeken we niet alleen de documenten over de meisjes zelf, maar ook de manieren waarop kennis wordt geproduceerd, georganiseerd en gelegitimeerd via archiefpraktijken.
Het doel van het project is om een op audio gebaseerde, immersieve ervaring te creëren waarin de luisteraar historische documenten navigeert vanuit het perspectief van de meisjes—figuren die zowel onderwerp van documentatie waren als daarin steeds opnieuw naar de achtergrond werden verschoven. In deze ervaring komt het individuele meisje tot leven als een impliciete luisteraar: zij hoort wat er over haar wordt gezegd, kiest waar zij aandacht aan schenkt, waarvan zij zich afkeert, en hoe zij haar eigen gevoel van identiteit uitdrukt. Deze artistieke benadering van het archief reflecteert op de machtsdynamieken die de totstandkoming ervan bepaalden, en benadrukt hoe individuen werden gedocumenteerd met weinig ruimte voor hun eigen stem. Het project wil juist datgene sonificeren en versterken wat het archief
uitsluit, in plaats van simpelweg de chronologische verhaallijn te volgen die in het materiaal bewaard is gebleven.
Het concept van een “polyfoon archief” wil meerdere perspectieven naar boven halen —ook die welke zijn gemarginaliseerd of uitgewist—en ze naast elkaar laten bestaan zonder ze te dwingen tot één dominant verhaal. Naast het audiowerk (nu opgevat als een innovatieve podcast) zal het project ook een boek omvatten dat dieper ingaat op de methodologische aanpak: het sonificeren van het archief en het positioneren van de impliciete luisteraar als een empowerende positie voor het archiefsubject. Het boek zal thema’s die in de podcast worden geïntroduceerd verder uitwerken, zoals ontheemding, moederschap, kindertijd en seksualiteit, en deze gebruiken als ingangen om archiefspanningen en mechanismen van institutionele zorg te onderzoeken.
verbeeldingskracht en publieksgerichte formats (bijv. performatieve, visuele en sonische vertalingen). Zo blijft historische inbedding gewaarborgd, terwijl tegelijkertijd nieuwe vertelwijzen en bredere publieksparticipatie bij archieven wordt verkend.

“ Polyphonic Archive touches upon sensitive topics that naturally stem from the theme of a teenage girls’ orphanage, such as the inherent tension between institutions and minorities, as well as issues of sexuality, racism, and more. In addition, it offers an original approach to presenting archival material by sonifying it and allowing contemporary audiences to experience past events as if they were happening to them. On an artistic level, the project explores innovative auditory strategies to create a virtual space. This, among other aspects of the project, may provide insights for future research and artistic practice.”
—Amit Gur, onderzoeker binnen het project Polyphonic Archive.
Voor dit onderzoeksdomein verkent het lectoraat waar samenwerking met de Reinwardt Academie mogelijk is. De lector van het lectoraat Cultureel erfgoed, Hester Dibbits, wordt uitgenodigd voor de in 2026 op te richten kenniskring van het lectoraat om te onderzoeken hoe de beide lectoraten complementair aan elkaar kunnen zijn en waar mogelijkheden voor samenwerking liggen, ook op dit thema. Zo zal er worden verkend hoe het onderzoek in de master- en, waar relevant, bachelor curriculum kan landen. Daarmee wordt ingespeeld op de groeiende rol van archiefvraagstukken in de kunsten en op de wens om erfgoed-onderzoek sterker met artistieke praktijken te verbinden.
Beoogde opbrengsten zijn: analytische kaders en richtlijnen voor verantwoord creatief hergebruik van archieven; prototypes van immersieve formats (podcasts, navigatietools, luisteroefeningen) die nieuwe publieken activeren; en didactische modules en toolkits voor onderwijs en praktijk (o.a. participatieve metadata, contextbeschrijving, ethiek bij open data). Zo draagt het domein bij aan een reflectieve erfgoedpraktijk die niet alleen conserveert, maar ook bevraagt, contextualiseert en democratiseert.
1.5 Visualisaties van de onderlinge relaties tussen projecten
Het lectoraat werkt vanuit vier onderling verweven onderzoeksdomeinen, waarbij elk domein een specifieke kernvraag adresseert. Tabel 1 toont schematisch welke onderzoeksvraag aan elk domein is gekoppeld.
Tabel 1. Onderzoeksdomeinen en bijbehorende onderzoeksvragen

Deze vragen vormen het kader waarbinnen de verschillende onderzoeksprojecten worden ontwikkeld. In de praktijk overlappen de projecten echter vaak meerdere domeinen.
Onderzoeksdomein
Diversiteit en Perspectieven
Ruimte en Rechtvaardigheid
Kennis en Gemeenschap
Erfgoed en Macht
Onderzoeksvraag
Op welke manieren wordt diversiteit in perspectieven in de kunsten geconceptualiseerd, in de praktijk gebracht en geformaliseerd?
Wie kan deelnemen aan het publieke discours, wat stuurt gedrag en opinie, en wie bezit data, zichtbaarheid en ruimte?
Hoe wordt kennis gevormd, gedeeld en belichaamd in en door kunstpraktijken?
Waar kruisen macht, uitsluiting en kennisproductie elkaar binnen de politiek van herinnering en conservatie?

Figuur 1. Positionering van de projecten ten opzichte van de vier onderzoeksdomeinen en de bijbehorende samenwerkingsverbanden.
Figuur 1 toont de onder linge verhouding tussen de projecten in relatie tot de vier onderzoeksdomeinen, waarbij elke zijde van het vlak één domein representeert. Elk project wordt weergegeven als een balk die minstens twee domeinen raakt. De positionering van het project binnen het vlak laat zien in welke mate het aan een bepaald domein verbonden is: hoe groter het vierkante vlak dat het project beslaat, des te sterker de relatie met dat domein.
Daarnaast maakt de visual de samenwerkingsverbanden
Diversiteit en Perspectieven


zichtbaar die binnen de projecten tot stand komen—zowel met de verschillende academies van de AHK als met externe universiteiten en culturele instellingen.
De kleur van de lijnen geeft aan met welk type samenwerkingspartner het project is verbonden.
Deze visual moet worden opgevat als een continu evoluerend proces—geen statische weergave, maar een dynamische visualisatie die voortdurend wordt aangepast en verder ontwikkeld naarmate projecten worden afgerond en nieuwe projecten ontstaan.
Maatschappij
Onderwijs
Onderzoek

VIEWPOINTDIVERSITY INTHEARTS HYBRIDPUBLICSPACES MUSIC,MEDIA,AND MAKINGPUBLIC(S) POLYPHONICKLANKSTAD
ETNOGRAFIE
DIEPTEINTERVIEWS CASESTUDIES INTERVIEWSVISUELEMETHODEN GROUNDEDTHEORY CARTOGRAFIE ARCHIVISTIEK SONISCHONDERZOEK
Figuur 2. Onderlinge relatie tussen projecten met betrekking tot de beoogde doorwerking.
Binnen ieder project wordt gezocht naar doorwerking binnen het onderwijs, onderzoek en/of de maatschappij. Figuur 2 toont hoe de projecten zich onderling tot elkaar verhouden in relatie tot de gewenste doorwerking en de bijbehorende doelgroepen.
De projecten variëren in vorm—van artistiek en ontwerpgericht onderzoek tot veldwerk, archiefonderzoek of sonisch onderzoek— en dragen bij aan methodologische innovatie. Figuur 3 toont de belangrijkste onderzoeksmethoden die worden gehanteerd/ onderzocht per project.

