Sonar Nr 19 – september 2026
KU Leuven-magazine
Hier kiemt kennis De nieuwe serres: hightech, veilig, fossielvrij
kuleuven kuleuven school/ku_leuven kuleuven
KULEUVEN.BE/STORIES
3
Edito — Severine Vermeire Rector KU Leuven
H
et hoorcollege blaakt van gezondheid en de aula blijft de uitgelezen plek om studenten te injecteren met passie, bevlogenheid en verwondering. Na lezen van het Sonar-artikel over het veelkantige onderwijsmodel van onze universiteit, ben ik daar meer dan ooit van overtuigd. Studeren is in essentie een sociaal gebeuren: mensen leren van, door en met elkaar. Het bijzondere aan het onderwijsmodel van KU Leuven is dat het ambitie verzoent met menselijkheid. De lat ligt hoog, jazeker, maar studenten kunnen rekenen op ondersteuning. Het semestersysteem, starttoetsen, zomercursussen en begeleiding op maat helpen jonge mensen ontbolsteren. Je leert hier niet alleen iets, je wórdt hier ook iemand. Dat is uiteraard ook in grote mate de verdienste van ons professorenkorps. Onze docenten zijn stuk voor stuk internationale kleppers in hun vakgebied. Daardoor gaan onderwijs en toponderzoek hier hand in hand. Die kruisbestuiving is ook zichtbaar in onze nagelnieuwe Universitaire Serres – één van de grootste onderzoeksinstallaties ooit gebouwd binnen de faculteiten van de groep Wetenschap en Technologie. Een boeiend artikel gidst u door deze kernfaciliteit, die op meer dan één vlak het neusje van de zalm is. Opmerkelijk is dat de nieuwe serre ook een leslokaal herbergt. Eerstejaarsstudenten kijken van daaruit uit op een naastgelegen serrecompartiment met bananenplanten. Zo zien ze met eigen ogen hoe de theoretische leerstof die ze verwerken, zich vertaalt naar praktische toepassingen. In deze serre groeien niet alleen planten; hier rijpen ook inzichten en ideeën. Vruchtbare grond kortom, voor onderwijs én onderzoek.
Onderwijs is geen diplomamachine, het is in de eerste plaats een kansenmotor.
© KU Leuven – RS
Ook buiten de landsgrenzen blijkt de appetijt voor ons onderwijsmodel groot. Het voorbije academiejaar vonden maar liefst 12.000 internationale studenten hun weg naar KU Leuven. Een verblijf aan onze universiteit is echter niet voor iedereen financieel haalbaar. Precies daarom werd eind 2024 het KU Leuven Internationaal Studiebeurzenfonds in het leven geroepen. Het geeft minder gegoede buitenlandse studenten de kans om aan deze universiteit te studeren. “Deze beurs financierde niet alleen een diploma, ze heeft mijn leven voorgoed veranderd”, zo formuleert Eslam Soliman uit Egypte het treffend. Onderwijs is geen diplomamachine, het is in de eerste plaats een kansenmotor. We zetten dit academiejaar ook in met een nieuwe writer in residence. Gaea Schoeters gaat lezingen geven, gastbijdragen in Sonar verzorgen en een cursus creatief schrijven doceren. Voor wie daar niet op kan wachten hier al één schrijftip uit het interview met de auteur: op een gegeven moment moet je er gewoon voor gaan zitten en beginnen. Het geschenk is alvast één van mijn drie leestips voor dit academiejaar. In het boek formuleert Schoeters een prikkelende gedachte. Ons kapitalistische maatschappijmodel – dat economische groei vooropstelt ten koste van de biodiversiteit – is door mensen bedacht, dus het kan ook worden hérdacht. Lezen kan, ik zei het al eerder, een weg zijn naar kennis. Misschien begint levenslang leren wel bij levenslang lezen …
4
NIEUWE UNIVERSITAIRE SERRES
Een glazen huis voor planten en ideeën
8 ENDOMETRIOSE BETER BEGRIJPEN
Grote verwachtingen van miniweefsels
16
Waar is de kinderwens gebleven? © DPG Media B.V. – PZC
44 En verder
6 Wetenschat Het brein van de octopus – 14 Door de lens Soort zoekt soorten – 22 Speeddate met Frea De Keyzer 28 Blow-up Geneeskrachtige buisjes – 36 Droomjob Klimcoach – 38 Schenken Internationaal Studiebeurzenfonds 42 Carte blanche Hongerspelen voor bacteriën – 48 Interland Turkije-België
5
DE ONGEMAKKELIJKE WAARHEID VAN #METOO
ONDERWIJS: ACHT INGREDIËNTEN VOOR STUDENTEN
Tussen zwijgen, spreken en gehoord worden
“De lat ligt hoog, maar je staat er niet alleen voor”
24
56
WAT VERTELLEN VOORWERPEN IN DE LITERATUUR?
ALUMNUS LUCAS DECKERS
De relaasheid der dingen
Bekende Belg in China
30
60
WRITER IN RESIDENCE GAEA SCHOETERS
KLEINE GESCHIEDENIS
“Ik wil niet in een hokje worden geduwd”
Walvissen gespot te L.
50
64
6
WETENSCHAT — Het brein van de octopus
Slimmer dan de zee diep is
© Seuntjens Lab
Naast acht armen heeft de octopus op zijn evolutionaire pad ook een stel hersens ontwikkeld dat verbluffend geavanceerd gedrag mogelijk maakt. Ontwikkelingsbiologen proberen het bouwplan van dat brein te ontrafelen.
7
M
et zijn buitenaardse verschijning en fluïde dans is de octopus een dier dat verwondering opwekt. Die wordt nog groter als ontwikkelingsbiologe Eve Seuntjens vertelt waartoe het brein van octopussen zoal in staat is. “Ze leren taken door soortgenoten te observeren, ze werken tijdens het jagen georganiseerd samen met vissen, ze gebruiken tools – zoals kokosnootschalen waarin ze zich verschuilen …” De octopus heeft die trukendoos op een eigen evolu tionair pad ontwikkeld, los van de gewervelde dieren. “De laatste gemeenschappelijke voorouder moeten we 500 miljoen jaar geleden zoeken”, zegt Seuntjens. Met haar onderzoek wil ze het brein van de octopus doorgronden. Dat is pionierswerk. Zo bedacht haar lab een opstelling met geklimatiseerde vaten waarin octopus eieren tot ontwikkeling kunnen komen.
Reis in de hersenen De octopus vulgaris heeft een half miljard zenuwcellen, ongeveer zoveel als een klein zoogdier en tienduizend keer zoveel als de slak, die net als de octopus tot de stam van de weekdieren behoort. “Een derde van die neuronen zit in de centrale hersenen van de octopus, gelegen tussen de ogen, rond de slokdarm. De rest zit verdeeld over de armen, die elk een aparte zenuwkoord hebben”, zegt Seuntjens. Haar onderzoek richt zich vooral op de embryonale fase van de octopus: hoe worden hersencellen aangemaakt en geïntegreerd in netwerken? Met fluorescentiemicroscopie – waarbij specifieke moleculen in cellen een fluorescerend ‘vlaggetje’ krijgen – toonde het lab al aan dat hersencellen bij de octopus niet ontstaan op de plek waar ze nodig zijn. “De stamcellen die de hersenen vormen bevinden zich in een aparte zone naast de ogen. Uit die stamcellen komen zenuwcellen voort, die vervolgens naar hun eindbestemming in het brein reizen om daar uit te groeien tot functionele hersencellen.” Die migratie van cellen is ook te zien bij de mens. “Een aparte productieplek voor cellen inrichten is duidelijk een efficiënte manier om een complex brein te bouwen”, zegt Seuntjens.
Dat betekent niet dat de hersenhuishouding bij octopus en mens in elk opzicht gelijkaardig is. “We hebben vast gesteld dat bij de octopus de chemie in de hersenen helemaal anders is: de communicatie tussen de hersencellen verloopt via andere signaalmechanismen. Daarom is het ook zo moeilijk om over de octopus te praten in menselijke termen als ‘intelligentie’ of ‘bewustzijn’.” Opmerkelijk is ook dat octopussen hersencellen blijven aanmaken tot ze volwassen zijn – en mogelijk ook daarna nog. “We weten nog niet waarom. Het zou kunnen dat dat nodig is om functies zoals camouflage goed te laten werken. De octopus kan van kleur veranderen dankzij chromatoforen: pigmentzakjes die door het zenuwstelsel worden aangestuurd. Naarmate het dier groeit, moet het extra chromatoforen én zenuwverbindingen aanmaken.”
Zuignappen Met de nieuwste technologieën wil Seuntjens in kaart brengen welke cellen onderling verbindingen maken en neurale circuits vormen. “Een voorbeeld: octopussen gebruiken hun zuignappen om hun omgeving te proeven, en zo onder meer vers van bedorven voedsel te onderscheiden. We willen achterhalen hoe de flow van informatie tussen de sensorische neuronen in de armen en het centrale zenuwstelsel verloopt.” Het lab wil ook een aantal evolutionaire vraagstukken ophelderen. “Het genoom van de koppotigen – waartoe de octopus behoort – verschilt sterk van dat van andere weekdieren: het DNA is in de loop van de evolutie behoorlijk door elkaar geschud. Wij onderzoeken hoe die herschikkingen geleid hebben tot de grotere diversiteit aan zenuwcellen die we bij de koppotigen zien.” Tot slot: we spreken professor Seuntjens vlak voor de zomer, speelt de octopus een rol in haar vakantie plannen? “Wel, ik ben van plan om mijn duikbrevet te halen. Tijdens congressen klinkt geregeld de vraag: ‘Wie gaat er straks mee duiken?’ Hoog tijd dat ik er werk van maak (lacht).” ● (rvh)
© KU Leuven – RS
8
ONDERZOEK — Nieuwe Universitaire Serres geopend
9
Hightech labo onder een glazen stolp In Heverlee kunnen onderzoekers met groene vingers hun hartje weer ophalen: de nieuwe Universitaire Serres zijn geopend. Verwacht hier niet de historische charme van de Koninklijke Serres van Laken, maar wel een hypermodern glastuinbouwcomplex met een hoog bioveiligheidsniveau. Geen plantenkwekers, wel biotechnologen die de landbouwproblemen de wereld uit proberen te helpen.
W
andelend door de serres passeren we aardbeien met de botrytis-schimmel en peren met schurft. “Al onze proefplanten zijn vruchtgewassen”, zegt bio-ingenieur en serremanager Poi Verwilt (op de foto hiernaast). Veel onderzoek hier heeft te maken met voedselzekerheid, duurzaamheid en klimaatverandering, kadert professor Bram Van de Poel, academisch verantwoordelijke van KU Leuven Serres Kernfacilteit en eveneens bio-ingenieur. De onderzoeksvragen kunnen vele kanten opgaan: kan je een even grote opbrengst krijgen met minder licht, zodat de energiefactuur daalt? Hoe stel je het gebruik van chemische middelen zo lang mogelijk uit? Kan je bacteriën en gisten inzetten om nuttige insecten naar planten te lokken en schadelijke insecten weg te jagen? Beïnvloedt de klimaatverandering de zaadvorming? Welk effect heeft onze lange schemering op de groei van planten uit het Zuiden, waar de schemering maar even duurt?
Torenhoge stookkosten Om dat allemaal te onderzoeken, heb je de juiste infrastructuur nodig. “Zeven jaar geleden zijn we begonnen aan de plannen voor een nieuwe serre; in 2024 werd de oude afgebroken”, vertelt Verwilt. De vorige serre – gebouwd in 1998 en uitgebreid in 2006 – was dan ook dringend aan vervanging toe. “Zo’n serre is op twintig jaar afgeschreven. Reparaties waren schering en inslag, en de stookkosten
waren torenhoog. Het werd ook allemaal te krap, met soms verschillende experimenten in eenzelfde compar timent van de serre. Vanuit wetenschappelijk standpunt is dat niet ideaal.” Er is voor gekozen om geen nieuwe open ruimte aan te snijden in Heverlee, maar een iets grotere serre te bouwen op de plaats van de oude. De juiste, duurzame keuze, maar wel één die heel wat puzzelwerk vergde. “Je kan onderzoekers niet vragen om hun experimenten met planten twee jaar stil te leggen”, zegt Van de Poel.
“Wij stoten geen CO2 uit om de serre te verwarmen. Op dat vlak zijn we pioniers.”
10 “De studenten kunnen tijdens de lessen met eigen ogen zien waar de experimenten om draaien.”
Pendelen en bouwen Dat betekende wel twee jaar kamperen in andere serres te lande. Er werd tijdelijk uitgeweken naar zusteruniver siteit UCLouvain in Louvain-la-Neuve, de plantentuin van Meise en een gehuurde serre in Boechout. Maar nu kunnen serregebruikers voor hun experimenten weer terecht in Heverlee, dicht bij hun kantoor. De opluchting dat het pendelen en bouwen achter de rug zijn, is duidelijk voelbaar. Want nu, bijna twee jaar later, staat er een nieuwe serre te blinken: één van de grootste onderzoeksinstallaties ooit gebouwd binnen de faculteiten van de groep ‘Wetenschap en Technologie’. “We zijn naar een oppervlakte van 3360 vierkante meter gegaan, bijna een verdubbeling tegenover vroeger. We hebben nu een serre met 34 afgesloten compartimenten, van verschillende groottes en elk met hun eigen klimaatregeling: voor temperatuur, luchtvochtigheid, gietregime en verlichting. Daarnaast komen er nog vier groeikamers – dat zijn volledig verduisterbare, gesloten dozen.” Meer plaats, en véél meer spitstechnologie. “Met deze serre kunnen we de komende dertig jaar verder”, vertelt een enthousiaste Verwilt.
Grotere vijver Ook Van de Poel steekt zijn trots niet onder stoelen of banken. Het hightechgehalte is dan ook indrukwekkend. “Met stip op één: dit is een fossielvrij aangestuurde serre. Wij stoten geen CO2 uit om te verwarmen. De Vlaamse overheid heeft twee miljoen euro van het kostenplaatje gesubsidieerd om dat te kunnen realiseren. We zijn pioniers op dat vlak, hier bestond geen blauwdruk voor.” Met het oog op duurzaamheid heeft de oude vijver plaatsgemaakt voor een grotere plas. “Regenwater is het beste
om planten mee te begieten of te besproeien. We zijn nu nagenoeg zelfvoorzienend op het vlak van water”, verduidelijkt Verwilt. Boven de vijver komen nog zonnepanelen; er liggen er ook al op een deel van de serre. “De energie die we daarmee opwekken, gebruiken we, aangevuld met groene elektriciteit, om de serre zowel te koelen als te verwarmen.”
Ander campusleven Een andere troef van de nieuwe serre is dat er kan worden lesgegeven, vervolgt Verwilt. “De vorige serre was enkel serre. Nu hebben we een paar lokalen ingebouwd: aan de noordkant, zodat het gebouw geen schaduw werpt op de planten. We hebben nu een ruimte waar de eerstejaarsstudenten practica plantkunde kunnen volgen. Dat lokaal ligt naast een laboruimte waar basisonderzoek kan gebeuren.” Door de ramen van die twee ruimtes hebben studenten en onderzoekers zicht op het serrecompartiment met bananenplanten. “De ruimtes zijn natuurlijk strikt gescheiden, maar de studenten kunnen nu gewoon tijdens de lessen met eigen ogen zien waar de experimenten om draaien. Een mooi voorbeeld van integratie van onderwijs en onderzoek. Dit gaat het campusleven van de serre gebruikers veranderen”, aldus Van de Poel.
Bioveiligheid Maar de zoete inval zal het hier niet worden, want deze serre voldoet aan strenge bioveiligheidsvoorwaarden. Hier stap je niet zomaar met modderige laarzen binnen om daarna losjes met een bakje wortels weer naar buiten te wandelen. Dat heeft alles te maken met het feit dat veel onderzoek gebruikmaakt van genetisch gewijzigde planten die hopelijk robuuster zijn tegen ziekteverwekkers, zoals insectenplagen of schimmels. Die ziekmakers mogen vooral niet verspreid geraken in de omgeving rond de serre. “We werken overal met dubbele deuren. Onze dakramen gaan open, maar een gaas zorgt ervoor dat er geen insecten van binnen naar buiten kunnen en omgekeerd. In de kelder staat een waterzuiveringsinstallatie om het water dat we afvoeren te ontsmetten”, zegt Verwilt. Het zijn maar een paar van de toepassingen waarmee de strenge criteria van ‘bioveiligheidsniveau G2’ werden gehaald.
Q van quarantaine Een kleinere zone binnen de serre is zelfs ‘bioveiligheidsniveau G2Q’, waarbij de Q staat voor quarantaine. Vier van de compartimenten in de serre zijn immers voorbehouden voor onderzoek met zeer gevaarlijke ziekte verwekkers. Het gaat om volledig afgesloten ruimtes, zonder ramen, waar je enkel binnen kan met een badge en nadat je je in een sas hebt omgekleed in een speciaal pak. “We werken daar ook met onderdruk, zodat de lucht uit die quarantainecompartimenten – met daarin bijvoorbeeld sporen van organismen – niet kan ontsnappen”, licht Verwilt toe.
11
© KU Leuven – RS
—
Eén van de grotere compartimenten in de serre. Elke afgesloten ruimte heeft zijn eigen klimaatregeling: voor temperatuur, luchtvochtigheid, gietregime en verlichting.
“Die ruimtes zijn er gekomen op vraag van mijn collega-beheerder professor Barbara Deconinck, om meer onderzoek te kunnen doen naar exotische planten ziektes”, legt Van de Poel uit. “Het was een hele investering, maar wel een broodnodige, in het belang van onze landbouw. Door de toenemende internationale uitwisseling van plantmateriaal, en de klimaatverandering, verspreiden plantenziektes zich sneller. Je hebt een faciliteit met hoge bioveiligheid nodig, om de meest besmet telijke en verwoestende ziektemakers te bestuderen, of om te onderzoeken hoe weerbaar nieuwe genetische varianten van planten zijn. De vraag naar deze faciliteit is zeer groot: die vier quarantaineruimtes zijn nu al zo goed als volgeboekt.”
“We bieden hier het hoogste niveau van bioveiligheid.”
12 —
© KU Leuven – RS
De compartimenten zijn voorzien van een extractor, een grote ventilator die lucht uit de serreruimte zuigt en die door een HEPA-filter leidt – een filter die microscopisch kleine deeltjes zoals pollen en schimmels verwijdert.
13 “Als het gaat over experimenten in een kas, is er weinig wat we hier niet aankunnen.”
Neusje van de zalm De fossielvrije sturing en de bioveiligheid maakten van de bouw een extra moeilijk technisch dossier, vertelt Verwilt. “Ikzelf heb minstens honderd ontwerpvergaderingen en nog meer werfvergaderingen achter de kiezen. Daarnaast waren er nog drie projectleiders en een werfcoördinator van de Technische Diensten van KU Leuven betrokken.” Maar de serre is nu wel het neusje van de zalm voor onderzoekers, vindt Van de Poel: “We kunnen verschillende klimaten simuleren; we bieden het hoogste niveau van bioveiligheid; in de groeikamers kunnen kleine plantjes heel intensief opgevolgd worden. In elk compartiment kan je irrigeren met vier types plantenvoeding. Als het gaat over experimenten in een kas, is er weinig wat we hier niet aankunnen.” Niet te verwonderen dus dat de belangstelling voor de nieuwe serre groot is. De onderzoekers die hier plantenproeven opzetten, komen uit verschillende hoeken van KU Leuven: vooral bio-ingenieurs en biologen natuurlijk, maar soms ook burgerlijk ingenieurs en biomedici. Ook bedrijven en proefcentra kloppen aan, zegt Van de Poel. “Ze kunnen een partnerschap aangaan met de universiteit. Dat kan gaan van gebruik maken van de faciliteiten tot contractonderzoek. We willen daarop inzetten: om de academische kennis te laten doorvloeien en in te spelen op de noden van de glastuinbouwsector.”
Een glazen hub Van de Poel ziet een aantal zaken mooi samenkomen nu de nieuwe serre afgewerkt is. “Ook het KU Leuven Plant Instituut (LPI), dat alle plantgerelateerd onderzoek aan KU Leuven verenigt – van molecule tot ecosysteem en van proefbuis tot veld – vestigt hier in de serre zijn hoofdkantoor. En de Universitaire Serres zijn niet de enige plek waar wordt geëxperimenteerd met planten, dat gebeurt ook op proefboerderij TRANSfarm in Lovenjoel, een centrum voor onderzoek rond vee en veldgewassen. Dat betekent dat we aan KU Leuven een heel arsenaal van infrastructuur en expertise hebben om planten te bestuderen, van fundamenteel tot toegepast onderzoek. De serre is alvast een belangrijke hub waar plantenonderzoekers elkaar vinden.” Een glazen huis voor planten én ideeën dus! ● (if)
14 DOOR DE LENS
Soort zoekt soorten
© KU Leuven – RS
Voor het vierde jaar op rij nam KU Leuven deel aan de BioBlitz georganiseerd door de Association for European Life Science Universities (ICA). Het doel: de planten- en diersoorten inventariseren die te vinden zijn op de verschillende campussen van de universiteit, zoals hier aan het Stiltehuis in Heverlee. Van begin april tot eind juni konden studenten en personeel, maar ook bezoekers en passanten, hun waarnemingen doorgeven. Dit citizenscienceproject levert niet alleen gegevens op over hoe het gesteld is met de biodiversiteit, maar draagt ook bij aan de bewustmaking rond dat thema. Met maar liefst 1.149 deelnemers, en observaties van 2.336 soorten, prijkt KU Leuven helemaal bovenaan de lijst van 15 deelnemende universiteiten.
