Skip to main content

KU Leuven Sonar n°17 - januari 2026

Page 1

Sonar Nr 17 – januari 2026

KU Leuven-magazine

Helder naar de honderd Staat een scherpe oude dag in de genen geschreven?


kuleuven kuleuven school/ku_leuven kuleuven

KULEUVEN.BE/STORIES


3

Edito — Severine Vermeire Rector KU Leuven

H

ebt u de coverfoto gezien? Het beeld deed me spontaan denken aan de Centennial Light Bulb, een gloeilamp die al sinds 1901 (!) onafgebroken brandt in een Californische brandweerkazerne. In deze Sonar leest u geen artikel over antieke peertjes, maar wel één over kranige eeuwelingen. Wie de afbeelding goed bekijkt, ziet een dubbele helix, een subtiele verwijzing naar het onderzoek van biochemicus Henne Holstege. Zij bestudeert het DNA van cognitief fitte honderdplussers om te achterhalen hoe ze gespaard zijn gebleven van neurodegeneratieve narigheid als alzheimer. Zo wil Holstege bijdragen aan een toekomst waarin iederéén kan genieten van een oude dag zonder dementie. Zelfs met 600 jaar op de teller is ook onze universiteit nog altijd alive and kicking. Een artikel dat inzoomt op de groei van de KU Leuven reist terug in de tijd. Na een bescheiden start in hartje Leuven waaiert de universiteit in de loop der eeuwen uit naar de vier windstreken. Een meeslepend verhaal waarin maatschappelijke tendensen, technologische sprongen en veranderende onderwijsbehoeften de boventoon voeren. Anno 2025 telt de universiteit ruim 800 gebouwen. Van het Arenbergdomein tot Gasthuisberg, van Kortrijk tot Diepenbeek: onze campussen zijn plekken van verbinding, inclusie en duurzaamheid. En ja, occasioneel zelfs van tegelwippen … Voortdurende expansie en innovatie vindt ook architectuurhistoricus Merlijn Hurx terug in zijn onderzoek naar de ontwikkeling van de steden in de delta van de Lage Landen. Wat de groei van KU Leuven en de opkomst van Antwerpen of Dordrecht gemeen hebben? Vernieuwingsdrang en samen­ werking over grenzen heen. Ambachtslieden, architecten en wetenschappers bedachten in de vijftiende eeuw samen oplossingen voor drassige bodems en schaarse materialen. De inzichten van toen zijn nog steeds hoogst relevant: grootsteden vandaag kampen met quasi identieke problemen als de Lage Landen destijds en kunnen mogelijk hun profijt doen met de interdisciplinaire aanpak van weleer.

Onze eredoctores belichamen stuk voor stuk de waarden van KU Leuven: ze vernieuwen, ze steken hun nek uit, ze verbinden.

© KU Leuven – RS

De toekomst verbeelden is ook een kolfje naar de hand van onze zes nieuwe eredoctores. Sonar stelt hen graag aan u voor. We laten u kennismaken met Hina Jilani, die haar leven lang strijdt voor mensenrechten, in het bijzonder die van vrouwen. Met kunstwetenschapper James Elkins, pleitbezorger voor dekolonisering en inclusieve perspectieven. Met geneticus en epidemioloog Ségolène Aymé, oprichter van het grootste Europese platform voor zeldzame ziekten. De Amerikaanse Karen Braitmayer mag zich dan weer een autoriteit noemen op het vlak van inclusieve architectuur. Raymond Goldstein pioniert in de ‘physics of life’, een tak binnen de fysica die zich buigt over levende systemen zoals cellen en bacteriën. En de Italiaanse econoom Mario Draghi loodste de eurozone tijdens de schuldencrisis van 2012 naar rustiger vaarwater. Stuk voor stuk excelleren onze zes eredoctores in vooruitgangsdenken. Ze vernieuwen zonder complexen, ze steken hun nek uit, en last but not least: ze verbinden. Dat uitgerekend zij een eredoctoraat van KU Leuven ontvangen is verre van toeval. De zes belichamen identiek dezelfde waarden als deze universiteit. Laat u door hen bezielen én door alle onderzoekers die in deze Sonar de revue passeren.


4

OUDER WORDEN ZONDER DEMENTIE

Honderd jaar scherp

8 IS HET EINDE VAN DE VRIJHANDEL IN ZICHT?

“Hoe meer handel, hoe minder kans op oorlog”

16

Hoe gevaarlijk is AI? © Gorodenkoff – Shutterstock

24

En verder 6 Wetenschat Een frituurpan in de scanner – 14 Door de lens Hert vangt blik – 22 Speeddate met Freek Van de Velde 28 Blow-up Glimwormpjes of harige schimmels? – 36 Droomjob Sportpsycholoog voor kinderen en jongeren 38 Schenken in memoriam – 58 Gedicht van writer in residence Sholeh Rezazadeh


5

BOUWEN IN DE LAGE LANDEN

CARTE BLANCHE

Metropolen in de modder

Fysicus Kristiaan Temst droomt van een tijdreismachine

30

52

PATROONSFEEST 2026

SCHOOL OF EDUCATION

Zes nieuwe eredoctores

De leraar als eeuwige student

42

54

ALUMNUS EN DRUGSCOMMISSARIS INE VAN WYMERSCH

ZES EEUWEN KU LEUVEN

“Ik heb de zaken graag onder controle”

47

600 jaar, 600 hectare

62


6

WETENSCHAT — Een frituurpan in de röntgenscanner

Kiekjes van eigen deeg

© Ujjwal Verma

Hoe dringt olie binnen in deegproducten zoals donuts, beignets en oliebollen tijdens en na het frituren? Beeldvorming met uiterst krachtige röntgenstralen toont dat veranderingen in de microstructuur van het deeg tijdens het bakken een belangrijke rol spelen.


7

K

napperig korstje, zachte binnenkant, snel klaar: je hoeft niet lang te zoeken naar redenen voor de populariteit van gefrituurd voedsel. Een even evident nadeel is het hoge vet­­ gehalte van al dat lekkers. Om daar wat aan te doen, proberen onderzoekers te achterhalen hoe de olie het voedsel precies binnendringt tijdens het frituren.

van 50 mg, die ze op verschillende temperaturen frituurden. De röntgenscanner bracht het bak­­proces in beeld door één microscopisch tomogram per seconde te maken – een tomogram is een driedimensionaal beeld dat bestaat uit een stapel dwars­doorsnedes.

Zo ook het Laboratorium voor Levensmiddelen­ chemie en -biochemie, dat daarvoor samenwerkt met de afdeling MeBioS (Mechatronica, Biostatistiek en Sensoren) van het Departement Biosystemen. Daar hebben ze veel beeldvormingsexpertise in huis. “Maar dit is een pittige uitdaging”, zegt Pieter Verboven van MeBioS. “Het bakproces in een frituurpan verloopt ontzettend snel. In een paar seconden verdampt het water in het voedsel en wordt het als stoom naar buiten geduwd. Door de toenemende druk binnenin zet het voedsel uit en krijg je een structuur met gaatjes.”

Het experiment toonde onder meer aan in welk stadium de absorptie van olie plaatsvindt. Niet tijdens het frituren, zo blijkt, want dan vormen ontsnappende dampgassen een belemmering. Het opnemen van olie komt pas op gang wanneer het gefrituurde product uit de hete olie wordt gehaald en begint af te koelen. Dan ontstaat er ook een drukverschil tussen binnen- en buitenkant, wat voor een aanzuig­ effect zorgt.

Hightech donut Om die pijlsnelle processen scherp in beeld te krijgen, is zwaar geschut nodig: de onderzoekers trokken naar de European Synchrotron Radiation Facility (ESRF) in Grenoble. Die heeft zelf iets van een hoogtechnologische donut: elektronen worden er door een cirkelvormige baan met een omtrek van dik 800 meter gejaagd. Daarbij produceren ze röntgenstralen die 100 miljard keer helderder zijn dan de x-stralen die in ziekenhuizen worden gebruikt. Dat maakt het mogelijk om extreem gedetailleerde beelden te maken van structuren en processen. “Eenvoudig gesteld zou je kunnen zeggen dat we een frituurpan in een röntgenscanner hebben gezet”, zegt Ujjwal Verma van MeBioS. “We ontwikkelden een opstelling die het mogelijk maakt om vanop afstand een stukje deeg in hete olie te laten zakken.” Het ging om een stukje tarwebloemdeeg voor de kleine honger: de onderzoekers gebruikten samples

Aanzuigeffect

De baktemperatuur is een bepalende factor voor de hoeveelheid olie die geabsorbeerd wordt, zegt Isabella Maria Riley, die namens het Laboratorium voor Levensmiddelenchemie en -biochemie meewerkte aan het onderzoek: “Bij 180°C ontwikkelt het gefrituurde product een harde korst met kleine poriën, die na het bakken olie opzuigen via capillaire werking.” Bij het frituren op 120°C blijft de structuur zachter, zonder uitgesproken korst, waar­door er veel minder olie geabsorbeerd wordt. Nadeel is dan weer dat de textuur door een samengaan van processen nog verslapt tijdens het afkoelen.

Een goeie bak Het is voor het eerst dat de invloed van de microstructuur op de olieopname zo concreet aangetoond wordt. Met de airfryer is er al een nieuwe frituurtechniek die de absorptie van olie beperkt houdt, maar dit onderzoek biedt extra aanknopingspunten om frituurprocessen te verbeteren. “Je kan bijvoorbeeld naar de formule van het deeg kijken”, zegt Pieter Verboven. “Hoeveel water gebruik je, welk soort zetmeel? Die parameters hebben een invloed op de poriënstructuur die ontstaat tijdens het bakken, de olie­ opname en de uiteindelijke textuur.” Vet slim! ● (rvh)


8

ONDERZOEK — Wat is het geheim van cognitief fitte eeuwelingen?

© Liesbeth Dingemans

Wil je een ziekte doorgronden, bestudeer dan zeker ook mensen die er géén last van hebben.

“Wat opvalt, is dat de honderdjarigen bijna allemaal een positieve instelling hebben”, zegt Henne Holstege (rechts). Zo blijkt ook uit de opgewekte sfeer tijdens de jaarlijkse 100-plus Dag.


9

Honderd met een helder hoofd Hoe haal je de kaap van de honderd zonder in troebele wateren terecht te komen? De Nederlandse biochemicus Henne Holstege kwam op het idee om cognitief gezonde eeuwelingen te onderzoeken. Hun DNA blijkt hen tegen neurodegeneratieve aandoeningen te beschermen. Aan het VIB-KU Leuven Center for Brain & Disease Research wil Holstege de onderliggende mechanismen ontrafelen: kennis die kan helpen om dementie de pas af te snijden.

“O

h, dat was zo’n aardige man, hij schreef gedichten. En die vrouw was zó fit, ze maakte gewoon een sprongetje over de ringleiding die we hadden aangelegd.” Professor Henne Holstege valt van de ene mooie herinnering in de andere wanneer ze foto’s toont van voorbije edities van de jaarlijkse 100-plus Dag. De kwieke eeuwelingen die de revue passeren zou je een veel lagere leeftijd toedichten. Wat meer is, en wat de nieuwsgierigheid van Holstege prikkelt: de meesten van hen zijn gevrijwaard gebleven van neurodegeneratieve narigheid als alzheimer.

Gezonde interesse Wil je een ziekte doorgronden, bestudeer dan zeker ook mensen die er géén last van hebben. Tot die overtuiging kwam Henne Holstege al toen ze aan het Nederlands Kanker Instituut werkte aan een doctoraat over erfelijke factoren bij borstkanker. “Dan ga je bijvoorbeeld kijken naar expressielevels van genen die tot een tumor kunnen leiden. Maar ondertussen zat ik te denken: moet je niet eerst weten hoe een ‘normale’ klier werkt? Wat zijn precies de mechanismen waarin er iets verkeerd kan gaan? Ik begon erg geïnteresseerd te geraken in hoe een gezond lichaam functioneert, en wat er fout kan lopen als het veroudert.” Die interesse kreeg nog een duwtje toen haar vader Gert Holstege, destijds hoogleraar neuroanatomie in het UMC Groningen, in 2002 telefoon kreeg van de 112-jarige Hendrikje van Andel-Schipper. Toen ze 82 was, had zij

laten weten dat ze haar lichaam aan de wetenschap wou schenken, maar ze vroeg zich af of dat nog zinvol was, gezien haar frêle gestel. Gert Holstege was geïntrigeerd, ging de supereeuweling opzoeken en stelde vast dat ze geestelijk nog in topconditie verkeerde. Na haar overlijden, op 115-jarige leeftijd, bleek dat ze het brein had van een 60-jarige. “Toen heb ik besloten om een switch te maken van kanker naar hersenonderzoek en dementie”, vertelt Henne Holstege. “Zelf heb ik mevrouw Van Andel-Schipper niet ontmoet, dat vind ik best jammer. Ik wist toen nog niet dat dit mijn leven zou worden.”

Neusje van de zalm Sinds 2013 staat het leven van Holstege immers voor een groot deel in het teken van eeuwelingen. In dat jaar startte ze binnen het Alzheimercentrum en de afdeling humane genetica van Amsterdam UMC het ‘100-plus Onderzoek’. Dat vertrekt van de vraag: wat kunnen we leren van mensen die gespaard zijn gebleven van neurodegeneratieve aandoeningen die leiden tot dementie, zoals alzheimer? Deelnemers vinden de onderzoekers via krantenberichten over kersverse eeuwelingen die door de plaatselijke burgemeester in de bloemetjes gezet worden. “We nemen contact op en informeren of ze cognitief gezond zijn – bij henzelf en bij mensen in hun omgeving, die dat soms anders inschatten. Je hebt ook mensen die cognitief nog helemaal in orde blijken te zijn, maar fysiek niet meer de fut hebben om deel te nemen aan een onderzoek. De eeuwelingen die we uiteindelijk gaan bezoeken vormen echt wel een ontzet­tend selecte groep. Het neusje van de zalm van de Nederlandse populatie, zou ik zeggen.”


10 Het onderzoek heeft inmiddels data opgeleverd over meer dan vijfhonderd eeuwelingen. Het team van Holstege brengt hun levens uitgebreid in kaart: woonplaats, opleiding, beroep, levensstijl, stamboom, ziektes die in de familie voorkomen … “We willen natuurlijk ook graag hun cognitief functioneren testen, maar dat doen we pas tijdens een tweede bezoek”, vertelt Holstege. “Als je mensen over de vloer krijgt die je niet kent en die voor jou helemaal uit Amsterdam komen, kan dat best overweldigend zijn. Het is prettig om elkaar eerst wat te leren kennen: meestal kijken ze dan uit naar dat tweede bezoek en hebben ze ook beter geslapen.”

Boosdoener Welk beeld leveren deze bijzondere breinen op? Hoe zit het bijvoorbeeld met de eiwitophopingen die een rol spelen bij veel neurodegeneratieve ziekten? Een typisch kenmerk in de hersenen van alzheimerpatiënten zijn plaques: klonters van het eiwit amyloïde-bèta die zich ophopen rond de hersencellen. Dat heeft dan weer tot gevolg dat kluwens van het eiwit tau zich opstapelen binnen in de cellen. Die processen dragen bij tot het afsterven van hersencellen en het ontstaan van dementie. “Er zijn wel nog een aantal open vragen”, zegt Holstege. “Is het amyloïde echt de ultieme boosdoener? Of is het de rook, niet het vuur? Hoe dan ook zijn de plaques één van de eerste dingen die je op neuropathologisch vlak ziet bij patiënten.”

En dus zitten de hersenen fris voor een reeks testen die verschillende neuropsychologische domeinen bestrijken. “Het werkgeheugen testen we bijvoorbeeld met getallenreeksen die ze moeten herhalen – in dezelfde volgorde, achterstevoren … Voor het executieve geheugen is er de sleutelzoektest, waarbij we een vierkant tonen: ‘Stel je voor dat dit een tuin is waarin je je sleutels hebt verloren. Hoe ga je lopen om ervoor te zorgen dat je die zeker vindt?’ Zo hebben we inmiddels een vijftiental testjes, waarmee we kunnen vaststellen of er gedeeltes van het geheugen aangetast zijn door beginnende dementie. We doen jaarlijks een opvolgbezoek, voor een stand van zaken. Sommige honderdplussers zien we in de periode waarin we hen volgen alsnog achteruitgaan.”

Holstege ging ernaar op zoek in de hersenen van 95 honderdplussers die hun brein gedoneerd hadden. Bij ongeveer twee derde van die eeuwelingen vond ze weinig tot geen ophopingen van amyloïde-bèta. Zij hadden ook het best gepresteerd in de tests. Honderdplussers die wel plaques in de hersenen bleken te hebben, scoorden vooral slechter voor executief functioneren – het vermogen om te plannen en organiseren.

Voorts prikken de onderzoekers bij de eeuwelingen ook bloed om hun DNA-profiel in kaart te brengen en vragen ze hen om een stoelgangstaal, voor analyse van hun darmmicrobioom. De deelnemers krijgen ook de vraag of ze hun brein zouden willen doneren na hun overlijden. “Eén op drie is bereid om dat te doen: meer dan ik had durven hopen”, zegt Holstege. “Bij die honderdplussers gaan we ook vaker langs. Wanneer we dan daadwerkelijk naar hun hersenweefsel gaan kijken, weten we precies hoe ze net voordien gefunctioneerd hebben.”

De heldere honderdplussers lijken de dans op verschillende manieren te ontspringen. Hoe ze dat doen, is de kernvraag van Holsteges onderzoek. Het antwoord zoekt ze onder andere in hun DNA. “We weten inmiddels dat hun genetische profielen rijk zijn aan beschermende factoren en arm aan risicofactoren”, zegt ze.

“We weten inmiddels dat de genetische profielen van deze heldere honderdplussers rijk zijn aan beschermende factoren en arm aan risicofactoren.”

Bij vijf honderdplussers zag Holstege iets opmerkelijks: “Zij hadden veel amyloïde zonder dat ze daar op cognitief vlak last van bleken te hebben gehad. Bij hen vonden we ook verrassend weinig van het tau-eiwit in de hersenen. Dat kwam dus heel zelden voor, maar het is uiteraard bijzonder interessant.”

Markers in een hooiberg

Het opsporen van die factoren is geen peulenschil. “Ons DNA is opgebouwd uit basenparen. Daarvan krijg je er 3 miljard mee van je moeder en 3 miljard van je vader: begin daar maar eens in te zoeken … We kijken onder meer naar genome-wide association studies om ons de juiste richting te wijzen. Dat zijn grootschalige studies waarbij het DNA van miljoenen alzheimerpatiënten en gezonde mensen met elkaar vergeleken wordt.” Er wordt meer bepaald gekeken naar genetische markers. Dat zijn DNA-bouwstenen met een gekende locatie op het chromosoom die fungeren als herkenningspunten om genetische verschillen tussen individuen en populaties te analyseren. Het zijn vlaggetjes die zeggen: hier gebeurt iets interessants. “Stel dat we een bepaald DNA-vlaggetje zien bij vijftig procent van de alzheimerpatiënten, bij dertig procent van de gezonde mensen van middelbare leeftijd, en slechts bij tien procent van onze honderdplussers, dan weten we dat dit vlaggetje een risico­ factor markeert. Daarmee heb je overigens enkel een indicatie van waar je moet zoeken, je weet dan nog niet hoe het DNA op die plek anders gereguleerd wordt. Het is heel ingewikkeld om dat te achterhalen, maar dat zijn we wel aan het doen, te beginnen met de meest veelbelovende DNA-regio’s.”

Best bijzonder Holsteges lab wist enkele risicofactoren te identificeren, maar haar cohorte van cognitief fitte honderdplussers biedt vooral een unieke kans om beschermende factoren op te sporen. Zo toonde een grootschalige samenwerking tussen onderzoeksinstellingen uit zeven landen onder leiding van Holstege aan dat mensen met een specifieke, heel zeldzame


11

© Liesbeth Dingemans

—

Henne Holstege (rechts op de foto, met rode jurk) omringd door eeuwelingen tijdens de 100-plus Dag van 2024: “Altijd weer de mooiste dag van het jaar.”

mutatie van het PLCG2-gen bijna twee keer minder kans hebben op de ziekte van Alzheimer. De mutatie blijkt ook bescherming te bieden tegen twee andere neurodege­ neratieve ziektes: frontotemporale dementie en Lewybody-dementie. De cognitief fitte honderdplussers hebben deze variant van het gen ongeveer twee keer zo vaak als mensen uit de algemene bevolking. Dat PLCG2-gen brengt ons bij een andere sleutel om de ziekte van Alzheimer te begrijpen: immuunreacties in onze hersenen. Naast neuronen zitten er in onze hersenen ook microglia: dat zijn de immuuncellen van onze hersenen. Wanneer eiwitten zich ophopen, kan dat een ontstekingsreactie uitlokken bij deze cellen. Wellicht is die reactie een goede zaak als ze gematigd is, maar kan ze zelf schade veroorzaken wanneer ze te fel is. Uit recent – onder andere Leuvens – onderzoek blijkt dat de microglia een dubbelrol spelen. Hun werking kan zowel schadelijk als beschermend zijn, afhankelijk van het stadium van de ziekte. Bij mensen met de mutatie in het PLCG2-gen, dat betrokken is bij het doorgeven van signalen die de microglia activeren, blijkt de immuunrespons erg goed afgesteld te zijn. “Als er zich eiwitten dreigen op te hopen reageert het immuunsysteem bij hen net een tikkeltje beter en sneller dan bij mensen die de variant niet hebben”, zegt Holstege. “Het is een heel zeldzame variant, en ook lang niet alle honderdplussers zijn er drager van. Maar zij die de mutatie geërfd hebben van hun ouders, genieten al hun hele leven van de bescherming die ervan uitgaat.”

De microglia-huishouding van de eeuwelingen is dan ook voer voor verder onderzoek. “Ze hebben waarschijnlijk immuuncellen die uitstekend ziekteverwekkers kunnen ‘eten’ én ze slagen erin om hun afweersysteem tijdig weer uit te zetten. Belangrijk, want als dat niet gebeurt, kan je auto-immuunziektes krijgen. Het aan- en uitzetten verloopt bij de meeste mensen steeds moeilijker naarmate ze ouder worden, maar bij onze honderdplussers is het mechanisme nog intact.”