Figuur 3. Gehanteerde onderzoeksmethoden per project.
1.6 Aansluiting AHK beleid en TCP thema’s
1.6.1 Aansluiting bij Strategisch Plan
Het lectoraat sluit aan op de AHK-brede speerpunten en levert in het bijzonder een bijdrage aan diversiteit, inclusie en sociale veiligheid door conceptueel én praktisch richting te geven en AHK-breed kennis op te bouwen rond sociale rechtvaardigheid. Daarbij innoveert het lectoraat op bestaande praktijken en adresseert het expliciet de pijnpunten en urgenties die in de onderwijs- en onderzoekspraktijk worden ervaren. In dit kader gaat het lectoraat samenwerkingen aan met lectoraten, onderzoekers en partners die de liberale visie op sociale rechtvaardigheid delen; tegelijk wordt actief de dialoog gezocht met collega’s die vanuit een kritische sociale-rechtvaardigheidsbenadering werken.
Het lectoraat positioneert zich als motor voor inter- en transdisciplinariteit: projecten worden doelbewust samengesteld met onderzoekers uit verschillende disciplines en sluiten aan op de lectoratensamenwerking rond Social Engagement en Ways of Knowing, gecoördineerd door het AHK Research Centre. Waar passend benutten we de positie op het Marineterrein voor academie-overstijgende samenwerking en kennisuitwisseling.
Op het thema digitalisering en technologie haakt het lectoraat aan met (digitale) etnografie, cartografie, sonisch en visueel onderzoek, en location-based mobiele media. De didactische doorwerking sluit aan bij het Centre for Teaching & Learning en bij de ambitie om digitale vaardigheden tot de eindkwalificaties te rekenen, met aandacht voor dataveiligheid en ethische kaders.
Verder draagt het lectoraat bij aan de AHK-ambitie om te ontwikkelen van onderwijsinstelling naar kennisinstelling: onderzoek krijgt een volwaardige plek ín en naast het onderwijs, met een versterkte onderzoeksleerlijn en open toegankelijke resultaten. Waar projecten de relatie tussen publieke ruimte en stedelijke/ technologische transities raken, sluiten zij aan bij sociale duurzaamheid, met concrete doorwerking naar onderwijs en praktijk. Ten slotte ondersteunt het lectoraat leven lang ontwikkelen door open formats en publieksgerichte disseminatie die professionals uitnodigt tot voortdurende bij- en nascholing binnen de AHK.
1.6.2 Aansluiting bij Thematic Collaboration Programme (TCP)
Het TCP (2023–2026) versterkt interdisciplinair onderzoek tussen lectoraten onder het gezamenlijke profiel Engagement through Critical Creative Practice. Het richt zich op twee thema’s—Social Engagement en Ways of Knowing—en faciliteert samenwerking via gelijke middelen voor o.a. symposia, workshops, veldwerk, publicaties en artistieke producties. Het programma, gecoördineerd door het Research Centre en begeleid door de TCP commissie, stimuleert gedeeld leren, dialoog en praktijkgericht onderzoek en bevordert een cultuur van samenwerken in plaats van onderlinge competitie.
Sinds de start van het lectoraat (onder leiding van Naomi Bueno de Mesquita) is een intensieve samenwerking tot stand gebracht tussen SRDK en de Academie van Bouwkunst (lector Hans Teerds) in het project Hybrid Public Spaces, dat primair aansluit bij het TCP thema Social Engagement en, waar relevant, kruisverbanden legt met Ways of Knowing. Deze samenwerking illustreert de interdisciplinaire signatuur van het lectoraat en de verankering binnen de TCP structuur.


Het lectoraat positioneert zich op het snijvlak van kunst, ontwerp, erfgoed en stedelijke/publieke domeinen. Het werkt samen met culturele instellingen, zorg- en erfgoedorganisaties, gemeenten en maatschappelijke organisaties, evenals met mediapartners en makerscollectieven. Doel is wederkerige kennisontwikkeling: partners brengen context en casuïstiek in; het lectoraat levert methodische scherpte, (visuele/sonische) analysetools en publiekstoegankelijke output.
Samenwerkingen krijgen vorm via living labs, veldwerk, co-creatiesessies, onderzoeksposities en co-creatie aan datasets. Projecten kennen doorgaans een praktijkfase (observatie/etnografie), een ontwerpfase (cartografisch/visueel/sonisch) en een toetsingsfase (pilots, feedbackrondes met gebruikers), gevolgd door disseminatie (publieke presentatie en documentatie).
Het lectoraat selecteert casussen en partners op maatschappelijke urgentie, leerwaarde voor onderwijs en beroepspraktijk, haalbaarheid en ethische randvoorwaarden. Diversiteit aan perspectieven (gebruikers, professionals, beleid) geldt als randvoorwaarde; projecten moeten potentiële doorwerking tonen (tooling, handreikingen, curricula, beleidsadvies).
Per samenwerking legt het lectoraat rollen, data-eigenaarschap, consent en privacy vast. Stakeholders worden tijdig betrokken bij interpretatie en disseminatie. Resultaten worden vertaald naar toepasbare formats (toolkits, luister-/beeldarchieven, kaarten/ navigatietools, handleidingen), aangevuld met workshops, lezingen en (co)publicaties. Voor professionals biedt het lectoraat korte trajecten (bij‑/nascholing) rond methoden als participatieve cartografie en sonische methoden.
Projecten zijn veelal lokaal/regionaal ingebed (stadswijken, instellingen), maar worden gespiegeld aan internationale debatten en netwerken via conferenties, consortia en uitwisselingen. Daarmee wordt overdraagbaarheid getoetst en de zichtbaarheid van AHK-onderzoek vergroot.

Het lectoraat streeft naar aantoonbare doorwerking op drie niveaus: onderwijs, maatschappij en het onderzoeksdomein. Impact ontstaat via praktijkgestuurde casussen, co-creatie met partners, en iteratieve pilots die resulteren in toepasbare tools (o.a. kaarten, luisterarchieven, handleidingen, didactische modules) én in publiek toegankelijke kennis (publicaties, exposities, podcast‑series). We werken volgens de plan–do–check–act/iterate cyclus zie paragraaf 3.2→ voor kwaliteitsverbetering; effectmeting gebeurt met zowel kwantitatieve indicatoren als kwalitatieve casusbeschrijvingen en partnerfeedback.
2.1.1
Onderwijsdoorwerking krijgt vorm door inbedding van onderzoeksuitkomsten in curricula van meerdere academies (lesmateriaal, opgaven, skills rond etnografie, cartografie, sonisch/visueel onderzoek en digitale geletterdheid). Alumni participeren als onderzoeksassociates of in stages. Projecten leveren waar mogelijk uitkomsten die direct in onderwijssettings inzetbaar zijn (map apps, luisteroefeningen, datapraktijken). Didactische doorwerking sluit aan bij de activiteiten van het Centre for Teaching & Learning en versterkt onderzoekend leren, interdisciplinair samenwerken en publieke oriëntatie van het onderwijs.
2.1.2 Doorwerking Maatschappij
Voor de maatschappelijke doorwerking richt het lectoraat zich op gebruik door partners (instellingen, gemeenten, erfgoed- en maatschappelijke organisaties) via workshops, pilots, living labs en advies voor beleidstoepassingen. Uitkomsten worden vertaald naar toegankelijke formats—handleidingen, rapporten, ontwerp-/ debatformats, participatieve kaartinterfaces, datasets—en publiek gedeeld via presentaties, tentoonstellingen en (co)publicaties. Maatschappelijke relevantie wordt versterkt door vroegtijdige betrokkenheid van belanghebbenden, aandacht voor inclusieve participatie en verantwoorde datapraktijken (privacy, consent, etc.).
2.1.3 Doorwerking Onderzoek/ verschillende kennisdomeinen
Het lectoraat draagt bij aan kennisontwikkeling door hybride output:

4 . Een bezoeker bekijkt een van de panelen uit de presentatie van het onderzoek
Hybrid Public Spaces tijdens het Society 5.0-festival, oktober 2025.

