Skip to main content

KU Leuven Magazine Sonar n°3 - Mei/May 2021

Page 1

Nr 3 – mei 2021

WWW.KULEUVEN.BE/STORIES Sonar

KU Leuven-magazine

Driemaandelijkse uitgave – Extra editie Tijdschrift KU Leuven – P409886 – v.u.: Dienst Marketing en Communicatie, Isabelle Van Geet, Minderbroedersstraat 8, 3000 Leuven

Sonar Nr 3 – mei 2021

KU Leuven. Inspiring the Outstanding.

Moslim in Europa Over traditie en toekomst

KU Leuven-magazine


Colofon Dit magazine is een uitgave van KU Leuven.

Werkten mee aan dit nummer

Hoofdredactie

Dirk Blijweert Saskia De Coster Lothe Ramakers

Lise Detobel Isabelle Van Geet

Met dank aan Redactie en beeldredactie

Pieter-Jan Borgelioen Ilse Frederickx Greg Pokusa Ine Van Houdenhove Reiner Van Hove Julie Willems

Kjell Corens (Universiteitsarchief) Contact

Sonar@kuleuven.be Abonnement

U kan een abonnement nemen op Sonar op www.kuleuven.be/stories.

Fotografie

Rob Stevens @KU_Leuven kuleuven

WWW.KULEUVEN.BE/STORIES

Vormgeving

Altera

kuleuven Freelancer

Gaston Kooijmans

Druk

Van der Poorten


3

Edito — Luc Sels Rector KU Leuven

H

eel af en toe, niet eens elk decennium, ontwikkelt de internationale gemeenschap een visie die het gedrag van de mensheid en de toekomst van onze planeet kan sturen. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens was er zo één, in 1948. Het Rapport van de Club van Rome uit 1972 maakte ons ervan bewust dat er grenzen zijn aan de groei. Dat spraakmakende document kreeg een even belangrijk vervolg: de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties; zeventien doelstellingen, waar ook KU Leuven zich met volle overtuiging voor inzet.

Het klimaat vormt hierin een belangrijk hoofdstuk. Maar ook thema’s als vrede, gerechtigheid, gezondheidszorg en gelijkheid zijn cruciaal voor duurzame ontwikkeling. Dat de wetenschap hierin een gids en baanbreker moet zijn, spreekt voor zich. In deze Sonar peilen wij naar een paar opmerkelijke onderzoeken en evoluties aan KU Leuven. Stuk voor stuk beantwoorden ze aan één van de doelstellingen van de Verenigde Naties. Neem EnergyVille: hier wordt duidelijk hoe de stad van de toekomst eruit zal zien. KU Leuven, VITO, imec en UHasselt bundelen hun expertise om de overstap naar duurzame energie vorm te geven. Fundamenteel onderzoek ontmoet toegepaste kennis om na te denken over groene en intelligente energiesystemen in de stad. En de overtuiging groeit dat klimaatneutraal leven niet alleen beter is voor de planeet, maar ook gewoon aangenamer zal zijn. Dat vooruitzicht op meer comfort en een hogere levenskwaliteit kan helpen om de consument te doen overschakelen.

De maatschappij zal duurzaam zijn, of zij zal niet zijn.

Religieuze diversiteit is een ander belangrijk thema dat we binnen en buiten onze universitaire gemeenschap, en dus ook in deze Sonar, niet schuwen. De islam is een van de snelst groeiende religies. Maar dat geloof openlijk belijden – denk aan de hoofddoek – stuit op argwaan. Het Leuvens Centrum voor de Studie van de Cultuur en Samenleving van de Islam, dat vorig jaar werd opgericht, bouwt voort op expertise binnen KU Leuven en wil via wetenschappelijk onderzoek de westerse wereld en de islam dichter tot elkaar brengen, misverstanden uit de wereld helpen en stereotypen bijsturen. De islam heeft namelijk meer dan één gezicht. Tot slot: niets beheerst onze gedachten op dit moment meer dan onze gezondheid. COVID-19 wordt stilaan een obsessie, maar zal dankzij de vaccins ooit voorbijgaan. Maar als we verder kijken dan de pandemie: voorlopig hebben we in ons land nog een systeem waarbij je financiële draagkracht meestal geen rol speelt bij de therapie die je krijgt. Maar het systeem staat onder druk. En hoe ver moeten we als maatschappij gaan in het terugbetalen van geneesmiddelen? Enerzijds is er een diep­ gewortelde dwingende ethische intuïtie die zegt dat je een mens in nood moet redden als dat mogelijk is. Anderzijds is het vanuit een maatschappelijk perspectief duidelijk dat er grenzen zijn aan wat we voor elkaar kunnen doen. Ook dat zijn vragen die we niet onbeantwoord willen laten. Vooruitgang is vaak onvoorspelbaar. Zij gaat met horten en stoten, schuurt en vertraagt, ligt soms ogenschijnlijk stil en neemt dan een tussensprintje. Maar de zeventien Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties zijn duidelijk: de maatschappij zal duurzaam zijn, of zij zal niet zijn.


4 Moslim in Europa

8

OVER BIER, CAKE EN SOJA

Voeding voor de toekomst

20 POP IN DE AULA

Van Be-Bopa-Lula tot Bieber

32 In English NUCLEAR PHYSICS

Thomas Cocolios

En verder Wetenschat Een wijdvertakt boek 6 – Blow-up Vezels 19 Speeddate Leen Sevens 40 – Droomjob Werfvreugde 60 Kortverhaal Writer in residence – Saskia De Coster 77

28


5

DE PRIJS VAN EEN PIL

HELEMAAL KLIMAATNEUTRAAL

Innovatieve medicatie op de markt

Vijftig tinten groen

42

68

ALUMNUS HAALT VEEL UIT EEN VELD

ARTISTIEK STUDEREN

Kennis oogsten in Mexico

De kunst van het kunstonderzoek

52

74

ALUMNUS

High tech in high heels

62

SIX CENTURIES OF KU LEUVEN

Coal aloft!

80


6

WETENSCHAT — Tuinbomen

Een boomvol boek Van bladerdak tot worteltopje: groendeskundige Martin Hermy schreef een boek dat zowat álle aspecten van bomen aanraakt. En dat u leert van welke boom uw tuin droomt.


7

A

ls de Belgische bomenpopulatie op zoek zou gaan naar een ambassadeur, dan zou emeritus professor Martin Hermy zeker op gesprek mogen komen. Hij doceerde decennialang het vak groenbeheer en heeft tal van publicaties over bossen op zijn naam. Zijn emeritaat gaf hem de tijd om zich nog grondiger te verdiepen in het verschijnsel boom en om er een wijdvertakt boek over te schrijven: De juiste boom voor elke tuin. Bomen kunnen ‘zien’ en ‘ruiken’, zijn zich bewust van wat in hun omgeving gebeurt en waarschuwen elkaar voor bacteriën en virussen: de auteur schetst een verrassend beeld. Hermy noemt bomen veelzijdige dienstenstations. “Ze halen CO2 uit de lucht, bieden koelte met hun bladerdak, en helpen dus om de klimaatverandering te temperen”, zegt hij. “Maar ze leveren ook psychologische diensten, met hun geur bijvoorbeeld. Sommige magnolia’s ruiken zalig zoet, coniferen hebben dan weer die typische harsgeur.” Onbegrijpelijk dat velen hun neus ophalen voor al dat moois, vindt Hermy. Hij maakt zich druk als er weer eens bomen sneuvelen omdat ze in de weg staan of niet voldoen aan onze wensen. “Ruimte voor nieuwe bossen is er amper, want om elke vierkante meter Vlaamse grond wordt gevochten. Maar in onze tuinen is er wél nog plaats. Vlaanderen telt zo’n twee miljoen percelen aan buitenruimte en ik heb berekend dat je in de gemiddelde tuin makkelijk vier bomen kwijt kunt. Zo kom je dus aan potentieel acht miljoen bomen. Daarmee heb je de gerooide bossen nog niet terug, maar tuinbomen kunnen toch een aantal van hun functies vervullen.”

Schors en schaduw U weet dus wat u te doen staat als uw tuin er nog boomloos bijligt. Het tweede deel van het boek is een leidraad voor wie de juiste soort zoekt. Hermy heeft ervoor gezorgd dat uw populariteit in de buurt er niet onder hoeft te lijden: “Grote bomen zijn weleens de aanleiding voor burenruzies, dus heb ik

me beperkt tot soorten die niet hoger worden dan twaalf meter.” Dan nog is het aanbod groot: maar liefst 570 soorten passeren de revue. De 24 thematische categorieën – met wetenschappelijke toelichting van de auteur – helpen om de knoop door te hakken. Heeft uw tuin een zure zandige bodem, dan zijn de Chinese kornoelje en de zevenzonenboom bijvoorbeeld soorten die overweging verdienen. Houdt u van opvallende bloemen, dan heeft u onder meer de keuze uit het blauwviolet van de gewone sering en het crèmewit van de epaulettenboom. Er is ook een hoofdstukje met allroundkampioenen: soorten die op meerdere vlakken en in alle seizoenen scoren. “Ik heb thuis een Perzische ijzerhout staan, die in de herfst een spectaculaire oranjerode kleur krijgt. Het is een parasolboom, die dus wijd open gaat: in de zomer parkeren we onze auto in zijn schaduw. En hij heeft ook nog eens een prachtige schors.”

Boompje groot Moeten we bij de keuze voor een boom ook rekening houden met de klimaatverandering? “De voorbije jaren zijn heel wat bomen in de problemen gekomen”, zegt Hermy. “Eén droog jaar overleven ze wel, maar als het langer duurt, gaan ze verzwakken en grijpen parasitische zwammen en andere ziektes hun kans. Komt je boom in droge grond terecht, kies dan zeker voor een droogtetolerante soort.” Wie de keuze gemaakt heeft, hoeft vandaag niet meer te wachten tot een zaadje tergend traag uitgroeit tot een boom. “Boompje groot, plantertje dood, dat gaat niet meer op”, zegt Hermy. “In kwekerijen kan je tegenwoordig zelfs bomen kopen die al behoorlijk groot zijn. Daar leg je wel enkele honderden euro’s voor neer. Veel geld, maar bekijk het zo: bomen bieden honderden jaar plezier. Voor een nieuwe smartphone betaal je misschien evenveel, en die zal geen tien jaar meegaan …” ● (rvh)

© Martin Hermy


© Michael De Lausnay

8

MAATSCHAPPIJ — Moslim in Europa


9 De islam in Europa

Een eeuwenlange knipperlicht­relatie Bedreigen moskeeën, hoofddoeken en de ramadan het seculiere Westen of zijn het louter bouwstenen van een cultureel diverse samenleving? Onderzoekers van het Leuvens Centrum voor Islamstudies nemen de turbulente relatie van de islam en het Westen onder de loep.


10

D

Institutionalisering versus secularisering De aanwezigheid van de islam in Europa gaat terug tot de middeleeuwen (zie kaderstuk op p. 14), maar neemt pas na de Tweede Wereldoorlog een andere wending. Door de toe­nemende industrialisatie kampt naoorlogs West-Europa met een groot tekort aan laaggeschoolde arbeidskrachten. West-Europese landen wer ven daarom vanaf de jaren zestig gastarbeiders aan uit Turkije en Marokko. “De islamitische identiteit van buitenlandse arbeiders bleef toen grotendeels onder de radar”, zegt professor arabistiek en islamkunde Amr Ryad, hoofd van het Centrum voor Islamstudies. “Turkse en Marokkaanse moslims gingen uit van een tijdelijk verblijf in het gastland waar ze arbeid verrichtten en hadden daarom minder behoefte aan een institutionalisering van hun geloof.” Maar West-Europa blijft tot ver in de jaren zeventig afhankelijk van gastarbeid. “Steeds meer Turkse en Marokkaanse mannen laten daarom ook hun vrouw en kinderen overkomen. Met die gezinshereniging groeit bij de islamitische gemeenschap de nood aan religieuze instituties zoals gebedshuizen, scholen en slagerijen.” Tegelijkertijd voltrekt zich in westerse landen een secularisatieproces waarbij religie steeds meer naar het privédomein wordt geduwd. “Vooral het christendom – de overheersende godsdienst in West-Europa – is gedurende de laatste decennia verschoven naar de rand van het maatschappelijke leven”, vertelt professor Jan De Volder, titularis van de Cusanus Leerstoel Religie, Conflict en Vrede. “Die ontwikkeling zet zich voort en staat haaks op die van de islam: jongere generaties moslims zijn vaak net minder geseculariseerd dan de eerste generatie gastarbeiders.”

© Shutterstock

e islam is een van de snelst groeiende religies ter wereld. Tegen 2050 zal ongeveer tien procent van de Europese bevolking moslim zijn. Toch stoten zichtbare geloofsuitingen nog vaak op argwaan en krijgen vooral misvattingen over de islam gehoor. Hoe zijn het Westen en de islam na eeuwen­ lange interactie verstrikt geraakt in vooroordelen? Dat wordt onderzocht in het vorig jaar opgerichte Leuvens Centrum voor de Studie van de Cultuur en Samenleving van de Islam.

“Het hoofdargument om de islamitische eredienst te financieren is dat de staat zo meer greep krijgt op wat er in moslimgemeenschappen gebeurt.”


11

—

“Dat religie niet zomaar zal uitdoven, staat als een paal boven water. Door de geschiedenis heen en ook vandaag blijft atheïsme de uitzondering.”

professor Fadil. “De redenering is dat de staat zo meer greep krijgt op wat er in moslimgemeenschappen gebeurt.”

Homegrown terrorisme Tegelijk met het tanen van de invloed van de Kerk verdwijnt ook de fascinatie voor het islamitische geloof (zie kaderstuk op p. 14). “Aan het begin van de twintigste eeuw werden Oosterse culturen vereenzelvigd met de islam”, zegt professor Fadil. “Vandaag maken we in het Westen een onderscheid tussen cultuur en religie.” De interesse voor Midden-Oosterse en Maghrebijnse culturen blijft overeind, terwijl de islam negatiever benaderd wordt. “Dat stamt uit een algemene afwijzing van religie. In het geseculariseerde Westen wordt geloof doorgaans als iets controlerends en beperkends gezien. Dat weerspiegelt zich in die afkerige houding tegenover de islam.” Tijdens de Iraanse Revolutie aan het einde van de jaren zeventig ontstaat in Europa voor het eerst een angst voor fundamentalisme en wordt, bovenop de westerse afkeer van religie, specifiek de islam in een kwaad daglicht geplaatst. “Zo keren westerse landen zich aan het einde van de jaren tachtig tegen de islamitische hoofddoek, omdat die gezien wordt als een symbool van fundamentalisme en onderdrukking.”

Die samenloop in West-Europa van institutionalisering van de islam enerzijds en ontkerkelijking anderzijds veroorzaakt een spanningsveld. “Een voorbeeld daarvan vind je in het debat rond de erkenning en de financiering van moskeeën”, zegt professor antropologie Nadia Fadil. “Nu de kerken leeglopen, rijst – vooral vanuit vrijzinnige milieus – de vraag of de overheid religies überhaupt nog moet ondersteunen.” Erediensten vallen al sinds de oprichting van België onder het gezag van de staat. “De nieuwe Belgische staat was bang voor de macht van de Kerk en zag in de financiering van erediensten een manier om controle te houden. Tegelijk oordeelde de staat dat het christendom als waardevol onderdeel van de samenleving ondersteuning verdiende.” Diezelfde controlelogica keert verscherpt terug in discussies rond de financiering van de islam. Minder dan bij het christendom speelt de redenering dat de islam vanuit een intrinsieke waarde moet worden ondersteund. “Het hoof­dargument om de islamitische eredienst te financieren is controle”, zegt

Vanaf de jaren 2000 komt de dreiging dichterbij: moslim­ extremisten plegen dan de eerste terroristische aanslagen tegen het Westen. Vooral sinds 9/11 groeit de angst voor homegrown terrorisme, waarbij de dader zijn eigen land als doelwit neemt. Met de moord op Theo van Gogh in 2004 en de terroristische aanslagen in Londen in 2005 neemt dat gevoel alleen maar toe. “In westerse landen wordt de analyse gemaakt dat een gebrek aan integratie kan leiden tot radicalisering”, zegt professor Fadil. “Plots worden alle moslims potentiële geradicaliseerden.”

Radicalisering of stigmatisering? Dat gevoel van dreiging wordt nog dominanter als in 2013 het verhaal van enkele Syriëstrijders publieke aandacht krijgt, en bereikt in ons land een hoogtepunt in 2016, met de aanslagen in Brussel en Zaventem. Als antwoord daarop ontspringen er heel wat lokale deradicaliseringsacties. “In de moslimgemeenschap heerst bezorgdheid om jongeren te verliezen aan een extremistisch gedachtegoed. Daarom zijn er in ons land veel bottom-up initiatieven die inzetten op preventie en zo ook een antwoord willen bieden op repressieve maatregelen vanuit de overheid.”


12 In haar onderzoek staat professor Fadil stil bij het begrip radicalisering. Al te vaak scheert die term diverse groepen over één kam: “Mensen die hun afkeer voor het systeem op een vocale manier uitdrukken, worden onder dezelfde noemer geplaatst als individuen die zich aangetrokken voelen tot extremisme. Het is ook belangrijk om een onderscheid te maken tussen een wezenlijke bedreiging en wat ‘religieus anders’ is: een hoofddoek of een baard is geen teken van radicalisering.” Als orthodox-religieuze praktijken geïnterpreteerd worden als symptomen van extremisme, draait een deradicaliseringsbeleid al snel uit op stigmatisering. “Bovendien zijn het niet alleen getrainde professionals die radicalisering opsporen. Ook leerkrachten, verpleegsters en jeugdverenigingen houden een oogje in het zeil. Maar door surveillance over te laten aan leken, hoe kritisch die zich ook proberen op te stellen, vergroot je

de kans dat moslimjongeren zich geviseerd gaan voelen", zegt professor Fadil. Dat heeft een averechts effect: een deradicaliseringsbeleid kan daardoor net groepen uit elkaar drijven. Een focus op tekenen van radicalisering laat ook geen ruimte voor analyse van de context. “Hoe komt het dat bepaalde jongeren zich aangetrokken voelen tot een extremistisch gedachtegoed? Die inzichten kunnen uitdraaien op verbinding, terwijl een focus op symptomen ons verder van elkaar afduwt.” Uit onderzoek komt naar voren dat jongeren die naar Syrië trekken zich niet in eerste instantie laten leiden door geloof. Religie blijkt onder­ geschikt aan andere beweegredenen, zoals de aantrekkingskracht van een oorlogscontext, maar ook persoonlijke redenen en ervaringen met discriminatie en uitsluiting in eigen land. “Religie fungeert daarbij als een taal die de keuze om te vertrekken kan legitimeren”, zegt professor Fadil.


13 “Desecularisatie speelt niet alleen in de islamitische wereld, maar doet zich ook voor binnen andere religies, zoals het orthodoxe christendom, het katholicisme en het neo-protestantisme.”

God als toetssteen Zichtbare uitdrukkingen van geloof worden niet alleen gekoppeld aan radicalisering, maar ook aan onderdrukking, stelt professor Fadil. “In het sterk geseculariseerde Westen staan waarden zoals vrijheid en emancipatie gelijk aan loskomen van politieke of religieuze autoriteit. Onderwerping aan geloof wordt binnen een individualistische cultuur geïnterpreteerd als een begrenzing van de autonomie. Moslims die zich laten leiden door islamitische voorschriften worden daarom vaak neergezet als ‘ongeëmancipeerd’ of ‘onderontwikkeld’.” In haar onderzoek toont professor Fadil aan dat ook zich onderwerpen aan geloof tot vrijheid en emancipatie kan leiden. “Vrome moslims geven aan dat ze zich pas vrij zijn beginnen voelen op het moment waarop ze hun leven op een islamitische manier zijn gaan inrichten. Door God als toetssteen te gebruiken, zijn ze niet langer bezig met wat anderen van hen denken, maar vooral met wat God van hen verwacht.” Omdat moslims, net zoals vrijzinnigen trouwens, leven volgens sociale regels en voorschriften, veronderstelt afstand nemen van religie een hersocialisatie. Moslims die hun geloof hebben verlaten, beschrijven hoe ze zich moesten conformeren aan nieuwe waarden en normen om seculier te worden. “Secularisatie is geen natuurlijk proces”, zegt professor Fadil. “Religie maakt deel uit van onze samenleving en zal niet zomaar verdwijnen als we eenmaal allemaal ‘ontwikkeld’ zijn.”

