Skip to main content

KU Leuven Sonar n°18 - mei 2026

Page 1


Sonar

Op

school/ku_leuven

KULEUVEN.BE/STORIES

kuleuven
kuleuven
kuleuven

—

Severine Vermeire

Rector KU Leuven

ederlanders staan doorgaans te boek als nuchtere mensen. Met hun open blik en legendarische welsprekendheid maken ze vaak rake observaties. In het voorjaar heeft deze universiteit twee gezaghebbende Nederlandse stemmen over de vloer gekregen. Beide bezoeken lieten een diepe indruk na. Schrijver-dichter Ilja Leonard Pfeijffer en natuurkundige Robbert Dijkgraaf brachten een boodschap die schipperde tussen ontnuchtering en begeestering, tussen alarmisme en vooruitgangsoptimisme. Voor wie er niet bij kon zijn: deze Sonar biedt u een herkansing onder de vorm van een zeer lezenswaardig interview met Ilja Leonard Pfeijffer. Een interview met Robbert Dijkgraaf vindt u dan weer op https://stories.kuleuven.be/dijkgraaf.

Ilja Leonard Pfeijffer doet alvast weinig moeite om zijn vertwijfeling te verdoezelen. Hij schreef een boek met de niet mis te verstane titel Absolute democratie. Daarin waarschuwt Pfeijffer ons voor het hellend vlak waarop de westerse democratie zich bevindt. Volgens hem glijden we af naar een dictatuur van de meerderheid. Pfeijffer doorprikt het extreemrechtse populisme, maar stelt ook de onmacht van links aan de kaak. In één beweging door neemt hij het kapitalisme op de korrel, dat hij als hoofdschuldige aanwijst voor onder meer de toenemende ongelijkheid en de klimaatverandering.

Een heel ander verhaal is te horen bij Robbert Dijkgraaf, niet enkel voormalig Nederlands minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en ouddirecteur van het prestigieuze Institute for Advanced Study in Princeton, maar ook een vooraanstaand fysicus en begenadigd wetenschapscommunicator. Dijkgraaf was in Leuven voor een lezing over de Einsteintelescoop, een observatorium dat zwaartekrachtgolven gaat meten die, mogelijk, nieuw licht kunnen werpen op de oerknal. “Als dit een spelletje Scrabble was, dan zou het woord ‘Einsteintelescoop’ een driedubbele score halen: eentje voor de wetenschap, eentje voor de technologie en eentje voor de geopolitiek”, zo formuleert Dijkgraaf het spits.

Pfeijffer en Dijkgraaf houden een pleidooi voor een slim, sterk en solidair Europa.
Ook KU Leuven mag zich aangesproken voelen.

Opvallend is dat Pfeijffer en Dijkgraaf onafhankelijk van elkaar een eensluidend pleidooi houden voor een slim, sterk en solidair Europa. Pfeijffer noemt Europa het laatste bastion van vrijheid en rechtvaardigheid, en breekt een lans voor meer zelfbewustzijn en zelfvertrouwen. Europa als opnieuw ontluikende wereldmacht, zeg maar. Dijkgraaf ziet Europa dan weer als ‘a reliable safe home for science’: “Als er één ding is dat Europa goed doet, is het wetenschap. Vooral wetenschap waarbij je met elkaar moet samenwerken. Er is geen betere manier om samen te werken dan rond een groot wetenschappelijk infrastructuurproject, of dat nu een deeltjesversneller is zoals het CERN of een zwaartekrachtgolfdetector zoals de Einsteintelescoop.”

Ook KU Leuven mag zich aangesproken voelen door de analyses en aanbevelingen van onze noorderburen. Samen met andere universiteiten hebben wij de verantwoordelijkheid om de democratische cultuur mee te bewaken. Door kortetermijndenken en simplismen te counteren met langetermijnperspectief en nuance. Door polarisatie te ontmijnen met verbinding en samenwerking. Door constructief te zijn in plaats van destructief. En door gebruik te maken van misschien wel onze allergrootste superkracht: onze verbeelding. Wetenschap als ‘weapon of mass creation’, het is weer eens wat anders

OVERMORALISERING

Hoe doorprik je het eigen gelijk?

24

DE KRACHT VAN CROWDFUNDING

Samen deel van een groter verhaal

ALUMNUS FILOSOFIE EN RECHTEN LIESELOT MARIËN “Tijdens de blok werd ik een monnik”

50

38

SCHRIJVER ILJA LEONARD PFEIJFFER

“Een democratie is nooit af”

STUDENTEN ANALYSEREN STRAFDOSSIER

Veroordeelden krijgen voordeel van de twijfel

56

42

KLEINE GESCHIEDENIS

Hoe een welgemikte kassei een archiefstuk werd

64

Ceci n’est pas une fleur

Met een zelfontwikkelde robotbloem onderzoekt bioloog Kamiel Debeuckelaere voor zijn doctoraat hoe bestuivers zoals hommels op zoek gaan naar voedsel.

Zelden was het zó toepasselijk dat een masterproef in de bloemetjes gezet werd. Kamiel Debeuckelaere kreeg in 2021 de Vlaamse Scriptieprijs voor de robotbloem die hij ontwikkeld had en die allerlei gedragsexperimenten met bestuivers mogelijk maakt. “Observatie door mensen heeft namelijk beperkingen”, legt hij uit. “Je kunt niet veel bijen of hommels tegelijk volgen, en zeker niet de klok rond. Dat kunnen robotbloemen wel.”

Een groen landingsplatform met een felgekleurd rondje: het ontwerp oogt simpel, maar zit vol slimme snufjes. “De bloem heeft een voedingsopening en een reservoir dat kleine hoeveelheden nectar afgeeft. Ze is ook uitgerust met een infraroodzender en -ontvanger: wordt het signaal onderbroken, dan ‘weet’ de bloem dat ze een bezoeker heeft. Een mechanisme met een motortje vult de nectar aan na elk bezoek.”

“Dankzij Internet of Things-technologie kan de bloem draadloos gegevens verzenden. Je krijgt data toegestuurd over de bezoekfrequentie en -duur, en dat voor elke bloem die in een experiment gebruikt wordt.”

Voor zijn doctoraat aan het Lab of Socioecology and Social Evolution heeft Debeuckelaere het ontwerp nog uitgebreid met Radio Frequency Identification: “Dankzij een RFIDreader in de bloem en tags die we op de thorax – het borststuk – van elke hommel bevestigen, weet ik exact welke hommels welke bloem bezoeken op welk moment.”

Betere bron

Dat maakt van de robotbloem een ideaal instrument om te achterhalen welke rol sociale informatie speelt bij het foerageren – het zoeken naar voedsel. “We maken de hommels eerst vertrouwd met één type voedselbron –nectar met 30 procent suiker – en plaatsen dan extra robotbloemen, met nectar die dubbel zoveel suiker bevat. We willen nagaan hoe hommels de betere bron ontdekken en die kennis doorgeven. De hoofdhypothese zegt dat dat laatste indirect gebeurt, via ‘honeypot sampling’:

als een werkster in de kolonie nectar proeft die beter is dan wat ze gewoon is, dan zal ze ook op zoek willen gaan naar die betere bron. Het is een afweging tussen exploiteren en exploreren: ofwel vlieg je naar de bron die je al kent, ofwel steek je je tijd en energie in zoeken naar iets beters.”

“Dankzij de RFID-identificatie kan ik die hypothese onderzoeken: welke hommel ontdekt de nieuwe bron en wat gebeurt er bij terugkeer in de kolonie? Ik heb gedurende drie maanden gegevens verzameld met in totaal 16 hommelkolonies, wat bijna 500.000 bloembezoeken opleverde. Die data ben ik volop aan het analyseren.”

In een ander project kijkt Debeuckelaere of hommels aan zelfmedicatie doen. “We infecteren kolonies met ofwel een bacterie ofwel een schimmel, om te kijken of ze dan op zoek gaan naar nectar die quercetine bevat – een plantaardige stof met antimicrobiële werking. Zo willen we nagaan of hommels mogelijk gebruikmaken van natuurlijke stoffen uit planten om ziekteverwekkers te bestrijden. Een interessante hypothese is dat dit dan zelfs een vorm van sociale medicatie zou kunnen zijn: in het geval van de schimmel zijn het namelijk niet de foerageerders zelf die ziek worden van de schimmel, maar hun larven. Ze zouden de medicatie dus ‘nemen’ om hun nageslacht te beschermen.”

Vroeg gebeten

De robotbloem is nog lang niet uitgebloeid: er zijn nog talloze toepassingen denkbaar. “Je zou er bijvoorbeeld het effect van pesticiden in nectar op het foerageergedrag mee kunnen onderzoeken”, zegt Debeuckelaere. “Of denk aan citizen science: met een combinatie van robotbloemen en camera’s kunnen we de diversiteit aan bestuivers in onze tuinen in kaart brengen.”

Hier spreekt een bevlogen bioloog. Debeuckelaere was dan ook al vroeg gebeten door insecten. “Als kind trok ik er geregeld op uit met zo’n potje met een vergrootglas om van alles te vangen (lacht).” ● (rvh)

Een nieuwe blik op het heelal

—

De Italiaanse wetenschapper Galileo tuurde als eerste met een telescoop naar de hemel en ontdekte zo de manen van Jupiter en de ringen rond Saturnus. Het zou zo’n vierhonderd jaar duren voor er een instrument kwam om het heelal verder mee te verkennen: de zwaartekrachtgolfdetector. Nu gaat Europa een nieuwe detector bouwen, de Einsteintelescoop.

Misschien zelfs in onze eigen Voerstreek.

Computersimulatie van de versmelting van twee zwarte gaten

Zwaartekrachtgolven

Even een stapje terug, naar de begrippen ruimte, tijd en zwaartekracht. Isaac Newton & co. gingen ervan uit dat de ruimte een statisch decor is, en de tijd een klok die nooit verzet kan worden. Albert Einstein dacht daar anders over: volgens hem vormen ruimte en tijd samen één weefsel – de ruimtetijd. En die ruimtetijd kan vervormen door de massa van een object, bijvoorbeeld de zon. Zoals een doek doorbuigt als je er een zware bal op legt. Zwaartekracht is niet meer dan die krommingen van de ruimtetijd.

En wat zijn dan zwaartekrachtgolven of gravitatiegolven? Stel dat objecten met hele grote massa’s onzacht met elkaar in aanraking komen, zoals twee zwarte gaten die samensmelten, of een paar neutronensterren –ingeklapte kernen van reuzensterren – die botsen. Dan geeft dat enorme schokgolven in de ruimtetijd: zwaartekrachtgolven die zich met de snelheid van het licht doorheen het heelal verplaatsen.

Gigantische meetlatten

Een zwaartekrachtgolfdetector werkt – vereenvoudigd uitgelegd – als volgt: je bouwt een meetstation met twee tunnels. Die tunnels zijn even lang – een paar kilometer – en staan loodrecht op elkaar. In het hoekpunt laat je een bundel laserstralen vertrekken naar het uiteinde van elke tunnel. Daar botsen de laserstralen op een spiegel en worden ze teruggekaatst naar hun vertrekpunt. In normale omstandigheden komen de twee laserstralen netjes gelijktijdig weer aan. Maar als er een zwaartekrachtgolf passeert, dan zal de lengte van de ene tunnel heel eventjes wat verschillen van die van de andere – de ene tunnel wordt wat uitgerekt, de andere wat samengedrukt. Dan krijg je dus een verschil tussen de aankomsttijden van de laserstralen: het is dat minuscule tijdsverschil – technisch gezien een faseverschil – dat verraadt dat er een zwaartekrachtgolf is langsgekomen.

Ondertussen zijn er al verschillende zwaartekrachtgolfdetectoren gebouwd, in de VS, in Italië en in Japan. En op 14 september 2015 – bijna honderd jaar na de voorspelling van Einstein – was het zover: in het Laser Interferometer Gravitational-Wave Observatory (LIGO) in de VS werd de eerste zwaartekrachtgolf waargenomen. Die was afkomstig van twee samensmeltende zwarte gaten op 1,3 miljard lichtjaar afstand van de aarde. Er trok een schokgolf – pun intended – door de gemeenschap van sterrenkundigen en kosmologen. Het bestaan van zwaartekrachtgolven – en het gelijk van Einstein – was bevestigd. Sindsdien zijn er al een driehonderdtal van die gravitatiegolven geturfd.

Nu is het tijd voor een upgrade, want die eerste observatoria zitten op de grens van hun technische mogelijkheden. Europa plant twee nieuwe zwaartekrachtgolfdetectoren: eentje in de ruimte en eentje ondergronds op aarde. Vanaf 2034 wil de Europese ruimtevaartorganisatie ESA zwaartekrachtgolven meten met LISA, de Laser Interferometer Space Antenna, een installatie met drie satellieten op twee miljoen kilometer van elkaar, die een gigantische driehoek vormen. Ongeveer gelijktijdig met LISA zou ook de Europese Einsteintelescoop in werking moeten treden. Dat wordt een detector op minstens 250 meter diepte, dit om de ruis –de trillingen van het aardoppervlak – zoveel mogelijk te dempen en de gravitatiegolven zo nauwkeurig mogelijk te meten.

voor beginners

Als gravitatiegolven de aarde passeren, rekt de ruimte uit in één richting, terwijl ze in de loodrechte richting samentrekt, en dat gebeurt herhaaldelijk. Gelukkig voelen we daar niks van.

Einstein voorspelde het bestaan van zwaartekrachtgolven, maar hij kon ze nog niet observeren of met een experiment het bewijs ervoor leveren. Gravitatiegolven produceren an sich geen licht of geluid. Bovendien zijn zwaartekrachtgolven minuscuul klein wanneer ze ons bereiken. Volgens Einstein zelfs té klein om ooit waarneembaar te zijn. Maar dat zag hij verkeerd. Einstein zou het zelf niet meer meemaken, maar decennia na zijn dood ontwikkelden natuurkundigen een technologie voor detectoren waarmee de golven wel kunnen worden gemeten, met enorm grote en precieze meetlatten.

Einstein voorspelde het bestaan van zwaartekrachtgolven, maar hij kon ze nog niet observeren of met een experiment het bewijs ervoor leveren.

Discussie over waar en hoe

Het is nog even afwachten waar de Einsteintelescoop komt te liggen; over de exacte plaats wordt pas in 2027 beslist. De drie kandidaat-locaties zijn Sardinië, de Oost-Duitse regio Lausitz en de Euregio Maas-Rijn, oftewel de brede regio rond het Drielandenpunt in de Voerstreek. De locatie is uiteraard het onderwerp van heel wat politiek gelobby. Om de kandidatuur te ondersteunen van ons land met Nederland en Duitsland, werd een heel legertje van wetenschappelijke instellingen en bedrijven gemobiliseerd. Ook fysici, astronomen, ingenieurs en geologen van KU Leuven zijn betrokken bij de haalbaarheidsstudie en het projectvoorstel.

Naast de locatie is ook het ontwerp van de nieuwe detector nog voer voor discussie. “Ons design is uniek en ambitieus”, vertelt fysicus Daniel Mayerson van het Leuven Gravity Institute. “De bestaande detectoren hebben een L-vorm, en zo heb je er per installatie altijd twee nodig, op twee locaties dus, om ook te kunnen bepalen waar de zwaartekrachtgolven vandaan komen.” De Amerikaanse LIGO, bijvoorbeeld, bestaat uit een L in het woestijngebied van de staat Washington aan de westkust en nog eentje in de bossen van Louisiana, duizenden kilometers verderop. “Dat is ook het concept dat onze Europese concullega’s voorstellen: bijvoorbeeld eentje in Sardinië en eentje in Oost-Duitsland. Maar wij stellen een gelijkzijdige driehoek voor, eigenlijk een paar in elkaar geschoven L-vormen. Dan kan je het bij één locatie houden, met als extra pluspunt dat metingen met een driehoek ook wetenschappelijke voordelen bieden. Het is uiteraard wel een technologische uitdaging, want zoiets is nooit eerder gebouwd. Maar het zou ons tot hét centrum voor zwaartekrachtgolven van heel de wereld maken.”

Impressie van de Einsteintelescoop in de Euregio Maas-Rijn. Het ontwerp heeft de vorm van een driehoek, enkele honderden meters onder de grond.

“Dit design voor de Einsteintelescoop zou ons tot hét centrum voor zwaartekrachtgolven in de wereld maken.”

Albert Einstein en de Leuvense professor Georges Lemaître in 1933. Einstein voorspelde het bestaan van zwaartekrachtgolven, Lemaître was de geestelijke vader van de oerknaltheorie.

Land van Maas en Rijn

Waarom is net de Euregio Maas-Rijn een kandidaat-locatie? Het is een rustige streek die ook nog eens een geschikte ondergrond biedt, legt Mayerson uit. “Bij de metingen van zwaartekrachtgolven wil je zoveel mogelijk ruis uitsluiten. Het moet dus stil zijn, met zo weinig mogelijk wegen, industrie, luchthavens enzovoort in de buurt. Ondergronds zoeken we een plek met een harde laag op enkele honderden meters diepte, waarin we de Einsteintelescoop kunnen bouwen. Daarboven moet een zachte laag liggen, die alle andere geluiden en trillingen zoveel mogelijk dempt. En dat hebben we allemaal in die regio.” Bovengronds gaan we dus niet zoveel merken van de Einsteintelescoop, als die eenmaal afgewerkt is.

Leuvense geologen zijn nauw betrokken bij de haalbaarheidsstudie. Hannes Claes, bijvoorbeeld, is gedetacheerd naar het projectbureau dat in Maastricht werd opgericht en is ook betrokken bij de proefboringen in de Voerstreek. Hij legt uit waarom de ondergrond in de regio over de nodige troeven beschikt. “Je hebt een diepere laag met harde zand- en kalksteen en een zachtere bovenlaag, bestaande uit zand, leem, krijt en mergel. Die laatste gaat tot meer dan vijftig meter diep en heeft dus een dempende functie.”

Ondertussen zijn er al een twintigtal boringen uitgevoerd, goed voor meer dan vier kilometer boorkernen. “Het doel is de samenstelling en de stabiliteit van de ondergrond in kaart te brengen. Over welke gesteenten gaat het juist, hoe diep zitten de geschikte gesteentelagen, zijn er breuken in die lagen, hoe zit het met de grondwaterdruk, hoe dempend is de bovenlaag …? Zo kunnen we bepalen wat de beste locatie zou zijn voor de Einsteintelescoop.” De driehoekspunten vormen de grootste uitdaging, volgens de geoloog: “Dat zijn cavernes, grote holtes van wel twintig tot dertig meter hoog. Je kan het vergelijken met een kathedraal bouwen, maar dan ondergronds.”

“Je kan het vergelijken met een kathedraal bouwen, maar dan ondergronds.”

Collega-geoloog Ruben Snellings bekijkt dan weer de mogelijkheden voor recyclage van het gesteente dat bij de werkzaamheden zal worden uitgegraven. “Zo’n tien miljoen ton, dat kan je niet zomaar in het landschap laten liggen.” Maar het materiaal afvoeren is dan weer duur en milieubelastend. “In het beste geval kunnen kalksteen en zandsteen uit de ondergrond dienen als grondstof voor beton of cement. Dat kan gebruikt worden door bedrijven in de regio of voor het bouwen van de Einsteintelescoop zelf.” De eerste onderzoeksresultaten zijn alvast positief.

KU Leuven & The New York Times

Getjilp uit het heelal

Ook de Leuvense ingenieurs werken mee, meer bepaald aan de hardware en de software die bij een zwaartekrachtgolfdetector komen kijken: de nodige chips, de spiegels die gebruikt worden in de tunnels … Ze bestuderen ook de trillingen van de apparatuur en van de omgeving en hoe die uit de metingen kunnen worden weggefilterd. Astrofysicus Tjonnie Li doet dan weer samen met de ingenieurs onderzoek naar de signaalverwerking. “Als we dankzij de Einsteintelescoop preciezer kunnen meten, zal het aantal metingen enorm toenemen: van één keer per week naar meerdere keren per uur bijvoorbeeld. We moeten die stroom aan data dan zo snel en zo efficiënt mogelijk zien te verwerken.”

De metingen van zwaartekrachtgolven kunnen omgezet worden naar geluid, zodat we ons een voorstelling kunnen maken van deze grote gebeurtenissen in het heelal, vertelt Li. “Je hoort bijvoorbeeld hoe twee zwarte gaten steeds sneller om elkaar heen beginnen te draaien vóór hun fusie. De toonhoogte en de sterkte van het geluid nemen toe, tot de zwarte gaten versmelten tot één groot zwart gat – dat geeft een heel karakteristiek tjilpgeluid.”

Botsende zwarte gaten resulteren in ‘eenvoudige’ zwaartekrachtgolven. Het zijn vooral die golven die de huidige detectoren meten. “Met de Einsteintelescoop hopen we nog een stapje verder te gaan en ook meer exotische fenomenen in kaart te brengen, zoals golven van botsende neutronensterren of ontploffende sterren. Dat is een stuk moeilijker.”

Helaas zit er ook nog heel wat ruis op de lijn. Zwaartekrachtgolfdetectoren vangen ook andere signalen op, zoals trillingen van de grond. “Het is alsof je een concert bijwoont van een symfonisch orkest, terwijl het publiek lawaai maakt. In die kakofonie van geluiden willen we nu de individuele instrumenten onderscheiden. Alleen kennen we die instrumenten nog niet zo goed. Hoe klinken ze als ze spelen, hoe vaak spelen ze, welk repertoire hebben ze? Om de toekomstige metingen van zwaartekrachtgolven te kunnen interpreteren, proberen we nu al te voorspellen wat we mogen verwachten. Dat vergt enorm veel rekenkracht. Het gaat om wiskundige modellen met duizenden lijnen computercode. Om te berekenen hoe een ster kan ontploffen, zijn we soms maanden bezig.”

“Alsof je in een symfonisch orkest de individuele instrumenten probeert te onderscheiden terwijl het publiek lawaai maakt.”