Figuur 5 . Plenaire bespreking van de drie perspectieven uit het onderzoek Hybrid Public Spaces tijdens het Society 5.0-festival, oktober 2025. Foto: Marieke Schellart

peer-reviewed artikelen, artistiek-onderzoekende publicaties, conferentie papers of posterpresentaties, methodologische notities en open science. zie paragraaf 2.3.3→ Methodische innovatie— op het snijvlak van etnografie, cartografie, archivistiek en sonisch onderzoek—wordt expliciet gedocumenteerd zodat overdraagbaarheid en toetsbaarheid toenemen. Inter- en transdisciplinaire consortia (binnen de AHK en daarbuiten) worden actief gezocht; resultaten worden internationaal gespiegeld via conferentiebezoeken, debatten, netwerken en uitwisselingen. Waar mogelijk hanteert het lectoraat open-science principes, met zorg voor ethiek en contextsensitiviteit, zodat kennis gebruikt kan worden voor vervolgonderzoek en onderwijs.

In 2026 zullen de projecten Hybrid Public Spaces en Polyphonic Archive worden afgerond. Beide trajecten zullen resulteren in een boekpublicatie en een presentatie van de onderzoeksresultaten op daarvoor passende podia. Zo werd Hybrid Public Spaces in oktober 2025 gepresenteerd tijdens het Society 5.0 Festival, (zie Figuur 4 en 5) terwijl voor Polyphonic Archive een publieke presentatie gepland staat in het voorjaar van 2026. Beide projecten zullen in de loop van 2026 worden gedocumenteerd in afzonderlijke boekpublicaties. Voor 2027 staat de organisatie van een conferentie rondom het onderzoek Viewpoint Diversity in the Arts gepland, waarvan een wetenschappelijke en artistieke publicatie staan gepland.
Ieder onderzoeksproject binnen het lectoraat resulteert in zowel een thematische als een methodologische reflectie. Daarnaast zijn er ISSUU-publicaties, alsook projectpagina-websites waar onderzoeken, methodieken en data in meer detail gepresenteerd worden.
2.3.1 Thematische reflectie
De thematische reflectie richt zich op de inhoudelijke inzichten die elk project genereert binnen de onderzoeksdomeinen ruimte en rechtvaardigheid; diversiteit en perspectieven; erfgoed en macht; kennis en gemeenschap. Daarbij wordt onderzocht welke nieuwe perspectieven en vormen van kennis het project binnen deze thema’s oplevert. Deze reflectie verbindt de projectresultaten met actuele maatschappelijke vraagstukken en maakt zichtbaar hoe kunst en ontwerp nieuwe invalshoeken kunnen openen op urgente thema’s. Zo draagt zij bij aan zowel het publieke debat als bredere maatschappelijke transformatie.
2.3.2 Methodologische reflectie
De methodische reflectie is gericht op de rol/waarde van methoden (etnografie, cartografie, sonisch/visueel, archivistiek) voor de kunsten en de interdisciplinaire benadering die ontwikkeld wordt binnen de onderzoeksprojecten. Hierbij staat de wisselwerking centraal tussen artistieke en wetenschappelijke onderzoeksmethoden: wat kan etnografie de kunsten bieden en wat kunnen de kunsten op hun beurt bijdragen aan de antropologie? Hoe kan cartografie functioneren als instrument voor participatie en representatie? En op welke manier kan sonisch onderzoek een

aanvulling zijn op bestaande vormen van kennisproductie in archivistiek? Deze reflectie maakt zichtbaar hoe methoden niet alleen worden toegepast, maar ook door het onderzoek zelf verder worden ontwikkeld en aangepast.
Door de combinatie van een thematische en een methodologische reflectie draagt elk project bij aan zowel inhoudelijke verdieping als aan de doorontwikkeling van het onderzoeksinstrumentarium van de kunsten.
De resultaten van het onderzoek worden zo veel mogelijk open gedeeld, onder meer als open educational resources en, waar mogelijk, als open data (bijvoorbeeld datasets, map apps en audioarchieven), voorzien van metadata. Voor disseminatie maakt het lectoraat gebruik van verschillende publicatiekanalen, waaronder de AHK website (landingspagina van het lectoraat), projectwebsites en ISSUU voor rapporten, met koppeling aan ISBN- en DOI-nummers waar passend/mogelijk. Daarbij wordt transparantie nagestreefd over gehanteerde methoden en datapraktijken, steeds in overeenstemming met de ethische richtlijnen en privacybepalingen zoals beschreven in paragraaf 3.1.3.
Doorwerking naar beroepspraktijk en samenleving
De impact op de beroepspraktijk wordt zichtbaar gemaakt door het aantal betrokken professionele partners per project en per jaar te registreren (zoals culturele instellingen, gemeenten), met als streven meerdere partners per project en een substantieel totaal op jaarbasis. Daarnaast worden co-creatieactiviteiten met doelgroepen structureel gedocumenteerd via aanwezigheidslijsten en korte verslagen, zodat niet alleen participatie maar ook de kwaliteit van die samenwerking inzichtelijk wordt. Toegepaste opbrengsten—zoals open source tools, handleidingen, kaarten of visualisaties die daadwerkelijk in organisaties of in gemeenschappen worden geïmplementeerd—worden gevolgd via inzicht in datagebruik en follow-up interviews. Maatschappelijke zichtbaarheid wordt gemeten aan de hand van publieke presentaties, exposities en panels, aangevuld met bereik (impressies, publiek, pers). Tot slot worden jaarlijks enkele casusbeschrijvingen samengesteld waarin concreet wordt gemaakt hoe onderzoek bijdroeg aan beleidskeuzes, ontwerpbeslissingen of curriculumvernieuwing.


, augustus 2025. Foto: Toni Wagner.
Doorwerking naar onderwijs
De verbinding met het onderwijs wordt geborgd door na te gaan in hoeveel vakken en modules onderzoeksresultaten en materialen worden ingezet, bij voorkeur verspreid over meerdere academies. Studentbetrokkenheid wordt zichtbaar via aantallen deelnemende studenten per project en (zo mogelijk) door middel van aanbod van stageplaatsen of onderzoeksaanstellingen. Voor docentprofessionalisering organiseert het lectoraat workshops over methoden (zoals etnografie, cartografie, en archivistiek in combinatie met sonisch onderzoek) en monitort het de waardering daarvan via evaluaties. Onderwijsproducten—publicaties over methodologie, toolkits, map apps, templates en open lesmaterialen—worden verzameld in een openbare repository zodat hergebruik en doorontwikkeling worden gestimuleerd. Zie Figuur 6 t/m 8 voor een voorbeeld van een kaartapplicatie als onderzoeksmethode die binnen het lectoraat is ontwikkeld en tijdens de introductieweek is gepresenteerd aan studenten van de ATD10 .
Doorwerking naar het onderzoeksdomein
Wetenschappelijke én artistieke publicaties worden geïnventariseerd, inclusief peer-reviewde bijdragen en artistiek onderzoek met een beoordelingskader. Presentaties op conferenties en symposia (ingediend, geaccepteerd, gepresenteerd) worden bijgehouden, met nadruk op internationale zichtbaarheid. In het kader van open science streeft het lectoraat naar open toegankelijke datasets, kaarten en audio-archieven, voorzien van zorgvuldige metadata en ethische onderbouwing. Interdisciplinariteit wordt gestimuleerd door te volgen welk deel van de publicaties door teams uit meerdere disciplines is geschreven en/of welke disciplines door een onderzoeker worden ingebracht.
10. Tijdens de introductieweek van de ATD organiseerde het lectoraat de workshop Mapping Places & Traces, waarin 150 studenten via een digitale mappingtool de omgeving van de academie onderzochten. Door het uitvoeren van zelfontwikkelde locatiespecifieke opdrachten verkenden zij de stad als gelaagde, cultureel pluralistische ruimte. Het streven is om deze tool door te ontwikkelen tot een methode die door docenten kan worden ingezet binnen het onderwijs.
Alle projecten werken met een plan–do–check–act/iterate cyclus: mijlpalen, logboeken en evaluaties worden per kwartaal geactualiseerd. Ethische borging is randvoorwaardelijk: elk project heeft een ethische toets, geïnformeerde toestemming en een dataveiligheidsplan met aandacht voor dataveiligheid;
eventuele datalekken worden voorkomen en, indien toch aan de orde, transparant afgehandeld. De dialoog met stakeholders wordt geborgd via periodieke reflectiesessies met de adviesraad en partners, inclusief externe reviewmomenten. Tot slot wordt de voortgang op planning en budget per kwartaal gemonitord, met als doel het merendeel van de mijlpalen tijdig en binnen kaders te realiseren.
Outputspecifieke monitoring (lopende lijn) Voor de boekpublicaties van Hybrid Public Spaces en Polyphonic Archive wordt de status van manuscript, peer-advies, publicatiedatum en distributie gevolgd; publicaties worden waar mogelijk gekoppeld aan ISBN/DOI en zowel in print als digitaal ontsloten. De geplande conferentie Compliant Creativity (2027) wordt gemonitord op aantal bijdragen en deelnemende instellingen.