Vuilnisbakken buitenzetten Holstege vermoedt ook dat bij haar honderdplussers het zogenaamde endolysosomale systeem heel goed blijft werken. Dat is een sorteer- en verwerkingsdienst binnen in de cel, die bepaalt welke eiwitten hergebruikt kunnen worden en wat definitief moet worden afgebroken. Cellen gebruiken het systeem bijvoorbeeld om verschillende soorten celafval en schadelijke stoffen op te ruimen. “Af en toe moet je de vuilnisbakken buiten zetten, anders blijft de boel zich ophopen in je garage, met alle ellende van dien. Wel, binnen cellen zorgt het endolysosomale systeem daarvoor. Onze honderdplussers zijn verrijkt met genetische factoren die dat proces tot op extreem hoge leeftijd heel goed laten verlopen. Dat wil ik verder bekijken: wat doen de eeuwelingen daar precies zo goed?”


© Liesbeth Dingemans

12

—

De Nederlandse fotografe Liesbeth Dingemans portretteerde tientallen honderdplussers uit het onderzoek. Op deze foto uit 2016: Renger Dijkema, een gepassioneerd tuinier. “Een bijzonder inspirerende man, ik denk nog vaak aan hem”, zegt Henne Holstege.

Een deel van het antwoord zit volgens Holstege in hoe ze ‘omgaan’ met stukjes genetisch materiaal die zich via een knip-en-plakmethode kunnen verplaatsen binnen het DNA. “Al dat ‘gespring’ is niet zo gezond: die transposable elements kunnen de celregulatie verstoren, en dus moet je ze afdempen. Dat doet het genoom door er epigenetische signalen – die een gen ‘aan’ of ‘uit’ kunnen zetten – omheen te plaatsen. Maar die remmen zijn onderhevig aan slijtage: naarmate cellen ouder worden, verliest de epigenetische controle haar grip. Alleen lijken onze honderdplussers daar minder last van te hebben. Ook die vorm van bescherming wil ik verder uitpluizen: ze is relevant voor alle ziektes met een leeftijdsaspect, bijvoorbeeld ook parkinson.” De onderzoeksvragen zijn complex, maar er zijn steeds betere instrumenten om genen en eiwitten in kaart te brengen. “De technologische ontwikkelingen creëren een momentum in ons vakgebied, en hier in Leuven is er geïnvesteerd in het nieuwste van het nieuwste”, zegt Holstege. De ideale omgeving voor de Nederlandse – die

ook aan Amsterdam UMC verbonden blijft – om de moleculaire mechanismen van genetische bescherming verder te ontrafelen. Sinds november 2024 heeft ze een kantoor in Onderwijs & Navorsing 5 op Gasthuisberg. Ze voelt er zich goed omringd. “Mensen komen naar me toe en zeggen: ‘Wat een geweldige cohorte heb je verzameld, hoe kan ik meewerken?’ Heel prettig is dat.”

Complexe cascade Als die vereende krachten het complexe plaatje van genetische factoren voldoende in kaart gebracht hebben, zou je die kennis volgens Holstege kunnen vertalen in een screening voor dementie. “Op basis van genetica zou je dan kunnen bepalen waar iemands vatbaarheden zullen zitten tijdens het ouder worden. Die gevoeligheden zou je dan kunnen ondersteunen vóórdat de symptomen beginnen, met aanpassingen in de levensstijl of met medicatie. Maar dan moeten we natuurlijk ver genoeg staan in de ontwikkeling van die medicijnen.”


13 De voorbije jaren is er vooruitgang geboekt op het vlak van medicatie die dementie afremt. Het onderzoek van Holstege biedt perspectieven voor de ontwikkeling van geneesmiddelen die in een vroeger stadium ingrijpen, door de werking van beschermende genetische factoren ‘na te bootsen’. Toekomstmuziek, benadrukt ze. “Stel dat we een stofje vinden waarmee we het effect van die PLCG2-mutatie kunnen bereiken, dan kan je dat niet zomaar inspuiten. Zoals ik eerder zei: het afweersysteem moet een boost krijgen, maar je moet het ook weer uitzetten. Dat aan- en uitzetten is een erg complexe signaal­ cascade, die bij onze honderdplussers heel goed gereguleerd is en die we dus eerst beter willen begrijpen, zodat we ook beter weten hoe we hiermee om moeten gaan in het ontwerpen van medicatie.”

Over hobbels heen We verlaten het DNA even om uit te zoomen: hebben de heldere honderdplussers nog meer gemeen dan hun ‘sterke’ genen? “Ze zijn over het algemeen hoger opgeleid en behoren tot de hogere sociaaleconomische klasse”, vertelt Holstege. “We weten al langer dat die factoren geassocieerd zijn met een kleinere kans op dementie.” Hetzelfde geldt voor een gezonde levensstijl, maar op dat vlak blijken Holsteges honderdjarigen geen heiligen. “Ken je caloric restriction? Het houdt in dat je net even iets minder moet eten dan je graag zou willen: dat zou veroudering vertragen en de levensduur verlengen. Vanuit dat idee dacht ik: ik ga allemaal hele slanke mensen tegen­ komen in dit onderzoek. Maar ze laten hun taartje echt niet staan, hoor.” Voor wie erfelijk verrijkt is, lijken er andere regels te gelden. “Ik denk dat de genetica hen over hobbels heen helpt. Kijk naar de Française Jeanne Calment, die de recordleeftijd van 122 haalde: zij stopte met roken toen ze 115 was omdat haar ogen achteruitgingen en ze haar aansteker niet meer kon vinden. Nou ja, dan weet je hoe sterk dat gestel moet zijn.” “Wat verder opvalt, is dat de honderdjarigen bijna allemaal een positieve instelling hebben. ‘Ga niet zitten vitten, want dat is zonde van je tijd.’ En dat blijkt bij honderdplussers over de hele wereld zo te zijn”, zegt Holstege. Voor een verklaring komen we toch weer bij genetische aanleg terecht. “Je kan vermoeden dat ze meer endorfines aanmaken. Om dat te kunnen nagaan, nemen we bij de honderdplussers ook een buisje bloed af voor hormoon­ stalen. Daar heb ik zelf nog niet naar kunnen kijken, dus ik vul het nu maar even in. Maar interessant is het zeker.” In een reeks interviews met eeuwelingen noteerde ook De Volkskrant optimistische mantra’s als ‘elke dag iets verzinnen om naar uit te kijken’ en ‘niet moeilijk denken, want dan wordt alles te zwaar’. Andere succesrecepten die de revue passeerden: ‘veel vis en uien eten’ en ‘dagelijks een lepel pindakaas’. Een nuchtere honderdjarige hield het bij: ‘Het is een kwestie van geluk.’” Als we Holstege het lijstje voorleggen, antwoordt ze met een genetische variant op die laatste. “Ik zou zeggen: Choose your parents well.”

“De mensen die hun brein doneren, doen dat omdat ze willen dat we ziektes beter begrijpen.”

De mooiste dag Op het whiteboard in haar kantoor staan aantekeningen van besprekingen die ze eerder vandaag had met haar analisten. En na het interview heeft Holstege een afspraak met een mogelijke geldschieter. Haar drukke agenda laat haar niet meer toe om op huisbezoek te gaan bij de eeuwelingen. “Ontzettend jammer, want ze hebben allemaal hun verhaal”, zegt ze. “Meneer Dijkema vond ik bijvoorbeeld erg inspirerend. Ik herinner me hoe hij met grote passen door zijn tuin liep en tegen me zei: ‘Kijk uit dat je niet struikelt over de takken die daar liggen.’ Hij sprak vol passie over zijn ‘zwarte goud’, waarmee hij compost bedoelde. Ik moet altijd aan hem denken als ik iets over dat onderwerp lees. Heerlijk om die mensen te horen praten, dat mis ik wel.” Gelukkig is er nog de jaarlijkse 100-plus Dag. “De mooiste dag van het jaar”, zegt Holstege resoluut. “Het is een samenwerking die we met deze mensen aangaan. Wij mogen bij hen langskomen, bloed prikken, allerlei vragen stellen … Dan hebben zij het recht om te weten wat wij daarmee doen. Vorig jaar heb ik verteld dat ik naar Leuven zou gaan, dit jaar dat ik naar Harvard ben geweest en dat ze ook daar aan de slag gaan met ons materiaal.”

Goud bovenhalen Het delen van haar data lijkt Holstege even belangrijk te vinden als haar onderzoek. “Ik besef goed dat ik op een goudmijn zit, en dan wil je al dat goud ook bovenhalen. De mensen die hun brein doneren, doen dat omdat ze willen dat we ziektes beter begrijpen. Daarom wil ik zoveel mogelijk collega’s met onze data laten rekenen. Om dat mogelijk te maken, heb je een goed beheerde datahub nodig die je kan blijven voeden. Daar ben ik druk mee bezig.” Tot slot: hoopt ze zelf de honderd te halen, als symbolische kroon op haar onderzoekswerk? “Zo bekeken zou het een mooie verjaardag worden, ja (lacht). Maar voor mij hoeft dat niet zo nodig. Op een gegeven moment heb je je leven wel geleefd: ‘Het is goed zo, tabee.’ Of we met z’n allen steeds langer moeten leven, dat is een vraag die je aan de maatschappij moet stellen, niet aan mij. Mijn doel is om dementie de wereld uit te helpen. De ellende waarmee patiënten en de mensen in hun omgeving te maken krijgen, die wens je niemand toe. Dáár wil ik wat aan doen.” ● (rvh)


14

DOOR DE LENS

© KU Leuven – RS

Hert vangt blik Zo’n 11.000 jaar oud is dit skelet van een reuzenhert (Megaloceros giganteus). Het werd in 1907 aangekocht door Kanunnik Henry de Dorlodot, professor paleontologie in Leuven. Door fossielen te verzamelen wou hij Darwins evolutietheorie verder verspreiden. Het recent gerestaureerde skelet is één van de blikvangers in de jubileumexpo Kennis in zicht, die nog tot 22 februari loopt in M Leuven. U ontdekt er wat het verhaal van het uitgestorven reuzenhert ons vertelt over klimaatverandering en de menselijke impact op diersoorten. Ook de andere expo naar aanleiding van 600 jaar universiteit – Routes naar kennis, in de Universiteitsbibliotheek – is nog tot 22 februari te bezoeken.


15


16

ECONOMIE — Heeft Trumps tarievenoorlog het einde van de vrijhandel ingeluid?

Geen land is een eiland Hoe houdt de Europese handel stand tussen een wispelturig Amerika en een zelfzeker China? Econome Hylke Vandenbussche leidt ons rond in een wereld die meer en meer op een speelplaats lijkt, waar de wet van de sterkste heerst. Haar motto: Make trade, not war. “Hoe meer handel je met elkaar drijft, hoe kleiner de kans op oorlog is.”

2

april 2025, Liberation Day. Amerikaans president Donald Trump heeft de pers in het Witte Huis bijeengeroepen. Als iemand had gehoopt op een late aprilgrap, dan lacht de wereld een uurtje later groen. Het persmoment is de start van een nooit geziene tarievenoorlog waarbij brandhout wordt gemaakt van de vrije wereldhandel zoals we die meer dan een halve eeuw gekend hebben. De schok is groot. Maar helemaal nieuw is deze move tegenover de handelspartners van de VS niet. Ook onder Trumps Democratische voorganger Joe Biden was een koers van protectionisme ingeslagen, en werden bedrijven naar de VS gelokt met lage energiekosten en sub­sidies voor groene innovatie. Trump zelf legde in zijn eerste termijn al zware tarieven op aan China. Op Liberation Day werd dat nu uitgebreid naar de rest van de wereld. De economische impact ervan is potentieel erg schadelijk, omdat de VS nog altijd een belangrijke afzetmarkt is voor België en voor Europa. Dat zegt ook Hylke Vandenbussche, professor Internationale Economie aan de Faculteit Economie en Bedrijfskunde. Bij het aantreden van Trump I, in januari 2017, publiceerde Vandenbussche een discussion paper waarin ze nagaat wat de gevolgen zouden zijn van zo’n protectionistisch ‘America First’-beleid voor België en Europa. In het ‘meest pessimistische scenario’, bij importtarieven van vijftien procent, zouden in België potentieel vijfduizend jobs sneuvelen, en zou vierentwintig procent van onze export onder druk komen te staan. België voert immers ook veel onrechtstreeks uit naar de VS, via andere Europese landen, zoals onderdelen voor de Duitse auto-industrie.

Inmiddels weten we dat dat meest pessimistische scenario bewaarheid is geworden. In de zomer van 2025 sloten de EU en de VS een tariefdeal van 15 procent. Daarmee lijkt de rust even weergekeerd. Maar zal het hierbij blijven? Of zijn we op weg naar een mondiale tarievenoorlog die veel van de voordelen van globalisering tenietdoet?

Les 1 Hoge tariefmuren werken … tot ze tegenwerken

“Krankzinnig.” De Amerikaanse Nobelprijswinnaar Economie Paul Krugman spaarde zijn kritiek op Trumps tarievenoorlog niet. Hij vond diens soloslim bijzonder riskant: de wereldhandel werd erdoor in onzekerheid gestort, maar ook voor de VS zelf kon dit weleens bijzonder slecht uitdraaien. “Voor een groot land kan protectionisme op korte termijn economisch vruchten afwerpen”, zegt Hylke Vandenbussche. “Maar als de VS er daadwerkelijk in slagen om de invoer vanuit China en Europa te verminderen, is dat een tweesnijdend zwaard. Aan de ene kant zullen Amerikaanse bedrijven meer orders krijgen, en kunnen ze hun productie opvoeren, wat jobs oplevert en lonen doet stijgen. Aan de andere kant zullen tarieven voor veel goederen ook hogere prijzen betekenen voor de Amerikaanse consument. Als de concurrentie op de binnenlandse markt afneemt door het buitenhouden van invoer, kunnen lokale bedrijven immers een hogere prijs vragen.” “Dat zorgt voor extra inflatie, en dat kan uiteraard op weerstand van de kiezer botsen. Maar omdat het effect op prijzen meestal even op zich laat wachten, zijn hoge tarieven een handige tool voor snel politiek gewin. Daarnaast zijn importtarieven een uitnodiging aan buitenlandse bedrijven om in de VS te komen investeren en produceren, en zo de tarieven te omzeilen. Trump zegt: ‘Als jullie echt geen tarieven willen, kom dan gewoon naar Amerika. Dan krijg je er nog wat subsidies bovenop.’ Verschillende Europese bedrijven hebben intussen hun acti­ viteiten van Europa verlegd naar de VS. Dat afsnoepen van bedrijven is echt ‘du jamais vu’.”


17

© Belga Image – AP – Jacquelyn Martin

In de zomer van 2025 sluiten de EU en de VS op Trumps Schotse golfclub een tariefdeal van 15 procent. Hylke Vandenbussche: “Zelfs als die handelstarieven alsnog ongeldig worden verklaard, heeft Trump zijn slag thuisgehaald, namelijk meer ‘gas and guns’ verkopen aan de EU.”

“Daar gokt Trump op: dat Amerikaanse kiezers jobs belangijker zullen vinden dan dat ze wat meer zullen betalen in de supermarkt. Binnen zijn ambtstermijn kan die gok goed uitdraaien.”

Eilanddenken

“Trump gokt erop dat Amerikaanse kiezers jobs belangijker vinden dan dat ze wat meer betalen in de supermarkt.”

Op korte termijn zullen tarieven aan de grenzen een economie dus ondersteunen. Maar de geschiedenis leert ons dat protectionisme op de langere termijn gevaarlijk is omdat het de concurrentiekracht van een land onderuithaalt. “Als je meer moet betalen voor onderdelen – inputs – uit China, worden je eigen producten ook duurder. En dus minder concurrentieel op de wereldmarkt”, zegt Vandenbussche. “Kijk naar de jaren dertig. Toen kenden we, als gevolg van handelsoorlogen, ook een periode van hoge tarieven wereldwijd. Landen functioneerden bijna als ‘eilanden’, zonder veel invoer en uitvoer. Dat is niet goed afgelopen. Na de beurskrach van 1929 volgde een diepe recessie, die uiteindelijk mede geleid heeft tot de Tweede Wereldoorlog. Het toont het potentiële gevaar aan van tarieven: na een kortstondige revival kan het verlies aan concurrentiekracht landen in een recessie storten.”


18 Anno 2025 is globalisering helemaal wegdenken niet meer mogelijk. Import en export zullen altijd nodig zijn. Zelfs met hoge tariefmuren worden de VS niet plots een zelfvoorzienend eiland, en is pakweg een honderd procent Amerikaanse of Europese auto een illusie. “Vroeger kocht je als Amerikaans autobouwer spotgoedkoop staal uit China. Door de tarieven wordt het nu misschien interessanter om staal uit de VS te kopen – maar dat staal zal nog altijd duurder zijn dan het Chinese dumping-staal van vóór de tarieven.” En dus worden Amerikaanse auto’s onvermijdelijk duurder – en niet enkel voor Amerikanen. “Ook voor ons Europeanen bijvoorbeeld. Maar daar heeft de VS alvast iets op gevonden. In de tariefdeal heeft Europa aanvaard om industriële producten – waaronder auto’s – uit de VS tegen gunstigere invoertarieven op de EU-markt binnen te laten.” “Natuurlijk heeft de globalisering van de voorbije decennia ook een aantal nefaste gevolgen gehad, zoals een erg grote concentratie van middelen bij grote bedrijven. Maar tegelijk bevorderen open grenzen ook innovatie, omdat ze het makkelijker maken om kennis te verspreiden.

—

Wil je je echt afsnijden van technologische inputs uit het buitenland, en van de kennis die erin verscholen zit? Wil je door tariefmuren echt op een eiland terechtkomen, waardoor je riskeert achterop te hinken op de rest van de wereld?”

Les 2 Importtarieven kunnen soms soelaas bieden

Trump mag dan rondbazuinen dat hij ‘tariffs’ het mooiste woord in de Engels taal vindt, zijn handelsoorlog heeft de reputatie van de VS een flinke knauw gegeven. Wat zegt de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die toeziet op eerlijke wereldhandel, hierover? Volgens de regels van de WTO mag je als land, onder bepaalde voorwaarden, tarieven gebruiken om tijdelijk soelaas te bieden aan je bedrijven – zeg maar een ‘time out’ van het globalisme. “Tarieven kunnen een instrument van industrieel beleid zijn dat, als je het verstandig inzet, heftige schokken kan opvangen, bijvoorbeeld als plots een ander land beter blijkt te zijn in de productie van bepaalde goederen.”

© Max Avdeev

“Als je één poort sluit, en je tegenstander kan een andere poort openen, dan werken sancties niet”, zegt Hylke Vandenbussche. “Rusland kon zijn handelsstromen, zoals de gasexport, gewoon verleggen naar China.” Foto: de aanleg van de gaspijpleiding Power of Siberia tussen Rusland en China in 2019.


19 Europa maakt vaak gebruik van zogenaamde anti­ dumpingtarieven, om te vermijden dat de Europese markt massaal overspoeld wordt door pakweg staal uit China, vlees uit Zuid-Amerika of textiel uit Vietnam. ‘Dumping’ van producten in een andere markt is immers niet toegelaten door de WTO. Als het toch gebeurt, dan mag je eenzijdig, voor een beperkte termijn – meestal vijf jaar – importtarieven opleggen aan het land dat dumpt. Vandenbussche deed zelf al veel onderzoek naar antidumping. “Stel: China exporteert massaal goedkope microchips naar Europa. Dan kan de Europese chip­ industrie een dumpingklacht indienen bij de Europese Commissie, en kan die zeggen: we voeren tarieven in. China zal dan wat minder agressief gaan prijzen, onze industrie kan wat op adem komen, en er kan een soort evenwicht ontstaan. Maar essentieel is dat die tarieven tijdelijk zijn, en dat je een goede ‘case’ moet opbouwen om ze te mogen heffen.”

“Beter een goede buur dan een verre vriend. Rusland zal altijd onze buur blijven, en Trump lijkt goed op weg om van de VS een verre vriend te maken.”

“De WTO laat tarieven ook toe als een land een nieuwe technologie wil opschalen – dat is het infant industryargument. Voor maximaal drie jaar heb je dan het recht om een tarief in te stellen om zo voldoende capaciteit op te bouwen, en pas dan moeten de grenzen weer open. Een beetje zoals je een kasplantje opkweekt tot het sterk genoeg is.”

America First Maar wat de Amerikaanse president vandaag doet, is van een totaal andere orde, legt Vandenbussche uit. “Met zijn tarieven beschermt hij niet enkel ‘kasplantjes’, maar evengoed oude industriële sectoren: staal, textiel, chemicaliën … En het gaat ook niet om tijdelijke tarieven. Door al die internationale regels rond protectie aan hun laars te lappen plaatsen de VS zich de facto buiten de WTO.” “Een Amerikaanse president heeft van oudsher zéér verregaande bevoegdheden als het op handelspolitiek aankomt. In Europa zijn er veel checks-and-balances, maar in de VS kan de president, onder bepaalde voorwaarden, zijn gang gaan. Trump weet: ‘Constitutioneel gaan ze me misschien nog terugfluiten, maar dat kan jaren aanslepen.’ En intussen is het kwaad geschied.” De agressieve tarieven passen ook perfect binnen het ‘America First’-verhaal van Trumps MAGA-beweging, zegt Vandenbussche. “Trumps achterban streeft naar meer isolationisme van de VS ten aanzien van de rest van de wereld. Invoertarieven dus, maar ook een nieuwe koers wat betreft defensie en inzet van de NAVO. Ze wijzen de globalisering af, omdat die geleid heeft tot grote ongelijkheid en ervoor gezorgd heeft dat de middenklasse erop is achteruitgegaan. De globalisering is in de VS heel snel gegaan, en is voor velen ook heel brutaal geweest. In China bijvoorbeeld is alles geleidelijker, en daardoor wellicht ook duurzamer, verlopen. Daar zie je de tegenstelling tussen vrij kapitalisme en gecontroleerd kapitalisme met veel meer staatsinterventie.” Open grenzen zijn ook niet altijd even makkelijk te verzoenen met sociaal welzijn. Want als je je grenzen openstelt voor goederen en diensten, doe je dat ook voor inves­-

teringen en kapitaalstromen. En kapitaal ‘vlucht’ dan makkelijk. Voor overheden is het een moeilijke evenwichts­oefening om multinationals en investeerders binnen te houden. “Om ervoor te zorgen dat bedrijven en hun jobs niet met de eerste storm verdwijnen, is ‘verankering’ belangrijk. Dat doe je bijvoorbeeld door een aantrekkelijke leefomgeving te creëren, met goede scholen, efficiënte infrastructuur, goede interna­ tionale verbindingen …” “Een andere manier is om als klein land, zoals België, toe te treden tot een unie, in dit geval de Europese Unie, met een regelgevend kader rond buitenlandse investeringen, en een gezamenlijk buitentarief. Dat maakt het voor grootkapitaal en investeerders moeilijker om individuele EUlanden tegen elkaar uit te spelen.”