Einstein Valley

De Einsteintelescoop is niet alleen een hightech big science -project, maar ook een enorme economische onderneming, legt Mayerson uit. “In totaal zou het de drie betrokken landen samen enkele miljarden euro kosten, maar die investering verdient zichzelf meerdere malen terug. De bouw van de telescoop zal voor tewerkstelling in de regio zorgen, en daarnaast krijg je ook nog een ‘Einstein Valley’: een ecosysteem van spin-offs en bedrijven die allerlei technologie ontwikkelen – een virtuele vallei, want je hoeft niet per se in de Voerstreek gevestigd te zijn om eraan mee te werken. Ongetwijfeld gaan er ook nieuwe toepassingen voor het dagelijks leven uit voortvloeien, net zoals je in het kielzog van het CERN ontwikkelingen kreeg zoals het internet, touchscreens en medische toepassingen.”

En wat als de Einsteintelescoop onverhoopt toch niet in de Voerstreek komt te liggen? Dan zijn de gemaakte investeringen niet verloren, zegt Li. “Wat wij hier ontwikkelen, kan in elke zwaartekrachtdetector gebruikt worden.” Bovendien kan je het nog breder zien: “De Einsteintelescoop is eigenlijk een fabriek waarin je ruwe input omzet naar wetenschap. De processen, de hardware en software, de artificiële intelligentie die we hier nu ontwikkelen kunnen we ook toepassen op andere problemen dan zwaartekrachtgolven. Dat kan voor heel wat bedrijven interessant zijn.” Al hebben we de nieuwe detector uiteraard het liefst wél in onze achtertuin: “Voor het gastland brengt zo’n project het meest op, dus fingers crossed”, lacht Mayerson.

“De detectie van zwaartekrachtgolven is niets minder dan de geboorte van een nieuw soort astronomie.”

— Professor Thomas Hertog, hoofd van de Afdeling Theoretische Fysica en directeur van het Leuven Gravity Institute aan KU Leuven: “We staan op het punt om, net zoals Galileo, zaken te ontdekken waarvan we niet wisten dat ze bestonden.”

Galileo-moment

Als de metingen van de zwaartekrachtgolven over een jaar of tien van start gaan – zowel door LISA als door de Einsteintelescoop – dan kunnen astronomen en fysici eindelijk hun hartje ophalen, hoopt Mayerson. “Er zijn nog zoveel fenomenen in het heelal die we niet goed begrijpen: zwarte gaten, botsingen van neutronensterren, supernova’s (explosies van zware sterren – red.), donkere materie en donkere energie ...” Zo’n detector betekent een nieuw zintuig om al die onbekenden in het heelal verder mee te verkennen: “Met telescopen kunnen we enkel lichtgolven zien, van allerhande golflengtes. Maar licht is zeldzaam in het heelal; naar schatting is slechts vijf procent van het heelal zichtbaar. Bovendien kunnen we met licht maar terugkijken tot zo’n 380.000 jaar na de oerknal. Vóór die tijd was het heelal niet transparant en kon het licht niet ontsnappen om uiteindelijk miljarden jaren later tot bij ons te geraken. Eindelijk kunnen we nu iets anders meten dan licht.”

Kosmoloog Thomas Hertog, directeur van het Leuven Gravity Institute, noemt het ‘een Galileo-moment’: “We staan op het punt om, net zoals Galileo, zaken te ontdekken waarvan we niet wisten dat ze bestonden. De detectie

van zwaartekrachtgolven is niets minder dan de geboorte van een nieuw soort astronomie. Zoiets gebeurt maar één keer in de geschiedenis van de mensheid. En daar zitten we nu middenin. Door zwaartekrachtgolven te detecteren, kunnen we dieper doordringen in het heelal dan ooit tevoren, in de gebieden ondoordringbaar voor licht, tot aan de eerste sterrenstelsels, en zelfs tot het jonge heelal vlak na de oerknal.” Want u raadt het al: wetenschappers vermoeden dat ook de big bang gepaard ging met zwaartekrachtgolven. Meer zelfs, het is de heilige graal van de kosmologie om die allereerste, oudste gravitatiegolven in het vizier te krijgen.

Met de resultaten van de metingen door de nieuwe detectoren hoopt Hertog ook de limieten van Einsteins relativiteitstheorie te toetsen. “We weten dat de relativiteitstheorie niet opgaat bij de oerknal en in zwarte gaten. We vermoeden dat zwaartekrachtgolven vanuit de verste uithoeken van ons heelal ons iets kunnen vertellen over waar en hoe Einsteins theorie tekortschiet.” Zo zou de telescoop die naar Einstein genoemd is, weleens medeverantwoordelijk kunnen zijn voor het onderuithalen van een aantal van zijn ideeën. ● (if)

Lees online meer over de Einsteintelescoop

© KU Leuven –RS

DOOR DE LENS

Blikken naar de ruimte

De Wetenschapsbattle, een presentatiewedstrijd waarin onderzoekers hun werk voorstellen aan kinderen, draaide dit jaar rond het thema ‘zonnestormen’. Op 6 februari kwamen zes wetenschappers naar aula Rosalind Franklin in Heverlee om het onderwerp helder toe te lichten. Nadat ze een raket met daarin astronaut Raphaël gelanceerd had, vertelde KU Leuven-onderzoeker Myrthe Flossie hoe we hem kunnen beschermen tegen de supersnelle plasmadeeltjes van een zonnestorm: door tijdig een ruimteweerbericht uit te sturen, dat hem waarschuwt voor dreigend gevaar. De astronaut kan dan gaan schuilen in het ruimtestation. De kinderjury beloonde Myrthe met de trofee voor de helderste presentatie.

Sport speelt overal

“Sport en samenleving zijn meer dan ooit communicerende vaten”, zegt professor sportsociologie en sportpolitiek Jeroen Scheerder. Hij analyseert onder meer hoe geopolitieke turbulenties ook de stadions doen daveren. Maar evengoed richt hij zijn blik op de sportende Vlaming: wat leert de manier waarop we aan sport doen ons over onze maatschappij?

Staat er een WK voetbal voor de deur, dan voel je doorgaans hoe het land – voetbalhaters uitgezonderd – zich langzaam klaarmaakt voor een nieuwe collectieve roes. Een groot sporttornooi kan werken als een lijm die de barsten in een samenleving tijdelijk dicht. “Die verbondenheid is mooi, maar ook heel vluchtig”, zegt professor Jeroen Scheerder. “Ik spreek wel eens van 90-minuten-nationalisme. Na het laatste fluitsignaal verdampt het gevoel van samenhorigheid weer snel.”

De vierjaarlijkse hoogmis van het voetbal laat zich ook moeilijk voluit vieren als buiten de muren van de kerk de wereld in brand staat. Toen professor Scheerder recent geïnterviewd werd door de NOS, ging dat niet over opborrelende Rode Duivels-gekte, maar over de gevolgen van de oorlog in Iran voor het WK.

Aan heikele kwesties geen gebrek. Scheerder haalt even diep adem voor hij aan een opsomming begint: “Naast de aanval van de VS op een deelnemende natie is er de strijd tegen drugskartels in Mexico die de veiligheid van WK-gaststeden in het gedrang brengt, je hebt twee landen die de LGBTQIA+-rechten niet genegen zijn en die tegen elkaar zullen voetballen in een stad die de homogemeenschap net omarmt, er zijn klimaatrapporten die aantonen dat FIFA en VS met de organisatie van het WK een grotere ecologische footprint zullen hebben dan de volledige voetafdruk van sommige van de deelnemende landen … En dan te zeggen dat gastheer Trump recent nog een vredesprijs mocht ontvangen uit handen van FIFA-preses Infantino.”

Geopolitieke cosmetica

In zijn recente boek Sport is gans het volk vertrekt Scheerder van de vaststelling dat sport, “ooit een activiteit van en voor de nietsdoende vrijetijdsklasse”, is uitgegroeid tot een cultureel en sociaal massafenomeen: “De populariteit van sport impliceert dat sport vermaatschappelijkt is en dat de maatschappij versport is. Kortom, de verwereldlijking van de sport is een feit.”

Sport is dus meer dan ooit een wereldburger, met alle uitdagingen die daarbij komen kijken. Grote sportevents worden bijvoorbeeld steeds vaker gebruikt als een etalage waarin landen zichzelf tonen zoals ze gezien willen worden, niet zoals ze zijn. ‘Sportswashing’, met andere woorden. De formule: ‘bonding’ en ‘boosting’. Lees: intern verbinden, extern verblinden. Een sportspektakel leidt af van ongelijkheid, repressie of de harde realiteit van het dagelijks leven.

“Je kan er niet onderuit dat Rwanda trekken vertoont van een autocratisch regime”, zegt Scheerder. “Het WK wielrennen, dat vorig jaar in het land plaatsvond, was piekfijn in orde en strak georganiseerd, maar als je enkele kilometers buiten de stad ging, zag je een heel ander verhaal. Dat heb ik ook gehoord van een aantal profs en hun entourage. Ik maak weleens de vergelijking met de Potemkin-dorpen, vernoemd naar de Russische maarschalk Grigori Potjoemkin, die volgens de overlevering nepdorpen met tijdelijke façades optrok om tsarina Catharina de Grote te overtuigen van de welvaart in zijn regio. Wel, het wereldkampioenschap wielrennen vond eigenlijk plaats in zo’n Potemkin-dorp.”

Sport als geopolitieke cosmetica: het is een trend, aldus Scheerder. Hij verwijst naar de WK’s voetbal in Rusland (2018) en Qatar (2022), en naar enkele tornooien die nog op de kalender staan: het WK wielrennen van 2028 in Abu Dhabi en het WK voetbal van 2034 in Saudi-Arabië. “Grote sportevenementen worden op een weinig transparante manier toegekend, waarbij mensenrechten geen factor van belang zijn”, zegt Scheerder. “Er wordt weleens geopperd dat zo’n evenement net een motor kan zijn voor veranderingen op dat vlak, maar daar is in de praktijk vaak weinig van te merken.”

23 november 2022. Tijdens het WK voetbal in Qatar houden de spelers van het Duitse elftal bij het maken van de teamfoto de hand voor de mond, nadat de FIFA heeft laten weten dat het dragen van de OneLove-regenboogarmband bestraft zal worden met een gele kaart. Protest zoals dat van die Mannschaft is zeldzaam in de wereld van de sport, die zichzelf van oudsher als een apolitieke microkosmos ziet.

Het mom van neutraliteit

Internationale sportfederaties houden zich doorgaans ook liefst ver van conflicten op het wereldtoneel. “Toen Rusland in februari 2022 Oekraïne binnenviel, reageerde de sportwereld wél unisono: dit is een brug te ver. Rusland en Wit-Rusland werden uit de internationale competities geweerd. Zo’n langdurige uitsluiting hadden we nog maar één keer eerder gezien, toen Zuid-Afrika vanwege het apartheidsregime gedurende enkele decennia uit de internationale sport gebannen werd.”

Het zijn dus uitzonderingen: van oudsher ziet de sportwereld zich immers als een apolitieke en zelfregulerende microkosmos en claimt ze autonomie voor haar doen en laten. “Het beginsel van de neutraliteit? Sorry, maar er wordt met twee maten en twee gewichten gewerkt. Waarom Rusland en Wit-Rusland wel weigeren en de VS en Israël niet? In beide gevallen gaat het om een militair optreden, bovendien telkens in een periode dat de Olympic Truce van kracht was. (De Olympic Truce is een resolutie van de VN die oproept tot een wereldwijde wapenstilstand, beginnend zeven dagen vóór de opening van de Olympische Spelen en lopend tot zeven dagen na het einde van de Paralympische Spelen – red.)”

“Het is toch merkwaardig dat de sportwereld geen equivalent kent van de Verenigde Naties?”

Professor Scheerder doet onder meer onderzoek naar sportparticipatie bij mensen met een beperking, psychische kwetsbaarheid of chronische aandoening. “Er is een positieve dynamiek rond G-sport, maar er is nog werk aan de winkel: één op de drie bevraagden sport níét.”

“Onder het mom van neutraliteit kunnen de grote en vaak ook machtigere spelers binnen de sport hun ding doen, vaak op een weinig transparante en ondemocratische manier. Dat is niet houdbaar: sport is maatschappelijk veel relevanter geworden, dan moet je ook toelaten dat de samenleving betrokken is in de sport.”

Enkele jaren geleden lanceerde Scheerder in Knack het idee van een internationaal sportparlement. “Het is toch merkwaardig dat de sportwereld geen equivalent kent van de Verenigde Naties? Een sportparlement, met inspraak van alle stakeholders, zou ervoor kunnen zorgen dat de sportwereld meer rekening houdt met maatschappelijke waarden en uitdagingen. Je zou er vanuit de sport ook over andere thema’s kunnen nadenken.”

Die oproep doet hij ook aan de ministers in eigen land. “Sport brengt mensen samen en draagt bij tot de sociale gezondheid van een land. Of je nu bezig bent met armoedebestrijding, gezondheid of toerisme, stel je de vraag: wat kan sport daarin betekenen?”

Mannen ingehaald

Zo zijn we in de eigen contreien beland. In zijn onderzoek neemt professor Scheerder ook bewegend Vlaanderen onder de loep: wat geeft ons sportgedrag prijs over wie we zijn als samenleving?

Vlaanderen lag vijftig jaar geleden mee aan de basis van het ‘Sport voor allen’-handvest, in 1975 ondertekend door de toenmalige Europese ministers bevoegd voor sport. Het doel: sport toegankelijk maken voor iedereen. Enkele jaren eerder, in 1969, waren onderzoekers van het Departement Bewegingswetenschappen van de KU Leuven van start gegaan met de ‘Studie over de Bewegingsactiviteiten in Vlaanderen’, een grootschalige bevraging naar het sportparticipatiegedrag van schoolgaande kinderen en hun ouders. De survey, die elke tien jaar opnieuw georganiseerd wordt, is één van de langstlopende sportparticipatiestudies wereldwijd. De voorlopig laatste meting dateert van 2019. Vier op de vijf bevraagden gaven toen aan gesport te hebben tijdens het voorbije jaar: de beste score sinds het begin van het onderzoek.

Sport voor bijna allen dus? De democratisering van de sportparticipatie is verre van voltooid, weerlegt Scheerder. Om toch met goed nieuws te beginnen: de emancipatie van vrouwen is er de voorbije decennia met rasse schreden op vooruitgegaan. Dat is vooral heel goed zichtbaar in de zogenaamde ‘ongebonden’ sporten, die individueel of in informele groepen beoefend worden. Voorbeeld bij uitstek is de loopsport. “Vrouwelijke lopers hebben de mannen ingehaald. Waar rond de eeuwwisseling in Vlaanderen nog respectievelijk vier keer zoveel mannen als vrouwen aan loopsport deden, is die verhouding twee decennia later zowat fiftyfifty.”

Dat hebben ook de organisatoren van loopevents gezien. Begin deze eeuw werd her en der nog van start gegaan met afzonderlijke races voor vrouwen om de drempel voor deelname te verlagen. In 2017 verdween de Ladies Run alweer van het programma van de Antwerp 10 Miles, vijf jaar later hield ook de Nijmeegse Marikenloop ermee op: de emancipatie bij hardloopevenementen was voltooid, aldus de initiatiefnemer.

Maatwerk

Een andere onderzoekslijn van professor Scheerder kijkt naar sportparticipatie bij mensen met een beperking, psychische kwetsbaarheid of chronische aandoening: doelgroepen waar het bevorderen van een actieve levensstijl vaak extra aandacht vraagt. Uit een grootschalige studie van 2024 die hij samen met collega Debbie Van Biesen uitvoerde – in samenwerking met G-sport Vlaanderen – blijkt dat 65 procent van de bevraagde personen uit die groepen op wekelijkse basis aan sport doet, een aanzienlijke stijging vergeleken met de nulmeting uit 2018. “Je kan zeker spreken van een positieve dynamiek. G-sport heeft de voorbije jaren ook als kijksport meer zichtbaarheid gekregen. Maar er blijft nog veel werk: één op de drie bevraagden sport immers níét. Uit ons onderzoek blijkt ook dat de drempels heel divers kunnen zijn bij deze doelgroep: van hinder door de aandoening zelf tot nood aan hulp om op de sportlocatie te geraken. Het is dus ook een kwestie van beleidsmaatwerk.”

Een even complexe uitdaging is om de culturele diversiteit van onze samenleving beter te laten doordringen in sport.

“Mensen met een migratieachtergrond zijn in de meeste sporten ondervertegenwoordigd. Ik beoefen zelf enkele duursporten waaronder triatlon, en daar zie je opvallend

De boodschap
‘iedereen welkom’ volstaat niet voor een inclusief sportbeleid.

weinig mensen van kleur”, zegt Scheerder. “En in de sporten waarin wel veel mensen met een migratieachtergrond actief zijn – ik denk in de eerste plaats aan voetbal – blijven ze opvallend afwezig in functies zoals trainer, scheidsrechter of bestuurslid.”

“Moet je mensen stimuleren om zelf meer initiatief te nemen of moeten clubs en federaties hun integratiefunctie actiever invullen? Het is complex om daarin te sturen, want het gaat nog altijd om wat mensen als hobby doen, in hun vrije tijd. En het financiële plaatje speelt uiteraard ook een rol. Maar dat neemt niet weg dat je wel kan inzetten op structurele maatregelen, zoals het bestrijden van racisme en andere vormen van discriminatie, het hanteren van prijsdifferentiaties naargelang het gezins inkomen, competentieontwikkeling in en door sport, enzovoort.”

Sterke prestaties van nationale elftallen met een diverse samenstelling kunnen inspirerend werken. “Dan komen we opnieuw uit bij het voetbal en bij de Rode Duivels: een multiculturele mix. Met Vincent Kompany, heel succesvol bij Bayern München, is er nu ook een uitgesproken rolmodel in een coachingfunctie.”

Iedereen welkom?

Een constante in de tienjaarlijkse Studie over de Bewegingsactiviteiten in Vlaanderen is dat mensen met een lagere sociaaleconomische status beduidend minder sportactief zijn. Scheerder geeft aan dat daar onder andere een mattheuseffect kan meespelen: de publieke sportinfrastructuur en het aanbod van gesubsidieerde sportclubs worden vooral benut door sociale groepen die al heel wat sport- en beweegkansen krijgen.

Het sportbeleid en de sportorganisaties hebben de voorbije decennia aanzienlijke inspanningen geleverd, maar ondanks de popularisering van de vrijetijdssport is die nog altijd niet voor iedereen even toegankelijk. De boodschap ‘iedereen welkom’ volstaat niet voor een inclusief sportbeleid, zegt Scheerder. Samen met collega Erik Thibaut pleitte hij enkele jaren geleden voor een sportcheque voor laagverdieners, die zij naar eigen goeddunken zouden kunnen besteden: aan het lidgeld voor een club, maar evengoed aan een fitnessabonnement. Zo leg je de keuze bij de consument, in plaats van voornamelijk in te zetten op subsidies via de aanbodzijde.

Over centen gesproken: de recente besparingsoefeningen betekenen dat ook de sportsector de buikriem moet aanhalen. “Sport moet zijn bijdrage leveren, dat begrijp ik”, zegt Scheerder. “Maar neem nu de subsidieknip op Vlaams niveau: die is disproportioneel groot voor sport en treft vooral de multisportfederaties, die meerdere sporten aanbieden voor diverse doelgroepen. Zo komen laagdrempelige, sociaal georiënteerde vormen van sport onder druk te staan – van het tafeltenniskamp voor jongeren tijdens de zomer tot het wekelijks dansuurtje voor 55-plussers. Onze samenleving heeft baat bij een sterke publieke sportsector. Vanuit een beleidsperspectief bekeken: elke euro die je in sport investeert levert op –een beter mentaal welzijn, minder ziekteverzuim ...”

Vluchten op Nikes

Als sport een spiegel van de samenleving is, dan ziet Scheerder in dat spiegelbeeld ook een groeiende hang naar ongebondenheid. Sporten in clubverband was lange tijd de norm en blijft een stabiele factor, maar in zijn participatieonderzoek is een opmars zichtbaar van het sporten als individuele aangelegenheid, met lossere verbintenissen. “Dat is gepaard gegaan met een hausse aan events zoals city runs en met een toename van het commerciële sportaanbod”, zegt Scheerder. “Denk aan de alomtegenwoordige fitnessclubs, die ook inspelen op een andere trend: personalisering. Ze bieden je een individuele, op maat uitgewerkte begeleiding.”

Voor veel populaire sporten vormt niet de traditionele sportinfrastructuur, maar de publieke ruimte het decor, denk maar aan recreatief fietsen, wandelsport en loopsport. Vooral lopen is le sport du jour, en dan liefst over lange afstanden. Verrassend, in een tijd waarin klagen over tijdsgebrek ook een populaire discipline is. Wat drijft al die kilometervreters? Scheerder ziet twee grote strekkingen, min of meer te verbinden aan twee generaties. “De ‘escapisten’ zien loop- en andere duursporten als een vlucht uit de drukke, overgereguleerde wereld. Dat is de generatie van de boomers. Voor hen is sport een vorm van onthaasting. Je hebt vandaag bijvoorbeeld ook slow fitness, en in Antwerpen wordt nu de eerste ‘chillathlon’ georganiseerd: een triatlon zonder tijdsregistratie of einduitslag, waar gezelligheid vooropstaat.”

Geen spek voor de bek van de tweede groep: de ‘extensionalisten’. “Millennials en Gen Z’ers zien sport als een verlengstuk van hun prestatiegerichte werkleven. Het vroegere exces is het nieuwe normaal: een marathon lopen volstaat niet meer, vandaag moet je al lopend de Sahara doorkruisen of meerdere keren de Ventoux opfietsen. Deze sporters willen ook zoveel mogelijk fysieke parameters meten en delen. Dat noemen we de ‘stravaïsering’ van de sportbeleving: ‘If it’s not on Strava, it didn’t happen.’ Al is het met de komst van de Stravajockeys (iemand die wordt betaald om te lopen of te fietsen om andermans profiel te boosten – red.) intussen duidelijk dat ook het omgekeerde geldt: als het op Strava staat, is het niet noodzakelijk gebeurd …”

Scheerder vraagt zich met enige bezorgdheid af waar die digitalisering zal eindigen. “Steeds meer mensen verwijzen naar hun smartwatch als hen gevraagd wordt wie hun coach is. Dat toestelletje vertelt hen immers hoe ze hebben geslapen, wanneer ze het best bewegen, en dies meer. Als we niet opletten, verdwijnt het menselijke aspect volledig uit beeld. In ons vakgebied staan we nog te weinig stil bij die evolutie, terwijl wij bij het opleiden van sportprofessionals net de mens vooropzetten – zowel de sporters zelf als hun begeleiders en entourage.”