Figuur 8 . Schermafbeelding van de kaartinterface met alle locaties waar studenten data hebben geüpload — in totaal 203 datapunten. Workshop Mapping Places & Traces , augustus 2025.

Kwalitatieve evaluatievragen
Jaarlijks reflecteert het lectoraat op vier kernvragen: wat is aantoonbaar veranderd in praktijk, beleid of onderwijs; welke nieuwe methodologische inzichten zijn ontstaan en overdraagbaar; welke onvoorziene effecten of ethische spanningen deden zich voor en hoe zijn die geadresseerd; en op welke wijze is pluraliteit van perspectieven geborgd—wie werd gehoord en wie (nog) niet. Deze reflecties worden toegevoegd aan de projectdossiers en vormen de basis voor doorontwikkeling in de volgende PDCA/I cyclus.

werken met andere lectoraten binnen de AHK, met externe onderzoekers en met de creatieve industrie. Zo kan het onderzoek inspelen op actuele ontwikkelingen en behoeften uit de praktijk en kan het stevig worden ingebed in diezelfde praktijk.
Met kwaliteitszorg wordt bedoeld het geheel van activiteiten van dit lectoraat dat erop is gericht om de opbrengst van het onderzoek op het gewenste kwaliteitsniveau te brengen of te houden. Het Brancheprotocol Kwaliteitszorg Onderzoek 2023-2028 (BKO) vormt de basis voor het landelijk kwaliteitszorgstelsel voor praktijkgericht onderzoek aan hogescholen. De kwaliteit van het onderzoek wordt beoordeeld binnen dit kwaliteitszorgsysteem.
De kwaliteitscriteria krijgen op de volgende manier invulling binnen het lectoraat: binnen het lectoraat wordt (wetenschappelijk) praktijkgericht onderzoek uitgevoerd. Het lectoraat hanteert daarbij de kwaliteitscriteria van het BKO ‘praktisch relevant’, ‘methodisch grondig’ en ‘ethisch verantwoord’ om de kwaliteit van het onderzoek te allen tijde te kunnen borgen. Deze criteria zijn leidend in het gehele onderzoeksproces; van voorstel, uitvoering tot publicatie. Het zwaartepunt van de criteria kan variëren per onderzoeksdomein en vakgebied.
3.1.1 Praktisch relevant
Het onderzoek binnen dit lectoraat ondersteunt het onderwijs aan de AHK, heeft maatschappelijke relevantie en levert een waardevolle bijdrage aan de beroepspraktijk.
De borging van het onderzoek vindt op verschillende manieren plaats:
Onderzoekers beschrijven in hun onderzoeksvoorstel waarom hun onderzoek relevant is en voor wie. Deze relevantie wordt vervolgens beoordeeld door externe deskundigen van de adviesraad. zie paragraaf 3.2.1→
Naast het publiceren van onderzoeksresultaten en (wetenschappelijke) artikelen stimuleert het lectoraat ook de ontwikkeling van onderzoeks- en ontwerptools. Onderzoekers worden bovendien uitgenodigd om hun onderzoek te presenteren op conferenties, in workshops of via exposities.
Het lectoraat moedigt de onderzoekers aan om samen te

3.1.2 Methodisch grondig
Het lectoraat combineert theoretisch wetenschappelijk met praktijkgericht onderzoek, in het bijzonder ontwerpend onderzoek. Verschillende onderzoeksmethoden worden ingezet, vaak een combinatie van methoden binnen een onderzoeksproject. ←zie
paragraaf 1.3
3.1.3 Ethisch verantwoord onderzoek
De Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (2018) vormt de basis voor ethische onderzoekspraktijken. Hoe deze richtlijnen zich vertalen naar praktijkgericht onderzoek is echter een voortdurend gesprek en vraagt soms om maatwerk. De lector maakt deel uit van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit Kunsthogescholen (CWI-KUO) vanuit haar rol als lector bij DAE. zie paragraaf 3.1.4→ De principes van de gedragscode, evenals recente ontwikkelingen en uitvoeringsdilemma’s binnen artistiek onderzoek, worden uitgebreid besproken tijdens de bijeenkomsten met andere lectoren van de commissie.
De code rust op vijf fundamentele principes die richtinggevend zijn voor onderzoekers en betrokken partijen, zoals instellingen, uitgeverijen, redacties, financiers en wetenschappelijke verenigingen. Deze partijen dragen gezamenlijk verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige onderzoekspraktijk en het bevorderen van wetenschappelijke integriteit
Eerlijkheid
Van onderzoekers binnen het lectoraat wordt verwacht het onderzoeksproces correct te rapporteren, juiste bronvermelding toe te passen, geen ongefundeerde claims te doen, alternatieve visies en tegenargumenten serieus te nemen, en resultaten niet gunstiger dan wel ongunstiger voor te stellen dan ze zijn. Het onderzoek dat wordt gedaan door de lector alsook door de onderzoekers is te herleiden naar bronnen, referenties en betrokken auteurs. Alle onderzoeksresultaten worden publiek toegankelijk gemaakt. Resultaten worden gepubliceerd op sites, de landingspagina van het lectoraat op de officiële AHK-website. Binnen de verschillende projecten worden wetenschappelijke alsook

artistieke methodieken toegepast ←zie paragraaf 1.3 Onderzoeksmethoden die erop gericht zijn om onderzoek kritisch te kunnen bevragen.
Zorgvuldigheid
Van de onderzoekers wordt verwacht dat ze hun werk uitvoeren met integriteit, transparantie en respect voor zowel wetenschappelijke standaarden als de maatschappelijke context waarin het onderzoek plaats vindt. Bij elk project is er een duidelijke en beargumenteerde keuze voor de methoden en er wordt erop nagezien dat er een correcte en volledige bronvermelding is toegevoegd. Beperkingen en onzekerheden in het onderzoek worden benoemd.
Transparantie
Data en resultaten verkregen uit het onderzoek wordt tijdens en/ of na afloop van ieder project gepubliceerd en zijn publiek toegankelijk. In het proces wordt het onderzoek op verschillende momenten gedeeld met betrokken stakeholders. Mochten er mogelijke belangenconflicten ontstaan, dan wordt dat te allen tijde gecommuniceerd met de betrokken partijen. Het onderzoeksproces bestaat uit fases en milestones, die voorafgaand worden afgestemd met de betrokken partijen zodat de verwachtingen over bijdragen en rollen bij aanvang helder zijn. Dit voorkomt misvattingen die daarmee mogelijk de onderzoeksresultaten in de weg kunnen gaan zitten.
De stappen die de lector en onderzoekers zetten in het onderzoeksproces zijn, voor zover mogelijk, herleidbaar en controleerbaar. Het programma Notion faciliteert de continue interactie tussen lector, coördinator, onderzoekers en externe partijen. Dit programma is interessant omdat er meerdere onderzoekers tegelijk op een project zitten en op die manier elkaars onderzoek kunnen volgen en erop in kunnen haken. Indien het delen van aspecten van het onderzoek of de data niet mogelijk is, dan zal de onderzoeker dat gemotiveerd onderbouwen. Ook zal in de verslaglegging van het onderzoeksrapport de uitvoering en fasering van het onderzoeksproces door vakgenoten te volgen zijn.
Onafhankelijkheid
Het lectoraat streeft te allen tijde onafhankelijk en onpartijdig onderzoek na. Tijdens het onderzoeksproces mogen buiten wetenschappelijke overwegingen, zoals commerciële of politieke belangen, geen rol spelen. Bij de keuze van het onderzoeksobject en de onderzoeksvraag, is een persoonlijke voorkeur toegestaan, waarmee volledige onafhankelijkheid niet noodzakelijk wordt geacht.