Les 3 Size matters, maar evenwichten veranderen Laten we nog eens inzoomen op het theater dat volgde op Trumps Liberation Day. Canada kondigde stoer vergeldingstarieven aan, maar trok zijn staart alsnog in toen grote broer VS nog wat harder met de spierballen rolde. Europa blies aanvankelijk warm en koud, om dan toch in te binden. En China? Dat haalde de schouders op. ‘Size matters! Who’s bashing whom in trade war?’ is de veelzeggende titel van een publicatie waaraan Hylke Vandenbussche zo’n tien jaar geleden meeschreef. “Daarin tonen we aan dat grote landen altijd geneigd zijn om een handelsoorlog te beginnen met kleinere landen”, zegt ze. “Een agressief land weet immers dat de kracht van kleine handelspartners om terug te slaan erg beperkt is. In speelplaatsterminologie: de sterkste wéét wie hij er moet uitpikken om te bashen.” Maar evenwichten veranderen, en kleine broertjes worden groot. “Dat verklaart de reactie van China op de VS. En dat zie je bijvoorbeeld ook bij India. Dat land importeert vandaag massaal Russische olie. Om dat te doen stoppen, dreigen de VS met hogere importtarieven. India gaat alsnog voorzichtig om met dat dreigement, maar heeft zijn lange relatie met Rusland niet meteen op het spel gezet.”


20 “Meer verkopen aan onszelf, dat is óók meer strategische autonomie. Vergeet niet: de Europese interne markt is groter dan de Amerikaanse.”

India en China behoren inmiddels tot de grotere jongens op de speelplaats, mede dankzij de BRICS, het clubje dat ze samen met Brazilië, Rusland en Zuid-Afrika oprichtten. “De lijm tussen hen is eerder economisch dan ideologisch, maar ze hebben met de VS wel een gemeenschappelijke vijand. En ondertussen zijn ze ook enorm in opmars”, zegt Vandenbussche. Dat blijkt: het lidmaatschap van de BRICS is vandaag erg gegeerd bij landen uit Afrika, Latijns-Amerika en Azië. “Bij veel voormalige derdewereldlanden is het vertrouwen in het Westen, onder meer vanwege de kolonisatiegeschiedenis, eerder klein. Als er op de speelplaats zich dan plots een andere sterke speler uit het Oosten aandient, wil je misschien toch van kamp wisselen. Kijk alleen al naar de opmars van China als handelspartner op het Afrikaanse continent.”

Kantelende wereld Het zijn allemaal niet mis te verstane tekenen van veranderende evenwichten, zegt Vandenbussche. “De wereld is aan het uiteenvallen in twee grote blokken. Waarom haalt Amerika momenteel zo fel uit? Ze vechten om hun leidersplaats te behouden. Leg de groeicijfers naast elkaar, en trek de trendlijnen door: die zijn het laagst in het Westen en het hoogst in het Oosten. Dan kan het niet anders dan dat er op een gegeven moment voorbij­ gestoken wordt.” “Hoelang zal het Westen zijn hegemonische positie nog kunnen behouden? Op technologisch vlak komen China – en Azië – er razendsnel aan. De VS was eerst met de smartphone, maar in het Oosten heeft iedereen vandaag al een Samsung of een lokaal toestel. Ook in defensie investeren de BRICS-landen flink. Nog een vraag: moeten we onze positie ten allen prijze willen verdedigen, met handelsoorlogen, met échte oorlogen? Of kunnen we beter streven naar een, met de woorden van de Franse president Macron, ‘multipolaire’ wereld?” “De geschiedenis leert ons nu eenmaal dat het economisch fortuin van regio’s en landen kan kantelen. Het kan een zachte transitie worden of een harde, maar de transitie komt eraan. En de machtswissel naar de volgende eeuw toe ook. Natuurlijk spelen veel factoren een rol in hoe dat uiteindelijk gebeurt. Hoe goed hangt die BRICS-club écht aan elkaar? Wat als pakweg China en India ruzie krijgen?”

Les 4 Make trade, not war Handel en conflict werden zelden zo openlijk aan elkaar gekoppeld als het voorbije jaar. In de lente van 2025 maakte Trump zonder blozen de steun voor Oekraïne tegen Rusland afhankelijk van een deal rond zeldzame grondstoffen. Omgekeerd probeert de EU met handelssancties de inkomstenstroom naar de Russische oorlogskas droog te leggen, en zo de tegenpartij uit te roken. “Maar Rusland heeft zijn handelsstromen gewoon verlegd naar China”, zegt Vandenbussche. “Als je één poort sluit, en je tegenstander kan zonder veel moeite een andere poort openen, dan werken sancties niet.” Ze is daarom een koele minnaar van steeds hardere sancties. Bovendien is handeldrijven net een goede manier om echte oorlog te voorkomen. “Je hebt immers beiden meer te verliezen en dus ga je dat trachten te vermijden. Wat niet wil zeggen dat het niet slim kan zijn om ook een militair apparaat uit te bouwen, als afschrikkingsmiddel, want ook dat kan een ‘evenwicht’ in stand houden.” “Met het oog op de toekomst moeten we ook realistisch blijven. Beter een goede buur dan een verre vriend, zeggen ze, en Rusland zal altijd onze buur blijven. We hebben er dus alle belang bij om de banden toch nog enigszins te behouden. Trump daarentegen lijkt goed op weg om van de VS een verre vriend te maken. En dat is jammer, gezien het economisch belang, de gedeelde cultuur en onze vriendschappelijke geschiedenis met de Amerikanen. Maar vriendschap moet nu eenmaal van twee kanten komen.”

Les 5 Europa moet zijn eigen boontjes doppen De Europese afhankelijkheid van Russisch gas was een stevige realitycheck voor Europa. De tarievenoorlog van Trump een tweede. Hoe worden we minder de speelbal van externe krachten? “We zitten nu eenmaal geprangd tussen het Oosten en het Westen”, zegt Hylke Vandenbussche. “Meer strategische autonomie voor Europa, om een eigen onafhankelijke koers te varen: heel graag. Maar het gaat niet makkelijk worden. Zeker niet wat energievoorziening betreft. Sinds de oorlog in Oekraïne zijn we voor energie veel afhankelijker geworden van de VS.” “Europa heeft ook meer eigen wapens nodig, maar kan die productie zelf niet zo snel opschalen. Maar wie wil die wapens graag aan ons verkopen? Alweer de VS. Ze spinnen er dus garen bij dat Rusland en Europa in onmin leven. Zelfs als de handelstarieven alsnog ongeldig worden verklaard, heeft Trump zijn slag thuisgehaald, namelijk meer ‘gas and guns’ verkopen aan de EU. De tarieven tegen Europa waren duidelijk ook een drukkingsmiddel om dat te bereiken.”

Zelf beslissen Gelukkig heeft Europa nog andere ijzers in het vuur richting autonomie, zegt Vandenbussche. “Als klanten en leveranciers buiten Europa wegvallen, zoek er dan nieuwe bínnen Europa. Ook na de Brexit in 2020 zijn veel producenten in West-Europa op zoek moeten gaan naar nieuwe afzetmarkten. Die hebben ze onder meer gevonden in Oost-Europa. Dat is óók meer strategische autonomie: meer verkopen aan onszelf. Vergeet niet: de Europese interne markt is groter dan de Amerikaanse.” “De eenheidsmarkt is één van onze grootste troeven. Tien jaar geleden adviseerde ik in mijn rapporten voor de Europese Commissie: zorg voor zo min mogelijk handelsbelemmeringen tussen de Europese lidstaten. Concentreer je op de grote eengemaakte markt, want daar zit nog


21 enorm veel groeipotentieel. Dat is trouwens net wat ook Amerika en China doen, en waar onze premier onlangs voor pleitte. En ja, China is een factor van groeiend belang, maar we moeten ons ook niet laten verlammen door de angst om overspoeld te worden door Chinese import. We kunnen ook zelf exporteren: de Chinese middenklasse wordt rijker, en kwaliteitsvolle Europese producten zijn er gegeerd.”

Tot slot: hoe staat het kleine België ervoor, met zijn extreem open economie? “Op het eerste gezicht: kwetsbaar. Onze rechtstreekse export naar de VS bedraagt ‘slechts’ acht procent van onze totale uitvoer aan goederen. Maar er is dus ook heel wat onrechtstreekse uitvoer, via andere Europese landen. De gevolgen van Trumps tarieven voor België zouden daarom veel groter kunnen zijn dan ze op het eerste gezicht lijken.” “Zonder Europa redt België het echt niet. Trump heeft geprobeerd om Europa uit elkaar te spelen door met individuele landen te gaan praten. Maar gelukkig is het Europese front overeind gebleven. Net zoals bij de Brexit hebben we beseft: de enige manier om deze crisis te overleven, is door aan één zeel te trekken.” ● (wv)

© Belga Image – Denis Prezat – ABACAPRESS

“En misschien moeten we meer Chinese investeringen in Europa toelaten, als dat meer werkgelegenheid en meer innovatie met zich meebrengt. Denk aan Volvo Cars, dat nu in handen is van Chinese eigenaars. De Chinese investeringen in Europa zijn nog vele malen kleiner dan de Amerikaanse. China is alvast vragende partij. Ook dat maakt deel uit van strategische autonomie: wederzijdse afhankelijkheid tussen mogendheden, zodat er geen onevenwicht ontstaat en alle partijen even veel belang hebben bij het wel en wee van een regio.”

Eén zeel

—

“We moeten ons niet laten verlammen door de angst om overspoeld te worden door Chinese import”, zegt Hylke Vandenbussche. “We kunnen ook zelf exporteren naar China, en investeringen aantrekken.” Foto: shoppers aan de eerste fysieke winkel van Shein in Parijs. De Chinese webwinkel voor ‘ultra fastfashion’ groeide uit tot een symbool voor spotgoedkope dumpinggoederen.


22

SPEEDDATE — Taalkundige Freek Van de Velde

“Vertrouw meer op je intuïtie dan op je ratio” Freek Van de Velde (46) is hoogleraar Nederlandse en historische taalkunde aan de Faculteit Letteren. Hij doet onderzoek naar de evolutie van taal en schreef onlangs het boek Wat taal verraadt: een kleine geschiedenis van brein tot beschaving.

W

at wilde u later worden? “Journalist. Als kind schreef ik graag opstellen, en het idee dat je van schrijven je beroep kon maken, leek me heel aantrekkelijk. Ik had natuurlijk een geromantiseerd beeld: Kuifje die als reporter de wereld rondtrekt en daar allerlei avonturen beleeft (lacht). Wat ik vooral niét wou was een mistroostig kantoorbestaan. Daar was ik me al vroeg van bewust.” Welk boek ligt er op uw nachtkastje? “Mathematical Models of Social Evolution: A Guide for the Perplexed. In dat boek tonen wetenschappers Richard McElreath en Robert Boyd aan hoe je complexe wiskundige modellen kan gebruiken voor onderzoek in onder meer de sociale wetenschappen en de cultuurwetenschappen. Vakgebieden waarin je dat misschien niet meteen zou verwachten.” “Ook ik maak in mijn onderzoek gebruik van statistiek om taalverandering te bestuderen. Mensen zijn daar weleens verbaasd over, maar mij heeft het echt de ogen geopend. Zo’n wiskundige vergelijking vereenvoudigt de werkelijkheid, waardoor bepaalde patronen beter zichtbaar worden. Droog, maar ook heel verhelderend.” Waaraan hebt u een hekel? “Aan ‘morele kwezelarij’. Iets wat je helaas meer en meer ziet in de academische wereld.” Hebt u een guilty pleasure? “Uitslapen. Zo’n dag die niet op gang komt. Rondlopen in pyjama, koffie drinken, uit het raam staren en mijmeren. Denken: ik zou kunnen werken, maar ik zou óók de planten water kunnen geven (lacht). Veel mensen worden onrustig van niksdoen, maar ik kan het heerlijk vinden.” Waarop bent u het meest trots? “Ik heb eigenhandig een boomhut gebouwd voor mijn kinderen, mét een zelfgemaakt laddertje erbij. Ik ben totaal niet handig, dus dat is best een prestatie.”

Wat zou u graag beter kunnen? “Hm … Doe toch maar hout­ bewerking! (lacht)” Welk voorwerp zou u redden mocht het huis in brand staan? “Ik heb hier een aantal oude prentenboeken liggen. In mijn kindertijd las mijn moeder me eruit voor, en later heb ik er ook zelf uit voor­ gelezen aan mijn kinderen. Die boeken hebben in de eerste plaats nostalgische waarde. Oude boeken of teksten liggen me sowieso na aan het hart. Als historisch taalkundige ben ik misschien meer dan anderen geneigd om naar het verleden terug te grijpen.” Hebt u een hobby? “Schaken. Het is een soort verslaving. Ik doe het dagelijks en speel online tegen schakers van over de hele wereld. Ik bestudeer ook partijen van historische kampioenen zoals Viktor Kortsjnoj of Michail Tal. Prachtig om te zien – briljante zetten en schaakpartijen als symfonieën.” Is er een ritueel waar u niet zonder kunt? “Tandenpoetsen. Ik kan de dag niet beginnen of eindigen als ik dat niet heb gedaan.” Wat is uw grootste angst? “Blind worden lijkt me vreselijk. Niet meer kunnen lezen, de wereld rondom je niet meer kunnen observeren … Zelfs de gedachte aan een oogoperatie jaagt me schrik aan. Dat zo’n chirurg in staat is om in een oog te zitten pulken of erin te snijden … Daar kan ik niet bij (lacht).” Wat is de belangrijkste les die het leven u heeft geleerd? “Vertrouw meer op je intuïtie dan op je ratio. Misschien een vreemde bewering voor een wetenschapper, die in de eerste plaats rationeel te werk gaat. Maar naarmate ik ouder word, hecht ik steeds meer belang aan buikgevoel. Intuïtie is eigenlijk ‘gekristalliseerde wijsheid’.”


23 Naar wie kijkt u op? “Naar iemand als John von Neumann, de Hongaars-Amerikaanse onderzoeker die betrokken was bij het Manhattanproject (waarin de atoombom werd ontwikkeld – red.). Hij was een briljant wiskundige, maar heeft ook belangrijke bijdragen geleverd aan de natuurkunde, de economie, de computerwetenschappen … Iemand die op veel terreinen beslagen was, een verreikende blik had en dingen begreep die ik nooit zou kúnnen begrijpen. Daar ben ik van onder de indruk.” Hoe komt u tot rust? “Duiken vind ik erg rustgevend. De gewichtloosheid in het water, de afwezigheid van menselijke geluiden, de aparte levensvormen … Alles is anders dan op het land, en dat vind ik heerlijk.”

“Oude boeken liggen me na aan het hart.”

Wat maakt u intens gelukkig? “Mijn kinderen zien lachen.” Welk compliment heeft u het meest geraakt? “Voor mijn laatste boek heb ik complimenten gekregen van Guy Mortier en Hugo Mathyssen. Ze waren allebei onder de indruk van de inhoud en schrijfstijl. Dat mogen horen van je jeugdhelden – allebei stééngoede schrijvers – vond ik wel speciaal, ja ...”

Wat is het dichtste dat u ooit bij de dood bent geweest? “Ik ben ooit bijna gestikt in een visgraat.” Is er iets waar u al lang van droomt om te doen? “Een vliegbrevet halen. Zoals gezegd hou ik van de onderwaterwereld, maar ik ben evenzeer benieuwd naar het luchtruim.”

© KU Leuven – RS

Wat zullen we over vijftig jaar onbegrijpelijk vinden? “Er is veel dat we onbegrijpelijk zullen vinden, maar als ik er iets moet uit­pikken: dat wie heeft gestudeerd vaak meer verdient dan iemand die minder lang op de schoolbanken heeft gezeten. Dat we dat vandaag vanzelfsprekend vinden, terwijl het dat volgens mij niet is.” ● (pjb)


© Gorodenkoff – Shutterstock

24

MAATSCHAPPIJ — Filosoof Lode Lauwaert over ‘de nieuwe atoombom’

AI in het vizier: hoe gevaarlijk is artificiële intelligentie? AI-systemen die een kernramp veroorzaken? Techgiganten die de publieke opinie sturen? Of superintelligentie die willoze slaafjes van ons maakt? Het lijkt je reinste sciencefiction, maar volgens techniekfilosoof Lode Lauwaert zijn het reële gevaren. Zeker nu de ‘AI-race’ aan een rotvaart voortraast en elke vorm van regelgeving ontbreekt. “Het valt niet meer te ontkennen dat het fout kan gaan. We moeten ingrijpen nu het nog kan.”


25 —

Lode Lauwaert: “We moeten vermijden dat superintelligentie er komt – AI die de mentale capaciteiten van de mens ver overstijgt. Dergelijke technologie zou enorme schade kunnen aanrichten.” Foto: Een beveilings­ camera uitgerust met gezichtsherkenning scant voorbijgangers.

Lauwaert heeft het in zijn boek over ‘catastrofale risico’s’, die een wezenlijke bedreiging vormen voor de mens. Zo zou AI kunnen worden ingezet voor biologische oorlogsvoering. “Met de modellen die we vandaag gebruiken voor de ontwikkeling van medicijnen kan je ook nieuwe virussen creëren”, zegt hij. “Uit een experiment van een Amerikaans farmaceuticabedrijf bleek al dat een AI-model in amper zes uur tijd 40.000 moleculen kon genereren die giftiger zijn dan het zenuwgas VX – één van de dodelijkste stoffen die ooit zijn ontwikkeld.” Het is ook niet onwaarschijnlijk dat AI wordt ingezet om kernwapens te beheren. “De VS, Rusland en China doen daar nu al onderzoek naar. Gevaarlijk, want wat als zo’n systeem wordt gehackt, en gaat reageren op een fictieve kernaanval? AI-modellen moeten bovendien getraind worden op data, en hier zijn die schaars, omdat er weinig voorbeelden bestaan van nucleaire aanvallen. De kans dat zo’n algoritme een verkeerde beslissing neemt en een kernramp veroorzaakt neemt dus toe … Internationaal begint men daar gelukkig ook over na te denken. Op de Algemene Vergadering van de VN werd zelfs al gepleit voor een verbod op AI voor nucleaire oorlogsvoering.”

Black box

P

rofessor techniekfilosofie Lode Lauwaert noemt zichzelf al jaren een ‘techno-optimist’. Toch schreef hij onlangs een boek over de gevaren van AI – zonder twijfel de belangrijkste nieuwe technologie sinds de komst van het internet. In AI, wat niemand ons vertelt (ook ChatGPT niet) schetst hij wat er allemaal verkeerd zou kunnen lopen met het gebruik en de ontwikkeling van artificiële intelligentie. Weinig optimistisch, lijkt ons, voor een techno-optimist? “Ik ben niet blind voor de voordelen van AI”, zegt Lauwaert. “En ik wil ook niet afgeschilderd worden als een alarmist. AI heeft ontzettend veel goeds gebracht en zal dat ook blijven doen. De technologie heeft voor revoluties gezorgd in het biomedisch onderzoek, bijvoorbeeld bij de ont­wikkeling van vaccins of antibiotica. Ook generatieve AI – zoals ChatGPT – is fantastisch: het bespaart ons hopen tijd.” “In de toekomst zullen die voordelen nog toenemen. Omdat er zoveel in wordt geïnvesteerd, wordt AI alsmaar beter, dankzij geavanceerdere chips, meer data, snellere algoritmes ... Maar net omdát AI ‘slimmer’ wordt, neemt ook het risico toe op problemen die we vandaag nog maar moeilijk kunnen inschatten.”

Kernkoppen en biowapens Volgens Lauwaert gaat het niet om de inmiddels bekende uitschuivers. Chatbots die gaan ‘hallucineren’ en onjuiste informatie verspreiden, bijvoorbeeld. AI-modellen die discrimineren bij sollicitatieprocedures, of de vele privacy-issues die zich opwerpen. “Belangrijke kwesties, die onze aandacht verdienen, maar door uitsluitend te focussen op de problemen van vandaag, verliezen we uit het oog wat er ons in de toekomst mogelijk te wachten staat.”

AI zal in de toekomst nog meer worden ingezet om processen te beheren in maatschappelijke sectoren, gaande van de luchtvaart tot het bankwezen. “Maar AI kan ook ‘per ongeluk’ grote fouten maken”, zegt Lauwaert. “Artificiële intelligentie gaat uit van alledaagse situaties. Als die modellen geconfronteerd worden met onverwachte zaken, kunnen ze onvoorspelbaar reageren. En dat wil je niet als je elektriciteitsnetwerken worden beheerd door AI-systemen, als die systemen ingebouwd zitten in vliegtuigen of als ze de werking van de beurs regelen. Vandaag moeten medicijnen uitvoerig worden getest en worden kerncentrales aan strenge procedures onderworpen. Waarom doen we dat niet óók voor AI?” Eén en ander heeft te maken met de ‘AI-race’ die momenteel gaande is. Techbedrijven houden hun algo­ ritmes geheim, in de hoop om als eerste het nieuwste staaltje artificiële intelligentie op de markt te brengen. Een bijkomend probleem is dat zelfs de ontwikkelaars van AI niet meer tot in de puntjes weten hoe hun modellen werken. “Er zijn black boxes. AI maakt gebruik van complexe neurale netwerken – vergelijkbaar met de verbindingen in onze hersenen. Ontwikkelaars hebben zicht op de algemene structuur van die modellen, maar wat er binnenin allemaal gebeurt weten ze niét. Ook dat is problematisch. Want wat als je – in de ergste gevallen – grote bugs moet fiksen in een systeem dat wordt gebruikt in de industrie of in ziekenhuizen?” AI-wetenschappers trokken zelf al aan de alarmbel. In maart 2023 publiceerde de non-profitorganisatie Future of Life Institute een open brief die opriep tot een pauze van zes maanden in de ontwikkeling van complexe AI-systemen, om bedrijven en onderzoekers de tijd te geven om veiligheidsprotocollen te ontwikkelen. De brief werd ondertekend door zo’n dertigduizend AI-experts, prominente figuren uit de techindustrie en beroemdheden als schrijver Yuval Noah Harari en Steve Wozniak, mede­ oprichter van Apple.