Sportbeest

Het moge duidelijk zijn: professor Scheerder is niet zuinig met kritische kanttekeningen. Even duidelijk is dat ze voortkomen uit zijn liefde voor de sport. Die is niet gebaat bij de naïviteit van wat sportsociologen de ‘Great Sport Myth’ noemen: de overtuiging dat sport van nature goed is en automatisch bijdraagt tot betere mensen en een betere samenleving. “Sport als een medicijn dat alle problemen de wereld uit zal helpen? Het lijkt me niet slecht dat die ballon doorprikt wordt”, zegt Scheerder. “Zeker wetenschappers hebben de taak om de mechanismen die spelen in de sportwereld bloot te leggen.”

Sport hoeft ook geen wondermiddel te zijn om betekenisvol te blijven. “Ik vind het belangrijk om in mijn colleges aan storytelling te doen: aan sport kan je verhalen ophangen die de inzichten uit wetenschappelijk onderzoek illustreren”, zegt Scheerder. “Een groot sporter die

“Hoe vluchtig het effect vaak ook is, sport heeft een verbindende kracht die niet miskend mag worden.”

op een slechte dag weet om te gaan met verlies en zich in een interview laat zien in al zijn zwakte: het is een sterk narratief, dat in tijden van polarisatie misschien toch voor wat verbinding kan zorgen. Hoe vluchtig dat effect vaak ook is, sport heeft een kracht die niet miskend mag worden.”

Er zijn veel manieren waarop sport iets kan betekenen voor de samenleving. In 2024 verbrak professor Scheerder zelf het Belgisch uurrecord baanwielrennen bij de

‘masters’ – de leeftijdscategorie 50 tot 55 jaar. Op een uur tijd legde hij 47,11 kilometer af, en zamelde hij tegelijkertijd een kleine 10.000 euro in voor Respira, een consortium geleid door KU Leuven dat zich richt op onderzoek naar luchtvervuiling en daaraan gerelateerde ademhalingsproblemen in Kenia en andere Afrikaanse landen. “Toen heb ik ook echt kunnen proeven van het regime van een topsporter, van de focus, gedrevenheid, discipline die je moet kunnen opbrengen. Een fantastische ervaring voor het sportbeest dat in mij zit.” ● (rvh)

De loopsport is populairder dan ooit, getuige de vele loopevenementen op de kalender. Organisatoren maken er een totaalervaring van. Foto: het traject van de Leuven Night Run leidt onder meer door historische gebouwen zoals de Stadsschouwburg.

© Hannelore Smitz

“Blijf altijd dicht bij jezelf”

Professor Lieve Helsen (55) gaat aan de Afdeling Toegepaste Mechanica en Energieconversie op zoek naar duurzame systemen om te verwarmen en te koelen.

Waarom bent u burgerlijk ingenieur geworden? “Ik wilde de wereld beter maken en besefte dat je daarvoor kennis nodig hebt. Mijn wiskundeleraar moedigde me aan om – als eerste meisje uit onze school – mee te doen aan het toelatingsexamen dat toen nog bestond. Ik koos voor chemische ingenieurstechnieken vanwege de optie milieutechnologie. Nadien kon ik aan de slag bij het Departement Werktuigkunde, en nu leid ik hier al twintig jaar de groep Thermal Systems Simulation. We onderzoeken hoe we warmte én koude duurzaam kunnen inzetten. Om de energietransitie te realiseren moeten de technologieën die inmiddels bestaan nog veel beter op elkaar worden afgestemd, zodat ze samen een geïntegreerd systeem vormen, een puzzel die klopt.”

Hebt u een motto? “Meerdere zelfs. Blijf dicht bij jezelf. En: spreek het uit als je iets positiefs denkt over iemand.”

Welk boek ligt er op uw nachtkastje? “’s Avonds zijn mijn ogen te moe om te lezen. Maar op vakantie duik ik graag in verhalen waarin ik me helemaal kan verliezen. Een schitterend gebrek van Arthur Japin bijvoorbeeld, of Mr Gwyn van Alessandro Baricco. En recenter Al het blauw van de hemel van Mélissa Da Costa.”

Aan welk project zou u beginnen als tijd en middelen onbeperkt waren? “Een interdisciplinair onderzoek naar hoe we de levenskwaliteit in steden kunnen verbeteren. Vandaag proberen we dat te doen op wijkniveau.”

Wat is uw beste eigenschap? “Volgens mijn man: gedrevenheid en toewijding. Zelf zou ik zeggen: ik ben een teamspeler. Ik probeer jonge mensen te laten floreren en het beste uit hen te halen.”

Hebt u een guilty pleasure? “Op vrijdagavond in de zetel ploffen met een zak Doritos Cheese en NCIS kijken. Twee dingen die eigenlijk totaal atypisch zijn voor mij.”

Waaraan hebt u een hekel? “Aan conflicten, aan onrechtvaardigheid. En aan pretparken, als kind al. Al dat lawaai, dat ronddraaien …”

Wat is uw grootste angst? “Verdrinken. In de buurt van een zwembad met kinderen hou ik altijd één oog op het zwembad gericht.”

Hoe komt u tot rust? “In de natuur. Zon op de huid, wind door de haren, de geur van bloesems ... Of tijdens het invullen van Karels Crypto. Vorig jaar hebben we bij wijze van teambuilding met z’n allen een ijsbad genomen en dat vond ik ook heel rustgevend.”

Wat is de belangrijkste les die het leven u heeft geleerd? “Ik heb lang gedacht dat alles lukt als je het maar hard genoeg wil. Maar op een gegeven moment besef je dat dat niet zo is. Mijn vader gaf me toen een tekstje (het ‘Gebed om kalmte’ – red.) dat me sindsdien enorm geholpen heeft: ‘Geef me de kalmte om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen. De moed om te veranderen wat ik kan veranderen. En de wijsheid om het onderscheid te zien.’”

Wanneer bent u het bangst geweest? “Toen er, onderweg naar Engeland met een zeilboot, plots een storm opstak. En tijdens een gigantisch nachtelijk onweer in een tentje in de Pyreneeën.”

Wat was het meest pakkende moment van uw loopbaan tot dusver? “Tien jaar geleden werd ik behandeld voor bilaterale borstkanker. Ik ben blijven lesgeven en was heel open naar mijn studenten over wat er aan de hand was. De aanmoedigingen tijdens het traject en de staande ovatie na de laatste les vergeet ik nooit. De studenten noemden me een inspiratiebron, maar omgekeerd hebben zij me er ook doorheen getrokken.”

“Dat ons team werd bekroond met de Jouleprijs voor Energietransitie betekende ook heel veel, een erkenning voor onze inzet om echt het verschil te maken. En ook elk gouden krijtje (een prijs uitgereikt door de studenten – red.) doet ontzettend veel deugd.”

Waarvoor zou u graag meer tijd hebben? “Meer bewegen en meer stilstaan.”

Wat staat er in uw playlist? “Ik hou van stilte. En van natuurgeluiden – ik vraag me oprecht af waarom sommige mensen in het bos gaan lopen met een koptelefoon op. En verder zijn er veel genres van muziek die ik kan appreciëren. Ik vóél muziek. Op weg naar de radiotherapie speelde ik de zelfgebrande cd’s die ik kreeg van een goede vriendin, en die koester ik nog steeds.”

Welk compliment heeft u het meeste geraakt? “Eén van onze kinderen zei me na een heel moeilijke periode dat hij zich geen betere mama had kunnen voorstellen om die weg af te leggen. Dat deed immens veel deugd, want als ouder weet je het ook niet altijd.”

“En toen ik solliciteerde voor een FWO-postdoc kreeg ik een hele mooie aanbevelingsbrief van een grote naam in ons vakgebied, iemand die altijd heel kritisch was. Sindsdien is hij mijn mentor. En als ik mij heel onzeker voel, dan lees ik die woorden nog eens (lacht). Ze gaven mij vleugels, en ja, ook het FWO-postdocmandaat heb ik toen gekregen.

Wat is het dichtste dat u ooit bij de dood geweest bent? “Zonder het te weten wellicht die twee keer dat ik overvallen ben door hoogteziekte, een keer tijdens de beklimming van de Kilimanjaro en een keer op de Annapurna Trekking in Nepal. Ik had niet in de gaten hoe ernstig het was, en ik wilde zo graag de top bereiken dat ik gewoon bleef doorgaan.”

Hebt u een hobby? “Lopen en volleybal waren lang mijn mentale uitlaatklep. Met alle gevolgen van dien voor mijn knieën … Tegenwoordig ga ik vooral graag wandelen.”

Wat is het beste advies dat u ooit gekregen hebt? “Maak keuzes vanuit hoe jij in het leven wil staan, niet vanuit wat anderen van je verwachten.”

Met welk fictief personage voelt u affiniteit? “Heidi in de bergen. Onbezonnen door de alpenweiden, heerlijk (lacht).”

Wat is uw vreselijkste vakantieherinnering? “Die heb ik eigenlijk niet. Vakantie is een mindset.”

Is er een ritueel waar u niet zonder kan? “Ik sta speciaal vroeger op om de dag te kunnen beginnen met een korte work-out en een gezond ontbijt.”

“En ik brand heel veel kaarsjes, voor mensen voor wie ik denk dat het iets kan betekenen.”

Wat is voor u de hel op aarde? “Ik denk: volledig afhankelijk zijn van anderen. Ik heb het vorig jaar een beetje ervaren, nadat ik mijn knie gebroken had en er drie maanden niet op mocht steunen.”

Is er iets waar u al lang van droomt? “Een roman schrijven. Maar mogelijk wordt het eerder: de verhalen zelf beleven.”

Wat zullen we over vijftig jaar onbegrijpelijk vinden?

“Dat we vandaag zo weinig doen om de klimaatverandering een halt toe te roepen. Greta Thunberg heeft ons zo krachtig wakker geschud, en toch … Ik denk dat onze nazaten zich zullen afvragen wat ons heeft bezield.” ● (ivh)

“Een gouden krijtje doet enorm veel deugd.”

Boerenprotest tegen wolven in Frankrijk. Raf Geenens: “Veel mensen stappen in zo’n debat met de overtuiging dat er één juist antwoord is, terwijl dat een volstrekte illusie is. Elk heeft zijn eigen oplossing, en die oplossingen zijn vaak stuk voor stuk verdedigbaar, maar onmogelijk met elkaar te verzoenen.”

Ieder zijn eigen dada’s: hoe moraliseren tot polariseren leidt

Hoe geraken we uit het drijfzand van het eigen groot gelijk? Er lijkt een felheid in elke morele discussie geslopen die er vroeger niet was, stellen ethici Yvonne Denier en Raf Geenens vast. “Wie je overtuiging niet deelt, is vandaag meteen een slecht of onweldenkend mens. Een gevolg van een samenleving waarin normen en waarden steeds meer geprivatiseerd zijn.”

De druiven op tafel liggen er vooralsnog onaangeroerd bij. Straks zullen ze dankbaar materiaal vormen voor een argument rond polarisering, maar first things first. Rond de tafel zitten Yvonne Denier en Raf Geenens. Zij is hoofddocent ethiek van de gezondheidszorg, hij hoogleraar ethiek en rechtsfilosofie en samen zijn ze de codirecteurs van Ethics@KU Leuven, een platform dat ethiek een gepaste plek wil geven binnen universiteit en samenleving. We hebben hen uitgenodigd voor een gesprek over ethiek in een samenleving die steeds makkelijker de stap lijkt te zetten van moraliseren naar polariseren.

Allebei stellen ze vast dat er vandaag een grote maatschappelijke nood is aan instrumenten om grondig na te denken over ethische kwesties. “We voelen dat ook heel duidelijk in de postgraduaatsopleiding Toegepaste Ethiek die we zelf organiseren. Die zit vol mensen met flink wat werk- en levenservaring. Maar stuk voor stuk zijn ze op zoek naar handvatten om in een professionele context ethische uitdagingen beter aan te pakken.”

Waar komt die nood vandaan? “Dat heeft te maken met de afbrokkeling van een gedeelde ethiek de voorbije decennia”, zegt Geenens. “Ik leg het aan mijn studenten als volgt uit: je hebt de materiële infrastructuur van de samenleving – spoorwegen, nutsleidingen, enzoverder. Die is heel zichtbaar. Maar daarnaast is er ook een niet-materiële, onzichtbare infrastructuur. Dat zijn de principes, normen en waarden die onze ontmoetingen en interacties structuur geven, die ze voorspelbaar maken. En die normen en waarden worden vandaag, net zoals de fysieke infrastructuur trouwens, meer en meer geprivatiseerd.”

Die privatisering hoeft niet slecht te zijn, zegt Geenens. “Dat je vandaag je leven kunt inrichten zonder gedwee de dwingende moraal van kerk of samenleving te volgen, is zeker winst. Maar er moeten nog wel gedeelde normen overblijven om de samenleving bij elkaar te houden. En dat gedeelde fundament is heel snel aan het verdwijnen.”

Uit evenwicht

“Die individualisering lijkt op het eerste gezicht een heel comfortabele positie”, zegt Yvonne Denier. “We zijn verlost van dat dominante kader waar we ons als individu misschien niet helemaal in thuis voelden, en zolang we niet met elkaar op de vuist gaan lijkt er geen groot probleem te zijn: jij jouw overtuiging en ik de mijne. Maar eigenlijk is dat een zwaktebod. Als niet met elkaar op de vuist gaan de grondtoon van ons samenleven wordt en verder iedereen veilig in zijn eigen hokje blijft, worden er volop kansen gemist op échte dialoog en wederzijds begrip.”

Begrip voor elkaars waardekader, bijvoorbeeld. En als dat ontbreekt, kan dat het samenleven bemoeilijken. Het eigen waardekader is als de lucht die we inademen, legt Denier uit. “Het ís er gewoon, en we worden ons er pas bewust van als we geconfronteerd worden met een andere vorm van waardebeleving.”

“Ik geef je een concreet voorbeeld uit mijn lessen over interculturaliteit in de zorg. Toen ik hier zonet binnenkwam gaf ik jou een hand, keek ik je recht in de ogen en stelde ik me vlotjes voor. Als westerse vrouw ben ik opgegroeid met het idee dat je zo respect toont bij een begroeting. Maar wat nu als je als jonge vrouwelijke arts in het Antwerpse voor het eerst joodse patiënten ontvangt en je mannelijke patiënt weigert je een hand te geven of zelfs maar aan te spreken? Dat kan een heel vervelende ervaring zijn. Tenminste: als je niet weet dat voor je patiënt juist dát een uiting van respect is omdat in zijn cultuur genderbarrières gelden. Jullie delen dus wel degelijk die waarde van respect, alleen neemt ze in concreto een heel verschillende vorm aan.”

“Jij jouw overtuiging en ik de mijne: eigenlijk is dat een zwaktebod.”

Bij dat soort botsingen van waardekaders raken we even uit evenwicht. En omdat onze ethiek zo geïndividualiseerd is geraakt, zijn we steeds vaker uit evenwicht. “We proberen dat gevoel dan uit de weg te gaan met: ‘Jij jouw gelijk en ik het mijne’. Maar een echte ontmoeting, een echt gesprek, kun je zoiets niet noemen. Bij een echt gesprek probeer je elkaar inhoudelijk te verstaan, ondanks de onderlinge verschillen. Helaas hebben we steeds meer de taal verleerd om met elkaar in discussie te gaan over de dingen die we belangrijk vinden.”

Net omdat ethische kwesties zó dicht bij onze identiteit liggen, bij onze morele emoties, wordt het al snel heftig, legt Denier uit. “Moreel dicussiëren moet je echt leren. En waar doe je dat? Thuis bijvoorbeeld, aan de keukentafel, tijdens het avondeten. Ik heb opgroeiende kinderen, ik weet waarover ik spreek (lacht). Of in de jeugdbeweging, of bij groepswerken tijdens je opleiding. We kunnen onze studenten nog zoveel colleges over ethiek geven als we willen, en dat is ook wel heel belangrijk, maar het is in de praktijk van die verschillende ethische gemeenschappen dat je dat écht leert.”

Dada’s

Raf Geenens ziet een nieuw fenomeen: een potentieel moraliseren van zowat alles, waarbij elke menselijke handeling ethisch geladen wordt. “Wat je eet, hoe je reist, wat voor kleren je draagt: alles is mogelijk voer voor discussie. Ja, zelfs die druiven hier op tafel. Ik sluit niet uit dat er op een familiefeest gediscussieerd wordt over de vraag of die druiven nog wel kunnen. Misschien zijn ze wel met een te grote voetafdruk uit een ver land aangevlogen, misschien zijn ze wel genetisch gemanipuleerd, enzoverder.”

Onze sterke morele gevoelens en overtuigingen zijn door die privatisering immers niet zomaar verdwenen. “Elk van ons heeft vandaag veel meer zijn eigen morele dada’s. De een vindt het verdwijnen van de publieke omgangsvormen misschien urgenter dan pakweg de klimaatverandering. De ander vindt die omgangsvormen dan weer totaal ondergeschikt, want van onbeleefdheid warmt de planeet niet op. Nochtans is het belangrijk om ook de niet-materiële elementen van onze gedeelde wereld te redden en te beschermen.”

“Het is uiteraard goed dat we gevoelig zijn voor de ecologische voetafdruk van wat we eten en doen. Maar die overmoralisering waarbij iedereen zijn eigen overtuigingen aan de ander probeert op te leggen vergroot ook de polarisering en de kans op conflict. Er is een soort felheid in elke discussie geslopen, en dat is wél problematisch.”

“Omdat ethische kwesties zó dicht bij onze identiteit liggen, bij onze morele emoties, wordt het al snel heftig.”

Weg sfeer

Ongetwijfeld hebben de versnippering van traditionele media en de opkomst van sociale media daar een rol in gespeeld, zegt Geenens. “Door het wegvallen van gedeelde media is ook het milderende effect van een gedeelde publieke sfeer aan het verdwijnen. Een generatie geleden keek iedereen nog naar hetzelfde tv-journaal. Vandaag zoomt iedereen in op zijn eigen kanaal, waarbij het algoritme je mening versterkt.”

“Bij sociale media zit er ook nog eens een schild tussen jezelf en de ander”, vult Denier aan. “Je kan je daar bijvoorbeeld eens goed kwaad maken en daarna het scherm gewoon dichtklappen. Dat is een beetje zoals bij verkeersagressie: het is heel gemakkelijk en veilig om vanachter het stuur eens flink te claxonneren naar een ander, want daar zit een stevig pantser tussen. Maar we zien het aan de kassa in de supermarkt niet snel gebeuren, dat iemand gaat staan gillen tegen de voorgaande klant omdat die niet snel genoeg opschiet (lacht).”

Kleine ontmoetingen

In een ideale wereld blijft het bij wat onschadelijk gegil op sociale media. “Maar voor meer en meer mensen vormt die digitale interactie juist een groot deel van hun leven”, zegt Geenens. “Ze brengen steeds meer tijd door in die digitale bubbel, de hoeveelheid fysieke menselijke interactie neemt af.”

Zelfs aan die supermarktkassa van daarnet: Geenens ziet steeds meer mensen, zeker jongeren, kiezen voor de zelfscan. Uiteraard omdat dat vaak sneller opschiet, maar voor sommigen is zelfs de ontmoeting met de kassabediende blijkbaar een uitdaging geworden. “In het sociale verkeer schuilt er frictie en onvoorspelbaarheid in elke ontmoeting. Misschien moet je aan smalltalk doen, misschien spreken jullie een verschillende taal, misschien reageer je verkeerd. Aan de zelfscan hoef je niets te zeggen of uit te leggen.”

“Maar net in die kleine alledaagse ontmoetingen met anderen oefen je omgangsvormen, is er een herbevestiging van sociale normen en erken je elkaar als medemens, ook al ken je elkaar niet. De contexten waarin dat kan gebeuren, worden langzaam afgebroken. We interageren minder en minder fysiek met elkaar, en in zo’n wereld wordt het ook steeds makkelijker om je op te sluiten in de bubbel van je eigen gelijk. Dus ja, kiezen voor de caissière kan een civiliserend effect hebben (lacht).”

Theater

Daarmee is de maatschappelijke analyse gemaakt, en toegegeven: ze klinkt ietwat somber. Maar Ethics@KU Leuven wil deel zijn van de oplossing. “We zoeken bijvoorbeeld zelf het maatschappelijk debat op. We willen aantonen dat de simpele antwoorden, de absolute waarheidsaanspraken die je vandaag de dag vaak hoort, niet houdbaar zijn.”

Neem nu de wolvenkwestie. In de zomer van 2025 lopen in Limburg de emoties hoog op wanneer enkele paarden het leven laten door toedoen van wolven. Tegenstanders vragen zich af of het leven van een wolf nu echt zoveel meer waard is dan het leven van een paard, terwijl wolvenliefhebbers vooral gemakzucht zien: met een goed hek is het wolvenprobleem zo opgelost. Het water lijkt onpeilbaar diep.

“Dat komt doordat veel mensen in zo’n debat stappen vanuit de overtuiging dat er één juist antwoord is”, zegt Raf Geenens. “Alleen hangen ze allemaal een ander antwoord aan. De een wil ecologische systemen beschermen, de ander wil dat elk individueel dier kan floreren, nog iemand anders wil de totale hoeveelheid lijden zo klein mogelijk houden: stuk voor stuk verdedigbare waarden, maar ze zijn onmogelijk allemaal met elkaar te verzoenen.”

“Eén enkel juist antwoord is hier dus een volstrekte illusie. Beleidsmakers hebben daarin een rol te spelen: je mag niet doen alsof je met een of andere briljante redenering de spanning tussen die waarden kan wegnemen. Dat is misleidend. Politici moeten wegblijven van simplismen, en duidelijk maken hoe veelzijdig en moeilijk sommige issues zijn.”