Dit onderzoeksprogramma streeft ernaar om onafhankelijk en onpartijdig te zijn in haar professionele houding, ambities, samenwerkingen, organisatie en onderzoeksproces. Betrokken partijen zullen altijd vermeld worden bij interne- en publieke publicaties.
Verantwoordelijkheid
Het lectoraat houdt rekening met de legitieme belangen van alle betrokkenen en hun omgeving. Partijen die financiële bijdragen leveren aan het onderzoek worden, waar nodig, openbaar gemaakt en bevraagd. Via een adviesraad en het systematisch aangaan van de kritische dialoog erkent het lectoraat dat onderzoek in isolement vaak resulteert in bevestiging van aannames. Het actief opzoeken van oncomfortabele situaties en verschillende perspectieven vormt de basis voor onderzoek met wetenschappelijke en/of maatschappelijke relevantie en urgentie.
3.1.4 Handelingskader voor lector verbonden aan twee hogescholen
De lector is verbonden aan Design Academy Eindhoven (0,4 fte) voor het lectoraat Sociale Innovatie (SI-LAB) en sinds november 2024 is zij tevens verbonden aan de AHK voor het academieoverstijgende lectoraat Sociale Rechtvaardigheid en Diversiteit in de Kunsten (0,6 fte). Beide functies vormen samen een voltijdse aanstelling en vullen elkaar inhoudelijk goed aan. In beide rollen richt de lector zich op sociale en maatschappelijke vraagstukken, maar in verschillende contexten en samenwerkingsverbanden.
Aan de DAE ligt de nadruk op multi-stakeholder collaboraties en de rol van de ontwerper in samenwerking met overheden en gemeenschappen, vaak binnen transitievraagstukken die vragen om een ontwerpend-denkende aanpak. Aan de AHK verdiept Naomi zich in fundamentele vraagstukken rond sociale rechtvaardigheid, inclusie en diversiteit, met specifieke aandacht voor de rol van kunst, architectuur en erfgoed in het bevorderen van een rechtvaardigere samenleving.
Waar het werk aan DAE zich vooral richt op praktische toepassing en implementatie in beleids- en praktijkcontexten, ligt aan de AHK de nadruk op verdieping, methodologische ontwikkeling en de bijdrage van artistiek en ontwerpend onderzoek aan maatschappelijke thema’s, met een focus op de urbane context. Deze combinatie maakt kennisdeling over domeinen en schaalniveaus heen mogelijk, en biedt kansen voor nieuwe interdisciplinaire samenwerkingen binnen haar brede netwerk.

Tegelijkertijd brengt de dubbelrol mogelijke risico’s met zich mee op het gebied van belangenverstrengeling, tijdsverdeling en transparantie. Daarom is in overleg met het College van Bestuur van de AHK een handelingskader (zie bijlage) opgesteld om deze risico’s te ondervangen. Dit omvat een duidelijke organisatorische scheiding van werkzaamheden, transparante besluitvorming en documentatie van mogelijke belangenconflicten, en het naleven van de gedragscodes en ethische richtlijnen van beide instellingen. In situaties waarin de hogescholen in concurrentie verkeren, bijvoorbeeld bij subsidieaanvragen, neemt de lector bewust afstand van interne procedures bij de andere instelling.
Ook worden potentiële belangenconflicten jaarlijks besproken met de adviesraad en opgenomen in het jaarverslag. Daarnaast is aandacht voor tijdmanagement en structurele ondersteuning van haar takenpakket. Door deze richtlijnen te volgen, haar verantwoordelijkheid zorgvuldig te nemen en bij twijfel te overleggen met haar leidinggevende, kan de lector haar dubbele positie op een transparante en integere manier inzetten ten behoeve van de organisaties en het versterken van het kunst- en ontwerp-onderzoek.
3.2.1 Op het niveau van het lectoraat / onderzoeksprogramma
Er worden jaarlijks verschillende interne en externe partijen benaderd om de kwaliteit van het onderzoeksprogramma te beoordelen.
Adviesraad
Het lectoraat stelt eind 2025 een adviesraad in. Deze zal bestaan uit drie leden: een lector van de AHK (met focus op onderzoek), een academiedirecteur van de AHK (met focus op onderwijs) en een vertegenwoordiger van een culturele instelling. De lector is Michiel Schuijer (Conservatoirum van Amsterdam) en de beoogde academiedirecteur Cathy Jager (Reinwardt Academie). De positie van de culturele partner is nog vacant (het is nog te vroeg om te beoordelen welke praktijkpartner het meest relevant is). De leden beschikken over relevante expertise op het gebied van de thematiek en/of onderzoeksmethodiek van het lectoraat, en adviseren over de kwaliteit en inhoudelijke koers. De beoogde zittingsduur van de leden bedraagt vier jaar.
Deze raad beoordeelt en geeft advies over de volgende onderdelen van het onderzoeksprogramma:

Onderzoeksprofiel en -programma
Beoogde doorwerking op werkveld en kennisdomein
Kwaliteitscriteria
Relatie met externe netwerken
De leden van de adviesraad komen ten minste eens per jaar bijeen en reflecteren bij die gelegenheid op de bovengenoemde inhoudelijke onderdelen van het verrichte onderzoek en plannen voor de nabije toekomst aan de hand/op basis van het jaarverslag en het jaarplan. Dit zorgt ervoor dat het lectoraat de kwaliteit van onderzoek en gerelateerde activiteiten waar nodig kan bijstellen. De raad adviseert ook in geval van bijstelling van een lopend en opstelling van een nieuw lectoraatsprogramma.
Adjunct Directeur O&O
De adjunct-directeur Onderwijs en Onderzoek is verantwoordelijk voor de kwaliteitszorg van de onderzoeksgroep Sociale Rechtvaardigheid en Diversiteit in de Kunsten. Tussen lector en de adjunct-directeur vindt kwartaaloverleg plaats. In deze gesprekken ligt de nadruk op onder andere de voortgang van het onderzoek, de eventuele extern gefinancierde onderzoeksprojecten en de relatie tussen onderzoek, onderwijs, werkveld en maatschappij.
College van Bestuur
Iedere twee maanden vindt overleg plaats tussen de lector, de adjunct‑directeur O&O en het College van Bestuur, met daarnaast tussentijdse afstemmomenten.
Eens per jaar vindt een kwaliteitszorggesprek plaats tussen de adjunct directeur O&O, de lector en het College van Bestuur van de AHK. De kwaliteitszorg van het onderzoek staat hierbij op de agenda. Gespreksonderwerpen op het gebied van onderzoek zijn onder meer de uitvoering van het onderzoeksprogramma zoals beschreven in de jaarverslagen en jaarplannen van het lectoraat en de opvolging van aanbevelingen uit de BKO‑visitaties. Ter voorbereiding op dit gesprek schrijft de lector eens per jaar, direct na afloop van het voorgaande kalenderjaar, een jaarverslag over het voorgaande jaar en een jaarplan voor het opvolgende jaar. De lector betrekt de adjunct-directeur O&O en het Research Centre bij de ontwikkeling van het jaarverslag en jaarplan door hen advies te vragen en overlegt de definitieve versie aan het CvB ter beoordeling.