Revival van religies Volgens professor De Volder is godsdienst verketteren geen heilzame weg voor de toekomst. “Natuurlijk is de geloofsafval in West-Europa een ongezien fenomeen. Nog nooit werd een religieuze traditie zo collectief de rug toegekeerd”, zegt hij. “Maar dat religie niet zomaar zal uitdoven, staat als een paal boven water. Door de geschiedenis heen, en ook vandaag, blijft atheïsme de uitzondering. In deze geglobaliseerde wereld ervaren zowel migranten als autochtonen een gevoel van ontworteling. Bij de zoektocht naar een eigen identiteit blijft spiritualiteit een essentiële rol spelen.” Religie zal niet uitsterven, volgens de onderzoekers, maar zal steeds herontdekt worden. Zo beleven West-Europese grootsteden een religieuze revival die niet uitsluitend het resultaat is van moslimmigratie, zegt professor De Volder. “Desecularisatie speelt niet alleen in de islamitische wereld. Het doet zich ook voor binnen christelijke stromingen, zoals het orthodoxe christendom, het katholicisme en het neo-protestantisme.” Na eeuwen vol interactie en conflicten, hebben de islam en Europa nog heel wat van elkaar te ontdekken, volgens professor Ryad: “De moslimgemeenschap is divers en beantwoordt niet aan de stereotypen waarmee we voortdurend geconfronteerd worden. Met genuanceerd wetenschappelijk onderzoek kunnen we binnen het Leuvens Centrum voor Islamstudies die dominante beeldvorming trachten te counteren en te ontkrachten.” “We willen naast het zwart-witverhaal ook de grijze zones belichten”, aldus professor Ahaddour. “En dat vanuit verschillende onderzoeks­ disciplines. Bedoeling is om versnipperde onderzoeksprojecten te bundelen en zo voort te bouwen op de bestaande expertise aan KU Leuven.” Zo wil het onderzoekscentrum uiteindelijk een rol spelen in een zoektocht naar verbinding. ● (jw) © Michael De Lausnay


© Shutterstock

Tussen fascinatie en afkeer Nee, de aanwezigheid van moslims in Europa is geen recent fenomeen. Veel mensen zien de komst van de gastarbeiders in de jaren zestig als het startschot van de islam op het oude continent. Maar volgens professor Amr Ryad begint het verhaal van de islam in Europa al veel vroeger. Sinds de middeleeuwen komen beide werelden samen in een geschiedenis die doordrenkt is van zowel toenadering als vijandigheid. In de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw komt het regelmatig tot conflicten tussen het islamitische Ottomaanse Rijk en de Habsburgse monarchie – vroegmodern Midden- en Oost-Europa. “Denk maar aan het Beleg van Wenen in 1683, toen de Turken voor de laatste keer voor de poorten van de Oostenrijkse hoofdstad stonden.” Tegelijkertijd ontstaan er diplomatieke verhoudingen en handelscontacten tussen beide grootmachten. “Ottomanen voeren handel in de Habsburgse Nederlanden, Groot-Brittannië en Frankrijk, en Europese handelaars trekken naar Aleppo en Istanboel.”

Liever Turks dan paaps Die opeenstapeling van conflicten en contacten mondt uit in een ambigue relatie die zich in de zestiende eeuw treffend vertaalt in de leuze ‘Liever Turks dan paaps’. Vanwege een opflakkering van het protestantisme in de Noordelijke Nederlanden eist stadhouder Willem van Oranje meer godsdienstvrijheid van de roomskatholieke Spaanse Habsburgers. Als die eis verworpen wordt, keren Nederlandse protestanten zich tegen de katholieke onderdrukking. Ze dragen zilveren penningen in de vorm van een halve maan – het symbool van de islam – met daarop ‘Liever Turks dan paaps’. Met die leuze uiten ze hun voorkeur voor de religieuze tolerantie binnen het Ottomaanse Rijk. “Ottomanen werden gezien als wrede schurken, maar tegelijk ook als verdraagzaam. Onder de Habsburgers belandden protestanten op de brandstapel, terwijl de Ottomaanse sultan een zekere mate van godsdienstvrijheid garandeerde voor christenen en joden.”


15 “Onder Europeanen bestond een fascinatie voor het exotische Oosten. Sommigen voelden zich zo aangetrokken tot de mystieke islam dat ze zich bekeerden.”

Die ambivalente houding tegenover de islam kenmerkt ook de twintigste eeuw. Professor Ryad spitst zich in zijn historisch onderzoek toe op de aanwezigheid van moslims tijdens het interbellum. Na de Eerste Wereldoorlog vestigden tienduizenden moslimsoldaten zich in Europa. Bovendien trokken heel wat jonge moslims naar West-Europa om er te gaan studeren – de meeste West-Europese kolonies waren islamitisch. “Hoewel de islam als een fanatieke of zelfs gevaarlijke religie werd beschouwd, was Europa soms ook een beetje verliefd op de islam”, zegt professor Ryad. Onder Europeanen bestond een fascinatie voor het exotische Oosten en de daarmee verweven mystieke islam. “Sommige Europeanen voelden zich zo aangetrokken tot deze spiritualiteit dat ze zich bekeerden.”

“Tijdens de wereldoorlogen worden moskeeën ingezet als propagandatools: Door hun verbondenheid met de islam te benadrukken, hoopten Europese grootmachten moslims te overtuigen om aan hun kant te vechten.”

Jihad Made in Germany Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog verschijnen in Europa de eerste islamitische gebedshuizen. In verschillende Europese hoofdsteden, waaronder Londen, Berlijn en Parijs, worden moskeeën gebouwd. “Dat gebeurde om pragmatische redenen. Tijdens de wereldoorlogen worden moskeeën ingezet als propagandatools: door hun verbondenheid met de islam te benadrukken, hoopten Europese grootmachten moslims te overtuigen om aan hun kant te vechten.” Duitsland gebruikte ook de jihad, of de islamitische heilige oorlog, om moslims uit het Ottomaanse Rijk op te stoken tegen de geallieerden. “Jihad – een begrip dat vandaag een negatieve connotatie heeft – was tijdens de Eerste Wereldoorlog net iets positiefs in hoge Duitse kringen.” Met een heuse jihad-campagne probeerde Duitsland een heilige oorlog te ontketenen tegen de geallieerden: “Liep je toen door de straten van Istanboel, Caïro of Damascus, dan kon je zomaar een pamflet in je handen gedrukt krijgen met daarop ‘Vermoord de Fransen! Vermoord de Britten! Slacht ze allemaal af!’”, vertelt professor Ryad. “Dat was een oproep aan het adres van alle moslims.” In 1915 schrijft de Nederlandse islamoloog Christiaan Snouck Hurgronje daarover het manifest ‘Jihad Made in Germany’, waarin hij de rol van Duitsland als aanstichter van de jihad bekritiseert. “Honderdduizenden moslimsoldaten hebben tegen elkaar gevochten in een oorlog die niet de hunne was”, zegt professor

Ryad. “Ze werden ingezet om westerse belangen te verdedigen en gingen zo ongewild deel uitmaken van de politieke verdeeldheid in Europa.” Waar tijdens de Eerste Wereldoorlog duizenden pamfletten werden verspreid, wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog de radio ingezet als propagandamiddel. Met Arabische, Chinese en Turkse radiozenders wil nazi-Duitsland zijn politieke boodschap laten doordringen tot ver buiten Europa. Om die nazipropaganda te dwarsbomen, introduceert Groot-Brittannië eind jaren dertig een Arabische versie van de BBC. “Er werden zelfs taalcommissies opgericht om te onderzoeken hoe propaganda niet alleen in Modern Standaardarabisch, maar ook in lokale Arabische dialecten verspreid kon worden.” De jaren zestig luiden een nieuw hoofdstuk in van de relatie tussen het Westen en de islam. Turkse en Marokkaanse gastarbeiders vestigen zich in Europa en bouwen er gebedshuizen, uitgerekend op het moment dat West-Europa begint te seculariseren. Die ontwikkelingen leggen mee de kiem voor recente spanningen (zie hoofdartikel op p. 10). ● (jw)


16 Ethische dilemma’s voor hedendaagse moslims Moslim zijn in een geseculariseerde westerse wereld, wat betekent dat eigenlijk? Professor islamitische ethiek Chaïma Ahaddour verdiept zich in islamitische perspectieven op ethische kwesties aan het begin en het einde van het leven. Daarmee verkent ze een onontgonnen onderzoeksterrein: “Over de attitudes van West-Europese moslims tegenover hedendaagse maatschappelijke issues bestaan quasi geen data.” Hoe kijken Marokkaanse moslimvrouwen van middelbare en gevorderde leeftijd naar sterven en dood? Zowel de visie van de eerste generatie moslims als die van de tweede wordt bepaald door hun religieuze overtuiging, zegt professor Ahaddour. Dat geldt dus ook voor veertigers en vijftigers die zijn opgegroeid in een individualistische, westerse context. “Heel wat secularisatietheorieën voorspellen dat moslims in een migratiecontext door de generaties heen meer seculier worden. Op een aantal vlakken klopt die prognose, maar als het gaat om leven en dood blijft het geloof een prominente rol spelen”, aldus professor Ahaddour.

Eeuwige grafrust Religie vooropstellen in een geseculariseerde omgeving is nochtans niet altijd vanzelfsprekend. “Zo heeft de migratiecontext bijvoorbeeld een impact op de uitvoering van islamitische begrafenisrituelen. Als een moslim sterft, moet het lichaam volgens de islamitische voorschriften gewassen worden, in een lijkwade gewikkeld, en binnen de vierentwintig uur begraven, waarna de dode een eeuwige grafrust krijgt. In België kunnen niet al die voorschriften worden gegarandeerd: tijdelijke concessies begrenzen de eeuwige grafrust en een lichaam wordt bij repatriëring vaak enkele dagen opgebaard in een mortuarium.” Hoewel de islamitische traditie voorschrijft dat een overledene zo snel mogelijk moet worden begraven, is het daarom toch de wens van de overgrote meerderheid van de moslims om na hun dood te worden gerepatrieerd naar het land van herkomst, zegt professor Ahaddour. “Voor de eerste generatie is dat een evidentie: zij zijn geboren en getogen in Marokko en willen graag naast hun familie begraven worden. De tweede generatie is minder verbonden met het land van herkomst. De meesten willen liever in België, dichtbij hun kinderen, begraven worden. Maar omdat niet alle islamitische voorschriften in België nageleefd worden, voelen ze zich genoodzaakt om voor repatriëring te kiezen. Net als de eerste generatie willen ze een garantie op eeuwige grafrust.”

Pluralistisch rusthuis Ook op het vlak van ouderenzorg is het referentiepunt de Koran, zegt professor Ahaddour. Daarin staat dat moslims hun ouders met respect moeten behandelen. Ouders van de eerste generatie verwachten daarom dat hun kinderen voor hen zullen zorgen als ze zorgafhankelijk worden. “Maar de tweede generatie kan die traditionele zorgverwachting moeilijk inlossen: anders dan hun moeders zijn moslimvrouwen van middelbare leeftijd geen fulltime huisvrouwen. De tweede generatie – de zogenaamde sandwichgeneratie – combineert de opvoeding van hun kinderen en de zorg voor hun ouders met buitenshuis werken.”

—

“Moslims uit de tweede generatie nemen de rol van mantelzorger zelf volledig op zich, maar hebben die verwachting niét ten aanzien van hun eigen kinderen.”


17 “Moslimouderen hebben dikwijls een negatieve kijk op rusthuizen. Dat wantrouwen leeft minder bij de tweede generatie.”

© KU Leuven – RS

Daarom interpreteren ze het betreffende Koranvers anders, zegt professor Ahaddour. “Ze nemen zelf de rol van mantelzorger volledig op zich, maar hebben die verwachting niet ten aanzien van hun eigen kinderen. Voor de tweede generatie kan de zorgtaak deels doorgeschoven worden naar de professionele zorgverlening, omdat die volgens hen ook kwaliteitsvolle zorg kan bieden.” Die openheid naar professionele en residentiële zorgvoorzieningen ontbreekt echter bij de eerste generatie. Moslimouderen geven aan dat ze nog liever sterven dan in een rusthuis terecht te komen. “Ze vrezen zich daar

eenzaam en opgesloten te zullen voelen”, zegt professor Ahaddour. “Die negatieve kijk vloeit voort uit ervaringen met rusthuizen in het land van herkomst, waar ouderen vaak verwaarloosd worden.” “Dat wantrouwen leeft minder bij de tweede generatie. Moslimvrouwen van middelbare leeftijd staan open voor pluralistische woonzorgcentra, die rekening houden met religieuze en culturele noden, en de mogelijkheid bieden om vijf keer per dag te bidden, te vasten, halal vlees te eten, de vrijdagpreek van een imam te volgen en gewassen te worden door een zorgverlener van hetzelfde geslacht.”


18

Vandaag wordt echter nog te weinig rekening gehouden met die religieuze wensen, zegt professor Ahaddour. “Rusthuizen zijn voornamelijk gericht op de modale witte Vlaming. Er is een dringende nood aan zorginstellingen die afgestemd zijn op de religieuze en culturele gevoeligheden van de moslimgemeenschap, nu de eerste generatie moslims vergrijst en zorgbehoevend wordt.”

Lijden niet zinloos Naast begrafenisrituelen en ouderenzorg verkent professor Ahaddour in haar onderzoek de visie van moslims op bio-ethische kwesties aan het levenseinde. Hoe staan moslims bijvoorbeeld tegenover euthanasie? “Levensbeëindigend handelen is voor moslims een absolute no-go. Die opvatting komt opnieuw voort uit hun godsbeeld: God wordt beschouwd als de auteur van leven en dood. God schenkt het leven en heeft daarom het alleenrecht om iemand het leven te ontnemen. Euthanasie wordt door moslims dan ook gezien als blasfemie, en iets wat je de toegang ontzegt tot het paradijs.” Maar hoe gaan moslims dan om met ondraaglijk lijden? “Ziekte en lijden worden gezien als beproevingen tijdens het wereldse leven. Door die beproevingen geduldig te doorstaan en te vertrouwen op God effen je het pad naar het paradijs. Lijden is voor moslims dus niet zinloos. Maar dat wil niet zeggen dat ze pijn lijdzaam ondergaan. Bij ziekte doen ook moslims een beroep op een arts en gaan ze op zoek naar een medische behandeling.” Bij ondraaglijk lijden wordt palliatieve sedatie vaak voorgesteld als een alternatief voor euthanasie. Daarbij worden medicijnen toegediend die het bewustzijn verlagen en zo de pijn verlichten. In de islamitische wereld is palliatieve sedatie echter voer voor discussie: is het een vorm van langzame euthanasie of bepaalt God nog altijd het moment van sterven? “Vooral bij ouderen bestaat veel terughoudendheid tegenover palliatieve sedatie. Toch zien zowel moslims van de eerste als van de tweede generatie die ooit in hun directe omgeving geconfronteerd zijn geweest met ondraaglijk lijden, pijnbestrijding vaak net als een manier om tot een kwaliteitsvol levenseinde te komen.”

Strenger dan traditie Ook met het begin van het leven zijn ethische dilemma’s verbonden. Tegen het advies van medische experts in kiezen de meeste moslimkoppels niet voor een prenatale test, waarmee genetische afwijkingen bij een ongeboren kind worden opgespoord. “Ze hebben geen vertrouwen in zo’n test, omdat ze de beperkte kennis van de arts afzetten tegen de onbeperkte kennis van God”, zegt professor Ahaddour. “Als ze wel een test laten doen, is dat vooral om voorbereid te zijn, en niet zozeer om bij een afwijking over te gaan tot verdere testen of een zwangerschapsafbreking.” Dat laatste kan volgens de meeste moslims immers alleen als het leven van de moeder in gevaar is. Daarmee zijn ze echter strenger dan wat de islamitische traditie aangeeft, zegt professor Ahaddour. “Volgens religieuze geleerden en islamitische bronnen is het immers zo dat er, als drie artsen afzonderlijk van elkaar vaststellen dat een ongeboren kind een ernstige aan­geboren afwijking heeft of niet levensvatbaar is, mag worden overgegaan tot een zwangerschapsafbreking, die binnen een bepaalde termijn moet plaatsvinden.” Moslims die worstelen met ethische vragen, richten zich dikwijls tot een imam. Maar ook imams in West-Europa zijn vaak niet voldoende op de hoogte van islamitische perspectieven op gevoelige medische kwesties, zegt professor Ahaddour. “Daardoor zijn veel moslimkoppels niet in staat om een geïnformeerde beslissing te nemen rond prenatale diagnostiek en zwangerschapsafbreking.” Professor Ahaddour wil daarom zelf een genuanceerd ethisch kader ontwikkelen, op basis van religieuze bronnen, zoals de Koran, maar ook empirisch onderzoek. “Door de islamitische bronnen te ontleden en verschillende perspectieven binnen de moslimgemeenschap in kaart te brengen, wil ik zowel imams als medische professionals sensibiliseren en moslimkoppels op weg helpen bij hun beslissingsproces.” ● (jw)

“Zwangerschapsafbreking kan volgens de meeste moslims alleen als het leven van de moeder in gevaar is.”


19

© KU Leuven – Campus Brugge

Blow-up VEZELS Neen, u kijkt niet naar een hooibaal, maar naar een microscopische scan van glasvezels. Het materiaal wordt gebruikt in kabels voor telecommunicatie en in behang. Maar we kennen het misschien nog het best van glaswol, een isolatiemateriaal.

of kou vast, een groot voordeel als je wil isoleren. Maar helaas is het ook heel breekbaar. Als je het toevoegt tussen glasvezels, is het zoeken naar de juiste verdeling, zodat het materiaal efficiënt isoleert. En je wil ook niet te veel aerogel gebruiken, want het is prijzig.”

Om de isolerende eigenschappen van glaswol te verbeteren, wordt er onderzoek gedaan naar de combinatie van glasvezel en silica aerogel. Dat vertelt postdoctoraal onderzoeker Steven Latré, die bij de onderzoeksgroep ProPoliS van KU Leuven Campus Brugge doctoreerde over het onderwerp.

Isolatiemateriaal van glasvezel en aerogel biedt verschillende voordelen: doordat de warmte of kou minder verloren gaat, verlies je minder energie – goed voor de energiefactuur en de CO2-uitstoot. Toepassingen zijn isolatiematten en -dekens. Denk dan niet alleen aan je zolder, maar ook aan grote industriële installaties. “Het gaat bijvoorbeeld om de isolatie van vaten met grote oppervlakken of leidingen over lange afstand, zoals gasleidingen op een boorplatform.” (if)

Aerogel is het lichtste van alle vaste materialen die er bestaan. “Het bestaat voor 99 procent uit lucht, het resterende procent is pure silica. Aerogel houdt warmte


© KU Leuven – RS

20

DOSSIER — Voeding


21

Voeding voor de toekomst De werkplek van het Laboratorium voor Levensmiddelenchemie en -biochemie in Heverlee is én een state-of-the-artlabo én een mini-bakkerij en -brouwerij. De lijst van voedingsproducten die er – letterlijk en figuurlijk – op de rooster worden gelegd is lang: brood, pasta, rijst, koekjes, Luikse wafels, croissants, ontbijtgranen, peperkoek, havermelk en bier. Eigenlijk wordt zowat elk type voeding op basis van granen er ontrafeld op moleculair niveau en dan weer in elkaar gezet tot een eindproduct. Het labo doet basisonderzoek naar granen als tarwe, rijst, rogge, maïs, gerst en haver, en af en toe ook andere grondstoffen, zoals aardappelen en soja, en hun bestanddelen – zetmeel, proteïnen, vetten en dieetvezel. De onderzoekers werken veel samen met de voedingsindustrie. Daarbij gaan wetenschappelijke kennis en maatschappelijke trends hand in hand: het product beter begrijpen plus de vragen van de consument naar gezond en duurzaam beantwoorden. Kan je een lekkere cake maken zonder suiker of met enkel plantaardige ingrediënten? Hoe geef je een alcoholvrij bier wat meer body? En kunnen we van sojameel een vleesvervanger maken?


22 Geen piece of cake Kan een cake zonder suiker, boter of eieren? De standaardingrediënten van cake staan ter discussie, maar ze vervangen blijkt niet zo eenvoudig. Zonder een stevige portie chemie en biochemie geraken we er alvast niet uit.

D

e voedingsindustrie speelt vandaag volop in op de vraag van de consument naar gezonde en duurzame producten. “In ten years time sugar will be the new tobacco, hoor ik weleens”, vertelt professor Jan Delcour van het Laboratorium voor Levensmiddelenchemie en -biochemie, die al jaren onderzoek leidt naar onder meer cake.

de chocoladesector. “Wij voeren basisonderzoek uit over brood en cake. Hoe werken de grondstoffen? Hoe interageren ze met elkaar tijdens het kneden of mengen? Wat gebeurt er tijdens het bakken? En dat is anders voor elk type product: een biscuit werkt op een andere manier dan een quatre-quarts.”