15
16
ONDERZOEK — Grote verwachtingen van ‘mini-organen’
© KU Leuven – RS
Mini-baarmoeders helpen endometriose te begrijpen
—
Om endometriose beter te begrijpen en pistes voor behandeling te vinden zet de onderzoeksgroep van professor Hugo Vankelecom volop in op organoïden – driedimensionale cel-modellen die de kenmerken en functionaliteit van organen nabootsen.
17 Eén op tien vrouwen kampt met endometriose, een pijnlijke aandoening die ook de vruchtbaarheid kan aantasten. De oorzaak blijft onduidelijk, een diagnose laat vaak jarenlang op zich wachten, en een afdoende behandeling bestaat voorlopig niet. Stamcelbioloog Hugo Vankelecom hoopt daar verandering in te brengen. Met de hulp van minibaarmoeders in petrischaaltjes.
E
en klompje cellen in een kweekschaal dat menstrueert of positief reageert op een zwangerschapstest? Het is geen sciencefiction. Professor Hugo Vankelecom van het Departement Ontwikkeling en Regeneratie bestudeert vrouwelijke gezondheid en reproductieve biologie. Niet als clinicus, maar in het labo. Tien jaar geleden slaagde hij er met zijn onderzoeksgroep in om baarmoederslijmvlies te kweken. De ‘endometriumorganoïden’ zijn sindsdien een krachtig hulpmiddel gebleken voor onderzoek naar vruchtbaarheidsproblemen, baarmoederkanker, en ook endometriose, een complexe aandoening die nog te vaak onder de radar blijft.
Blijvende schade
er ontstaat littekenweefsel, organen gaan verkleven … Soms verschijnen er ook cysten op de eierstokken. Bij sommige endometriosepatiënten groeit het weefsel dieper door in organen en in omliggende weefsels, waar het bijkomende schade kan aanrichten.” Hoewel endometriose als een goedaardige aandoening wordt beschouwd — je overlijdt er niet aan — is de impact op de levens kwaliteit vaak enorm. Naast hevige menstruatiepijn kunnen patiënten ook pijn ervaren bij het plassen, tijdens de stoelgang of tijdens het vrijen. Veel vrouwen kampen bovendien met chronische vermoeidheid of depressie. Bij sommigen blijven de klachten bovendien niet beperkt tot de menstruatieperiode. En ook de vruchtbaarheid is vaak aangetast.
Meerdere theorieën Hoe endometriose ontstaat is nog altijd niet volledig duidelijk, zegt Vankelecom. “Volgens één theorie wordt dat baarmoederslijmvliesweefsel in de buikholte gevormd door cellen die tijdens de embryonale ontwikkeling zijn achtergebleven.” De meeste wetenschappers gaan er echter van uit dat er ‘retrograde’ menstruatie in het spel is, waarbij afgescheiden slijmvlies via de eileiders in de buikholte terechtkomt in plaats van het lichaam te verlaten. Maar die retrograde menstruatie komt bij vrijwel alle vrouwen tijdens de vruchtbare jaren in meer of mindere mate voor, zegt Vankelecom. “In de meeste gevallen ruimt het immuunsysteem de cellen die in de buikholte terechtkomen weer op.” Waarom gebeurt dat bij sommige vrouwen dan niet? Wat maakt dat die cellen weten te overleven, zich vasthechten en beginnen uit te groeien tot endometrioseletsels?
Kinderwens Endometrioseklachten kunnen wat worden gedempt door pijnstillende en ontstekingswerende medicijnen, maar een echte remedie bestaat nog altijd niet, zegt Vankelecom. “Vaak wordt de anticonceptiepil voorgeschreven, of andere hormonale medicatie. Daardoor wordt de – hormoongestuurde – groei van endometrioseletsels afgeremd, wat voor verlichting zorgt. Maar dat betekent niet dat de patiënt genezen is: na het stopzetten van de behandeling komen de klachten meestal terug.” Soms worden de letsels operatief verwijderd, maar ook dat is niet altijd een afdoende oplossing: bij ongeveer de helft van de patiënten keert de aandoening terug. “In ernstige gevallen kan een hysterectomie – het verwijderen van de baarmoeder – worden overwogen, maar dat is een drastische ingreep, en het is sowieso geen optie voor vrouwen die nog een kinderwens hebben.”
Even opfrissen: het endometrium is de binnenbekleding van de baarmoeder, waarin een bevruchte eicel zich kan innestelen om er zich verder te ontwikkelen. Als er geen bevruchting of innesteling plaatsvindt, wordt dat baarmoederslijmvlies tijdens de menstruatie afgebroken, om tijdens de volgende cyclus weer te regeneren. Maar bij ongeveer één op tien vrouwen is er buiten de baarmoeder weefsel te vinden dat sterk lijkt op baarmoederslijmvlies, legt Vankelecom uit. “Meestal op het buikvlies, de eileiders en de eierstokken, maar ook op de vaginawand, de blaas, de urinewegen, de darmen of het rectum.” Dat weefsel volgt dezelfde hormonale cyclus als het slijmvlies in de baarmoeder: het groeit aan en breekt weer af – tot op zekere hoogte althans. “Elke maand opnieuw. Daardoor treden chronische ontstekingsreacties op,
“Wellicht worden heel wat gevallen van endometriose over het hoofd gezien.”
© Shutterstock
18
Hoewel endometriose als een goedaardige aandoening wordt beschouwd – je overlijdt er niet aan – is de impact op de levenskwaliteit vaak enorm. Veel patiënten kampen niet alleen met pijn maar ook met chronische vermoeidheid of depressie. En ook de vruchtbaarheid is vaak aangetast.
Niet tussen de oren Volgens Vankelecom is meer bewustwording van groot belang. “Jonge meisjes krijgen nog te vaak te horen dat menstruatiepijn ‘erbij hoort’. Of er wordt tegen patiënten gezegd dat ze er maar mee moeten leren leven; soms zelfs dat het tussen de oren zit. Het duurt, na de eerste klachten, gemiddeld zeven tot tien jaar voor de diagnose wordt gesteld.” Dat laatste is trouwens een uitdaging op zich. Endometriose is vooralsnog niet vast te stellen via een bloedtest, en wordt ook met een MRI-scan of een klinisch onderzoek niet altijd opgespoord. Alleen een kijkoperatie in de buikholte, met nadien een onderzoek van de letsels onder de microscoop, kan zekerheid geven. Wellicht worden heel wat gevallen van endometriose dan ook over het hoofd gezien, zegt Vankelecom.
Het gebeurt zelfs dat de diagnose pas wordt gesteld wanneer zwanger worden niet lukt, en de patiënt aanklopt bij de fertiliteitskliniek. Endometriose is een erg heterogene aandoening, met uiteenlopende vormen en gradaties, en geeft soms nauwelijks of zelfs helemaal geen symptomen. Dertig tot vijftig procent van de patiënten is echter verminderd vruchtbaar of onvruchtbaar. “Na het operatief verwijderen van de letsels slaagt een deel van hen er uiteindelijk wel in om zwanger te worden, al dan niet met behulp van ivf.”
Wereldprimeur De laatste jaren is er meer aandacht voor endometriose, zowel in de media als bij artsen en wetenschappers. Om de aandoening beter te begrijpen en pistes voor behandeling te vinden zet de onderzoeksgroep van Vankelecom volop in op organoïden – driedimensionale cel-modellen die de kenmerken en functionaliteit van organen nabootsen.
19 “Het zal wellicht nog jaren duren voor er een medicijn tegen endometriose in de apotheek ligt.”
Zodra de omstandigheden goed zitten, ontvouwt het proces zich in feite vanzelf, zegt Vankelecom: “De stamcellen zijn geprogrammeerd om te doen wat ze moeten doen. Ze delen zich, organiseren zich en vormen kleine bolvormige structuren. In tien tot veertien dagen tijd groeien ze uit tot een organoïde met dezelfde eigenschappen als het weefsel waaruit de oorspronkelijke cellen afkomstig zijn. In dit geval dus baarmoederslijmvlies.”
Ziek versus gezond In eerste instantie kweekten de onderzoekers organoïden uit endometriumweefsel van gezonde vrouwen. Het was fascinerend om te ontdekken dat je zo de menstruatie cyclus kan nabootsen in een kweekschaaltje, zegt Vankelecom. “Als je hormonen – oestrogeen en proges teron – toevoegt en weer verwijdert, zal zo’n organoïde groeien en weer afsterven, net zoals dat met baarmoederslijmvlies in het lichaam gebeurt. Met andere woorden: je hebt een ‘menstruerend’ onderzoeksmodel voor het bestuderen van de cyclus.” De volgende stap was: organoïden kweken met cellen afkomstig van biopsieën van baarmoederkanker of endometriose. “Zo kunnen we nagaan welke verschillen er zijn tussen ziek en gezond endometrium. Dat doen we met geavanceerde technieken waarmee je kan bestuderen wat er binnen individuele cellen gebeurt.”
Het gaat niet letterlijk om miniatuurversies van volledige organen, zegt Vankelecom. “Organoïden bootsen het epitheel van een weefsel na – dat is een specifiek celtype dat bijvoorbeeld de huid bekleedt en ook de binnenkant van de darm en van de baarmoeder. Zo’n tien jaar geleden zijn we er voor het eerst in geslaagd organoïden te maken van cellen uit baarmoederslijmvlies.” Vankelecom en zijn groep hadden er een wereldprimeur mee te pakken – tegelijkertijd met een team uit Cambridge.
Soepje Het recept is als volgt: “We vertrekken van baarmoederslijmvliesweefsel dat we van artsen in het ziekenhuis krijgen, en dat afkomstig is van operaties en biopsieën van patiënten. In dat weefsel zitten stamcellen, cellen met de unieke eigenschap dat ze zichzelf kunnen vernieuwen en nieuwe cellen kunnen voortbrengen – niet alle organen bevatten stamcellen, maar baarmoederslijmvlies wel; het is immers net als darm en huid een orgaan dat zichzelf regelmatig vernieuwt.” “Die weefselcellen worden vervolgens in een omgeving gebracht waarin ze kunnen gedijen: een druppeltje eiwitrijke gel die het bindweefsel rond cellen in het lichaam nabootst”, legt Vankelecom uit. “Ze krijgen – anders dan bij ‘gewone’ celkweek, op een plaatje – de ruimte om in alle richtingen te groeien.” Een cruciaal verschil, want hierdoor kunnen ze drie dimensionale structuren vormen. Voor het zover is, moeten de onderzoekers de juiste cocktail toedienen van moleculen die de stamcellen vertellen hoe ze precies moeten groeien en zich organiseren zodat ze zich ontwikkelen tot het specifieke weefsel in kwestie. Dat uitzoeken was eigenlijk nog het moeilijkste, zegt Vankelecom. “We hebben nauwgezet proberen te achterhalen welke groeifactoren en signaalstoffen allemaal aanwezig zijn tijdens de embryonale ontwikkeling van endometriumweefsel, en die in een ‘soepje’ gebracht – het cultuurmedium – waaraan de weefselcellen in de gel worden blootgesteld.”
Zo kijken de onderzoekers naar de signalen die een cel ontvangt van hormonen of andere moleculen in het lichaam, en naar de reactie die erop volgt: “Als zo’n signaalweg heel actief is in ‘ziek’ endometriumweefsel of endometrioseletsels, proberen we die af te remmen of te blokkeren om te zien wat er dan gebeurt. Zo kunnen we achterhalen welke signaalwegen ervoor zorgen dat endometriosecellen zich abnormaal gedragen, zoals zich verspreiden, en zich verweren tegen het immuunsysteem, om zich dan in te nestelen en te groeien op plaatsen waar ze niet thuishoren.” Op die manier krijgen de onderzoekers een dieper inzicht in de ziekte. “Tegelijk kan je die informatie natuurlijk ook gebruiken in de zoektocht naar een geneesmiddel”, legt Vankelecom uit.
In de apotheek Intussen zijn al een aantal interessante moleculen getest. Zonder organoïden zou dat niet haalbaar zijn, zegt Vankelecom. “Voor endometriose bestaat geen geschikt diermodel. Muizen menstrueren niet. De verschillende stadia, de verschillende gradaties van de ziekte, dat kunnen we allemaal niet nabootsen in een muismodel.” Het mooie is ook: waar onderzoekers het vroeger moesten doen met kleine stukjes biopsieweefsel, kan je organoïden exponentieel vermenigvuldigen zodat je voldoende materiaal hebt om een groot aantal moleculen te testen. Hoe dan ook zal het wellicht nog jaren duren voor er een medicijn tegen endometriose in de apotheek ligt, zegt Vankelecom. “Er dienen heel wat stappen te worden gezet voor een nieuw geneesmiddel op de markt mag
20 worden gebracht. En er moet eerst nog veel onderzoek gebeuren; zo wil je er zeker van zijn dat zo’n middel veilig genoeg is en het gezonde weefsel zo min mogelijk aantast. Ook dat kunnen we weer nagaan met behulp van – in dit geval ‘gezonde’ – organoïden.” Als de diagnose endometriose wordt gesteld, is de ziekte over het algemeen al jaren bezig met zich te ontwikkelen of te woekeren. Het zou dus een hele vooruitgang zijn als we een bloedtest zouden hebben die je al in een vroeg stadium kan vertellen dat er sprake is van endometriose, zegt Vankelecom. “Zonder kijkoperatie.” Als je weet welke signaalstoffen de groei van endometriose bevorderen, kan je die stoffen proberen te detecteren in het bloed. Onderzoek op organoïden kan dus ook helpen om zulke ‘biomerkers’ te vinden.
Twee streepjes Vankelecom vertelt enthousiast over een verdere, spectaculaire, toepassing – enkele jaren geleden goed voor een publicatie in het prestigieuze tijdschrift Nature: “Met endometriale organoïden zijn we erin geslaagd een ‘embryo-implantatiemodelsysteem’ te ontwikkelen. Een laboratoriummodel om te onderzoeken hoe een bevrucht embryo tijdens de eerste stappen richting zwangerschap interageert met het endometrium, en zich vervolgens definitief innestelt. Dat proces is nog steeds een black box omdat het zich verborgen in de baarmoeder afspeelt – alleen al om ethische redenen kan je dat nooit in vivo bestuderen.” “We lieten organoïden zo groeien dat we een cellaag kregen, zoals de binnenkant van de baarmoeder. En aan dat endometriummodel voegden we dan een bevruchte eicel toe. Geen échte bevruchte eicel uiteraard, maar een blastoïde, een uit specifieke stamcellen gekweekt embryomodel.” Toen de onderzoekers een zwangerschapstest staken in het cultuursysteem waaraan zo’n blastoïde zich had vastgehecht om zich in te nestelen, verscheen het welbekende tweede streepje: de blastoïde produceerde zwangerschapshormoon, een bewijs dat de start van de inplanting gelukt was.
Afwijkend Al dat onderzoek draagt ook bij tot het ontrafelen van het raadsel rond endometriose en rond de onvruchtbaarheid die er vaak mee gepaard gaat, legt Vankelecom uit: “Tussen het endometrium van een gezonde, vruchtbare vrouw en dat van een vrouw met endometriose zien we belangrijke verschillen. En een blastoïde hecht zich veel makkelijker vast aan gezond endometriumweefsel dan aan weefsel van een onvruchtbare endometriosepatiënt.” Het verklaart waarschijnlijk voor een belangrijk deel waarom vrouwen met endometriose minder makkelijk zwanger worden. En het verklaart wellicht óók voor een deel waarom het immuunsysteem er bij gezonde vrouwen wél in slaagt om endometriumweefsel dat in de buikholte terechtgekomen is te vernietigen, maar bij endometriosepatiënten niet. “Bij endometriose is niet enkel sprake van baarmoeder slijmvlies waar het niet hoort te zitten; het endometrium zélf, in de baarmoeder en daarbuiten, is ook niet ‘gezond’.
Goedkoper en sneller Endometriose is natuurlijk niet de enige aandoening die gebaat is bij onderzoek met organoïden. Later dit jaar opent – met steun van LRD Leuven Future Fund – een nieuwe faciliteit, organ3D genaamd. Vankelecom zal die coördineren. Onderzoekers en bedrijven die op zoek zijn naar biomerkers, therapeutische doelwitten of geneesmiddelen zullen er kunnen aankloppen voor preklinische testen op organoïden en nog complexere afgeleide modellen. Dat betekent meestal een flinke stap voorwaarts, zegt Vankelecom. “In het overgrote deel van de gevallen werkt iets wat in gewone celcultuur of in muismodellen actief is, niét bij mensen. Dankzij ‘menselijke’ modellen zoals organoïden kan enorm veel geld worden bespaard, kan onderzoek beduidend sneller gaan én hoeven er veel minder dierproeven te gebeuren.” Wat endometriose betreft: een oplossing is, zoals gezegd, wellicht niet voor morgen. Maar klompjes cellen in petri schaaltjes hebben het onderzoek wél in een stroomversnelling gebracht. ● (ivh)
Toen de onderzoekers een zwangerschapstest in het cultuursysteem staken, verscheen het welbekende tweede streepje: de blastoïde produceerde zwangerschapshormoon.
—
21
“Dankzij organoïden kan onderzoek naar endometriose, en naar mogelijke oplossingen, betrouwbaarder en sneller gaan.” Foto: microscopisch beeld van driedimensionale endometrioseletsel-organoïden. De blauwe ovaaltjes zijn de celkernen, de paarse structuurtjes het skelet van de cellen. © Amber De Moor (Hugo Van Kelecom Lab)
22
SPEEDDATE — Sportjuriste Frea De Keyzer
“Niet slecht is ook niet goed” Frea De Keyzer (33) is postdoc aan het Instituut voor Arbeidsrecht én advocaatstagiair gespecialiseerd in sportrecht. Enkele maanden geleden hing ze haar voetbalschoenen aan de haak, na twaalf jaar het middenveld te hebben verdedigd bij eersteklasser KVK Tienen.
W
aarom hebt u voor rechten gekozen? “Om zoveel mogelijk opties open te houden. Ik had nooit verwacht in de advocatuur terecht te komen, maar kijk. Het advocatenkantoor waar ik werk richt zich volledig op sportrecht. Onze cliënten zijn professionele atleten en wij begeleiden hen onder meer bij het onderhandelen en afsluiten van transfer- en sponsorcontracten.”
Is er een gewoonte waar u van af zou willen? “Ik heb de voorbije jaren een lichte verslaving gehad aan Red Bull. Ik drink geen koffie, dus dat was mijn manier om wakker te worden: elke dag een blikje. Ondertussen is het er gelukkig nog maar eentje per maand of zo.” Wat staat er op uw playlist? “Ik heb een heel gevarieerde muzieksmaak, maar van r&b en hiphop – de muziek uit mijn jeugd – word ik altijd blij.”
“Twee jaar geleden rondde ik een doctoraat af over hoe geweld, racisme en matchfixing in het voetbal aangepakt worden, door de overheid maar ook door de voetbalsector zelf. Sindsdien geef ik halftijds les, vooral sportrecht, aan studenten rechten en bewegingswetenschappen.”
Is er iets wat u graag beter zou kunnen? “Keuzes maken. Ik ben een eeuwige twijfelaar, en ben vaak geneigd het advies van anderen te volgen omdat ik zelf moeilijk knopen kan doorhakken.”
Op welke job bent u jaloers? “Profvoetbalster. Wat er vandaag gebeurt in het vrouwenvoetbal had ik vroeger nooit durven dromen. Maar ik heb altijd school op de eerste plaats gezet. Voetbal was mijn leven, maar niet het enige wat telde. Ik had ook niet het talent van een Tessa Wullaert, al had ik in het buitenland misschien wel van het voetbal kunnen leven. Alleen heb ik dat zelf nooit echt als een optie gezien.”
Wat houdt u wakker ’s nachts? “De vraag hoe ik mijn jobs kan blijven combineren, ook met het oog op eventueel een gezin in de toekomst. Ik coördineer ook nog het Interdisciplinary Centre for Ethics, Regulation and Integrity in Sport. Verder werk ik freelance voor streamingdienst DAZN – ik doe er af en toe lijninterviews met spelers en coaches. En ik zetel in de Disciplinaire Raad voor het Profvoetbal en de Nationale Kamer in de strijd tegen Discriminatie en Racisme van de KBVB. Zei ik al dat ik moeilijk keuzes kan maken? (lacht)”
Hebt u een motto? “Ik ben een enorme perfectionist en doe iets alleen als ik zeker weet dat ik het echt tot een goed einde zal brengen. Dus misschien is mijn motto wel: ‘Niet slecht is ook niet goed.’”
Wat is uw beste eigenschap? “Ik denk dat ik een doorzetter ben. Iemand die dingen aanpakt en alles zo goed mogelijk probeert te doen.”
Is er een goed voornemen dat u maar niet kunt volhouden? “Geen chips eten voor de televisie ’s avonds. Nu ik niet meer voetbal zal ik toch wat meer moeten opletten.”
Wat is de belangrijkste les die het leven u heeft geleerd? “Dat je de kansen die je krijgt moet grijpen, moet durven proberen. ‘Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het kan’, zoiets (lacht).”
Waaraan hebt u een hekel? “Aan wachten. Ik heb weinig geduld.”
Welk boek ligt er op uw nachtkastje? “Atomic Habits, over hoe kleine gewoontes aanleren je leven beter kan maken. Ik probeer dat te doen, om meer structuur en houvast te creëren in mijn toch wel hectische leven. Bijvoorbeeld: als ik thuiskom van het werk, even tijd maken voor een wandeling met mijn man en ons hondje.”