“Ik besef ook wel dat politiek een vorm van theater is. Politici moéten scherpe, duidelijke posities innemen, ze moeten emoties vertolken om het publiek mee te krijgen. Maar op die scène moet ook de kunst van de nuance en van het compromis opgevoerd worden, zodat het publiek ook dát oppikt.”

Slechte mensen

Op een bepaald moment is het natuurlijk aan die politici om definitieve standpunten in te nemen en knopen door te hakken, zegt Denier. “Maar dan liefst na een degelijk debat, op basis van inhoud en respect.”

“Zo hebben we met Ethics@KU Leuven een positiepaper over abortus gepubliceerd”, zegt Geenens. “Daar zie je eenzelfde mechanisme aan het werk als bij die wolvenkwestie. Dat verzandt zó snel in polarisatie. Wie vraagtekens plaatst bij een liberaal abortusbeleid, móét wel een aartsconservatief zijn. En wie omgekeerd pleit voor een verdere liberalisering, zit meteen in het kamp van de huurmoordenaars. Het gaat heel snel niet meer over een andere gevoeligheid of een verschillend standpunt, nee: de ander is een moreel slecht mens.”

“In ethische kwesties zijn lastige afwegingen onvermijdelijk. Maar dat ‘afwegen’ blijft belangrijk. De Franse filosoof Michel de Montaigne had in de zestiende eeuw niet toevallig een weegschaal als symbool voor zijn sceptische levensopvatting: voor elk argument in één richting, is er meestal ook één in de andere richting. We willen mensen bewust maken van de gewichtjes aan beide kanten van de weegschaal. Hopelijk worden ze dan sceptischer ten aanzien van hun eigen aanspraken op waarheid en morele zekerheid.”

Minder stelligheid, meer nuance: het is een goede slogan, maar de realiteit is weerbarstig, beseft Denier. “Wakker geschud worden uit je eigen vooronderstellingen is niet eenvoudig. Je moet ruimte maken voor twijfel en dat vraagt om vertraging in de enorm drukbezette levens die we vandaag allemaal leiden.”

Loodgieters

“Ethici kunnen de weg wijzen,” zegt Yvonne Denier. “Maar het kan niet de bedoeling zijn dat ze ook als loodgieters worden ingeschakeld. Wij hebben ook geen toveroplossingen. Wij kunnen wel het canvas van ethische argumenten schetsen, zodat beleidsmakers en burgers grondiger geïnformeerd kunnen discussiëren en beslissingen nemen.”

Ook binnen de universiteit staan ethici klaar om die rol te spelen, bijvoorbeeld om mee te denken over academische vrijheid en over de grenzen van die vrijheid. “Dat zijn nu eenmaal bijzonder moeilijke afwegingen”, zegt Geenens. “Denk aan defensiegerelateerd onderzoek. Enerzijds staan we dat soms toe, maar tegelijk leggen we allerlei grenzen op. Je kan dat niet behandelen als gewoon onderzoek.”

“Een cruciale grens aan de academische vrijheid zijn de mensenrechten: we werken niet samen met partners die de mensenrechten schenden, ongeacht hoeveel wetenschappelijke winst we zouden kunnen boeken door dat wel te doen. We gaan daar trouwens verder in dan veel andere Europese universiteiten. We zijn ethisch vaak de meest ambitieuze partner, en dat bemoeilijkt al eens een samenwerking. Maar het is een collectief ethisch engagement van KU Leuven, en een zeer terecht, denk ik. We mogen daar gerust wat trotser op zijn.” ● (wv)

Steeds meer mensen kiezen voor de zelfscankassa in plaats van de klassieke caissière. Raf Geenens: “Nochtans oefen je in die kleine alledaagse ontmoetingen met anderen je omgangsvormen. Dus ja, kiezen voor de kassabediende kan een civiliserend effect hebben (lacht).”

Blow-up

PLUIMPJESFESTIVAL

Geen donzige verzameling veertjes, maar levercellen. Meer bepaald de cellen die de binnenkant en de buitenkant van de bloedvaten in de lever vormen. De blauwe ovaaltjes op de foto zijn de celkernen. De gele structuurtjes zijn de cytoskeletten, die voor de stevigheid en de beweeglijkheid van de cel zorgen. Met de draderige kabeltjes kunnen de celletjes trekken en duwen, en dus bewegen.

Dat vertelt biomedisch ingenieur Laurens Kimps, die doctoreert bij de Onderzoeksgroep MAtrix Mechanobiology and Tissue Engineering, onder leiding van professor Hans Van Oosterwyck. Kimps bestudeert hoe levercellen zich gedragen bij leverfibrose, een ziekte waarbij littekenweefsel in de lever wordt gevormd. “Patiënten krijgen het advies om hun levensstijl aan te passen. Maar als de oorzaak een virale infectie is, helpt gezonder leven niet. Dan kan fibrose uiteindelijk leiden tot cirrose, wat meestal onomkeerbare schade tot gevolg heeft. Vandaar dat er onderzoek gebeurt naar pistes voor therapie.”

Kimps bestudeert levercellen door ze te laten groeien in een hydrogel van collageen. Zo zitten ze in een zachte 3D-structuur die de realiteit van een echte lever benadert. “Dat doen we zowel met gezonde cellen als met cellen die geactiveerd zijn om littekens te vormen. Als de cellen bewegen, bijvoorbeeld als reactie op schade of tijdens de vorming van nieuwe bloedvaten, kunnen we hun trek- en duwkracht berekenen.”

De levercellen hebben zelf immers ook verstand van mechanica, legt Kimps uit. “Ze doen aan mechanosensing: ze zijn gevoelig voor de stijfheid van hun omgeving en reageren daar ook op. In een stuggere omgeving – bijvoorbeeld als gevolg van een virale infectie of door overmatig alcoholgebruik – zorgt dat voor een neerwaartse spiraal: de cellen zetten meer collageen af, wat leidt tot de vorming van littekenweefsel. Ze worden zelf ook sterker, een beetje zoals een spiercel. Dat maakt dat ze de bloedvaten kunnen toeknijpen. Zo ontstaan er problemen met de bloeddruk en de doorbloeding.” Die donzig uitziende celletjes laten zich niet zomaar in een hoekje duwen … ● (if)

Perspectief voor pijnpatiënten

Naar schatting één op vier volwassenen in ons land leeft met chronische pijn. Mirakeloplossingen bestaan niet, maar volgens pijnspecialist Bart Morlion is er altijd perspectief.

Bijna anderhalf miljard mensen wereldwijd hebben elke dag te kampen met pijn. Koploper zijn rugen nekklachten, maar ook andere gewrichtspijnen, hoofdpijn, pijn na kanker en zenuwpijnen zijn alomtegenwoordig. De persoonlijke tol is hoog – van cognitieve tot relationele problemen – en omdat veel patiënten niet meer in staat zijn te werken, zijn de maatschappelijke kosten van chronische pijn groter dan die van kanker, hartaandoeningen en diabetes samen.

“Vaak zijn mensen ten einde raad als ze hier aankloppen”, zegt professor Bart Morlion, hoofd van het Leuvens Algologisch Centrum (LAC), het multidisciplinair pijncentrum van UZ Leuven. “Zeker als er geen duidelijke lichamelijke oorzaak – meer – kan worden aangewezen. Gemiddeld hebben onze patiënten al vijfendertig acties ondernomen om van hun pijn af te raken. Meer dan de helft kampt met een depressie of een angststoornis. En elke week zie ik mensen die hun toevlucht nemen tot alcohol of kalmeermiddelen.”

Brandalarm

De meest gehoorde klacht in het LAC is chronische lage rugpijn. Iedereen heeft weleens last van de rug, maar waarom blijft de een wel en de ander niet chronisch met pijn kampen? Om dat te begrijpen moet je weten hoe het pijnsysteem werkt, legt Morlion uit. “Het lichaam zit vol sensoren die prikkels doorsturen naar het ruggenmerg. Daar worden de prikkels verwerkt en via een soort poort naar het brein doorgesluisd. Normaal laat die poort enkel prikkels door die wijzen op gevaar.”

Maar als de poort wagenwijd openstaat, gaan alle prikkels ongefilterd naar het brein. “De minste prikkel – banale spierspanning bijvoorbeeld – lokt dan pijn uit. Als een brandalarm dat afgaat zonder dat er sprake is van vuur. Centrale sensitisatie noemen we die toestand waarbij de pijndrempels te laag worden en de hersenen over-

reageren op pijnsignalen. Bij veel chronischepijnpatiënten is dat wat er aan de hand is.”

Hoe komt dat? Door een complex samenspel van lichamelijke, psychologische en sociale factoren, zegt Morlion. “Pijn is per definitie biopsychosociaal bepaald. Eenzelfde prikkel kan verschillende pijnbelevingen uitlokken. Per ongeluk in aanraking komen met een sigaret tijdens een feestje voelt totaal anders dan wanneer iemand je op die manier doelbewust zou pijnigen. Chronische pijn kan ook ontstaan uit een bewogen levensgeschiedenis. Zeker tijdens het opgroeien is het brein heel gevoelig voor dingen die fout lopen.”

Overconsumptie

Morlion zag in zijn carrière duizenden patiënten. Hij legt hen de aanpak van hun pijnprobleem uit met het beeld van een Griekse tempel met drie pijlers. De middelste pijler staat voor medicatie en medisch-technische behandelingen – chirurgie, maar ook bijvoorbeeld infiltraties of het wegbranden of blokkeren van zenuwen. “Dergelijke ingrepen worden in ons gezondheidszorgsysteem zwaar gefinancierd, maar ze zijn lang niet altijd doeltreffend en vaak niet zonder risico. Uit studies blijkt dat meer dan dertig procent van alle medische pijnbehandelingen zelfs totaal nutteloos zijn – en tien procent veroorzaakt nieuwe blijvende schade.”

Medicatie werkt dan weer slechts bij ongeveer één op zeven chronischepijnpatiënten, zegt Morlion. “Zelfs opioïden – zoals morfine en fentanyl – schieten soms tekort. En vaak zijn er ernstige nevenwerkingen. Overconsumptie ligt op de loer; uit onderzoek, deels uitgevoerd in ons centrum, blijkt dat 14 procent van de chronischepijnpatiënten meer medicatie gebruikt dan voorgeschreven. Dat neemt niet weg dat tijdelijk gebruik van pijnstillers nuttig kan zijn om andere strategieën mogelijk te maken.”

“Vaak zijn mensen ten einde raad als ze hier aankloppen”, zegt professor Bart Morlion, hoofd van het Leuvens Algologisch Centrum (LAC), het multidisciplinair pijncentrum van UZ Leuven. “Gemiddeld hebben onze patiënten al vijfendertig acties ondernomen om van hun pijn af te raken.”

“Meer dan dertig procent van alle medische pijnbehandelingen zijn totaal nutteloos.”

Die andere strategieën zijn de andere twee pijlers die de tempel overeind moeten houden – met enkel de middelste pijler lukt het immers niet. Internationaal onderzoek toont aan dat psychosociale elementen en levensstijl een op zijn minst even grote rol spelen in de aanpak van chronische pijn, zegt Morlion. “En op den duur kan die middelste pijler dan misschien wel deels of volledig wegvallen. Heel belangrijk is ook pijneducatie, waarbij patiënten leren hoe pijn ontstaat in de hersenen. Zodat ze beseffen dat pijn niet altijd betekent dat er gevaar dreigt of schade is.”

Slaap als pijnstiller

Het is intussen aangetoond dat chronische pijn – net als veel andere chronische aandoeningen – gepaard gaat met laaggradige ontstekingsprocessen in het lichaam. Die maken het zenuwstelsel gevoeliger voor prikkels. Dat verklaart waarom levensstijl zo’n impact kan hebben, zegt Morlion. “Onder meer voeding, beweging en slaap spelen namelijk een grote rol bij die laaggradige inflammatie. Uit een grootschalige studie uit 2022 bij meer dan tienduizend volwassenen bleek dat mensen die voldoende bewegen, gezond eten, sociaal actief blijven en goed slapen, tot dertig procent minder pijnintensiteit rapporteerden.”

In zijn boek Grip op je pijn gaat Morlion in op de meest effectieve strategieën om chronische pijn te verlichten. “Ik heb ze opgedeeld in zes sleuteldomeinen. Slaap is misschien wel de meest onderschatte pijnstiller. En omgekeerd leidt zelfs één nacht te weinig of slecht slapen al tot een verhoogde gevoeligheid voor pijn. Zorgen voor een goede slaap is dus een basisvoorwaarde voor het beheersen van chronische pijn.”

Slaapgebrek zorgt er ook voor dat je minder stressbestendig bent, en dat terwijl stress ook een heel belangrijke rol speelt bij pijn en pijnbeheersing. “Pijn veroorzaakt stress, maar stress veroorzaakt ook meer pijn. Stress draagt bij tot laaggradige inflammatie. En door stress raakt je zenuwstelsel overprikkeld en verlaagt je pijndrempel, waardoor prikkels die normaal niet pijnlijk zijn toch als pijnlijk worden ervaren. Er is intussen overvloedig bewijs dat mindfulness, yoga, ademhalingstraining en ontspanningstechnieken bij chronische pijn een positief effect kunnen hebben.”

Twintig seconden knuffelen

Maar het allerbelangrijkste bij chronische pijn is voldoende bewegen, zegt Morlion. “Patiënten zijn er vaak huiverig voor, maar het heeft een aantoonbaar positieve invloed. Niet enkel omdat er stofjes zoals serotonine en endorfines worden aangemaakt, die pijn verzachten. Maar ook omdat de pijndrempel verhoogt, de slaapkwaliteit verbetert en stress afneemt. Bij patiënten met een overgevoelig geworden zenuwstelsel kan regelmatige lichaamsactiviteit bijdragen aan het reguleren van het systeem, zodat pijnprikkels minder heftig worden ervaren. Uiteraard is het een kwestie van geleidelijk beginnen en niet overdrijven.”

Plantaardig, vezelrijk, vetarm en minder bewerkt voedsel heeft een positieve invloed op diverse lichaamssystemen die allemaal samen bepalen hoe gevoelig je bent voor pijn: het microbioom in de darmen, het immuunsysteem, het zenuwstelsel en de hersenen. Ongezonde voeding is dan weer letterlijk brandstof voor de laaggradige ontstekingsprocessen. Bovendien produceert vetweefsel ontstekingsbevorderende stoffen die het lichaam gevoeliger maken voor pijn, legt Morlion uit. “Bij mensen met een BMI tussen vijfentwintig en dertig zie je twintig procent meer chronische pijn. Boven de dertig stijgt dat tot bijna zeventig procent. Het goede nieuws is dat een gewichtsverlies van vijf tot tien procent al een meetbaar verschil kan maken.”

Wie leeft met chronische pijn trekt zich soms letterlijk en figuurlijk terug. “Maar eenzaamheid verhoogt de ontstekingsstoffen in het lichaam en maakt je vatbaar voor de ontwikkeling van chronische pijn. Omgekeerd kan sociale verbondenheid pijn stillen. Een knuffel van minstens twintig seconden met iemand die je vertrouwt, stimuleert de aanmaak van het verbondenheidshormoon oxytocine, verlaagt je stressniveau en verzacht je pijnperceptie.”

Gelukshormonen

Ook je emoties en je gemoedstoestand beïnvloeden hoe gevoelig je bent voor pijnprikkels, zegt Morlion. “Mensen met chronische pijn kampen logischerwijze vaker met somberheid en angst. Een vicieuze cirkel, want als je lichaam te weinig gelukshormonen aanmaakt, komen er meer prikkels door de poort. Depressie en angst vergroten daarom het risico op chronische pijn. Precies daarom zijn onze patiënten soms meer gebaat bij antidepressiva dan bij morfine. Pijn en emotie zijn sowieso sterk verweven: in de hersenen zijn dezelfde centra actief bij emotionele pijn als wanneer je met een hamer op een vinger klopt.”

“Het verklaart onder meer waarom het beschermend werkt als je op een bevlogen manier met je job bezig kan zijn. Maar dat is helaas niet voor iedereen weggelegd.”

“Simpelweg iemands hand vasthouden kan al helpen om pijn te verlichten.”

Elk van die domeinen kan je aangrijpen als hefboom om chronische pijn te verlichten, zegt Morlion. “Bovendien zijn ze met elkaar verweven en kunnen ze elkaar versterken. Slecht slapen verhoogt bijvoorbeeld niet alleen je stressgevoeligheid, het maakt je ook vatbaarder voor sombere gedachten, het doet je sneller naar ongezonde snacks grijpen, en je hebt minder energie om te bewegen – wat dan weer een negatieve impact heeft op je stemming.”

In het LAC krijgen patiënten hulp van psychomotorisch opgeleide kinesitherapeuten. “Zo’n therapeut werkt onder meer op lichaamsspanning en legt verbanden tussen negatieve emoties en wat je voelt in je lichaam.” Verder worden ook een psycholoog en een sociaal werker betrokken. “Onze psychologen passen vaak ACT toe, acceptance and commitment -therapie. Daarbij proberen we de patiënt te helpen om de focus te verleggen van volledig pijnvrij worden naar zijn of haar toestand aanvaarden en focussen op wat wel nog kan en welke zelfzorg mogelijk is.”

Een heel belangrijk aspect van een duurzame behandeling van pijn is trouwens ook afleiding in alle mogelijke vormen, zegt Morlion. “Dat komt omdat aangename prikkels de pijnpoort weer kunnen sluiten en je pijndempende systemen stimuleren. Als je je pijn hebt gedaan, wrijf je automatisch over de pijnlijke plek. Simpelweg iemands hand vasthouden kan al helpen om pijn te verlichten, net als knijpen in een stressbal, aromatherapie of muziek beluisteren – vlak na een operatie hebben patiënten tot veertig procent minder morfine nodig als ze via een koptelefoon muziek te horen krijgen. Actief musiceren werkt nog beter. Maar het allergrootste effect krijg je door in een koor te zingen. Vanwege het sociale aspect.”

Goed leven

Bart Morlion betreurt dat medische zorg bij chronische pijn – en de financiering ervan – vandaag nog altijd hoofdzakelijk gericht zijn op medisch-technische ingrepen. “Voor een ruimere aanpak is vaak pas aandacht als een

patiënt technisch gezien uitbehandeld is. Idealiter zouden wij enkele weken met een multidisciplinair team intensief bezig moeten kunnen zijn met een patiënt. Dat is de tijd die je nodig hebt om iemand weerbaarder te maken in het leven met pijn. Nu kunnen we enkel een aanzet geven. Terwijl zo’n multidisciplinaire aanpak zichzelf zou terug verdienen doordat overbodige en dure ingrepen worden vermeden.”

Maar hij eindigt op een positieve noot: “Er zijn wel degelijk manieren om meer grip te krijgen op chronische pijn. In de pijnkliniek zien we dat veel patiënten niet exact hetzelfde leven terugvinden dat ze kenden voor de chronische pijn zijn intrede deed, maar toch slagen ze erin een goed leven te leiden. De sleutel ligt in de combinatie van kleine bewuste keuzes, in je grenzen en je mogelijkheden leren kennen. Dat is geen gemakkelijke weg, maar het is een weg die je niet alleen hoeft te gaan.” ● (ivh)

“Het allerbelangrijkste bij chronische pijn is voldoende bewegen, zegt Morlion. “Niet enkel omdat er stofjes zoals serotonine en endorfines worden aangemaakt, die pijn verzachten. Maar ook omdat de pijndrempel verhoogt, de slaapkwaliteit verbetert en stress afneemt.” Foto: de therapietoren op campus Pellenberg.

Meer of minder pijn?

Eenzelfde pijnprikkel kan als meer of minder intens worden ervaren. Onderzoekers bij Gezondheidspsychologie trachten in het labo te achterhalen hoe dat in zijn werk gaat.

Pijn is biopsychosociaal bepaald, legde professor Bart Morlion al uit op de vorige pagina’s. “Het is niet zo dat psychologische factoren pijn veroorzaken”, zegt Diana Torta, cognitief neurowetenschapper en gespecialiseerd in onderzoek naar pijn. “Maar ze hebben wel een fysiologisch effect op het lichaam, en zo kunnen ze pijn versterken of verminderen.”

Het is nog niet duidelijk via welke mechanismen dat gaat: “We vermoeden dat verschillende neurotransmitters betrokken zijn, en meerdere structuren in het pijnsysteem. In ons labo proberen wij te achterhalen wat er precies gebeurt.”

Overgevoelige zenuwbanen

Dat doen professor Torta en haar collega’s met experimenten op gezonde vrijwilligers. “We dienen hen een pijnprikkel toe, bijvoorbeeld met een elektrode op de arm of door een prikje te geven. En we meten met een eeg –een elektro-encefalogram – de elektrische activiteit in de hersenen, om te zien wat de respons is op die pijnprikkel.”

Torta focust zich in het bijzonder op de toestand waarbij de zenuwbanen die pijn geleiden overgevoelig zijn geworden (zie ook artikel op pagina 30). Dat zorgt ervoor dat pijn intenser wordt ervaren, of zelfs dat prikkels die niet pijnlijk zouden mogen zijn, toch zo aanvoelen. “Dat proberen we in het labo na te bootsen door de huid te stimuleren met elektroden met een frequentie waarvan we weten dat ze een tijdelijke overgevoeligheid opwekken.”

Aandacht

Daarnaast manipuleren de onderzoekers verschillende psychologische factoren, om zo hun rol bij pijn te achterhalen. “Eén daarvan is aandacht. De hypothese is dat als je aandacht in beslag wordt genomen door iets anders, er minder pijn wordt ervaren. We vroegen ons af of dat ook betekent dat er minder snel zo’n overgevoeligheid van het pijnsysteem optreedt.”

“De uitkomst van ons onderzoek was niet zo eenduidig”, zegt Torta. “De aandacht afleiden bleek te werken, maar niet zozeer wanneer een overgevoelig systeem werd nagebootst. Is dat omdat de pijnprikkel te intens was? Ons vermoeden is dat de aandacht vooral moet worden getrokken door iets dat plezierig is. Dat willen we dus nog verder uitzoeken.”

Aanmoediging

“Wie weinig pijn verwachtte, bleek ook minder pijn te ervaren.”