Dat vertaalt zich in minder suiker, vet en E-nummers. En vegans willen geen ingrediënten van dierlijke oorsprong zoals eieren. Maar goede vervangers zoeken is meer dan het recept een beetje aanpassen. Het betekent ook de wetenschap achter de cake begrijpen. Daarvoor kloppen bedrijven bij Delcour en zijn medewerkers aan.

“Sommige grondstoffen zijn bij wijze van spreken het slachtoffer van hun eigen succes, omdat ze zoveel functies vervullen. Een ei, bijvoorbeeld, doet wonderen in een gerecht”, vindt Delcour. Eigenlijk spreken we over twee ingrediënten: eigeel en eiwit. Het eigeel is op zich al een mengsel van water en vet: dat maakt dat je er makkelijk ander vet – boter of margarine – aan kan toevoegen. Maar naast vetten kan eigeel ook lucht en koolstofdioxide vasthouden in het beslag en tijdens het bakken, zodat je een mooie, volumineuze cake krijgt.

Biscuit of quatre-quarts

Zonder ei geen koek

Het laboratorium werkt voor verschillende soorten cake al jaren samen met Puratos, een Belgische multinational die ingrediënten levert aan bakkerijen, de patisserie- en

Een gewone hobbykok associeert eiwit met schuimpjes. In een biscuit zorgt het wit van ei inderdaad voor luchtigheid. Maar in een quatrequarts zorgt het er net voor dat de cake tijdens het bakken een vaste

“Suiker is in cakes veel meer dan enkel een zoetstof en dat maakt de zoektocht naar een goede vervanger lastig.”


—

23

De klassieke quatre-quarts bestaat uit een vierde bloem, een vierde suiker, een vierde eieren en een vierde boter.

© KU Leuven – Lomme Deleu

structuur krijgt. Het eiwit bevat verschillende proteïnen – eiwitstoffen – die op hogere temperatuur met elkaar én met andere ingrediënten verbindingen vormen en zo voor een stevig netwerk zorgen. Kort gezegd: zonder het wit van ei is je cake minder veerkrachtig en zakt hij in. Suiker dan: er bestaan toch al alternatieven zoals stevia of aspartaam? “Dat zijn zoetstoffen", zegt Delcour. "Je vindt ze in frisdrank: daar kan je heel makkelijk suiker vervangen door water en een klein beetje zoetstof. Maar als je in een quatre-quarts de suiker weghaalt, moet je dat compenseren met meer bloem, meer vet, of meer eieren, en krijg je in veel gevallen eerder een brood. Suiker is in cakes veel meer dan enkel een zoetstof en dat maakt de zoektocht naar een goede vervanger lastig.”

Multifunctioneel Suiker is een echt multifunctioneel werkpaard: het zorgt voor stroperigheid en maakt zo dat er tijdens het mengen van de ingrediënten genoeg lucht in het beslag zit. Suiker speelt net zoals eieren ook een rol in de structuurvorming van de cake, maar eerder als dirigent: zonder suiker wordt het beslag al hard in de oven nog voor het gerezen is. En suiker zorgt ook voor een langere bewaarbaarheid: zonder suiker krijgen schimmels sneller vrij spel. Er bestaan alternatieven, maar ze doen niet helemaal hetzelfde. “Mensen willen een lookalike van de cake die ze gewoon zijn. En één component vervangen door één andere die even veelzijdig is, lukt niet. Dus eindig je met een recept met een aantal additieven.”

Clean label Hoewel die additieven – de E-nummers – strikt gereguleerd zijn, liggen ze moeilijk bij de consument. Een additief bij cake is bijvoorbeeld het bakzuur dat samen met bakzout het rijsmiddel vormt. Vroeger gebruikte men vaak een bakzuur dat aluminium bevat: dat product staat ondertussen onder druk. “Voedingsbedrijven streven nu naar clean labels: recepturen en productiewijzen op basis van voornamelijk natuurlijke ingrediënten.” “Ken je grondstof”, is het motto van Delcour. “Als je goed begrijpt hoe je grondstof in elkaar zit en reageert, kan je er veel meer uithalen en heb je misschien geen extra’s nodig. Een voorbeeld is een biscuit en het vet dat daaraan toegevoegd wordt in de vorm van een additief. Je kan dat additief weglaten: het vet dat sowieso al in eieren en bloem zit, kan de functies van dat additief overnemen. Dat heeft wel een keerzijde: zonder het additief kan je niet langer alles tegelijk mengen.”

Slappe koord Het blijft dansen op een slappe koord. Ingrediënten zijn niet zomaar te vervangen, een productieproces is niet altijd eenvoudig aan te passen en alternatieve grondstoffen blijken soms te duur om op industriële schaal gebruikt te worden. Maar het ligt ook een beetje aan onszelf: we zijn gewoontebeestjes en houden vast aan de voeding zoals we die kennen. “Misschien moeten we vaker voorbij de klassieke quatre-quarts kijken en durven overschakelen op lekkere nieuwe producten.” ● (if) Met dank aan Kristof Brijs, Lomme Deleu, Thibault Godefroidt, Nand Ooms en Sarah Pycarelle


24

Op zoek naar een volmondig biertje Als je nog niet volmondig ja zegt tegen een alcoholvrij of alcoholarm biertje, dan ligt dat misschien aan het wat platte en waterige karakter. Een gebrek aan ‘volmondigheid’ heet dat in wetenschappelijk jargon. Leuvense onderzoekers zoeken de oplossing in de vezels die in het graan zitten.

Q

ua smaak hebben bieren met een laag percentage alcohol al een hele weg afgelegd. Doordat het bier minder gegist of gefermenteerd wordt en de alcohol eruit gehaald wordt, misten de brouwsels van het eerste uur heel wat aroma’s en smaakstoffen. Dankzij veel onderzoek is daar de laatste tijd beterschap merkbaar. Maar het schoentje wringt nog bij de body, de textuur van het bier. Zeker bij de speciaalbieren waar wij Belgen zo aan gehecht zijn, is die volmondigheid belangrijk.

In het labo wordt de dieetvezel in het bier afkomstig uit het graan onderzocht. Die draagt bij tot het mondgevoel van het bier.

Mocktail of nablab? Maar consumenten willen gezondere drankjes, getuige de vele receptjes voor hippe mocktails. Brouwerijen proberen van die trend een graantje mee te pikken met hun aanbod nablab (non-alcoholic beer en low-alcohol beer). Dus wordt er geëxperimenteerd om het nablabbier van zijn waterige imago af te helpen.

© KU Leuven – RS

—

En dat aspect is moeilijk te onderzoeken – een toestel kan je niet vertellen hoe een bier aanvoelt in de mond.


25 In het Laboratorium voor Levensmiddelenchemie en -biochemie bestuderen de onderzoekers hoe je de bieringrediënten kan laten reageren en de processen van vermouten – gerst laten ontkiemen en drogen – en van het brouwen met water, hop en gist kan aanpassen om tot meer volmondigheid te komen, vertelt professor Christophe Courtin.

Proefbier

Dieetvezel

Speciaal voor dit onderzoek werden een aantal proefbieren gebrouwen. Omdat volmondigheid niet gemeten kan worden met een toestel, werd een getraind proefpanel ingezet dat de proefbieren vergeleek op het vlak van volmondigheid. Dat bleek een succes. “We hebben een deeltje van de puzzel gelegd en een oplossing kunnen voorstellen. Maar er is nog veel verder onderzoek nodig.”

Zijn team zoek t de oplossing voor het nablab in dieetvezels: “Dat zijn onverteerbare vezels die van nature in plantaardig voedsel voorkomen. Ze zitten in groenten, fruit, peulvruchten, granen, noten en zaden en ze hebben vele gezondheidsvoordelen, zoals een goede darmwerking.” En u raadt het al: er is sprake van een fiber gap, we krijgen die vezels te weinig binnen. Onze belangrijkste bron van dieetvezel is brood. Vandaar dat diëtisten ijveren voor het eten van volkorenbrood.

Waar bedrijven bij Courtin kunnen aankloppen voor advies over granen in het mout- en brouwproces, zijn er nog vele andere bierexpertises binnen de KU Leuven: “Naast ons team zijn er ook groepen – in Leuven en op Campus Gent – die werken rond gist, hop, brouwen … allemaal gegroepeerd in het Leuven Institute for Beer Research (LIBR).”

Het team van Courtin heeft al heel wat broodexpertise: “We onderzoeken het effect van dieetvezels in producten zoals brood of bladerdeeg, of de impact tijdens processen zoals het bakken. En we kijken ook naar de verschillende types dieetvezel: je kan spelen met de verhoudingen om de balans beter te maken. Zo kan je door enzymes toe te voegen een volkorenbrood nog gezonder maken: de dieetvezels worden dan prebiotica.”

Parelsnoeren Ook bier bevat dieetvezels, afkomstig uit de grondstof: gerst, haver, tarwe, rogge … Maar bij bier draait het niet zozeer om het gezondheidsaspect als wel om de functie van dieetvezels. “Die vezels worden in meerdere of mindere mate afgebroken tijdens het brouwen en komen deels in het bier terecht. Je kan ze vergelijken met parelsnoeren, maar dan op moleculair niveau: sommige vormen lange stukken, die verstrengelen sneller en geven de vloeistof dikte. Dat geeft de volmondigheid die we nastreven.” Al is het wel zoeken naar de juiste parelsnoeren: “Je hebt ze in alle maten en vormen, van verschillende soorten granen en je kan ze aan diverse processen van mouten en brouwen onderwerpen. Het is dus zoeken naar de juiste combinatie: welke ingrediënten en welke processen.”

Mout- en brouwwetenschappen Die bierexpertise uit verschillende hoeken wordt sinds 2020 ook gebundeld in een nieuwe opleiding: het internationaal postgraduaat mout- en brouwwetenschappen. De oprichting van de eenjarige opleiding werd mogelijk gemaakt dankzij de AB InBev Chair in Malting and Brewing. Het is uitzonderlijk dat een leerstoel – een schenking aan een universiteit – naar een opleiding gaat, de meeste leerstoelen gaan naar onderzoek. “Er is in de industrie wel degelijk vraag naar deze profielen, met inzicht in de volledige bierproductieketen, en er bestond nog geen alomvattende Vlaamse opleiding. Niet alleen AB InBev, maar ook grote moutspelers en kleine geuzenbrouwerijen tonen interesse.” Wegens de coronapandemie is de opleiding op een laag pitje van start gegaan. “Ons streefdoel is 25 studenten. We zijn nu begonnen met zeven studenten die al een masterdiploma bio-ingenieurswetenschappen of exacte wetenschappen op zak hebben. De bedoeling is dat ze na hun opleiding voor innovatie in de bierindustrie zorgen.” Sommigen onder ons hopen alvast dat deze nieuwe specialisten zullen zorgen voor een lekker nablabje, dat ons vezeltekort mee kan aanvullen. ● (if) Met dank aan Niels Langenaeken

“De bedoeling is dat onze studenten na hun opleiding voor innovatie in de bierindustrie zorgen.”


26 Vleesvervangers 3.0 Minder vlees eten is beter voor het milieu: de productie van een stukje vlees gaat immers gepaard met veel uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen. Daarom is het zoeken naar alternatieven. In het labo kijken onderzoekers al een stap verder dan de tofoe en de veggieballetjes: de vleesvervangers 3.0 komen eraan.

—

E

r bestaan natuurlijk al wel wat alternatieven voor vlees. Producten zoals tofoe, tempé en seitan zijn de traditionele vleesvervangers van het eerste uur. In het Oosten zijn ze al heel lang ingeburgerd, maar hier worden ze vooral gesmaakt door diehard vegetariërs.

Eerst worden de proteïnen uit sojabonen gescheiden van de andere componenten. Daarna worden ze gedroogd, en vervolgens onder hoge druk en temperatuur door een mal geperst om tot een vezelige massa te komen die als vleesvervanger te gebruiken is.

Ondertussen staan de nieuwe flexitariërs in de supermarkt aan het vak met vegetarische producten al eens te twijfelen bij de vleesvervangers van de tweede generatie: kant-en-klare burgers of worsten, balletjes of schnitzels. Ofwel deels plantaardig met ook nog wel ei of kaas, ofwel vegan – volledig uit plantaardige ingrediënten dus. Maar eerlijk, voor de vleeseters onder ons die gewoon minder vlees willen eten: die producten lijken alleen qua vorm op verwerkt vlees. De smaak en de vezelachtige textuur van vlees hebben ze niet en dat blijkt toch nog een drempel voor vele consumenten.

Sojabonen en erwten Vandaar nu vleesvervangers 3.0. Je vindt ze in de winkel als ‘veggie kipstukjes, spekjes of biefstukreepjes’. Voor vleeseters zijn deze vleesvervangers qua smaak en vooral qua textuur of mondgevoel al veel minder van echt vlees te onderscheiden. “De grondstoffen zijn eiwitten uit sojabonen, erwten of tarwe. Die plantaardige proteïnen worden bewerkt tot er eiwitdraden ontstaan met de textuur van vlees”, vertelt professor Arno Wouters van het Laboratorium voor Levensmiddelenchemie en -biochemie. De nieuwe vleesvervangers zijn echter vaak op goed geluk, met vallen en opstaan, ontwikkeld. “Wat ontbreekt is wetenschappelijke kennis over hoe je met plantaardige proteïnen de textuur van vlees kan benaderen. In ons onderzoek proberen wij dat proces te begrijpen”, vervolgt Wouters, die zich toespitst op proteïnen uit soja.

“We zullen in de toekomst onze proteïnen uit meerdere bronnen halen, niet enkel uit één succesproduct.”


27

© ILVO

Afval of vleesvervanger Sojaproteïnen waren tot nu toe ‘afval’. Een sojaboon bestaat uit vet, proteïnen en koolhydraten. “Het gros van de sojabonen wordt vandaag verwerkt tot sojaolie. Daarbij krijg je als restproduct een sojameel of -koek – inclusief hoogwaardige sojaproteïnen – die grotendeels als ingrediënt voor veevoeder wordt gebruikt. Maar het idee leeft nu dat we die proteïnen beter kunnen inzetten, bijvoorbeeld in de productie van vleesvervangers.”

Omdat geïmporteerde sojabonen te wensen overlaten op het vlak van duurzaamheid, wordt het onderzoek gevoerd met Vlaamse soja. Op verschillende plaatsen in Vlaanderen vind je al sojavelden: op proefvelden van het agentschap ILVO (Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek) en bij boeren die willen pionieren met een nieuwe teelt.

Pilootschaal

Voor alle duidelijkheid, Wouters legt geen sojaproteïnen in de pan in het labo. “Dit is basisonderzoek en wij bekijken de hele keten, van sojaboon tot eindproduct. Wat zijn alle nodige stappen om tot vleesvervangers van hoge kwaliteit te komen? Bij elke stap van dat proces is er heel wat variatie mogelijk, dus is het zaak de hele keten goed te begrijpen en te controleren.” Van trial and error is er hier dus geen sprake.

ILVO trekt al enkele jaren aan de kar voor de teelt van soja in onze contreien en heeft ondertussen de handen in elkaar geslagen met KU Leuven en Flanders’ Food (de Vlaamse speerpuntcluster rond agrovoeding) om ook de mogelijkheden van verwerkte sojaproducten te onderzoeken. “Wat wij in het labo op kleine schaal onderzoeken, zal ILVO dan op pilootschaal uittesten en terugkoppelen naar de proefvelden.”

Under pressure

Of ons bord in de toekomst vooral gevuld zal zijn met ‘sojavlees’, wil Wouters niet gezegd hebben. “We zullen in de toekomst onze proteïnen uit meerdere bronnen halen, niet enkel uit één succesproduct. Ook op het vlak van dierlijke proteïnen wordt er aan alternatieven gewerkt, denk aan kweekvlees en insecten.” En wat betreft plantaardige proteïnen staan we nog maar aan het begin: “Want het gaat natuurlijk niet alleen om soja: ook erwten, bonen, lupines en ook granen – hét onderzoeksobject bij uitstek van onze onderzoeksgroep – zijn een bron van plantaardige proteïnen. Er is dus nog werk aan de winkel.” ● (if)

Eerst worden de proteïnen gescheiden van de andere componenten van de sojabonen: bij die stap wil je de kwaliteit van de proteïnen zo goed mogelijk bewaren. Dan worden de proteïnen en eventueel aanwezige koolhydraten gedroogd. Vervolgens worden ze door een soort mal geperst om tot een vezelige massa te komen die als vleesvervanger te gebruiken is. Dat laatste proces heet high moisture extrusion en daarbij spelen heel wat parameters een rol, zoals vochtigheid, temperatuur en druk.


28

INTERNATIONAL RESEARCHER — Thomas Cocolios

Measuring an atom with humane results It is a strange truism that researching the smallest particles in the universe requires the largest equipment and the broadest international coalitions. No one could be better situated to meet this challenge than Professor Thomas Cocolios of the division of Nuclear and Radiation Physics.

B

orn in the United States to a Greek father and French mother, Professor Thomas Cocolios is who you would design if you sought to create the perfect international researcher. He attended McGill University in Montreal, worked at nuclear facilities in the United States and Canada, obtained his PhD at KU Leuven, and continued his research at CERN in Switzerland. His background allows him to break through the many barriers intrinsic to the study of high-level nuclear physics, be they linguistic, diplomatic, or the most significant barrier in science: understanding. The problem is that nuclear physics is dauntingly complex. When talking about nuclear physics to a layperson, it’s almost required to speak in a riot of analogies, as Professor Cocolios does with gusto. Professor Cocolios on exploring an atomic nucleus: “We actually use the electron … it would be like

trying to understand the surface of the earth by looking at the GPS signal from the cell phone of people working around the earth, right? You would get a bit of an idea of the topography.” Or stabilising a particle beam to improve the accuracy of his measurements: “We accelerate the beam … picture yourself on a bike, you try to be perfectly balanced, but if you’re at rest you’re always going to be leaning to one side or the other until you fall. However, if you’re accelerated you’re not falling to the side anymore because you’re going forward so fast that the little wobbliness is taken along with it. And that’s what we do with the atoms, we accelerate them so that their wobbliness, which limits our resolution, gets erased.” There are many more analogies in his repertoire. You could say his discourse orbits the technical details like an electron orbiting an atomic nucleus.


© CERN

—

The MEDICIS robot arm at CERN allows Professor Cocolios’ team to handle the irradiated targets that generate medical radioisotopes.


30 “If you do not have the basic fundamental research to drive the developments, your innovation will dry out.”

Yet when the situation requires, Professor Cocolios will happily speak directly about nuclear physics. He does so frequently, whether with high schoolers touring a particle accelerator, or with his most demanding peers at conferences. No matter how intricate the technical or conceptual details, he makes it possible to appreciate the implications of his work for scientific understanding on a number of fronts.

Laser measurement At its heart, Thomas Cocolios’ research is simple: he explores the shape of atomic nuclei. The cluster of protons and neutrons stuck together at the core of a copper or polonium atom is not usually a sphere, as one might expect. Most often, it’s an elongated sphere, like an egg or a rugby ball. Next most prevalent is a squashed sphere, like the earth itself, which bulges outward slightly along the equator (Professor Cocolios’ analogy). A sphere is only the third most likely shape. Professor Cocolios explores the shape of the nucleus to learn about the origin of the elements, because what we know about exotic atomic particles right now is surprisingly limited. Lighter elements are fused in the cores of stars, whilst heavier elements are formed in the collisions amongst neutron stars and black holes; we simply cannot easily replicate those high-energy events on earth. The truth is that we don’t even fully understand the properties of many of the isotopes that we can produce in our nuclear reactors, despite having created them as fission by-products for the past ninety years.

So Professor Cocolios seeks information on atomic nuclei to fill in the gaps in our knowledge. He does this by using lasers to measure the changing colour of an atom. The electrons that surround the nucleus give an atom its colour, and the orbital occupied by an electron will change based on the shape of the nucleus. Professor Cocolios can measure this colour change to an accuracy of more than one part in a million, and determining new methods to attain that level of accuracy has been the main thrust of his research throughout his career. With revised knowledge from these new experimental methods in hand, we can test and refine existing nuclear models.

Isotope factories Yet there are more concrete benefits to his research than just filling in the gaps in our knowledge. The processes Professor Cocolios uses to obtain his test materials are the same as those that result in radioactive particles for medical purposes.