Hebt u een guilty pleasure? “Als ik me echt slecht voel, durf ik al eens een aflevering van SpongeBob SquarePants op te zetten. Dat brengt me meteen terug naar mijn tienerjaren, en ik vind het nog altijd grappig.” Wat is het mooiste compliment dat u ooit gekregen hebt? “Mijn promotor Frank Hendrickx op mijn doctoraatsverdediging horen zeggen: ‘Ik heb van jou een onderzoeker gemaakt’, dat was wel een bijzonder moment.”
Naar wie kijkt u op? “Naar mijn ouders, om hoe ze in het leven staan en mij hebben opgevoed. Hoewel ze zelf geen universitair diploma hebben, hebben ze altijd geloofd in wat ik kon bereiken. En ze hebben me geleerd om met twee woorden te spreken en mensen te behandelen zoals je zelf behandeld wil worden.”
23 “Wat er vandaag in het vrouwenvoetbal gebeurt had ik nooit durven dromen.”
“Mijn mama speelde trouwens ook voetbal; van haar heb ik de microbe gekregen.” Wat is uw vreselijkste vakantieherinnering? “Toen we vorige zomer met vakantie waren in Montenegro is ons hondje Dre, dat bij mijn mama logeerde, ontsnapt. Wij waren helemaal in paniek en hadden zelfs al een vlucht naar Parijs geboekt om zo snel mogelijk thuis te geraken. Maar eenmaal op de luchthaven kregen we het verlossende telefoontje dat Dre gevonden was, drie dorpen verder. Het halve dorp was eropuit gegaan om hem te zoeken. Toen we weer thuis waren hebben we een feestje gegeven om iedereen te bedanken.” Met welk fictief personage voelt u zich verbonden? “Mijn papa is een groot stripliefhebber. Ik ben genoemd naar prinses Freya uit De Rode Ridder, al is het dan met een iets andere schrijfwijze.” Is er een ritueel waar u niet zonder kunt? “Toen ik nog voetbalde had ik dat wel: elke zaterdag ging ik voor een wedstrijd bij mijn mama spaghetti bolognaise eten.”
© KU Leuven – RS
Hebt u een hobby? “Voetbal is altijd een hobby geweest, aangezien ik er nooit geld mee verdiend heb – al was het wel een heel intensieve hobby. Nu mijn laatste seizoen erop zit, zal ik iets nieuws moeten zoeken. Een sport die nu erg opkomt is Hyrox, een combinatie van cardio en krachttraining. Ik denk dat dat wel iets voor mij zou kunnen zijn.” Aan welk project zou u meteen beginnen als tijd en middelen onbeperkt waren? “Een leerstoel sportrecht lijkt me heel interessant. Aan de rechtenfaculteit is sportrecht een klein keuzevak, terwijl de interesse bij studenten echt groot is. Misschien kan daar ooit een volwaardige masteropleiding uit groeien, eventueel in samenwerking met de Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen.” ● (ivh)
© Associated Press – Carolyn Kaster
24
MAATSCHAPPIJ — De ongemakkelijke waarheid van #MeToo
—
De New Yorkse burgerrechtenactiviste Tarana Burke en Hollywoodactrice Alyssa Milano zij aan zij. Burke introduceerde de uitdrukking ‘MeToo’, Milano maakte er jaren later een hashtag van die viraal ging.
Tussen zwijgen, spreken en gehoord worden De MeToo-beweging maakte pijnlijk duidelijk hoe groot het probleem van seksueel geweld is in onze maatschappij. Maar terwijl de hashtag viraal ging, kwam er nog een andere ongemakkelijke waarheid naar boven: niet alle slachtoffers spreken. En niet alle slachtoffers die getuigen, worden gehoord.
25 B
“Je moet vele drempels overwinnen om te kunnen spreken.”
ij de universitaire denktank Metaforum was die al dan niet gesmoorde stem van #MeToo stof voor een rapport. Een werkgroep academici uit verschillende richtingen – sociologie, antropologie, filosofie en forensische geneeskunde – boog zich over de kwestie van zwijgen, spreken en gehoord worden. Professor seksueel strafrecht Liesbet Stevens en professor architectuurtheorie Hilde Heynen, die de werkgroep coördineerden, lichten toe.
Even terug naar 2017, toen Hollywood-actrice Alyssa Milano op Twitter voor het eerst de term ‘MeToo’ gebruikte. “If you’ve been sexually harassed or assaulted write ‘me too’ as a reply to this tweet.” Milano’s post was een reactie op een artikel in The New York Times dat slachtoffers van filmproducent Harvey Weinstein opriep om te getuigen – de twee journalistes, Megan Twohey en Jodi Kantor, ontvingen in mei een eredoctoraat van de Faculteit Sociale Wetenschappen. Het aantal MeToo-getuigenissen na de tweet van Milano was overweldigend. Minder bekend is dat de New Yorkse burgerrechten activiste Tarana Burke de term ‘MeToo’ al in 2006 had geïntroduceerd. Toen al vroeg ze als sociaal werker en als vrouw van kleur aandacht voor de alomtegenwoordigheid van seksueel misbruik binnen de maatschappij. Het vergde blijkbaar een succesvolle en witte vrouw om de beweging zichtbaar te maken en de media te mobiliseren. Dat onderscheid zien we wel vaker, zelfs als slachtoffers het niet meer na kunnen vertellen omdat ze vermoord zijn, vertelt Stevens. “Toen we met onze interdisciplinaire werkgroep van start gingen om het #MeToo-rapport voor te bereiden, was dat net in de periode van grote publieke verontwaardiging over de moord op studente Julie Van Espen, in 2019. Een jaar daarvoor was Eunice Osayande, een Nigeriaanse sekswerker, vermoord, zonder dat het veel media-aandacht kreeg. Blijkbaar zijn we vooral gealarmeerd als de dominante groep in de maatschappij zich in het slachtoffer herkent.”
De Madonna en het monster Dat heeft veel te maken met het stereotiepe beeld dat we hebben van zowel slachtoffers als daders. “We gaan voorbij aan het feit dat ook kinderen of oudere vrouwen slachtoffer kunnen worden – en mannen. En we hebben vooral sympathie voor het slachtoffer als het gaat om een jonge, witte vrouw die – naïef en onschuldig – zelf niets gedaan heeft wat door sommigen beschouwd wordt als ‘aanleiding geven’, zoals drinken of drugs gebruiken”, vervolgt Stevens. Bij ‘dader’ denken we dan weer aan het gewelddadige monster dat op de loer ligt in de bosjes. “Dat soort dader bestaat, maar hij – meestal is het een man – is niet representatief voor de overgrote meerderheid van daders”, verduidelijkt Stevens. In de meeste gevallen zijn daders bekenden: een partner of ex, een familielid, vriend, buur, collega, sportcoach … Dat sluit aan bij de verkrachtingsmythe over de plaats waar het gevaar schuilt, vult Heynen aan. “Je hebt wat men de ‘paradox of fear’ noemt: vrouwen zijn bang in de publieke ruimte. Toch vertellen de cijfers ons dat vrouwen
minder vaak dan mannen lastiggevallen worden op straat – al komt er bij vrouwen vaker een seksueel aspect bij kijken. Er wordt ons vrouwen verteld om vooral niet te laat, niet alleen, niet te schaars gekleed op straat of in het bos rond te lopen. Thuis wordt dan weer als veilige haven voorgesteld. Maar 85 procent van de feiten speelt zich niet af in de openbare ruimte, maar tussen vier muren: vooral thuis, maar ook op kot, in de sportclub, op het werk …”
Hokjes en kruispunten Kwetsbaarheid heeft veel dimensies: ben je laagopgeleid, migrant, vrouw, non-binair, LGBTQ, zeer jong of heel oud, arm? Heb je een beperking of een donkere huidskleur? Mensen bij wie verschillende kwetsbaarheden samen komen worden op meerdere manieren gediscrimineerd, legt Heynen uit. “Dat noemt men intersectionaliteit, kruispuntdenken.” Wie in meerdere ‘hokjes’ zit wordt extra hard geraakt door de combinatie van vooroordelen. En is ook sneller slachtoffer: “Uit cijfers blijkt dat vrouwen in een precaire positie – werkloze vrouwen, vrouwen met een slechte gezondheid en vrouwen die door een beperking of langdurige ziekte arbeidsongeschikt zijn – een aanzienlijk groter risico lopen op seksueel geweld dan vrouwen zonder deze kenmerken”, zegt Stevens.
Dark number Op zich is dat allemaal geen verrassend nieuws, maar toch blijken we de feiten liever collectief te ontkennen. “Als we MeToo-slachtoffers horen, zitten daar weinig stemmen tussen van onderaan de ladder”, zegt Heynen. En als slachtoffers spreken, wordt het hen niet makkelijk gemaakt. Hoe meer een zaak van seksueel geweld afwijkt van de dominante vooroordelen, hoe minder we het slachtoffer geloven en hoe meer krediet we de dader geven. “Denk aan het geval van IMF-topman Dominique StraussKahn die in 2011 door Nafissatou Diallo, kamermeisje in een hotel, beschuldigd werd van aanranding. Al snel rezen twijfels over de geloofwaardigheid van de vrouw (het ging dan over haar verleden als asielzoeker en haar vermeende banden met drugsdealers – red.) en werd er geopperd dat het haar om een financiële schikking te doen was”, geeft Heynen als voorbeeld. De meerderheid van de Belgen wordt tijdens zijn of haar leven geconfronteerd met seksueel grensoverschrijdend gedrag of geweld. Acht op de tien vrouwen, en bijna de helft van de mannen. Dat blijkt uit bevragingen, niet zozeer uit aangiftes, legt Stevens uit. “In 2023 hadden we
26 “Voor veel mensen is het confronterend dat we ook genuanceerde sancties nodig hebben.”
ongeveer tienduizend aangiftes van verkrachting, poging tot verkrachting en aantasting van de seksuele integriteit. Maar we zitten met een heel hoog dark number aan gevallen die de officiële statistieken niet halen: slechts vijf tot tien procent van de feiten wordt aangegeven. In het beste scenario betekent dat dat er in België jaarlijks honderdduizend slachtoffers van seksueel geweld zijn.” Heynen vervolgt: “Van die aangiftes komt het maar in een fractie van de gevallen tot een proces, laat staan tot een veroordeling.”
“Nooit zullen álle slachtoffers zich melden. We moeten ook loskomen van het idee dat alle slachtoffers móéten spreken om seksueel geweld de wereld uit te helpen”, vindt Stevens. “In de nasleep van #MeToo zijn er veel klachten naar boven gekomen en het aantal aangiftes stijgt elk jaar. Er zijn meldpunten opgericht en de aanpak is geprofessionaliseerd. De eerste focus was om meldingen te capteren.” Maar daar mag het niet bij blijven. “Ik ben niet de eerste die het zegt, maar er is een mentaliteitswijziging nodig: we moeten inzetten op het voorkómen van seksueel geweld. En we moeten zorgzaam omgaan met de slachtoffers die er zijn. We moeten slachtoffers ondersteunen, ook wanneer ze geen klacht bij het gerecht willen indienen.”
Zorgcentra na Seksueel Geweld Eén van de grote verbeteringen op dat vlak zijn de Zorgcentra na Seksueel Geweld, zegt Stevens: “In België zijn er tien centra opgericht waar slachtoffers terechtkunnen voor allesomvattende hulp. Ook in UZ Leuven is er eentje gevestigd. Slachtoffers krijgen er medische bijstand: van de verzorging van verwondingen tot de behandeling van soa’s en een mogelijke zwangerschap. Er wordt ook een forensisch sporenonderzoek uitgevoerd: foto’s van verwondingen, onderzoek van DNA, bloed en urine – om sperma te vinden en spiking (het stiekem toedienen van verdovende middelen – red.) op te sporen. En mensen krijgen psychologische ondersteuning, ook op lange termijn. Een forensisch verpleegkundige blijft hen verder opvolgen.” In zo’n zorgcentrum kan je, als je dat wil, aangifte doen, bij een gespe cialiseerde politieagent. “Maar dat hoeft niet, en het hoeft ook niet per se onmiddellijk – het forensisch bewijsmateriaal wordt sowieso zes maanden bewaard.”
Heynen pleit voor begrip voor de mensen die dat dark number uitmaken: “Je moet vele drempels overwinnen om te kunnen spreken. Het besef dat je iets ergs is overkomen, vraagt ook tijd. Soms is blijven zwijgen voor een slachtoffer de betere optie om het trauma psychologisch te verwerken.”
Het loopt dus niet altijd zoals bij Gisèle Pelicot, de Française die een feministisch boegbeeld werd nadat ze in 2024 besloot om de strafzaak tegen haar echtgenoot en vijftig andere verkrachters in alle openbaarheid te laten voeren. “Pelicot werd gedrogeerd, dus het was duidelijk dat ze geen toestemming had gegeven. Bovendien lag het bewijsmateriaal onomstotelijk vast: haar man had alles gefilmd. Voor vele slachtoffers ontbreekt dat bewijsmateriaal en dan is het woord tegen woord”, zegt Heynen. Getuigen in het openbaar vraagt dan ook moed. #MeToo heeft seksueel geweld dan wel meer bespreekbaar gemaakt, maar het heeft slachtoffers ook doen inzien dat spreken tot een golf van negatieve reacties kan leiden – zowel van professionals als van de omgeving, in de proceszaal en in de media. Dit effect wordt secundaire victimisatie – ook de ‘tweede verkrachting’ – genoemd. Het is nog een reden waarom slachtoffers vaak besluiten om enkel te spreken in zeer intieme kring of om zelfs helemaal te zwijgen.
© Nicolas Karakatsanis
Het recht om te zwijgen
—
In de film Julie zwijgt van regisseur Leonardo Van Dijl kampt Julie, een jonge belofte bij een tennisclub wier coach wordt geschorst, met een dilemma: zwijgen of praten over seksueel misbruik. “Het besef dat je iets ergs is overkomen, vraagt ook tijd”, zegt Hilde Heynen.
27 In het Leuvense Zorgcentrum na Seksueel Geweld, gevestigd in UZ Leuven, kunnen slachtoffers terecht voor medische zorg, forensisch sporenonderzoek en psychologische ondersteuning.
© KU Leuven – RS
Voorbij de juridische logica
Werk aan de winkel
Seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag zijn eigenlijk niet-juridische paraplubegrippen, duidt Stevens. “Bij de hervorming van het seksueel strafrecht in 2022 werd de focus op toestemming gelegd. Bijvoorbeeld, als iemand zich niet verzet, mag daar niet uit afgeleid worden dat er sprake is van toestemming. Dat betekent dat er nu zaken voor de rechtbank komen die vroeger geseponeerd zouden zijn geweest. Het betekent ook dat we nu een grotere diversiteit aan daders in de rechtbank zien – van de zatte student tot het monster in de bosjes – en dat er ook meer verschillende soorten straffen worden uitgesproken. We kunnen niet al die types daders op dezelfde manier straffen. Al begrijp ik dat het confronterend is voor veel mensen dat we nu ook genuanceerde sancties nodig hebben.”
In het MeToo-rapport van denktank Metaforum doen de onderzoekers ook een aantal aanbevelingen, zowel voor de maatschappij in haar geheel als in de context van de universiteit. Als Heynen er één moet uitpikken, kijkt ze naar haar eigen vakgebied: “Ik ga als architect niet pleiten voor meer noodpalen en lampen in donkere steegjes; wel voor sociale huisvesting. Als een vrouw haar geweld dadige partner wil verlaten, kan ze even terecht in een vluchthuis, maar wat daarna? Een eigen woning is zó belangrijk om er weer bovenop te geraken als je het moeilijk hebt.”
Het lijkt Heynen aangewezen om niet in alle omstandigheden te spreken over ‘daders’ en ‘slachtoffers’: “Het woord ‘slachtoffer’ herleidt het lichaam van de persoon tot een crime scene. Ook het woord ‘dader’ klinkt soms zwaar. Kijk naar onze eigen universiteit. We zitten hier in een omgeving met ongelijke machtsverhoudingen, maar ook met vele jonge mensen die volop experimenteren met seksualiteit. Waar geëxperimenteerd wordt, worden soms ook grenzen overschreden, dat is bijna onvermijdelijk. Dat vraagt om een gedegen reflectie, en om gepaste gedragsrichtlijnen, maar wellicht niet in alle gevallen om de juridisering die samenhangt met de termen ‘dader’ en ‘slachtoffer’.”
Lees online de visietekst over #MeToo
Lees de online story ‘Van Watergate tot #MeToo’
Stevens zoomt verder in op de daders: “Er is zeker nog ruimte voor verbetering bij justitie. De inschatting hoe groot het risico is op herval, gebeurt nog te vaak vanuit een buikgevoel. Dat moet professioneler aangepakt worden. Binnen de onderzoekswereld is er ook nog te weinig forensische kennis over daders. Waarom gaan mensen die niet geestesziek zijn over tot verkrachting? Hoe brengen we hen terug op het rechte pad, zowel binnen als buiten justitie? Dat is nog een onderontwikkeld thema in het onderzoek, dus er ligt nog werk op de plank.” ● (if)
© Jef Brebels – SIEM – KU Leuven
28
29
Blow-up GENEESKRACHTIGE BUISJES
Deze constructie, een verzameling vezels, bootst een buigpees na in onze handpalm. We zien hier een klein deel van de doorsnede onder de microscoop; in werkelijkheid gaat het om een cilinder met een diameter van vijf millimeter. Dat vertelt ons industrieel ingenieur Jef Brebels, die aan een doctoraat werkt onder begeleiding van professoren Arn Mignon en Veerle Bloemen van Campus Groep T. Brebels is verbonden aan de Eenheid Functionele Materialen en het draait dus om … het materiaal. Deze cilinder is gemaakt van een biodegradeerbaar polymeer, een niet-toxische kunststof die na een aantal maanden spontaan vergaat. De tube wordt opgebouwd uit een dubbele laag vezels van polymeren: aan de buitenkant een laag kleine vezels – hier onderaan in beeld te zien – en een laag met grotere daarboven. “De grotere vezels aan de binnenkant liggen allemaal in dezelfde richting, de kleinere vezels daarrond lopen willekeurig door elkaar heen. Zo is een echte pees en de omgeving errond ook opgebouwd.” De bedoeling is namelijk om zo’n buisjesconstructie te gebruiken als herstelhulpje bij een gescheurde of doorgesneden pees in hand of vinger, vertelt Brebels. “Denk aan een bouwvakker die een baksteen op zijn hand laat vallen, een chef-kok die zich in de vinger snijdt, een rugbyspeler die ergens aan blijft haken … Nu naait een handchirurg in zo’n geval de stukken van de pees gewoon weer aan elkaar. Maar de uiteindes zullen nooit perfect aansluiten, met als gevolg dat ze komen vast te zitten aan het omliggende weefsel en er littekenweefsel ontstaat. Daardoor kan de vinger later niet meer zo soepel bewegen. Vaak treden er ook complicaties op, zoals ontstekingen en infecties.” In de toekomst zou een cilindertje als dit door de chirurg over de uiteindes van de beschadigde pees kunnen worden geschoven. Terwijl de uiteindes weer aan elkaar groeien, zal de ondersteunende buis na een tijdje vergaan. “We kunnen op de buis zelfs antimicrobiële deeltjes aanbrengen, om ontstekingen te voorkomen.” Momenteel test Brebels zijn buisjes al op cellen; in een latere fase zal een handchirurg van UZ Leuven experimenteren met pezen van donoren. Vooraleer zo’n buisjes constructie in de handpalm van een patiënt belandt, is er dus nog werk aan de winkel voor handige onderzoekers. ● (if)
30
ONDERZOEK — De rol van voorwerpen in literatuur
Ding ding ding! Als je erop let tijdens het lezen, dan merk je hoezeer romans wemelen van objecten. Vaak helpen ze gewoon om het decor te schetsen, soms doen ze veel meer dan dat en zeggen ze bijvoorbeeld iets over de maatschappelijke positie of de innerlijke wereld van een personage. Literatuurwetenschapper Pieter Verstraeten buigt zich over wat je de relaasheid der dingen zou kunnen noemen: wat hebben voorwerpen te vertellen?
J
e zou verwachten dat het bureau van een letterkundige die onderzoek doet naar de rol van objecten in de literatuur bezaaid ligt met curiosa, snuisterijen en hebbedingetjes. Dat is niet het geval in het kantoor van professor Pieter Verstraeten op de derde verdieping van het Erasmushuis. We zien vooral stapeltjes boeken, de gangbare vorm van bureaubegroeiing in het gebouw van de Faculteit Letteren. “Dat heb je goed opgemerkt, ik ben zelf niet iemand die veel dingen bijhoudt of verzamelt”, zegt Verstraeten. “Ik ben meer gefascineerd door verhalen over objecten dan door de objecten zelf.”
over hoe personages zich tot elkaar verhouden”, zegt Verstraeten. “De Leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience is één van de eerste Vlaamse romans waarin je dat – weliswaar nog spaarzaam en niet heel gesofisticeerd – toegepast ziet, bijvoorbeeld in passages over de kledij en uitrusting van de personages.”
De kiem van wat hij zijn troetelproject noemt, werd een vijftiental jaar geleden gelegd, toen Verstraeten een college moest geven over negentiende-eeuwse literatuur. “Niet meteen mijn periode – ik ben gespecialiseerd in de twintigste eeuw – dus ik ben dan maar beginnen lezen”, vertelt hij. “Wat me enorm opviel was de beschrijfwoede in veel negentiende-eeuwse romans: heelder passages zijn gewijd aan het schetsen van interieurs in al hun details. Als moderne lezer ben je geneigd om die stukken over te slaan omdat ze geen functie lijken te hebben.” “Maar toen ik erover na begon te denken, besefte ik dat de opstapeling van dingen misschien wel de essentie van die romans is. In de negentiende eeuw zag je de opkomst van massaproductie: plots waren er simpelweg veel meer dingen in de wereld. De literatuur probeert die nieuwe materiële werkelijkheid een plaats te geven.”