Voor twee andere factoren vonden de onderzoekers wel sterke aanwijzingen. Met stip op één: sociale steun. “Als de proefpersonen werden aangemoedigd terwijl ze een pijnprikkel toegediend kregen, rapporteerden ze minder pijn en werd er minder overgevoeligheid ontwikkeld. Is er een verminderde fysiologische respons, dankzij de geruststellende aanwezigheid van iemand anders? Dan hebben we het over het effect op de zenuwbanen die pijn richting hersenen geleiden. Of gaat er een verdovende werking uit van de sociale steun? Dan gaat het over de zogenaamde dalende zenuwbanen, van hersenen richting ruggenmerg.”

In een ander experiment krijgen de proefpersonen vooraf te horen dat ze veel of net weinig pijn zullen ervaren. “Als de proefpersonen weinig pijn verwachtten – placebo – had dit een temperend effect op het ervaren van pijn en het ontwikkelen van overgevoeligheid. Voor het omgekeerde effect, nocebo, waren onze resultaten niet zo eenduidig. Als er al een overgevoeligheid bestaat, lijken bijkomende negatieve verwachtingen niet meer uit te maken. Tegelijk ervaart ook de – niet overgevoelig gemaakte – controlegroep meer pijn als er meer pijn verwacht wordt.”

Hot topic

“We bestuderen nog heel wat andere factoren die mogelijk een rol spelen bij het ervaren van pijn en het ontwikkelen van overgevoeligheid”, zegt Torta. “Stress bijvoorbeeld. En een hot topic momenteel is het verband met geslacht; vrouwen zouden vatbaarder zijn. We hebben een metaanalyse uitgevoerd op dertig van onze studies, maar tot onze verbazing kwam daaruit niet het verband dat de literatuur laat zien. Mogelijk delen onze proefpersonen bepaalde karakteristieken – zoals jonge leeftijd – die ook meespelen?”

Pijn is nu eenmaal een heel complex gegeven, besluit Torta. Maar ook een heel relevant: “Zo’n acht tot tien procent van de beroepsbevolking kan niet meer werken als gevolg van chronische pijn. Dat is aanzienlijk. Maar daarnaast maakt iedereen weleens een periode door met pijn. Pas vanaf drie maanden spreken we van chronische pijn, maar ook als je enkele weken met pakweg hevige rugpijn zit, heeft dat een grote impact op je levenskwaliteit.” ● (ivh) —

In het labo van Gezondheidspsychologie proberen onderzoekers te achterhalen welke psychologische factoren pijn versterken of verminderen. Dat doen ze door gezonde vrijwilligers in diverse omstandigheden een pijnprikkel toe te dienen en vervolgens de elektrische activiteit in de hersenen te meten.

DROOMJOB — Verhalen vlechten voor kijkers en luisteraars

“Een fichebak die ik vaak opentrek”

Als researcher voor VRT, maar ook als muzikant en songschrijver, haalt Gianni Marzo (52) geregeld inspiratie uit zijn opleiding klassieke filologie.

oor kerst van mijn ouders gekregen”, zegt Gianni Marzo, wijzend naar een nieuw biografisch werk over Julius Caesar boven op een stapeltje boeken. Vader en moeder – beiden in hun jeugd vanuit Italië naar Limburg gemigreerd – gaven hem de liefde voor de klassieke cultuur en voor verhalen met de paplepel mee. “Mijn grootouders ook trouwens. De herinnering aan een ‘coming of age’-verhaal over een jonge ridder dat mijn opa vaak vertelde, geeft me nog altijd kippenvel.”

Intussen kreeg de jonge Gianni ook de smaak voor muziek te pakken. “Toen ik in het vijfde middelbaar zat, begon ik een bandje met enkele gelijkgestemde zielen. In een repetitiehok een paar rudimentaire noten aanslaan op mijn gitaar, de zanger die daarop begint te zingen … Voor het eerst voelde ik: ‘Dit is muziek.’”

Op het Sint-Jan Berchmanscollege in Genk had Marzo meteen een klik met Latijn, vanwege de link met het Italiaans. “Toen ik in mijn apenjaren kwam en het op school wat minder ging, bleven mijn punten voor Latijn en Grieks op niveau. Het was mijn moeder die zei: ‘Waarom ga je geen klassieke filologie studeren? Zo’n mooie richting!’”

Magnifieke metamorfosen

Marzo volgde het moederlijk advies. De juiste beslissing, vindt hij ook vandaag nog, waarbij hij met name denkt aan de vakken die zijn verhalenhonger stilden. “De colleges over Latijnse en Griekse auteurs waren intens – het was véél leerstof – maar erg mooi. De gedichten van Catullus, de tragedies van Sofokles … Vooral de Metamorfosen van Ovidius vond ik fantastisch.” Marzo bewaart ook goede herinneringen aan de lessen van professor Hans Hauben over oud-Romeinse religie. “Hij legde de lat hoog, maar deed dat met warmte en humor. Ik heb mijn thesis bij hem gemaakt, over Faunus: een in oorsprong oudRomeinse god die tussen wildheid en beschaving stond en die zowel angst inboezemde als inspireerde.”

Hoewel zijn jaren in Leuven soms iets van een odyssee hadden, met de nodige beproevingen, wist Marzo de opleiding met succes en met een goed gevoel af te ronden. Na eerste werkervaringen in de socioculturele sector

– onder meer bij het Minderhedenforum – ging hij bij de VRT aan de slag, aanvankelijk als stafmedewerker diversiteit, vervolgens als redacteur en researcher. Hij werkt er mee aan programma’s met een maatschappelijke en culturele inslag, zoals Alleen Elvis blijft bestaan, Kinderen van de migratie en Belpop.

Mede dankzij zijn studie weet hij welke ingrediënten je nodig hebt voor een sterk verhaal, zeker als het gaat over zijn andere liefde: de muziek. “Toen we vorig jaar een docu maakten over vijftig jaar Rock Werchter, gingen we op zoek naar anekdotes die je raken, zoals het verhaal achter het optreden van Suzanne Vega in 1999. Ze was net gescheiden en moest als single mom een inkomen genereren. Geld voor een begeleidingsband was er niet, ze nam alleen haar bassist mee. Met een klein hartje liep ze het podium op, en wat gebeurde er: de mensen droegen haar op handen.”

Zijn kennis over de klassieke oudheid komt geregeld van pas in zijn job. “In het vorige seizoen van Een nacht in het museum draaide één van de afleveringen rond het schilderij De dood van Marat van Jacques-Louis David. Het was tijdens zijn verblijf in Italië en meer bepaald tijdens een bezoek aan Pompeï dat de jonge David begreep wat hij als schilder moest doen. Voor die aflevering heb ik de fichebak met alles wat ik over Pompeï geleerd had tijdens mijn opleiding helemaal kunnen opentrekken.”

De liefde voor de oudheid helpt Marzo soms ook om banden te smeden. “Ik denk aan Joost Zweegers van Novastar, over wie we een Belpop-aflevering hebben gemaakt. Joost is een echte geschiedenisfreak. Het was heerlijk om samen een eindje te ouwehoeren over de oudheid als de camera’s uitstonden.”

Met een omweg

Zoals hij verhalen in elkaar vlecht voor tv, zo doet Marzo dat ook met muzikale motieven, als gitarist bij de bands Marble Sounds en Isbells: klinkende namen voor melancholische melomanen. Enkele jaren geleden stapte de bescheiden muzikant zelf voor het voetlicht, met zijn soloplaat The Vessel, die gekruid is met elementen uit de oudheid en de mythologie. “Er staat een nummer op dat ‘Leviathan’ heet, en in de teksten komt geregeld een klassieke term voorbij. Eén van de eerste liedjes die ik ooit schreef ging trouwens over de val van Icarus.”

Koestert hij ook de ambitie om een boek te schrijven? “Ik doe dingen vaak met een omweg – ik ben niet opgeleid als journalist, maar op mijn manier ben ik tv-maker geworden. Of het me ooit zal lukken om een boek te schrijven, weet ik nog niet, maar dat idee spookt wel geregeld door mijn hoofd.”

Wie weet ligt er binnenkort dus een eigen boek boven op het stapeltje. ● (rvh)

De kracht van samen schenken

“Het was zo’n oud, steil oplopend auditorium. Achter de hoge rugleuning van de banken kon je je goed verstoppen. Sommigen zaten tijdens de les achterin de krant te lezen.” De herinneringen komen spontaan naar boven bij alumni geneeskunde Hilde Valgaeren en haar oom Herman wanneer ze het vroegere Heelkunde Auditorium binnenstappen. Vandaag is het nog een stoffige werf, maar vanaf 11 december zal het opnieuw tot leven komen, als het nieuwe Vesalius Museum zijn deuren opent.

Dokters Herman en Hilde

Valgaeren flankeren professor Tinne Claes van Vesalius Museum.

Toen Hilde in de nieuwsbrief voor alumni las dat het historische Heelkunde Auditorium gerestaureerd zou worden en dat je symbolisch een zitje kon kopen, aarzelde ze geen moment.

Om de restauratie van het auditorium financieel te steunen worden symbolisch zitjes te koop aangeboden. De familie Valgaeren kocht er twee. Samen met bijna tweehonderd andere schenkers maakten ze van deze crowdfunding een succes. Ook student Emeric Bomans ervaarde wat samen schenken kan betekenen: zijn actie tijdens de Antwerp Marathon ten voordele van het Leuven Kankerinstituut bracht een recordbedrag op en bezorgde hem een van de meest inspirerende dagen van zijn leven.

Vier generaties

De Valgaerens vormen een bijzondere artsenfamilie. Hun verhaal strekt zich uit over een volle eeuw geneeskunde: negen telgen van vier generaties stapten in dezelfde opleiding aan KU Leuven, telkens in een compleet andere medische wereld. Grootvader Juul studeerde af in 1927, bekwaamde zich tot neus-, keel- en oorarts en had een huisartspraktijk in Mol. Antibiotica waren nog maar net ontdekt en zouden pas na de Tweede Wereldoorlog op de markt komen. “Tot dan stierven mensen aan een gewone longontsteking. Voor dokters, zoals mijn vader, was het verschrikkelijk dat ze niets konden doen”, herinnert zoon Herman zich.

Drie van de elf kinderen traden in hun vaders voetsporen. Herman nam de praktijk van zijn vader over. Twee oudere broers werden respectievelijk cardioloog en gastroenteroloog. Kleindochter Hilde is anesthesist, haar zus koos voor gastro-enterologie. Anno 2026 volgen drie jonge mensen van de vierde generatie een artsenopleiding of specialisatie. “Toen wij studeerden, waren immunologie en oncologie sterk in opkomst”, herinnert Hilde zich. “De kennis over de structuur van DNA was relatief nieuw en legde de basis voor de moderne moleculaire biologie.” Herman vult aan: “Vandaag bestaan er behandelingen waar we toen alleen van konden dromen. Ook de diagnostiek is enorm geëvolueerd dankzij nieuwe technologie en onderzoeksmethoden.”

Kansen krijgen en teruggeven

Toen Hilde in de nieuwsbrief voor alumni las dat het historische auditorium gerestaureerd zou worden en dat je symbolisch een zitje kon kopen, aarzelde ze geen moment. Voor haar en haar familie was dit een unieke kans: een manier om erfgoed te bewaren dat academische én persoonlijke betekenis draagt. “Als het aan mij lag zou elk historisch waardevol gebouw bewaard blijven”, lacht Hilde.

“We wilden de historische sensatie van het auditorium bewaren.”

Voor Herman is het ook een vorm van maatschappelijk engagement: “Wij hebben veel kansen gekregen en zijn in de mogelijkheid om iets terug te geven, niet alleen via ons beroep maar ook vrijwillig. Je inzetten voor de gemeenschap zit in het DNA van onze familie.”

Studenten rond het bed

Het auditorium is een plek waar generaties Leuvense artsen gevormd werden, gedurende bijna honderd jaar. De karakteristieke T- vorm van de ruimte verraadt zijn

oorspronkelijke functie: dit was geen zaal waar studenten naar een bord keken, maar een plek voor directe ontmoeting met de patiënt. In de eerste helft van de twintigste eeuw werden ziekenhuispatiënten letterlijk in hun bed het auditorium binnengereden voor live gevalstudies. Oude foto’s tonen hoe studenten rond het bed zaten, een krachtige herinnering aan de nauwe verwevenheid tussen zorg, onderwijs en klinische praktijk.

In het nieuwe museum krijgt het auditorium een uitgesproken hedendaagse invulling. Geen onderwijs, maar interactieve lezingen, debatten en evenementen rond gezondheidszorg voor een breed publiek, gelinkt aan de lopende tentoonstellingen in Vesalius Museum.

Blikvanger is een dissectietafel met een volledig digitaal lichaam die binnengereden kan worden op dezelfde plaats waar vroeger patiënten werden ‘gepresenteerd’. Een subtiele knipoog naar de geschiedenis, in combinatie met innovatieve technologie, aldus professor Tinne Claes, academisch directeur van Vesalius Museum.

Emotionele waarde

Opmerkelijk genoeg was het auditorium niet officieel beschermd als erfgoed, in tegenstelling tot de rest van het gebouw. Toch kozen de technische diensten van KU Leuven ervoor om het te restaureren alsof dat wél zo was. Met oog voor detail en respect voor materialen –en in het volle besef dat deze ruimte voor velen een betekenisvolle plek is. “We wilden de historische sensatie bewaren, het gevoel dat je binnenstapt in een ruimte met een rijke geschiedenis waar verhalen samenkomen”, zegt Tinne Claes.

En die verhalen zijn talrijk. Vele alumni en professoren bewaren warme, soms ontroerende herinneringen aan de houten zitbanken. Van koppels die elkaar ontmoetten ‘op zitje 82 en 83’, tot anekdotes over proffen en lessen: het auditorium is niet alleen een historische getuige van geneeskundig onderwijs, maar heeft ook emotionele erfgoedwaarde.

De crowdfundingcampagne bracht intussen al 170.000 euro op, vertelt professor Claes: “Met de steun van het brede publiek restaureren we het auditorium en geven het zo op een hedendaagse manier terug aan de gemeenschap.” Zelfs de zitkussentjes vertellen een betekenisvol verhaal. Ze worden vervaardigd door een sociaal atelier binnen MAAKbar, een Leuvense organisatie die duurzaamheid hoog in het vaandel draagt.

Uit vriendschap

Waar de familie Valgaeren eer betuigt aan een lange familietraditie, begon derdejaarsstudent geneeskunde Emeric Bomans vanuit een heel andere motivatie met een crowdfundingactie. Emerics vriend en kotgenoot Anthony leed aan een agressieve vorm van hersenkanker. In april vorig jaar kreeg de vriendenkring te horen dat de ziekte in een terminaal stadium was.

“Dat nieuws kwam als een enorme schok”, vertelt Emeric. “Maar tegelijk was het ook ongelooflijk inspirerend om te zien hoe Anthony daarmee omging. Hij straalde een soort filosofische rust uit, een warme energie, zelfs in de moeilijkste momenten. Hij heeft mij doen beseffen wat een privilege het is om gezond te zijn en plannen te kunnen maken.” Die gedachte werd Emerics drijfveer om iets betekenisvols te doen.

Golf van solidariteit

Emeric wilde Anthony tonen hoeveel mensen, ook onbekenden, met hem meeleefden, en tegelijk geld inzamelen voor kankeronderzoek. Hij lanceerde Run for Tomorrow, en wat volgde was een golf van solidariteit: tientallen bedrijven en honderden sympathisanten sprongen mee op de kar. Maar liefst 160 lopers schreven zich namens Run for Tomorrow in voor de Antwerp Marathon in het najaar van 2025. Uiteindelijk zouden ze samen meer dan 46.000 euro bijeenbrengen voor het Leuven Kankerinstituut.

De inspanningen culmineerden in een onvergetelijke marathondag. Emeric straalt als hij eraan terugdenkt: “Die sfeer was ongelooflijk. Zoveel mensen die voor hetzelfde doel liepen, die positieve energie, dat gevoel van verbondenheid … Zelden heb ik zo duidelijk gevoeld wat het betekent om samen iets te dragen dat veel groter is dan jezelf.” De marathondag noemt Emeric een van de meest inspirerende dagen van zijn leven: een dag waarop hij besefte wat er mogelijk wordt wanneer jongeren elkaar mobiliseren rond een gedeeld engagement.

Volgend jaar nog groter?

Run for Tomorrow smaakt naar meer. Emeric werkt intussen aan de oprichting van een vzw en een volwaardig team om het initiatief duurzaam te maken. Het opzet blijft hetzelfde: jongeren samenbrengen rond een goed doel en zo kracht geven aan onderzoek dat nieuwe hoop kan bieden. “Studenten zijn energiek, gemotiveerd en vaak sportief”, zegt hij. “Ik geloof enorm hard in het potentieel van door studenten gedragen goede doelen. En ik ben ervan overtuigd dat we volgend jaar nog groter kunnen gaan met Run for Tomorrow.”

Of het nu gaat om een artsenfamilie die erfgoed wil bewaren, een student die kankeronderzoek vooruit wil helpen of één van de vele andere initiatieven: crowdfunding kan heel veel betekenen binnen KU Leuven. Altijd gaat het om mensen met een warm hart verbinden met elkaar en met een concreet gezamenlijk doel. Zo wordt elke schenker met elke gift deel van een groter verhaal. ● (vh)

Zelf een project steunen of een actie starten? Ontdek het op steun.kuleuven.be/crowdfunding

“Anthony inspireerde ons om iets betekenisvols te doen.”

De sfeer onder de sympathisanten van Run for Tomorrow tijdens de Antwerp Marathon was ongelooflijk, vertelt initiatiefnemer Emeric Bomans. “Zelden heb ik zo duidelijk gevoeld wat het betekent om samen iets te dragen dat veel groter is.”

BEZOEKER — Ilja Leonard Pfeijffer over de kritieke toestand van de democratie

“Europa zit verwikkeld in een overlevingsstrijd. We moeten nú handelen.”

Dat hij heimwee heeft naar zijn vroegere optimisme, bekent Ilja Leonard Pfeijffer. Een wat somber statement, maar één dat te begrijpen valt. De Nederlandse successchrijver boog zich twee jaar lang over het politieke wereldtoneel, en zag maar weinig om vrolijk van te worden. Wel hield hij er vijftig boeiende essays aan over, die hij bundelde in Absolute democratie, een boek waarmee hij langs universiteiten trok om er in gesprek te gaan met studenten. “Als er iéts is waar ik hoop uit put, dan is het de jonge generatie.”

Met zijn Italiaanse maatpak, bontjas en zonnebril is Ilja Leonard Pfeijffer een imposante verschijning. Maar hij heeft ook zijn postuur mee. De schrijver torent hoog boven ons uit en bij het begroeten verdwijnt onze hand haast volledig in de zijne. Later die dag wordt Pfeijffer verwacht in een aula vol studenten, maar voor het zover is gunt hij ons de tijd om met hem te praten over de essaybundel die de aanleiding vormt voor zijn ‘college tour’ door Vlaanderen en Nederland.

Absolute democratie is een bundeling van de ‘kronieken’ die Pfeijffer tweewekelijks schreef voor De Morgen. In zijn typerende stijl – breedsprakerig en ironisch, ernstig en diepgaand – analyseert hij daarin de geopolitieke ontwikkelingen. Zijn voornaamste conclusie? We staan op een keerpunt in de geschiedenis. Onze westerse democratie wankelt, verworven waarden zijn niet meer vanzelfsprekend, en Europa ziet zich op meer dan één front bedreigd.

Voor Pfeijffer zijn de essays het logische vervolg op zijn roman Alkibiades (2023), die zich afspeelt in het Athene van de vijfde eeuw voor Christus, een periode waarin de roemrijke democratie er in verval raakte. “Ik wilde met die roman iets zeggen over de huidige wereldsituatie”, duidt hij. “Die lijkt in veel opzichten op wat eeuwen geleden in Athene gaande was. Angstaanjagend veel, zelfs. Ook toen heerste er verdeeldheid en had je populisten die daar misbruik van maakten. Die beweerden namens het hele volk te spreken, en die de democratie ontmantelden in naam van de democratie, met alle gevolgen van dien …”

Volkswil

De zorgen die Pfeijffer in Alkibiades uitte werden bevestigd door de recente actualiteit. “Net daarom wilde ik die essays schrijven”, vertelt hij. “Ik begon eraan in 2024 – het jaar waarin meer dan de helft van de wereldbevolking naar de stembus trok. Het was de verwachting dat er weleens spectaculaire verschuivingen zouden kunnen optreden, en dat we aan het eind van dat jaar in een andere wereld zouden leven. Dat is – met name door de herverkiezing van Trump – helaas bewaarheid geworden. Dat alles wilde ik volgen, documenteren, analyseren, en begrijpen.”

Volgens Pfeijffer wordt ons democratisch bestel, met een grondwet en een scheiding der machten, uitgedaagd door een alternatief model: de ‘absolute democratie’. Een dictatuur van de meerderheid, die voornamelijk weerklank vindt bij populistische politici en hun kiespubliek.

“Voor aanhangers van dat model is het summum van democratie dat de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht samenvloeien in de persoon die de verkiezing heeft gewonnen”, zegt hij. “Zij zien dat als niet meer dan logisch – de ultieme uitdrukking van de volkswil. Trump is een duidelijk voorbeeld van zo’n absolute democraat. Iemand die vindt dat hij op elk vlak vrij spel zou moeten krijgen, omdat hij nu eenmaal is verkozen. Ook Geert Wilders of Tom Van Grieken zullen zich in die term herkennen, zonder er aanstoot aan te nemen.”

“Het is dus belangrijk om te beseffen dat er vandaag twee diametraal tegenovergestelde opvattingen bestaan over wat het betekent om in een democratie te leven of over wat een democratie zou moeten zijn. Vreemd genoeg gaat het daar nooit over. Er is geen debat.”

“Je mag een democratie niet als vanzelfsprekend beschouwen.
Dan gaat het mis.”