31

© Thomas Cocolios

© CERN

—

Thomas Cocolios (pictured on the right): “We don’t even fully understand the properties of many of the isotopes that we can produce in our nuclear reactors, despite having created them as fission by-products for the past ninety years.”

“We shoot a particle – a proton typically – onto a target, say uranium, as you heat it up to a high temperature … and a lot of different radioactive nuclei that would be in the target come out. On their way out you make them go through what we call an ion source, which transforms them from atoms to ions – charged particles. Then we can apply electric and magnetic fields to them to accelerate them, manipulate them, and bring them wherever we want them to be … for you to shine a laser on, or for you to collect and make a radiopharmaceutical product to inject into a patient, it doesn’t matter, the technology is the same for both. We call some of those facilities radioactive isotope factories.” In creating these medical-grade isotopes, Professor Cocolios has also had success collaborating with UZ Leuven to advance their efforts in nuclear medicine and molecular imaging. Further collaboration with the materials engineering department at KU Leuven has also yielded tangible results. “We’re shining protons

onto the starting materials, and it might sound trivial, but the sort of conditions under which we operate are so extreme that you need materials that can sustain that, and Leuven is actually at the forefront of that technology. By collaborating, we’ve actually already developed a series of materials that nobody had ever thought of before.” Professor Cocolios encourages this pairing of fundamental research and practical results, but wouldn’t want to sacrifice one for the other: “Without fundamental research there is no innovation. I’m very proud of what I’m doing innovation-wise. If you do not have the basic fundamental research to drive the developments, your innovation will dry out.” Fortunately, Professor Cocolios is well placed to continue this collaboration in the future, with inno‑ vation (and analogies) spinning out of KU Leuven for years to come. ● (gp)


32

KUNST EN WETENSCHAP — Pop is niet minderwaardig

“Sommige halen het niveau van Wat hadden The Beatles met Singin’ in the Rain? Waarom geen Kendrick Lamar zonder Miles Davis? En hoe heette de middeleeuwse voorloper van Bob Dylan? Drie quizvragen die KU Leuven-studenten vlot kunnen beantwoorden na het volgen van het vak popmuziek. Docent Jeroen D’hoe schetst daarin het brede plaatje van pop, van de oudste blues tot de nieuwste beats, en stelt scherp op enkele tijdloze parels.


© KU Leuven – RS

popartiesten een Mahler of Bach” —

“Een academische benadering van popmuziek was er nog niet. Maar als je musicologen een breed beeld wil schetsen van de muziekgeschiedenis, kan je niet om popmuziek heen.”


34

I

n 2019 pionierde KU Leuven door als eerste Belgische universiteit een tweejaarlijks vak ‘popmuziek’ aan te bieden. Inmiddels is het vak een vast onderdeel van de bachelor musicologie, maar ook andere studenten kunnen aanschuiven.

“De cursus kwam er deels op vraag van de studenten”, vertelt docent Jeroen D’hoe, zelf musicoloog en componist. “Popmuziek werd al onderwezen aan een aantal hogescholen, maar die opleidingen richten zich voornamelijk op studenten met muzikale ambities. Een academische benadering van popmuziek was er nog niet. Dat terwijl popmuziek – de naam zegt het zelf – het belangrijkste muziekgenre is binnen de populaire cultuur. Als je musicologen een breed beeld wil schetsen van de muziekgeschiedenis, kan je dus niet om de 20ste en 21ste eeuw heen.” “Tijdens de lessen heb ik het over de grote stromingen binnen pop en hoe die zich verhouden tot maatschappelijke ontwikkelingen”, zegt D’hoe. “Daarnaast ga ik dieper in op de muziek zelf. Je kan popmuziek natuurlijk niet bestuderen zoals klassieke muziek, omdat ze haar eigen ‘taal’ en spelregels heeft. Maar het genre is niet minderwaardig. In de VS, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland buigen universiteiten zich er al zo’n dertig jaar over. Er bestaan zelfs journals die uitsluitend artikels over popmuziek publiceren. Bovendien zijn er popartiesten die als componist of uitvoerder echt wel het niveau van een Mahler of Bach halen.”

Tin Pan Alley Naar schatting worden er dagelijks zo’n 40.000 popliedjes op de wereld losgelaten. Nog véél meer nummers hebben zich de voorbije decennia in het collectieve geheugen genesteld. Hoe stel je zo’n cursus popmuziek samen? En waar begin je in godsnaam? Op het moment dat Chuck Berry ‘Maybellene’ uit z’n Gibson wringt, Elvis heupwiegend bakvisharten verovert en Jerry Lee Lewis toont dat je ook met je achterwerk piano kan spelen? “Veel mensen denken bij het startpunt van pop inderdaad aan rock‘n-roll, maar daar gaat al een hele geschiedenis aan vooraf”, zegt D’hoe. “De eerste sporen van ‘populaire muziek’ vind je al aan het eind van de negentiende eeuw. Grosso modo op het moment dat de grammofoonplaat zijn intrede doet. Een belangrijke voorloper is de blues, die ontstaat uit de ‘worksongs’ die zwarte slaven op de plantages zingen, en die immens populair wordt in de jaren twintig en dertig. Via de komst van de elektrische gitaar en de rhythm-and-blues verandert die muziek, tot artiesten als Chuck Berry er weer een nieuwe variant op bedenken. Zonder blues was er geen rock-‘n-roll geweest, en geen popmuziek zoals we die vandaag kennen. Het hangt allemaal samen.” In de eerste lessen spendeert D’hoe uitgebreid aandacht aan blues en aan het Great American Songbook. “De canon van de populaire muziek en de ‘jazz standards’ uit het begin van de twintigste eeuw”, duidt hij. “Denk maar aan liedjes uit grote Broadway- of vroege Hollywoodmusicals met Fred Astaire. Of aan Tin Pan Alley, een New Yorks collectief van muziekproducers en songschrijvers dat bijna alle hits uit die periode leverde, en waar legendarische songwriters als Irving Berlin, Cole Porter en George Gershwin deel van uitmaakten.”

—

“The Beatles wisten de ritmische rock‘n-roll van Chuck Berry te vermengen met de aanstekelijke melodieën van de Tin Pan Alley-songs. Je krijgt dus een combinatie van witte én zwarte cultuur.”

Be-Bop-A-Lula? Heel wat van die nummers zijn inmiddels uit het collectieve geheugen verdwenen. Zonde vinden we, want wat te denken van geinige songtitels als ‘Makin’ Whoopee’, ‘The Night We Called It A Day’, en ‘I've Grown Accustomed To Her Face’? Doen hits uit de jaren twintig, dertig of veertig nog een belletje rinkelen bij studenten vandaag? “Daar zou je van versteld staan”, zegt D’hoe. “Heel wat liedjes uit het Great American Songbook worden vandaag bijvoorbeeld vertolkt door Michael Bublé, Jamie Cullum of Diana Krall. Hedendaagse artiesten van wie de ouders van studenten vaak cd’s hebben liggen. Veel van die liedjes zijn ook nog te horen in talentenjachten op tv of in films. Tijdloze nummers als ‘White Christmas’, ‘My Funny Valentine’ of ‘Moon River’ … Op die manier pikken jongeren dat op.” Hoe is het over het algemeen gesteld met de popmuziekkennis van de jeugd? Kennen ze hun ‘klassiekers’? “Dat varieert”, vertelt D’hoe. “Vroege rock-‘n-roll zegt jongeren bijvoorbeeld niet meer zo veel. Als ik vraag waaraan ze denken bij ‘Be-Bop-A-Lula’ zullen ze misschien gokken dat het een rock-‘n-roll-liedje is, maar ze zullen er geen artiest meer kunnen opplakken.” “Tegelijk blijkt uit onderzoek dat twintigers hedendaagse hits moeilijker in hun muzikale geheugen opslaan dan bepaalde klassiekers. Dat ligt wellicht aan het generische karakter van die recente nummers. Ze zijn vaak


© Imageselect

“Popmuziek is geen minderwaardig genre. In de VS, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland buigen universiteiten zich er al zo’n dertig jaar over. Er bestaan zelfs journals die uitsluitend artikels over popmuziek publiceren.”


36

gebaseerd op een bepaalde formule en lijken daardoor sterk op elkaar. Recente liedjes van pakweg Justin Bieber, Beyoncé of Kelly Clarkson zijn al na een paar maanden vergeten, terwijl je ‘Bohemian Rhapsody’ van Queen maar één keer hoeft te horen en het blijft voor altijd hangen.” Jongeren beseffen volgens D’hoe ook minder dat er een historische lijn door muziek loopt. Zo werkt de muziek uit het Great American Songbook, net als de blues, door in het werk van latere supersterren. “Paul McCartney is bijvoorbeeld opgegroeid met de platen van oude Broadwaymusicals à la Singin’ in the Rain. Die invloed neemt hij natuurlijk mee in zijn eigen werk. Luister maar naar een nummer als ‘When I’m 64’, dat erg beïnvloed is door die ‘jazz standards’ en evengoed in de jaren dertig zou kunnen zijn geschreven. In mijn lessen probeer ik die muzikale verbanden te tonen.”

Oorwurmen Als we het hebben over popmuziek, kunnen we moeilijk om The Beatles heen. Sinds de jaren zestig weten ze zowat elke nieuwe generatie te verleiden met hun catchy meezingers. Hoe valt dat succes te verklaren? “The Beatles wisten de ritmische rock-‘n-roll van Chuck Berry te vermengen met de aanstekelijke melodieën van de Tin Pan Alley-songs. Je krijgt dus een combinatie van witte én zwarte cultuur. Nummers als ‘She Loves You’, ‘I Want to Hold Your Hand’ of ‘Help!’ klinken vanwege de melodie fantastisch als je ze speelt op een akoestische gitaar, maar de elektrische energie en sound van rhythm-and-blues geven ze nog iets extra’s. Daar komen dan nog eens invloeden bij uit de traditionele

Britse folkmuziek, wat je goed hoort in een nummer als ‘Norwegian Wood’.” “Los daarvan waren Lennon, McCartney en Harrison gewoon heel sterke componisten, die voortdurend evolueerden en baanbrekend werk leverden, zonder het grote publiek uit het oog te verliezen. ‘Strawberry Fields Forever’ uit 1967 is best een experimenteel en complex nummer voor die tijd, maar het is tegelijk één van de meest bekende Beatlessongs. Zowat al hun nummers zijn oorwurmen. ‘Penny Lane’ blijft na een luisterbeurt een hele dag in je hoofd hangen. Songs die volstrekt uniek zijn én eenvoudig klinken, daarin ligt de kracht van The Beatles.” D’hoe laat de Fab Four dan ook uitgebreid aan bod komen in het tweede grote lesdeel, dat onder meer focust op de periode van de rock-‘n-roll in de fifties, en de vele pop- en rockgroepen die daar in de sixties uit voortvloeien. “In die decennia krijgt de ‘moderne pop’ vorm”, zegt D’hoe. “Vanuit rock-‘n-roll ontstaan verschillende vertakkingen. Denk bijvoorbeeld aan de hardrock van Jimi Hendrix, de bluesrock van The Rolling Stones of de folkrock van The Byrds.” “Er ontstaat ook voor het eerst iets als een jeugdcultuur, die volledig samenvalt met muziek. Ik laat de periode


37

—

“Kendrick Lamar vond inspiratie bij de jazz van Miles Davis. Op het hiphopalbum To Pimp a Butterfly hoor je zelfs gedempte trompetten.”

eindigen met Sgt. Pepper van The Beatles, een album waarop heel veel elementen uit de muziekgeschiedenis samenkomen en dat tegelijk zo vernieuwend is dat het op zijn beurt talloze artiesten beïnvloedt.”

Tekstuele hoogstandjes In de laatste twee delen zoomt D’hoe in op het fenomeen singer-songwriter, en het ontstaan van hiphop. “Singer-songwriters zijn eigenlijk een genre apart”, zegt hij. “De nadruk ligt even sterk op de tekst als op de muziek. Artiesten als James Taylor of Paul Simon geven zich bijvoorbeeld echt bloot in hun nummers, zingen op een poëtische manier over hun worstelingen of zielenroerselen. Dat is toch iets anders dan liedjes over meisjes, auto’s of ‘blue suede shoes’ (lacht).” © Imageselect

“Uit onderzoek blijkt dat twintigers hedendaagse hits moeilijker in hun muzikale geheugen opslaan dan bepaalde klassiekers.”

Het genre kent ook een lange voorgeschiedenis, aldus D’hoe. “Al in de middeleeuwen had je rondtrekkende troubadours die hun eigen muziek componeerden en teksten schreven. Eén van die oersinger-songwriters is de Britse luitspeler John Dowland, die enorm succesvol was in de zeventiende eeuw. Daarnaast is er een sterke link met folkmuziek, al heeft die laatste een meer politieke lading. Bob Dylan – zowat dé grootste singer-songwriter van zijn tijd – is bijvoorbeeld sterk beïnvloed door folkzangers als Woody Guthrie en Pete Seeger. Zijn vroege protestsongs – ‘Blowin’ in The Wind’, ‘The Times They Are a-Changin'’ of ‘The Lonesome Death of Hattie Carroll’ – stoelden nog sterk op die folktraditie, terwijl hij later meer persoonlijke teksten begon te schrijven.” Tussen de ‘ho’s’, ‘nigga’s’ en ‘bitches’ vind je ook in hiphop tekstuele hoogstandjes. D’hoe vertelt zijn studenten hoe het genre tot stand komt in de jaren zeventig, en fietst ook langs andere zwarte muziekgenres uit de voorbije decennia. “Veel van die genres stromen voort uit gospel”, zegt hij. “Zo hoor je de wisselwerking tussen de voorzanger en het koor, en de vraag-en-antwoordstructuur van zwarte kerkliederen ook terug in soul en motown. Denk aan James Brown, die zijn teksten als een prediker scandeert en repliek krijgt van zijn achtergrondzangers. Ook funk en disco komen daaruit voort. En wanneer dj’s die muziek gaan mixen en mc’s daarop rappen krijg je de vroege hiphop.” Hiphop oefent ook een invloed uit op andere muziekgenres, en voorziet ze vaak van een modern jasje. “De rhythm-and-blues van pakweg Ray Charles klinkt bijvoorbeeld behoorlijk anders dan de r&b van Beyoncé of Rihanna, die binnen de hiphop ontstaat. Ook soulmuziek en motown krijgen een make-over. Denk maar aan de muziek van Amy Winehouse, die eigenlijk ‘neosoul’ maakte.”

Gepimpte vlinder De laatste jaren is hiphop alleen maar belangrijker geworden binnen de popmuziek. Het genre heeft rock praktisch helemaal verdrongen. Is rock op sterven na dood? “Dat denk ik niet, maar het wordt meer en meer een niche. De populaire muziek bij de jeugd is hiphop en elektro. In de toekomst zal rock misschien het lot van blues beschoren zijn.


38 Er zijn nog steeds bluesmuzikanten en bluesfestivals, maar het is al lang niet meer het populaire genre dat het was in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Misschien wordt rock ook iets voor een beperkter maar trouw publiek.” Tijdens de lessenreeks gaat D’hoe dieper in op enkele legendarische albums (zie ook kader) die telkens een bepaald genre ‘verklanken’. “Echte case studies”, zegt hij. “Ik heb gemerkt dat de theorie daardoor bevattelijker wordt voor studenten. Als het gaat om singer-songwriters neem ik er bijvoorbeeld een vroeg Dylanalbum bij, én gaan we dieper in op Graceland van Paul Simon – zijn grote comebackplaat. Maar het zijn niet enkel ‘classics’. Ik besteed ook aandacht aan relevante artiesten van de laatste jaren. Zo bespreek ik het hiphopalbum To Pimp a Butterfly van Kendrick Lamar, of Overgrown van de elektropopartiest James Blake.” Er is véél hedendaagse muziek. Hoe scheid je het kaf van het koren? “Ik kijk naar wat een artiest betekent voor de muziek op zich, maar ook naar de sociale impact die hij of zij heeft”, zegt D’hoe. “James Blake zoekt bijvoorbeeld de grens op tussen elektro, klassieke muziek en avant-garde, en creëert zo een nieuw soort elektropop. Kendrick Lamar wist hiphop te vernieuwen door op een originele, complexe manier te rappen én jazz in zijn muziek te verwerken. Op To Pimp a Butterfly hoor je zelfs gedempte trompetten, zoals bij Miles Davis. Tegelijk stelt hij maatschappelijke problemen aan de kaak – luister maar naar een nummer als ‘Alright’, over Black Lives Matter. Ik denk dat de kans groot is dat de jeugd over dertig jaar nog naar die platen luistert.”

Magische muziekjes Naast hoorcolleges waarin D’hoe de historische en stilistische evoluties in popmuziek belicht, zijn er ook werkcolleges waarin studenten musicologie popsongs gaan analyseren. “Hoe ontstaat een popnummer en uit welke bouwblokken bestaat het? Ik zoom bijvoorbeeld in op een bepaald arrangement, de rol van de producer bij het mixen van een nummer, of de manier waarop de opnamestudio als extra ‘instrument’ wordt gebruikt. Bij die analyses ga ik steevast aan de piano zitten. Als ik het heb over een bepaald akkoord of melodietje waarop ik de aandacht wil vestigen kan ik het even spelen – dat maakt het ook fijn voor de studenten.” De analysetechnieken kunnen studenten musicologie later goed van pas komen in het beroepsleven, aldus D’hoe. “Bovendien kunnen ze ook hun masterproef over pop maken, wat een extra troef kan zijn als ze zich verder willen ontwikkelen in die richting. Dergelijke musicologische kennis kan erg nuttig zijn als ze een carrière als muziekrecensent ambiëren, bijvoorbeeld. Of als ze een job zoeken in de concert- en festivalwereld.” Gaat de magie van muziek niet verloren als je ze begint te analyseren? “Ik probeer daar waakzaam voor te zijn”, zegt hij. “Je mag je niet verliezen in details en moet het

—

“Ik zoom ook in op de manier waarop de opnamestudio als extra ‘instrument’ wordt gebruikt”, zegt docent Jeroen D’hoe. Op de foto: Douglas Firs.

totaalplaatje bewaren. Analyses moeten ook hoorbaar zijn. Je kan focussen op een bepaald detail – het baslijntje van ‘Daytripper’ of de operateske samenzang in ‘Bohemian Rhaspsody’ –, maar je moet ook tonen op welke manier dat bijdraagt aan de kracht van een song. Een beetje zoals het radarwerk van een horloge uiteen halen, kijken hoe vernuftig het in elkaar zit, en alles nadien opnieuw monteren. Voor mij maakt dat muziek alleen maar magischer.” ● (pjb)


39 De top van de pop Popprof Jeroen D’hoe selecteert vijf albums die onmisbaar zijn in uw platenkast.

1. West Side Story (soundtrack) 1961 – diverse artiesten

© Charlie De Keersmaecker

D’hoe: “De soundtrack van de baanbrekende musical die in 1957 voor het eerst werd opgevoerd op Broadway, maar nog bekender werd door de filmversie uit 1961. Leonard Bernstein componeerde de muziek, terwijl Stephen Sondheim die van tekst voorzag. De nummers bevatten latino-invloeden – denk aan chacha of mambo – maar zijn ook gebaseerd op de modernistische klassieke muziek van Stravinsky.”

2. Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band 1967 – The Beatles D’hoe: “Een vernieuwend, eclectisch album dat nog steeds tot de verbeelding spreekt van luisteraars en popartiesten. De rol van producer George Martin als 'vijfde bandlid' en van de opnamestudio als bijkomend ‘instrument’ stelden een nieuwe norm in de popmuziek.”

3. Graceland 1986 – Paul Simon D’hoe: “Hét bewijs dat Paul Simons solowerk niet moet onderdoen voor dat van zijn wellicht meer bekende groep Simon & Garfunkel. Een onweerstaanbare mix van polymetrische Zuid-Afrikaanse ritmes, rock‘n-roll, country, en singer-songwriting van de bovenste plank.”

4. Back to Black 2006 – Amy Winehouse

“Naast classics komt ook werk van relevante artiesten van de laatste jaren aan bod.”

D’hoe: “Winehouse bouwt voort op de sound van ‘Motown girl groups’ als The Marvelettes of Martha & The Vandellas, en voegt daar persoonlijke teksten over gebroken relaties en drugs- en alcoholverslaving aan toe. Haar emotionele zangstijl heeft dezelfde urgentie als die van Billie Holiday en een jazzbravoure die doet denken aan Sarah Vaughan.”

5. Black Radio 2012 – Robert Glasper Experiment D’hoe: “Een smaakvolle en originele mix van jazz en r&b-hiphop waarbij de grens tussen die twee genres volledig vervaagt.”