Leeuw met voetnoten Vanaf dat moment begon Verstraeten literatuur met een objectenbril te bekijken: hoe gebruiken romanschrijvers, maar ook dichters, voorwerpen om betekenis te genereren? “Negentiende-eeuwse auteurs ontdekken dat de onderlinge relatie tussen voorwerpen iets kan zeggen
“Conscience gebruikt voorwerpen om personages sociaal te situeren.”
31
© Gudrun Makelberge
32 De negentiende-eeuwse aandacht voor objecten wordt in het boek ingezet om iets over het Vlaanderen van 1302 te zeggen. Wanneer Jan Breydel en Pieter de Coninck worden geïntroduceerd, dragen ze eenvoudige wollen ‘kolders’, die oneindig verschillen ‘van de fraeie kleeding der Edelen.’ “Op een gelijkaardige manier zet Conscience de messen waarmee de burgers Breydel en De Coninck gewapend zijn in contrast met de grote slagzwaarden van de Franse adellijke ridders”, zegt Verstraeten. “Hij gebruikt voorwerpen om de personages sociaal te situeren en de hiërarchie in de middeleeuwen zichtbaar te maken. Conscience benoemt die sociale lading van voorwerpen expliciet in de tekst, soms gebruikt hij zelfs voetnoten om ze toe te lichten.”
personages en passanten. “In één van de hoofdstukken reist de ik-figuur met de diligence en beschrijft hij zijn medepassagiers aan de hand van hun bezittingen. De materialen van die objecten – een zilveren sigaren koker versus een koperen tabaksdoos – zeggen iets over de maatschappelijke status van die mensen”, zegt Verstraeten.
Wie staat waar op de sociale ladder? Het is een fascinatie die typerend is voor de negentiende eeuw, zegt Verstraeten. Ook Camera Obscura, Hildebrands satirische blik op het Nederland van zijn tijd, is ervan doordrongen. Voorwerpen spelen een prominente rol bij het situeren van
In een symbolisch geladen passage raakt hoofdpersonage Mathilde gefascineerd door de schaduw van haar lichaam die een gaslamp werpt op de muur en de gordijnen van haar kamer. Het schimmenspel prikkelt haar verbeelding en ze gaat steeds grilliger dansen, tot ze zichzelf in de spiegel ziet en wordt teruggeroepen naar de realiteit. Het gaslicht en de spiegel staan voor het conflict waarmee Mathilde worstelt: haar artistieke temperament versus haar burgerlijke leven, overgave versus controle.
Schimmenspel In latere negentiende-eeuwse romans worden voorwerpen breder en dieper ingezet, en krijgen ze nieuwe rollen toebedeeld. Ze onthullen bijvoorbeeld iets over het innerlijk en de psychologie van personages. Verstraeten haalt Een liefde van Lodewijk van Deyssel aan, een roman uit 1887 waarin een jonge vrouw haar romantische verwachtingen niet vervuld ziet in haar huwelijk, dat op een desillusie uitdraait.
De dingheid der dingen Negentiende-eeuwse schrijvers grijpen voorwerpen dus aan om iets te zeggen over hun personages, of het nu hun plaats in de maatschappij is of hun diepste zielenroerselen. “Aan het begin van de twintigste eeuw, in het modernisme, komt er een tegenbeweging: schrijvers gaan aandacht vragen voor de ‘dingheid’ van de dingen, een soort aura dat voor de mens moeilijk te doorgronden is”, vertelt Verstraeten. Hij verwijst naar de Amerikaanse literatuur- en cultuurwetenschapper Bill Brown, die een onderscheid maakt tussen objecten en dingen. Met de eerste term verwijst Brown naar materiële goederen zoals ze door de mens een functie en plaats hebben gekregen. De tweede term verwijst naar die moeilijk te vatten ‘dingheid’ van dingen, die bijvoorbeeld naar boven komt als ze uit hun dagdagelijkse rol vallen: een boor die het begeeft, een auto die stilvalt, een vuil raam waar je niet meer doorheen kan kijken.
© Gudrun Makelberge
Modernistische literatuur gaat met die ‘dingheid’ aan de slag. “Het is een reactie op de opkomende massaproductie: er kwamen steeds meer generische objecten die geen waarde meer hebben omdat er duizenden van zijn”, zegt Verstraeten. “Daarom gaan kunstenaars het unieke, het weerbarstige van het ding belichten.”
33 “Van Ostaijen heeft het idee dat je via een bepaald soort poëzie kan doordringen tot in de kern van de dingen.”
© Gudrun Makelberge
Veelzeggende vis Het zijn niet alleen schrijvers die in die periode het ding onderzoeken. “In Les mots et les images, een merkwaardige reeks illustraties met begeleidende tekst uit 1929, zet René Magritte zijn ideeën uiteen over de relatie tussen woorden, beelden en de werkelijkheid”, vertelt Verstraeten. “Zijn beroemde pijp met de tekst ‘Ceci n’est pas une pipe’ is een toepassing van die visie. Nee, het is geen pijp. Het is een afbeelding van een pijp. Daarmee kaart hij de vraag aan of een directe toegang tot de wereld van de dingen via woorden of beelden wel mogelijk is.” Dichter Paul van Ostaijen ging enkele jaren eerder al met de pijp aan de slag in zijn ‘Marc groet ’s morgens de dingen’: dag visserke-vis met de pet / pet en pijp / van het visserke-vis. “Dat schijnbaar kinderlijke gedicht is ook een onderzoek naar de vraag of je met taal kunt doordringen tot in de kern van de dingen”, zegt Verstraeten. “Van Ostaijen heeft het idee dat dat via een bepaald soort poëzie wel degelijk mogelijk is.”
Het recept voor die letterlijk diepgravende poëzie oogt complexer dan de gedichten zelf. “Daar zou ik twee uur lang over kunnen doceren”, lacht Verstraeten. “Ik zeg tegen mijn studenten altijd dat Gebruiksaanwijzing der lyriek, waarin Van Ostaijen zijn opvattingen uiteenzet, het moeilijkste is wat ze in het Nederlands zullen lezen. Om er toch iets over te zeggen: met klassieke volzinnen kan je geen toegang krijgen tot de dingen, omdat die een te rationele orde hebben. Het komt erop aan te spelen met woorden en hun klanken, woordgroepen te isoleren, te combineren, te herhalen … Voor Van Ostaijen zijn er ook woorden die een bijzonder sterke resonantie hebben. Vaak zijn dat eenvoudige, eenlettergrepige woorden. ‘Vis’ is een typisch voorbeeld: voor hem roept dat woord veel meer op dan alleen het beeld van een vis.”
Plakboeken We keren terug naar een meer prozaïsche kijk op dingen en maken een sprong naar de recentste eeuwwisseling. Rond het jaar 2000 komt een nieuw soort herinnerings roman in zwang: persoonlijke verhalen waarin schrijvers hun familiegeschiedenis reconstrueren en verweven met historische gebeurtenissen. Voorwerpen zijn in die boeken dragers van herinneringen of een manier om een soms moeilijk grijpbaar verleden toch tastbaar te maken.
34
De schrijver als collectioneur en curator: heeft professor Verstraeten een favoriet in dat genre? “Koen Peeters – voormalig writer in residence van KU Leuven – is een auteur die zijn verzameldrift op een meesterlijke manier verwerkt in zijn boeken. Hij heeft bijvoorbeeld de gewoonte om foto’s uit de krant te knippen en ze in een plakboek te kleven. Zo brengt hij een heel eigen ordening in de werkelijkheid aan en ontstaan er soms verrassende verbindingen. In zijn recente boek Georges heeft hij het niet alleen over die plakboeken, met foto’s erbij, de roman zelf is eigenlijk ook een plakboek. Het is een assemblage van verhalen die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hebben maar die hij op een vernuftige manier aan elkaar verbindt, met als rode draad de naam Georges en varianten daarop.” Het werk van schrijvers als Stefan Hertmans en Koen Peeters bracht Verstraeten op het idee om een workshop ‘Het museum van de literatuur’ te ontwikkelen voor het secundair onderwijs. “We vragen leerlingen om aan de slag te gaan met allerlei documenten, afbeeldingen en objecten die verband houden met een bepaald letter kundig onderwerp, en om daarmee zelf een museum of tentoonstelling te maken.”
© Gudrun Makelberge
“In Oorlog en terpentijn reconstrueert Stefan Hertmans het beeld van zijn grootvader aan de hand van allerlei objecten waarin de herinnering kristalliseert, zoals een gouden zakhorloge”, vertelt Verstraeten. “Maar hij gaat een stap verder. Hij beschrijft die objecten niet alleen, van een aantal voorwerpen staan er ook foto’s in het boek: kledingstukken, schilderijen … Je ziet in de lite ratuur van de laatste paar decennia wel meer boeken die foto’s gebruiken om een verhaalwereld op te bouwen. Romans gaan fungeren als een soort museum waarin allerlei objecten en documenten worden uitgestald en toegelicht.”
Op de huid Wie weet staan er zo nieuwe schrijvers op die hun eigen ding gaan doen met het ding. “Objecten worden steeds weer herontdekt vanuit nieuwe fascinaties”, zegt Verstraeten. Hij grijpt nog eens terug naar Bill Brown, die ooit zei dat elk decennium van de vorige eeuw ‘its own thing about things’ had. “Als je me vraagt welke invalshoeken je vandaag ziet, dan zou ik zeker het ecologisch bewustzijn noemen. Ik heb in dat verband onlangs lesgegeven over een fantastisch boek.”
“Objecten worden steeds weer herontdekt vanuit nieuwe fascinaties.”
Hij duikt in de stapeltjes op zijn bureau en diept een roman op met een gestreepte pels op de cover: Een vlam Tasmaanse tijgers van Charlotte Van den Broeck. “De Tasmaanse tijger of buidelwolf is een soort die door toedoen van de mens uitgestorven is”, zegt Verstraeten. “In het boek volgt Van den Broeck het spoor van het dier, en beschrijft ze onder meer opgezette Tasmaanse tijgers en huiden die in natuurhistorische collecties en musea bewaard worden. Het zijn objecten die ervoor zorgen dat het dier toegankelijk blijft, maar die ook zijn afwezigheid onderstrepen.”
35 “In haar boek toont Van den Broeck dat die voorwerpen niet volstaan: alleen met een veelheid aan verhalen kan je de Tasmaanse tijger reconstrueren in al zijn complexiteit. Ze gaat praten met wetenschappers die via gentechno logie het dier weer tot leven proberen te wekken, maar evengoed met mensen die in YouTube-kanalen of op sociale media beweren dat ze een Tasmaanse tijger gezien hebben. Dat doet ze zonder een hiërarchie aan te brengen in al die perspectieven: elk verhaal heeft zijn eigen waarde en waarheid.” De schrijver die als een amateuronderzoeker dingen verzamelt en inzichten uit verschillende domeinen samenbrengt: volgens Verstraeten is het ook een antwoord op de toenemende differentiatie en specialisering in onze tijd. “Alles moet sneller, efficiënter, gerichter. De amateur onderzoeker, waarvan Koen Peeters ook een voorbeeld is, veroorlooft zich de vrijheid om buiten de gevestigde kaders op onderzoek te gaan en die zoektocht naar kennis te verweven met de ‘levens’ van mensen, dieren en dingen. Zo komt een onderwerp echt tot leven, in al zijn dimensies.”
Papier hier Tot slot haalt Pieter Verstraeten een ander thing about things aan dat onze tijd kenmerkt – ook los van de literatuur – en dat te maken heeft met de digitalisering van onze wereld. “Toen het internet opkwam, kreeg je het idee dat alles virtueel zou worden en dat het materiële zou verdwijnen”, zegt Verstraeten. “En met sommige voorwerpen is dat ook gebeurd: de fichebakken uit bibliotheken zitten vandaag in de cloud. Maar net doordat er zoveel verdwijnt in het virtuele, gaan we ook weer snakken naar tastbare dingen.” “Neem het boek zelf: waarom zou je nog zo’n onhandige, zware blok papier verkiezen als er e-readers bestaan? Wel, het is duidelijk dat veel mensen net waarde hechten aan de fysieke ervaring: het papier, het leeslint …” Sommige auteurs spelen daar, al dan niet bewust, op in. “Kijk naar Ilja Leonard Pfeijffer: alleen al door hun omvang lijken zijn boeken een tegenwicht te willen bieden tegen de virtualisering. Het zijn monumenten op zich.” Zo bekeken zijn de stapels boeken op Verstraetens bureau dan toch meer dan louter bureaubegroeiing: ze zijn een stille ode aan het ding. ● (rvh)
© Gudrun Makelberge
36
DROOMJOB — Jong talent naar nieuwe hoogten brengen
“Bij de eerste klim was ik verkocht” Silke Ghekiere (33) tilt mensen naar een hoger niveau, zowel de jonge atleten die ze coacht bij het nationale klimteam als de beginnende en gevorderde sporters die ze als personal trainer begeleidt.
H
et hoeft niet te verbazen dat klimcoach Silke als kind al een echte klauterkampioen was. “Mijn ouders zeggen dat ik overal op kroop en dat ze me dan telkens naar beneden moesten halen”, lacht ze. Nadat ze van volleybal, tennis en voetbal geproefd had, waagde ze zich toen ze twaalf was voor het eerst aan de klimmuur. “Ik was meteen verkocht. Omdat de klimkampen voor de zomer al volzet waren, schreven mijn ouders me in bij Klimclub Hungaria in Leuven. Ik maakte snel vooruitgang en begon al gauw wedstrijden mee te doen, zowel in boulderen – korte routes zonder touw – als in lead of lengteklimmen: langere en hogere routes waarbij je wel een touw gebruikt.”
Sinds 2022 ben ik als coach aan de slag bij het nationale team. We volgen de klimmers op, organiseren trainingsdagen en stages, en begeleiden hen tijdens internationale wedstrijden. Mijn aanstelling is recent uitgebreid, waardoor ik ben moeten stoppen met mijn job bij Hungaria: het werd wat veel allemaal.”
Het traject naar een studiekeuze was kort. “Ik was geïnteresseerd in alles wat met sport te maken had en mijn papa heeft ook ‘sportkot’ gedaan, dus voor mij was het snel duidelijk wat ik zou doen. Ik heb me ook wel nog geïnformeerd over bio-ingenieur en audiovisuele kunsten, maar uiteindelijk heb ik toch voor lichamelijke opvoeding en bewegingswetenschappen gekozen, en daar ben ik blij om.”
Vanuit de heupen
Eén dag per week is ze namelijk ook nog aan de slag bij GRIT, een gym in Leuven die personal coaching, sportgeneeskunde en sportkinesitherapie combineert onder één dak. “Als personal trainer werk ik er met topsporters, maar vaker nog met recreatieve sporters die naast hun drukke job willen blijven bewegen en hun conditie op peil houden. Toen ik studeerde, had ik nog niet meteen een beroep voor ogen, maar leek het me wel fijn om mensen te helpen die na een revalidatie verder begeleid willen blijven sporten. Ook dat komt bij GRIT aan bod. Het vormt een mooie mix met mijn bezigheden als klimcoach.”
Terug naar dat klimmen: wat zijn de specifieke punten waar een coach op moet werken? “Het is een heel complete sport. De meeste mensen denken dat vooral je vingers en bovenlichaam sterk moeten zijn, maar eigenlijk komt alles vanuit je heupen, en je onderlichaam stuurt mee. Het mentale speelt ook een grote rol: tijdens wedstrijden krijg je weinig tijd om de route uit te dokteren en dat creëert veel druk. We zijn dus ook veel met de tactische en mentale kant van de sport bezig.”
Gevraagd naar inspirerende vakken in de opleiding, noemt ze anatomie. “Ik kan zeker niet meer elke aanhechting benoemen, maar ik vond het fascinerend om het hele lichaam en de biomechanische principes te ontdekken: wat doet een spier precies wanneer je een bepaalde beweging maakt?”
Klimmen zit in de lift, als recreatieve sport en als competitiesport. Op de Olympische Spelen van 2028 in Los Angeles zullen boulder, lead en speed – waarbij een standaardroute in enkele seconden tijd beklommen wordt – voor het eerst drie aparte onderdelen zijn. “Zowel bij de mannen als bij de vrouwen zijn er Belgische kanshebbers voor een Olympisch ticket”, zegt Silke.
Mooie mix
Je kan het wél
Na haar studie ging Silke een jaar reizen om aan vrijwilligerswerk te doen, onder meer in een weeshuis in Nepal. Terug in België kon ze aan de slag bij Hungaria – waar ze al klimles had gegeven als studentenjob – om de jeugdwerking te coördineren en het competitieteam te begeleiden. Met succes: “We behalen geregeld podiumplaatsen en hebben de voorbije jaren een aantal klimmers gehad in de nationale selecties.”
Los van resultaten voelt ze zelf de meeste voldoening als coach wanneer een klimmer de eigen verwachtingen overtreft. “Altijd zo leuk om te zien: ‘Jij dacht dat je dit niet kon, en je kan het gewoon wél.’ Als dat toernooiwinst of een medaille oplevert, is het natuurlijk helemaal mooi. Maar ik was evengoed ontroerd toen ik onlangs tegen mijn kindjes van de klimclub zei dat ik de jeugdwerking niet meer kon coördineren, en reacties kreeg als: ‘Amai, je bent echt wel belangrijk geweest in ons leven.’ Dat doet je toch wel iets.”
Het Belgian Climbing Team kreeg enkele jaren geleden ook Silke zelf in het vizier. “Ze zochten mensen om hun werking te versterken en kenden me van wedstrijden.
Heeft ze nog grote dromen voor haar eigen leven? “Ik hoop zelf ooit op de Olympische Spelen te kunnen geraken als coach. En in een verdere toekomst zou ik graag in de bergen gaan wonen, wat geiten en ezels in mijn tuin zetten, en mensen gidsen of meenemen op klimstages.” ● (rvh)
37
“Ik hoop ooit op de Olympische Spelen te geraken als coach.”
© KU Leuven – RS
38
SCHENKERS — Internationaal Studiebeurzenfonds geeft buitenlands talent duwtje in de rug
De bedding van de rivier verleggen Met meer dan 12.000 zijn ze, de studenten van buiten onze landsgrenzen die het voorbije academiejaar naar KU Leuven kwamen om een bachelor-, master- of doctoraatsopleiding te volgen. De wereldwijde reputatie van onze universiteit trekt talent aan uit alle windstreken. Voor veel van die studenten maakt een studiebeurs het verschil tussen droom en realiteit. Zoals voor Eslam Soliman uit Egypte. Schenkers als Reina Ollivier kiezen er bewust voor om net zo’n pad mee te effenen.
T
oen Eslam in september 2025 in Leuven aankwam, had hij er een lange weg op zitten. Niet alleen geografisch, van Egypte naar België, maar ook persoonlijk. “Zonder mijn studiebeurs zou ik hier vandaag niet zijn”, zegt hij. Geen overdrijving, maar een nuchtere vaststelling. Eslam is een van de eerste vier studenten die dankzij het KU Leuven Internationaal Studiebeurzenfonds in 2025 een masteropleiding aan KU Leuven konden starten. Eslam groeide op in Mansoura, een stad op twee uur rijden van Caïro. Hij behaalde er zijn bachelor- en masterdiploma in de rechten en begon aan een academische loopbaan aan de universiteit. Het was zijn droom om in het buitenland te gaan studeren, maar de mogelijkheden waren beperkt, vertelt hij. Nadat hij in 2019 naar Caïro was verhuisd om er aan het werk te gaan als openbaar aanklager, deed Eslam zijn eerste studie- en reiservaring op buiten het Midden-Oosten: een korte cursus in Riga over Europees recht verbreedde zijn horizon; een studiereis naar de EU-instellingen in Brussel liet een blijvende indruk na van België. De droom werd aangewakkerd.
Wat voor hem de doorslag gaf, was niet alleen de academische reputatie, maar ook de manier waarop de universiteit communiceerde. “De hele toelatingsprocedure was transparant, toegankelijk en respectvol. Ik had altijd het gevoel dat er een mens zat aan de andere kant van het scherm”, herinnert Eslam zich. “Dat klinkt banaal, maar zo’n persoonlijke aanpak maakt een groot verschil.” Op de website van KU Leuven vond hij een overzicht van alle studiebeurzen waarvoor hij zich kandidaat kon stellen. Studenten met een niet-Vlaamse vooropleiding die hier willen studeren, moeten toelating aanvragen om aan een opleiding te mogen beginnen. Ze moeten hun diploma’s voorleggen, aantonen dat die aansluiten bij het Vlaamse niveau, en bewijzen dat ze de onderwijs- en de voertaal beheersen. Twee keer kreeg Eslam de toelating om aan de Master of Laws (LL.M.) te beginnen. Maar pas toen hij een beurs ontving van het KU Leuven Internationaal Studiebeurzenfonds kon hij ook effectief de stap zetten om zich in te schrijven. Een jaar later, in september 2026, behaalde hij zijn diploma.
Prijskaartje Jarenlang investeerde Eslam in taalopleidingen, toelatingstesten en administratieve procedures, die vanwege de zwakke Egyptische pond een extra zware financiële last betekenden. Alleen al een IELTS-test – de internationale gestandaardiseerde taaltest Engels – kwam hem op een aanzienlijk deel van een Egyptisch maandsalaris te staan. Eslam werd meermaals geselecteerd voor prestigieuze programma’s in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, maar moest telkens afhaken vanwege de hoge kosten. Uiteindelijk viel zijn blik op KU Leuven.