Onderling overleg onderzoeksgroep
Eens per jaar vindt een onderling overleg plaats tussen de verschillende onderzoekers binnen het lectoraat voor teambuilding, kennisdeling en afstemming.
Elk project start met een beknopte projectbrief (doelen, onderzoeksvragen, scope, methoden, planning, deliverables, kwaliteitscriteria). De lector fungeert als hoofdbegeleider, kwaliteitsbewaker en projectleider. In sommige projecten is de lector ook zelf actief betrokken als onderzoeker.
Er is een strak ritme van overleg: wekelijks of tweewekelijks werkoverleg (60–120 min) met individuele onderzoekers en/of het gehele projectteam. Het programma Notion wordt gebruikt voor logboeken (de onderzoekers binnen een project kunnen elkaars proces volgen en becommentariëren), planning, workshop-/veldwerkverslagen en deliverables. Literatuur en archieven worden gedeeld via AHK Sharepoint. Voor de meer gevoelige onderzoeksdata (zoals interviews waar deelnemers anoniem willen blijven) worden aparte omgevingen in Sharepoint aangemaakt waar alleen de onderzoeker en beheer toegang toe heeft. Interdisciplinariteit wordt actief gefaciliteerd via deze structuur en via intervisies waarin instrumenten (etnografie, cartografie, sonisch onderzoek) worden gedeeld, getest en aangescherpt.
De projecten doorlopen een PDCA/I cyclus met vooraf gedefinieerde milestones (plan), pilots en dataverzameling (do), tussentijdse reviews/peer feedback met stakeholders (check) en gerichte bijsturing (act/iterate). Aan het einde volgt een eindevaluatie met “lessons learned” en overdracht (tooling, handreikingen, curriculumkoppeling).
De kwaliteit en doorwerking worden gevolgd via indicatoren zoals implementaties in onderwijs/veld, partnerfeedback, bereik/ participatie, (co)publicaties en methodische innovatie. De lector bewaakt ten alle tijden samenhang met missie en visie, faciliteert de interdisciplinair-inhoudelijke uitwisseling tussen onderzoekers binnen ieder project en stuurt bij waar nodig om zowel methodische grondigheid, praktische relevantie als ethische verantwoording te garanderen.


deze lectoren is Hester Dibbits, van het lectoraat Cultureel erfgoed, vanwege de sterke inhoudelijke raakvlakken tussen beide lectoraten en om de mogelijkheden voor complementariteit verder te verkennen. De kenniskring zal in eerste instantie eens per jaar bij elkaar komen.
Het lectoraat werkt interdisciplinair en academie-overstijgend, in nauwe samenwerking met interne AHK-lectoraten en -academies én met externe partners. De onderzoeksgroep bestaat uit een lector, een coördinator, een kernteam van onderzoekers en projectteams. De organisatiestructuur borgt dat rollen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden helder zijn belegd en dat ieders expertise effectief en ethisch wordt ingezet.
Profielen en functieniveaus
Het lectoraat werkt voornamelijk met artistiek/ontwerpende onderzoekers en ook met wetenschappelijke onderzoekers; regelmatig zijn beide profielen in één persoon verenigd of worden ze complementair georganiseerd in partnerschappen. Afhankelijk van de projectbehoefte variëren aanstellingen van onderzoeker A (schaal 10) tot onderzoeker C (schaal 13).
Basisformatie
In 2025 bestaat de basisformatie uit de lector, een coördinator, onderzoekers (in ieder geval twee per onderzoeksproject). De ambitie is om dit basisteam gefaseerd uit te breiden met een senior onderzoeker die taken van de lector kan overnemen, alsook het team te versterken met onderzoeksassistenten en stagiaires.
Projectteams
Grotere onderzoeken kennen een eigen projectteam, soms onder leiding van de lector en soms onder penvoering van een collegalector of externe partner. Teams worden operationeel ondersteund door de coördinator en/of een basisteam-onderzoeker. Planning, logboeken en werkafspraken worden vastgelegd in Notion; rapportagefrequentie is projectspecifiek. Voor ieder project binnen het lectoraat vindt in de opstartfase wekelijks overleg plaats tussen de lector en de onderzoekers, en in de verdere fases tweewekelijks, ten behoeve van de projectbegeleiding. In sommige projecten is de lector ook zelf actief betrokken als onderzoeker.
Kenniskring
In 2026 zal de lector een kenniskring opbouwen, bestaande uit onderzoekers binnen het lectoraat en collega-lectoren. Eén van

De basisformatie van het lectoraat bestaat uit een lector, een coördinator en een groep onderzoekers. De totale omvang hiervan omvat 1 fte voor lector en coördinator en ongeveer 1 fte voor het kernteam van onderzoekers (dit is een gemiddelde per jaar). In 2026 kunnen de Rijksbijdrage en de Strategische Uitvoeringsagenda (SUA) gezamenlijk deze 1 fte dekken. Vanaf 2027 zal echter aanvullende subsidie nodig zijn om deze formatie te kunnen continueren. Afhankelijk van de lopende projecten worden aanvullende specialistische rollen ingezet. De omvang in fte is daarbij sterk afhankelijk van de aard van de projecten en de beschikbaarheid van externe financiering.
Daarnaast wordt het lectoraat versterkt door per project additionele onderzoekers te betrekken, die onder begeleiding van het lectoraat werken maar meestal niet vanuit de Rijksbijdrage kunnen worden bekostigd. Zij zullen dan bekostigd moeten worden vanuit aan te vragen subsidies.
Lector (0,6 fte)
Dr. Naomi Bueno de Mesquita is inhoudelijk en organisatorisch eindverantwoordelijk voor het onderzoeksprogramma, de aansturing van het team, externe samenwerking en de adviesraad. Haar onderzoek opereert op het snijvlak van design en antropologie met een focus op en publiek-ruimtelijke vraagstukken. Daarnaast is zij lector Sociale Innovatie aan de Design Academy Eindhoven en voormalig Research Fellow in het EU Marie Curie‑project TRADERS.
Coördinator (0,4 fte)
Marieke Schellart – coördinator (project- en teamcoördinatie, planning, budgetbewaking, procesondersteuning)
Basisteam onderzoekers (totaal ongeveer 1 fte)
Jaïr van Dijk (archivistiek)
Dr. Amit Gur (sonisch onderzoek)
Dr. Nofit Itzchak (etnografisch onderzoek)
Dr. Tzlil Sharon (mediawetenschap)

Kamiel Verhelst (cartografie, intentie om bij basisteam te betrekken als financiële mogelijkheden het toelaten)
Additionele onderzoekers bekostigd vanuit vanuit 2de/3de geldstroom (bezetting afhankelijk van subsidies)
Jochem Kootstra (etnografisch onderzoek)
Thijs Verbeek (visueel onderzoek)
Bas Losekoot (visueel onderzoek)
Stagiaires
Partner onderzoekers niet bekostigd vanuit rijksbijdrage (bezetting afhankelijk van samenwerkingen)
Victor van de Ven (muziekonderzoek, CvA)
Orlando Ceder (muziekonderzoek, CvA)
Anthony Heidweiller (muziekonderzoek, SB)
Hedwig van der Linden (visueel onderzoek, TCP, tot oktober 2025)
Kevin Westerveld (visueel onderzoek, TCP, tot oktober 2025)
Het lectoraat werkt samen met alle AHK-academies en het Research Centre, met lectoraten rond Social Engagement en Ways of Knowing. Aansluiting wordt gezocht bij onderwijsontwikkeling (Centre for Teaching & Learning), en academie specifieke ateliers en onderzoekstrajecten voor veldwerk, sonische en visuele productie.
11. Deze meerjarige samenwerking loopt tot en met december 2025 onder het lectoraat van Naomi aan de Design Academy Eindhoven. Samen met Menno Welling en de partners in Veenhuizen wordt verkend of deze samenwerking vanaf 2026 kan worden voortgezet binnen de AHK. Het biedt het lectoraat SRDK en de Reinwardt Academie de mogelijkheid om gezamenlijk op te trekken in deze samenwerking.
Externe partners omvatten culturele instellingen, erfgoedorganisaties, gemeenten, publiekprivate kennisnetwerken, mediapartners en makerscollectieven. Waar passend worden living labs en veldwerk in situ opgezet, inclusief co-creatie met betrokken gemeenschappen. Voorbeelden uit lopende trajecten zijn samenwerkingen met Drents Archief, Nationaal Gevangenismuseum, provincie Drenthe en gemeente Noorderveld.11