40

SPEEDDATE — Leen Sevens

“Ooit wil ik Klingon leren” Leen Sevens (28) is stafmedewerker educatieve technologie bij de groepsdiensten van Humane Wetenschappen. Ze houdt van computers en van mensen, van gamen en van gerbils.

W

at wilde u ‘later’ worden? “Ik was een echte cyberkid, ik leerde mezelf programmeren en websites bouwen toen ik twaalf was. Na taal- en letterkunde en computerlinguïstiek heb ik artificiële intelligentie gestudeerd om nadien terug te keren naar de computerlinguïstiek voor een doctoraat. Tot een jaar geleden was ik onderzoeker in taal­technologie en ontwikkelde ik Picto, een systeem dat pictogrammen omzet naar tekst en omgekeerd. Het is bedoeld voor mensen met een verstandelijke beperking. Nu ben ik bezig met onderwijsinnovatie. Ik zoek technologische oplossingen die nuttig zijn voor onze docenten en studenten.” Op welke job bent u jaloers? “Character designer voor animatiefilms of videogames lijkt me ook wel wat.” Wat weten uw collega’s niet van u? “Dat ik nog steeds een abonnement heb op Donald Duck. Dat ik niet meer achter het stuur gekropen ben sinds ik in 2013 mijn rijbewijs haalde. En dat ons trouwfeest vorig jaar een geeky thema had – mijn man en ik hebben elkaar leren kennen op een videogameforum. Van zelfgetekende trading cards als uitnodiging tot een fantasy-gevecht tijdens de openingsdans.” Aan welk project zou u meteen beginnen als geld en tijd geen factor waren? “Picto gebruiken om de coronamaatregelen te communiceren naar groepen mensen die ze moeilijk begrijpen.” Wat was uw meest recente vakantiebestemming? “Onze huwelijksreis naar Nieuw-Zeeland – onder meer Hobbiton, waar de The Lord of the Rings- en The Hobbit-trilogieën zijn opgenomen – en Tokio.” Hebt u een motto? “Een citaat van Paul Valéry: Le vent se lève, il faut tenter de vivre.”

Wat is uw beste eigenschap? “Ik ben hoogsensitief en dus heel gevoelig voor prikkels en indrukken. Maar daardoor kan ik ook op het juiste moment een luisterend oor of helpende hand bieden.” Wat is uw grootste angst? “Iemand verliezen van wie ik hou. Ik hecht me erg aan alles en iedereen. Ik heb zelfs een dag verlof moeten nemen toen één van mijn gerbils doodging.” Wat is uw meest onhebbelijke karaktertrek? “Ik werd in de lagere school al ongeduldig genoemd.” Welke persoonlijke bezitting bewaart u voor het nageslacht? “In onze hall hangt een schilderij waarop al onze bruiloftsgasten hun vingerafdruk hebben gezet. En we hadden vragenlijstjes op de tafels gelegd waarin ze hun leukste herinnering aan ons konden noteren. Die zijn voor mij van onschatbare waarde.” Hebt u een guilty pleasure? “Cosplay. Ik kruip dan – met een zelfgemaakt kostuum – in de huid van een fantasiepersonage.” Wat is de belangrijkste les die het leven u heeft geleerd? “Dat je gerust je persoonlijke interesses kan gebruiken in je job. Zo heb ik ooit een award gewonnen met een wetenschappelijke poster in stripvorm. En ik heb weleens dingen geleend uit Star Trek om een presentatie toegankelijk te maken voor een groot publiek.”

Welk boek ligt er op uw nachtkastje? “Een boek over de makingof van Blacksad, een graphic novel.”

Wat staat er op uw playlist? “Musicals en soundtracks, zoals die van de Japanse componist Joe Hisaishi.”

Van welke film of serie heeft u onlangs genoten? “Prinses Mononoke, een Japanse animatiefilm.”

Wat houdt u wakker ’s nachts? “Mijn to-dolijstjes. En mijn gerbils.”

Welk goed voornemen kan u maar niet vol­­houden? “Meer op mijn strepen staan.”

Is er iets waar u al lang van droomt? “Een vierde kinderboek illustreren en deze keer ook zelf het verhaal schrijven.”


41 “Ik hecht me erg aan alles en iedereen. Ik heb zelfs een dag verlof moeten nemen toen één van mijn gerbils doodging.”

Welk compliment heeft u het meeste geraakt? “Op mijn doctoraatsverdediging zei mijn promotor dat ik veelzijdig, doortastend, down to earth en ambitieus ben … En dat ik met diezelfde door­tastendheid en ambitie mijn collega’s voorzag van cava en taart. (lacht)” Wat is het beste advies dat u ooit gekregen hebt? “Toen ik op de Dag van de Onderwijsondersteuner advies moest vragen aan drie collega’s, zeiden ze alle drie hetzelfde: aanvaard dat je nooit voor iedereen goed kan doen.” Welk boek zal u altijd bijblijven? “De stad der blinden van José Saramago.” Welk uitvinding zou uw leven een pak makkelijker maken? “Een systeem om met dieren te praten. Ik richt altijd monologen tot de honden, katten en vogels die ik tegenkom, het zou leuk zijn als ze eens iets terug zouden zeggen.” Welke powersong krijgt u ’s ochtends uit bed? “De battle songs uit Final Fantasy, een videogame.” Wat is voor u de hel op aarde? “Een fitness­centrum.” Is er een ritueel waar u niet zonder kan? “Ik verlaat het huis nooit zonder eerst mijn tanden te poetsen. En ik voel me schuldig als ik de gerbils geen slaapwel heb gewenst.” Wat is uw vreselijkste vakantieherinnering? “Voor het werk was ik ooit in Boekarest. Ik werd er herhaaldelijk opgelicht, had vervelende ervaringen op straat, en liet me overhalen dingen te eten die me niet goed bekomen zijn. Mijn hotelkamer had geen gordijnen, maar wél uitzicht op een paar louche seksshops met bijbehorende felle neon­reclame.” Met welk historisch of fictief personage voelt u affiniteit? “Ik word weleens vergeleken met Amy Farrah Fowler uit The Big Bang Theory.” Wat is uw comfortfood? “Ben & Jerry’s. Liefst Chunky Monkey. Maar Cookie Dough is ook altijd goed.”

© KU Leuven – RS

Welke hobby bewaart u voor uw pensioen? “Ik heb ooit cursussen Hindi, Portugees en Sanskriet gevolgd. En nu doe ik elke dag een halfuurtje Japans. Als ik met pensioen ben, wil ik nog meer talen leren, hoe exotischer hoe beter. Maori bijvoorbeeld. Of het Klingon uit Star Trek. Nu zou dat laatste nog een beetje voelen als tijdverspilling, je kan het immers enkel spreken met andere nerds (lacht).” ● (ivh)


42

GENEESKUNDE — De prijs van een pil

Innovatieve geneesmiddelen: wondermedicijn of bittere pil? Als u morgen te horen krijgt dat u ernstig ziek bent, en er bestaat een nieuw geneesmiddel, of er is er één in ontwikkeling, hebt u daar dan sowieso toegang toe? Niet altijd is een medicijn betaalbaar of wordt het vergoed door de ziekteverzekering. En soms komt er zelfs geen geneesmiddel op de markt, ondanks veelbelovend klinisch onderzoek.


43

© KU Leuven – RS


44 O

—

ns land beschikt over een uitstekende gezondheidszorg, die bovendien voor patiënten ook één van de meest betaalbare ter wereld is. Toch wordt professor Isabel Spriet, ziekenhuisapotheker in UZ Leuven, geregeld geconfronteerd met patiënten die medicijnen nodig hebben die niet worden terugbetaald door de ziekteverzekering. Bijvoorbeeld omdat hun aandoening heel zeldzaam is. “Farmaceutische bedrijven moeten zelf het initiatief nemen om terugbetaling voor hun producten aan te vragen, via een procedure die geld en tijd kost. Soms beschouwen ze de Belgische afzetmarkt als te klein om dat te doen – voor bepaalde aandoeningen gaat het om een handvol patiënten. Een geneesmiddel komt dan wel op de markt in ons land, maar het wordt niet vergoed door de ziekteverzekering.”

“Deelname aan een studie kan voor sommige patiënten de laatste strohalm betekenen, maar uiteraard moet steeds bekeken worden of een patiënt beantwoordt aan de inclusiecriteria, om de wetenschappelijke waarde van de studie niet in gevaar te brengen.”

Iedereen kent het verhaal van baby Pia, die het duurste medicijn ter wereld nodig had om de degeneratieve spierziekte waaraan ze leed een halt toe te roepen. Met crowdfunding brachten de ouders de benodigde 1,9 miljoen euro bij elkaar. Maar dergelijke situaties komen vaker voor, met minder gigantische maar evengoed zeer problematische bedragen, zegt professor Spriet. “We zien steeds meer patiënten aan wie we duizenden of tienduizenden euro’s per maand moeten doorrekenen. Neem bijvoorbeeld een patiënte die zwanger is van een kindje met een bepaalde autoimmuunziekte. Om het kind te redden is de enige optie een behandeling die niet wordt terugbetaald en die zo’n dertigduizend euro zal kosten. Eigenlijk mag je mensen niet in zo’n parket brengen.”

“We zien steeds meer patiënten aan wie we duizenden of tienduizenden euro’s per maand moeten doorrekenen.”

En het gaat niet alleen om medicatie voor zeldzame aandoeningen. “Voor patiënten met infecties met multiresistente kiemen moeten we soms onze toevlucht nemen tot antibiotica die al jarenlang op de markt zijn in pakweg Nederland of Duitsland, maar waarvoor de terugbetaling in ons land nooit is aangevraagd. Die geneesmiddelen moeten we importeren en de patiënt moet daar dan de volledige kostprijs zelf voor ophoesten. Voor zo’n antibioticabehandeling kan dat oplopen tot honderden euro’s per dag, wekenlang.” Soms gaat het om geneesmiddelen die hier vroeger wel beschikbaar waren, en ook terugbetaald werden, maar waarbij de fabrikant nu kiest voor markten waar het product voor een hogere prijs verkocht kan worden – in vergelijking met andere landen liggen de prijzen voor geneesmiddelen bij ons vrij laag, aldus professor Spriet.

Strikte criteria De beslissing om een nieuw geneesmiddel al dan niet terug te betalen, kan soms lang op zich laten wachten. In de oncologie bijvoorbeeld worden voortdurend nieuwe producten ontwikkeld, die meestal worden gebruikt zodra ze goedgekeurd zijn door het European Medicines Agency (EMA). België is voor de terugbetaling van innovatieve geneesmiddelen, en zeker kankermedicatie, meestal relatief vroeg, zegt professor Minne Casteels, net als professor Spriet verbonden aan de afdeling Klinische Farmacologie en Farmacotherapie. Toch kan die terugbetaling soms tot een jaar duren. De minister van Sociale Zaken


45

© ID – Joost De Bock

en de fabrikant moeten een akkoord bereiken over de prijs van het geneesmiddel in ons land en de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen (CTG) van het RIZIV moet een advies geven over de terugbetaling. Professor Minne Casteels was zelf jarenlang, tot 2010, voorzitter van de CTG: “Bij de beslissing om een geneesmiddel al dan niet terug te betalen houdt de commissie rekening met de evidentie, met het beschikbare budget in de begroting en met het te verwachten aantal patiënten. De terugbetaling is meestal ook aan heel strikte regels gebonden. Dan mag een geneesmiddel bijvoorbeeld alleen worden voorgeschreven aan een patiënt in een welbepaalde ziektetoestand. Wie buiten die criteria valt, krijgt het medicijn niet terugbetaald. Wil je er toch mee behandeld worden, dan kan dat je tienduizenden euro’s per maand kosten, bedragen die de meeste mensen uiteraard niet kunnen betalen.” Als een duur geneesmiddel niet wordt terugbetaald, kan een patiënt een aanvraag doen bij het Bijzonder Solidariteitsfonds (BSF) van het RIZIV. Die procedure neemt

veel tijd in beslag en het resultaat is onvoorspelbaar, vertelt professor Casteels. En uiteraard zijn er ook heel wat voorwaarden aan verbonden, het moet bijvoorbeeld om een zeldzame aandoening gaan. Daarnaast bestaat er binnen UZ Leuven ook een intern solidariteitsfonds, op basis van bijdragen van de artsen, dat in bepaalde gevallen, volgens strikte criteria, bijspringt.

Gratis Er zijn nog een aantal mechanismen om ervoor te zorgen dat zo weinig mogelijk mensen tussen de mazen van het net vallen, zegt professor Casteels. “Voor geneesmiddelen die in de goedkeuringsprocedure zitten bij het EMA kan de fabrikant een compassionate use-programma opzetten voor patiënten, onder bepaalde voorwaarden. Het farmabedrijf dient dan bij het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG) een verzoek in om het product gratis ter beschikking te mogen stellen in afwachting van goedkeuring en terugbetaling.”


© Belga Image

Professor Spriet is lid van de geneesmiddelencommissie op het FAGG die zich over die aanvragen buigt. Zo’n compassionate use-programma is niet enkel een mooi gebaar, legt ze uit. “Een farmabedrijf moet betalen om de goedkeuring te verkrijgen, maar verzekert zich zo ook van een gegarandeerde afzetmarkt, aangezien het vaak om langdurige therapieën gaat. Zo krijgen ze het geneesmiddel ‘in de pen van de voorschrijver’.” Een beetje vergelijkbaar is het medical need-programma. Stel bijvoorbeeld dat een geneesmiddel voor eierstokkanker in een later stadium wordt onderzocht op werkzaamheid tegen schildklierkanker. Dan kan het bedrijf, terwijl die studies lopen, een medical need-programma opzetten voor gebruik van dat middel bij schildklierkanker. Ook dat is dan gratis voor de patiënt tot op het moment waarop het geneesmiddel goedgekeurd is voor de tweede indicatie en terugbetaald wordt. Een ander scenario: als een bepaald geneesmiddel op de markt is voor aandoening X en er zijn aanwijzingen dat het ook zou kunnen helpen bij aandoening Y, dan kan een arts beslissen om dat geneesmiddel off-label voor te schrijven, voor een andere indicatie dus dan er in de bijsluiter staat. Dat betekent niet dat het niet wetenschappelijk is – er kan zelfs veel literatuur over bestaan – maar wil enkel zeggen dat het geneesmiddel niet officieel geregistreerd is voor die indicatie. En soms zal dat ook nooit gebeuren omdat het bedrijf er geen baat bij heeft. Off-label gebruik van een geneesmiddel komt frequent voor. Het is op verantwoordelijkheid van de arts die voorschrijft en wordt in België niet terugbetaald. Ook hier kunnen de kosten voor de patiënt oplopen tot tienof honderdduizenden euro’s.

Sneller goedkeuren En dan is er nog het geval van unmet medical need: een arts die geen opties meer heeft om een bepaalde patiënt te behandelen, maar goede redenen heeft om aan te nemen dat een specifiek nieuw, nog niet goedgekeurd, geneesmiddel zinvol zou kunnen zijn, kan bij de fabrikant gratis stalen aanvragen voor die patiënt. Ook dat gebeurt op verantwoordelijkheid van de arts. Professor Casteels gaat als voorzitter van de Ethische Commissie Onderzoek binnen UZ Leuven na of die aanvragen aan de voorwaarden voldoen, of er een correct informed consent is van de patiënt bijvoorbeeld. Ook programma’s voor compassionate use en medical need worden trouwens aan een Ethische Commissie voorgelegd. Om de goedkeuring van geneesmiddelen sneller te laten verlopen, zodat patiënten er ook sneller toegang toe hebben, zie je steeds vaker conditionele marktauthorisatie (CMA), zegt professor Isabelle Huys, hoofd van de afdeling Klinische Farmacologie en Farmacotherapie. Daarbij wordt een geneesmiddel vervroegd en voorwaardelijk goedgekeurd door het EMA. Dat gebeurt wanneer er een hoge medische nood bestaat en de eerste data uit de klinische studies voldoende hoop­ gevend zijn. “Voorwaarde is wel dat de fabrikant verdere data blijft verzamelen over werkzaamheid en bijwerkingen. Typisch gebeurt zo’n CMA wanneer fase twee van een klinische studie is afgerond, de eerste fase dus waarin patiënten betrokken worden, en waarna er normaal nog een derde fase volgt, op grotere schaal.”


47 “Er zijn non-profitorganisaties die investeren in klinisch onderzoek waar farmabedrijven geen interesse meer in hebben, vaak op initiatief van patiëntenorganisaties.”

Wanhopig

“België is voor de terugbetaling van innovatieve geneesmiddelen meestal relatief vroeg. Toch kan die terugbetaling soms tot een jaar duren.”

Farmabedrijven kiezen België vaak uit voor hun klinische studies, zegt professor Casteels. Dat is uiteraard in het voordeel van patiënten, die daardoor soms relatief vroeg toegang kunnen krijgen tot mogelijk nieuwe geneesmiddelen. Binnen UZ Leuven worden elk jaar honderden klinische studies uitgevoerd, zegt Jean-Jacques Derèze, jurist bij het Clinical Trial Center (CTC). “Deelname aan een studie kan voor sommige patiënten de laatste strohalm betekenen, maar uiteraard moet steeds bekeken worden of een patiënt beantwoordt aan de inclusiecriteria, om de wetenschappelijke waarde van de studie niet in gevaar te brengen.” Bovendien betekent deelname aan een studie niet automatisch toegang tot het experimentele geneesmiddel: bij een gerandomiseerde studie wordt door het toeval beslist wie welke behandeling krijgt. De helft of een derde van de deelnemers krijgt dan niet de klassieke therapie plus het proefgeneesmiddel, maar wel de klassieke therapie en een placebo. De patiënt weet meestal niet in welke groep hij of zij is ingedeeld en vaak geldt dat ook voor de behandelende arts of onderzoeker. De studie is dan ‘dubbelblind’. Daardoor kunnen de resultaten tussen de verschillende groepen beter worden vergeleken. Bij het afsluiten van contracten voor klinische studies wordt rekening gehouden met de Declaration of Helsinki, zegt Derèze. Dat is een ethische beginselverklaring met betrekking tot klinisch onderzoek op mensen. Ze bepaalt onder meer dat de studiedeelnemers na afloop toegang moeten blijven hebben tot het werkzame geneesmiddel, in afwachting van de goedkeuring en terugbetaling. Het komt voor dat de ontwikkeling van een beloftevol middel vroegtijdig wordt stopgezet, zegt professor Huys. Ondanks hoopgevende resultaten, ondanks patiënten die bereid zijn om in een klinische studie te stappen. “Een bedrijf kan de financiële middelen niet meer hebben, of er kunnen andere redenen zijn. Er zijn non-profitorganisaties, zoals het Antikankerfonds, die investeren in klinisch onderzoek waar farmabedrijven geen interesse meer in hebben, vaak op initiatief van patiëntenorganisaties.” Dat gebeurt nog niet zo vaak, omdat klinisch onderzoek zo risicovol is, en de verdere procedure rond goedkeuring en registratie ook complex en duur. Meestal betreft het onderzoek naar nieuwe indicaties voor bestaande geneesmiddelen. “Zo wordt nu bijvoorbeeld de werkzaamheid onderzocht van aspirine tegen een bepaald type


© KU Leuven – RS

48

“Er zullen misschien op politiek vlak keuzes gemaakt moeten worden om zowel de toegankelijkheid voor de patiënt te garanderen als de duurzaamheid van het systeem.”


49

Druk op systeem

Men is zich terdege bewust van het probleem, zegt professor Spriet. Afgelopen najaar werd in de Kamer in de Commissie Gezondheid en Gelijke Kansen een zitting gehouden over financiële toegankelijkheid tot geneesmiddelen, waaraan zij deelnam als afgevaardigde voor de beroepsvereniging van Belgische ziekenhuisapothekers. “We moeten ervoor waken dat we een voldoende solidair terugbetalingssysteem behouden waarbij niemand uit de boot valt.”

Voorlopig hebben we in ons land nog een systeem waarbij je financiële draagkracht meestal geen rol speelt bij de therapie die je krijgt, zegt professor Casteels. “De meeste behandelingen worden terugbetaald en voor kankermedicatie hoef je geen remgeld te betalen. Maar in geval van effectieve geneesmiddelen die niét terug­ betaald worden, bestaat het mogelijk risico van een geneeskunde met twee snelheden.”

Maar de druk op het systeem is enorm, zegt professor Casteels. “Ook de cijfers voor relatief goedkope medicijnen, zoals de biologische geneesmiddelen voor inflammatoire darmziekten en reumatoïde artritis, stijgen elk jaar, omdat men deze nu ook – terecht – aanbiedt aan patiënten met mildere vormen. De kostprijs van en het budget voor kankergeneesmiddelen nemen ook sterk

kanker. Soms gaat zo’n non-profitorganisatie een partnerschap aan met de industrie, of een publiek-private samenwerking, zoals in het geval van het Innovative Medicines Initiative (IMI). Op Europees niveau werkt de expertengroep STAMP – Safe and Timely Access of Medicines to Patients – aan een juridisch kader.”