—
Eslam Soliman (r.) is een van de eerste vier studenten die een studiebeurs ontvingen van het KU Leuven Internationaal Studiebeurzenfonds: “Ik had altijd het gevoel dat er een mens zat aan de andere kant van het scherm. Dat klinkt banaal, maar zo’n persoonlijke aanpak maakt een groot verschil.”
“Het gaat om kansen doorgeven aan een volgende generatie.”
© KU Leuven – RS
40 —
© KU Leuven – RS
“Elke kennismaking met een andere cultuur is een verrijking”, zegt alumna en schenker Reina Ollivier.
Eyeopener
Hefboom
Een beurs van het KU Leuven Internationaal Studiebeurzenfonds wordt niet zomaar toegekend. Kandidaten nemen deel aan een selectieprocedure waarbij leerprestaties en academische onderscheidingen, motivatie, relevante ervaring en aangetoonde leiderschapskwaliteiten de doorslag geven. Kortom, je moet beantwoorden aan het profiel van een topkandidaat. Voor Eslam bracht de beurs niet alleen financiële ademruimte, maar ook mentale rust. In Leuven kwam hij terecht in een internationale omgeving, met nieuwe ideeën en andere perspectieven. Een vak over discriminatierecht bleek bijzonder inspirerend en een eyeopener. Het confronteerde hem met lacunes in het juridisch kader van zijn thuisland en scherpte zijn ambitie aan om, eenmaal terug in Egypte, bij te dragen aan rechtvaardiger publieke structuren. Deze opleiding heeft hem inzichten gegeven die hij levenslang zal meenemen, zegt hij.
Verhalen als dat van Eslam raken aan de kern van de maatschappelijke opdracht van de universiteit, vindt Tom Van Puyenbroeck, vicerector Studenten- en Diver siteitsbeleid en beheerder van het KU Leuven Internationaal Studiebeurzenfonds. “Studiebeurzen geven mensen de kans om talenten te ontplooien die anders misschien onbenut zouden blijven. Voor sommige studen ten kunnen ze een levensveranderende hefboom zijn.” Niet elke internationale student heeft een beurs nodig. Maar voor wie dat wel het geval is, betekent zo’n beurs een wereld van verschil. “Als we zeggen dat we openstaan voor internationale studenten, dan kan dat niet alleen gelden voor wie het zich kan veroorloven”, aldus Van Puyenbroeck.
“Met een schenking kan je een positieve wending geven aan het leven van een ander.”
Talent vind je overal, benadrukt hij, maar niet iedereen krijgt dezelfde kansen. Internationale studiebeurzen verlagen financiële, administratieve en psychologische drempels voor studenten die anders nooit tot in Leuven zouden raken. En ze versterken tegelijk de universiteit zelf. “Internationale studenten houden ons een spiegel voor. Ze stellen vragen bij wat wij vanzelfsprekend vinden: hoe we lesgeven, hoe we evalueren, hoe we omgaan met diversiteit. Dat maakt ons als instelling en als acade mische gemeenschap sterker.”
41 Blijvende impact Dat bredere perspectief is precies wat Reina Ollivier, auteur en alumna Germaanse filologie, aanspreekt. In de boeken die ze schrijft voor kinderen en jongeren probeert ze interesse te wekken voor andere culturen. “Elke kennismaking met een andere cultuur is een verrijking.” Reina steunt het studiebeurzenfonds als schenker. Samen met haar man heeft ze veel door Zuid-Amerika gereisd. “We zijn altijd erg hartelijk ontvangen door de mensen ginder, ook al hadden die zelf maar weinig. En dan denk ik dat het logisch is om iets terug te doen.” Het beurzenfonds vindt ze een heel waardevol project: “Omdat je weet dat de impact niet van korte duur is, maar blijvend, voor de rest van iemands leven.”
Gekregen kansen doorgeven
Zo wordt toegankelijk onderwijs geen abstract ideaal, maar een gedeelde verantwoordelijkheid, gedragen over generaties heen. Voor Eslam Soliman is het verschil alvast heel tastbaar. “Deze beurs financierde niet alleen een diploma. Ze heeft mijn leven voorgoed veranderd.” ● (vh)
© KU Leuven – RS
Voor Tom Van Puyenbroeck sluit die motivatie naadloos aan bij het opzet van het fonds. Het richt zich in het bijzonder tot alumni en sympathisanten die zelf de waarde van onderwijs hebben ervaren. “Het gaat niet om iets teruggeven aan de universiteit”, benadrukt hij. “Wel om kansen doorgeven aan een volgende generatie. Met een schenking geef je een erg concrete, positieve wending aan het leven van een ander. Je verlegt niet zomaar een steen in de rivier, maar meteen de hele bedding.”
—
Vicerector Tom Van Puyenbroeck is verantwoordelijk voor studenten- en diversiteitsbeleid en beheerder van het KU Leuven Internationaal Studiebeurzenfonds: “Als we zeggen dat we openstaan voor internationale studenten, dan kan dat niet alleen gelden voor wie het zich financieel kan veroorloven.”
Voor ieders beurs KU Leuven heeft meerdere studiebeurzenfondsen, elk met een eigen focus, maar vanuit één gedeelde overtuiging: studeren mag geen privilege zijn voor wie het zich kan veroorloven. Zo reikte het Fonds Roger Dillemans al meer dan honderd excellentiebeurzen uit voor specialisatieopleidingen. Het KU Leuven Internationaal Studiebeurzenfonds richt zich specifiek tot beloftevolle buitenlandse studenten die zonder financiële steun niet aan een masteropleiding in Leuven zouden kunnen beginnen. Jaarlijks kent het fonds studiebeurzen toe, waaronder de Inspiring the Outstanding Scholarship en regionale beurzen voor studenten uit Afrika, Zuidoost-Azië en Centraal- en Zuid-Amerika. De som van de giften bepaalt hoeveel studenten die kans krijgen. Ga naar steun.kuleuven.be/onderwijs voor een overzicht van de beurzenfondsen die met uw steun jong talent een duw in de rug kunnen geven. Steun het KU Leuven Internationaal Studiebeurzenfonds via
42
CARTE BLANCHE — Microbiologe Joleen Masschelein
Bacteriën in de arena Wat als onze onderzoekers zouden zwemmen in het geld, mochten wegduiken voor verplichtingen en over zeeën van tijd konden beschikken? Aan welk project zouden ze zich wagen? In deze rubriek krijgen ze carte blanche en hengelen we naar hun ultieme droom. Microbiologe Joleen Masschelein laat knokkende bacteriën bij bosjes sneuvelen tijdens de Hongerspelen.
HOEWEL ZE MICROSCOPISCH klein zijn, kunnen bacteriën lelijk huishouden. Volgens professor Joleen Masschelein zijn het ‘gesofisticeerde vechtmachines’ die oorlogsvoering verheffen tot een hoge kunst. In het labo onderzoekt ze hoe meerdere types bacteriën zich verweren tegen vijanden, en wat wij daarvan kunnen leren voor onze strijd tegen ziekteverwekkers. “Bacteriën leven in competitieve omgevingen en zijn voortdurend in gevecht”, zegt Masschelein, die verbonden is aan het Departement Biologie en het VIB-KU Leuven Centrum voor Microbiologie. “Ze strijden om voedsel met andere bacteriën, maar ook met schimmels, parasieten en insecten. Om zich te beschermen tegen bedreigingen maken ze complexe moleculen aan. Een soort ‘wapenarsenaal’, dat interessant is voor onderzoek, omdat sommige van die stoffen ook doeltreffend werken tegen ziektes of infecties bij de mens, of bij planten. We gebruiken ze bijvoorbeeld voor de ontwikkeling van antibiotica en kankermedicijnen, maar ook voor die van gewas beschermingsmiddelen.” Vaak worden die moleculen synthetisch nagemaakt door chemici, vertelt Masschelein. “Een moeilijk en tijdrovend proces, dat handenvol geld kost. Mijn team en ik laten de bacteriën
zélf het werk doen, door ze te kweken in het labo. Zo kunnen we nauwkeurig nagaan hoe bacteriën hun moleculen aanmaken en op welke manier die precies werken. Zodra we dat weten kunnen we de bacteriën inzetten tegen bepaalde pathogenen of ziekmakers. We kunnen ze ook genetisch aanpassen, zodat ze nog betere stofjes produceren, die makkelijker overleven in het menselijk lichaam of nog beter werken tegen de doelwitten die we voor ogen hebben.”
omsingelen, en je hebt er die aan ‘signaal verstoring’ doen: ze leggen de communicatie van andere bacteriën lam door chemische processen te verstoren.”
De wapenuitrusting en de gevechtstechnieken van zo’n bacterie zou Masschelein maar al te graag eens in uitvergroot formaat aanschouwen. Ze droomt ervan om spectaculaire gladiatorenspelen te organiseren in een arena, zoals in de filmreeks The Hunger Games, en geboeid te kijken hoe bacteriën een robbertje knokken op leven en dood.
“Ik ben natuurlijk het meest benieuwd naar de wapens en gevechtstechnieken die we nog niét kennen”, zegt Masschelein. “En dat zijn er wel wat. In een labosetting laten bacteriën niet altijd hun volle potentieel zien. Omdat er minder bedreigingen zijn dan in hun natuurlijke habitat, maken ze bepaalde stoffen bijvoorbeeld niet aan. Daarnaast zijn er ook bacteriën die we niet kunnen kweken in een labo, omdat ze voor hun groei afhankelijk zijn van hun omgeving – denk aan bepaalde bodemstoffen, of een stofje in een plant waar ze nauw mee samen leven. Er zijn dus veel nuttige moleculen of ‘wapens’ waarvan we niet weten dat ze bestaan, terwijl die net nieuwe onderzoek pistes zouden kunnen opleveren om ziekte verwekkers te bestrijden.”
“Dat zal er hoe dan ook indrukwekkend uitzien”, lacht ze. “Van sommige bacteriën weten we bijvoorbeeld dat ze harpoenpijlen met gif afschieten op hun tegenstanders. Andere hullen zich in een biofilm – een slijmerig pantser om zich te beschermen tegen aanvallen van buitenaf. Er zijn bacteriën die zich razendsnel vermenigvuldigen en hun vijanden
Je kan bacteriën het tegen elkaar laten opnemen in lijf-aan-lijfgevechten, maar even goed zou je gevarieerde teams kunnen samenstellen. “Het lijkt me interessant om te zien hoe die uiteenlopende types met elkaar in interactie gaan. Teamwork tussen bacterieën komt ook ‘in het echt’ voor. Ons darmmicro bioom bijvoorbeeld bestaat voor een groot
Slijmballen en sabotage
43
© Gudrun Makelberge
deel uit goedaardige bacteriën die de krachten bundelen om indringers te lijf te gaan – pathogenen die via de voeding ons lichaam binnenkomen. De Hongerspelen zouden me daarnaast een beter zicht geven op de manier waarop bacteriën zich verdedigen. Op waar hun zwakke plekken zitten, en waar we ze dus eventueel kunnen aanvallen.”
Gluren naar de genen De kennis die Masschelein opdoet in haar labo wil ze in de eerste plaats inzetten bij de strijd tegen de ziekenhuisbacterie. Een verzamelnaam voor een aantal soorten bacteriën die resistent zijn geworden voor antibiotica en die wereldwijd talloze slachtoffers maken. Alleen al in Europa sterven er naar schatting 35.000 mensen per jaar aan. “Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie vormen die ‘superbacteriën’ één van de grootste bedreigingen voor de gezondheid”, zegt Masschelein. “Samen met een inter nationaal team van onderzoekers proberen we een antibioticum te ontwikkelen tegen Klebsiella pneum onia. Dat is een bacterie die onder meer longontsteking, bloedvergiftiging en wondinfecties kan veroorzaken, en waartegen we dringend nieuwe behandelingen nodig hebben.”
Nieuwe ontwikkelingen binnen haar vakgebied bieden alvast hoopvolle vooruitzichten. “We maken steeds vaker gebruik van DNAsequentietechnologie”, zegt Masschelein. “Daarmee proberen we de volledige genenpoel van bacteriën in kaart te brengen en hopen we nieuwe moleculen te ontdekken. Zodra we een bepaalde groep genen gevonden hebben die interessant kunnen zijn, proberen we die te activeren in een labo setting, door de bacterie op verschillende manieren te stimuleren. We zoeken met andere woorden naar de ‘aan’-knopjes van hun wapentuigen. Dat blijft een uitdaging, maar het kan op termijn wel tot nieuwe ontdekkingen leiden.” Ook artificiële intelligentie en machinelearning helpen een handje. “Met voorspellende algoritmes kunnen we bacteriën in verschillende omstandigheden laten opgroeien en ze aan tal van externe factoren onderwerpen. In elk van die situaties zien we dan welke genen worden getriggerd en welke stoffen bacteriën produceren. AI is bovendien erg sterk in het herkennen van patronen, en ook dat helpt ons om nieuwe wapens te ontdekken. De voor ons interessante genen liggen vaak geclusterd, waardoor artificiële intelligentie ze snel op het spoor komt.”
Wapenwedloop “Een zitje in de tribune van de Hongerspelen zou ons onderzoek in een ongezien tempo vooruithelpen”, besluit Masschelein. “De strijd tegen ziekmakende bacteriën blijft nu eenmaal een wapenwedloop. Elke keer als wij het zware geschut inzetten, komen zij met nog stevigere strijdtuigen opdraven. Hun wapen arsenaal in zijn geheel mogen aanschouwen, zou ons dus hopen tijd en moeite besparen. Maar ook zonder Hongerspelen ziet de toekomst er veelbelovend uit. Dankzij nieuwe technologieën staan ons de komende jaren grote doorbraken te wachten. Het is evengoed spannend om dát vanop de eerste rij te mogen meemaken.” ● (pjb)
“Bacteriën zijn gesofisticeerde vechtmachines met een indrukwekkend wapenarsenaal.”
44
SCHERPGESTELD — Zit Europa met een vruchtbaarheidscrisis?
Eén kind, schoon kind In Hongarije probeerden ze het met centen, in Frankrijk met een rondzendbrief. De Europese geboortecijfers zitten in dalende lijn, en dus steken beleidsmakers een tandje bij. Maar is dat wel een goed idee? En hoe diep is deze dip? Demograaf Jan Van Bavel wikt en weegt. “Een kinderwens is nog altijd iets fundamenteel menselijks. Maar met één kind is die wens vandaag voor velen ook vervuld.”
Stelling 1
Stelling 2
Heel wat Fransen van net geen dertig fronsten de wenkbrauwen toen een brief van de overheid in de bus viel. De inhoud: een vriendelijke aansporing om eens goed na te denken over hun kinderwens. Officieel wil men jonge Fransen helpen om vruchtbaarheidsproblemen voor te zijn. Maar het hogere doel lijkt toch om een knik in de dalende geboortecurve te krijgen. “Dat net Frankrijk zo’n actie opzet, is best opvallend”, vindt demograaf Jan Van Bavel. “Frankrijk heeft nog altijd zowat het hoogste vruchtbaarheidscijfer van de Europese Unie. Enkel Bulgarije zit er nog net boven.”
Misschien ligt de redding in een terugkeer naar vroeger: als enkel de man kostwinner is, is er opnieuw ruimte voor het opvoeden van kinderen. Althans, zo redeneren ‘tradwives’ op social media: westerse vrouwen die bewust kiezen voor een ultratraditionele levensstijl. “Maar dat is een denkfout”, zegt Van Bavel. “Om te beginnen is er niet veel ‘traditioneels’ aan die genderrolverdeling met de vader als kostwinner en de vrouw aan de haard. Dat model is pas eind negentiende eeuw opgekomen, en het bereikte zijn hoogtepunt in de jaren 1950.”
Niet dat er geen probleem is: de neerwaartse trend is reëel – en niet alleen in Frankrijk. “Bijna alle landen in Europa worstelen al enkele decennia met een dalende vruchtbaarheid. Al sinds de jaren ’70 zitten we onder het zogenaamde ‘vervangingsniveau’ van 2,1 kinderen. Dat is het niveau dat we zouden moeten halen als we onze bevolking in de toekomst op peil willen houden. Tenminste: zonder migratie.”
“Ten tweede zijn vrouwen lang genoeg vastgeketend geweest aan de haard, en dat frustreerde hen enorm. Er studeren hier vandaag meer vrouwen aan de universiteiten dan mannen. Wat zouden die nadien ‘terug’ naar de haard gaan? Die ‘tradwives’ lijken me hooguit een marginaal fenomeen.”
Die belangrijke kanttekening – ‘zonder migratie’ – parkeren we voor straks. Maar nog even over het vervangingsniveau: dat cijfer van 2,1 kinderen geldt voor regio’s met een lage kindersterfte, zoals Europa, legt Van Bavel uit. Als die sterfte hoger is, heb je ook meer kinderen nodig.
Bovendien zou het helemaal geen quick fix zijn voor de geboortecurve vandaag. “Vroeger was de relatie tussen gezinsomvang en arbeidsmarktparticipatie negatief: thuisblijvende vrouwen hadden meer kinderen. Maar vandaag is dat heel anders: in België hebben tweeverdieners juist méér kinderen. En dat zie je ook steeds vaker elders in Europa en in de wereld.”
Europa kampt met een acute vruchtbaarheidscrisis
“In regio’s met een hoge kindersterfte is het vruchtbaarheidspeil vandaag nog altijd heel hoog. In landen met een slechte sociale zekerheid vormen kinderen voor een stuk ook die zekerheid. Je doet niet aan geboorte beperking als je niet het vertrouwen hebt dat minstens enkele van je kinderen het overleven. Wie zorgt er anders voor je op je oude dag? De ‘vruchtbaarheidscrisis’ komt er dus ook doordat we het goed hebben.”
Tradwives hebben een punt
De verklaring? Héél kort door de bocht: onze skireisjes. “Wie aan een gezin wil beginnen, heeft een voldoende hoog inkomen nodig. En we zijn dan wel rijker dan tijdens
45
© DPG Media B.V. – PZC
—
Een groot gezin in Zeeland, in 1962. Vandaag zijn we rijker dan tijdens de babyboom, maar toch is een groot gezin voor velen niet meer betaalbaar.
de babyboom van de jaren ’50, maar we geven ook veel meer uit. Vroeger ging men hooguit één keer met vakantie, naar de Ardennen of naar zee. Een skivakantie was voor de elite. En zo zijn er tal van zaken waaraan midden klassengezinnen vandaag veel meer uitgeven dan voorheen – van abonnementen voor streamingdiensten tot restaurantbezoeken en thuisbezorgmaaltijden. Met de levensstandaard die vandaag de culturele norm is, is het heel moeilijk rondkomen met slechts één inkomen. En dan begin je niet aan een groot gezin, dat is gewoon te duur.” Om kinderen te krijgen ben je meestal ook met twee, en er zijn vandaag minder koppels. “Dat is één van de belangrijkste redenen voor het lage vruchtbaarheidspeil in Europa: mensen lijken het lastiger te hebben om een vaste partner te vinden en daar een gezin mee te stichten. Vroeger waren het vooral hooggeschoolden die gezinsvorming en een eerste kind uitstelden. Vandaag zie je dat net zo goed bij lagergeschoolden.” De geboortecrisis is dus ook een relatiecrisis – maar waar komt die plots vandaan? “We weten het nog niet, dat wordt volop onderzocht. Wellicht spelen de hogere consumptieverwachtingen van daarnet een rol: twee inkomens zijn geen luxe meer. En als je dan als vrouw aantrekkelijk wil zijn op de huwelijksmarkt, heb je – veel meer dan vroeger – zelf ook een stabiele job nodig.”
“Met de levensstandaard die vandaag de norm is, kom je niet rond met één inkomen. En dan begin je niet aan een groot gezin, dat is gewoon te duur.”
46 —
© Belgaimage – Marcel van den Bergh
Een groep vrouwen viert tijdens een babyshower dat hun vriendin weldra moeder wordt. Jan Van Bavel: “Bijna heel Europa worstelt met een dalende vruchtbaarheid. Al sinds de jaren ’70 zitten we onder het vervangingsniveau van 2,1 kinderen.”
Stelling 3
Minder kinderen is minder uitstoot
“Zelfs al krijg je je kinderopvang geregeld: waarom zou je kinderen krijgen, als je nauwelijks tijd hebt om ermee bezig te zijn?”
Single zijn en kinderloos kan ook gewoon een keuze zijn. “Dat wordt nu ruimer aanvaard dan een generatie geleden”, zegt Jan Van Bavel “Maar dat zijn evoluties waar we nog midden in zitten. Vraag me dus niet hoeveel procent nu echt vrijwillig kinderloos is en hoeveel onvrijwillig.” Speelt mogelijk mee in die keuze: pessimisme over de toekomst. Gerard Govers, emeritus hoogleraar geografie, vertelde onlangs dat de laatste jaren bijna een kwart van zijn studenten aangaf geen kinderen te willen. “Dat verband is al vaker aangetoond”, bevestigt Van Bavel. “Negatieve toekomstbeelden – over het klimaat, of over de geopolitieke situatie – hebben een impact op onze kinderwens. Ik doe momenteel ook zelf onderzoek naar de samenhang tussen de klimaatcrisis en kinderwens, en bij de jongere generatie is er overduidelijk iets aan de hand. We zien een opmerkelijk lage kinderwens, en bij mensen die we in onze experimenten confronteerden met berichten over de klimaatverandering, was die nog wat lager.”