Het onderzoek wordt gefinancierd via een mix van:
Eerste geldstroom: rijksbijdrage (instellingsmiddelen) voor basisformatie en onderzoekscontinuïteit;
Tweede geldstroom: competitieve subsidies (bijv. SIA/NWO) voor thematische projecten;
Derde geldstroom: publiek/private opdrachten en contractonderwijs (training, advies, bij en nascholing).
Alle activiteiten worden als lectoraatsactiviteiten uitgevoerd; onafhankelijkheid en academische integriteit zijn randvoorwaardelijk. Bij contractonderzoek worden afspraken over intellectueel eigendom, openbaarheid en publicatievrijheid vooraf vastgelegd. Kostenposten omvatten personeel (onderzoek, coördinatie, ondersteuning), werkbudget (veldwerk, productie, publicatie) en disseminatie (events, open access). Jaarplannen en verslagen bevatten de meerjarenraming.
Figuur 10 toont een meerjarenplanning waarin de verschillende verwachte disseminatieactiviteiten van het lectoraat zijn weergegeven. Per project is te zien in welke periode een activiteit wordt verwacht (voor projecten die op het moment van schrijven reeds lopen), zoals publicaties, presentaties, workshops, onderwijsmodules, podcasts of tentoonstellingen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen fundamentele projecten en impulsprojecten. De fundamentele projecten vormen de inhoudelijke pijlers van het lectoraat: zij hebben een meerjarige looptijd en dragen bij aan de structurele kennisontwikkeling binnen het onderzoeksprogramma. De impulsprojecten daarentegen zijn vaak (maar niet altijd) kortdurende, experimentele trajecten die het lectoraat voeden met nieuwe inzichten, methoden of samenwerkingsvormen, en daarmee de bredere onderzoeksagenda verrijken. De fundamentele projecten worden gefinancierd vanuit de eerste geldstroom (Rijksbijdrage, TCP, SUA) en zo nodig aangevuld met subsidie. Impulsprojecten worden voornamelijk bekostigd vanuit de tweede en/of derde geldstroom.
De financiering van de vier onderzoekdomeinen en hun bijbehorende projecten is opgebouwd uit een combinatie van structurele en projectgebonden middelen. De basis van het lectoraat wordt gefinancierd door de rijksbijdrage, die de basisformatie en de algemene bureauzaken) dekt en zo een stabiele onderlaag vormt

voor alle domeinen. Aanvullend worden voor specifieke onderzoeksactiviteiten, thematische programma’s en samenwerkingen, middelen ingezet uit de Strategische Uitvoeringsagenda (SUA) en de Thematic Collaboration Programme (TCP), die projecten met partners en collega lectoren zoals de Academie van Bouwkunst mogelijk maken. Voor grotere of meerjarige trajecten wordt bovendien actief ingezet op het binnenhalen van tweede-en derdegeldstroomfinanciering, zoals subsidies, fondsen en externe bijdragen van maatschappelijke en culturele partners. Deze gelaagde financieringsstructuur zorgt ervoor dat ieder domein een mix heeft van structurele basisfinanciering en projectmatige middelen, waarmee zowel continuïteit als inhoudelijke verdieping en externe samenwerking wordt gewaarborgd.
Figuur 11 toont een vereenvoudigde versie van de meerjarenbegroting (zie bijlage voor de gedetailleerde versie), waarin per onderzoeksdomein — en in de bijlage ook op projectniveau — inzichtelijk wordt gemaakt wat de omvang is en via welke geldstroom de financiering verloopt. Deze visual laat zien hoe de verschillende projecten zich tot elkaar verhouden in de tijd en hoe de middelen strategisch worden ingezet.
Figuur 12 toont cirkeldiagrammen waarmee inzichtelijk wordt gemaakt hoe het totale jaarlijkse budget verdeeld wordt over de veschillende kostencategorieën en de domeinen. Zo is duidelijk waar de meeste middelen naartoe gaan, en waar in een specifiek jaar de focus ligt.
Voor het jaar 2026 worden twee domeinen structureel gefinancierd vanuit de rijksbijdrage, namelijk Diversiteit en Perspectieven alsook Erfgoed en Macht. Voor de domeinen Ruimte en Rechtvaardigheid alsook Kennis en Gemeenschap is de rijksbijdrage vanaf 2026 niet toereikend. De voortzetting van projecten binnen deze domeinen vereist daarom aanvullende financiering, bijvoorbeeld via TCP middelen, samenwerking met andere lectoraten, subsidieaanvragen, of projectfinanciering door culturele of overheidsinstellingen. Zo wordt het project Music, Media, and Making Public(s) uitgevoerd in samenwerking met lector Michiel Schuijer en volledig gefinancierd door zijn lectoraat aan het CvA (zie bijlage voor projectvoorstel en begroting). Het project Hybrid Public Spaces wordt ontwikkeld in samenwerking met lector Hans Teerds van de AvB en volledig gefinancierd door de TCP middelen van beide lectoraten te bundelen (zie bijlage voor projectvoorstel en begroting). Voor het project Klankstad wordt financiering gezocht via een subsidieaanvraag, met als doel het project in 2026 te kunnen voortzetten.

Figuur 11. Meerjarenbegroting

Rijksbijdrage
Strategische Uitvoeragenda (SUA)
TCP Via ander lectoraat
2e + 3e geldstroom
Totale begroting
Basisformatie (excl. onderzoekers)
Lector & Coördinator
Lector & Coördinator (+extra ‘25-’26)
Domeinen & Projecten
Diversiteit en Perspectieven
Viewpoint Diversity in the Arts
Erfgoed en Macht Polyphonic Archive
Ruimte en Rechtvaardigheid
Hybrid Public Spaces (i.s.m. AvB)
Kennis en Gemeenschap
Music, Media and Making Public(s)*
Klankstad
Mapping Places & Traces
Overkoepelende projectkosten
Dissementie-, productiekosten etc.
Overige personeelszaken
Interne verrekening
Pers.kst Interne Levering etc.
Algemene bureazaken
Algemene bureazaken
Representatie, materiaal, licenties etc.
* i.s.m. CvA
Roze bedragen: aan te vragen 2de en 3de geldstroom

Figuur 12. Verdeling jaarlijks budget (incl. benodigde 2de en 3de geldstroom)
Basisformatie (excl. onderzoekers)
Onderzoeks domeinen
Overkoepelende projectkosten
Algemene bureauzaken
D&P = Diversiteit en Perspectieven
E&M = Erfgoed en Macht
R&R = Ruimte en Rechtvaardigheid
K&G = Kennis en Gemeenschap