50

toe. Hoelang gaan we dat als maatschappij kunnen volhouden? Er zullen misschien op politiek vlak keuzes gemaakt moeten worden om zowel de toegankelijkheid voor de patiënt te garanderen als de duurzaamheid van het systeem.”

Krachten bundelen Bovendien zullen er de komende jaren steeds meer extreem dure behandelingen op de markt verschijnen, zoals gentherapie en op maat gemaakte medicatie. Professor Huys doet onderzoek naar systemen die het betaalbaar zouden kunnen maken voor de overheid om die heel dure geneesmiddelen terug te betalen. “Steeds vaker zijn de contracten die tussen farmabedrijven en de overheid worden afgesloten tijdelijk en voorwaardelijk. Zo gebeurt het vrijwel nooit meer dat complexe geneesmiddelen meteen terugbetaald worden voor een langere periode.” Vandaag zijn het hoofdzakelijk de farmabedrijven die de touwtjes in handen hebben bij het op de markt brengen van een geneesmiddel en het bepalen van een prijs, zegt professor Huys. “Het zou daarom goed zijn als een klein land als het onze de krachten zou bundelen met andere Europese landen. Binnen het overlegplatform Beneluxa proberen de Benelux-landen en Oostenrijk al om een gezamenlijk beleid te voeren om innovatieve geneesmiddelen tegen betaalbare prijzen beschikbaar te maken voor patiënten.”

Loterij

Sommigen zien een oplossing in het afschaffen van patenten voor geneesmiddelen. Maar daar is professor Huys het helemaal niet mee eens: “Daardoor zou je een heel belangrijke drive om te investeren in – risicovolle – research wegnemen.” Gezondheidsecononoom professor Jeroen Luyten, hoofd van het Leuvens Instituut voor Gezondheidszorgbeleid, maakt een kanttekening: “Als samenleving geef je via een patent het monopolie op de verkoop aan een fabrikant om de kosten te compenseren die met de ontwikkeling van een geneesmiddel gepaard gaan. Maar dan is het ook niet meer dan fair om daar transparantie over te vragen. Wij hebben onderzoek gedaan waaruit blijkt dat die ontwikkelkosten vaak een stuk lager liggen dan gezegd wordt. Uiteraard is zo’n kostenplaatje opmaken niet eenvoudig. Veel kosten zijn algemene kosten, en er zijn ook de kosten die worden gemaakt zonder dat ze ooit iets opleveren. Maar dat het moeilijk is, is misschien geen reden om het niet te doen.”

De fabrikant van het medicijn voor baby Pia, Zolgensma, wilde een paar jaar geleden nog gratis dosissen verloten. Dat is uiteraard geen ethische aanpak, net zomin als het rechtvaardig is om het aan de patiënten over te laten om, bijvoorbeeld via crowdfunding, zelf een oplossing te zoeken. Maar hoever moeten we als maatschappij gaan in het terugbetalen van geneesmiddelen? Die vraag legt een dilemma bloot, zegt professor Luyten. “Enerzijds is er een diepgewortelde dwingende ethische intuïtie die zegt dat je een mens in nood moet redden als dat mogelijk is. Is er medicatie voorhanden en bied je die niet aan, dan voelt dat aan als onrechtvaardig, als schuldig verzuim zelfs. Anderzijds is het vanuit een maatschappelijk perspectief duidelijk dat er grenzen zijn aan wat we voor elkaar kunnen doen. Dat geldt ook voor andere vraagstukken, denk bijvoorbeeld aan migratie. Op individueel vlak gaat het steeds om tragische verhalen, vanuit maatschappelijk perspectief moeten er grenzen worden gehanteerd, anders stort het systeem in.”


51 —

“De komende jaren zullen er steeds meer extreem dure behandelingen op de markt verschijnen, zoals gentherapie en op maat gemaakte medicatie.”

© KU Leuven – RS

“Zolang je geld spendeert aan zaken die strikt genomen niet noodzakelijk zijn, kan je eigenlijk niet zeggen dat er geen geld is om levensreddende behandelingen te betalen.”

“Als je mensen om hun mening vraagt in een concrete situatie, zullen ze over het algemeen spontaan de keuze maken voor de korte termijn: een leven redden hier en nu. Een individuele patiënt laten sterven in het belang van een systeem waarmee zoveel mogelijk mensen geholpen kunnen worden op lange termijn, dat kunnen we voor onszelf niet rechtvaardigen.“ “Bovendien is de hamvraag niet zozeer ‘kunnen we het betalen’ als wel ‘willen we het betalen? Waar geef je als samenleving prioriteit aan? Zolang je geld spendeert aan zaken die strikt genomen niet noodzakelijk zijn, aan futiliteiten soms zelfs, kan je eigenlijk niet zeggen dat er geen geld is om levensreddende behandelingen te betalen …” Het laatste woord is over deze kwestie nog niet gezegd, vindt ook professor Luyten. “Dit is iets waar we als maatschappij een oplossing voor moeten vinden. Maar hoe die er moet uitzien is vooralsnog niet duidelijk.” ● (ivh)


52

INTERVIEW — Alumnus Bram Govaerts wil de hele wereld voeden

Landbouwen aan


53

de toekomst Vorig jaar ging de Nobelprijs voor de Vrede naar het Wereldvoedselprogramma van de VN. De boodschap is duidelijk: meer dan ooit is voedselzekerheid nodig om de honger van de wereld te stillen én om conflicten te vermijden. Daar was de Amerikaanse agronoom Norman E. Borlaug al veel vroeger van overtuigd. Hij kreeg de prijs vijftig jaar geleden, voor de ziekteresistente tarwevariëteiten en nieuwe landbouwtechnieken die hij in Mexico ontwikkelde. Op het eind van zijn leven had hij advies voor een beloftevolle Belgische pupil: Take it to the farmer. Die raad nam bio-ingenieur Bram Govaerts (42) ter harte, maar inmiddels doet hij veel meer dan dat.

—

© CIMMYT

Bram Govaerts tijdens een bezoek aan een boer die de CIMMYT-methodes toepast op zijn velden in de Mexicaanse staat Oaxaca.


54

T

oen miljardairs Bill Gates en Carlos Slim in 2013 een bezoek brachten aan het Internationaal Centrum voor de Verbetering van Maïs en Tarwe (CIMMYT) in Mexico, duwde Bram Govaerts hen een gieter en een chronometer in handen. Op het ene proefveld dat ze begoten liep het water al snel weg, op het andere bleef het keurig de grond in dringen en kon het de gewassen bereiken. In essentie is dat waar Bram Govaerts en CIMMYT mee bezig zijn: onderzoeken welke landbouwmethode de beste resultaten oplevert en dat delen met de wereld. Gates en Slim waren overtuigd. Wie de bevlogen bio-ingenieur over zijn missie hoort vertellen, begrijpt heel goed waarom.

Kroonjuweel Nochtans groeide hij niet op tussen de akkers en boerderijen: het gezin Govaerts woonde in hartje Leuven. De moestuin van zijn grootouders kwam nog het dichtst in de buurt van een veld. De jonge Bram toonde wel al snel engagement, en zo kwam landbouw geleidelijk op zijn pad. Hij was vrijwilliger voor Vredeseilanden, organiseerde debatten op school en werd geselecteerd om Vlaanderen te vertegenwoordigen tijdens een jongerenconferentie die de Food and Agriculture Organization (FAO) van de VN in Rome organiseerde, met bijhorende inleefreis naar Senegal. “Ik was achttien toen ik voor het eerst vloog, maar daarna ben ik niet meer gestopt”, vertelt Bram Govaerts. De volgende vlucht zou hem een eerste keer naar Mexico brengen, voor een uitwisselingsjaar met AFS. “Van mijn ouders moest ik een studiekeuze maken voor ik mocht vertrekken. Toen ik naar een infomoment van de Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen ging, was ik meteen verkocht. Er was veel wat me aansprak: de brede wetenschappelijke basis die je krijgt, de mogelijkheden voor een internationaal luik en het vooruitzicht van een job waarin je sociale impact kan hebben.” De studie maakte die beloftes waar en legde een heel concrete brug naar zijn toekomst. “Ik herinner me dat professor Eric Tollens een uiteenzetting gaf over landbouweconomie en over CGIAR (een samenwerkingsverband van organisaties die zich bezighouden met voedselzekerheid – red.). Hij noemde CIMMYT één van de

kroonjuwelen van CGIAR. Ik was al van plan om die zomer terug te gaan naar Mexico om er mijn vrienden te zien, en ik vroeg professor Tollens of ik CIMMYT kon gaan bezoeken. Hoewel het centrum eigenlijk geen undergrads toeliet, heeft hij het voor mekaar gekregen dat ik er twee weken kon rondlopen en mijn ogen de kost geven.”

Geen dogma’s Aan het hoofdkwartier in Texcoco de Mora, 30 kilometer buiten Mexico-Stad, zagen die ogen onder meer de proefvelden waarop CIMMYT al sinds 1991 bodem­ bewerkingsmethoden uittest. “Ze gebruikten op elk veld dezelfde zaden, dezelfde bemesting en dezelfde machines, maar je zag grote verschillen in de groei van de gewassen. Het ene veld leverde bijvoorbeeld jaarlijks twee ton maïs per hectare op, het veld ernaast acht ton. Het belang van de juiste bodembewerking was daar heel concreet te zien.” Wat op dat moment ontbrak, was onderzoek naar de bodemkwaliteit. Ideaal onderwerp voor een master­ thesis, vond Govaerts. “Het was compleet onontgonnen gebied voor CIMMYT. Zelfs als ik geen verschillen in de bodemkwaliteit van de velden had gevonden, was dat fantastische nieuwe kennis geweest. Maar die verschillen bleken er wel degelijk te zijn. Dankzij een IRO-reisbeurs (Interfacultaire Raad voor Ontwikkelingssamenwerking – red.) kon ik voor een langere tijd naar Mexico om een dataset rond parameters voor bodemkwaliteit op te zetten.” Hij had de smaak nu helemaal te pakken en besloot om in een doctoraat duurzame landbouwtechnieken te bestuderen in de hooglanden van Ethiopië en Mexico. “Ik heb veel te danken aan mijn promotor Seppe Deckers, die me alle vertrouwen gaf, en aan het International Office van de universiteit. Zij hadden me al bijgestaan met de reisbeurs en hielpen me nu ook om een doctoraatsbeurs van VLIR-UOS te krijgen.” In dat doctoraat onderzocht Govaerts onder meer de effecten van conserveringslandbouw, een methode die op een duurzame manier hogere oogsten kan opleveren. De basisprincipes: de bodem zo weinig mogelijk


© Xochiquetzal Fonseca – CIMMYT

55 55

—

In de genenbank van CIMMYT worden 28.000 maïs- en 150.000 tarwesoorten bewaard.

“In Mexico vind je de meest uiteenlopende klimaten, van woestijn tot tropisch regenwoud. Dat maakt dat onze onderzoeksresultaten relevant zijn voor veel andere landen.”

verstoren, de plantresten op het veld laten liggen, en de gewassen laten roteren. “Dat is de dogmatische versie”, zegt Govaerts. “Maar je zal dat in pakweg België helemaal anders moeten aanpakken dan in de tropen. Daarom is Mexico ook zo geschikt voor dit soort onderzoek. Je vindt hier de meest uiteenlopende klimaten, van woestijn tot tropisch regenwoud. Dat maakt dat onze onderzoeksresultaten relevant zijn voor veel andere landen.”

Voet in het wiel Op de virtuele achtergrond die we achter Bram Govaerts zien tijdens ons videogesprek, prijkt prominent een standbeeld van Norman Borlaug. De tarwevariëteiten en landbouwtechnieken die de Amerikaanse agronoom aan het nog jonge CIMMYT ontwikkelde, werden in de jaren zestig in Zuid-Azië geïntroduceerd en redden honderden miljoenen mensen van de hongersnood. Het leverde ‘de vader van de Groene Revolutie’ in 1970 de Nobelprijs voor de Vrede op. “Ik heb verschillende gesprekken met hem gehad toen ik hier aan mijn doctoraat werkte”, zegt Govaerts. Maar hij herinnert zich vooral een ontmoeting die enkele jaren later plaatsvond, toen hij al in dienst was genomen om het agronomieprogramma van CIMMYT te coördineren.


56

“Aan het eind van zijn leven bezocht Borlaug een laatste keer onze proefvelden in Obregón. Het was erg warm en zijn entourage wou hem al snel weer naar de wagen brengen. Hij stak toen een voet in het wiel van zijn rolstoel omdat hij mijn presentatie wou horen. Achteraf riep hij me bij zich. Hij zei hoe belangrijk het was dat mijn inzichten tot bij de boer zouden geraken. Take it to the farmer: het is een boodschap die hij op het eind van zijn leven aan wel meer mensen heeft doorgegeven.” Het werd ook de slagzin van een innovatieprogramma dat CIMMYT in 2011 lanceerde: MasAgro, letterlijk ‘meer landbouw’. Het doel: op een duurzame manier de tarween maïsopbrengsten verhogen en zo Mexico’s afhankelijkheid van import verkleinen. De overheid investeert jaarlijks zo’n 17 miljoen dollar. Bram Govaerts zette het programma mee op poten en leidt het sinds 2014. Was hij in zijn beginjaren bij CIMMYT vooral te vinden tussen de boeren op het veld, dan zit hij vandaag vooral aan de vergadertafel, als strateeg, Chief Operating Officer en directeur van het Integrated Development Program.

Knappe kindjes Al zal hij ongetwijfeld ook geregeld een kijkje gaan nemen in de genenbank die CIMMYT beheert. De 28.000 maïs- en 150.000 tarwesoorten die daar bewaard worden, zijn de basis van wat het centrum doet. Door slimme veredeling maken biotechnici zaden

waaruit gewassen groeien die bestand zijn tegen droogte en ziektes. Meer dan 70 procent van de tarwerassen en 50 procent van de maïsvariëteiten die in ontwikkelingslanden worden geteeld, zijn aan CIMMYT ontwikkeld. Hoe gaat dat veredelen in zijn werk? “Aan de boeren leg ik het zo uit: je hebt een knappe man en een intelligente vrouw, en je wilt kinderen maken die knap én intelligent zijn”, zegt Govaerts. “Voor 95 procent doen we dat op de traditionele manier: combineren tot je het gewenste resultaat hebt. De andere 5 procent is transgenetische modificatie. Dat doen we alleen voor landen die dat toelaten, wat in Mexico zelf bijvoorbeeld niet het geval is.” Dankzij het MasAgro-project is de biodiversiteit van alle soorten in de bank inmiddels moleculair in kaart gebracht. “Als er nu een nieuwe ziekte opduikt – een COVID voor planten, zeg maar – dan kunnen we in onze bank zoeken naar een gen dat gewassen resistent maakt tegen die ziekte. Op dat ogenblik zie je ook waarom je die biodiversiteit moet bewaken: planten met dat gen hadden tot dan toe geen enkel voordeel, maar als die shock komt heb je ze nodig. Daarom houden we al die zaden bij en wordt er ook een back-up bewaard in de Wereldzadenbank op Spitsbergen.” De knappe en intelligente kindjes moeten natuurlijk ook tot bij de boer geraken. “Kleine zaadbedrijven – vaak boerenorganisaties – kunnen bij ons gratis basiszaden bestellen en een opleiding krijgen. We geven hen ook toegang tot een databank met gegevens over alle tarwe- en maïssoorten.” En jawel, voor het zaaien zelf kunnen ze eveneens de hulp van CIMMYT inroepen. “Met een multidisciplinair team ontwerpen we


57

—

Een Ethiopische jongen oogst tarwe op het veld van zijn familie. CIMMYT heeft projecten in een 50-tal landen.

nieuwe machines die aangepast zijn aan de noden van de boer. De plaatselijke smid kan aan de slag met het bouwplan van de machine en zo ontstaat er weer een nieuwe business.”

Farmsourcing Ook het onderzoek naar de beste landbouwmethodes is van de proefvelden van CIMMYT tot bij de boer gebracht. “We werken samen met onderzoeksinstellingen en boerenverenigingen die een stuk grond apart houden om er soortgelijke proeven te doen”, zegt Govaerts. “Alleen al in Mexico hebben we vijftig van die platforms, maar we passen het systeem ook toe in meer dan vijftien andere landen, waaronder Guatemala, India en Zimbabwe. We geven de beheerders van die proefvelden een opleiding. Zij nemen ter plaatse de beslissingen, en wij ondersteunen hen met protocollen en data-analyse.”

© Peter Lowe – CIMMYT

“Nog meer op plaatselijk niveau werken we met een 850-tal ‘lead farmers’, die andere boeren tonen hoe ze hun grond beter kunnen bewerken. We krijgen van hen ook feedback: meer dan 30.000 boeren die onze methodes toepassen sturen ons allerlei gegevens door. Het is een vorm van crowdsourcing die ons helpt om digitale tools op te stellen waarmee ze betere beslissingen kunnen nemen, ook over hun bedrijfsvoering.” Daarom is ‘take it to the farmer’ ook niet meer helemaal de juiste beschrijving voor wat MasAgro doet. “Het klinkt te veel alsof wij alle wijsheid in pacht hebben en die gewoon doorgeven, terwijl de boer zijn grond en context natuurlijk het beste kent. Conserveringslandbouw biedt algemene principes, maar die moet je in overleg met de boer afstemmen op zijn situatie.”

Schokbestendig Inmiddels passen in Mexico naar schatting meer dan 300.000 boeren de technieken van CIMMYT toe, op meer dan 1 miljoen hectare. “Hun opbrengsten zijn met een ton tot tweeënhalve ton per hectare gestegen”, zegt Govaerts. “We hebben ook oog voor wat er ná het oogsten gebeurt. Een voorbeeld: veertig procent van de maïsoogst gaat verloren door ratten, insecten of bederf. Dus onderzoeken we hoe een boer zijn oogst beter kan bewaren en hoe hij zijn maïs sneller op de markt kan brengen.”

“Als er een nieuwe ziekte opduikt – een COVID voor planten, zeg maar – dan kunnen wij in onze genenbank op zoek gaan naar een gen dat gewassen resistent maakt tegen die ziekte.”

CIMMYT betrekt alle actoren in het verhaal: van overheid tot consument, van wetenschapper tot voedselverwerkend bedrijf. “Ik zit geregeld aan tafel met grote spelers als Kellogg’s, Nestlé en Bimbo, een Mexicaanse producent van bakkerijproducten. Het is voor hen goedkoper en logistiek makkelijker om een boot met graan uit Amerika te laten komen dan om het te kopen bij meerdere kleine boeren in eigen land. Maar zo maak je jezelf wel kwetsbaar: als die ene haven stilvalt of als er een crisis is in Iowa, valt je hele productie plat.” “Dus hebben we aangetoond dat het voor hun schokbestendigheid beter is om meerdere leveranciers te hebben en dus óók van die plaatselijke boeren te kopen. De verzekeringssector hebben we kunnen overtuigen om voedselschaarste of problemen in de voedselketen als risico op te nemen in de verzekeringen voor business continuity. Zo krijgt die schokbestendigheid een heel concrete waarde en hoef je bedrijven niet te verplichten om te investeren in diversificatie: die beslissing nemen ze zelf.”


58 “In veel van de landen die ik bezoek hebben ze voeding en landbouw nooit bekeken als mogelijke elementen in een conflict. Het is belangrijk dat ze ook dat te horen krijgen.”

Daarnaast zou CIMMYT graag zien dat consumenten niet alleen informatie krijgen over de voedselwaarde van een product, maar ook over de ecologische voetafdruk. “Dankzij de data die de boeren ons bezorgen kunnen we tegen bedrijven zeggen: ‘Het graan dat je koopt heeft die voetafdruk, en dat kan je ook communiceren aan de consument.’”