47 In eerste instantie gaat het dan wellicht om ‘tempo-effecten’: jonge mensen stellen hun kinderwens uit, maar niet af. “Maar áls ze er dan aan beginnen, zullen het vaker geen twee of drie kinderen meer worden. In België gold decennialang de ‘tweekindnorm’: wie eenmaal de stap naar het ouderschap zette, kreeg meestal ook een tweede kind. Die norm is nu aan het verzwakken: één kind is ook al goed. Vader of moeder worden blijft iets fundamenteels voor veel mensen – maar met één kind is die wens natuurlijk ook vervuld.” En redden we door minder kinderen te krijgen ook echt de planeet? “Elk kind dat geboren wordt, komt uiteraard met een ecologische voetafdruk”, zegt Van Bavel. “Maar onze gezamenlijke voetafdruk loopt niet één op één gelijk met onze bevolkingsgroei. De schuldige daar is vooral ons gestegen consumptiepeil. Zelfs bij een grote uitstoter als China is de toename van de uitstoot niet zozeer toe te schrijven aan de bevolkingsgroei uit het verleden, maar aan de toegenomen levensstandaard van de bevolking. Dus nee, de oplossing voor de klimaatcrisis gaat niet komen van een kind meer of minder.”
Stelling 4
Stelling 5
Migratie redt ons van de krimp Als we dan toch de bevolkingspiramide willen verbouwen, kunnen we beter naar de buik ervan kijken dan naar de voet, zegt Van Bavel. “Een verstandiger migratiebeleid zou bijvoorbeeld geen slecht idee zijn. We hebben migranten nodig om onze bevolking en onze welvaart op peil te houden. Zoals gezegd: zonder migratie was de bevolking van België al lang gekrompen. Het is ook niet slim om – zoals sommige politici – tegelijkertijd te zeggen: ‘We gaan minder migranten toelaten’ en ‘Er moeten meer kinderen komen voor onze pensioenen’. Het is veel effi ciënter om te investeren in mensen die al opgegroeid zijn, en te zorgen dat die goed geïntegreerd geraken op de arbeidsmarkt.” “Vandaag spendeert Europa vooral veel miljarden aan het proberen sluiten van grenzen. Je moet die grenzen niet zomaar openzetten, maar je moet minstens proberen immigratie positiever aan te pakken. Als mensen hun leven moeten riskeren om hier te geraken, en vervolgens in illegale circuits belanden, gaan we daar als samenleving te weinig de vruchten van plukken.”
Zonder kinderen lossen we de vergrijzing nooit op
Stelling 6
De vergrijzing klopt steeds harder op de deur. Kunnen meer kinderen de bevolkingspiramide weer wat in evenwicht brengen, en onze pensioenen betaalbaar houden? “Nee, die redenering klopt niet”, zegt Jan Van Bavel. “Stel nu even dat we iedereen ervan kunnen overtuigen om vanaf nu veel meer kinderen op de wereld te zetten. Vooraleer die nieuwe generatie economisch gaat ‘renderen’, zal dat ons twintig jaar lang handenvol geld kosten – net in de periode dat de babyboomers hulp behoevend worden. Dus wie gaat onze pensioenen betalen? Zeker niet die kinderen.”
We begonnen in Frankrijk, we eindigen in Hongarije. Oud-premier Orbán – geen grote fan van migratie – rolde in zijn land een ongegeneerd pronatalistisch beleid uit: zet een kind op de wereld, en je ontvangt een fikse premie. “Orbán heeft daar een smak geld tegenaan gegooid. Of beter: weggegooid, want tenzij zo’n premie echt astronomisch hoog is, weegt ze nooit op tegen de werkelijke kost van een kind. Dat gaat dus nooit werken: misschien begin je er wat vroeger mee, maar je zal echt niet switchen van nul kinderen naar een gezin van vier.”
“Wat je ook vaak hoort, is dat ons geboortecijfer essen tieel is voor onze economische groei. Maar onze productiviteit hangt lang niet alleen af van het aantal mensen tussen de twintig en de zestig jaar oud. Je moet vooral investeren in de kwaliteit van je werkkrachten, in hun vaardigheden, in het onderwijspeil ook. Die dingen hebben wel een duidelijk aangetoond effect op onze economische welvaart.” “Ik begrijp waar die ideeën vandaan komen. Na de Tweede Wereldoorlog, toen onze welvaartsstaat is ontstaan, hadden we een sterke bevolkingsgroei én een sterke economische groei. Het financieringsmodel van onze sociale zekerheid was daarop gebaseerd – en toen was dat geen slecht idee. Maar vandaag mag die financiering niet meer afhankelijk zijn van een vruchtbaarheidspeil, en van het belasten van arbeid. De financieringsbasis van onze sociale zekerheid moet breder.” “We moeten de vergrijzing zelf niet willen ‘oplossen’: dat er vandaag zo veel mensen zo oud worden, is goed nieuws. We moeten onze welvaartsstaat wel vergrijzingsproof maken.”
Demografie valt niet te sturen
“Politici zouden beter wat meer naar demografen luisteren. Kijk bijvoorbeeld naar wat er in China gebeurde: de bevolking groeide te snel, dus kwam er een eenkindbeleid. Nu zijn er te weinig kinderen, en doen ze het omgekeerde. Maar in demografische evolutie zit altijd een zekere traagheid. Het is perfect mogelijk dat het absolute aantal geboortes nog toeneemt terwijl onderliggend het vruchtbaarheidspeil – de geboortes per vrouw dus – al aan het afnemen is.” “Als je als beleidsmaker de drempel om een gezin te stichten echt wil verlagen, zorg dan dat mensen gezin en arbeid goed kunnen combineren. Zorg voor kinderopvang, zorg dat kinderen veilige plekken hebben om te spelen, dat er gendergelijkheid is. Landen die dat doen, zoals in Scandinavië, scoren relatief hoog op vruchtbaarheid.” “En als je het mij vraagt, moeten we ons hele werkmodel in vraag durven stellen. Want zelfs al krijg je je kinder opvang geregeld: waarom zou je kinderen krijgen, als je nauwelijks tijd hebt om ermee bezig te zijn?” ● (wv)
48
INTERLAND — Leven in Leuven volgens Büşra Şenel Demirtaş uit Turkije
Print een tandje bij Een tandimplantaat gemaakt met je eigen cellen: dat is het onderzoekstopic waar doctoraatsstudente Büşra Şenel Demirtaş zich al twee jaar in vastbijt. Ze overbrugde de 3.000 kilometer tussen haar thuisland Turkije en België, in de hoop om patiënten met gebitsproblemen ooit op maat gemaakte ‘biotanden’ te kunnen bieden.
H
et doctoraatsproject van Büşra Şenel Demirtaş is op z’n zachtst gezegd ambitieus. Met behulp van stamcellen van patiënten probeert ze in het labo een menselijke tand te fabriceren.
“Het doel is om zo’n tand laagje voor laagje op te bouwen met een bioprinter – een 3D-printer die werkt met biologische materialen en die speciaal is ontworpen om levend weefsel te creëren”, vertelt Büşra vanuit het Tissue Engineering Lab aan KU Leuven Kulak. “In ons labo proberen we de werking van het menselijk lichaam na te bootsen, om zo meer te leren over biologische processen, in de hoop nieuwe behandelmethodes te ontwikkelen.” Voor mondaandoeningen zijn die nieuwe behandel methodes broodnodig, volgens Büşra. “Wereldwijd hebben 3,7 miljard mensen ermee te kampen, en tandverlies blijft een groot probleem. Vandaag maken we gebruik van synthetische tandprotheses. Die werken goed, maar zijn niet ideaal. Door een slechte plaatsing kan er bijvoorbeeld te veel druk op het kaakbeen ontstaan, en bacteriën kunnen infecties veroorzaken die het bot dat het implantaat ondersteunt beschadigen. Een biotand zou een levend alternatief kunnen vormen dat op natuurlijke wijze ‘samensmelt’ met het omliggende weefsel, en dat kan groeien en zichzelf herstellen.”
Bibberen en joggen Büşra groeide op in Bursa – een van de grootste steden in Turkije, op zo’n twee uur rijden van Istanbul. Ze studeerde tandheelkunde aan de universiteit van Ankara, en begon in 2023 aan een postgraduaat ‘Advanced Medical Imaging’ aan KU Leuven.
“In die opleiding krijg je een overzicht van medische beeldvormings technieken, gaande van röntgenfoto’s tot CT-scans”, legt ze uit. “Je leert hoe die technologieën worden gebruikt in het ziekenhuis, en op welke manier ze kunnen worden ingezet voor onderzoek. Een goede basis, waar ik nog steeds de vruchten van pluk.” Een jaar later kreeg Büsra de kans om te doctoreren, mede dankzij een beurs van het FWO. “Al tijdens mijn eerste jaar tandheelkunde wist ik dat ik niet louter als tandarts aan de slag wilde, maar ook als onderzoeker. KU Leuven scoort hoog in internationale rankings en staat bekend als een van de beste onderzoeksomgevingen ter wereld. Ik was dus dolblij dat ik aan de slag mocht aan de Faculteit Geneeskunde.” “Je merkt echt dat KU Leuven een innovatieve universiteit is”, zegt Büşra. “Je wordt hier aangemoedigd om het beste uit jezelf te halen en dingen uit te proberen in het labo. Het is ook een ‘safe space’ – er is veel ruimte voor overleg met mijn promotor Heidi Declercq en ook met mijn copromotor aan UHasselt, Annelies Bronckaers. Als jonge onderzoeker vind ik het fijn dat ik openlijk mijn mening of visie mag uiten, en dat er rekening mee wordt gehouden. Dat is niet overal het geval.” Het Belgische weer neemt ze er noodgedwongen bij, lacht ze. “Al was het even wennen. Ik kwam hier in putje winter aan en ik vond het ijskoud. Ik dacht nochtans dat ik wel wat gewend was. Ook in Bursa heb je stevige winters, in vergelijking met andere plekken in Turkije – er is zelfs een skigebied. Maar die eerste maanden in Leuven zat ik continu te bibberen en droeg ik meerdere truien over elkaar. Inmiddels heeft mijn lichaam zich gelukkig aangepast aan het klimaat hier. En ik heb ook al een paar hittegolven meegemaakt. Het andere uiterste (lacht).” Of ze nog grote verschillen merkt met Turkije? “Het valt me op hoe sportief de Belgen zijn. Ik zie enorm veel mensen joggen, fietsen of lange wandeltochten maken. In Turkije beoefent men dat soort buitensporten veel minder, dus ik keek er wel van op. Op straat is het hier ook een pak rustiger dan in een grootstad als Bursa; er is veel minder verkeerschaos en geluidshinder. Inmiddels woon ik in Gent, en als ik wakker word hoor ik vogeltjes fluiten. Heerlijk!”
49 Miniweefsels Na twee jaar in het Tissue Engineering Lab heeft Büşra al veel vooruitgang geboekt. “De eerste stap van mijn onderzoek was het nabootsen van de verschillende weefsels van een tand”, vertelt ze. “Tandglazuur, tandbeen en tandmerg of pulpa. De eerste twee zijn harde, gemineraliseerde weefsels, terwijl de pulpa – die zich binnen in de tand bevindt – een zachte structuur heeft met veel zenuwen en bloedvaten. Ik probeer die drie types weefsel op microscopisch kleine schaal te kweken in het labo.”
De volgende stap is om de drie verschillende bouw blokken samen te brengen, en met behulp van een
Goed doorbloed De grootste uitdaging is om de tandweefsels van doorbloeding te voorzien, zegt Büşra. “Bloedvaten vervoeren zuurstof en voedings stoffen; weefsel kan niet overleven zonder voldoende doorbloeding. Omdat de tandpulpa een sterk doorbloede structuur heeft, proberen we die eerst na te bootsen. Dat lukt al op microschaal, maar nog niet voor een ‘volwassen tand’. Hopelijk is dat maar een kwestie van tijd.” © KU Leuven – RS
Büşra maakt daarvoor gebruik van cellen van patiënten, afkomstig uit getrokken wijsheidstanden. “Ik haal stamcellen uit de tandpulpa. Via manipulatie kunnen die worden omgezet in eender welke cel die nodig is om de drie verschillende weefsels te creëren. De cellen klonteren samen tot ‘sferoïden’ – driedimensionale miniweefsels die het gedrag en de functies van menselijk tandweefsel realistisch nabootsen.”
bioprinter weefsels op ware grootte te printen. “Maar dat zal nog even duren”, zegt Büşra. “Het gaat bijvoorbeeld nog wat werk vergen om de 3D-vorm uit te werken die nodig is om een tand te kunnen printen, en om de ‘bio-inkt’ samen te stellen. Die laatste moet bestaan uit onze drie types microweefsel, aangevuld met een hydrogel die dient als draagstructuur, en voedingsstoffen die de cellen in leven houden en aanzetten tot groei.”
“Er nog veel bijkomend onderzoek nodig voor we biotanden zullen kunnen plaatsen bij patiënten, maar ik hoop het ooit mee te kunnen maken. Zelf wil ik graag als onderzoeker aan de slag blijven, idealiter gecombineerd met werk in het ziekenhuis. En het liefst van al aan KU Leuven, natuurlijk – dat mag je gerust opschrijven (lacht).” ● (pjb)
© KU Leuven – RS
50
CULTUUR — Gaea Schoeters is de nieuwe writer in residence van KU Leuven
© KU Leuven – RS
“Lanterfanten maakt deel uit van een creatief proces.”
51
“Je hoeft van mij nooit tweemaal hetzelfde te verwachten” Met Gaea Schoeters (49) haalt onze universiteit opnieuw een huisschrijver van formaat binnen. Twintig jaar geleden debuteerde ze als Pia Fraus, met een erotische verhalenbundel die een ware cultstatus verwierf. Met haar laatste romans verovert ze het buitenland en rijft ze naast jubelrecensies ook literaire trofeeën binnen. Dit jaar zal Schoeters KU Leuvenstudenten van kostbaar schrijfadvies voorzien.
W
e spreken Gaea Schoeters kort na haar boektournee door Duitsland. Een triomftocht, zou je het kunnen noemen, want Schoeters is al een paar jaar hot bij onze oosterburen. Haar roman Trofee werd er een regelrechte bestseller en ook opvolger Het geschenk gooit hoge ogen. Veel tijd om van het toeren te bekomen krijgt ze niet, want Schoeters wordt binnenkort ook in Leuven verwacht. Als writer in residence zal ze lezingen geven, gastbijdragen verzorgen en een vak creatief schrijven doceren aan de Faculteit Letteren.
“Het draait voor mij in de eerste plaats om de zoektocht. Het eindresultaat boeit me minder dan het parcours dat studenten afleggen. Wanneer iemand zich waagt aan een literair experiment en glansrijk mislukt, vind ik dat minstens even interessant als wanneer iemand op veilig speelt en een oerdegelijk verhaal aflevert, maar daarvoor altijd dezelfde trucjes gebruikt. Dat geldt evengoed voor mezelf. Als professioneel auteur word je al genoeg binnen je comfortzone gedwongen. Je moet genieten van de mogelijkheid om te kunnen falen, want ook daaruit leer je heel wat.”
“Daar kijk ik erg naar uit”, vertelt ze. “Ik zie die lessen als een wisselwerking. Je praat met studenten over hun werk en gaat het analyseren. En vaak begin je daardoor ook op een andere manier over je eigen schrijven na te denken – dat vind ik interessant. Ik neem me voor om de studenten een aantal korte schrijfoefeningen te geven, en ze aan het eind van de lessenreeks een kortverhaal te laten schrijven. Dat is behapbaar qua lengte en spanningsboog, en uit ervaring weet ik dat studenten graag iets concreets overhouden aan zo’n vak.”
Schoeters zal ook een cultureel zijproject op poten zetten. In februari brengt ze een literaire performance rond het vrouwelijk orgasme in het nieuwe Vesalius Museum. “Een soort spin-off van Ja! – de bundel erotische kortverhalen die ik met auteur Lara Taveirne heb samengesteld en die eind dit jaar verschijnt”, vertelt ze. “De orgasmekloof is een uiterst relevant thema, net als ‘consent’ en het kunnen en durven praten over seksualiteit. De bedoeling is om verschillende artistieke en wetenschappelijke stemmen rond die topics samen te brengen. Verder komt er nog een avond waarop ik met lezers – én onderzoekers – in gesprek zal gaan over mijn werk, in het BAC ART LAB – de kunstenwerkplaats van de universiteit.”
52 “Studenten moeten de kans krijgen om te falen. Ook daaruit leer je wat.”
Voedingsbodem Schoeters groeide op in een gezin waar literatuur hoog op de agenda stond. “Al van kindsbeen af zat ik met mijn neus in de boeken”, vertelt ze. “Een tv hadden we niet, wel een gigantische bibliotheek. Mijn ouders lieten me ook kennismaken met beeldende kunst, opera, klassieke muziek … Een rijke voedingsbodem voor een schrijver, maar het had ook nadelen. Thuis werd er bijvoorbeeld geen popmuziek gedraaid – mijn ouders hadden dat soort platen niet. Het heeft lang geduurd voor ik erachter kwam dat Aretha Franklin niet bij ABBA zong (lacht). Tot op vandaag zitten er gaten in mijn muziekkennis. Daardoor weet ik hoe belangrijk een referentiekader is. Dat geldt ook voor boeken. Ik begrijp dat veel jongeren niet lezen omdat ze niet weten waar te beginnen. Het is niet simpel om literatuur van a tot z zelf te ontdekken ...” Dat het schrijverschap ook voor haar een optie kon zijn, ontdekte ze rond haar veertiende. “Mijn ouders namen me mee naar Henry & June, een verfilming van de dagboeken van Anaïs Nin, over haar driehoeksverhouding met schrijver Henry Miller en zijn echtgenote. Voor het eerst besefte ik dat schrijvers échte mensen zijn, en niet zomaar namen op boekcovers. Tegelijk toonde die film een héél geromantiseerd beeld van het schrijverschap: nachtenlang filoso feren, omringd worden door knappe vrouwen, thuis snel een meesterwerkje bijeen pennen ... Totaal onrealistisch, maar dat sprak me als tiener erg aan (lacht).” “Na het zien van die film ben ik zelf ook obsessief beginnen schrijven. Tien jaar lang heb ik elke dag wel iets neer gepend. Een goeie leerschool; ik geloof dat je als beginneling ‘kilometers moet maken’. Aanvankelijk schreef ik dagboeken, later kortverhalen. En tijdens mijn studententijd heb ik een jeugdboek geschreven. Het is destijds niet uitgegeven, maar dat blijft een ambitie van me. Ik heb dat boek de voorbije decennia telkens herwerkt. Met een beetje geluk raakt het de komende jaren eíndelijk eens in de boekhandel.”
Vrome leugen Schoeters studeert vertaalwetenschap en journalistiek, en werkt tien jaar als tv-maker en journalist. In 2007 maakt ze met fotografe Trui Hanoulle een motorreis door moslim landen in het Midden-Oosten en schrijft ze haar ervaringen neer in het non-fictieboek Meisjes, moslims & motoren (2008). Lang geldt het als haar officiële debuut, tot een passage in radioprogramma Touché daar verandering in brengt. Schoeters onthult er eind 2025 dat zij achter het pseudoniem Pia Fraus schuilt, de auteur van de erotische verhalenbundels Vrijages (2006) en Meer vrijages (2013), waarin ze ‘ongegeneerd de deur van de lesbische slaapkamer opentrapt.’ “Ik schreef die verhalen aanvankelijk op vraag van het holebi-tijdschrift ZIZO”, legt Schoeters uit. “Ik wilde dat doen omdat er in die tijd nog maar nauwelijks geloofwaardige literatuur over vrouwenliefde bestond in ons taal gebied. ‘Pia Fraus’ is overigens Latijn voor ‘vrome leugen’ of ‘een leugentje om bestwil’ (lacht). Ik gebruikte die schuilnaam niet omdat ik mij schaamde voor die verhalen – integendeel – maar ik wilde niet meteen in een hokje worden geduwd, of het risico lopen dat mijn latere werk telkens aan die bundel zou worden afgemeten.”
Inmiddels is Vrijages ook opnieuw uitgegeven, vertelt Schoeters. “Al heb ik daar wel over getwijfeld. Ik vroeg me af of die verhalen vandaag nog relevant kunnen zijn. Inmiddels denk ik van wél, al is het maar omdat de bundel een tijdsbeeld schetst. Begin 2000 zag de situatie voor mensen binnen de lgbtq+-gemeenschap er anders uit dan vandaag. Het homohuwelijk bestond niet, adoptie was nog niet mogelijk, en je moest aanbellen voor je een queer café binnen kon ... Vandaag zijn de wettelijke verwezenlijkingen er wél, maar de maatschappij als geheel is wellicht minder verdraagzaam dan dertig jaar geleden. We zitten met een grote terugslag als het gaat om genderrollen en lgbtq+-acceptatie. Ik denk dat we het gesprek opnieuw moeten voeren. Vrijages zou daarbij kunnen helpen.”
Out of Africa Naast romans schrijft Schoeters onder meer libretto’s en theaterteksten; in de loop der jaren groeit ze uit tot een vaste waarde in de Vlaamse literatuur. Toch kwam haar grote doorbraak er pas recent, met haar roman Trofee (2020). Daarin voert ze Hunter White op, een rijke Amerikaan die naar Afrika trekt om er een neushoorn te schieten. De laatste trofee voor hij zijn ‘big five’ kan afvinken. Schoeters’ roman over de jacht op groot wild roept vragen op over de white gaze en (neo)kolonisme, maar evengoed over ontwikkelingshulp en natuurbescherming. “Ik kreeg het idee via een Facebookadvertentie”, vertelt Schoeters. “Daarin las ik dat je een jachtvergunning kon kopen om op een zeldzaam type steenbok in Pakistan te jagen. Met de opbrengst zou een kweeken beschermingsprogramma voor diezelfde dieren worden gefinancierd. Dat vond ik zo pervers dat ik er meer over wilde weten.” “Ik las over ‘trofeejagers’ – rijke buitenlanders die duizenden euro’s neer tellen om in Afrika op groot wild te jagen, om vervolgens thuis in hun studeerkamer een olifantenkop of leeuwenvel te kunnen ophangen.