Csordas, T. J. (Ed.) (1994) Embodiment and Experience: The Existential Ground of Culture and Self. Cambridge: Cambridge University Press.
Csordas, T. J. (2002). Body/Meaning/Healing Palgrave Macmillan.
Denzin, N. K. (2006). Analytic autoethnography, or déjà vu all over again? Journal of Contemporary Ethnography, 35(4), 419–428.
Desjarlais R. (2003) Sensory Biographies: Lives and Deaths Among Nepal’s Yolmo Buddhists. Berkeley: University of California Press.
Geertz, C. (1973). The interpretation of cultures. Basic Books.
Glaser, B. G., & Strauss, A. L. (1967). The discovery of grounded theory: Strategies for qualitative research. Aldine.
Geurts K. (2002) Culture and the Senses: Bodily Ways of Knowing in an African Community. Berkeley: University of California Press.
Hajer, M., & Reijndorp, A. (2002). In search of new public domain. nai010 Publishers.
Ihde, D. (2012). Listening and voice: Phenomenologies of sound. State University of New York Press.
Latour, B. (1993). We have never been modern. Harvard University Press. Lewis, H. (2022, August 18). How Social Justice Became a New Religion. The Atlantic. https://www.theatlantic.com/ideas/ archive/2022/08/social-justice-new-religion/671172/
Lukianoff, G., & Haidt, J. (2018). The coddling of the American mind. Penguin Press. Mounk, Y. (2023). The identity trap: A story of ideas and power in our time. Penguin Press.
Nationale Wetenschapsagenda. (2021). Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). https://www.nwo.nl/en/researchprogrammes/dutch-research-agenda-nwa Pluckrose, H., & Lindsay, J. (2020). Cynical theories: How activist scholarship made everything about race, gender, and identity—and why this harms everybody Pitchstone Publishing. Ponterotto, J. G. (2006). Brief note on the origins, evolution, and meaning of the qualitative research concept “thick description.” The Qualitative Report, 11(3), 538–549. https://doi.org/10.46743/2160-3715/ 2006.1666
Rubiales-Núñez, J., Rubio, A., Araya-Castillo, L., & Moraga-Flores, H. (2024). Evolution of ambiguity tolerance research: A scientometric and bibliometric analysis. Frontiers in Psychology, 15, 1356992 https://doi.org/10.3389fpsyg.2024.1356992
Ryle, G. (1971). The thinking of thoughts: What is “Le Penseur” doing? In G. Ryle, Collected papers (Vol. 2, pp. 480–496). Hutchinson. (Oorspronkelijk werk gepresenteerd 1968)
Sterne, J. (2012). The sound studies reader. Routledge.
Stoltz, S., & Neels, E. (2025, 17 april). Voorstel voor een opleidingsaanbod in archivistiek en overheidsinformatie aan de Reinwardt Academie [intern rapport]. Reinwardt Academie.
Sunstein, C. R. (2017). #Republic: Divided democracy in the age of social media Princeton University Press.
Vereniging Hogescholen. (2023). Brancheprotocol Kwaliteitszorg Onderzoek 2023–2028. https://www.vereniginghogescholen.nl/ Brancheprotocol_Onderzoek_2023-2028
VSNU, NFU, KNAW, NWO, & Vereniging Hogescholen. (2018). The Netherlands Code of Conduct for Research Integrity https://www.nwo.nl/en/netherlands-code-conduct-research-integrity

Ahmed, S. (2014). The cultural politics of emotion. Edinburgh University Press. Arendt, H. (2017). De menselijke conditie (Original work published 1958). Boom Uitgevers.
Bembeneck, E. (2012, June 27). Spatial Storytelling. Play the Past. Retrieved from https://www.playthepast.org/ Boeder, P. (2005). Habermas’ heritage: The future of the public sphere in the network society. First Monday, 10(9). https:// firstmonday.org/ojs/index.php/fm/article/ download/1280/1200
Borgdorff, H. (2012). The conflict of the faculties: Perspectives on artistic research and academia. Leiden University Press.
Bueno de Mesquita, N. (2021). Digital performative mapping [Doctoral dissertation, KU Leuven. KU Leuven Research Repository.
Conquergood, D. (1989). Poetics, play, process, and power: The performative turn in anthropology. Text and Performance Quarterly, 9(1), 82–88.
Corner, J. (1999). The Agency of Mapping: Speculation, Critique and Invention. In D. E. Cosgrove (Ed.), Mappings (pp. 213–252). Reaktion Books.
Couldry, N. (2008). Mediatization or mediation? Alternative understandings of the emergent space of digital storytelling. New Media and Society, 10(3), 373–391.
Couldry, N. (2012). Media, Society, World: Social Theory and Digital Media Practice Wiley.
Fukuyama, F. (2022). Liberalism and its discontents. Farrar, Straus and Giroux.
Fukuyama, F. (2018). Identity: The demand for dignity and the politics of resentment. Farrar, Straus and Giroux.
Gaver, W. (2012). “What should we expect from research through design?” In Proceedings of the SIGCHI Conference on Human Factors in Computing Systems (CHI ’12). ACM.
Gibson, J. J. (2014). The theory of affordances (1979). In J. J. Gieseking, W. Mangold, C. Katz, S. Low, & S. Saegert (Eds.), The People, Place, and Space Reader (pp. 56–60). Routledge.
Haidt, J. (2021). Rechtvaardigheidsgevoel: Waarom wij niet allemaal hetzelfde denken over politiek en moraal. Ten Have.
Hajer, M., & Reijndorp, A. (2002). In search of new public domain. nai010 Publishers.
Hamers, D., Bueno de Mesquita, N. E.,
Vaneycken, A., & Schoffelen, J. (Eds.). (2017). Trading places: Practices of public participation in art and design research. dpr-Barcelona.
Höök, K. (2018). Designing with the body: Somaesthetic interaction design. MIT Press. https://doi.org/10.7551/mitpress/ 11481.001.0001
Ingold, T. (2007). Lines: A brief history. Routledge.
Latour, B. (2011). Drawing Things Together. In M. Dodge, R. Kitchin, & C. Perkins (Eds.), The Map Reader: Theories of Mapping Practice and Cartographic Representation (pp. 65–72). Wiley-Blackwell. https://doi.org/10.1002/9780470979587.ch9 Merleau-Ponty, M. (1962). Phenomenology of Perception. Evanston: Northwestern University Press. (Oorspronkelijk werk gepubliceerd in 1945)
Mizrachi, N. (2024). Beyond suspicion: The moral clash between rootedness and progressive liberalism. University of California Pres Perry, M. J. (2020, August 28). Markets in everything: The booming industry of social justice. The American Enterprise Institute. https://www.aei.org/carpe-diem/ markets-in-everything-theboomingindustry-of-social-justice/ Rasch, M. (2024). Luisteroefeningen: Over aandacht en ontvankelijkheid. De Bezige Bij. Reyes, A. (2019). Eugenic visuality: Racist epistemologies from Galton to „The Bell Curve.“ In American Studies, 64(2), 215–240. Universitätsverlag Winter GmbH. Sharon, T. (2023). Peeling the pod: Towards a research agenda for podcast studies. In Media, Culture & Society, 45(2), 324–337. Schön, D. A. (1983). Reflective Practitioner: How Professionals Think in Action. Basic Books.
Pink, S. (2015). Doing Sensory Ethnography (2nd ed.). SAGE
Schouwenberg, L., & Kaethler, M. (Eds.). (2021). The auto-ethnographic turn in design. Valiz.
Sennett, R. (2024). The Performer: Art, Life, Politics. New Haven: Yale University Press. Sennett, R. (1977). The fall of public man Random House.

Handelingskader voor lector verbonden aan twee hogescholen
Meerjarenbegroting lectoraat
Projectvoorstel en begroting Music, Media, and Making Public(s)
Projectvoorstel en begroting Thematic Collaboration Programme
Oktober 2025
Lectoraat Sociale Rechtvaardigheid en Diversiteit in de Kunsten
Tekst: Naomi Bueno de Mesquita Vormgeving: Thijs Verbeek