Beide kampen vinden bovendien dat zij de ware democraten zijn, en dat de anderen een gevaar vormen voor de democratie, zegt Pfeijffer. “Je hebt mensen zoals ik, die zich zorgen maken omdat de rechtstaat in veel landen wordt bedreigd. En je hebt anderen, zoals de aanhangers van Trump, die vinden dat de winnaar van de verkiezingen in de VS wordt gedwarsboomd door regeltjes, uitspraken van niet-verkozen rechters, of wereldvreemde bureaucraten … Maar het feit dat die opvattingen naast elkaar bestaan, en dat ze allebei weerklank vinden, wil niet zeggen dat ze gelijkwaardig zijn. Een absolute democratie kan heel snel ontaarden in een dictatuur.”

Pasta al dente

In zijn ‘tweede thuisland’ Italië mocht Pfeijffer al ondervinden hoe democratische instellingen sluipenderwijs kunnen worden ondergraven. Meer dan eens heeft hij het in zijn essays over het beleid van premier Giorgia Meloni en haar radicaal-rechtse partij Fratelli d'Italia. Zo schrijft hij dat politieke tegenstanders en kritische stemmen in de pers monddood worden gemaakt, dat Meloni plannen heeft om haar controle op justitie te verstevigen, en dat ze hoopt op een grondwetswijziging die haar als premier meer macht zou kunnen opleveren.

“Meloni rolt een agenda uit om de democratie te verzwakken, naar het model van haar goede vriend en voorbeeld Viktor Orbán”, vertelt Pfeijffer. Al voegt hij er meteen aan toe dat hij daar als inwoner van Genua maar weinig hinder van ondervindt. Of zoals hij het zelf verwoordt in Absolute democratie: ‘De zon schijnt, de pasta is perfect al dente en het is angstaanjagend eenvoudig om te negeren dat de democratie langzaam maar zeker ontmanteld wordt.’

“Het gaat met hele kleine stapjes, die elk apart niet héél verontrustend zijn, maar die als geheel wel impact hebben”, zegt Pfeijffer. “Dat ik er zelf weinig van merk, komt omdat ik niet tot de bevolkingsgroepen behoor die Meloni viseert. Bovendien moet je in Italië erg je best doen om je te informeren. In het begin van haar ambtstermijn heeft Meloni veel energie gestoken in het onder controle brengen van de pers. Je hebt nog wel enkele onafhankelijke kwaliteitskranten, maar de publieke opinie wordt vooral gevoed door televisie. De openbare omroep Rai is inmiddels omgevormd tot een propagandakanaal, en de commerciële zenders waren sowieso al rechts … Daardoor is er weinig kritiek te horen en krijg je de indruk dat er niet zoveel aan de hand is.”

In buitenlandse media komt Meloni wellicht nog vrij gematigd over, zegt Pfeijffer. “Bij haar aantreden als premier liet ze haar anti-Europese agenda vallen, en stelde ze zich meteen op als een trouwe bondgenoot van de EU en de NAVO. Op Europees vlak lijkt ze dus de redelijkheid zelve, maar ze heeft twee gezichten. Als ze haar partijgenoten toespreekt, is ze nog steeds bikkelhard. Ze zal de harde kern van haar neofascistische aanhang nooit teleurstellen.”

Dat alles is ook voor ons weinig hoopgevend, of toch als we Pfeijffer moeten geloven. Niet geheel zonder ironie noemt hij Italië ‘het land van de politieke avant-garde’. —

Ilja Leonard Pfeijffer: “De economische ongelijkheid neemt vormen aan die niet meer zijn vol te houden. Dát is de onrechtvaardigheid die mensen treft.”

“De EU heeft nood aan meer zelfbewustzijn én zelfvertrouwen.”

“Helaas zijn het wel de vervelende dingen die er het eerst gebeuren”, zegt hij. “Wie een idee wil krijgen van de toekomst die ons te wachten staat, moet naar Italië kijken. Mussolini had het fascisme bedacht, voor Hitler met een variant kwam. Berlusconi leverde als populist en mediatycoon de blauwdruk voor Trump. En nu is Italië het eerste land in Europa met een neofascistische leider – haar partij komt rechtstreeks voort uit die van Mussolini, zelfs het partijsymbool is hetzelfde ...”

Muf en onsexy

Niet enkel in Italië, ook in de rest van Europa zijn radicaal-rechtse populisten al jaren aan een opmars bezig. Waarin schuilt de aantrekkingskracht van dat extreme gedachtegoed?

“Mensen beschouwen de maatschappij als onrechtvaardig”, zegt Pfeijffer. “En daar hebben ze gelijk in, maar de ware oorzaken blijven op de achtergrond. Extreemrechts speelt in op het heersende ongenoegen, en biedt een makkelijke oplossing. Een zondebok, in de vorm van asielzoekers of de woke-beweging. Dat is aantrekkelijk, want ‘helder’. Tegelijkertijd is er de belofte van verandering. De terugkeer naar een periode waarin de problemen er nog niet waren – een mythisch tijdperk dat misschien nooit echt heeft bestaan. Die belofte vindt weerklank, omdat ze ook een soort bevrijding belichaamt. Dat spreekt aan.”

Pfeijffer wijst ook met een beschuldigende vinger naar de traditionele linkse partijen, die er al lang niet meer in slagen een antwoord te bieden op de zorgen van de kiezer. ‘Links heeft geen verhaal’, schrijft hij onomwonden. ‘Het is muf en onsexy, als de afgedragen jas van je opa.’

“De belofte van verandering is in het verleden altijd belichaamd geweest door links”, zegt hij. “Maar vandaag worden de sociaaldemocraten niet geheel onterecht gezien als representanten van de status quo, en zijn ze hun geloofwaardigheid verloren. Dat is al zo sinds de jaren negentig, na de val van de Muur, toen ze de liberale markteconomie hebben omarmd en hun idealen hebben laten varen. Het kapitalistische systeem wordt niet meer in vraag gesteld. In de hoop om kiezers te lokken schuiven veel partijen zelfs mee op naar rechts …”

Toch hebben we links vandaag heel erg nodig, zegt Pfeijffer. “En je ziet dat er ook een publiek voor is. Partijen die wél de moed hebben om kritisch te zijn voor het systeem, krijgen een groot electoraal appeal. Dat zag je in de VS bij Bernie Sanders, die opriep om Wall Street te sluiten, en bij Zohran Mamdani, die is verkozen tot

burgemeester van New York met een ronduit socialistisch programma. Maar ook dichter bij huis – denk aan het succes van de PVDA bij de laatste gemeenteraadsverkiezing in Antwerpen.”

Twee opties

Het mag intussen duidelijk zijn: Pfeijffer loopt niet hoog op met het kapitalisme. Hij ziet er de oorzaak in van het gros van de problemen in onze westerse samenleving. Tegenstanders zouden in hem een communist kunnen vermoeden, maar daar ligt hij niet wakker van.

“Ik vind communist geen scheldwoord”, lacht hij. “Zoals ik al zei: de onvrede die heerst is terecht. Alleen ligt de oorzaak ervan niet bij asielzoekers, zoals extreemrechts beweert. Heel veel problemen vandaag komen voort uit de ongebreidelde vrije markt. Alleen al de toenemende ongelijkheid. Er zijn steeds minder winnaars en steeds meer verliezers. Steeds grotere verschillen tussen rijke en arme landen, en tussen rijke en arme inwoners van die landen … Uit een berekening van Oxfam blijkt dat de rijkste acht mensen ter wereld evenveel bezitten als de armste helft van de wereldbevolking. De ongelijkheid neemt vormen aan die niet meer zijn vol te houden. Dát is de onrechtvaardigheid die mensen treft.”

“Een ander evident voorbeeld is de klimaatcrisis”, zegt Pfeijffer. “Zeker daar lopen we tegen de grenzen aan van oneindige economische groei. Die valt nu eenmaal niet vol te houden op een in omvang eindige planeet. Je hebt natuurlijk optimisten die denken dat we met technologie de problemen zullen kunnen oplossen, maar volgens mij is het daar al te laat voor. Ik zie twee mogelijkheden. Of we beginnen te handelen en evolueren naar een soort degrowth, waarbij we minder produceren en consumeren. Of we blijven doorgaan op de oude voet en hópen dat die innovatie er komt … In dat laatste heb ik niet zoveel vertrouwen.”

Aartsmoeilijke opdracht

In Absolute democratie schuift Pfeijffer enkele maatregelen naar voren om de problemen die hij schetst aan te pakken. Hij pleit onder meer voor een regulering van de vrije markt, een verbod op beursspeculatie, en de invoering van een basiskomen. Acht hij dat alles haalbaar?

“Laat ons het eerst even eens worden over de diagnose, en die ideeën naar voren schuiven”, zegt hij. “Daarna kunnen we gaan nadenken over draagvlak.”

“Het belasten van de superrijken lijkt me een logische eerste stap. Dan zijn we er nog niet, maar het zou al erg helpen. Idem dito voor een basisinkomen, waar je eventueel nog wat bij kan verdienen. Daarnaast denk ik dat het noodzakelijk is om bepaalde nutsbedrijven te nationaliseren. Ik vind het heel raar dat fundamentele levensbehoeften zoals drinkwater, elektriciteit of zorgverlening vandaag in privéhanden zijn, gedicteerd door winstbejag. Nationaliseren heeft een slechte naam gekregen, maar eigenlijk betekent het niets anders dan ‘onder democratische controle brengen’. En de democratie, dat zijn wij allen.”

Met die democratie doelt Pfeijffer in de eerste plaats op de Europese Unie, die hij ‘het laatste bastion van de vrijheid’ noemt. Al staat Europa ook voor een aartsmoeilijke opdracht, zegt hij.

“Het komt erop aan te overleven. We worden vandaag niet alleen bedreigd door een militaire macht in het oosten, maar ook door onze voormalige bondgenoot in het westen. Om te kunnen blijven bestaan, moeten we ons omvormen tot een geloofwaardige wereldmacht, en een echte eenheid vormen. We hebben nood aan meer zelfbewustzijn én zelfvertrouwen. Europa moet beseffen dat het voor geen enkele andere wereldmacht hoeft onder te doen. Tenminste, als we de droeve taak volbrengen om onze situatie op militair vlak aan te pakken. En dan komt het erop aan om onze voorbeeldfunctie serieus te nemen. Als we daadwerkelijk het laatste bastion zijn van vrijheid, democratie en rechtvaardigheid, dan moeten we daar ook naar leven. Dat is de laatste jaren niet zo goed gegaan, kijk bijvoorbeeld naar onze houding tegenover Gaza.”

Ilja Leonard Pfeijffer: “De problemen vandaag zullen niet worden opgelost door de huidige generatie machthebbers, leiders en politici. De enige hoop ligt bij de volgende generatie.”

Weldenkende vijand

Meer dan 300 studenten zullen vanavond afzakken naar de Aula Pieter De Somer voor het debat met Pfeijffer, gemodereerd door professor Europese politiek Steven Van Hecke, en met een inleiding van professor kunstgeschiedenis Barbara Baert. Tijdens zijn ‘college tour’ wil Pfeijffer zijn inzichten delen met studenten, maar evengoed is hij benieuwd naar hun kijk op het huidige tijdsgewricht.

“Ik vind het belangrijk om over dit alles in gesprek te gaan”, zegt hij. “In het bijzonder met jongeren, want het wordt me steeds duidelijker dat de problemen die ik beschrijf niet zullen worden opgelost door de huidige generatie machthebbers, leiders en politici. De enige hoop is gevestigd op de volgende generatie. En dan bén ik ook hoopvol. Ik vind het geweldig om te zien hoe betrokken en geïnformeerd studenten tijdens die debatten zijn.”

“Universiteiten hebben sowieso een belangrijke rol te spelen in de strijd tegen het oprukkende autoritaire gedachtegoed. Wetenschap is, net als de vrije pers, de aartsvijand van het populisme. Zodra er een populist aan de macht komt vormen wetenschap en pers het eerste doelwit. Trump heeft meteen de Amerikaanse universiteiten aangevallen. Logisch, want als je een bewind voert bij de gratie van onwaarheden en alternatieve feiten, dan vormen wetenschap en weldenkende mensen een gevaar voor je voortbestaan. We hoeven niet opeens allemaal colleges te gaan geven over populisme, maar het is wel belangrijk om jonge mensen kritisch te leren denken.”

Wat is de belangrijkste les die Pfeijffer hen wil geven? “Dat een democratie moeilijk is, en arbeidsintensief. Ze is nooit af: je moet eraan blijven werken. Het gaat mis wanneer je een democratie als vanzelfsprekend gaat beschouwen. Dat moeten we zien te voorkomen.” ● (pjb)

“Oneindige economische groei valt niet vol te houden op een in omvang eindige planeet.”

Tweeduizend muggen onder de loep

Microbiologe Karelle Celes bestudeerde zo’n tweeduizend muggen uit haar thuisland Kameroen. Die bleken bijna honderd virussen mee te dragen, waaronder een tiental tot nog toe onbekende soorten. Dat hoeft gelukkig geen slecht nieuws te zijn voor wie geprikt wordt.

Zika, dengue, gele koorts … Tientallen ziekmakende virussen worden door muggen op mensen overgedragen. Ook in Kameroen zijn die zogenaamde arbovirussen wijdverspreid, vertelt Karelle Celes Mbigha Donfack (28). De voorbije jaren onderzocht ze welke virussen en andere micro-organismen muggen in haar geboorteland met zich meedragen.

Karelle studeerde microbiologie in haar thuisstad Buea, aan de voet van Mount Cameroon. “Kameroen is één van de meest geletterde landen in Afrika. Bijna elke regio heeft er een universiteit, en studeren is betaalbaar. Als je gemiddeld twaalf op twintig haalt, krijg je aan staatsuniversiteiten bovendien je inschrijvingsgeld terug.”

In 2020 begon Karelle, met de steun van het Global Minds-programma van VLIR-UOS, aan een doctoraatsonderzoek aan KU Leuven. “Ik was een sandwichstudent. De ene helft van het jaar deed ik veldwerk in Kameroen, samen met het Molecular and Cell Biology Laboratory aan de universiteit van Buea. De andere helft werkte ik in het Labo voor Virale Metagenoma aan het Rega Instituut in Leuven.”

Wat Karelle wilde blootleggen was het microbioom van de Aedes-mug in Kameroen: “Het microbioom omvat alle micro-organismen die muggen, net zoals mensen, met zich meedragen. Bacteriën, schimmels, virussen … Ik was vooral geïnteresseerd in het viroom, de virussen dus. Dat kunnen arbovirussen zijn, die mensen kunnen infecteren, maar ook insect-specifieke virussen die niet op de mens kunnen worden overgedragen.”

Geen wapens

Samen met een collega ging Karelle op muggenjacht in verschillende streken van Kameroen. “Het bijzondere aan Kameroen is de enorme diversiteit – het land telt maar liefst vijf verschillende klimaatzones. Daardoor zijn zowat alle muggensoorten die voorkomen in Afrika ook in Kameroen te vinden. We verzamelden muggen in acht regio’s, gedurende het regenseizoen, en dat drie jaar na elkaar.”

Voor ze op pad gingen trokken de onderzoekers zwarte beschermende kleding aan – de muggen die ze zochten worden aangetrokken door donkere oppervlakken. “Af en toe werden we gestoken, maar ik ben opgegroeid met die muggen; ik ben eraan gewend en niet heel bang. Om de muggen te vangen gebruikten we vallen, maar ook een apparaat dat de muggen uit de lucht zoog. Het werkte als een stofzuiger maar zag eruit als een wapen; we hebben meer dan eens vreemde blikken gekregen van lokale bewoners.”

De muggen werden in een fles met vloeibare stikstof naar België vervoerd. Daar begon het echte werk. “Ik analyseerde meer dan tweeduizend muggen, één voor één. Onder de microscoop bepaalde ik de soort en het geslacht van elk exemplaar. Vervolgens haalde ik er het virale DNA en RNA uit, met een speciale techniek die aan ons labo ontwikkeld werd.”

Virus als preventie

Aedes-muggen in Kameroen hebben een bijzonder rijk en divers viroom, ontdekte Karelle. In totaal identificeerde ze maar liefst 95 virussen. “Tien daarvan waren nog nooit eerder beschreven. Ik gaf ze een naam op basis van de vindplaats. Bafoussam mosquito virus bijvoorbeeld. We weten eigenlijk niet of die virussen de muggen doden of ziek maken. Misschien helpen sommige de mug net om te overleven?”

Tot haar verbazing trof Karelle geen arbovirussen aan in de muggen die ze analyseerde. “En dat terwijl we een deel van de monsters verzameld hadden tijdens een uitbraak van gele koorts. We vonden enkel ‘mug-specifieke’ virussen. Dat hadden we niet verwacht.”

Hoewel de onderzoekers aanvankelijk een beetje teleurgesteld waren, zouden die mug-specifieke virussen weleens interessanter kunnen zijn dan ze lijken: “Er zijn aanwijzingen dat ze ervoor zorgen dat een mug geen gevaarlijke virussen als dengue of gele koorts meer kan overdragen. Mogelijk omdat de virussen met elkaar moeten concurreren om voedingsstoffen. Of misschien activeren de insect-specifieke virussen in de muggen een immuunreactie die arbovirussen uitschakelt?”

Dat zou perspectieven bieden voor preventie. “In sommige landen worden vandaag al muggen uitgezet die in het labo besmet zijn met een bepaalde bacterie die het hen onmogelijk maakt om dengue over te dragen. Misschien is in het microbioom van onze muggen al een virus aanwezig dat hetzelfde resultaat heeft als zo’n bacterie, en troffen we daarom geen gele koorts of andere arbovirussen aan.”

Geen winterjas

Met collega’s van het Rega Instituut trok Karelle naar de universiteit van Buea om er voor studenten en jonge onderzoekers een workshop te geven. “Zo bracht ik een beetje België naar huis.” En elke keer als ze terugkeert naar Leuven heeft ze een stukje Kameroen bij zich: “Ik heb altijd een paar koffers vol met groenten en kruiden mee. Ik mis de sterke smaken van onze keuken, ook al heb ik vol-au-vent, wafels en frietjes wel degelijk leren appreciëren (lacht).”

Ze herinnert zich nog haar allereerste aankomst in België; de kou, de wind en de regen waren een echte schok. “Een vriendin had me gewaarschuwd dat ik een winterjas nodig zou hebben, maar zie die maar eens te vinden in Kameroen (lacht). Dus had ik gewoon zoveel mogelijk truien over elkaar aangetrokken.”

Dat Belgen zich in weer en wind met de fiets verplaatsen, vindt ze nog altijd verbazingwekkend. Net als het feit dat het weer een onuitputtelijk onderwerp van gesprek vormt. “Maar wat me het meest verraste was hoe goedgeorganiseerd en gestructureerd het dagelijks leven hier is, en hoe efficiënt de overheidsdiensten zijn. Alles wordt netjes gepland. In Kameroen gaat het er wat spontaner en flexibeler aan toe. Mensen nemen er ook hun tijd. Hier is iedereen altijd gehaast.”

Maar na ruim vijf jaar in Leuven stelt ze vast dat ze zich intussen, net als de Belgen, naar de bus en de trein rept: “In het begin wandelde ik overal op mijn gemakje naartoe. Dat is verleden tijd (lacht).” ● (ivh)

“Extra druk door het succes? Ik voel altíjd druk”

Het carrièreverloop van schrijver en podcastmaker Lieselot Mariën (39) doet denken aan een wild in het rond springende stuiterbal. Ze studeerde filosofie en rechten, werkte als theatermaker en advocaat, en bracht vorig jaar een felbejubelde debuutroman uit. In Als de dieren geeft ze taal aan het verdriet dat komt kijken bij een postnatale depressie. “Het enige wat ik wilde, was uitzoeken wat er met mij aan de hand was.”

‘

Een literaire parel zoals ze maar zelden geschreven worden.’ Het is het soort loftuiging dat je wel vaker op flapteksten of in boekpromoties aantreft, en dat doorgaans onze argwaan wekt.

Niet zo in dit geval, want het staat in het juryrapport van de Libris Literatuur Prijs en gaat over Als de dieren (2025), het debuut van Lieselot Mariën. Haar roman haalde de shortlist van de Libris, en belandde eerder dit jaar ook al op die van de Boon Literatuurprijs. Voeg daar nog een hoop lovende recensies en al even enthousiaste lezersreacties aan toe, en we kunnen met recht en reden spreken van een opmerkelijk debuut. Wat doet dat alles met een beginnend auteur?

“Dit had ik totaal niet verwacht”, zegt Lieselot Mariën. “Voor een debutant zou dat ook ongezond geweest zijn, want niemand zit echt op je te wachten. De afgelopen jaren legde ik de mijlpaal die ik wilde halen steeds wat verder: een roman schrijven, een fijne uitgever vinden, goede recensies krijgen … Inmiddels zijn we héél ver voorbij het verste punt dat ik in gedachten had. Ik kan het nog steeds moeilijk geloven.”

Manische monnik

We spreken elkaar in een Leuvens café, waar Mariën uren heeft gesleten tijdens haar studententijd. “Met steeds hetzelfde broodje en een Canada Dry”, lacht ze. “Ook als

scholier kende ik Leuven al. Ik acteerde bij fABULEUS – een theatergezelschap waar professionele makers jonge mensen het vak leren kennen. Later heb ik er ook als dramaturg gewerkt, en voor het eerst gezien hoe verhalen worden opgebouwd – een goede leerschool.”

Op haar achttiende kiest ze voor een studie filosofie. “Wellicht vanuit een soort slingerbeweging die ik almaar maak. Op sommige momenten stort ik me volop in het leven, maar ik voel ook de noodzaak om me er soms uit terug te trekken. Om de wereld vanop afstand te beschouwen of er een reflectie tegenover te plaatsen. En dan is filosofie een goede keuze.”

“Als jonge vrouw vond ik het een prikkelende richting”, zegt ze. “Omdat je er nu eenmaal dieper ingaat op het soort vragen dat je als achttienjarige erg bezighoudt. Nu ik meer levenservaring heb, merk ik dat ik gerichter op zoek ga naar filosofen of denkkaders, maar toen stond ik voor alles open – wellicht een voordeel aan filosofie studeren op jonge leeftijd. Bij elke filosoof die we behandelden, had ik het gevoel iets te ontdekken. Elke denktrant was een nieuwe wereld om in te verdwijnen. Al besef ik natuurlijk ook dat je op die leeftijd niet alle nuances kan vatten – daarvoor zou je het dertig jaar later nog eens opnieuw moeten studeren.”