Generale repetitie Dat investeren in schokbestendigheid loont, is gebleken tijdens de coronacrisis, vindt Govaerts. “Hoewel de logistiek volledig was onderbroken, hebben we de eerste shocks zonder veel problemen kunnen opvangen. Hier in Mexico hebben we geen voedseltekort gehad, maar dat kan nog komen. Ook elders in de wereld. Om dat te vermijden zijn we met CIMMYT verschillende mogelijke scenario’s aan het uitschrijven. Als we die bekijken, komen we altijd uit bij dezelfde conclusie: een goede aanpak kijkt naar het hele systeem en niet enkel naar één schakel. Het is de filosofie van MasAgro op globale schaal: je haalt de kennis waar ze zit, bij de mensen, en je zorgt voor feedback in alle richtingen.” We moeten de coronacrisis zien als een generale repetitie, vindt Govaerts. Het is maar één shock to the system, en zo zullen er nog volgen. “Het klimaat en de bevolkingsgroei zullen de komende jaren de twee bepalende factoren zijn. De opbrengst van maïs en tarwe moet met 60 procent stijgen om in 2050 een kleine 10 miljard mensen te voeden. En dat geldt alleen maar als we zouden blijven eten zoals we nu eten. Maar er is een groeiend besef dat je met een gezond dieet ook ziektes kunt voorkomen. Food is the medicine. Het voedselvraagstuk is dus veel complexer geworden dan alleen voldoende calorieën voorzien.” Bij CIMMYT zijn ze zich bewust van de rol die ze in die spannende toekomst te spelen hebben. Dat gaat verder dan het puur wetenschappelijke. “Voeding is ook steeds meer een geopolitieke factor”, zegt Govaerts. “Denk maar aan de Arabische Lente: die is er onder meer gekomen door onvrede over voedseltekorten en stijgende prijzen. Of kijk naar de bijna agressieve manier waarop China momenteel investeert in landbouw. In veel van de landen die ik bezoek hebben ze voeding en landbouw nooit bekeken als mogelijke elementen in een conflict. Het is belangrijk dat ze ook dat te horen krijgen.”

Uitdagende tijden vragen om knappe koppen. Die zijn in CIMMYT meer dan welkom. “Er zijn bij ons altijd mogelijkheden voor studenten die onderzoek willen komen doen, of het nu voor een thesis of een doctoraat is. Ik heb een aantal KU Leuven-alumni in mijn team die zo bij ons zijn terechtgekomen. Anderen gaan dan weer aan de slag bij onderzoeksinstellingen of bedrijven waarmee we samenwerken: altijd goed voor ons netwerk.”

© Peter Lowe – CIMMYT

Slim geprikkeld


59

Ook Amerikaanse studenten kunnen zich laven aan Govaerts’ enthousiasme. In 2019 benoemde Cornell University hem tot ‘Andrew D. White Professor-at-Large’, een eretitel waarmee de universiteit invloedrijke denkers voor een periode van zes jaar aan zich bindt. “Dat gaat heel breed, van historici tot choreografen”, zegt Govaerts. “Het lijkt me gezond dat een onderzoeks­ instelling op die manier haar visie blijft toetsen aan inzichten van buitenaf.” Het is niet de eerste erkenning voor zijn verwezenlijkingen. In 2014 ontving Govaerts de Norman E. Borlaug Award for Field Research and Application van The World Food Prize Foundation. En in 2018 gaf een organisatie van 2.500 Mexicaanse boeren hem de Tecnoagro Award. Ook het bezoek van miljardairs Carlos Slim en Bill Gates vijf jaar eerder zou je aan het rijtje onderscheidingen kunnen toevoegen. “Dit is de toekomst van de landbouw”, zei Gates bij die gelegenheid. “Ik heb de heren toen zelf rondgeleid, en hen dat proefje met de gieter laten doen”, vertelt Govaerts. “Dat heeft goed gewerkt: ik heb nog altijd contact met de familie Slim en naar verluidt vermeldt hij het geregeld. Met de 25 miljoen dollar die hij destijds investeerde, hebben we onze infrastructuur kunnen uitbreiden: extra serres, een auditorium, meer laboratoriumcapaciteit … De Bill & Melinda Gates Foundation doneert nog elk jaar, specifiek voor projecten in Afrika en Zuid-Azië.” Laat dat niet de indruk wekken dat CIMMYT vandaag onbeperkte middelen heeft. “Onze financiering staat onder druk, ook omdat er veel middelen worden weg­gezogen naar COVID-onderzoek”, zegt Govaerts. “Landen als België kunnen op dat vlak een grotere rol spelen. We zijn een gigantisch goede investering: elke euro die je investeert in ons tarwe-onderzoek geeft een return van honderd euro.”

De juiste plaats —

Een boerin op haar tractor in Chiapas, Mexico. Inmiddels passen in het land naar schatting meer dan 300.000 boeren de technieken van CIMMYT toe.

Wie Bram Govaerts anderhalf uur lang bijna zonder adempauzes hoort praten over zijn passie, kan niet anders dan onder de indruk zijn van zijn drive. Waar zal die hem nog brengen? “Een masterplan heb ik niet”, zegt hij. “Ik wil ervoor zorgen dat onze ideeën op zoveel mogelijk plaatsen impact hebben. In welk land of in welke functie ik dat doe, is niet zo belangrijk. Door mijn passie te volgen, ben ik altijd op de juiste plaats terechtgekomen.” Het is ook zijn advies voor studenten die net als hij een verschil willen maken in de wereld. “Blijf zoeken naar het plezier van leren, van nieuwe dingen doen. Af en toe zal je fouten maken en angsten moeten overwinnen, maar je krijgt er zóveel voor terug.” ● (rvh)


60

DROOMJOB — Werfvreugde

Lego voor grote mensen Als kind kon Elias El Kharraz geen werf passeren zonder te blijven staan kijken. Vandaag is hij als burgerlijk ingenieur aan de slag bij het grootste bouwbedrijf van het land. “Gelukkig sta ik nog vaak genoeg met mijn laarzen in de modder.”

V

roeger bouwde Elias El Kharraz (28) constructies uit legoblokjes, vandaag doet hij dat met staal en beton. Al tijdens zijn studie ingenieurswetenschappen bouwkunde, optie civiele techniek, stak hij graag de handen uit de mouwen. Jarenlang had hij een studentenjob bij een aannemer, waar hij metselde, timmerde en elektriciteit leerde leggen ... “Voor mij was dat een welkome aanvulling op de destijds nogal theoretische studie. Ik had nood aan praktijk. Daarom heb ik ook twee vrijwillige stages gedaan. Eentje bij Jan De Nul, waar ik mocht meewerken aan de renovatie van een water­ zuiveringsinstallatie in Genk. En later één voor DEME in Ghana, waar golfbrekers werden aangelegd om de erosie van de kust tegen te gaan. Er kwamen mastodonten van graafmachines aan te pas, honderd­ tonners. Voor mij was dat de hemel op aarde (lacht).” Na zijn afstuderen kon Elias aan de slag bij DEME. “Ik heb er enkele jaren offshore gewerkt, om windmolens te bouwen op de Noordzee, voor de kust van ons land en ook andere landen aan de Noordzee. Heel boeiend om met die gigantische machines te mogen werken, maar ik miste het botten-in-de-moddergevoel. Ik ben dan mogen doorschuiven naar de civiele afdeling en zo heb ik een jaar gewerkt aan de bouw van een tunnel in Leiden.” Vorig jaar vond Elias de tijd rijp om terug naar België te komen. Sinds april werkt hij voor Besix aan een project langs het Albertkanaal, in opdracht van De Vlaamse Waterweg: “We vernieuwen hier driehonderd meter loskade, waar grondstoffen worden gelost voor de betoncentrale die hier gevestigd is. Ik leid het project op mijn eentje, onder toeziend

oog van mijn projectleider, en dus vervul ik zowel de functie van werkvoorbereider als die van werfleider. Dat betekent dat ik zowat de helft van de tijd buiten mag doorbrengen: zorgen dat de vakmannen de plannen juist uitvoeren, problemen oplossen … Op dit project werken zo’n vijftien arbeiders. Wat ik hen vraag om te doen, probeer ik ook altijd zelf eens van nabij te bekijken en te voelen. Met mijn laarzen in de modder dus (lacht). Zo kom je tot de beste ideeën en oplossingen.” “De andere helft van de tijd besteed ik aan de technische voorbereiding: materialen bestellen, uitdenken hoe we het ontwerp gaan uitvoeren … Zo hebben we er hier voor gezorgd dat de kade grotendeels buiten het water wordt opgebouwd, in plaats van de arbeiders in het water te laten werken aan de bekisting. Dat is comfortabeler voor hen en het zorgt ook voor een hogere kwaliteit.” “Ik moet er voorlopig niet aan denken om de werf te verlaten en ergens op een kantoor te gaan zitten. Het zijn lange dagen, ik werk zowat van zeven tot zeven, en ook op zaterdagvoormiddag, maar alles loopt vlot en het eindresultaat mag gezien worden. Dat is het mooiste aan deze business, vind ik: je denkt iets uit, dan mag je het bouwen en tot slot is daar een zichtbaar product. Het is heel voelbaar wat je doet. Net zoals die lego-constructies vroeger (lacht).” ● (ivh)


61

© KU Leuven – RS

“Ik moet er niet aan denken om ergens op een kantoor te gaan zitten.”


62

INTERNATIONAL ALUMNUS — Katrien Herdewyn

Science on the soles of her shoes Technological applications in our daily lives? Our feet don't readily come to mind. And yet. Engineer Katrien Herdewyn (34) puts the shoe collections she designs for her label Elegnano on a scientific footing. Elegance and nanotechnology: in her second home of Silicon Valley, Herdewyn is showing other companies how to successfully combine the two.

T

But science did feature prominently in her youth. Her father is a – now emeritus – professor of medicinal chemistry at KU Leuven, her mother also holds a pharmacy degree, and there are a few engineers in the family, too. “When I had to choose my study programme and looked at the curriculum of engineering science, I recognised a lot of the courses that I had really liked in secondary school. Having the combination of various sciences in one study programme was what really spoke to me.”

© Gert Huygaerts

oday, Katrien Herdewyn sits down at the table with CEOs, but during her childhood she preferred to be under the table to look at the shoes of the grown-ups. “My dream was to sell shoes,” she says. “I built little shops in our garage, played with my parents’ old shoes, and once I even hid the fact that a small screw was sticking through the heel of a shoe because I didn't want to lose that pair. The childhood dream somewhat disappeared from the picture as years went on; you don't really learn anything about shoes in school and there aren't many books or museums on the topic either.”


63


64

Two hundred pairs She knew from the start that the traditional sectors in which engineering scientists work were not her cup of tea. “For a long time I didn't know what I wanted to do, and I chose my major and minor based purely on my interests. That’s how I found nanoscience (field concerned with the study of materials and components at the nanoscale, an order of magnitude just above the dimensions of atoms and molecules – ed.). I really enjoyed nanochemistry, for instance: the structures of carbon and silicon appealed to my artistic side.” It was this fascination, among others, that made her decide to pursue a doctoral degree at the former Laboratory of Solid-State Physics and Magnetism. The research topic: the metallisation of biomolecules. To put it more simply: using biological materials to make tiny wires and coat them in metal particles to make them conductive.

electrons are arranged in the oxygen atom in water into ochre-coloured triangles in the lining of a boot. The boot also had a train at the back: a reference to nanothreads that fan out like the branches of a tree. The collection was selected for the international Young Vision Award, a competition for accessory designers. “I didn't win, but I’m still in contact with some of the other finalists, who now have major international fashion labels. That nomination also proved to me that this could be an actual career.” To really find her feet, she followed a number of design and business programmes in, among other cities, Florence and London. She became increasingly convinced that shoes with a scientific basis had commercial potential. Nanotechnology would no longer serve as an inspiration for the design, but more as a way to improve the material.

Lotus leather

The lotus effect in particular seemed promising. The petals of a lotus flower are smooth to the touch, but have tiny poles on their surface that ensure that water droplets are not absorbed but retain their droplet shape. In this way nature shows how to make surfaces water- and dirt-resistant. “Many applications of this already exist, in sprays for car windows, for example,” Herdewyn explains. “I found a company that could integrate the miniature poles into the leather for my shoes, so that it repels water and dirt and can still breathe.”

This is where science and shoe design came together for the first time: for her Nano Ft collection, Herdewyn took inspiration from the different appearances of chemical elements. “I incorporated the pretty structures I saw under the microscope in my designs,” she explains. For example, she translated the way

Herdewyn incorporated an extra reference to the lotus flower in the shell she included in the heel of the shoe, another example of engineering ingenuity: “I used a whole series of calculations to examine what stiffness and position high heels should have to give

However, she once again started to get itchy feet. “I wanted to do more with my passion for shoes – at that time, I had a collection of two hundred pairs myself. After looking around a bit, I ended up at the Municipal Academy of Fine Arts in Sint-Niklaas, where they have a programme in shoe design.”

“I used a whole series of calculations to examine what stiffness and position high heels should have to give you as much stability as possible.”


65

© Elegnano

—

For her Nano Ft collection, Katrien Herdewyn took inspiration from the different appearances of chemical elements.

you as much stability as possible. This is precision work: if they’re only slightly off-centre you can start to wobble. My solution was to include a shell at the back of the shoe that ensures the heel is perfectly placed and that is reminiscent of the shape of a lotus flower.”

manufacturer for each part of the shoe, the first collection of four models was quite a puzzle. Seeing it completed at the end of 2014 was very satisfying. “Having that lorry arrive in your driveway, filled with shoes that you designed, in all possible sizes ... that was a highlight for me.”

Annie and Antoine

And it wouldn't be the last: one year after the launch of Elegnano, Herdewyn was chosen as Starter of the Year by UNIZO (Union of Self-Employed Entrepreneurs). She received praise for her solid business plan, the innovative approach and well-thought-out strategy. For instance, Herdewyn chose to sell via various channels: pop-up stores, a number of regular outlets and a web shop.

When she was entirely convinced that her idea had a real chance of success, Herdewyn quit her doctoral programme to devote herself fully to her own company. She named it Elegnano: a combination of elegance and nanotechnology, just like the shoes themselves. Because she wanted the perfect


66

If you browse through the website you will meet Els, Annie, Stephanie, Henri and Antoine, among others. “I name my shoes after family members and friends,” Herdewyn explains. “It's not that I think of specific people when drawing, but when I look at the final design I can always relate it to someone.” How would she describe the look of Annie, Antoine and the others? “Timeless, retro if you will, with a southern European feel because I use a lot of colour.” Designing is done old school: pencil on paper. “I usually work in big sketch books, but I also have smaller versions because I travel a lot and always use public transport. Wherever I am, I will be drawing. I then have these sketches converted into computer drawings by a freelancer. I used to do this myself during the first years, but you have to be really precise with all the stitches and distances. It's very time consuming so I outsourced it.”

Bridge the gap She explains it all in a video call from San Francisco. “I received a grant in 2017 from the Prince Albert Fund, which stimulates international entrepreneurship. You can choose where you go, as long as it’s outside of Europe. I was torn between Japan and the US for a long time, but in the end I decided to go to Silicon Valley. And I stayed because it’s such a sti­mulating environment. I normally divide my time between Belgium and the US, but with Covid around, I’ve now been here for six months already.” In the US, Elegnano gradually found an additional purpose: Herdewyn now also advises both tech companies who want to include more design in their product and fashion companies who want to work with technology. “Engineers often lack that feel for aesthetics, and designers are often a bit afraid of technology. Seeing as I have a knack for both, I can help bridge the gap between these two worlds.”

© Gert Huygaerts


67 “It’s not so much that I wake up in the morning and go: ‘I’m a role model’. But I do find it important to eliminate the stereotypes about women in science and the business world.”

© Elegnano

“I work with Kinestral, for instance, a company that makes smart electrochromic glass: a type of glass that can change colour. It’s a very technical product but you still have to be able to explain and sell it to architects and designers. I sit down with the executive team to discuss how they can present their product in an attractive way. Think of demo samples of the glass, for instance. When we get them from the engineers they often still have sharp edges or wires sticking out. The challenge here is to incorporate a bit more finesse into it.”

A hundred ideas Herdewyn is a big fan of the entrepreneurial climate in the Valley. “People here always have a positive attitude, that's the main difference with Europe. In Belgium, entrepreneurs are respected, but you still often get the reaction: ‘That’s a very big risk you’re taking, I would never do that.’ Whilst everyone you meet here is walking around with a hundred ideas in their head. When I tell people about Elegnano they start imagining possibilities and making plans in my place.” She would like to see more women in the board rooms. “Most companies I work with have no women in management positions, or one at most. I’m usually also one of the youngest people in meetings. Initially, I had a hard time dealing with that attitude of ‘Where

is the person who’s really going to help us?’. But I’ve learned how to handle this scenario. Misplaced comments no longer faze me. I respond with humour to try and move on as quickly as possible. But being one of the few women is also an advantage: you stand out more. When you’re the only woman among fifty men at a networking event, they’ll remember you more easily: ‘I thought she was someone's plus one, but apparently she has her own company.’” Trends magazine recently included Herdewyn in its Inspiring Fifty, a list of top female managers, scientists, tech entrepreneurs and influencers. Is she aware that she is an example to others? “It’s not so much that I wake up in the morning and go: ‘I’m a role model’. But I do find it important to eliminate the stereotypes about women in science and the business world. I also think I can help change the traditional view of the engineering sciences: you don’t necessarily end up on a construction site if you choose this field. That sector has some amazing jobs if that's what you want to do, but there are so many possible career paths.” What advice does she have for students who dream of an entrepreneurial journey like hers? “If you have a good idea, explore it while you’re still studying. And if it turns out that being an entrepreneur isn't your thing after all, you still will have had that first experience. So don’t hesitate, just go for it!” ● (rvh)


68

MAATSCHAPPIJ — Duurzame energietransitie

Het klimaat redden met groene stroom Hoe ziet een klimaatneutrale samenleving eruit? KU Leuven, VITO, imec en UHasselt bundelen hun expertise in EnergyVille, een centrum voor onderzoek naar groene en intelligente energiesystemen in stedelijke gebieden. Professor elektrotechniek Ronnie Belmans staat aan het hoofd: “De wereld die ons na de transitie wacht, is niet alleen beter voor het klimaat, maar ook aangenamer.”

W

at is er zo bijzonder aan het onderzoeks- en ontwikkelingsmodel van EnergyVille?

“EnergyVille brengt fundamentele en toegepaste kennis samen onder één dak. Ingenieurs, economen, architecten en sociologen werken zij aan zij rond verschillende onderzoektopics. Dat zorgt niet alleen voor een snelle doorstroom van het fundamenteel onderzoek naar de ontwikkeling van allerlei toepassingen, maar werkt ook omgekeerd. Als er tijdens die ontwikkeling gaten worden gevonden in de kennis, kan er vrij snel een nieuw doctoraatsonderzoek worden opgezet.” EnergyVille is op energievlak het grootste expertisecentrum van België en speelt ook op Europees niveau mee. Hoe komt zo’n centrum terecht op een oud mijnterrein in Waterschei? “Daar zit een stukje symboliek in: waar vroeger fossiele brandstof uit de grond werd gehaald, gebeurt nu onderzoek naar groene energie. EnergyVille en de Thorsite

—

Een duurzame wijk in het Nederlandse Almere, waar de energie voor het warmtenet deels geleverd wordt door een zonne-eiland.


© Shutterstock


70

worden daarom door het Just Transition Fund (een onderdeel van de Europese Green Deal dat koolstof­ afhankelijke regio’s ondersteunt in de overgang naar een koolstofarme economie – red.) naar voren geschoven als voorbeelden die aantonen dat er ook leven is na de steenkool.” Welke technologische doorbraken trekken de energietransitie op gang? “Vroeger werd elektriciteit centraal geproduceerd en van daaruit verdeeld. Vandaag wordt energie meer en meer lokaal opgewekt en spreken we van gedistribueerde energiebronnen. Tegelijkertijd zien we de doorbraak van IoT of Internet of Things. IoT verbindt individuele apparaten, zoals een wasmachine, met het internet, waardoor ze met elkaar en andere systemen kunnen communiceren en automatisch aangestuurd worden. Het is de combinatie van beide evoluties die de overgang naar een duurzaam energiesysteem mogelijk maakt.” Welke technologische innovaties zijn momenteel nog niet erg zichtbaar, maar wel veelbelovend? “Van batterijen voor energieopslag hebben we het begin nog maar pas gezien. Het is ongelofelijk hoe batterijen op korte tijd breed verspreid zijn geraakt. Denk maar aan de smartphone, de afstandsbediening, de e-bike ... De rol van batterijen zal in de toekomst alleen maar groter worden. Ook de integratie van zonnepanelen in gebouwen wordt prominenter. PV-panelen liggen daarbij niet meer op het dak, maar worden een deel van de gevel.” Ligt de toekomst in lokale energiegemeenschappen? “Het toekomstige energiesysteem bestaat inderdaad uit microgrids of lokale productiepunten die energie leveren op huis- of wijkniveau. Binnen die lokale energie­ gemeenschappen kunnen buren groene stroom aan elkaar doorverkopen: een buur met een dak gericht op het zuiden kan bijvoorbeeld zonnestroom doorsluizen naar een buur die weinig zon capteert. Industriële bedrijven bevoorraden zich ondertussen Europabreed met

“De duurzame energietransitie is geen hel en verdoemenis, het is net een stap vooruit.”