53
—
© KU Leuven – RS
Duitse les Sommigen laten hun expedities filmen, als een soort statussymbool. Dat alles leverde inspiratie voor mijn personage Hunter White, die – zonder veel van de plot te verklappen – nog een stapje verder gaat en ook de jacht op de mens opent.” “Het werd me al snel duidelijk dat Trofee een boek over kolonialisme zou worden”, vertelt ze. “Het zegt niks over de realiteit van het Afrikaanse continent. Via Hunter White krijgen we de koloniale blik op Afrika – denkbeelden die ook vandaag nog sterk leven, hoewel we dat liever zouden ontkennen. Ik ontdekte het ook bij mezelf, toen ik begon te schrijven. Het was confronterend om te merken hoe diep al die clichés ingebakken zitten. Hoe snel de beelden bovenkwamen uit films als Out of Africa, uit romans van Jef Geeraerts of van Ernest Hemingway … Daar wilde ik in de roman graag mee spelen, en de lezer in de val lokken.”
Trofee werd een hit, maar dan wel via een omwegje. Pas toen Schoeters succes kreeg in Duitsland, en de vertaling van haar roman er in de bestsellerlijsten belandde, kwam er ook erkenning in Vlaanderen. “Zo gaat dat hier vaak”, zegt ze met een zuinig lachje. “We zien nooit welk talent we in huis hebben, voor er waardering komt in het buitenland.” Dat de Duitse markt meteen warmliep voor Trophäe heeft volgens Schoeters verschillende redenen. “Duitsland heeft bijna geen koloniale of neokoloniale literatuur. Auteurs verwerken er nog de trauma’s van de Tweede Wereldoorlog, of die van het DDR-tijdperk. Toen Trofee uitkwam, liep er net een debat over de rol van Duitsland in Namibië, zijn voormalige kolonie, waar de Duitsers een genocide hebben gepleegd. Het boek werd voor veel mensen een manier om het daarover te hebben. Het verscheen dus op het juiste moment.”
Gaea Schoeters: “Bij de lessen creatief schrijven boeit het eindresultaat me minder dan het parcours dat studenten afleggen.”
54
“Ik begrijp dat veel jongeren niet lezen omdat ze niet weten waar te beginnen ...”
“Tegelijk is de roman gepusht door boekhandels, bloggers en influencers. Dat soort mond-tot-mondreclame is erg waardevol. Rond die periode waren Nederland en Vlaanderen ook gastland op de Leipziger Buchmesse, waardoor er veel belangstelling was voor Nederlands talige literatuur in de Duitse pers. Wat óók geholpen heeft, is dat ik zo gek ben geweest om Duits te leren, met behulp van een taalcursus en afleveringen van Tatort (lacht). Op Duitse radio en tv wordt Engels altijd gedubd, en voor boekvoorstellingen of lezingen werkt men met tolken. Dat alles niet hoeven te doen, is kostenbesparend en opent deuren die anders gesloten zouden blijven.”
Olifantencrisis In Trofee trekt de westerse jager naar Afrika, in opvolger Het geschenk loodst Schoeters een stukje Afrika het Westen binnen. Twintigduizend olifanten, om precies te zijn. Deze nogal opzichtige ‘toeristen’ duiken op in centrum Berlijn, en zijn een cadeautje van de president van Botswana, als reactie op de strengere Duitse wetgeving rond de import van jachttrofeeën. Bondskanselier Winkler moet de olifantencrisis zo goed mogelijk zien te managen, zonder zijn kiespubliek voor de borst te stoten en verlies te lijden in de tussentijdse peilingen. “Ook hier komen thema’s als wildlife en neokolonialisme aan bod, maar de toon is luchtiger dan die van Trofee”, zegt Schoeters. “Het gaf me de kans om mijn lezers publiek te tonen dat je van mij nooit twee keer hetzelfde
hoeft te verwachten. Opnieuw haalde ik mijn inspiratie uit de werkelijkheid. De president van Botswana heeft er écht mee gedreigd om olifanten naar Duitsland te verschepen, vanuit het idee: als jullie zo begaan zijn met hoe wij met onze megafauna omgaan, moeten jullie er misschien zelf eens mee proberen te leven. Ik vond het meteen een grappig beeld: olifanten die baden in de Spree of langs de Reichstag banjeren. Tegelijk wilde ik al lang iets schrijven over de crisis in de Europese politiek.” Winkler is het archetype van de Westerse politicus, stelt Schoeters. Iemand die zijn aanvankelijke idealisme heeft laten varen, koste wat kost aan de macht wil blijven, en daardoor nooit verder kijkt dan de volgende verkiezingen. “Dat speelt vrijwel overal in Europa. Politici zijn doodsbang voor de opmars van extreemrechts, en dat leidt tot een enorme verlamming. Er wordt enkel nog gedacht in termijnen van vier jaar, en moeilijke beslissingen worden uitgesteld uit schrik om daarop te worden afgerekend door de kiezer. Terwijl er heel wat problemen op ons afkomen die net langetermijndenken én impopulaire maatregelen vergen. Ik zie bijvoorbeeld maar weinig ‘gezellige’ oplossingen voor de klimaatproblematiek ...” Het geschenk herinnert de lezer eraan dat het ook anders kan, zegt Schoeters. “Ons kapitalistische maatschappijmodel – dat economische groei vooropstelt ten koste van de biodiversiteit op onze planeet – is door mensen bedacht, dus het kan ook worden hérdacht.”
55 van wat je vertelt. Puur pragmatisch is elke prijs waar een grote som geld aan vasthangt natuurlijk belangrijk voor auteurs. Schrijvers ontvangen geen ‘maakloon’ maar zijn afhankelijk van het aantal verkochte exemplaren van hun boek. Zelfs als je roman het goed doet, kan je daar in Vlaanderen en Nederland amper van leven. Het is dus een financiële extra, en bovendien brengt zo’n bekroning zichtbaarheid met zich mee, vertalingen in het buitenland, extra lezingen …”
—
Gaea Schoeters: “Ik hoop ooit eens een verhaal te schrijven met een happy end, maar voorlopig werkt de wereld niet mee.”
© KU Leuven – RS
Die economische realiteit is ook één van de redenen waarom Schoeters niet louter aan haar schrijftafel te vinden is. “Maar niet de voornaamste”, zegt ze. “Lezingen zijn een bron van inkomsten, maar ik vind ze ook boeiend omdat je zo in contact komt met je publiek. Dat helpt me om vanop afstand naar mijn werk te kijken. Pas dan kan ik het loslaten en aan iets nieuws beginnen. Ik ga ook vaak spreken op middelbare scholen. Dat vind ik niet altijd even leuk om te doen, maar ik zie het wel als mijn taak om bij te dragen aan leesbevordering. Zelf heb ik geen kinderen, dus ik probeer op die manier iets door te geven. Het helpt me ook om voeling te houden met wat er leeft bij jongeren. Daarnaast ga ik ook graag samenwerkingen aan. Met componiste Annelies Van Parys maak ik bijvoorbeeld al jarenlang opera’s.”
Happy end
“Ik denk dat doorsneeburgers meer dan politici beseffen dat we op termijn een andere richting uit moeten. Misschien moeten we dat signaal ook vaker durven geven: ‘Je hoeft niet blind de waan van de dag te volgen. We gunnen jullie het vertrouwen en de manoeuvreerruimte om problemen terdege aan te pakken.’ Al zeg ik er meteen bij dat de huidige herbewapening van Europa me weinig vertrouwen schenkt in de toekomst. Het is in de loop van de geschiedenis maar zelden voorgevallen dat er massaal werd geïnvesteerd in de wapenindustrie en er vervolgens niks met die wapens werd gedaan … Helaas hebben alle partijen zich laten meeslepen door de invulling die rechts aan het begrip veiligheid heeft gegeven. Terwijl het zoveel andere dingen kan betekenen.”
Voeling Met Het geschenk won Schoeters in maart de Boon Publieksprijs voor Literatuur. Diezelfde maand kreeg Trofee de Euregio Literatuurprijs voor Scholieren, en een klein jaar eerder ontving ze de – inmiddels afgeschafte – Ultima Letteren voor haar hele carrière. Zelf blijft ze eerder nuchter onder die bekroningen. “Je moet er de relativiteit van inzien”, vertelt ze. “Elke schrijver die een prijs níét wint, zal denken: zo’n jury is subjectief. En als je hem wél wint, denk je: logisch, ik heb het beste boek ooit geschreven (lacht).” “Met de Boon Publieksprijs en de Euregioprijs ben ik erg tevreden omdat je in beide gevallen een heel brede jury hebt, en zo’n bekroning dus iets zegt over de resonantie
Schoeters is al meer dan eens ‘de hardst werkende schrijver van Vlaanderen’ genoemd. “Een bedenkelijke eretitel”, zegt ze. “Die je ook zou kunnen vervangen door ‘de grootste idioot van Vlaanderen’ (lacht). Maar misschien klopt het wel: ik werk al vijf jaar zeven op zeven, en gemiddeld zestien tot achttien uur per dag. Dat heeft helaas ook een prijs. Op sociaal vlak, maar ook artistiek. Van deadline naar deadline hossen is een ongezond ritme voor wie creatief bezig is. Als schrijver heb je ‘lege tijd’ nodig, om je op allerlei manieren te kunnen voeden. Je krijgt het in een subsidiedossier niet uitgelegd, maar maanden ‘lanter fanten’ maakt deel uit van een werkproces. Alleen heb ik dat al lang niet meer gedaan. Ik teer nog steeds op mijn input van jaren geleden. Ik hoop dat daar op een bepaald moment verandering in komt.” De output die ze met die input weet te generen is in ieder geval indrukwekkend. Staan de komende jaren op de planning: een theatervoorstelling, een kameropera, een librettobewerking van Het geschenk en een prentenboek. “En ik ben volop aan het schrijven aan mijn volgende boek – een oorlogsroman die zich in het heden afspeelt, en die eerder donker van toon zal zijn”, zegt ze. “Dat laatste kan ik niet helpen. Ik heb het al wel vaker gezegd: ik hoop ooit eens een verhaal te schrijven met een happy end, maar voorlopig werkt de wereld niet mee (lacht).” Of ze – bij wijze van uitsmijter – nog tips heeft voor studenten met schrijfambities? “Probeer zoveel mogelijk verschillende soorten boeken te lezen. Volgens mij ligt de allerbeste schrijfopleiding gewoon in de bibliotheek. Verder komt het neer op discipline – op een gegeven moment moet je er gewoon voor gaan zitten en begínnen. Of zoals Dorothy Parker het verwoordde: ‘Writing is the art of applying the ass to the seat.’” ● (pjb)
56
ONDERWIJS — Tussen zomercursus en afstuderen
Zeven ingrediënten voor studenten
© KU Leuven – RS
Van practicum tot veldtrip, van hoorcollege tot masterproef. Onderwijs aan KU Leuven heeft veel gezichten. Maar er is een rode draad: “De lat ligt hoog, maar je hoeft het niet alleen te doen.”
—
Het is een misverstand dat je in een aula met een grote groep studenten geen interactie zou kunnen hebben, zegt Filip Van den Bossche (voorzitter van de Onderwijsraad). “Dat kan wél: je kunt bijvoorbeeld korte discussiemomenten inlassen, samen opdrachten uitwerken of een kleine poll houden. Hoorcolleges worden vandaag steeds vaker op een activerende, interactieve manier ingevuld.” Foto: een hoorcollege gezinstherapie in de master seksuologie.
57 1 Toponderzoekers voor de aula Het staat zo in de opdrachtverklaring: KU Leuven biedt een academische vorming die gebaseerd is op wetenschappelijk onderzoek van hoog niveau. “Dat is iets wat studenten elke les voelen”, zegt professor Filip Van den Bossche, voorzitter van de Onderwijsraad. “We proberen die link met onderzoek zo vroeg mogelijk te leggen”, beaamt professor Tinne De Laet, coördinator studentenbegeleiding Ingenieurswetenschappen. “Ik vertel mijn studenten in de les mechanica bijvoorbeeld hoe ik de principes die ik hen uitleg zelf gebruikte tijdens mijn doctoraat, om robots aan te sturen. Het inspireert studenten als ze zien dat theoretische concepten ook echt toegepast worden in onderzoek.”
“Lesgeven draait niet om een handboek voorlezen, het draait om enthousiasme overbrengen.”
Die verwevenheid met onderzoek zie je ook terug in het opleidingsaanbod: “Sommige masterprogramma’s zijn nauw verbonden met onderzoeksspecialisaties waarin KU Leuven extra sterk staat. Nanotechnologie bijvoorbeeld: onze Faculteit Ingenieurswetenschappen is wereldleider in chiponderzoek.” Dat betekent dus ook: les krijgen van onderzoekers die mee aan de internationale top staan van hun vakgebied. In de eerste bachelor beseffen studenten dat nog niet altijd, zegt Tinne De Laet. “Pas wanneer ze het onderzoeksveld beter leren kennen, daalt het in: degene die daar vooraan staat, is echt een autoriteit binnen dit domein.”
2 De troeven van hoorcolleges Waarom zou je je anno 2026 nog naar een aula begeven om daar met honderden medestudenten naar een prof te luisteren? Tinne De Laet en Filip Van den Bossche kunnen wel een paar redenen bedenken. Een hoorcollege is een manier om studenten mee te nemen in een verhaal, zegt Van den Bossche. “Om te laten zien hoe elegant een wiskundig bewijs is, bijvoorbeeld. Lesgevers die hun eigen bevlogenheid, de verwondering en passie voor hun onderzoeksdomein op hun studenten weten over te brengen, dat inspireert en motiveert.” Dat kan al vroeg in de opleiding, zegt De Laet. “Ik kijk in mijn vrije tijd graag naar YouTube-filmpjes die laten zien hoe allerlei mechanismen werken (lacht). Wel, die filmpjes toon ik ook aan mijn studenten in de eerste bachelor. Lesgeven draait niet om een handboek voorlezen, maar wel om enthousiasme voor het vak overbrengen.” “Je kan natuurlijk achteraf de lesopname bekijken. Maar dan zit je daar in je eentje. Terwijl studeren ook een sociaal gebeuren is. Studenten die zich goed voelen binnen hun opleiding, doen het doorgaans ook beter. En net in een hoorcollege heb je als docent de kans om dat groeps gevoel te creëren – ‘We gaan dit samen aanpakken’. Maar ook: als docent voel je of je toehoorders mee zijn met wat je vertelt, en kan je het zo nodig nog eens op een andere manier uitleggen. Die feedback maakt dat je je lessen jaar na jaar kan verbeteren.”
Het is ook een misverstand dat je in een aula met een grote groep studenten geen interactie zou kunnen hebben, zegt Filip Van den Bossche. “Dat kan wél: je kunt bijvoorbeeld korte discussiemomenten inlassen, samen opdrachten uitwerken of een kleine poll houden. Hoor colleges worden vandaag steeds vaker op een activerende, interactieve manier ingevuld.” ‘Ex cathedra’ behoort stilaan tot het verleden, zegt ook Tinne De Laet. “Het vak dat ik geef hebben we dan ook ‘interactiecollege’ genoemd in plaats van ‘hoorcollege’. Studenten lossen oefeningen op terwijl ik als docent samen met een studiebegeleider rondloop om vragen te beantwoorden. Bij een ‘flipped classroom’ bereiden studenten vooraf de leerstof voor en gebruiken we het college om er samen mee aan de slag te gaan of om moeilijke concepten op een andere manier uit te leggen.” Alle aula’s zijn tegenwoordig uitgerust met technologische tools waarmee je een hoorcollege veel rijker kan invullen, zegt Van den Bossche. “En daarnaast hebben we verschillende collaboratieve leerruimten met geavanceerde technologie.” Digitale toepassingen bieden bovendien heel wat mogelijkheden om studenten, ook in grotere groepen, individuele feedback te geven op tussentijdse evaluaties, vult Tinne De Laet aan. “Ze kunnen hun verbeterde toets online raadplegen. Zo krijgen ze inzicht in wat er verwacht wordt en hoe de docent hun werk beoordeelt.”
3 Groeien dankzij semestersysteem De indeling van het academiejaar in twee semesters ziet Tinne De Laet als een essentieel kenmerk van universitair onderwijs. “Aan de universiteit studeren betekent gedurende een langere periode zelfstandig werken, met een finale evaluatie op het einde.” Eerder dan van deadline naar deadline te werken, moeten studenten leren om zelf te plannen. “Maar die vrijheid vraagt een zekere maturiteit;
58 “Als het niet meteen lukt, is er nog niets verloren.”
daar moet je in groeien. Wij laten onze studenten daarbij zeker niet aan hun lot over. Vooral in het eerste jaar worden nog tussentijdse toetsen en ook proefexamens georganiseerd. Zo krijgen studenten een duidelijk beeld van wat we verwachten en waar ze zelf staan. En als het niet meteen lukt, is er nog niets verloren.” “In een semesterexamensysteem kunnen vakken bovendien met voldoende diepgang worden behandeld”, zegt Filip Van den Bossche. “En studenten krijgen de kans om echt te groeien in hun begrip.” Tinne De Laet herinnert zich nog levendig haar eigen ervaringen als student. “Aanvankelijk worstelde ik met mechanica – het vak dat ik nu zelf doceer. Maar doordat ik de tijd had om gespreid te oefenen en om de leerstof tijdens het semester telkens met een frisse blik opnieuw te bekijken, viel alles, nog voor de examens, plots toch op zijn plaats.”
—
© KU Leuven – RS
Om de overstap van secundair naar universitair onderwijs te ondersteunen heeft elke faculteit een begeleidingsaanbod. Voor typische struikelvakken worden meestal sessies in groep aangeboden. Foto: oefenzitting organische chemie voor eerstebachelorstudenten Farmaceutische Wetenschappen.
59 4 Begeleiding op maat Om de overstap van secundair naar universitair onderwijs te ondersteunen heeft elke faculteit een begeleidings aanbod, zegt Filip Van den Bossche. Studenten die met vragen zitten bij een vak kunnen een afspraak boeken met een studiebegeleider. Voor typische struikelvakken worden meestal ook begeleidingssessies in groep aangeboden. Verder zijn er initiatieven zoals ‘Studieruimte plus’ van de Faculteit Ingenieurswetenschappen en het onlangs met de Prijs van de Onderwijsraad bekroonde ‘Study Hall’ van de Faculteit Industriële Ingenieurswetenschappen. Het concept: studenten zitten samen te studeren terwijl er vakbegeleiders aanwezig zijn om vragen te beantwoorden. Een luxe, vindt Tinne De Laet, maar wel één die eerstejaarsstudenten goed kunnen gebruiken. Binnen heel wat faculteiten worden ook sessies ‘peer assisted learning’ georganiseerd, door ouderejaars studenten. “Samen zwoegen, samen foeteren, dat schept een band (lacht).” Elke student heeft ook een individueel aanspreekpunt binnen de faculteit, zegt Van den Bossche: de studie loopbaanbegeleider. “Bij hem of haar kan je aankloppen met vragen over je persoonlijke studietraject. Al meteen tijdens de startdagen aan het begin van het academiejaar kunnen eerstejaars met hun studieloopbaanbegeleider kennismaken.” Daarnaast is er ook een centraal ondersteuningsaanbod via Studentenvoorzieningen. Studenten kunnen er terecht wanneer ze worstelen met planning, organisatie of studiemethode, of erover denken van studierichting te veranderen. Ook psychosociale begeleiding behoort tot het aanbod. Er zijn heel wat studenten met uitdagingen die niets met de vakinhoud te maken hebben maar die er wel voor zorgen dat studeren voor hen niet evident is, aldus Tinne De Laet. “Denk aan topsporters. Of studenten met een functiebeperking, zoals ADHD of ASS.” Docenten krijgen ook vorming aangeboden rond diversiteitssensitief lesgeven. “Het gaat daarbij om oog hebben voor verschillende achtergronden en noden: neuro divergente studenten, studenten met een migratieachtergrond … Ik denk dat we kunnen zeggen dat we echt willen klaarstaan voor elke student.”
5 Starttoetsen en mijlpalen helpen te slagen KU Leuven was initiatiefnemer bij de invoering van zowel het ‘mijlpaalsysteem’ als de starttoetsen voor toekomstige studenten. “We vinden het belangrijk om hen al vóór het begin van het academiejaar een duidelijk signaal te geven: sluiten hun voorkennis en competenties voldoende aan bij de opleiding die ze kiezen? Bijna al onze opleidingen organiseren trouwens zomercursussen voor vakken die vaak een struikelblok vormen, zoals wiskunde en chemie.”
Het mijlpaalsysteem houdt in dat studenten binnen een bepaalde termijn de eerste bachelor moeten afronden. Tinne De Laet ziet een positieve invloed op de slaagcijfers. Ze benadrukt ook dat het systeem toekomstige studenten er niet van mag weerhouden om voor een ambitieuze opleiding te kiezen: “Eén jaar je volledig smijten en dan merken: ‘het lukt niet’, of ‘het is toch niets voor mij’, dan is er absoluut geen man overboord.” En ook dan staat er hulp klaar, om de heroriëntering te begeleiden.