26 De pauze is er nooit gekomen, maar Lauwaert noemt de brief wel een ‘belangrijk signaal’. “Als zelfs die experten hun twijfels hebben, moeten we misschien toch eens nadenken over welke richting we uit willen ... Tegelijk denk ik niet dat een pauze van zes maanden voldoende zou zijn geweest om de huidige problemen op te lossen. De brief focuste vooral op large language models, zoals ChatGPT, terwijl het grote probleem inmiddels elders ligt: artificiële intelligentie die de vermogens van de mens evenaart of overstijgt. En die zit eraan te komen.”

Sneeuwbaleffect Lauwaert doelt op de ontwikkeling van Artificial General Intelligence (AGI), zowat de heilige graal van het AI-onderzoek. Een krachtige vorm van artificiële intelligentie, die je voor tal van zaken kan inzetten, gaande van gebouwen ontwerpen tot een juridisch dossier schrijven of een marketingstrategie ontwikkelen. “En die dat alles even goed kan als de mens, of zelfs beter”, zegt Lauwaert. “Bovendien zou AGI ‘agency’ hebben: het systeem zou zelfstandig kunnen handelen om zijn doel te bereiken, zonder menselijke tussenkomst.” Momenteel investeren technologiebedrijven zoals OpenAI, DeepMind en Meta AI miljarden in het onderzoek naar AGI. De CEO van Anthropic – nog zo’n techreus – gelooft dat de technologie al in de loop van 2026 het levenslicht zal zien. “Dat lijkt mij overdreven, maar ik denk dat het inderdaad een kwestie van tijd is”, zegt Lauwaert. “Al is het maar omdat die bedrijven zich tot doel hebben gesteld om AGI te ontwikkelen. En de geschiedenis leert ons dat als de mens ergens naar streeft, hij zijn doel doorgaans bereikt. Kijk maar naar al die baanbrekende technologieën die de afgelopen eeuw zijn uitgevonden: kernsplitsing, ruimtevaart, CRISPR-Cas … Vaak zijn die er veel sneller gekomen dan aanvankelijk werd gedacht.” Als AGI er daadwerkelijk komt, is de kans groot dat die heel wat taken van ons zal overnemen. Sommige jobs zullen sneuvelen, andere zullen er volledig anders uit gaan zien. “Wellicht gaan we routineklusjes overlaten aan AGI en zelf meer focussen op creatieve en relationele taken”, zegt Lauwaert. “De kans is ook groot dat er nieuwe jobs

“Als zelfs AI-experten hun twijfels hebben bij de technologie, moeten we toch eens nadenken over welke richting we uit willen ...”

of zelfs beroepssectoren bijkomen, waarbij we ons vandaag nog niet veel kunnen voorstellen. Net zoals de IT-sector destijds is voortgevloeid uit de komst van computers. AGI zal bedrijven ook tal van voordelen opleveren, gaande van kostenbesparing tot snellere groei en innovatie.” Toch zijn er ook aan de komst van AGI risico’s verbonden, zegt Lauwaert. “Niet de technologie is het probleem, wel de techbedrijven erachter. Eén mogelijk gevaar is machtsconcentratie. Het bedrijf dat als eerste een AGI-systeem weet te ontwikkelen, zal dat uiteraard kunnen implementeren in de eigen werking. En dan krijg je een sneeuwbaleffect. Het zal veel van zijn taken kunnen automatiseren en kosten besparen, en met die winst zal het nog betere AGI gaan maken. Het kan de beste werknemers wegplukken bij de concurrentie, concurrerende bedrijven opkopen, deals sluiten met de overheid ...” “Je krijgt dus één bedrijf met een geweldig grote economische macht, en dat is gevaarlijk omdat machtsconcentratie kan leiden tot machts­ misbruik. Wat als zo’n bedrijf beslist om zijn technologie tegen woekerprijzen te gaan verkopen? En we niet anders kunnen dan daarin mee te gaan, omdat we die technologie inmiddels nodig hebben? Of nog extremer: wat als de CEO van het bedrijf achter AGI zijn of haar politieke voorkeuren of ideeën gaat pushen via die nieuwe wijdverbreide technologie? Dat is niet eens zo vergezocht. Vandaag gebruikt Elon Musk zijn socialmediaplatform X al om anti-linkse en antiwoke-standpunten te verspreiden, door de algoritmes de voorkeur te laten geven aan content die daarmee overeenstemt …”

Superintelligent Hoewel AGI nu nog niet bestaat, denkt Lauwaert ook al na over de daaropvolgende stap in de evolutie: superintelligentie. Een scenario dat we volgens hem zéker moeten vermijden. “Superintelligentie is AI die de mentale capaciteiten van de mens ver overstijgt”, duidt hij. “De technologie zou zowat al onze cognitieve taken kunnen overnemen, tot wetenschappelijke ontdekkingen toe. Super­ intelligentie kan alle wetenschappelijke publicaties lezen, en daar verbanden tussen leggen. En dat miljoenen keren sneller dan het menselijk brein. Ze zou problemen waar wij al decennia mee worstelen in een paar seconden kunnen oplossen. Maar ze zou ook op ongeziene schaal schade kunnen aanrichten. Denk aan alle problemen die ik hier eerder al heb geschetst – met superintelligentie zouden die nog vele malen prangender worden …”


© Getty – Anadolu

27

—

Lode Lauwaert: “AI heeft ook ontzettend veel goeds gebracht en zal dat blijven doen. Denk aan revoluties in het biomedisch onderzoek. In de toekomst zullen die voordelen nog toenemen.” Foto: In een zorginstelling in Peru demonstreren artsen een robothond die onder meer dankzij artificiële intelligentie stress en angst bij kinderen tijdens een ziekenhuisopname kan verminderen.

Er zijn al een aantal ontwikkelingen gaande waardoor superintelligentie meer wordt dan louter een theoretische optie, aldus Lauwaert. “Google investeert bijvoorbeeld in AI-systemen die aan zelfverbetering doen, door zichzelf te trainen. Zo wist zijn Gemini-chatbot zichzelf enorm te optimaliseren. Trek die lijn door en een AI-systeem zou zichzelf zodanig kunnen verbeteren dat het op termijn superintelligent wordt. Zeker omdat AI-modellen zich ook kunnen repliceren, en met duizenden kopieën tegelijk aan zelfverbetering kunnen werken.” Een superintelligent systeem zou ook beschikken over verregaande sociale vaardigheden. “Uit een recent experiment blijkt dat AI nu al in staat is om mensen te manipuleren en te chanteren. Toen een AI-systeem van Anthropic vermoedde dat het zou worden uitgeschakeld door zijn ontwikkelaar, creëerde het valse mails over een buitenechtelijke relatie van de man, en dreigde die te verspreiden. Superintelligentie zou dat manipuleren nog veel beter kunnen, en denkpistes bewandelen die wij ons niet eens kunnen voorstellen. Met als gevolg dat zo’n systeem de macht zou kunnen grijpen zonder te kunnen worden uitgeschakeld. Dat controleverlies willen we natuurlijk niet.”

AI-verbod “We hebben nood aan een bindend internationaal verdrag en een onafhankelijk inspectieorgaan rond AI”, zegt Lauwaert. “Een regulerend kader, dus. Net zoals we ooit afspraken hebben gemaakt over kernwapens en over het klonen van mensen.” Dreigen we door zo’n verbod niet tal van wetenschap­ pelijke doorbraken mis te lopen? “Wellicht wel, maar de kans dat het verkeerd gaat met dat soort technologie is gewoonweg te groot. Ik zeg natuurlijk niet dat het AIonderzoek volledig moet stoppen. Integendeel, we moe­ten volop inzetten op het verbeteren van ‘narrow AI’, zeker in de geneeskunde. Met narrow AI kan je ervoor zorgen dat AI-modellen superslim worden in één discipline, zoals het ontwikkelen van medicijnen of het opsporen van ziektes, zonder dat ze ons op elk vlak gaan overstijgen.” “We staan voor heel wat uitdagingen, maar het is nog niet te laat om het tij te keren”, besluit Lauwaert. “Al moeten we wel dringend in actie schieten. Als we daarin slagen, en AI enkel en alleen ten dienste van de mens stellen, wacht ons ongetwijfeld een boeiende toekomst.” ● (pjb)


28

Blow-up GLIMWORMPJES OF HARIGE SCHIMMELS?

Het had een rolbiscuit kunnen zijn, die na de vervaldatum een minder frisse uitgroei vertoont. Maar we kijken hier naar een microscopisch beeld van hersencelletjes uit de hippocampus van een muis. Dit plaatje is gemaakt door biomedisch wetenschapper Nóra Baligács. Zij werkt aan een doctoraat over de ziekte van Alzheimer in het Laboratorium voor Onderzoek naar Neuro­ degeneratieve Ziektes van VIB-KU Leuven onder leiding van professor Bart De Strooper. De hippocampus is het hersengebied waar onze langetermijnherinneringen worden opgeslagen; het is daar dat bij alzheimer de eerste zenuwcellen sneuvelen. Dat de hersencellen afsterven, heeft te maken met ophopingen – plaques – van het eiwit amyloïde-beta die ontstaan rondom de neuronen, en met vezelachtige kluwens van het eiwit tau die zich in een volgend stadium binnen in de cellen vormen.

© Nóra Baligács – De Strooper Lab – VIB-KU Leuven

De blauwe bolletjes op de foto zijn gezonde kernen van hersencellen, soms opeengepakt in een laagje, elders – zoals rechts op de foto – meer verspreid. De grijs-witte ‘haartjes’ zijn de uitlopers van de cellen, waarmee ze onderling communiceren. Maar voor Baligács draait het vooral om de groene ‘glimwormpjes’: dat zijn de neuronen die aangetast zijn door kluwens tau-eiwit. Baligács bestudeert de rol van de microglia, de Pac-Mannetjes van onze hersenen. Het zijn gespecialiseerde immuuncellen die lichaamsvreemde en andere bedreigende stoffen opeten. In het geval van alzheimer ruimen de microglia zowel de eiwitklonters als aangetaste en dode hersencellen op. “Bij de plaques is het duidelijk dat de microglia een verschillende rol spelen al naargelang de fase van de ziekte. In de beginfase lijken de microglia de zaak nog te verergeren, maar in een verder stadium slagen ze er juist in de vorming van plaques beter onder controle te houden. Alsof ze eerst nog moeten leren hoe ze de vijand moeten verslaan. In mijn experimenten ga ik na of hetzelfde geldt als ze te maken krijgen met tau-kluwens.” ● (if)


29


30

ARCHITECTUURGESCHIEDENIS — Over de opkomst van stedelijke delta’s

Bouwen in de blubber Havensteden, zoals Antwerpen, Venetië en Shanghai, hebben hun opgang te danken aan het water. Dat is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt, want hoe bouw je een stad op een moeras? Architectuurhistoricus Merlijn Hurx dook in het verleden van de Lage Landen, op zoek naar de kennis die het toeliet om metropolen uit de modder te laten verrijzen.

V

andaag liggen twee op drie van de grootste steden ter wereld in rivierdelta’s. Calcutta in de Gangesdelta bijvoorbeeld, Caïro in de Nijldelta, Buenos Aires in de Paraná-delta … Als het gaat over verstedelijkte delta’s gaat het niet alleen over de grote kuststeden, maar ook over de steden aan de rivier­ aftakkingen die de monding voorafgaan. In onze contreien is dat de delta Rijn-Maas-Schelde, met Zeebrugge, GentTerneuzen-Vlissingen, Antwerpen, Moerdijk, Dor­drecht, Rotterdam en alle kleinere havensteden daartussenin. Op zich is die verstedelijking van delta’s opmerkelijk, want traditioneel bouwden de meeste beschavingen het liefst hoog en droog. Denk bijvoorbeeld aan hoogteburchten, zoals het kasteel van Bouillon. Een hoge ligging was eerst en vooral een strategisch voordeel: je zag de vijand van ver aankomen. De moerasgronden en veen­ gebieden van rivierdelta’s daarentegen leken onbewoonbaar, zonder vaste ondergrond om op te bouwen. Die plaatsen waren ook nog eens kwetsbaar voor overstromingen en bovendien broeihaarden van ziektes.

Duur en gevaarlijk Noord-Italië en de Lage Landen horen bij de vroegste voorbeelden van verstedelijkte delta’s in Europa. Voor beide gebieden kwam de kentering er pas in de late middeleeuwen, vertelt architectuurhistoricus Merlijn Hurx van het Departement Architectuur – geheel toepasselijk – vanuit een torenkamer in het Kasteel van Arenberg in Heverlee. “Tot de dertiende eeuw was ons deltagebied relatief dunbevolkt. De grote steden lagen overwegend landinwaarts. Maar rond 1500 zie je dat dichter bij zee en aan rivieren veel steden flink zijn gegroeid: met name Antwerpen, maar ook Hollandse steden als Amsterdam, Dordrecht en Rotterdam. De groei verder landinwaarts stagneerde daarentegen. Zelfs de Zwarte Dood heeft die evolutie in de rivierdelta niet afgeremd.” Er zijn uiteraard politiek-economische verklaringen voor die snelle verschuiving naar het deltagebied, zoals de handel in textiel en specerijen langs de zeeroutes. In de kustgebieden werd ook turf gewonnen, als brandstof. Maar er is één aspect dat onderbelicht blijft in de geschiedenisboeken, vindt Hurx: “Zonder de juiste bouwkundige


31 Bouwen in een delta is niet evident: de ondergrond is onstabiel en bouwmaterialen zijn er nauwelijks aanwezig.

© VILDAPHOTO – Belga Image

expertise was dat allemaal niet mogelijk geweest. Bouwen in een delta is immers een dure en gevaarlijke onderneming. Om twee redenen: de ondergrond is onstabiel en bouwmaterialen, zoals hout en natuursteen, zijn er nauwelijks aanwezig; enkel de grondstoffen voor baksteen zijn voorhanden. Hoe wist men die beperkingen te omzeilen?”

bouwmaterialen, maar ook de arbeiders: haast een sleutel-op-de-deurprincipe, niet alleen voor huizen, maar evengoed voor kathedralen en markthallen.” Daar was ook vraag naar. “Een opdrachtgever halverwege de zestiende eeuw verwoordde het zo: hij wenste zich niet met de bouw te bemoeien, op de financiering na.”

Bouwmarkt

Op de middeleeuwse bouwmarkt ging het er al vrij ‘kapitalistisch’ aan toe, in de moderne zin van het woord. Opdrachten werden meestal openbaar aanbesteed; contracten bevatten boeteclausules voor vertraging. Prijsconcurrentie speelde een rol. Alle spelers op de bouwmarkt waren voortdurend op zoek naar methodes om de kosten te drukken – goedkopere arbeidskrachten inhuren op het platteland bijvoorbeeld. Maar het leidde ook tot innovatie in de bouwtechnieken, aldus Hurx. “Je ziet dat werkprocessen worden gemechaniseerd, door verschillende uitvindingen: allerlei soorten pompen en werktuigen om aarde uit te graven en te verplaatsen, maar ook zaagmolens, stellingen en machines om steen te polijsten.”

Het laagland was in de middeleeuwen al grotendeels ontbost en er waren geen steengroeves in de kuststreken. Bouwmaterialen moesten dus aangevoerd worden vanuit het binnenland of van over zee. Opdrachtgevers lieten materialen winnen, transporteren en verwerken. Maar vanaf de veertiende eeuw kunnen ze dat werk uitbesteden: er ontstaat immers een echte bouwmarkt. In de Lage Landen krijg je dan heel wat handelaars en aannemers die op grote schaal kunnen leveren of bouwen. Waterwegen waren daarbij cruciaal, want die boden makkelijk en goedkoop transport van hout en steen. “Houthandelaars vervoerden met enorme vlotten boomstammen naar Dordrecht, destijds de belangrijkste stapelplaats van hout in onze contreien. En in het Brusselse had je steengroeves: Vilvoorde was in de vijftiende eeuw dé haven voor natuursteen. Via de Zenne, de Rupel en de Schelde vond die zijn weg naar een afzetgebied dat reikte van Calais in het zuidwesten tot aan Enkhuizen in Noord-Holland.” De werkplaatsen bij de steengroeves leverden niet alleen het ruwe product, maar ook kant-en-klare bouwonder­ delen: kruisvensters, dorpels, vloertegels enzovoort. “Die gestandaardiseerde stukken noemde men ‘algemeen huiswerk’. Het grote voordeel daarvan was dat je zo geen overtollig materiaal – en dus extra gewicht – moest vervoeren”, schetst Hurx.

Prefab Het ging ook verder dan die evolutie naar ‘massaproductie’, vervolgt Hurx. “Er was ook al sprake van ‘prefab’. De grootste ateliers boden bouwpakketten aan, bijvoorbeeld een complete set zuilen voor een kerk of het volledige metselwerk voor een stadshuis. Sommige toonaangevende ondernemingen leverden niet alleen de

Ook werden er machines en methodes ontwikkeld voor het uitgraven en draineren van bouwputten, en voor het heien – palen in de grond stampen die als fundering moesten dienen. De archieven van de octrooiaanvragen bieden historici een inkijk in de wereld van de middeleeuwse uitvinders. Niet alle vondsten waren een succes, maar sommige veranderden de loop van de geschiedenis.

Windzaagmolen Dat geldt bijvoorbeeld zeker voor de uitvinding van de windzaagmolen door timmerman en molenmaker Cornelis Cornelisz, in 1593. Waar men voorheen planken met de hand moest zagen, gebruikte Cornelisz de roterende beweging van een windmolen: via een krukas werd die omgezet naar een rechtlijnige, heen-en-weer gaande beweging. “Dat zorgde voor een drastische verhoging van de productie, en de planken werden nauwkeuriger en gelijkmatiger gezaagd. Men gaat er zelfs van uit dat de mechanisatie van het zagen heeft bijgedragen aan de bloei van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden: planken waren immers ook het bouwmateriaal voor de scheepsvloot.”


32 “Er was ook al sprake van ‘prefab’. De grootste ateliers boden bouwpakketten aan, bijvoorbeeld een complete set zuilen voor een kerk.”

Palen en planken werden ook gebruikt om de ondergrond van de delta voldoende draagkrachtig te maken om erop te kunnen bouwen. Dat gebeurde op verschillende manieren, legt Hurx uit. “‘Op stuit’: dan sloeg men lange palen in de grond tot men op vaste ondergrond terecht kwam. In Amsterdam moest men zo door twaalf meter veen om dan pas op een zandlaag te stuiten. Bij de methode ‘op kleef’ verbeterde men de ondergrond door vele korte paaltjes de grond in te slaan. Zo werd de bodem voldoende verdicht om erop te bouwen. Een andere manier was bouwen op een vlot van planken, dat in de modderige ondergrond ‘dreef’. En dan maar hopen dat het vlot niet scheef zakte ...”

Middeleeuwse startups In de Lage Landen werd verder druk getekend, gemodelleerd en geëxperimenteerd met prototypes. Van sluisdeuren en spuisluizen tot technieken om de haven te ‘schuren’ – het slib met waterkracht wegspoelen. Een ernstige bedreiging voor de welvaart van menige stad aan het water was immers het dichtslibben van de haven, iets wat bijvoorbeeld tot de

—

De eerste koopmansbeurs in Amsterdam werd gebouwd boven op een nieuwe brug, een strategische locatie uiteraard. De bruggenbouwer slaagde erin de brug te bouwen zonder de Amstel te moeten afsluiten en droogleggen.

© Stadsarchief Amsterdam – Claes Jansz. Visscher


33

—

Illustratie bij de octrooiaanvraag voor de windzaagmolen die werd bedacht door timmerman en molenmaker Cornelis Cornelisz van Uitgeest. Deze uitvinding zorgde voor een drastische verhoging van de productie, en de planken werden nauwkeuriger en gelijkmatiger gezaagd dan voordien. Een voorbeeld van hoe technologische innovatie bijdroeg tot het bouwen in de delta’s. Uit: Resoluties van de Staten van Holland, 1593. Nationaal Archief Den Haag (foto Merlijn Hurx)

teloorgang van de handelsmetropool Brugge heeft geleid. “De zoektocht naar oplossingen vinden we terug in de documenten van de commissies die uitvinders patenten verleenden. Wat de jury interessant vond, liet ze testen. Bijvoorbeeld omdat ze een goede én betaalbare oplossing zochten om de houten sluizen te verstenen. De Lage Landen fungeerden als een bouwlaboratorium; het was een middeleeuws ecosysteem met talloze start-ups waarvan ongetwijfeld vele faalden – maar soms draaide het goed uit.” Het is de unieke combinatie van die nieuwe bouwmarkt en die technologische innovatie die ervoor gezorgd heeft dat men erin geslaagd is te bouwen op de onstabiele ondergrond in de delta’s en dat er zoveel steden aan het water zijn ontstaan in onze contreien, zegt Hurx. “Het gaat niet zozeer om een geleidelijke evolutie van ambachtelijke kennis, maar eerder om een probleem­ oplossende houding.”

Trading zone Het bedenken van oplossingen gebeurde over de grenzen van wetenschappelijke en technische disciplines heen. “In de eerste verhandeling over sluizen, van ingenieur en wiskundige Simon Stevin, in 1617, verwijst deze naar zijn

gesprekken met de stadstimmerlieden van Rotterdam. Het toont aan dat de bouwplaats een trading zone was: een plaats waar ambachtslieden, architecten, ingenieurs, wetenschappers en de heersende elite elkaar vonden en waar ideeën en expertise werden uitgewisseld. Een grote stimulans voor die samenwerking was uiteraard het vooruitzicht van financieel gewin.” Het financiële plaatje verklaart ook voor een stuk waarom de verstedelijking van de delta’s zo snel ging. Als wij aan bouwen in de middel­ eeuwen denken, veronderstellen we dat dat aan een rustig kabbelend tempo ging. “Soms was dat ook zo”, zegt Hurx. “Aan de kathedraal van Antwerpen is meer dan een eeuw lang gebouwd, met in goede jaren een ploeg van zo’n 35 voltijdse ambachtslieden. Het ritme van de bouw schommelde naargelang het beschik­bare budget. Maar het kon ook snel gaan: de Sint-Katharinakerk van Hoogstraten – het derde hoogste kerkgebouw in België – was klaar op minder dan 25 jaar tijd, omdat de graaf van Hoogstraten er de nodige centen tegenaan smeet.” De druk om snel te bouwen lag natuurlijk nog hoger bij bouwwerken die cruciaal waren voor de economie en de verdediging: sluizen, bruggen, beurs­ gebouwen, forten … “In Amsterdam werd de eerste koopmansbeurs trouwens gebouwd boven op een nieuwe brug (zie illustratie op de pagina hiernaast – red.), een strategische locatie uiteraard. De bruggenbouwer van dienst, Cornelis Dankertsz, bouwde de brug, en nog vele andere bruggen over de Amsterdamse grachten, zonder de Amstel af te sluiten en droog te leggen, zodat de economie gewoon verder kon blijven draaien via de waterwegen.”