Een ‘modelstudent’ was ze niet, vertelt Mariën. “Ik was – moet ik toegeven – weinig consciëntieus. Ik had een hele fijne groep vrienden, bleef ook als student veel met theater bezig en ik hield er een halftijdse job in de horeca op na. Daardoor schoten de lessen er weleens bij in. Mijn gebrek aan inzet doorheen het jaar kreeg ik gelukkig gecompenseerd tijdens de blok en examenperiode – dan stortte ik me obsessief op mijn cursussen, als een manische monnik (lacht). Dat werkte.”

“Schrijven vergt alertheid. Je hebt ruimte nodig in je hoofd.”

Lieselot Mariën: “Op de een of andere manier zijn we ervan overtuigd dat het moederschap een spontane bron van geluk moet zijn. Dat geluksconcept in vraag durven te stellen vinden we blijkbaar bedreigend.”

Detectivewerk

Met haar diploma filosofie op zak gaat Mariën aan de slag in het theater. Na enige tijd begint ze ook aan een studie rechten. Opnieuw die slingerbeweging, vertelt ze.

“Ik hield van het theaterwerk, maar tegelijk miste ik iets. De theaterwereld is een bubbel, en daar had ik het soms moeilijk mee. Kunst maken over kunst, dezelfde mensen die in de foyer telkens hetzelfde soort gesprekken voeren … Ik dacht: als ik dit mijn hele leven doe, ga ik ver staan van de ‘echte’ wereld. Daarmee bedoel ik niet dat kunst maken op zich niet betekenisvol kan zijn, maar zelf wilde ik toen op een andere manier bijdragen aan de maatschappij. En de advocatuur zat al een tijdje in mijn achterhoofd.”

De rechtspraktijk noemt ze ‘een traag ontluikende liefde’.

“Het was niet zo dat ik aan die studie begon vanuit een passie voor recht of voor droge wetteksten”, zegt ze. “Maar ik wist dat ik die leerstof moest beheersen voor ik als advocaat aan de slag kon. De beweegreden voor mijn studie rechten was dus volledig tegenovergesteld aan die voor filosofie, waarbij het minder ging om de uitkomst, en meer om het proces. Het enthousiasme voor recht heb ik pas gaandeweg ervaren. Hoe mooi het kan zijn om een juridische redenering uit te bouwen, bijvoorbeeld. Om je ergens in te verdiepen en argumenten te ontwikkelen.

Het ‘detectivewerk’ dat eraan te pas komt. Dat paste goed bij me. Ik kon me er met een zeker soort verbetenheid op storten.”

Mariën werkt jarenlang in de advocatuur en specialiseert zich in energierecht. Eerst als advocaat aan de balie, later als bedrijfsjurist bij netbeheerder Elia. “Veel reizen, contracten onderhandelen, deals sluiten … Boeiend en maatschappelijk relevant werk”, vertelt ze. “Als advocaat ben ik bijvoorbeeld gedetacheerd geweest voor Norther, een van de offshore windmolenparken in de Noordzee. Heel fijn om daaraan te kunnen bijdragen. Tegelijk zijn er ook periodes geweest waarin ik harder heb gewerkt dan gezond was, en er nog maar weinig ruimte overbleef voor iets anders. Daar ben ik waakzamer voor geworden. Ik sluit niet uit dat ik nog terugkeer naar de advocatuur, maar ik zou me er niet meer zo door laten consumeren.”

Bokkensprong

Het is alweer even geleden dat Mariën over een energiedeal of overnamedossier gebogen zat. In 2023 neemt ze een besluit dat haar verbaasde blikken oplevert van collega’s. Ze geeft haar job als bedrijfsjurist op, met het plan om een roman te schrijven. Geen plotse bevlieging, zegt ze, maar een ambitie die al jaren sluimerde.

“Al van kindsbeen af wilde ik schrijver worden. Maar zoals het vaak gaat met dingen die je het liefste wil, was ik daar heel lang bang voor. Wat als het zou mislukken? Tegelijk voelde ik dat die noodzaak om te schrijven steeds groter werd, terwijl ik er als advocaat gewoonweg geen tijd voor had. Ik heb geprobeerd om dat op te lossen door vier vijfde aan de slag te gaan, en op vrije dagen aan een roman te werken, maar dat lukte niet. Schrijven vergt een bepaald soort alertheid – je hebt ruimte nodig om te observeren, dingen te laten binnenkomen, bepaalde gevoelens of details te registreren ... En als je een hele werkweek met tweehonderd per uur voortraast, merk je niks op. Er kwam dus ook niks als ik aan mijn schrijftafel ging zitten …”

“Natuurlijk vonden velen uit mijn omgeving het een opmerkelijke bokkensprong”, zegt Mariën. “Dat wás ook zo (lacht) . Zomaar ontslag nemen, een cv dat ligt te verpieteren … Ik heb veel op het spel gezet. Maar net door de inzet te verhogen kon ik door die muur van faalangst breken.”

Vormeloos verdriet

Het onderwerp van wat haar debuut zal worden, dringt zich ongewild op. Mariën bevalt van een zoontje en belandt in een postnatale depressie. Als de dieren is de rauwe, maar ook poëtische verkenning van die ervaring, vertelt ze.

“Toen mijn zoontje een half jaar oud was heb ik de eerste aantekeningen gemaakt. Op dat moment volgde ik les aan de Schrijversacademie, om mezelf bij te scholen. Ik werkte aan een andere roman, maar daar was ik totaal niet meer in geïnteresseerd. Het enige wat ik wilde, was uitzoeken wat er met me aan de hand was. Die depressie al schrijvend verkennen. Waarom overkomt mij dit? Wat schuilt hierachter? En waarom hangt hier zoveel schaamte rond?”

De eerste versie van het boek schrijft ze in een jaar tijd. “Daarna heb ik het manuscript nog lange tijd laten liggen. Ik wilde voldoende afstand nemen om uit te kunnen maken of het goed genoeg was, en of ook anderen er iets aan zouden hebben. Via de literatuur wilde ik een tegenwicht bieden voor de klinische termen waarmee een postnatale depressie wordt beschreven, maar die niks zeggen over hoe je je op zo’n moment als moeder voelt.”

‘Dit is een belijdenis (…)’, klinkt het in Als de dieren, wanneer het ik-personage het woord richt tot haar zoontje. ‘Omdat jij het moet weten en ik het moet begrijpen. Alleen zo kunnen wij, allebei, misschien, verder leven zonder vergiftigd te worden door mijn vormeloos verdriet.’

Aanvankelijk lukt het de hoofdpersoon niet om van haar kind te houden. Ze is uitgeput door het krijsen van haar huilbaby, en raakt vervreemd van zichzelf: ‘Iemand die ooit beweerde dat de tijd lineair verloopt, werd nooit door een kind uit zijn slaap gehouden (…) Ik woelde en wroette, (…) maar mijn lijf was een puzzel waarvan ik geen enkel stuk op de juiste plek kreeg neergelegd.’

“Voor mijn debuut heb ik heel veel op het spel gezet.”

“Het is fictie”, duidt Mariën. “Ik vertrek vanuit mijn eigen ervaring, maar de meeste scènes zijn niet rechtstreeks uit mijn leven geplukt. Het zijn geen dagboekfragmenten, al begrijp ik wel dat lezers – zelfs geoefende lezers – dat niet altijd doorhebben. Er wordt me vaak gevraagd hoe mijn zoon het boek later zal lezen, maar daar ben ik intussen gerust in. We zijn enkele jaren verder, en hebben een hechte band. Het is geen vrolijk boek, maar voor mij gaat het in de eerste plaats toch over liefde. Het verhaal van een moeder die niks liever wil dan moeder zijn, maar niet weet hoe. Het verdriet in de roman is groot omdat ook die liefde zo groot is. De twee hangen samen.”

Moederinstinct

Als de dieren is positief ontvangen maar ook in de recensies wordt de grimmigheid benadrukt. Af en toe duikt zelfs de vraag op hoe mensen met een kinderwens het boek zouden lezen.

“Dat toont aan dat we het onderwerp nog als iets ongemakkelijks zien”, zegt Mariën. “Terwijl ik van veel moeders net te horen kreeg hoe herkenbaar ze het boek vinden. Tien tot twintig procent van de vrouwen maakt een postnatale depressie door. Het is dus zeker geen marginaal fenomeen. Je zou denken dat we intussen het taboe voorbij zijn, maar dat blijkt niet zo …”

“Misschien heeft het te maken met de onaantastbaarheid van het moederbeeld in onze cultuur? Op de een of andere manier zijn we er collectief van overtuigd dat het moederschap een spontane bron van geluk moet zijn; dat er automatisch een zelfverwezenlijking in schuilt. Voor veel vrouwen is dat gelukkig zo – en ook ik herken die gevoelens inmiddels – maar het andere uiterste tonen of dat geluksconcept in vraag durven te stellen vinden we blijkbaar bedreigend.”

“Eén van de vragen die het hoofdpersonage zich stelt is: waar is mijn moederinstinct? Omdat instinct nauw verbonden is met de dierenwereld heb ik daar gezocht naar voorbeelden die mijn ervaring weerspiegelden. Ik las over octopussen die zichzelf verscheuren nadat ze eitjes hebben gelegd, of over slechtvalken die in stressvolle situaties hun eigen jongen verorberen … Voor mij toont het de destructiviteit die in moederschap kan zitten.”

Undercover

Wanneer Mariën niet over haar schrijftafel gebogen zit – of over haar roman praat – trekt ze eropuit met opnameapparatuur en neemt ze zelf de interviews af. Ze maakt audiodocumentaires voor de Nederlandse publieke omroep, en geeft coaching aan beginnende podcastmakers.

“Ik kan me volop in het leven storten, maar voel ook soms de nood om me eruit terug te trekken.”

Voor ze met schrijven begon, werkte Lieselot Mariën als jurist: “Het enthousiasme voor recht heb ik pas gaandeweg ervaren. Hoe mooi het kan zijn om een juridische redenering uit te bouwen. Het ‘detectivewerk’ dat eraan te pas komt. Dat paste goed bij me.”

“Een fijne afwisseling”, vertelt ze. “Podcasts hebben me altijd al geboeid, en ik wilde er ook zelf mee aan de slag. Ik heb een tijd geleden een korte opleiding opgevolgd, waar ik de basics leerde, en intussen werk ik al even samen met audiomaker Wederik De Backer. Op persoonlijk vlak zijn die audiodocumentaires minder veeleisend dan een roman, en ik hou van de dynamiek van zo’n samenwerking.”

Recent maakte Mariën de documentaires Naar buiten (2022) en White Out (2023). Thema’s als isolatie en de zoektocht naar identiteit, die het fundament vormden voor Als de dieren, zijn ook hier opvallend aanwezig. Net als in Alpha (2026), een podcastreeks die begin mei verscheen en waarvoor Mariën en De Backer gesprekken voerden met ex-undercoveragenten.

“Het gaat om zes mannen die elk in een ander soort crimineel circuit zijn geïnfiltreerd”, duidt ze. “Gaande van het drugsmilieu tot terroristische organisaties. Jarenlang moesten ze een andere identiteit aannemen en leidden ze een dubbelleven. Enorm ingrijpend, natuurlijk. Eén van mijn interviewees trok bijvoorbeeld op met seriemoordenaar Claudy Pierret – een man die snuffmovies maakte waarin hij vrouwen doodmartelde. Om zijn vertrouwen te winnen, moest hij dag in dag uit op café zitten met Pierret, terwijl hij natuurlijk wist wat er speelde …”

“Op zich al het vertellen waard, maar wij wilden ook op zoek naar een diepere laag. Wat ons interesseert is de psychologie van die politiemensen. Wat doet undercoverwerk met je persoonlijkheid? Welke emotionele prijs betaal je daarvoor? En hoe keer je terug naar het gewone leven? Ontzettend boeiend, vond ik.”

Nooit gratuit

Aan Alpha heeft Mariën meerdere jaren gewerkt, vertelt ze. Al die tijd dacht ze ook al voorzichtig na over een volgende roman. Of ze extra druk voelt sinds het succes van Als de dieren?

“Ik voel altíjd druk”, lacht ze. “Het is nu eenmaal spannend om iets dat je zelf hebt gemaakt op de wereld los te laten. Je doet dat niet gratuit. Uiteraard is er onzekerheid: gaat het me nog een keer lukken om iets moois te maken? Ik zit ook niet meer helemaal in de positie dat er niks wordt verwacht. Waarschijnlijk zal ik dat wel voelen, eenmaal ik ga schrijven. Maar ik ben in de eerste plaats ontzettend dankbaar voor wat me is overkomen met Als de dieren. Voor die nieuwe roman wil ik de tijd nemen. Daarna zien we wel.” ● (pjb)

Mee in 600 seconden

Van aardbeving tot zeetong, van middeleeuwse manuscripten tot social media, van piekeren tot pensioenen: ter gelegenheid van zes eeuwen KU Leuven gaven tientallen toponderzoekers een 600-secondenlezing over de stand van zaken in hun vakgebied. Een eerste reeks van twaalf afleveringen staat nu online als podcast.

Volgens endocrinoloog Chantal Mathieu is het einde van diabetes nabij. Nieuwe behandelingen kunnen de ziekte afremmen en zelfs genezen.

Is Donald Trump nu een dictator of niet? Politicoloog Bart Kerremans zoekt het uit.

Kunsthistoricus Barbara Baert (foto) neemt ons mee in het hoofd van Aby Warburg, een vakgenoot uit het begin van de 20ste eeuw.

Leuven heeft een lange traditie inzake virusbestrijding en de ontwikkeling van vaccins. Viroloog Johan Neyts blikt terug.

Nature of nurture? Hoogleraar ontwikkelingspsychologie Patricia Bijttebier legt uit hoe genen en omgeving elkaar beïnvloeden.

Volgens geoloog Manuel Sintubin is onze angst voor aardbevingen sterk overdreven.

Kosmoloog Thomas Hertog over de Einsteintelescoop, een gigaproject dat de geheimen van de oerknal kan helpen ontrafelen.

Make trade, not war: de gouden raad van econoom Hylke Vandenbussche

Piekeren kan leiden tot een angststoornis, een burn-out of zelfs een depressie. Psycholoog Filip Raes geeft tips om de vicieuze cirkel te doorbreken.

Astrofysicus Conny Aerts neemt ons mee naar de concertzaal van de kosmos.

De strijd tegen kanker werpt vruchten af: oncoloog Johan Swinnen toont zich optimistisch.

Forensisch biomedisch wetenschapper Sofie Claerhout verfijnde een techniek waarmee je met een klein stukje mannelijk DNA moordzaken uit het verleden kunt oplossen.

U vindt alle podcasts hier

Studenten geven veroordeelden het ‘voordeel van de twijfel’

Wat als iemand voor moord of doodslag in de cel zit zonder schuldig te zijn? Het was al stof voor menige Hollywoodproductie. De hoofdrol is meestal voor degene die aan de slag gaat om de onschuld van de veroordeelde te bewijzen. Leuvense studenten doen sinds vier jaar iets soortgelijks in het project ‘Voordeel van de twijfel’.

In de aangrijpende film The Hurricane bijt een student zich vast in het dossier van een onterecht veroordeelde bokser. Gebaseerd op een waargebeurd verhaal, net als Conviction, waarin een vrouw rechten gaat studeren om haar broer vrij te kunnen pleiten. Volgens de National Registry of Exonerations werden in de VS sinds 1989 al meer dan 3.400 mensen onterecht veroordeeld. Soms zelfs tot de doodstraf: eerder dit jaar werd de naam van Tommy Lee Walker gezuiverd, 70 jaar na zijn executie. In 2023 werd Glynn Simmons vrijgesproken, na 48 jaar cel. En het jaar daarop mocht – in Japan – Iwao Hakamata de dodencel verlaten waar hij 46 jaar vastzat voor een moord die hij niet gepleegd had. Dichter bij huis bleken in Nederland en Duitsland al respectievelijk 11 en 31 personen onterecht veroordeeld.

Rammelende zaak

Gerechtelijke dwalingen zijn onvermijdelijk. En statistisch gezien is het vrijwel onmogelijk dat er in ons land nooit iemand ten onrechte is veroordeeld. Alleen is dat tot op vandaag nog niet aangetoond, zegt professor Bram

Bekaert, verbonden aan Forensische Biomedische Wetenschappen. “Verschillende dossiers uit het verleden roepen ernstige vragen op, maar officieel zijn er in België nog geen gerechtelijke dwalingen erkend.”

In zijn lessen behandelt Bekaert onder meer de Schiedammer parkmoord uit 2000, één van de bekendste gerechtelijke dwalingen in Nederland. Vier jaar lang zat een man onschuldig achter de tralies. Tot rechtspsycholoog Peter van Koppen aantoonde dat de zaak aan alle kanten rammelde – later werd de echte dader gearresteerd. Sindsdien onderzocht Van Koppen met zijn studenten verschillende dossiers van veroordeelden die beweerden onterecht in de cel te zitten. Dat ‘Project Gerede Twijfel’ leidde al tot verschillende succesvolle herzieningen.

Laagdrempelig

Het inspireerde Bekaert en zijn collega’s Frank Verbruggen van Rechtsgeleerdheid en Henry Otgaar van Criminologische Wetenschappen in 2021 tot het interfacultaire onderwijsproject ‘Voordeel van de twijfel’. Laatstejaars masterstudenten van verschillende faculteiten werken daarin gedurende één academiejaar intensief samen rond een bestaand strafdossier. Ze gaan na of er fouten of nalatigheden te vinden zijn in het gerechtelijk onderzoek, en of nieuwe technieken of inzichten niet

De studenten krijgen toegang tot het volledige strafdossier, van het eerste procesverbaal tot het arrest van het hof van assisen. Foto, v.l.n.r.: juriste Esther Clonen, criminologe Sidney Van Ravenstyn en biomedisch wetenschapper Cordulle Vanthillo.

tot andere conclusies kunnen leiden. Kortom: ze onderzoeken of er misschien redenen zijn om aan de schuld van de veroordeelde te twijfelen.

Het initiatief komt volgens Bekaert tegemoet aan een belangrijke maatschappelijke behoefte: “Sinds 2018 heeft ons land een Commissie voor Herziening in Strafzaken. Maar het indienen van een verzoek brengt veel kosten met zich mee. Een laagdrempelige manier om een dossier grondig te laten herbekijken was er lange tijd niet.” Voor veroordeelden is het ook niet evident om zelf nieuwe gegevens bloot te leggen of op de hoogte te blijven van de meest recente wetenschappelijke technieken of inzichten.

‘Voordeel van de twijfel’ kan hen helpen. Maar Bekaert benadrukt dat het naast die dienstverlening in de eerste plaats om een onderwijsproject gaat voor studenten rechten, criminologische wetenschappen en forensische biomedische wetenschappen. Zij doen op deze manier een schat aan praktijkervaring op. “Ze leren hoe een strafdossier is opgebouwd, welke actoren betrokken zijn, welke onderzoeken worden uitgevoerd, hoe bewijsstukken worden geïnterpreteerd. Zo ervaren ze uit de eerste hand hoe complex zo’n dossier kan zijn en waar mogelijke fouten kunnen schuilen.”

“Statistisch gezien is het vrijwel onmogelijk dat er in ons land nooit iemand ten onrechte is veroordeeld.”

Want ook dat is een belangrijke doelstelling van het project: studenten bewust maken van het risico op dwalingen, zegt Bekaert. “Net als mijn collega’s treed ik geregeld op als gerechtelijk expert. Maar niet altijd worden de bevindingen van experts voldoende kritisch benaderd. Ook forensische technieken evolueren en zijn niet onfeilbaar. Daar hamer ik op tijdens mijn lessen.” En daar moeten de studenten in het project dus onder meer ook op letten: is forensisch bewijs voldoende onderbouwd?

Complexe zaak

Kandidaat-dossiers kunnen worden aangemeld via de website van het project. Niet elk dossier komt in aanmerking, zegt Bekaert. “We gaan telkens op zoek naar een zaak rond een levensdelict – moord of doodslag dus – die voldoende complex is om de expertise van de drie studierichtingen aan bod te laten komen. Denk aan forensische analyses en technische onderzoeken voor onze biomedische studenten, verhoortechnieken of polygraaftesten voor de criminologen, en juridische uitdagingen of beroepsprocedures voor onze rechtenstudenten. En ook heel belangrijk: de veroordeelde moet altijd volgehouden hebben onschuldig te zijn.”

Ongeveer tien studenten kunnen deelnemen aan het project en elk jaar zijn er meer kandidaten dan plaatsen. De studenten worden geselecteerd op basis van onder meer hun motivatie, zegt Bekaert. “Daarnaast letten we op oog voor detail en een kritische blik. En uiteraard is ook teamspirit heel belangrijk, en de bereidheid om een klein jaar hard te werken.” Dat laatste kunnen criminologe Sidney Van Ravenstyn en juriste Esther Clonen bevestigen. Zij namen vorig jaar deel aan het project tijdens hun masteropleiding. “We waren er toch zeker één dag per week mee bezig, en dat boven op alle andere dingen die je in de master moet doen.”

Honderden pagina’s

De studenten krijgen toegang tot het volledige strafdossier, vertelt Bekaert. “Van het eerste proces-verbaal tot het arrest van het hof van assisen. Dat betekent: honderden pagina’s met verslagen van verhoren en huiszoekingen, forensische rapporten, beeldmateriaal, tijdlijnen, processtukken, psychologische testresultaten …. Elk team bekijkt de zaak vanuit de eigen expertise: biomedische studenten verdiepen zich onder meer in de doodsoorzaak, criminologen analyseren verhoortechnieken en mogelijke scenario’s, en rechtenstudenten bestuderen de juridische en procedurele aspecten.”