6 Leren binnen en buiten de (eigen) aula Dat KU Leuven zoveel richtingen aanbiedt, is ook een troef, vindt Filip Van den Bossche. “Studenten hebben niet alleen een brede waaier aan opleidingskeuzes, maar kunnen ook vakken meepikken aan een andere faculteit.” Daarnaast biedt de universiteit ook een aantal universiteitsbrede opleidingsonderdelen aan die een perspectief aanreiken vanuit een specifieke discipline, maar relevant zijn voor verschillende studierichtingen. AI voor iedereen, bijvoorbeeld. En dan zijn er nog initiatieven zoals KU Leuven Engage en KU Leuven KICK: “Daarmee kunnen studenten als onderdeel van hun studieprogramma maatschappelijk engagement opnemen of aan de weg beginnen timmeren als startende ondernemer.” Die initiatieven wakkeren ook nieuwsgierigheid, verantwoordelijkheidszin en kritische reflectie aan, en ze leggen samen met de gevolgde opleiding een fundament voor levenslang leren.
7 Wereldspeler dicht bij huis “Vlaamse studenten beseffen niet altijd dat KU Leuven internationaal zeer hoog staat aangeschreven”, zegt Tinne De Laet. “Voor hen is het gewoon die universiteit dicht bij huis, een vertrouwde naam. Pas later dringt het door dat ze studeren aan een instelling die in veel domeinen meedoet met de wereldtop – wat deuren opent naar uitwisselingsmogelijkheden met topuniversiteiten wereldwijd. Erasmus is het meest bekend, maar er bestaan ook ‘double degrees’, ‘summer schools’ en nog heel wat andere programma’s.” KU Leuven organiseert haar onderwijs zonder mee te gaan met hypes, besluit Filip Van den Bossche. “We willen vooral heel degelijke opleidingen aanbieden. We leggen de lat daarom hoog, ook vanuit de wetenschap dat hoge verwachtingen een sterke positieve invloed hebben op studiesucces. Tegelijk is er ruimte om met vallen en opstaan je weg te vinden. En bovenal: je staat er niet alleen voor.” ● (ivh)
60
ALUMNUS — Sinoloog en contentcreator Lucas Deckers
“Ik vind mezelf leuker in het Chinees” Zes jaar geleden werd hij ‘wereldkampioen Chinees voor studenten’; vandaag is hij een socialmediafenomeen in zijn nieuwe vaderland. Maak kennis met 戴庐可 oftewel Lucas Deckers, Bekende Belg in China.
V
eel westerlingen die Chinees studeren kiezen een Chinese naam. Dat deed ook Lucas Deckers (28) toen hij tien jaar geleden in Leuven begon aan Chinese studies. Intussen heeft hij ook een Chinese online alias. “Lukesiyi lijkt een beetje op Lucas, maar het is ook een woordspeling op de uitdrukking ‘maak iets van je leven’.” Zelf koos hij ervoor om iets van zijn leven te maken in China. Bijna een jaar geleden zette hij samen met zijn vrouw de stap om in de miljoenenstad Nanning te gaan wonen, in het tropische zuiden van het land.
Buitenlanders zie je daar niet veel. “Met mijn blonde haar en mijn meter zevenentachtig val ik sowieso op. En als ik dan vloeiend Mandarijn blijk te spreken, is de verbazing compleet. Dat vind ik leuk, om mensen zo op het verkeerde been te zetten.”
Hema-schriftjes vol Lucas wilde altijd al een taal studeren, vertelt hij. “Zoals zowat iedereen in mijn familie. Maar dan moest het wel een moeilijke taal zijn. Waarom precies Chinees? Mijn vader kwam van zijn zakenreizen naar China terug met boeiende verhalen, mijn grootvader volgde avondlessen Chinees en leerde mij wat woordjes … En ik hield van de Chinese keuken (lacht).” “Ik vond het een heerlijke studierichting”, zegt hij, en zo te zien komt het uit de grond van zijn hart. “Het eerste semester is volledig gewijd aan de taal leren, dus je gaat heel snel vooruit. Elke avond oefende ik Chinese karakters, ik heb talloze Hema-schriftjes volgekrabbeld. Later in
de opleiding komen er ook vakken bij over de economie, de politiek, de cultuur en de geschiedenis van China. Voor mijn part hadden we ook vijf jaar enkel op de taal mogen focussen, maar dan kan je achteraf natuurlijk minder kanten uit.” In 2020 was zijn Chinees zo goed geworden dat Lucas voor België mocht deelnemen aan de Chinese Bridge Competition – géén kaarttoernooi, maar zowat het wereldkampioenschap Chinees voor studenten. “Na de preselecties vaardigt elk land een finalist af naar China, waar de laatste dertig kandidaten het tegen elkaar opnemen in een tv-show. Behalve taalvaardigheid wordt ook je kennis van de Chinese geschiedenis en cultuur getest. Uiteindelijk blijven er vijf finalisten over, één uit elk werelddeel.” Lucas bleek het radst van tong en mocht zich wereldkampioen noemen. “Dat heeft best wel aanzien in China. Vandaag maak ik nog altijd filmpjes om de wedstrijd te promoten.”
Supermarkt Als kind al hield Lucas ervan om filmpjes in elkaar te steken. Tijdens zijn studie begon hij met vloggen. “We kregen de opdracht om elke week een video van een minuut te maken waarin we iets vertelden in het Chinees. Die van mij, over doodgewone dingen uit mijn eigen leven, waren tien keer zo lang … Ik filmde een barbecue in de tuin van mijn ouders, een dagje op kot, een bezoek aan de frituur, de bakker of de supermarkt in Dendermonde, waar ik woonde. Mijn medestudenten vonden mijn filmpjes leuk en tijdens covid ben ik ze online beginnen te zetten op Chinese platformen.”
61
—
En dat doet Lucas vandaag nog altijd. Met een steeds groter wordend publiek. Bij zijn afstuderen – met grote onderscheiding – had hij al zo’n honderdduizend volgers. “Chinese mensen zijn ontzettend nieuwsgierig naar hoe Belgen leven. En hoe alledaagser de onderwerpen zijn, hoe beter ze scoren.” “Ik heb er eigenlijk altijd van gedroomd om iets in de media te doen”, vertelt Lucas. “Van mijn zus, die in de sector werkt, hoorde ik over MediaNXT, een bootcamp van zes weken voor werkzoekende jongeren, georganiseerd door onder meer VRT en VTM. Ik werd geselecteerd en kreeg nadien de kans om stage te lopen bij productiehuis Boundbreakers. Ik mocht er meewerken – vooral monteren – aan programma’s als Alles voor de Spelen en De ark van Nona. Een heel leuke ervaring, alleen was het jammer dat het niks met China te maken had.”
“Als je de taal spreekt, gaat er een hele wereld open.”
Twee uur in de make-up Om zijn Chinees te oefenen keek Lucas in zijn studententijd graag naar de populaire show Informal Talks. Dat is een beetje de Chinese Tafel van Gert met als gasten tien buitenlandse jongeren die Chinees spreken. “Na het winnen van de Bridge had ik me al eens kandidaat gesteld als panellid, maar toen raakte ik niet door de voorrondes. Twee jaar geleden besloot ik nogmaals mijn kans te wagen.” Dit keer lukte het wel: Lucas mocht een heel seizoen aanschuiven als vaste tafelgast. “Een heel bijzondere ervaring. Telkens eerst twee uur in de make-up, en dan een hele dag opnames in een gigantische shiny studio.” Het programma heeft een vast stramien: “In het eerste deel vertel je elk iets over je land van herkomst. Vervolgens debatteren we over een maatschappelijk onderwerp. Ik heb er onder meer Manneken Pis geïntroduceerd. En tijdens een aflevering over eten heb ik witloof meegenomen naar de studio om iedereen te laten proeven – dat is een groente die ze in China niet kennen.” Ook de reünieconcerten van K3, Sinterklaas en pipigate passeerden de revue. Op BiliBili, de Chinese tegenhanger van YouTube, kreeg het seizoen van Informal Talks waaraan Lucas meedeed bijna 100 miljoen views. Het betekende een boost voor zijn accounts. Vandaag heeft hij zo’n kwart miljoen volgers
© KU Leuven – RS
In het ‘Chinatown’ van Antwerpen. “Het liefst zou ik mijn tijd verdelen tussen China en België. Maar op dit moment kiezen we voor China. Het is er goed leven. Er valt zoveel te ontdekken, het is zo’n veelzijdig land, supermodern en tegelijk met zoveel traditie. In China wonen voelt als één groot avontuur.”
62 —
© Instagram @lukesiyi
Lucas – hier met vrouw en zakenpartner Linsey – wil niet enkel de Chinezen wat bijbrengen over België, maar ook omgekeerd. “Daarom maak ik ook video’s over de lokale cultuur in onze regio, de streek rond Nanning, over traditionele dans en kledij bijvoorbeeld. Ik denk dat we in Europa een blik kunnen gebruiken die vriendelijker is voor China.”
63 op BiliBili en evenveel op Douyin, het Chinese TikTok. “Maar in een land als China ben je dan nog altijd een kleine vlogger hoor. Ik word weleens herkend op straat, maar dat gebeurt zeker niet elke dag.”
Courgette Vorig jaar waagden Lucas en zijn vrouw de stap om naar China te verhuizen en er een bedrijfje op te zetten, de Courgette Media and Culture Company – “Het Chinese woord voor ‘courgette’ is een combinatie van de eerste lettergreep van Lynseys naam en de mijne, vandaar.” Dat zijn vrouw oorspronkelijk uit Nanning afkomstig is, maakt de zaken wat makkelijker. “Omdat zij beter Chinees spreekt kan zij net wat subtieler onderhandelen dan ik.” De opdrachten van Courgette zijn divers: “We sluiten overeenkomsten af voor advertenties in mijn video’s. Daarnaast doe ik presentatieopdrachten, zoals een autoshow of het Nieuwjaarsfestival. Ik heb ook al aan documentaires meegewerkt, meestal van het type waarin niet-Chinezen een technologisch hoogstandje in China gaan bekijken. Morgen draai ik een promofilmpje over reizen naar China zonder visum, op vraag van de Chinese ambassade aan de EU in Brussel.”
Of hij altijd in China wil blijven wonen weet hij nog niet. “Het liefst zou ik mijn tijd verdelen tussen China en België. Maar op dit moment kiezen we voor China. Het is er goed leven. Er valt zoveel te ontdekken, het is zo’n veelzijdig land, supermodern en tegelijk met zoveel traditie. In China wonen voelt als één groot avontuur.” Sinds kort verwerkt Lucas zijn ervaringen ook in stand-upcomedy. “Ik doe mee aan open mic-avonden in de lokale club.” De cirkel lijkt daarmee rond: voor zijn masterproef deed hij al onderzoek naar humor in het Chinees. “Chinese vrienden in Leuven namen hun gesprekken voor me op, waarin ik vervolgens de spontane humor analyseerde. In het Chinees worden werkwoorden niet vervoegd en kan je een werkwoord ook gebruiken zonder onderwerp. Daardoor kan wat je zegt op verschillende manieren worden geïnterpreteerd, naargelang de context. Daar kan je mee spelen. Maar verder lijkt Chinese humor verbazend veel op Belgische humor.” Het leuke aan stand-upcomedy is dat je wat verder kan gaan, vindt hij. “Ik kan daar mijn kleine frustraties als buitenlander in China een beetje in kwijt, het feit bijvoorbeeld dat ik overal word aangestaard. Iets wat ik op sociale media niet snel zal doen.”
Nerdland
Koreaans kapsel
“Bedoeling is om na een jaar te evalueren of we dit zo verder kunnen en willen blijven doen. Het is een onzeker bestaan: in februari en maart waren er geen opdrachten en dus ook geen inkomsten. Op andere momenten verdrinken we dan weer in het werk en moet ik voort durend naar Peking of Shanghai vliegen.”
Zijn uiterlijk mag hem dan verhinderen om onopvallend door de straten van Nanning te flaneren, het is natuurlijk ook wel een beetje zijn handelsmerk: “Ik draag ook bewust outfits met iets van de Smurfen of Kuifje erop, of de Belgische vlag. En ik pas me aan aan de lokale schoonheidsnormen: momenteel heb ik bijvoorbeeld een kapsel in Koreaanse stijl. Het hoort er allemaal bij.”
En naar België natuurlijk, om te filmen. “In mei stond ik op het Nerdlandfestival om er te praten over de Chinese taal. Waarom is Chinees een handige taal voor elektronica? Welke uitdagingen brengt het met zich mee voor AIsystemen? Wat gebeurt er in je hersenen als je Chinees leert of spreekt vergeleken met westerse talen? Chinees is een toontaal, de toonhoogte waarop je een woord of lettergreep uitspreekt bepaalt de betekenis – ik heb weleens een ‘vork’ gekregen toen ik om ‘thee’ vroeg.”
Maar op termijn hoopt hij wel te kunnen evolueren naar wat meer diepgang: “Nu spreek ik een jong publiek aan, maar ik blijf natuurlijk niet jong. Ooit hoop ik langere dingen te kunnen maken, mensen te kunnen interviewen. De Nederlander Ruben Terlou maakt prachtige documentaires over China. Zoiets zie ik mezelf in de toekomst ook wel doen.” ● (ivh)
Lucas wil niet enkel de Chinezen wat bijbrengen over België, maar ook omgekeerd. “Daarom maak ik ook video’s over de lokale cultuur in onze regio, de streek rond Nanning, over traditionele dans en kledij bijvoorbeeld. Ik denk dat we in Europa een blik kunnen gebruiken die vriendelijker is voor China. China is niet ‘eng’ … En ik weet niet precies waarom, maar ik kom goed overeen met Chinese mensen. Ik vind het vaak makkelijker om met hen om te gaan, ik heb soms zelfs het gevoel dat ik leuker ben in het Chinees (lacht).” Hij breekt ook een lans voor het leren van de Chinese taal. “Het is moeilijk om Chinezen echt te leren kennen als je Engels met ze spreekt. Je praat dan een beetje langs elkaar heen, er gaan zoveel sociale cues verloren. Signalen om aan te geven dat je iets niet meent, bijvoorbeeld, of dat je beleefd wil zijn. Maar als je de taal spreekt, gaat er een hele wereld open.”
“Chinese humor lijkt verbazend veel op Belgische humor.”
64
KLEINE GESCHIEDENIS — Walvissen gespot te Leuven
Een verhaal met een luchtje
© Universiteitsarchief KU Leuven
In de negentiende eeuw slaat een Leuvens zoöloog verschillende volledige walvisskeletten aan de haak.
—
Blik op de zoölogische collectie en haar walvissen omstreeks 1900, door fotograaf Edouard Morren.
65 J
uni 1869. In Antwerpen zet een trein zich in beweging richting Leuven. Aan boord: een walvis, in overleden staat. Het dier is een maand eerder gestrand in de Westerschelde, is slechts gedeeltelijk ontvleesd, en verspreidt inmiddels een vreselijke stank. De trein met het kadaver walmt langs de dorpen tussen Antwerpen en Leuven, en daar aangekomen meurt het monster, onder luid protest van de inwoners, met paard en kar door de Leuvense binnenstad richting eindpunt: het Koningscollege in de Naamsestraat. De bewoner daar is op dat moment wellicht de enige die blij is met zijn thuisbezorgde pakketje. Zijn naam is Pierre Joseph Van Beneden, en hij is op dat moment al zoöloog extraordinaire.
Troetelkind Terug naar 1831. Pierre Joseph Van Beneden is 22 jaar, een briljant student, en kind aan huis in het Koningscollege. Hij volgt de onlangs opgerichte opleiding wetenschappen, en je vindt hem in het college bij het Kabinet voor Natuurlijke Historie. Dat is de verzameling opgezette dieren en skeletten die het levenslicht zag tijdens de jaren van de Rijksuniversiteit (1817-1835), volgens het nieuwe credo van proefonder vindelijk onderwijs. Hoorcolleges met enkel platte plaatjes volstaan niet meer voor zoölogen, de studenten moeten ook de achterkant van dieren kunnen zien – en als het even kan ook voelen. Tijdens zijn studie klust Pierre Joseph bij als conservator-preparateur van het Kabinet: hij maakt de skeletten en kadavers klaar om op te zetten en te exposeren. Het studentenbaantje is een opstapje naar groter glorie. Twee jaar na de oprichting van de Katholieke Universiteit in 1834 wordt de piepjonge Van Beneden al hoogleraar, en hij zal uitgroeien tot de grootste zoöloog die Leuven ooit gekend heeft. In 1851 neemt het gezin Van Beneden zijn intrek in het Koningscollege, met de groeiende verzameling binnen handbereik. Een zegen voor vader Pierre Joseph – wetenschappelijk onderzoek houdt zich niet aan werkuren. En voor de kinderen: zij verblijven in een soort permanente Night at the Museum. Vooral zoon Édouard, vijf jaar oud in 1851, kijkt zijn ogen uit. Hij zal later ook zoöloog worden.
En dan is er het monster uit de Westerschelde. Hebben de Leuvenaars er, na het geleden leed van de geur processie, toch minstens een attractie bij? Helaas: Van Beneden prepareert het skelet, beschrijft het, en geeft het mee met zoon Édouard, die inmiddels aan de universiteit van Luik aan de slag is.
Midscheeps Wie het Museum voor Dierkunde aan het Koningscollege vandaag bezoekt, staat oog in oog met Van Benedens erfenis – of toch met een deel ervan. Eén walvis tekent nog present: de Groenlandse walvis die te zien is op de historische foto hiernaast. Het is het enigszins verstopte skelet tussen de zuiltjes. De reus boven het gangpad rechts is mogelijk de befaamde bultrug – maar die en andere walvissen lijken zoekgeraakt tussen de plooien van de tijd. Van Benedens opvolger Gilson maakt van de collectie een echt museum, in een nieuw gebouw. Maar aan het einde van WO II treft een bombardement van de geallieerden het Zoölogisch Instituut midscheeps. De verwoesting is totaal: dieren op sterk water sneuvelen, botten liggen over het hele museum verspreid, de schade bedraagt zes miljoen Belgische frank. Maar dat enorme walvisskelet overleeft het dus wonderwel. Ondertussen brengt het alweer vele tientallen jaren in zwevende toestand door. In het Museum voor Dierkunde kun je zelf nagaan of zo’n zeereus, na honderd vijftig jaar op het droge, werkelijk geen enkel geurtje meer verspreidt. ● (wv)
Zijn hele carrière, zes decennia lang, blijft de collectie Van Benedens troetelkind. Vogels opzetten en beschrijven is het liefste wat hij doet, naast fossielen en wormen verzamelen – minder aaibaar, maar zijn beschrijvingen van parasitaire wormen zullen hem internationale faam bezorgen. Dat, en zijn walvissen.
Champions League Pierre Joseph houdt, naast wormen en vogels, immers ook boven gemiddeld veel van het leven in zee. En een beetje verzamelaar wil het grootste zeezoogdier in zijn collectie hebben. Dat is niet eenvoudig: ook in de 19de eeuw koop je een walvis niet in een winkel, je moet een lijntje hebben met het verre Groenland – waar men actief op walvissen jaagt – of met moederland Denemarken. Van Beneden heeft die lijntjes: halverwege de eeuw maken onder meer de skeletten van een Groenlandse walvis en een dwergvinvis de oversteek naar het Zoölogisch Instituut. Met één transfer speelt de Leuvense collectie definitief in de Champions League der zeezoogdieren, naast metropolen als Londen, Kopenhagen en Parijs. Een bultrug, gevangen voor de kust van Groenland, wordt beschouwd als ‘het meest volledig bewaarde skelet in zijn soort’.
Na de transfer van een bultrug – ‘het meest volledige skelet in zijn soort’ – speelde de Leuvense collectie in de Champions League der zeezoogdieren.
Sonar uit? Duik nog dieper Haal het nieuwste onderzoek naar je mailbox Benieuwd hoe wetenschappelijk onderzoek écht het verschil maakt in de samenleving? Van geopolitieke vraagstukken tot gezondheid, technologie en duurzaamheid – KU Leuven brengt onderzoek tot leven. Ontdek hoe wetenschap mensen raakt, oplossingen biedt en onze toekomst vormgeeft.
Schrijf je in voor de maandelijkse nieuwsbrief van KU Leuven Stories via http://stories.kuleuven.be/nieuwsbrief Scan en registreer je meteen
Colofon Dit magazine is een uitgave van KU Leuven.
Coverbeeld
Rob Stevens / iStock – Plainview Hoofdredactie
Lise Detobel Isabelle Van Geet
Werkten mee aan dit nummer
Dirk Blijweert Veerle Heyvaert
Eindredactie
Ine Van Houdenhove Wouter Verbeylen
Met dank aan
Redactie en beeldredactie
Productie
Pieter-Jan Borgelioen Ilse Frederickx Ine Van Houdenhove Reiner Van Hove Wouter Verbeylen
David Desmet Valerie Vervueren
Kjell Corens (Universiteitsarchief)
Vormgeving en druk
Altera Van der Poorten
Fotografie
Rob Stevens
Contact
Sonar@kuleuven.be
Wil je het KU Leuven-magazine Sonar drie keer per jaar thuis ontvangen? (gratis voor alumni, studenten en personeel van KU Leuven)
Meld je aan op https://stories.kuleuven.be/nl/abonneer of scan de QR-code.
Wil je digitaal op de hoogte worden gebracht van de nieuwste online onderzoeksverhalen?
Schrijf je in voor de maandelijkse nieuwsbrief via https://stories.kuleuven.be/nl/inschrijven-nieuwsbrief of scan de QR-code.
Wil je Sonar liever niet meer ontvangen?
Laat het ons weten via https://stories.kuleuven.be/nl/contact of scan de QR-code.
KU Leuven. Inspiring the Outstanding.
KULEUVEN.BE/STORIES
Driemaandelijkse uitgave – Extra editie Tijdschrift KU Leuven – P409886 – v.u.: Dienst Marketing en Communicatie, Isabelle Van Geet, Oude Markt 13, 3000 Leuven