34

© ANP – Hollandse Hoogte – Laurens van Putten

In Gouda verzakken door de inklinkende veenbodem bepaalde delen van de kaasstad met een paar centimeter per jaar.

Wij laten ons vandaag vooral inpakken door de kunst en de pracht en praal van sommige middeleeuwse gebouwen. “Meestal is het bijvoorbeeld de beeldhouwer en niet de bruggenbouwer die met de pluimen gaat lopen. Maar voor de middeleeuwers was de techniek, de ingenieurskunde, zeker zo belangrijk. Buitenlandse bezoekers van de handelsmetropolen van toen laten dat ook optekenen: ‘Hoe is het mogelijk dat je op zo’n plek zo’n stad kan bouwen?’, vragen ze zich af. En: ‘Het mooiste en het duurste deel van gebouwen kan je niet zien’. Dat zit immers onder de grond.” De opgedane kennis werd ook naar het buitenland geëxporteerd. “Zowel Hollanders als Venetianen werden in heel Europa gevraagd voor waterbouwkundige projecten.”

Boven de waterlijn Ironisch genoeg komt al dat waterbouwkundig vernuft nu aan de oppervlakte en dat heeft alles te maken met de klimaatverandering. Enerzijds stijgt de zeespiegel, anderzijds komt het binnenland dieper te liggen. “Vooral in het huidige Nederland heb je dikke lagen veen – zeg maar een vochtige spons van plantenresten. Door de stijgende temperaturen droogt het bovenste deel van dat veen uit,

waardoor het verteert en de grond dus verzakt. Als die grond dan weer onder water komt te staan, pompt men dat water weg, bijvoorbeeld omdat boeren droge grasweides willen voor hun vee. Maar daardoor gaat het veen verder uitdrogen en blijft het inklinken.” Dat zorgt nu al voor problemen in Nederlandse steden. In Gouda bijvoorbeeld: door de inklinkende veenbodem verzakken bepaalde delen van de kaasstad met een paar centimeter per jaar. “De oudste wijken werden nog op de hoogstgelegen grond gebouwd. Maar naarmate de stad meer uitbreidde, ging men op lagergelegen, slechtere grond bouwen. Vooral in die laatste delen daalt de bodem nu sterk, waardoor de heipalen die de fundering vormen van gebouwen bloot komen te liggen en beginnen te rotten. Daardoor verzakken steeds meer huizen – en dat is ook het geval voor infrastructuur als straten en kades”, vertelt Hurx, die zelf in Gouda gewoond heeft. In een volgende stap wil Hurx ook de historische bouwtechnieken in andere delta’s onderzoeken: die van de Po in Italië en de Yangtze in China. “Venetië was tot de zestiende eeuw een houten stad. Daarna bouwde men meer in steen, maar dat is moeilijker op zo’n ondergrond.


35

“Hollanders en Venetianen werden in heel Europa gevraagd voor waterbouwkundige projecten.”

Bovendien moesten de bouwmaterialen aangevoerd worden – natuursteen uit Kroatië, hout uit de Alpen. Hoe pakte men dat aan?” De Yangtze-delta in China, met grote steden zoals Suzhou en Hangzhuo, die in onze middeleeuwen mogelijk meer dan één miljoen inwoners telden, is zowat de oudste casus van een bebouwde delta. “Het is ook de minst onderzochte: over welke methodes, materialen en budgetten beschikte men? Hoe werd de bouw georganiseerd, en bestond er iets als een bouwmarkt? Het is interessant om de verschillende delta’s met elkaar te vergelijken.” Het onderzoek verschaft inzicht in hoe en waarom innovatie ontstaat, maar er zijn meerdere vlakken waarop Hurx met dit geschiedkundig onderzoek een bijdrage hoopt te leveren: “Niet enkel in Nederland kampt men met problemen; overal ter wereld worden verstedelijkte delta’s bedreigd door de klimaatverandering. Door de stijgende zeespiegel wordt de afvoer van overtollig water extra uitdagend, en door langdurige droge periodes neemt de kans op verzakkende ondergrond alleen maar toe. Met ons onderzoek gaan we de klimaatcrisis zelf niet meteen oplossen, maar we leren wel hoe we erfgoed kunnen redden dat erdoor in gevaar komt.” ● (if)


36

DROOMJOB — Sportpsycholoog voor kinderen en jongeren

“Iemand zien openbloeien: zo mooi” Als gewezen topper in de dressuur kan psycholoog Charlotte Verhesen (34) putten uit eigen ervaring om sportende kinderen en jongeren mentaal in het zadel te houden.

“J

e hebt vijf minuten in die piste, that’s it. In dat tijdsbestek moet het gebeuren. Dat besef deed me soms echt blokkeren.” Nadat ze op zesjarige leeftijd had kennisgemaakt met de paardensport, bouwde Charlotte Verhesen geleidelijk aan een succesvolle carrière uit in de dressuur, maar daarbij kreeg ze soms met mentale problemen te kampen. Ze zocht hulp bij sportpsycholoog Rudy Heylen. “We werkten samen rond vragen als: waardoor raak ik afgeleid, waar kan ik op focussen? Het is ook fijn dat er iemand met je meedenkt over je plan en hoe je dat concreet kan maken.” De positieve ervaring deed haar besluiten om na haar studie psychologie in Leuven – die ze mede dankzij een topsportstatuut kon combineren met de dressuur – voor het ‘Getuigschrift Praktijkgerichte Sportpsychologie’ te gaan. Dat is een tweejarig programma georganiseerd door de Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen en de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen. “Het was een interessante en intense opleiding – inderdaad erg praktijkgericht, met bijvoorbeeld thema­ tische sessies met experts uit verschillende domeinen. Tijdens de stages kwam ik onder meer terecht bij de Ladies van KAA Gent en bij de Topsportschool in Antwerpen: mooie kansen voor een jonge psycholoog.” Bij de Topsportschool is ze vandaag nog steeds aan de slag. Daarnaast heeft ze in Lint haar eigen praktijk Mental Power, en is ze ook sportpsycholoog bij de U15 en de U17 van de Red Flames. Ze helpt jonge sporters onder meer bij motivatieproblemen, prestatiedruk of faalangst. “Ik werk graag met pubers. Een moeilijke leeftijd, ze zijn op zoek naar zichzelf, maar ik vind het interessant om deel te kunnen uitmaken van dat proces. Jongeren zijn nog kneedbaar in hun denken, je ziet ze soms op korte tijd veranderen.”

Feilbare Federer Elke sport heeft zijn eigen valkuilen op mentaal vlak, vertelt Verhesen. “Denk aan tennis. Dat is een sport waarin je veel

fouten maakt, en daar moet je mee om kunnen gaan. Roger Federer heeft het eens mooi verwoord: ‘Ik heb 80 procent van mijn enkelmatchen gewonnen, maar ik won maar 54 procent van de punten.’ Bij voetbal heb je dan weer het tijdselement: als je in de 89ste minuut op achterstand staat, voel je een ander soort stress.” Naast de zelfopgelegde druk kunnen ook de verwachtingen van coaches of ouders gaan wegen. “De jongeren die ik zie, doen allemaal heel wat opofferingen voor hun sport. Dat hou je alleen vol als de motivatie van binnenuit komt: je doet het omdat sporten een deel van je identiteit is, niet omdat je mensen rondom jou niet wil teleurstellen. Ik laat die jongeren stilstaan bij dingen waar ze in het dagelijks leven voorbij rushen: ‘Waar komt druk vandaan, welk effect heeft dat op mij?’ Dat benoemen doet al veel. Natuurlijk werken we ook oplossingsgericht. Ik leer hen bijvoorbeeld ademhalingstechnieken aan om zich te ontspannen.”

De klik maken Haar werk draait om veel meer dan het bijdragen aan sportief succes. “Ik heb eens een jonge voetballer begeleid die agressief gedrag stelde. Het kwam voort uit een trauma, dat we samen aangepakt hebben. Van de coaches hoorde ik nadien dat hij meer rust had gevonden en geen woedeaanvallen meer had. Dat geeft veel voldoening. Of jongeren met een depressie een klik zien maken die hen helemaal doet openbloeien: dat is zo mooi.” In haar praktijk begeleidt ze jongeren één op één, bij de Topsportschool en de Red Flames is het creëren van een psychologisch gezonde omgeving teamwork. “Bij de Flames bespreken we aan het begin van elk seizoen met de hele staf welke visie we willen uitdragen. We formuleren boodschappen die we blijven herhalen en die we ook op de muren zetten, zoals: ‘Speel voor het meisje naast je.’ Het is belangrijk dat die waarden zichtbaar zijn, en dat we ze elke dag ook zelf belichamen.” Heeft ze los van haar drukke professionele bezigheden nog een droomproject? “Tijdens mijn studie psychologie vond ik de lessen gedragsneurowetenschappen heel boeiend. Ik broed nu zelf op een idee om kinderen en jongeren op een speelse manier uit te leggen hoe hun brein werkt, zodat ze zichzelf en anderen beter leren begrijpen.” Paardrijden doet ze nog steeds, en ze is ook geregeld op een padel- of volleybalterrein te vinden. “Maar alles recreatief, de tijd van competitie is voorbij. Mijn weekends zijn heilig geworden voor mij (lacht).” ● (rvh)


37

“Topsport hou je alleen vol als de motivatie van binnenuit komt.”

© KU Leuven – RS


38

SCHENKERS — Een gift in memoriam

Als pijn plaatsmaakt voor perspectief Marie-Jeanne Huysman en Kris Brigitta verloren allebei een geliefde door ziekte. In plaats van bloemen vroegen zij hun rouwgasten om een gift voor wetenschappelijk onderzoek. Hun initiatief illustreert een groeiende trend waarbij mensen het overlijden van een dierbare aangrijpen om te schenken aan een goed doel, in de hoop dat anderen er baat bij hebben. "Als vele kleine beetjes samenkomen, krijg je impact", zegt Kris.

O

p een winterse dag in januari 2025 komt Willy Naessens, de bekende Vlaamse ondernemer, op een feest ten val. Het wordt het startpunt van een twee maanden durende lijdensweg die eindigt met zijn overlijden op 31 maart. Voor zijn weduwe MarieJeanne dient zich een moeilijke periode aan, maar ook de kans om iets moois uit het verdriet te laten groeien. “We hebben veel familie en kennissen, en ook onze klan­ten en personeelsleden zijn talrijk”, vertelt zij. “We dachten: als iedereen bloemen of kransen geeft, word je overstelpt en na veertien dagen blijft daar niets meer van over. We kunnen dan beter een gift vragen voor een goed doel.” Het resultaat overtrof alle verwachtingen: ongeveer 65.000 euro werd ingezameld voor het KU Leuven-fonds van professor Marc Boogaerts, dat stamcelonderzoek financiert en patiënten ondersteunt na stamceltransplantatie.

Dankbaarheid na genezing De keuze voor dit specifieke fonds kwam niet uit de lucht vallen. Willy kreeg in 1993 de diagnose van lymfeklier­ kanker en ging in behandeling bij professor Boogaerts. Na afloop was de arts vooruitziend genoeg om gezonde stamcellen bij Willy af te nemen, om in te zetten bij een eventueel herval. Die stamcellen kwamen inderdaad van pas toen de ziekte na drie jaar terugkeerde. Een levensreddende stamceltransplantatie volgde. “Willy was een

“Mecenaat is essentieel voor de financiering van risicovol onderzoek.”

van de eerste patiënten in Leuven die een transplantatie ondergingen met eigen stamcellen. Dankzij Marc heeft hij toch nog vele jaren extra gekregen”, vertelt Marie-Jeanne. Er groeide een bijzondere vriendschap tussen het echtpaar Naessens en Marc Boogaerts, die zich Willy herinnert als ‘een crème van een mens’. “Nog tijdens zijn ziekte begon hij al te denken aan zijn ‘collega-patiënten’, zoals hij andere kankerpatiënten noemde, en werd hij schenker. Hij wilde het stamcelonderzoek een duwtje in de rug geven”, aldus de professor. Willy Naessens sponsorde mee de navelstrengbloedbank in Leuven waarin onderhand 20.000 stalen worden bewaard, beschikbaar voor stamceltransplantaties voor mensen met bloedziekten over de hele wereld. Willy bleef gedurende zijn hele leven doneren aan stamcelonderzoek. Voor weduwe Marie-Jeanne en Willy’s kinderen lag de keuze om na zijn overlijden giften te vragen voor het fonds van professor Boogaerts dan ook voor de hand. “We hebben contact opgenomen met KU Leuven en zij hebben ons alle info bezorgd, samen met een voorbeeldtekstje voor op de rouwbrief.” Achteraf kreeg Marie-Jeanne een lijst met alle schenkers, zodat ze hun een bedankje kon sturen. Voor giften van meer dan 40 euro ontvingen de schenkers een attest voor belastingvermindering.


39

—

© KU Leuven – RS

Marie-Jeanne Huysman, de weduwe van Willy Naessens, hier met professor Marc Boogaerts: “Na een overlijden willen mensen toch iets geven. Nu komt hun bijdrage ergens terecht waar ze er iets mee kunnen doen voor de toekomst.”


© KU Leuven – RS

40

Onzichtbare ziekte, zichtbare impact Kris Brigitta en haar zussen maakten een vergelijkbare keuze toen zus Nicole in het najaar van 2024 overleed na jarenlange gezondheidsproblemen, onder andere door de ziekte van Crohn. “Nicole had zelf aangegeven dat ze geen bloemen wilde bij haar afscheid. Ze zei: ‘Bloemen verwelken en gaan weg, dat wil ik niet’”, vertelt Kris. “We dachten onmiddellijk aan een donatie voor het Fonds voor Inflammatoire Darmziekten, dat was voor ons de enige logische keuze.” Nicoles lijdensweg duurde meer dan vijf jaar. “Ze was net met pensioen toen haar gezondheid achteruit begon te gaan. We weten niet precies wanneer ze ziek is geworden omdat Nicole een zeer positief persoon was die altijd zei: ‘Het zal wel overgaan.’ Ze woonde alleen en ging niet gemakkelijk naar de dokter. We hadden pas door hoe erg het was toen ze werd opgenomen in het ziekenhuis”, vertelt Kris. De ziekte bracht veel complicaties met zich mee: Nicole kreeg blaren over haar hele lichaam, ontwikkelde een fistel en uiteindelijk werkten haar nieren nog maar voor veertig procent. Professor Bram Verstockt, specialist inflammatoire darmziekten aan UZ Leuven, benadrukt dat dit geen uitzonderlijk verhaal is. “Een diagnose van crohn of colitis ulcerosa lees je niet altijd op het gezicht, maar de ziekte kan een enorme impact hebben. Inflammatoire darmziekten hebben vaak veel bredere gevolgen dan alleen

darmklachten: extreme vermoeidheid, aantasting van andere organen, huid­problemen. Er zijn ook de psychosociale gevolgen: het heeft een grote impact op je levenskwaliteit als je bijvoorbeeld continu naar het toilet moet of met een stoma moet leven.” De vrienden en familie van Nicole Brigitta zamelden 635 euro in voor het onderzoek, een bedrag dat volgens Verstockt zeker zinvol is: “Elke geschonken euro wordt nuttig besteed.”

Hefboom Verstockt en Boogaerts benadrukken allebei het cruciale belang van private schenkingen. Het is startgeld, legt Bram Verstockt uit. “Om competitieve onderzoeks­ financiering binnen te halen, moet je niet alleen een hypothese kunnen voorleggen maar vaak ook al preliminaire bevindingen. Dus moet je al wat onderzoek gedaan hebben, en daar kan mecenaat een belangrijke rol spelen.” Giften vormen zo een hefboom die vervolg­ financiering mogelijk maakt. Marc Boogaerts vult aan: “Mecenaat is ook essentieel voor de financiering van risicovol onderzoek, waarbij de uitkomst helemaal niet zeker is. De farmaceutische industrie investeert daar niet graag in en wacht liever tot de eerste resultaten er zijn om verdere therapieën te ontwikkelen.”


41 “Elke geschonken euro wordt nuttig besteed.”

—

Nicole Brigitta had zelf aangegeven dat ze geen bloemen wilde bij haar afscheid, vertelt zus Kris (hier naast professor Bram Verstockt): “Een donatie voor het Fonds voor Inflammatoire Darmziekten leek ons de enige logische keuze.”

Onverwachte doorbraken

De cirkel sluiten

In de loop van bijna veertig jaar heeft het fonds van professor Boogaerts ettelijke miljoenen euro's opgehaald, niet alleen voor financiering van risicovolle onderzoeksprojecten maar ook voor doctoraatsbeurzen en psychosociale ondersteuning van patiënten. Het stamcelonderzoek dat Willy Naessens mee mogelijk maakte, leidt vandaag tot verrassende toepassingen. Boogaerts vertelt enthousiast over recente ontwikkelingen: stamcellen worden gebruikt in onderzoek naar neurologische ziekten zoals alzheimer en parkinson, hartproblemen en zelfs oogaandoeningen. “In een studie kregen drie blinde patiënten gezonde stam­ cellen getransplanteerd in het oog. Alle drie konden zij plots licht­flitsen waarnemen”, zegt hij. “Ze zien nog geen contouren, maar kunnen wel licht en donker onderscheiden.”

De keuze die Marie-Jeanne en Kris maakten, is krachtig en inspirerend, wat blijkt uit de vele positieve reacties die zij van hun omgeving kregen. Voor Marie-Jeanne geeft die positieve respons een goed gevoel. “Mensen willen toch iets geven. Nu komt hun bijdrage ergens terecht waar ze er iets mee kunnen doen voor de toekomst. Willy’s leuze was: ‘Ik heb het goed, iedereen mag het goed hebben.’ Door die inzameling te doen, hebben we dat eigenlijk voortgezet na zijn dood.” Professor Boogaerts treedt haar bij: “Willy heeft altijd gezegd dat hij geluk heeft gehad, maar dat geluk gunde hij ook andere mensen.” Kris put troost uit de gedachte dat Nicoles lijden misschien anderen kan besparen wat haar overkwam. “Er moet nog veel onderzoek gebeuren, maar alle kleine beetjes helpen om bij te dragen aan verbetering voor mensen die later de ziekte zouden krijgen.”

Met de steun van het Fonds voor Inflammatoire Darmziekten proberen onderzoekers crohn en colitis ulcerosa in al hun aspecten te ontrafelen. “We willen de oorzaken vinden, maar ook achterhalen hoe we het ziekte­verloop kunnen voorspellen. Nu krijgen patiënten een diagnose zonder te weten hoe hun situatie zal evolueren – dat creëert enorme onzekerheid. We willen ook kunnen voorspellen welke medicatie zal aanslaan, want nu is het vaak trial and error”, zegt professor Verstockt. “Ook de rol van voeding en darmflora bestuderen we. Het onderzoek is bewust breed opgezet, omdat al die facetten cruciaal zijn om de ziekten te begrijpen.” En dankzij die inzet van onderzoekers zijn er hoopvolle ontwikkelingen. Verstockts team identificeert momenteel biomerkers die kunnen voorspellen of de ziekte zal terugkeren na een operatie. “Er is een patent­ aanvraag ingediend vanuit KU Leuven. Als alles goed gaat, kunnen we daar hopelijk mee aan de slag bij patiënten.”

In een tijd waarin wetenschappelijk onderzoek steeds duurder wordt en overheidsmiddelen onder druk staan, zijn verhalen zoals die van Marie-Jeanne en Kris lichtpuntjes. Ze illustreren hoe persoonlijke pijn kan leiden tot universele hoop. De boodschap die ze ons meegeven? Kleine gebaren zorgen samen voor grote impact. ● (vh) Meer info via steun.kuleuven.be/inmemoriam


42

PATROONSFEEST 2026 — Wie zijn de nieuwe eredoctores?

Naar jaarlijkse traditie reikt KU Leuven op 2 februari, tijdens haar Patroonsfeest, eredoctoraten uit. Dit jaar bekronen we zes grote namen: geneticus Ségolène Aymé, architect Karen Braitmayer, econoom Mario Draghi, kunstwetenschapper James Elkins, biofysicus Raymond E. Goldstein en mensenrechtenactivist Hina Jilani.

Ségolène Aymé

Meer oog voor zeldzame ziekten Het visionaire werk van medisch geneticus en epidemioloog professor Ségolène Aymé (°1946) heeft diepgaande impact gehad op het wetenschappelijk onderzoek naar zeldzame aandoeningen en de zorg voor patiënten, in Frankrijk en in heel Europa. Aymé is emeritus directeur onderzoek bij het Franse Instituut voor Gezondheidsen Medisch Onderzoek (INSERM) en was als expert zeldzame ziekten verbonden aan het Institut du Cerveau in Parijs. Een ziekte wordt ‘zeldzaam’ genoemd als ze voorkomt bij minder dan één op tweeduizend mensen – er zijn er inmiddels meer dan zesduizend bekend. Alleen al in Europa hebben ongeveer 30 miljoen mensen met een zeldzame aandoening te kampen. Vanwege een gebrek

aan kennis laat een diagnose gemiddeld vijf jaar op zich wachten, en voor 95 procent van de zeldzame aandoeningen ontbreekt vooralsnog een adequate behandeling. Omdat individuele universitaire ziekenhuizen of landen doorgaans niet over voldoende patiëntenaantallen beschikken om gedegen wetenschappelijk onderzoek te verrichten naar zeldzame ziekten, richtte Ségolène Aymé in 1997 Orphanet op. Onder haar leiding groeide dat uit tot het grootste Europese kennisplatform voor zeldzame ziekten. Het bevordert samenwerking over grenzen heen, waardoor het onderzoek en de kwaliteit van de zorg worden verbeterd.

Bron van inspiratie Als lid van talloze Europese en internationale instellingen, waaronder het adviescomité voor zeldzame ziekten van de WHO, heeft Aymé ervoor geijverd om zeldzame ziekten in Europa en wereldwijd onder de aandacht te brengen. Ze was in 2004 de drijvende kracht achter het eerste nationale plan voor zeldzame ziekten. Dat vormt nu de basis voor een pan-Europees zorgsysteem, de Europese Referentienetwerken voor zeldzame ziekten (ERN’s), waarin expertisecentra worden samen­ gebracht om patiënten met zeldzame en complexe aandoeningen de juiste, zeer gespecialiseerde, zorg te kunnen bieden. Voor het nieuw opgerichte Leuvens Instituut voor Zeldzame Ziekten (Leuven.IRD), dat wetenschappelijk onderzoek en medische expertise aan KU Leuven en UZ Leuven samenbrengt, is het werk van Ségolène Aymé een bron van inspiratie. KU Leuven eert haar daarom graag met een eredoctoraat.