De drie studierichtingen hebben elk een eigen kennis en cultuur, en zelfs een eigen manier van verslagen schrijven. Daardoor ontstaat een interessante kruisbestuiving, zegt Bekaert. Studenten leren van elkaar hoe DNA-analyse werkt, hoe beroep wordt aangetekend, welke verhoortechnieken er zijn of hoe toxicologische rapporten geïnterpreteerd moeten worden. De interdisciplinaire samenwerking wordt ook door de deelnemers gesmaakt. “Bij criminologie krijgen we wel wat rechtsvakken, maar vaak is er meer diepgaande juridische kennis nodig om het hele plaatje te begrijpen”, zegt Sidney. “Daarvoor konden we dan een beroep doen op Esther en haar medestudenten. Die vonden het dan weer heel interessant om informatie te krijgen vanuit criminologische of biomedische hoek.”

“En als we vragen hadden over een specifiek technisch of wetenschappelijk aspect, mochten we een expert uitnodigen”, vult Esther aan. “Zo hoefden we ons oordeel niet enkel op het dossier te baseren en konden we ons een wetenschappelijk onderbouwd idee vormen. Van die gastsprekers – onder meer een toxicoloog en een polygraafexpert –hebben we ook superveel geleerd.”

Novum

De studenten gaan ieder jaar weer even gepassioneerd met het dossier aan de slag, is de ervaring van Bekaert. “Logisch”, vindt Esther. “Je kunt documenten inkijken die je in de aula nooit te zien krijgt. In de les komt heel wat theorie aan bod, maar hoe een strafdossier er in het echt uitziet, weet je eigenlijk niet. Dus het is wel heel interessant om dat eens te kunnen bestuderen.”

Om een helder beeld van de zaak te krijgen is het ook echt een must om alle documenten door te spitten, zegt Sidney. “Pas dan kan je je een mening vormen over wat er precies is gebeurd. En over wat er in het onderzoek misschien anders had moeten verlopen. In het begin volg je een bepaalde lijn, maar dan kan er opeens een document opduiken dat je aan het twijfelen brengt.” Een novum vinden – een nieuw element dat een zaak kan heropenen, zoals je vaak ziet in films en series – is niet per se het doel: “Als er goed onderzoek is gevoerd, dan wordt dat evengoed benoemd.”

“Je bent onschuldig tot het tegendeel bewezen is, maar in ons dossier was het moeilijk om het bewijs sluitend te vinden.”

Opmerkelijk

En hoe zat het met het dossier dat Esther en Sidney zelf bestudeerd hebben? Over de inhoud daarvan kunnen de studenten niets vertellen; ze ondertekenden een geheimhoudingscontract en zelfs de naam van de zaak blijft vertrouwelijk. Maar ze willen wel kwijt dat er bij alle deelnemers heel wat twijfel rees over de schuld van de veroordeelde. “Ik denk dat dat een gevoel was dat bij ons allemaal heel erg overheerste”, zegt Esther. Sidney vult aan: “Je bent onschuldig tot het tegendeel bewezen is, maar in dit dossier was het moeilijk om het bewijs sluitend te vinden. Er waren heel wat zaken die ons opmerkelijk leken. Ergens vonden we het dan ook niet zo logisch dat het tot een veroordeling gekomen is.”

Met de advocaat in de zaak was er geen contact zolang het project liep, en ook de pleidooien kregen de studenten vooraf niet te zien. “We wisten dus niet welke strategie hij gevolgd had.” Maar toen de studenten hun gezamenlijke syntheserapport presenteerden, bleek dat hun bevindingen sterk overeenkwamen met die van de advocaat. “Na afloop vroeg hij zelfs aan de studenten van biomedische om nog enkele elementen verder te onderzoeken.”

Herzien of niet?

Tot nu toe zijn er nog geen gerechtelijke dwalingen aan het licht gekomen tijdens ‘Voordeel van de twijfel’, zegt Bram Bekaert. “Alle lof dus voor de speurders en de magistraten die aan die dossiers hebben gewerkt; volgens onze studenten zijn er geen grote fouten gemaakt. Wel kwamen er hier en daar onduidelijkheden aan het licht, elementen die misschien meer aandacht hadden mogen krijgen, of pistes die nooit verder onderzocht zijn. Na ons eerste project heeft de advocaat in kwestie op basis van de bevindingen van de studenten een herzieningsaanvraag ingediend bij de commissie, maar die werd niet weerhouden. Ook bij een andere zaak was er sprake van een herzieningsaanvraag, maar bij mijn weten is ook dat niet doorgegaan.”

Bij de zaak die Sidney en Esther en hun medestudenten onderzochten, lag het extra complex, legt Sidney uit: “De veroordeelde zou binnen afzienbare tijd in aanmerking komen voor vervroegde vrijlating, maar daarbij is schuldinzicht een voorwaarde. Hij moest dus kiezen tussen schuld bekennen – terwijl hij al die tijd zijn onschuld had volgehouden – en weldra vrijkomen, of toch een herzieningsprocedure opstarten, iets wat zelden gebeurt en weinig kans op slagen heeft. We hebben nog niet vernomen wat het geworden is.”

En hoe vergaat het de deelnemers zelf intussen? Sidney is al een paar maanden aan de slag als intern communicatieadviseur bij politiezone Rivierenland. Ook Esther vond een interessante job, als KYC/KYT-analist bij een financiële instelling: “Ik moet onderzoeken of klanten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgesteld om witwaspraktijken te voorkomen.” Haar interesse in strafrecht en strafonderzoek blijft onverminderd groot. “Die is door dit project alleen maar gegroeid.” ● (ivh)

Kandidaat-dossiers voor het project zijn welkom via kuleuven.be/voordeelvandetwijfel —

Tot nu toe zijn er nog geen gerechtelijke dwalingen aan het licht gekomen tijdens ‘Voordeel van de twijfel’, zegt Bram Bekaert. “Alle lof dus voor de speurders en de magistraten die aan die dossiers hebben gewerkt; volgens onze studenten zijn er geen grote fouten gemaakt.” (Foto: een assisenzitting in Antwerpen)

De Iraans-Nederlandse Sholeh Rezazadeh (1989) studeerde geneeskunde in haar geboorteland voor ze naar Nederland emigreerde en schrijfster werd. Ze is dit academiejaar writer in residence van KU Leuven. Deze bijdrage schreef ze speciaal voor Sonar.

Halfwakker

Volgens Google Maps ben ik over vier minuten bij de universiteit. Over ruim tien minuten zal ik dan aan mijn eerste les beginnen. Het geluid van mijn hakken mengt zich met het klokgelui van de kerk. Ik probeer mijn passen af te stemmen op het ritme van de klokken en stamp enkele keren op de kleine straatstenen.

In mijn schoudertasje zitten een pen, een notitieblokje, een thermosfles gevuld met zwarte thee en kardemom, lippenstift, handcrème met neroligeur en mijn paspoort. Als internationaal gastdocent moet ik mijn paspoort bij me hebben, dacht ik vanochtend.

Voor een café tegenover het universiteitsgebouw zie ik een paar jongens bier drinken en luid praten terwijl ze met hun handen in de lucht klappen, als verdwaalde duiven. Fietsers passeren me, met een rug- of schoudertas. Lange en korte krullen bewegen heen en weer op de tred van een groep meisjes die voor me lopen. Ik hoor hun gelach en ruik een spoor van parfum, zweet en lichaamsgeur.

Het grote, oude gebouw kijkt naar mij, ongeïnteresseerd, als een halfwakker, groot beest. Met zijn half geloken ogen kijkt het naar mij en naar andere wezens die richting zijn geopende mond lopen terwijl het stil blijft liggen.

Net voordat ik het universiteitsterrein betreed, stop ik onbewust. Ik draai mijn linkervoet in de lucht waardoor mijn been en mijn rechterenkel een driehoek tekenen en kijk naar mijn hakken.

Zijn ze niet te hoog, denk ik even.

Het grote, oude gebouw kijkt naar mij, ongeïnteresseerd, als een halfwakker, groot beest.

Als ik wind en regen op mijn hoofd en nek voel, realiseer ik me dat ik met een onbedekt hoofd loop, zonder hoofddoek. Mijn lange jas is fuchsia, de kleur van mijn nagellak heb ik gematcht met mijn blouse. Lichtgroen. Vanochtend stond ik helemaal niet stil bij al die kleuren. Mijn wimpers voelen zwaar onder de regen en de mascara.

Mag dit allemaal, vraag ik me af.

Jawel, zeg ik tegen mezelf, ik schud mijn hoofd en loop dan rustig weer verder, met een glimlach.

Er staat hier toch geen man in uniform. Een man bij de ingang in een glazen kubus, die iedereen met een frons van top tot teen bekijkt en beslist wie wel en wie niet naar binnen mag. Niemand die mensen tegenhoudt. Mensen met opvallende kleding met felle kleuren, veel make-up, te hoge hakken, jongens met lang haar, meisjes zonder hoofddoek, vrouwen die iets meer laten zien dan hun gezicht en handen. Die hun voeten en tenen laten zien, hun nek, hun sleutelbeenderen.

Mensen met tatoeages, piercings, jongens met oorbellen en kettinkjes, geverfd haar, T-shirts met westerse woorden en beelden, vrouwen op de fiets.

En als die studenten toch naar binnen willen omdat ze hun belangrijkste tentamen hebben, zouden ze dan hun studentenkaart moeten inleveren en die misschien nooit meer terugkrijgen? Zouden ze het risico willen lopen nooit aan een fatsoenlijke baan te komen?

Waarom denk ik hieraan, juist nu, vlak voor mijn les?

Ik heb er geen antwoord op.

Het lijkt alsof ik hier twintig jaar geleden, toen ik elke ochtend langs die boze man moest en automatisch met alles rekening hield, minder mee bezig was dan nu.

Zelfs in de zeven jaar dat ik geneeskunde studeerde en mijn studentenkaart nooit hoefde in te leveren.

Ik loop verder. Voetstappen, fietsbellen, gelach en geklets van de mensen om me heen, weergalmen opnieuw in mijn hoofd.

Faculteit Taal en Literatuur, staat op het bord.

Ik ben bij de darmen van het beest. Met meerdere groepen mensen, een kluwen van kronkelende wormen, bewegen we door zijn ingewanden en raken we elkaar soms onwillekeurig aan.

Als student was ik altijd nieuwsgierig naar de mensen van de Faculteit Taal en Literatuur. Ik was nieuwsgierig naar alle onzichtbare verhalen die daar ronddwaalden. Verhalen die gelezen werden en verhalen die nog geschreven moesten worden. Alle personages en perspectieven die door het gebouw heen bewogen. Soms ging ik in de lunchpauze of ’s avonds na mijn eigen lessen naar die faculteit, die een stuk verder lag dan het gebouw waarin ik studeerde en dan het ziekenhuis waar ik leerde patiënten te behandelen.

Patiënten aan wie ik poëzie voorlas, en het gebouw

waarin ik soms een kortverhaal schreef als antwoord op de vragen tijdens het examen fysiologie.

In mijn hoofd was de Faculteit Taal en Literatuur een tuin vol bloemen, bomen en vogels, verscholen tussen bakstenen en beton. Het was niet makkelijk om daar als geneeskundestudent naar binnen te lopen, maar bij de ingang had ik een verhaal klaar en werd ik bijna altijd serieus genomen en geloofd.

Op de derde verdieping bereik ik de ruimte waar ik les mag geven. Aan een groep geselecteerde studenten die meer willen weten over schrijven en schrijverschap. Als ik de ruimte binnenstap, zie ik een mengeling van jongens en meisjes die naast elkaar zitten, en ook mensen die zich duidelijk niet als man of vrouw identificeren.

Ik moet even denken aan hoe ik me altijd ergerde aan het feit dat jongens op de eerste rij mochten zitten en meisjes pas daarachter. Toen was ik me niet bewust van de reden en ik was alleen maar boos omdat ik het gevoel kreeg dat ik minder waard was, minder gezien. Minder gehoord. In plaats van stil te staan bij het feit dat we na twaalf jaar gescheiden onderwijs nu eindelijk samen in een gedeelde omgeving mochten zijn, hield ik me maar bezig met het beeld van de mannen op de eerste rij.

Als iedereen een stoel heeft gevonden kijk ik ze in de ogen. Vurige, verlegen, slaperige, verveelde, boze, onmiskenbaar scherpe, zachte blikken. Alle verhalen die ze bij zich dragen, alle gedachten, emoties, twijfels, pijn, liefde, zitten in hun blikken.

‘Wie van jullie weet nog de droom van vannacht? Je hoeft hem niet te vertellen, maar alleen maar te laten weten of je je hem herinnert,’ zeg ik als iedereen stilzit. In de blikken zie ik nu vooral verbazing. Een paar handen gaan de lucht in. Een paar blikken richten zich op de grond, als ik vraag of ze hun dromen willen delen.

Het beest slaapt en wij duiken in elkaars dromen. ●

Steen des aanstoots

Op een meinacht in 1966 breekt een doodgewone kassei het vensterglas van de Universiteitshal. De geest van ‘Leuven Vlaams’ ontsnapt.

Begin mei ’66 ligt de kassei hiernaast nog vreedzaam op de Oude Markt; de jaren nadien zal hij in archieven en vitrinekasten slijten. Het enige moment waarop hij zich even aan de zwaartekracht onttrekt, is exact zestig jaar geleden, in de nacht van 15 op 16 mei 1966. Dan vliegt hij met een boogje door een raam van de Universiteitshal.

Een ordinaire dronkemansstreek? Onwaarschijnlijk: het raam dat sneuvelt is dat van de Franstalige vicerector van de universiteit. En zonet is bekend geraakt dat het universiteitsbestuur niet wil weten van een geografische splitsing van de tweetalige Leuvense universiteit.

Verordening

De steengooier is ongetwijfeld een Vlaming, en een student. Want zij willen verandering. Begin jaren ’60 zijn de Nederlandstalige studenten voor het eerst in de meerderheid in de Leuvense auditoria. De studenten – en vele proffen – stellen zich grote vragen bij de blijvende overheersing van het Frans in centrale diensten en faculteitsraden. Nu de taalgrens is vastgelegd, ligt de tweetalige universiteit in officieel Nederlandstalig gebied. Het lijkt een laatste plooi die moet worden gladgestreken.

Niet dat er niets verandert: in ’63 komen er aparte taalstelsels in elke faculteit, met telkens een Vlaamse en een Franstalige decaan. En even later worden kandidaats opleidingen volgens taal gespreid. Zo ziet in Kortrijk in ’65 de KULAK het daglicht. Maar de vraag om een volledige geografische opdeling valt telkens op een koude steen bij het universiteitsbestuur, voorgezeten door de Belgische bisschoppen.

Het definitieve njet van de bisschoppen in mei ’66, en vooral de autoritaire toon van hun ‘mandement’ – wie het niet eens is, kan altijd de universiteit verlaten – vallen slecht bij Vlaamse studenten en professoren. Dat men van een ‘verordening’ spreekt, met echo’s van ‘Verordnung’ uit de bezettingstijd, is extra olie op het vuur. De revolte tegen de bisschoppen zal de komende maanden heel Vlaanderen beroeren. Bij collectes in de zondagsmis voor de Leuvense universiteit duiken plastic munten op met het opschrift ‘Geen Vlaams, geen centen’.

Die eerste nacht in mei, en de nachten erop, vliegen er kasseien door ramen van universiteitsgebouwen. De Leuvense straten zijn het decor voor kat-en-muisspelletjes met de politie. De kranten wijden er paginagrote reportages aan: foto’s tonen stratenmakers die onder politiebewaking de kasseien terugleggen. Of studenten die – op heterdaad betrapt – dringend verzocht worden ze zelf terug te plaatsen in het mulle zand.

Ondersteboven

Behalve deze ene kassei. De steen wordt in het bureau aangetroffen door Mon De Goeyse, chef protocol van de universiteit. Hij is flamingant en in zijn vrije tijd verzamelaar van ‘studentica’ voor zijn Archief en Museum van het Vlaams Studentenleven. Hij maakt een etiket – in progressieve spelling: ‘buro’ krijgt een ‘o’ – en kleeft dat, nogal onoordeelkundig, boven op de steen.

En zo wordt de kassei een symbool en een archiefstuk. De Goeyses archief wordt in 1972 overgedragen aan de universiteit. De steen is jarenlang het pronkstuk in een kleine expo over het studentenleven, tot hij in een op maat gemaakt doosje verdwijnt in het archief. Tijdens Routes naar Kennis, de jubileumexpo voor 600 jaar KU Leuven, ziet hij even opnieuw het daglicht – ondersteboven weliswaar, zodat het knullige briefje van De Goeyse niet vloekt met de elegant vormgegeven expo.

En hoe vergaat het de gooier? Die wordt nooit geïdentificeerd. Tegen wie in ’66 wél betrapt wordt, treedt de universiteit niet echt hardhandig op. Het bestuur is immers zelf hopeloos verdeeld over de toekomst van de Alma Mater. Veel professoren zien het wat graag gebeuren dat de studenten voor hen de kastanjes uit het vuur halen.

Pavé sacré

‘Leuven Vlaams’ zal uiteindelijk een koers in etappes blijken. ’66 is een stevig voorproefje, maar het geweld blijft al bij al beperkt. In januari ’68 zal het bekendste en meest gewelddadige protest losbreken, waaruit de definitieve splitsing van de universiteit en een Franstalige verhuizing naar Louvain-la-Neuve zal voortvloeien.

De kassei tot hét symbool voor ‘Leuven Vlaams’ uitroepen? Dat is wat kort door de bocht. Kasseien zijn in die tijd massaal voorhanden, en dus makkelijke projectielen. Ook tijdens de vurigste momenten van de Tweede Schoolstrijd in de jaren ’50 werd al eens een kassei op zijn vliegvermogen getest. En als in het voorjaar van ’68 de studentenrevolte in Parijs losbarst, verschijnt de slogan ‘sous les pavés, la plage’ – onder de kasseien het strand – in het straatbeeld.

Onder de taalgrens houdt men aan ‘Leuven Vlaams’ geen eeuwigdurend trauma over. In oktober 1972 vertrekt een even doordeweekse kassei als het exemplaar hiernaast op dagtrip vanuit Leuven. Franstalige studenten nemen hun ‘pavé sacré’ in processie mee naar Louvain-la-Neuve, als aandenken uit het goeie ouwe Leuven. In Louvainla-Neuve krijgt hij een plaatsje in het plaveisel. Het is een symbolische stap naar ‘closure’ na de pijnlijke splitsingsjaren. De geest, die in de nacht van 15 op 16 mei ’66 met een welgemikte kassei uit de fles kon ontsnappen, spookt niet meer. ● (wv)

Studenten worden –op heterdaad betrapt – dringend verzocht de kasseien zelf terug te plaatsen in het mulle zand.

01 Cool onderzoek

Op een warme dag is het in een stad niet overal even warm: sommige straten houden de hitte lang vast, terwijl parken en tuinen sneller afkoelen. Die verschillen zijn nog groter dan vaak wordt aangenomen, zo blijkt uit het onderzoeksproject Leuven.cool, onder leiding van professor Ben Somers en Eva Beele (Bos, Natuur en Landschap). Zes jaar lang werd het microklimaat van Leuven in kaart gebracht, met behulp van meer dan honderd meetpunten.

02 Microplastics in ons lijf

Eten we wekelijks een creditcard aan microplastics op? Het antwoord van de wetenschap is helaas niet zo eenvoudig. Er bestaat immers nog geen gestandaardiseerde meetmethode. “We krijgen microplastics binnen via onze voeding, via drankjes en via de lucht die we inademen. Het is zeker zinvol om onze blootstelling eraan te verminderen. Maar plasticsfobie of -schaamte is onnodig”, vertelt professor Maarten Roeffaers.

03 Roofkunst, een oud zeer

Bijna dertig jaar geleden legden meer dan veertig landen in Washington richtlijnen vast voor de teruggave van naziroofkunst. Nadien bleek België, in vergelijking met de buurlanden, een bijzonder trage leerling. Pas vandaag wordt er op Vlaams niveau eindelijk werk gemaakt van een restitutiecommissie voor naziroofkunst. Wat is roofkunst precies, en waarom is teruggave vaak zo’n opgave? Professor Bert Demarsin, specialist kunst- en cultureel-erfgoedrecht, geeft tekst en uitleg.

04 Klanken van verbinding

Muziek werkt in op lagen van de menselijke psyche waartoe taal vaak geen toegang krijgt. De muziektherapeuten van het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven benutten die kracht ten volle. Diverse patiëntengroepen, zoals mensen met een psychose of met persoonlijkheidsstoornissen, vinden in muziek een vertrekpunt om opnieuw contact te maken en te resoneren met anderen, mede dankzij vernieuwende methodes die de onderzoeksgroep Muziektherapie (LUCA School of Arts / KU Leuven) ontwikkelt.

U vindt alle stories

Colofon

Dit magazine is een uitgave van KU Leuven.

Hoofdredactie

Lise Detobel

Isabelle Van Geet

Eindredactie

Ine Van Houdenhove

Wouter Verbeylen

Redactie en beeldredactie

Pieter-Jan Borgelioen

Ilse Frederickx

Ine Van Houdenhove

Reiner Van Hove

Wouter Verbeylen

Fotografie

Rob Stevens

Coverbeeld

Rob Stevens / AI-gegenereerd beeld

Werkten mee aan dit nummer

Dirk Blijweert

Veerle Heyvaert

Met dank aan

Kjell Corens en Mark Derez (Universiteitsarchief)

Sholeh Rezazadeh, writer in residence

Contact Sonar@kuleuven.be

Vormgeving Altera

Druk Van der Poorten

Wil je het KU Leuven-magazine Sonar drie keer per jaar thuis ontvangen?

(gratis voor alumni, studenten en personeel van KU Leuven)

Meld je aan op https://stories.kuleuven.be/nl/abonneer of scan de QR-code.

Wil je digitaal op de hoogte worden gebracht van de nieuwste online onderzoeksverhalen?

Schrijf je in voor de maandelijkse nieuwsbrief via https://stories.kuleuven.be/nl/inschrijven-nieuwsbrief of scan de QR-code.

Wil je Sonar liever niet meer ontvangen?

Laat het ons weten via https://stories.kuleuven.be/nl/contact of scan de QR-code.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
KU Leuven Sonar n°18 - mei 2026 by KULeuven_publications - Issuu