© Gilles Hanauer

Promotoren: professor Marion Delcroix en professor Gert Matthijs

Voor 95 procent van de zeldzame aandoeningen bestaat nog geen behandeling.


43 Braitmayers missie is ervoor te zorgen dat iedereen zich welkom voelt in de gebouwde omgeving.

Karen Braitmayer

Inclusieve architectuur Al vroeg in haar carrière besefte de Amerikaanse architect Karen Braitmayer (°1958) dat ze een unieke bijdrage kon leveren aan haar vakgebied. Braitmayer werd geboren met een aandoening die de mobiliteit vermindert en ernstig gehoorverlies veroorzaakt, waardoor ze gebruik moet maken van een rolstoel en van gehoorondersteuning. Dat heeft ertoe bijgedragen dat ze architectuur op een andere manier benadert dan veel van haar collega’s. In 1993 richtte ze in Seattle Studio Pacifica op, een adviesbureau op het gebied van ontwerp en inclusiviteit. Braitmayers missie is ervoor te zorgen dat iedereen zich welkom voelt in de gebouwde omgeving ongeacht fysieke mobiliteit, zintuiglijke vermogens of neurologische eigenheid. Daarbij heeft ze oog voor de vele vormen die

barrières kunnen aannemen, van overmatig lawaai tot verwarrende bewegwijzering. De zorg die Studio Pacifica besteedt aan het vormgeven van inclusieve architectuur, gaat verder dan wat de normen voorschrijven. Meerdere van de adviseurs hebben zelf een beperking: hun persoonlijke ervaringen dragen bij tot de ideeën die het bureau aanreikt aan architecten, projectontwikkelaars en stedenbouwkundigen.

Iedereen welkom Braitmayer heeft met toonaangevende architecten samengewerkt aan projecten zoals de Central Library in Seattle en het herontwerp van de iconische Space Needle in diezelfde stad. Bedrijven doen een beroep op Studio Pacifica om hun werkplekken zo inclusief mogelijk te maken, en ook binnen onderwijs, zorg en huisvesting heeft het bureau bijdragen geleverd aan architectuur die iedereen welkom heet. Daarnaast reist Braitmayer het land rond om haar inzichten te delen met vakgenoten, beleidsmakers, scholieren en studenten.

© Daniel Sheehan

Haar verdiensten zijn niet onopgemerkt gebleven. In 2010 benoemde president Barack Obama haar tot lid van de United States Access Board, die onder meer richtlijnen voor toegankelijkheid ontwikkelt. Ze bekleedde de functie tot juli 2023. Braitmayer ontving ook meerdere onderscheidingen, waaronder de Whitney M. Young Jr. Award van het American Institute of Architects (AIA), een bekroning voor architecten die “maatschappelijk engagement belichamen en actief een relevant vraagstuk aanpakken”. Het eredoctoraat sluit aan bij twee jubilea aan KU Leuven: de vijftigste verjaardag van de ondersteuningsinitiatieven ‘Studeren met een functiebeperking’ in 2025, en de twintigste verjaardag van de Werkgroep Fysieke Toegankelijkheid in 2026. De bekroning van Braitmayer onderstreept dat architectuur baat heeft bij verschillende perspectieven en is een uitnodiging aan studenten in al hun diversiteit om mee te bouwen aan een inclusieve wereld. Promotoren: professor Fredie Floré en professor Ann Heylighen


44 Mario Draghi

Van vele markten thuis van directielid van de Wereldbank in de jaren 1980, over directeurgeneraal van het Italiaanse ministerie van Financiën in de jaren 1990, tot gouverneur van de Bank van Italië, vanaf 2006. In 2011 wordt Mario Draghi voorzitter van de Europese Centrale Bank (ECB). De volgende jaren loodst hij de eurozone doorheen de schuldencrisis van 2012. In die context doet hij zijn beroemde uitspraak, dat de ECB bereid is ‘to do whatever it takes to preserve the euro.’ Het wordt later gezien als hét moment waarop het voortbestaan van de eurozone verzekerd werd, en Draghi geldt sindsdien als ‘de redder van de euro’.

© ingezonden

Kompas

‘Whatever it takes’: met die drie woorden schreef de Italiaanse econoom, bankier en politicus Mario Draghi (°1947) zich in de Europese geschiedenis­boeken. Draghi deed de uitspraak in volle eurocrisis, als voorzitter van de Europese Centrale Bank, en werd zo ‘de man die de euro redde’. Mario Draghi studeert economische wetenschappen in zijn geboortestad Rome, behaalt een doctoraat aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT), en wordt nadien hoogleraar economie in zijn thuisland. Vanaf de late jaren 70 neemt hij ook financiële beleidsfuncties op,

In 2019 zit Draghi’s termijn van acht jaar bij de ECB erop, en wordt hij opgevolgd door Christine Lagarde – overigens ook eredoctor van KU Leuven. Begin 2021 stapt hij in de Italiaanse politiek. De COVIDpandemie heeft er in Italië zwaar ingehakt, en het is aan premier Draghi en zijn regering van nationale eenheid om het land er economisch weer bovenop te helpen. In het najaar van 2022 wordt hij na nieuwe verkie­ zingen opgevolgd door Giorgia Meloni. Elke stap in Draghi’s loopbaan toont het cruciale belang van acade­ mische financiële kennis in tijden van economische en geopolitieke onzekerheid. Ook vandaag nog is Mario Draghi een scherp analyticus van het economische reilen en zeilen. In 2024 ligt een rapport van Draghi aan de basis voor het ‘Competitiviteitskompas’ van de EU, waarmee men Europa economisch weer on track wil krijgen in een uiterst turbulente wereld. De academicus en pragmaticus, de man met een oog voor cijfers en één van de meest invloedrijke Europese beleidsmakers van zijn generatie, krijgt nu een eredoctoraat van KU Leuven. Promotoren: professor Erik Buyst en professor Hylke Vandenbussche

Raymond E. Goldstein

Als fysica tot leven komt Fysicus Raymond Goldstein (°1961) is een pionier in de ‘physics of life’. Die jonge tak binnen de fysica buigt zich niet zozeer over dode materie, zoals sterren of atoom­ kernen, maar eerder over levende systemen, zoals cellen, bacteriën en – welja – mensen. Waar natuurkundigen vroeger aan biologen en biomedici de gereedschapskist leverden om de onderdelen van zo’n organisme te bestuderen, zoals een microscoop, kijkt deze nieuwe generatie fysici nu mee om de choreografie binnenin zo’n levend systeem te verklaren.

Goldstein is op dat vlak een sleutelfiguur: hij slaagt erin om niet alleen de gekende natuurwetten toe te passen op deze moeilijker grijpbare studie-objecten, die constant bewegen en evolueren, maar ontwikkelt zelfs nieuwe denkkaders om de fysische principes voor het functioneren van levende systemen te begrijpen. De fysicus staat er ook om bekend vlotjes te schakelen tussen het krijtbord vol wiskundige formules, experimenten in het labo en simulaties op de computer.

Draaikolken Zijn favoriete organisme op de glasplaat zijn de Volvocine, een klasse groene algen waartoe zowel eencellige als meercellige soorten behoren.


45

© ingezonden

Eén van de vragen die Goldstein wist te beantwoorden is hoe eenvoudige algen, zonder centraal zenuwstelsel, toch gecoördineerd kunnen bewegen. Goldstein leverde het eerste bewijs, met de principes uit de stromingsleer, dat de algen hun bewegingen synchroniseren via tril­ haartjes en zweepstaartjes. Hij ontdekte ook dat bacteriën in groep turbulentie – draaikolken – kunnen veroorzaken om zo efficiënter te bewegen. In recenter werk gaat Goldstein na hoe algen evolueren van een eencellig naar een meercellig organisme: waar bevindt zich het punt waarop een cel splitst in meerdere cellen om zo een groter organisme te vormen? De vergelijking met onze eigen embryonale ontwikkeling ligt voor de hand. Sinds 2023 is Goldstein verbonden aan de universiteit van Cambridge als Alan Turing Professor of Complex Physical Systems. Voor zijn werk als bruggenbouwer tussen verschillende wetenschappelijke disciplines, ontvangt hij nu een eredoctoraat van KU Leuven. Promotoren: professor Enrico Carlon en professor Christian Maes

James Elkins

Brede kijk op kunst kunst, fotografie, kunstkritiek, waarneming van kunst – waarvoor hij ook de relatie tussen kunst en wetenschap verkende –, visuele en culturele studies alsook artistiek onderzoek. In zijn werk gaan diepgaande detail­ analyses samen met een uitzonderlijk brede kijk op kunst en cultuur. Elkins is gefascineerd door de werking van kunst en beelden in een geglobaliseerde cultuur. Als pionier in global art history reisde hij de wereld rond om te onderzoeken hoe kunst en kunstwetenschappen worden gedoceerd. Hij pleitte als een van de eersten voor een dekolonisering van het vakgebied, met ruimte voor feministische en queer benaderingen.

© ingezonden

Bestsellers

James (Jim) Elkins (°1955) geldt als een van de meest invloedrijke kunstwetenschappers van zijn generatie. Hij genoot ook een opleiding als schilder, en is als E.C. Chadbourne Professor verbonden aan de School of the Art Institute of Chicago. Kenmerkend voor het kunstwetenschappelijke werk van Elkins is zijn interdisciplinaire en experimentele benadering. Hij is de auteur van standaardwerken over schilder­-

Opmerkelijk aan het werk van Elkins is daarnaast dat hij zich ook buigt over hoe kunstwetenschappers over hun bevindingen kunnen rapporteren. Dat bracht hem de voorbije decennia ook op het terrein van de literatuurwetenschap. Bovendien geniet Elkins grote faam vanwege zijn baanbrekende schrijven-met-beelden. Hij werkte twintig jaar aan een vijfdelige roman, met als titel Five Strange Languages, die tekst, beeld en muziek combineert. Twee volumes zijn al verschenen en laten zien hoe Elkins er ook in is geslaagd om het wetenschappelijk schrijven over kunst zelf tot kunst te verheffen. James Elkins’ invloed is voelbaar in het lopende onderzoek binnen de onderzoeksgroepen Kunstwetenschappen en Culturele Studies aan KU Leuven, onder meer in het grootschalige onderzoeksproject Decolonizing the Avant-Garde. Zijn werk inspireert ook het brede publiek, mede dankzij zijn online aanwezigheid. Veel van zijn boeken zijn best­ sellers. Elkins’ werk wordt nu bekroond met een eredoctoraat. Promotoren: professor Sascha Bru en professor Hilde Van Gelder


46 Hina Jilani

Onvermoeibare strijd voor mensenrechten “If you see injustice, you have to speak out against it.” Als kind zag de Pakistaanse advocaat Hina Jilani (°1953) hoe haar vader lange tijd in de gevangenis zat vanwege kritiek op de militaire dictatuur in haar land. Vandaag is ze wereldwijd een van de meest vooraanstaande voorvechters van mensenrechten. Jilani werd meermaals met de dood bedreigd en gearresteerd, en er werd zelfs een fatwa tegen haar uitgesproken, maar ze blijft haar strijd voortzetten. Jilani studeerde rechten aan de universiteit van Punjab in haar geboorte­stad Lahore. Samen met haar zus Asma Jahangir richtte ze Pakistans eerste volledig vrouwelijke advocatenkantoor op, gevolgd door het eerste kantoor voor juridische bijstand aan mensen met beperkte middelen. Ook was ze een van de initiatiefnemers van Dastak, een opvangcentrum dat gratis juridisch advies en ondersteuning biedt aan vrouwen die op de vlucht zijn voor partnergeweld, kindhuwelijken of eerwraak.

Mijlpaalarresten In 1992 werd Jilani aangesteld als advocaat bij het Hooggerechtshof van Pakistan. Ze lag mee aan de basis van mijlpaalarresten die hebben geleid tot nieuwe wetgeving inzake mensenrechten. Ook was ze mede­oprichter en voorzitter van de Human Rights Commission of Pakistan.

Ook op het internationale toneel is Jilani actief. Tussen 2000 en 2008 bracht ze, als eerste Speciaal Vertegenwoordiger voor Mensenrechtenverdedigers bij de VN, wereldwijd systematische schendingen aan het licht. Sinds 2013 is ze lid van The Elders, een raad van wereldleiders, opgericht door Nelson Mandela, die vrede en mensenrechten tracht te bevorderen. Daarnaast is ze covoorzitter van de International Task Force on Justice. Hina Jilani ontving tal van internationale onderscheidingen, waaronder de Millennium Peace Prize for Women (2001), de Stockholm Human Rights Award (2020) en de Genetta Sagan Award van Amnesty International (2000). Nu wordt daar ook een eredoctoraat van KU Leuven aan toegevoegd. Promotor: Studentenraad KU Leuven

© The Elders – Jeff Moore

Daarnaast pleit Jilani al decennialang voor de democratisering van het politieke systeem in Pakistan en voor grondwetswijzigingen die moeten leiden tot een grotere vertegenwoordiging van vrouwen. Ze was medeoprichter van het Women's Action Forum, dat de discriminerende wetgeving in het land aanvecht.

Jilani werd met de dood bedreigd en gearresteerd, en er werd een fatwa tegen haar uitgesproken.


ALUMNUS — Jurist, magistraat en nationaal drugscommissaris Ine Van Wymersch

47

“We moeten voorkomen dat mensen het recht in eigen handen nemen”

© KU Leuven – RS

Geweerschoten in Brussel of een brandbom in Antwerpen? Dan is de kans groot dat het drugsmilieu er voor iets tussen zit. Én dat Ine Van Wymersch (45) haar opwachting maakt in Het journaal, om één en ander te duiden. Na een blitzcarrière in justitie mag de alumna rechten zich sinds 2023 nationaal drugscommissaris noemen. Haar taak? De criminaliteit aan banden leggen en ons land zo onaantrekkelijk mogelijk maken voor dealers allerhande. “Het geweld móét stoppen. Maar even belangrijk is het dat we als samenleving weerbaarder worden.”


48 H

et is een opvallend contrast: de warme glim­ lach van Ine Van Wymersch en de strenge blikken van de bodyguards die haar flankeren. Ze ontvangt ons in het hoofdkwartier van het nationaal drugscommissariaat – een Brussels kantoor waarvan de exacte locatie geheim moet blijven. Zelfs foto’s bij het raam zijn uit den boze: “De achtergrond zou te veel van de omgeving kunnen onthullen.” Sinds Van Wymersch de strijd aangaat met het drugsmilieu is waakzaamheid geboden. “Aan die bewaking ben ik inmiddels gewend”, zegt ze. “Al vond ik het aanvankelijk wel vreemd – zo’n lijfwacht die de kamer inspecteert vóór je binnen mag (lacht). Bang ben ik niet, maar ik wil ook niet naïef zijn. Ik blijf voorzichtig. Op sociale media ben ik discreet over mijn doen en laten, en bij aangekondigde events is er steeds extra bescherming.”

Brussel is haar uitvalsbasis, maar Van Wymersch begeeft zich ook vaak ‘op het terrein’. “Je moet weten hoe het er in de praktijk aan toegaat. Deze week bracht ik bijvoorbeeld een werkbezoek aan de haven van Antwerpen, al jaren een draaischijf voor drugshandel. Maar evengoed had ik een afspraak met de minister van Justitie, over de te voeren aanpak, en ging ik langs bij het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie, waar we een wetenschappelijke databank willen aanleggen die aangeeft welke drugs er allemaal in omloop zijn in België. De job is heel divers, en elke dag ziet er anders uit. Heel boeiend, dus.”

Plezier en plichtsbewustzijn Drugskartels op de hielen zitten was niet meteen waar de achttienjarige Van Wymersch van droomde. Wel koos ze na het middelbaar voor een studie rechten. “Vanuit een diepgeworteld rechtvaardigheidsgevoel”, zegt ze. “Als kind kon ik er al niet tegen als iemand werd gepest op school. Dan móést ik tussenbeide komen. Later werd ik leider in de jeugdbeweging en leerde ik dat lang niet iedereen het geluk heeft om in

© KU Leuven – RS

“Over gemediatiseerde rechtszaken heeft iedereen een mening. Daarom is het belangrijk dat het publiek inzicht krijgt in de werking van het gerecht.”


49 een warm nest op te groeien. Ik vatte het idee op om jeugdrechter te worden. Zo zou ik kinderen in moeilijke thuissituaties kunnen helpen.” Van Wymersch begint haar opleiding aan de K.U. Brussel – vandaag KU Leuven Campus Brussel – en zet haar studie na een paar jaar verder in Leuven. Ze noemt zichzelf een ‘vrolijke’ maar ook ‘gedisciplineerde’ student. “Ik ging altijd naar de les, want ik heb de zaken graag onder controle. Zelfs als ik de avond daarvoor stevig was uitgegaan, zat ik ’s ochtends vroeg in de aula. ‘Slapen is voor later’, dacht ik. Iets wat eigenlijk nooit is veranderd (lacht).” “Mijn studententijd was een combinatie van plezier en plichtsbewustzijn”, vertelt ze. “Ik had een heel actief sociaal leven, maar dat hield op als de examens in aantocht waren. Vanaf 1 april dook ik onder, en pas na het laatste examen kwam ik weer ‘onder de levenden’.

Ik legde mezelf een heel streng regime op. Ik blokte soms tien à twaalf uur per dag. Stevig, maar voor mij werkte dat. Ik heb nooit herexamens gehad, en kon altijd genieten van een lange zomer.” In haar laatste jaar trekt ze op Erasmus naar Salamanca. “Verrijkend, maar ook pittig”, zegt ze. “Toen ik er aankwam sprak ik geen woord Spaans. Ik ging ervan uit dat de lessen in het Engels zouden worden gegeven, maar dat bleek niet het geval (lacht). De stoomcursus die ik kreeg, komt me vandaag wel nog goed van pas. Wanneer ik praat met collega’s uit Colombia, Ecuador of Bolivia, bijvoorbeeld – landen met een grote drugsproblematiek. Als student had ik nooit kunnen denken dat het gezwoeg op dat Spaans me vandaag zoveel zou opleveren.”

Last resort Van Wymersch studeert vlot af en doet haar advocatenstage bij de balie van Brussel. Ze werkt als juridisch adviseur voor de lokale politie, en begint aan een stage bij het parket van Brussel. In 2014 wordt ze er ‘jeugdmagistraat’. “Een atypische afdeling binnen het parket, omdat je een dubbele rol hebt. Je brengt jeugddelinquenten voor de rechter, maar je neemt ook maatregelen om minder­ jarigen te beschermen. Een belangrijk deel van de job omvat contacten met de hulpverlening. Het dichtste dat ik in de buurt van ‘jeugdrechter’ ben gekomen.” “Het jeugdparket is de last resort”, zegt Van Wymersch. “Ik heb veel schrijnende zaken gezien en moeilijke beslissingen moeten nemen. Elke keer dat ik de opdracht heb gegeven om een kind bij de ouders weg te halen, zal ik me blijven herinneren. Omdat je op zo’n moment weet hoe ingrijpend je beslissing is, en dat ook de kinderen die dag nooit zullen vergeten. Maar het alternatief is dat het verkeerd afloopt.” “Ik overlegde zo goed mogelijk met psychologen, artsen en hulpverleners. Ik heb het gevoel dat we zelfs in de meest uitzichtloze situaties de beste beslissing hebben genomen. Of dat toch geprobeerd hebben, want achteraf weet je het nooit zeker. Soms zijn er duidelijke tekenen van kindermishandeling of -misbruik, maar je hebt ook dossiers waarbij dat niét het geval is – de moeilijkste gevallen, met veel ruis op de lijn. Ik heb bijvoorbeeld meegemaakt dat jongeren die waren misbruikt de verkeerde persoon beschuldigden, omdat de échte dader een familielid was dat ze wilden beschermen … Het was niet altijd makkelijk om de knoop door te hakken.”

—

Ine Van Wymersch: “Als drugscommissaris begon ik met een lege pagina. Inspirerend, want je kan je eigen stempel drukken, maar ook beangstigend. Ik noem ons weleens de kleinste ‘start-up’ binnen de overheid, met de grootste verwachtingen vanuit de maatschappij.”


50 “Ik blokte soms tien à twaalf uur per dag. Stevig, maar voor mij werkte dat.”

Staatsblad, en waren ze meteen na middernacht van toepassing. In een log systeem moest je dan snel schakelen, en ervoor zorgen dat de politiemensen op het terrein wisten wat hen te doen stond …” “Eigenlijk hebben we ons in sneltempo een heel nieuw wettelijk kader eigen moeten maken. Op het parket hebben we toen een ‘coronateam’ opgericht. Aan de muur hing een hele tijdslijn met welk Koninklijk Besluit wanneer van toepassing was. Want als je iemand voor de rechter brengt voor het schenden van de coronamaatregelen, moet je natuurlijk wel weten welke regels op het moment van de overtreding van toepassing waren. Uitdagend, maar tegelijk ook ‘hoogdagen’. Ik haal veel voldoening uit het onder controle krijgen van zo’n zware opdracht.”

Drugsfonds ‘Geen commentaar’? Van Wymersch was ook acht jaar woordvoerder van het parket. Toentertijd nog een ‘bijjob’, zegt ze. “Ik deed het naast mijn andere taken. De pers te woord staan werd gezien als een noodzakelijk kwaad: ‘Geen commentaar’ was het standaardantwoord, maar daar heb ik mij steeds tegen verzet. Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat je de rol van justitie moet duiden bij het publiek. En dat je dat perfect kan doen zonder in details te treden of het onderzoek in gevaar te brengen. Vandaag is dat gelukkig ook de norm geworden.” Als woordvoerder komt Van Wymersch in aanraking met alle takken van het gerecht. “Zodra een dossier media­ gevoelig bleek, moest ik me erin verdiepen. Ik wou niet met de pers praten vooraleer ik de inhoud volledig begreep, dus ik heb me door heel wat ingewikkelde dossiers moeten ploegen, gaande van cold cases tot btw-carrousels. Een goede leerschool. Zeker de kennis die ik opdeed over fraudedossiers is vandaag nog nuttig – in het drugsmilieu zijn ingewikkelde financiële constructies en witwaspraktijken schering en inslag.” Justitie ligt vandaag geregeld onder vuur. Hoe kijkt ze daarnaar als voormalig woordvoerder? “De samenleving is veranderd. En dat heeft invloed op hoe justitie wordt gepercipieerd. Over gemediatiseerde rechtszaken heeft iedereen een mening. Net daarom lijkt het me zo belangrijk dat het publiek inzicht krijgt in de werking van het gerecht. Zeker bij dossiers die de harten beroeren. Je hoeft het niet eens te zijn met de uitspraak van een rechter, maar het is wel belangrijk dat je weet hoe die tot stand is gekomen. We moeten vermijden dat mensen zich afkeren van justitie, of het recht in eigen handen nemen.”

Hoogdagen In 2019 wordt Van Wymersch Procureur des Konings van het parket Halle-Vilvoorde. Met haar achtendertig de jongste ooit in ons land. Ze ontwikkelt een nieuw veiligheidsplan voor de luchthaven van Zaventem, pakt hangjongeren beter aan en gaat de strijd aan tegen familiaal geweld. Niet evident, want de coronajaren leggen extra druk op de werking van ‘haar’ parket. “Er werden voortdurend nieuwe maatregelen ingevoerd, die ik moest zien te handhaven”, zegt ze. “Soms werden die om tien voor twaalf ’s nachts gepubliceerd in het

In 2023 volgt haar zwaarste opdracht ooit. Van Wymersch wordt de eerste nationaal drugscommissaris van België. Hoe begin je aan een job waarin niemand je is voorgegaan? “In de oprichtingswet staan de taken van het drugscommissariaat opgesomd”, vertelt ze. “Het doel is om België zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor criminele organisaties, en om hun werking te verstoren. Maar hoe je dat doet? Als procureur had ik een duidelijk mandaat, hier begon ik met een wit blad. Dat werkt inspirerend, want je kan je eigen stempel drukken, maar tegelijk is het ook beangstigend. Ik noem ons weleens de kleinste ‘start-up’ binnen de overheid, met de grootste verwachtingen vanuit de maatschappij.” De voorbije twee jaar wist het drugscommissariaat verschillende initiatieven te lanceren. Zo gaf het de aanzet tot een procedé om cocaïne onklaar te maken meteen na inbeslagname. Het commissariaat zette ook mee de schouders onder een ‘fast lane’ bij verbrandingsovens, waardoor wagens met in beslag genomen drugs niet hoeven aan te schuiven tussen die van afvalbedrijven, en de kans afneemt dat criminelen de opgeslagen drugs opnieuw gaan stelen. Het initiatief waar Van Wymersch het meest van verwacht is een ‘drugs­ impulsfonds’. “Daarmee kunnen we in beslag genomen crimineel vermogen inzetten voor de strijd tegen drugscriminaliteit. Met misdaadgeld kan je heel wat nieuwe initiatieven financieren waarvoor vandaag geen budget is. Als we drugscriminaliteit willen aanpakken, moéten we innovatief zijn. Want als we meer van hetzelfde doen, krijgen we ook dezelfde resultaten. En die volstaan niet. In 2023 maakte de federale regering 15 miljoen euro vrij om te experimenteren met zo’n fonds, en dat leverde mooie resultaten op. Nu is het zaak om het ook in een wet te verankeren.” Al die goede acties ten spijt lijkt het drugsgeweld toe te nemen. Met de regelmaat van de klok lezen we over schietpartijen in Brussel, veelal gelinkt aan afrekeningen binnen het milieu. “Vroeger waren die afrekeningen er óók”, zegt Van Wymersch. “Alleen vonden ze plaats om vier uur ’s nachts, in achterafstraatjes, en spendeerde de pers er geen aandacht aan. Omdat de maatschappelijke impact kleiner was. Vandaag is dat anders. Net omdat het out in the open gebeurt, dreigen er ook onschuldige burgerslachtoffers te vallen. En het geweld neemt toe omdat steeds jongere en onervaren mensen zware wapens in handen krijgen, en omdat er enorm veel crimineel geld voorhanden is om hen te betalen.” “Het gaat bij die schietpartijen niet om geroutineerde criminelen, maar om jongens van zestien, zeventien jaar – drop-outs zonder toekomst­ perspectief. Voor het criminele milieu zijn dat wegwerpkrachten. Vandaag vragen die jongeren zich af waarom ze hun middelbare school zouden afmaken, als hun buurjongen met een Jaguar rijdt die hij heeft verdiend met het dealen van drugs. Als je zo’n wagen in beslag kan nemen, geef je ouders en opvoeders een gegronde reden om te zeggen: ‘Zie je, drugs lonen niet.’”


51 Marathon Van Wymersch noemt haar werk als drugscommissaris het meest uitdagende dat ze ooit heeft gedaan. Een uitspraak die kan tellen, want ze waagt zich al tien jaar lang aan veeleisende jobs met grote maatschappelijke verantwoordelijkheid. We vragen haar hoe ze dat volhoudt. “Ik probeer goed voor mezelf te zorgen. Door te sporten, en nu en dan vakantie te nemen. Al geloof ik niet dat je werk en privé gescheiden moet houden. Dat bezorgt me enkel meer stress (lacht). Voor mij lopen de twee door elkaar. Ik zal op vakantie soms werkmails beantwoorden, maar als mijn kinderen dringend moeten worden opgehaald van school, dan laat ik het werk even vallen. Het is geven en nemen. En mild zijn voor jezelf: ik heb een drukke job, maar ook een gezin en een sociaal leven. Je kan niet alles alleen, dus waar ik hulp kan inschakelen doe ik dat.”

© KU Leuven – RS

—

Het mandaat van drugscommissaris loopt vijf jaar, maar kan nog eens verlengd worden. Zit ze in 2028 nog op dezelfde stoel? “Momenteel liggen er nog meer dan genoeg zaken op de plank die ik tot een goed einde wil brengen”, zegt ze. “Er is tijd nodig om alle ideeën en initia­tieven in praktijk om te zetten. Dit is geen sprintje, maar een marathon. Die wil ik graag uitlopen.” ● (pjb)

Ine Van Wymersch: “Als we drugscriminaliteit willen aanpakken, móéten we innovatief zijn. Want als we meer van hetzelfde doen, krijgen we ook dezelfde resultaten. En die volstaan niet.”

IJsberg Het drugsgeweld terugdringen is een topprioriteit voor Van Wymersch. Maar met louter law enforcement komen we er niet, zegt ze. “We hebben nood aan een overkoepelende strategie.” “Ik vergelijk criminele organisaties met een ijsberg. Er is een zichtbaar deel – de schietpartijen en ontploffingen – maar een groot deel bevindt zich onder de waterlijn. Denk aan fraude, corruptie en intimidatie. Vandaag beperken we ons nog te vaak tot het rechtstreeks inhakken op de ijsberg, met douane, politie en justitie. Maar om tot een duurzaam resultaat te komen, en te vermijden dat de ijsberg telkens weer aangroeit, moeten we méér doen dan dat.” “Het is zaak om ook andere actoren aan boord te halen. We hebben bijvoorbeeld nood aan preventie en goed onderwijsbeleid dat jongeren weerbaarder maakt. Maar ook aan doeltreffende armoedebestrijding, kwaliteitsvolle huisvesting, en toegankelijke psychologische hulp­ verlening. Al die zaken warmen de temperatuur van het water op en zorgen ervoor dat de ijsberg smelt. Een warme samenleving als antwoord op de georganiseerde drugscriminaliteit.” “Het is niet mijn ambitie om drugs de wereld uit te helpen”, zegt Van Wymersch. “Roesmiddelen zullen er altijd zijn. Wel moeten we duidelijkheid scheppen rond drugs. Zo vind ik het belangrijk dat het publiek weet dat het onderscheid tussen soft- en harddrugs in de praktijk niet meer bestaat. De joints van vandaag zijn niet de hippiejoints uit de jaren zeventig. Het THC-gehalte is te hoog om nog over ‘soft’ te spreken. Hetzelfde met illegale vapes met synthetische cannabis. Enorm schadelijk en helaas aanlokkelijk voor jongeren.”

“Het onderscheid tussen soft- en harddrugs bestaat niet meer. De joints van vandaag zijn niet de hippiejoints uit de jaren zeventig.”


52

CARTE BLANCHE — Fysicus Kristiaan Temst

Een ritje met de chronoscaaf Wat als onze onderzoekers zouden zwemmen in het geld, mochten wegduiken voor verplichtingen en over zeeën van tijd konden beschikken? Aan welk project zouden ze zich wagen? In deze rubriek krijgen ze carte blanche en hengelen we naar hun ultieme droom. Fysicus Kristiaan Temst stapt in een tijdreismachine om zo vanop de eerste rij de maanlanding in juli 1969 mee te maken.

EEN FYSICUS ZOU geen fysicus zijn

zonder er stiekem van te dromen de natuurwetten te tarten. Voor professor Kristiaan Temst was tijdreizen zelfs al een kinderdroom. “Ik verslond de stripreeks Blake en Mortimer. Eén verhaal staat in mijn geheugen gegrift: De valstrik. Daarin stapt Mortimer in een ‘chronoscaaf’, een tijdreismachine die hem terugbrengt naar het Krijt, waarin hij ternauwernood aan een vleesetende dino ontsnapt. Een beetje later komt hij ook in de toekomst terecht, meer bepaald in het jaar 5060. Ik was sterk onder de indruk van de kunde waarmee striptekenaar Edgar P. Jacobs dat allemaal zo realistisch wist te visualiseren.”

That’s one small step … Zelf heeft Temst geen ambities om in de 51ste eeuw terecht te komen. Hij mikt eerder op de vorige eeuw, en dat heeft alles te maken met één van zijn andere interesses: ruimtevaart. “De jaren vijftig en zestig waren de hoogdagen van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA: van de eerste raketlanceringen tot de landingen op de maan. Er gebeurde enorm veel onderzoek naar materialen en engineering – het is fenomenaal wat daar op tien jaar tijd

werd gerealiseerd. Het lijkt me fantastisch om tijdens die periode in het Kennedy Space Center rond te lopen.”

laat dat nog wel even op zich wachten, vertelt Temst. “Er bestaan wel verschillende theorieën over hoe tijdreizen in zijn werk zou kunnen gaan. Eén mogelijkheid is via een wormgat. Zo’n tunnel door de ruimtetijd zou kunnen dienen om van het ene universum naar het andere te reizen, zowel in tijd als in ruimte. Maar heel eerlijk, een concreet concept voor tijdreizen is er nog niet.”

‘That’s one small step for a man, one giant leap for mankind’, waren de legendarische woorden van Neil Armstrong, die in 1969 als eerste mens een voet op de maan zette. Had Temst zelf ook graag een zitje gehad in de maan­ lander van de Apollo 11-missie? Tijdreizen is één ding, maar in de ruimte reizen nog een ander, zo blijkt. “Astronauten hebben een gevaarlijk beroep; velen hebben er al het leven bij gelaten. Ik weet niet of ik mijn familie dat zou aandoen. Ik zou mezelf eerder zien als onderzoeker die nieuwe materialen ontdekt of wetenschappelijke experimenten voor in de ruimte opzet. Uiteraard met de voorkennis uit de toekomst, om kleine flaters en grote rampen te vermijden”, grinnikt Temst.

En dan hebben we het ook nog niet over praktische probleempjes, zoals de grootvader­ paradox. Wat gebeurt er als je teruggaat in de tijd en daar je opa vermoordt, voordat die de kans heeft gehad om je vader of moeder te verwekken? Verdwijnt de tijdreiziger zelf dan ook? Wordt de oude tijdslijn door een nieuwe vervangen? Of ontstaat er een parallel universum? Of kan het verleden niet veranderd worden? Bent u er nog?

Wormgat

Terug naar morgen

Maar even serieus nu, hoe ver staat de natuurkunde als het over tijdreizen gaat? In de stripwereld heeft de chronoscaaf of de tele­tijd­machine van dienst al menig scenario een flinke bocht laten maken, maar in de realiteit

De fysica mag dan nog geen antwoord kunnen bieden, het onderwerp levert alvast stof genoeg voor sciencefictionfilms. En daar werkt Temst ook graag aan mee. In 2015 kwam de film Terug naar morgen uit. Regisseur Lukas


53

© Gudrun Makelberge

kunnen we een filmpje maken dat laat zien wat er in zo’n ultrakorte tijdspanne gebeurt. Zo kan je de tijd visualiseren.” Bossuyt – ook alumnus burgerlijk ingenieur – wilde het verhaal wetenschappelijk onderbouwen en klopte aan bij de fysici van KU Leuven. “In de film kan een wetenschapper signalen sturen naar het verleden, via mail. Hij gebruikt de Casimir-kracht, een bestaand natuurkundig verschijnsel waaruit wetenschappers afleiden dat elektronen terug kunnen reizen in de tijd. Ik vond dat een heel mooie oplossing voor het probleem van fysiek tijdreizen.” In zijn eigen werk is Temst ook met de tijd bezig, maar dan op een heel andere manier. Hij is hoofd van de Afdeling Kwantumvastestoffysica aan KU Leuven en ook deeltijds verbonden aan imec, het Leuvense onderzoekscentrum rond nano-elektronica: “Ik doe onderzoek naar elektronen die fungeren als minimagneetjes en gebruikt kunnen worden voor data-opslag. En net zoals we ruimtelijk steeds meer inzoomen, tot op nanoniveau, kunnen we ook met onze tijdschaal kleiner gaan, tot op minder dan een miljoenste van een miljardste van een seconde. We kunnen foto’s nemen van bliksemsnelle processen: atomen die zich aan elkaar binden om moleculen te maken of minimagneetjes die hun ‘kompasnaaldje’ omkeren. Met die beelden

Icoon Dankzij zijn werk – en zonder tijdreizen – kon Temst in zijn jonge jaren een icoon ontmoeten: Sally Ride, in 1983 de eerste Amerikaanse vrouw in de ruimte, aan boord van de space­ shuttle Challenger. “Ze was ook fysicus van opleiding en na haar NASA-periode werd ze professor aan de Universiteit van Californië in San Diego. In mijn doctoraatsperiode heb ik daar zelf ook een tijdje verbleven en werd ik aan haar voorgesteld op een receptie. Daarna heb ik haar nog regelmatig gesproken op de campus. Pas achteraf heb ik beseft hoe uniek die ontmoetingen waren.” Dat de NASA pas in 1983 een vrouw toeliet om de ruimte in te gaan, doet Temst ook stilstaan bij de maatschappelijke context. “De jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw waren niet alleen wetenschappelijk boeiend, ze waren ook op andere vlakken een cruciale periode: raciale strubbelingen, de Vietnamoorlog, vrouwen die geweerd werden uit bepaalde beroepen. Astronauten waren meestal bevoorrechte, hoogopgeleide blanke mannen die een beetje in een bubbel leefden. Als ik terug kon reizen naar die tijd, zou ik zeker ook het Kennedy Space Center verlaten en de straat opgaan.”

Tijdreisbureau “Wetenschap staat niet los van de maatschappij”, vervolgt Temst. “Ook aan mijn studenten geef ik dat mee. Studenten moeten niet alleen wetenschappelijk opgeleid worden, maar ook kritisch en zelfstandig leren denken over de implicaties van wetenschappelijk onderzoek. Kijk naar de rol die kernfysici speelden bij de ontwikkeling van de atoombom. Die wetenschapstak heeft na WO II een negatief imago van zich moeten afschudden. Onderzoekers werken niet in een vacuüm en aandacht voor de geschiedenis is van groot belang. In die zin zou ik iedereen tijdreizen willen aanraden. We kunnen misschien een tijdreisbureau voor studenten oprichten (lacht).” ● (if)

Eén mogelijkheid voor tijdreizen is via een wormgat, een tunnel door de ruimtetijd.


© KU Leuven – RS

54

ONDERWIJS — Blijven leren voor de klas

Stephanie Vos, studente educatieve master gezondheidswetenschappen. “Tijdens mijn stage wist ik meteen: dit wil ik blijven doen.”

“Leerkracht is een knelpuntberoep, maar ik ben vooral op zoek naar voldoening.”


55

De leraar als eeuwige student Het Vlaamse onderwijs staat onder hoogspanning: een nijpend personeelstekort, een tanend lerarenimago, een torenhoge werkdruk, de razendsnelle opmars van AI … Toch zijn er nog steeds jonge mensen die bewust voor het vak kiezen. Zoals Stephanie en Kevin. Hun geheim? Ze blijven zélf leerling, ook als ze al lesgeven.

D

e cijfers zijn ontnuchterend: één op vier startende leerkrachten haakt binnen de vijf jaar af. Elke uitvaller is uiteraard een verlies voor een systeem dat al op zijn tandvlees loopt. De vraag dringt zich op: wie staat er morgen nog voor de klas? KU Leuven speelt in op die urgentie. Met de School of Education bundelt de universiteit al haar expertise rond lerarenopleidingen. Hier worden niet alleen toekomstige leerkrachten afgeleverd, maar vindt ook wie al ervaring heeft vormingen om vakkennis bij te spijkeren en de klaspraktijk te vernieuwen. Ze maken deel uit van KU Leuven Continue, het platform voor levenslang leren dat professio­ nals in elke fase van hun loopbaan opleidingen aanbiedt, van postgraduaat tot microcredential.

Zigzagkoers Ondanks de vaak sombere berichten over het onderwijs laten heel wat jonge mensen zich niet tegenhouden om er tóch in te stappen. Tot deze nieuwe garde behoort ook Stephanie Vos. “Leerkracht is een knelpuntberoep, maar ik zoek in de eerste plaats een carrière die mij voldoening geeft, zodat ik ook anderen kan inspireren.”

De weg naar het leraarschap was voor Stephanie geen rechte lijn. Na de middelbare school kiest ze eerst voor een bachelor podologie. Maar al die tijd blijft de klas lonken. Via een op maat gemaakt schakeljaar belandt ze uiteindelijk in de educatieve master gezondheidswetenschappen aan KU Leuven. Geen evidente sprong, maar de nieuwe opleiding ligt haar beter. “Het tempo aan de universiteit is hoger en je moet zelfstandiger werken. Maar dat vind ik net een toffere manier van studeren.” Het betekent af en toe wel een zigzagkoers: van een biologiecollege op de ene campus naar een les psychologie of pedagogie op de andere. Maar dankzij de hulp van professoren en ervaren praktijklectoren vindt Stephanie haar weg. Intussen groeit haar fascinatie voor vakken als anatomie en biologie. Zo sterk zelfs dat ze naast gezondheids­ wetenschappen ook nog vakdidactiek biologie opneemt.

Vertrouwenspersoon Lesgeven betekent niet alleen vakinhoud overbrengen maar vergt ook vaardigheden als klasdynamieken aanvoelen, door oudercontacten kunnen laveren en geschillen tussen leerlingen weten te mediëren. Daarom omvat een educatieve master ook pedagogisch-didactische modules. In een vak als Leren in Maatschappelijk Betrokken Onderwijs (LIMBO) wordt het complete onderwijslandschap blootgelegd, van het Vlaams beleid tot de maatschappelijke functie van onderwijs.


56 “Je wil niet vastroesten en op automatische piloot lesgeven.”

Niet vastroesten Voor Kevin Cordy was lesgeven een roeping. “Al van jongs af aan was het mijn droom om leerkracht te worden”, vertelt hij. Zes jaar staat hij intussen voor de klas, maar hij blijft studeren. Aan de lerarenopleiding in Brugge vulde hij de twee verplichte vakdidactieken aan met een derde – naast techniek en elektriciteit ook maatschappelijke vorming – en sindsdien stapelt hij de opleidingen op. “Je wil niet vastroesten en op automatische piloot lesgeven”, aldus Kevin. Recent volgde hij het post­ graduaat digitale didactiek, een samenwerking tussen KU Leuven en Hogeschool VIVES in samenwerking met Eekhout Academy, het kenniscentrum voor onderwijs­ professionals in Kortrijk. Daar leerde hij hoe je digitale tools kan inzetten om je lessen slimmer, persoonlijker en effectiever maken. “Je krijgt veel wetenschappelijk onderbouwde achtergrondkennis die je direct kan toepassen in je lessen.”

De praktijkstages zijn natuurlijk de échte leerschool. In Sancta Maria in Leuven voelde Stephanie meteen een klik: de band met leerlingen, het gekeuvel met collega’s in de lerarenkamer, de energie in de schoolgangen. “Ik wist meteen: dit wil ik blijven doen.” Een van de leerkrachten vertelde hoe ze haar job soms als een hobby ervaart. Voor Stephanie bevestigde dit dat het kàn: met zoveel passie lesgeven dat werk en plezier samenvallen. Ze observeerde hoe elke leraar zijn of haar eigen stijl hanteert en wat dat betekent voor leerlingen. “De ene laat de teugels wat losser, de ander is strikter.” Zelf zoekt Stephanie naar een balans: “Praten mag, maar als er uitleg wordt gegeven moet je opletten.” Ze wil boeiende lessen geven, omdat de leerstof dan beter blijft hangen. Maar ze wil vooral ook een vertrouwenspersoon zijn voor de leerlingen. “Iemand die er is, ook voor problemen buiten school. Voor de meeste leerlingen is de middelbare school een leerschool die veel verder gaat dan de leerstof die ze krijgen voorgeschoteld.”

Oefening in vooruitgang Naast haar stages buigt Stephanie zich nu over haar masterpraktijkproef. Ze onderzoekt hoe video-annotatietools kunnen worden ingezet bij praktijkexamens van verpleegkundestudenten. “Vandaag kijken docenten nog vaak letterlijk mee over de schouder, met alle stress van dien. In mijn studie worden handelingen vanuit twee camerahoeken gefilmd en nadien geanalyseerd.” Niet alleen kunnen docenten zo accurater evalueren zonder voor extra druk te zorgen, de studenten zelf kunnen hun eigen prestaties achteraf bekijken en zo hun techniek verfijnen. “Zo leren ze hun fouten beter herkennen en corrigeren”, legt Stephanie uit. Haar onderzoek illustreert hoe de lerarenopleiding leerkrachten niet alleen opleidt om les te geven, maar hen ook uitrust met inzichten en tools om de onderwijspraktijk te hertekenen. Zo wordt elke schooldag een oefening in vooruitgang.

BookWidgets, een interactief platform voor oefeningen en toetsen, werd zijn favoriete tool. “Je ziet hoeveel tijd leerlingen aan een opdracht besteden, of ze logisch redeneren, bronnen analyseren … Op basis daarvan kan je de moeilijkheidsgraad bijsturen.” Een cyclus van toepassen, evalueren, aanpassen en herhalen. Kevin gebruikt BookWidgets ook om neurodivergente leerlingen beter te ondersteunen in de klas. “Mijn leerlingen zien dat ik blijf zoeken naar manieren om hen te laten slagen. Het vraagt energie, maar ik geloof dat het onze kerntaak is om talenten te ontdekken. En soms kan een klein gebaar een grote impact hebben op iemands leven.”

Klankbord Kevin deelt de kennis die hij opdoet graag met zijn collega’s, en op zijn beurt kan hij bij hen aankloppen voor advies. “Onze school bestaat uit pioniers en vernieuwers die elkaar helpen, waardoor een echte leercultuur ontstaat.” Ook bij zijn medecursisten in het postgraduaat vond Kevin een klankbord. “Ze hadden de meest uiteenlopende achtergronden. Eén van hen stond op de drempel van zijn pensioen en volgde toch nog een bijscholing. Fantastisch vind ik dat. Elke bijeenkomst was een discussiemoment: hoe pak jij dat aan? Hoe zou je het de volgende keer doen? Ook nu nog blijven we elkaar helpen, we houden contact via WhatsApp-groepen.” Kevin gaat ook in het buitenland op zoek naar leer­ ervaringen. Vorig jaar verbleef hij een week in Malta om te onderzoeken hoe het onderwijs daar omgaat met diversiteit. “Eekhout Academy had al een goede samenwerking met een school daar en kon de nodige contacten leggen.” Op dit moment volgt hij een nieuw postgraduaat over duurzame communicatie, dat georganiseerd wordt op Europees niveau. Voor België sluit de Eekhout Academy aan als partner.


57 Allemaal aan boord De beruchte kaap van vijf jaar, waar een kwart van de starters in het onderwijs op vastloopt, is Kevin intussen vlot voorbijgevaren. Hoe kunnen we volgens hem anderen aan boord houden? “Je mentor is bepalend. Sommigen focussen op wat fout gaat, anderen vragen: ‘Hoe heb je het ervaren? Hoe zou je het volgende keer aanpakken?’ Zo’n houding is de essentie van onderwijs: alles positief benaderen en kleine successen vieren.”

Naast het driejarige trainingsprogramma duurzame communicatie volgt Kevin momenteel nóg een opleiding. “Een bachelor-na-bachelor zorgverbreding en remediërend leren. Ik denk dat ik die leraar zal zijn die in zijn laatste schooljaar nog altijd een opleiding volgt”, lacht hij. Uit zijn verhaal trekken we onze les: de beste leerkrachten zijn degenen die zelf nooit ophouden met leren. En wellicht ligt daarin de sleutel om het vak aantrekkelijk, duurzaam en toekomstgericht te houden. ● (lvr)

Die benadering past Kevin zelf ook toe bij zijn leerlingen, die hij voorbereidt op een leven lang leren. “Velen denken dat leren stopt na hun diploma. Maar wat als je baas een nieuwe machine introduceert op de werkvloer? Je moet leergierig zijn en blijven.”

Leerkracht Kevin Cordy blijft zich bijscholen. “In onze school bestaat een echte leercultuur.”

© KU Leuven – RS


58

WRITER IN RESIDENCE — Sholeh Rezazadeh

lees een gedicht voor mij vertel me dat we uitgereisd zijn en bij onszelf zijn beland ik, bij de bergen van jouw schouders jij, bij de mist in mijn ogen ik, bij het nest van een vogel op je sleutelbeen jij, bij een stilstaande zee in mijn keel

© Jovana Milanko – iStock

De Iraans-Nederlandse schrijver, dichter en performer Sholeh Rezazadeh is een academiejaar lang ‘writer in residence’ aan KU Leuven. Speciaal voor Sonar schreef ze dit gedicht.


59 lees een gedicht voor mij vertel me dat we elkaars talen hebben geleerd dat de woorden geen boten zijn, verdwaald in het donkere water in de handen van de wind maar zacht zand in de diepte van de zee aan onze tenen geplakt lees een gedicht voor mij laat me geloven dat onze gedeelde taal geen kreet is maar de taal van blikken en stiltes een gedeeld hart voor een gedeelde pijn laat me zien dat de zinnen niet zinken maar dansen, opstaan lees een gedicht voor mij vertel me dat ik in jouw armen deze wereld vergeet waarin het omarmen een datum heeft, een visum waarin het aanraken een excuus heeft, een afstand


60 lees een gedicht waarin het einde van elk vertrek het verlangen is naar verblijven waarin de seizoenen hun buurt kennen en wachten een werkwoord is, een actie vertel me verhalen vol engelen en demonen, vliegende paarden, sprekende katten, vol eenzame helden dieren, wijzer dan de koning gaten, helderder dan de hemel vertel me verhalen waarin elke glimlach magie, de liefde onsterfelijk is vertel me dat de waarheid niet meer dan een droom is, de droom van iemand die moe is van het lopen en met gesloten ogen

© Shutterstock

tegen een boom leunt


61 lees me een gedicht over de angst van de moerassen, de moed van de golven, de eenzaamheid van cipressen over de takken, bladeren, wortels lees een gedicht voor mij waarin ik geen muren raak met mijn benen geen dak met mijn handen waarin mijn vingers bruggen bouwen en mijn pupillen ruimtevaren lees een gedicht voor mij een gedicht waarin ik klop, als mijn hart stopt waarin ik loop, naast de bakstenen tussen ons word een gedicht laat ons bestaan.


62

ZES EEUWEN KU LEUVEN — Naar alle windstreken

600 jaar, 800 gebouwen, 600 hectare In de voorbije zes eeuwen heeft KU Leuven zich letterlijk en figuurlijk op de kaart weten te zetten. Anno 2026 is de universiteit vanuit hartje Leuven uitgewaaierd naar de vier windstreken, met ruim 800 gebouwen – goed voor een oppervlakte van 600 hectare. Achter die groei schuilt een opmerkelijk verhaal waarin kanunniken, Duitse hertogen en maatschappelijke en technologische omwentelingen een hoofdrol spelen.

O

p 2 oktober 1426 neemt de oudste universiteit van de Lage Landen een bescheiden start. Bij het begin van het allereerste academiejaar zakken er niet meer dan een paar honderd studenten af naar Leuven. De prille universiteit telt aanvankelijk vier faculteiten: artes, geneeskunde en burgerlijk en kerkelijk recht. Ze zijn gehuisvest in de Lakenhal, vanaf 1433 gratis ter beschikking gesteld door de stad. De oprichting van de faculteit theologie in 1432 krikt de internationale aantrekkingskracht van Leuven op. De studentenaantallen stijgen gestaag van 500 in 1475 tot ruim 750 in 1520. Tot een grote bouwwoede leidt dat vooralsnog niet. De universiteit hóéft ook niet te inves­ teren, omdat ze geregeld gebouwen cadeau krijgt via schenkingen en legaten. Zo opent kanunnik Pieter van Dale in 1569 een college waar minderbedeelde studenten uit Aalst en Antwerpen worden gehuisvest.

toenemen. De universiteit ziet zich genoodzaakt om zelf vastgoed aan te kopen. Zo laat het bestuur in 1860 zijn oog vallen op het voormalige Ursulinenklooster in de Minderbroedersstraat, dat na jarenlange leegstand aan het verkommeren is. Op die plek verrijst het Justus Lipsius­ college, de eerste studenten­residentie die de universiteit eigenhandig laat bouwen – de kale muren verlenen het interieur een spartaans karakter. Het liberale stadsbestuur houdt de bouwplannen van de katholieke universiteit argwanend in het oog. Ook de Leuvense koteigenaars mopperen: zij zien hun inkomsten opdrogen.

Hamstergedrag

Spartaans

1888 wordt het jaar van de grote doorbraak. Letterlijk dan, want voor het eerst in haar bestaan breekt de universiteit door de historische ringmuur van de stad. Professoren Jean-Baptiste Carnoy en Gustaaf Verriest kopen het voormalige Villerscollege in de Vaartstraat aan en verbouwen het tot de ‘School voor celbiologie’. De groei van de universiteit is nu onstuitbaar. Nieuwe gebouwen volgen elkaar in sneltempo op: onder meer het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, het Leo XIII-seminarie en het Elektromechanisch Instituut zien het levenslicht.

Voor de eerste echte groeistuip is het wachten tot de tweede helft van de 19de eeuw. Verschillende factoren haken op elkaar in. Zo schrijft een nieuwe wet voor dat universiteiten naast ex-cathedralessen ook practica moeten organiseren. Daarom begint de universiteit met de bouw van ateliers en laboratoria. Ook de industriële revolutie laat zich voelen: de vraag naar ingenieurs doet het aantal studenten op korte tijd met enkele honderden

Nogal wat bouwwerken uit die periode dragen de signatuur van priester-theoloog Adolphe Hebbelynck, van 1898 tot 1909 rector magnificus van de Katholieke Universiteit. Als notariszoon krijgt hij de voorliefde voor vastgoed van huis uit mee. Hebbelynck staat op goede voet met de adel, onder wie de hertog Van Arenberg. Die laatste financiert de bouw van het Scheikundig Instituut in de Naamsestraat, waar nu Kunstencentrum STUK gevestigd is.


63

© Universiteitsarchief KU Leuven

—

Een andere illustere naam uit de vastgoedannalen is de polyvalente kanunnik Jan Janssen. Bouwplannen tekenen, vergunningen regelen, werkmannen ronselen: Janssen draait er zijn hand niet voor om. Onder zijn leiding verrijst het Farmaceutisch Instituut, een weinig appetijtelijk gebouw met technische manco’s. Janssen heeft een neus voor zaken: hij koopt tonnen bouwmaterialen aan tegen dumpingprijzen en laat ze stockeren in kelders en zolders. Het hamstergedrag zal later zijn nut bewijzen, wanneer de universiteit na WO I verschillende gebouwen moet laten herstellen.

Boerderij De groei duwt de universiteit van de binnenstad naar de rand van Leuven. De verwerving van het Arenbergdomein in Heverlee bekleedt daarbij een bijzondere plaats. Vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bereiken rector Ladeuze en de hertog van Arenberg een akkoord: de universiteit krijgt een voorkooprecht. Maar na het einde van de oorlog wordt het domein door de Belgische staat geconfisqueerd, omdat de hertog van Aren­ berg de Duitse nationaliteit heeft. Ladeuze tovert de oorspronkelijke overeenkomst tevoorschijn en weet het eigendom te verwerven tegen de prijs die vóór 1914 is overeengekomen.

Na de Eerste Wereldoorlog verwerft de universiteit het Arenbergdomein in Heverlee, met onder meer het kasteel, dat dateert uit de 16de eeuw. Tekening uit het domeinarchief van het hertogdom Aarschot, ca. 1597

De campus op het Arenbergdomein is van meet af aan een architecturaal buitenbeentje. De ontwerpers laten zich inspireren door Amerikaanse voorbeelden, met veel groen en grote paviljoenen. Verder doen nieuwe bouw­ materialen hun intrede: bak- en zandsteen maken plaats voor gewapend beton. Het Pius X-college oogt strakmodernistisch en wordt meteen het laatste in zijn soort – later komen er nog meer studentenresidenties bij, maar de sfeer van de oude dagen verdwijnt geleidelijk aan. Enkele jaren na het overlijden in 1907 van burggraaf Charles-Victor de Spoelberch komt de universiteit niet alleen in het bezit van diens grote kunstcollectie, maar ook van zijn kasteeldomein in Lovenjoel. De universiteit geeft het in erfpacht aan de Zusters van Liefde, die er een psychiatrisch ziekenhuis oprichten. Later, in 1928, wordt er ook een boerderij gebouwd om in de behoeften van het ziekenhuis te voorzien. Die boerderij wordt in 1941 uitgebouwd tot het Zoötechnisch Centrum, waar onderzoek gebeurt naar de kweek van runderen, schapen en kippen. Vandaag staat het complex bekend als TRANSfarm, een ware proeftuin voor biologen, bio-ingenieurs en biomedische wetenschappers. Je vindt er onder meer hypermoderne stallen, aquaria en een bioraffinagereactor die plantenresten omzet naar bouwblokken voor bioplastics of biobrandstof.


64 Nieuw onderwijslandschap De Golden Sixties van de 20ste eeuw luiden ook voor de universiteit een periode van ongeziene groei in. De wet op de universitaire expansie uit 1965 stelt dat iedere student een opleiding moet kunnen volgen in eigen regio. De Leuvense universiteit opent een campus voor kandidaatsopleidingen in Kortrijk. Die krijgt een jong professorenkorps: de oudere garde blijft aanvankelijk lesgeven in Leuven. Een van de meest ingrijpende evoluties van de voorbije jaren krijgt haar beslag in het Noord-Italiaanse Bologna. De Europese ministers van Onderwijs hertekenen er de kaart van het onderwijslandschap. Als gevolg van de Bolognaverklaring ontstaat in 2002 de Associatie KU Leuven, waarin negen hogescholen zich verenigen met de KU Leuven. Pas bij de start van academiejaar 2013-2014 worden de vroegere hogeschoolopleidingen van twee cycli officieel geïntegreerd. De universiteit krijgt er in één klap campussen bij in Antwerpen, Brussel, Gent, Brugge, Geel, Sint-Katelijne-Waver, Diepenbeek en Aalst. De bestaande gebouwen zijn al gauw te krap. De universiteit heeft nood aan extra ruimte voor onderwijs en onderzoek. En die komt er. In Brugge verrijst een nieuwbouw; in Geel een labo voor insecten- en plantenonderzoek. Antwerpen krijgt er met Campus Opera en Campus Sint-Jacob twee pleisterplaatsen bij. En het stof is nog lang niet gaan liggen: vandaag wordt er duchtig getimmerd in Sint-Katelijne-Waver en in Gent, waar een

nieuw onderwijsgebouw en een studentenresidentie met 90 kamers in de steigers staan. Een nieuwbouw op Campus Diepenbeek bevindt zich in de planningsfase.

Werf van de eeuw Opvallend genoeg is het uitgerekend de splitsing van de universiteit in 1968 die ook in Leuven de bouwplannen verder aanwakkert. De universiteit bezit op dat moment maar liefst vijfhonderd gebouwen; een groot aantal daarvan bevindt zich in bedenkelijke staat. Het bestuur van de universiteit gaat aan de tekentafel zitten voor een globaal plan, dat leunt op drie kernen: de binnenstad voor humane wetenschappen, Arenberg voor exacte wetenschappen en de Gasthuisbergsite voor de groep biomedische. Gasthuisberg mag je gerust de werf van de eeuw noemen. Begin jaren zeventig gaat de schop er voor het eerst in de grond. In eerste instantie verrijzen er een kinderziekenhuis en een gebouw voor onderwijs en navorsing. De campus groeit stapsgewijs uit tot het grootste universitair ziekenhuis van België. Ruim 35 jaar later draaien de betonmolens er nog altijd op volle toeren. De site evolueert naar een Health Sciences Campus met aandacht voor duurzaamheid en leefbaarheid. Gasthuisberg 2.0 zal naast een apotheek en een supermarkt ook winkels herbergen en zelfs een hotel. (Voorlopig) verwacht einde der werken: 2030.

—

In 1914 wordt de oude bibliotheek in de Universiteitshal door brand verwoest. Met Amerikaanse steun wordt een nieuw gebouw opgetrokken op het Mgr. Ladeuzeplein. Foto: de bouwplaats in 1921 met vooraan op de hoek van het plein en de Blijde-Inkomststraat de pijler met de eerste steen. Op de achtergrond de verdwenen Sint-Jozefskerk.

© Universiteitsarchief KU Leuven

De universiteit mag bogen op 144 beschermde monumenten.


65 —

In 2013 worden verschillende hogeschoolopleidingen officieel geïntegreerd in KU Leuven. De universiteit krijgt er in één klap heel wat campussen bij, verspreid over heel Vlaanderen. Foto: nieuwbouw Campus Brugge.

© KU Leuven

Trillingsvrij Dat KU Leuven een onderzoeksuniversiteit is in hart en nieren blijkt uit de ronduit spectaculaire groei van de wetenschapsparken. Al van in de jaren zeventig vormen ze een vruchtbare voedingsbodem voor hightechondernemingen uit verschillende sectoren, waaronder micro-elektronica, biotechnologie, ICT en de maak­ industrie. Hier ontpoppen de vele spin-offs van de universiteit zich tot gevestigde waarden. Het Researchpark Haasrode, Wetenschapspark Arenberg en het in ontwikkeling zijnde Wetenschapspark Leuven Noord zijn samen goed voor een indrukwekkende 173 hectare. Met hier en daar indrukwekkend complexe bouwconstructies: zo rust het trillingsvrije plateau in de clean room van imec op 831 betonnen palen die 18 meter diep verankerd zitten in de bodem.

Iets minder state-of-the-art, maar minstens zo indrukwekkend, zijn de 144 beschermde monumenten waarvan de universiteit zich de trotse eigenaar – of erfpachthouder – mag noemen. Iconische panden als de Universiteitshal, de bibliotheek op het Ladeuzeplein en college De Valk houden de herinnering aan een rijk verleden levendig. Een speciale cel ziet erop toe dat al dat erfgoed een herbestemming krijgt die ook vandaag maatschappelijk relevant is. Denk daarbij aan Vesalius Museum, dat vanaf 2026 een nieuwe invulling geeft aan het voormalige pathologisch instituut en het anatomisch theater op de Hertogensite. Het wordt een plek die als geen ander geschiedenis en innovatie met elkaar zal verweven.


66 Op twintig jaar tijd heeft de universiteit haar totale CO2-uitstoot met meer dan de helft teruggedrongen.

Tegelwippen Bijna 64.000 studenten, van wie ruim 14.000 met een buitenlands paspoort. Om die massale toestroom de baas te kunnen, zet de universiteit alle zeilen bij. Zo wil ze 10 tot 15% van de studentenkamers in eigen beheer hebben om de betaalbaarheid en de kwaliteit te kunnen waarborgen. Op dit moment heeft KU Leuven zowat 5.300 kamers in eigendom. Op termijn moeten er daar nog eens 500 bijkomen. De universiteit heeft onder meer het kloosterdomein van de Zusters van de Jacht in Heverlee aangekocht. Tussen de akkers en de uitlopers van het Heverleebos zullen daar tegen 2028 ruim tweehonderd studentenkamers verschijnen. De centrale opslag- en productiekeuken van Alma moet tegen 2028 plaatsmaken voor 500 nieuwe kamers ter vervanging van residentie Groenveld, die op haar beurt moet wijken voor de uitbreiding van imec. Aan de Sint-Jansbergse­ steenweg verrijst dan weer een woonproject voor doctorandi en jonge onderzoekers.

© KU Leuven – RS

Verbinding, inclusie en duurzaamheid zijn waarden die de jongste jaren steeds vaker weerspiegeld worden in het vastgoed van de universiteit. In het nieuwbouwgedeelte van Gasthuisberg bijvoorbeeld vind je naast de liftkokers gezellige ruimtes waar mensen elkaar informeel kunnen ontmoeten. Het nagelnieuwe BioScience Center heeft zelfs knusse huiskamers – zeg maar hangplekken voor onderzoekers. De universiteit maakt ook al haar gebouwen nog beter toegankelijk voor rolstoelgebruikers en mensen met een visuele of auditieve beperking. De vastgoedplannen houden uiteraard ook rekening met het klimaat – het eerste duurzaamheidsplan dateert al van 2006. Nieuwbouw is vandaag per definitie fossielvrij en renovatieprojecten worden maximaal verduurzaamd. De inzet van groene technologieën – van warmtepompen tot riothermie, waarbij rioolwater wordt gebruikt om te verwarmen en te koelen – begint vruchten af te werpen. Op twintig jaar tijd heeft de universiteit haar totale CO2uitstoot met meer dan de helft teruggedrongen. Uitgerekend per vierkante meter oogt het plaatje nog indrukwekkender – dan spreken we over een vermindering van maar liefst 69%. Verder zet de universiteit steeds vaker in op vergroening en ontharding. Het project dat het meest tot de verbeelding spreekt is Dwaaltuin, een groen doolhof naar een ontwerp van kunstenaarsduo Gijs Van Vaerenbergh. Wie de plek vandaag bezoekt, kan maar moeilijk geloven dat hier tot voor kort een inspiratieloze grijze parking lag. Leuke uitsmijter: KU Leuven doet zelfs mee aan het Vlaams Kampioenschap Tegelwippen. Bouwen aan een (duurzame) toekomst kan klaarblijkelijk ook zonder stenen … ● (db)

—

Sinds de schop er begin jaren zeventig voor het eerst in de grond ging is Campus Gasthuisberg stapsgewijs uitgegroeid tot het grootste universitair ziekenhuis van België en een Health Sciences Campus.


Colofon Dit magazine is een uitgave van KU Leuven.

Werkten mee aan dit nummer

Hoofdredactie

Dirk Blijweert Veerle Heyvaert Laura Van Reet

Lise Detobel Isabelle Van Geet

Met dank aan Eindredactie

Ine Van Houdenhove Wouter Verbeylen Redactie en beeldredactie

Pieter-Jan Borgelioen Ilse Frederickx Ine Van Houdenhove Reiner Van Hove Wouter Verbeylen

Kjell Corens (Universiteitsarchief) Stefaan Saeys (Directie Technische Diensten) Sholeh Rezazadeh, writer in residence Productie

David Desmet Valerie Vervueren Vormgeving en druk

Rob Stevens

Altera Van der Poorten

Coverbeeld

Contact

Rob Stevens / iStock

Sonar@kuleuven.be

Fotografie

Illustratie

Gudrun Makelberge

Wil je het KU Leuven-magazine Sonar drie keer per jaar thuis ontvangen? (gratis voor alumni, studenten en personeel van KU Leuven)

Meld je aan op https://stories.kuleuven.be/nl/abonneer of scan de QR-code.

Wil je digitaal op de hoogte worden gebracht van de nieuwste online onderzoeksverhalen?

Schrijf je in voor de maandelijkse nieuwsbrief via https://stories.kuleuven.be/nl/inschrijven-nieuwsbrief of scan de QR-code.

Wil je Sonar liever niet meer ontvangen?

Laat het ons weten via https://stories.kuleuven.be/nl/contact of scan de QR-code.


KU Leuven. Inspiring the Outstanding.

KULEUVEN.BE/STORIES

Driemaandelijkse uitgave – Extra editie Tijdschrift KU Leuven – P409886 – v.u.: Dienst Marketing en Communicatie, Isabelle Van Geet, Oude Markt 13, 3000 Leuven


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
KU Leuven Sonar n°17 - januari 2026 by KULeuven_publications - Issuu