71 —

“Het toekomstige energiesysteem bestaat uit microgrids of lokale productiepunten”, zegt professor Ronnie Belmans, die aan het hoofd staat van EnergyVille. energie uit offshore windparken, en op termijn zullen ze dat zelfs kunnen doen met duurzame moleculen die in de woestijn worden opgewekt en naar Europa worden vervoerd.” Wat zal er nog veranderen voor de consument? “Er zal heel wat geautomatiseerd worden. We werken aan technologische innovaties die niet altijd zichtbaar zijn, maar die het comfort van de consument wel aanzienlijk verhogen. Comfort is dan ook doorslag­ gevend in het energievraagstuk: het klimaat op zich interesseert mensen doorgaans niet zozeer. Alleen als we de energietransitie combineren met een betere levenskwaliteit, zal de consument bereid zijn om te investeren in hernieuwbare energie.” “Een stad waar enkel elektrische wagens rondrijden, is een stille stad met propere lucht. De wereld die na de transitie op ons afkomt, is dus gewoonweg aangenamer. Het is een wereld die meer comfort en mogelijkheden biedt, zónder dat de planeet naar de haaien gaat. Dat spoort ook met de visie van KU Leuven: de duurzame energietransitie is geen hel en verdoemenis, het is net een stap vooruit.” Welke rol moet de politiek daar volgens u in spelen? “In plaats van te micromanagen, moeten politici een duidelijk kader scheppen en burgers actief betrekken om de energietransitie te helpen waarmaken. Politici moeten tonen wat er mogelijk is en burgers aanmoedigen om samen te werken. Laat bijvoorbeeld wijken investeren in windturbines. Als burgers zich die duurzame investering kunnen toe-eigenen en mee kunnen genieten van de opbrengst, dan komen die turbines er.” Binnenkort gaat u met emeritaat en neemt u afscheid van EnergyVille. Welke boodschap wilt u meegeven aan toekomstige wetenschappers? “Wetenschappers moeten hun bevindingen ter beschikking stellen van de samenleving. Ze zijn verplicht om maatschappelijke discussies te voeden met kennis. Tegelijkertijd mogen ze die kennis niet opdringen. Dat doen we ook zo bij EnergyVille: wij adviseren bijvoorbeeld geen kernuitstap, maar geven uitsluitend de verschillende opties, met alle voor- en nadelen.” Welke diploma’s zullen de toekomst mee vormgeven? “Tegen 2030 moeten er minstens vier miljoen zonnepanelen per jaar geplaatst worden. Wie gaat die allemaal installeren? De EU plant een renovatiegolf, maar wie gaat al die renovaties uitvoeren? De energietransitie vraagt enorm veel handen, technici die opgeleid zijn voor dat soort werk.”

© ID – Bart Dewaele

“Ook geloof ik sterk in de kracht van communicatie. Wetenschappers mogen nog zoveel uitvinden als ze willen, als ze mensen niet meekrijgen in hun verhaal, dan gebeurt er niets mee. Op technologisch vlak kunnen we heel wat voor elkaar krijgen, maar de maatschappij moet er ook klaar voor zijn. Daarom werken er ook sociologen bij EnergyVille. Zij bestuderen bijvoorbeeld hoe we het draagvlak voor al die veranderingen kunnen vergroten.” (jw)


Tegen 2050 wil Europa fossiele brandstoffen inruilen voor groene energie. Wat betekent die switch voor ons? Is dat betaalbaar? En kunnen we wel zonder kernenergie? Professor energie en milieueconomie Stef Proost stelt op scherp.

Stelling 1: De energietransitie vereist een hele omschakeling van de man in de straat. “Er zal vooral geschakeld worden vóór en niet dóór de man in de straat. Een warmtepomp of elektrische auto is voor de consument weliswaar een grotere investering dan een gasketel of een diesel- of benzine­ wagen, maar tegenover die investering staat wel een hoger rendement en een kleiner verbruik.” “Verder vergen energiezuinige alternatieven weinig aanpassing. De thermostaat die gekoppeld is aan een warmtepomp of -net, is intelligent genoeg om zuinig om te springen met energievoorziening. En in periodes met weinig wind en zon, wanneer de elektriciteit gedurende enkele uren duurder is, houdt isolatie een huis warm. Elektrische auto’s vergelijk ik met elektrische fietsen: bijna de helft van de verkochte fietsen is een e-bike. Hebben we daar last van? Integendeel, ouderen van vijfentachtig jaar rijden er ook mee.”

“De huidige regering kiest voor een kernuitstap. Die is niet onbetaalbaar.”


73 —

Onder het dak van Energyville werken ingenieurs, economen, architecten en sociologen zij aan zij rond verschillende onderzoektopics.

wereldwijde inspanning. Of CO2 nu uitgestoten wordt bij ons of in Bangladesh: de impact is exact dezelfde. Dat Europa een ambitieus klimaatbeleid heeft, is dus niet genoeg. Om de klimaatopwarming tegen te gaan, moet de hele wereld meewerken.”

© KU Leuven – RS

Stelling 3: Een CO2-vrije toekomst is onbetaalbaar zonder kernenergie. “De huidige regering kiest voor een kernuitstap. Die is niet onbetaalbaar: kernenergie is voor de komende twintig jaar een optie in de Belgische energiemix, maar er zijn ook combinaties mogelijk zónder kernenergie. Om de klimaatdoelstellingen niet in gevaar te brengen, moet de uitstap bovenal passen binnen de Europese elektriciteitsmarkt. Een hogere CO2-uitstoot in België wordt bijvoorbeeld opgevangen door automatische compensaties op Europees niveau via handel in uitstootrechten met andere sectoren en landen. Een tweede voorwaarde is de kost: als de technologie rond hernieuwbare energie zeer gunstig evolueert, kan een kernuitstap goedkoper uitdraaien dan een energiemix met kernenergie.” “Er is ook nood aan een langetermijnplan: wat doen we na 2045? Als nieuwe vormen van kernenergie, zoals thoriumreactoren en kernfusie, dan goedkoop en veilig zijn, kunnen we die opties aanboren. Zonder kernenergie moeten we kunnen steunen op hernieuwbare energie en innovatieve technologische ontwikkelingen. Denk aan systemen als koolstofcaptatie, waarbij CO2 uit de lucht wordt gehaald.”

Stelling 2: Er is genoeg maatschappelijk draagvlak voor de energietransitie. “Vergeleken met COVID-19 heeft het klimaat een dubbele handicap. Ten eerste daalt bij de invoering van coronamaatregelen het aantal besmettingen en ziekenhuis­ opnames al na twee of drie weken. Zulke kortetermijn­ effecten hebben klimaatinspanningen niet. Restricties op de uitstoot van broeikasgassen zijn wellicht pas over dertig jaar voelbaar in het klimaat. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom jongeren zich sterker engageren voor het klimaat. Zij zullen de vruchten van huidige inspanningen nog plukken.” “Om COVID-19 de kop in te drukken, moet burgerzin bovendien vooral aangewakkerd worden op landelijk of stadsniveau. De klimaatcrisis vergt daarentegen een

Stelling 4: Groene energie kan zonder overheidssubsidies. “De Vlaamse regering zette de voorbije jaren massaal in op subsidies voor de installatie van onder andere fotovoltaïsche zonnepanelen. Dat was politiek opportuun, maar ook inefficiënt. Enerzijds is hernieuwbare energie in het buitenland een stuk goedkoper en anderzijds zijn subsidies voor onderzoek en ontwikkeling veel crucialer dan wat men leert uit de honderdduizendste fotovoltaïsche installatie. We hebben nood aan nieuwe en veel betere technologieën die de energietransitie mogelijk maken. De uitdagingen zijn groot.” “Technologische ontwikkelingen maken bovendien ook wereldwijd het verschil. Als wij ervoor zorgen dat groene technologieën klaarstaan én voordeliger zijn dan de huidige fossiele energiebronnen, zal de rest van de wereld veel meer geneigd zijn om mee te stappen in de energie­ transitie. Tenslotte vertegenwoordigt de EU maar een tiental procent van de werelduitstoot.” ● (jw)


74

ANDERS LEREN — Geassocieerde Faculteit Kunsten

—

Een mooi voorbeeld van interdisciplinariteit binnen de kunsten: muziekstudenten gaan aan de slag met een kunstwerk uit de collectie van M-Museum Leuven. “LUCA is een laboratorium dat ruimte biedt voor experiment en innovatie binnen een brede waaier aan creatieve disciplines.”

Nieuwe faculteit zet in op artistiek onderzoek Eind vorig jaar werd de Geassocieerde Faculteit Kunsten opgericht. Aan die nieuwe faculteit, die deel uitmaakt van de Groep Humane Wetenschappen, krijgt het artistiek onderzoek een volwaardige plaats binnen de universiteit.

“

Sinds de oprichting van de Associatie in 2002, hebben LUCA en de universiteit steeds nauw samengewerkt”, vertelt Simon Van Damme, algemeen directeur van LUCA School of Arts en decaan van de Geassocieerde Faculteit Kunsten. “Er bestond al een ‘bijzondere faculteit’, maar met de nieuwe ‘geassocieerde faculteit’ gaan we nog verder en krijgt het artistiek onderzoek structureel een plaats binnen de universiteit, als één van de vele wetenschapsdisciplines. Dat is een meerwaarde voor KU Leuven, omdat de universiteit haar onderzoeksportfolio uitbreidt, en voor LUCA, omdat onze onderzoekers het potentieel kunnen benutten van KU Leuven als toonaan­ gevende multidisciplinaire en onderzoeksgedreven universiteit.” Kunst binnenloodsen in een wetenschappelijk bastion als KU Leuven, vloekt dat niet? “KU Leuven is een huis met vele kamers. Ook artistiek onderzoek – dat de laatste decennia een enorme inhaalbeweging heeft gemaakt – heeft hier een plaats. Ik heb daarover al boeiende gesprekken gehad met decanen van faculteiten die een soortgelijke emancipatiestrijd hebben moeten voeren. Denk maar aan de Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen (FaBer). Die begon – om het wat oneerbiedig te zeggen – als een veredelde opleiding tot sportleraar, maar intussen gebeurt er heel fundamenteel onderzoek in sportwetenschappen en fysiologie. Ook LUCA is intussen méér dan een opleidingsinstituut voor kunstenaars: het is een laboratorium dat ruimte biedt voor experiment en innovatie binnen een brede waaier aan creatieve disciplines.”

Doctoraat in de kunsten Ook internationaal neemt het belang van artistiek onderzoek toe, zegt Van Damme. “Binnen Horizon Europe ligt de klemtoon bijvoorbeeld op cultuur en creativiteit, en dat leidt nu al tot interdisciplinaire projecten waar artistiek onderzoek een volwaardig onderdeel van is. Onderzoekers van LUCA zijn bijvoorbeeld partner in projecten die met behulp van designprincipes zoeken naar buitenaards leven. Of ze bieden nieuwe inzichten in autismespectrumstoornis, via muzikale co-creatie. Maar de basis voor dat interdisciplinaire onderzoek is natuurlijk het onderzoek binnen de kunsten zélf. Fundamenteel onderzoek naar acteren, scenarioschrijven, muziekcompositie …” “Of het nu gaat om fundamenteel onderzoek ‘in’ de kunsten, interdisciplinair onderzoek ‘met’ de kunsten, of toegepast onderzoek ‘vanuit’ de kunsten – al die zaken hebben een plek binnen de onderzoekseenheden van onze faculteit. En daardoor is interfacultaire samenwerking voor een faculteit als de onze meteen een soort tweede natuur.”


75

© LUCA School of Arts

“De KU Leuven is een huis met vele kamers. Ook artistiek onderzoek heeft hier een plaats.”

KU Leuven en LUCA School of Arts werken ook al jaren samen voor de toekenning van doctoraten in de kunsten. Inmiddels hebben al zo’n 40 kunstenaars een doctoraat in de kunsten op zak, en telt de faculteit 95 doctorandi. Toch zien sommigen het nog als een vreemde eend in de bijt. Ongecultiveerde kwatongen zouden enkele van die verhandelingen zelfs ‘esoterisch’ of – erger nog – ‘zweverig’ durven te noemen. Wordt er binnen de universiteit op neergekeken?

“Hoe zo’n doctoraat in de kunsten er moet uitzien is ook voer voor discussie binnen de kunsten zélf, hoor. Het eerste doctoraat is amper vijftien jaar oud, dus het is een hele jonge discipline. De volwassenwording ervan zal gebeuren met de nodige hiccups, maar we komen er wel. Ik vind die evolutie boeiend, zeker vanuit het oogpunt van wetenschapsfilosofie. Volgens mij boet een wetenschapsdiscipline aan kracht in op het moment dat ze zich perfect kan definiëren.”

“Dat denk ik niet, maar er bestaat soms discussie over de vorm. Het gebeurt weleens dat een doctoraatsjurylid een uitgebreid traktaat van 500 pagina’s verwacht, en opmerkingen maakt over de schrijfstijl, tekstopbouw of het voetnotensysteem. Maar bij een doctoraat in de kunsten gaat het natuurlijk om méér dan enkel het academische gehalte van de geschreven tekst. Je moet bij de beoordeling ervan ook de ‘artistieke output’ in rekening nemen die in functie van het doctoraat is gemaakt. Binnen zo’n jury komt er dan vaak steun uit onverwachte hoek, bijvoorbeeld van experimentele wetenschappers die aangeven dat je in hun sector evenzeer naar de experimenten en data moet kijken, en niet enkel naar de schriftelijke samenvatting.”

Discussie Wat met de volwassenwording van de nog piepjonge faculteit? “De oprichting is natuurlijk nog maar het startpunt”, zegt Van Damme. “Het komt erop aan ze nu professioneel uit te bouwen, met alles wat daarbij komt kijken. Denk aan het opzetten van een beoordelingscommissie voor het aantrekken van nieuwe onderzoekers, ondersteuning door de Dienst Onderzoekscoördinatie, de mogelijkheid om binnen het universitaire internationaliseringsbeleid internationale partnerschappen te sluiten …”


76 “We willen artistieke onderwijspakketten creëren die KU Leuven-studenten als minor kunnen opnemen.”

De Geassocieerde Faculteit Kunsten blijft een apart soort faculteit, en dat heeft te maken met een historisch compromis rond de kunstopleidingen in Vlaanderen. Terwijl de andere academische hogeschoolopleidingen het voorbije decennium werden geïntegreerd in de universiteiten, en dus universitaire opleidingen werden, maakte het onderwijsdecreet een uitzondering voor academische kunstopleidingen. De universiteit reikt het doctoraatsdiploma uit, maar de bachelor- en masterdiploma’s blijven de bevoegdheid van de hogeschool. De opleidingen volledig inbedden binnen de universiteit laat het onderwijsdecreet momenteel niet toe. “Een beslissing die tot veel discussie leidt, en waar je zowel voor- als tegenstanders voor hebt”, zegt Van Damme. Tot op vandaag bestaan er meningsverschillen over de richting die het hoger kunstonderwijs uit moet. Je hebt conservatoria en academies die vinden dat de focus van een opleiding vooral op het aanleren van het metier moet liggen, terwijl een School of Arts als LUCA meent dat artistiek onderzoek net zo belangrijk is. “Misschien zijn we klaar voor een stelsel met instellingen die voor het ene, en instellingen die voor het andere model kiezen”, zegt Van Damme. “In het buitenland heb je academies en conservatoria die hun eigen koers varen, en ‘schools of arts’ die ingebed zijn binnen een universiteit. Beide modellen blijken te werken en kunnen er naast elkaar bestaan.”

Wisselwerking Ook op het vlak van onderwijs is er een belangrijke taak weggelegd voor de nieuwe faculteit. Van Damme wil de grenzen tussen de verschillende vakgebieden verder verkennen, en KU Leuven- en LUCA-studenten laten proeven van een wisselwerking. “Zo hebben we het plan om artistieke onderwijspakketten te creëren die KU Leuven-studenten als keuzepakket of minor zouden kunnen opnemen. Dat vergt wat afstemming, maar er zijn zeker mooie combinaties mogelijk. Concreet denk ik bijvoorbeeld aan een vak als ‘audiovisuele praktijk’, dat nuttig kan zijn voor KU Leuven-studenten die filmtechnieken willen aanleren die ze later bij hun job kunnen gebruiken.” Kunststudenten zouden dan weer taallessen, wetenschapsvakken of lessen filosofie kunnen volgen aan KU Leuven, zegt Van Damme. “Omdat een kunstopleiding zo gericht is, begin je als 18-jarige vaak aan een studietraject met een duidelijk doel voor ogen: je wil regisseur worden, professioneel muzikant, beeldhouwer. Maar gaandeweg verruim je je blikveld, krijg je andere interesses, en dan lijkt het me een goede zaak dat je de kans krijgt om die interesses uit te diepen. En dat laatste geldt natuurlijk ook voor KU Leuven-studenten.” Van Damme hoopt dat de Geassocieerde Faculteit Kunsten steeds meer kan worden ingebed binnen KU Leuven. “Natuurlijk zal het onderwijsdecreet niet van de ene op de andere dag veranderen, maar in tussentijd kunnen we wel zo ver mogelijk gaan in onze samenwerking met de universiteit. Daar is iedereen bij gebaat, zowel de studenten als de onderzoekers.” ● (pjb)

© Nikolas Cladakis

—

Filmdocent Nikolas Cladakis leert zijn studenten de kneepjes van het vak. “Ook KU Leuven-studenten die filmtechnieken willen aanleren zouden aan LUCA een keuzevak audiovisuele praktijk kunnen volgen.”


KORTVERHAAL — Writer in recidence Saskia De Coster

Mijn God

© KU Leuven – RS

Saskia De Coster is een academiejaar lang ‘writer in residence’ van KU Leuven. Speciaal voor Sonar schreef ze een tweeluik, waarvan u hier het tweede deel kan lezen.

77


78

I

k stond daar maar, achter de gesloten deur, naast mijn sportzak. Ik voelde me een acteur met te weinig tekst in een slechte film. Haar stem weerklonk. Ze riep. “Kom bij me liggen”, riep ze. Gewoon die zin, door haar lichaam uitgesproken, joeg me de stuipen op het lijf. Ik wilde het zo graag dat ik bevroor, zo leek het wel. Ik kon geen stap verzetten, geen vin verroeren. Ik schaam me trouwens om dit te vertellen. De hele verdere nacht wandelde mijn geest over de muren en mijn lichaam was schijndood. Ik stond daar stokstijf, armen recht naast mijn romp. IJskoud en bewegingsloos ging ik ten onder in de nacht. En toen hoorde ik iets. Het kwam van buiten. Amper durfde ik het aan om naar het raam te gaan. Daar beneden in de diepte was beweging. Een hele groep schaduwen dwaalde tussen de sparren net achter het huis. Vele mensen, een hele clan. Ik wist dat zij in de kamer naast me lag, maar tegelijkertijd zag ik haar daar beneden in de kuil liggen. Zij was daar buiten samen met de anderen aan het spelen. Ze lag in een kuil in de zandgrond, anderen graaiden met hun handen als scheppen en bedekten het lichaam tot het enkel met het hoofd er nog bovenuit kwam. Het was te onmogelijk voor woorden. Zij waren spoken, geesten van mensen, die hier ‘s nachts samen kwamen om te spelen. Die nacht heb ik hooguit een uurtje geslapen, in mijn kleren, bovenop het in plastic verpakte bed. Toen ik wakker werd, voelde het alsof er naalden van sparren in mijn lichaam en in mijn ogen hadden geprikt. Die ochtend zei ze geen woord over de afgelopen nacht. Ze nam me mee naar buiten. De dauw hing in het wilde gras, de vogels kwetterden luid. Maar er klopte iets niet. Een kilte hing in de lucht, lange slangen klimop wurgden de bomen in de grote

achtertuin. Het was een beschermd bos, vertelde ze, en ze leidde me omlaag de diepte van het bos in. Bij een natuurlijke kuip vol aarde wees ze: dit is een moeras, een hele familie is hier verdronken. Ik draaide me om en zag het raam van de kamer waar ik gisteren had geslapen. Dit was de precieze plek. Een gruwelijke echo van wat ik gezien of gedroomd had. Die maandag verscheen ze niet op school en hoorde ik van de directeur dat de familie halsoverkop verhuisd was. Het was een schok waar ik met niemand over sprak. Niemand wist dat ik mijn lichaam niet meer kon vertrouwen sinds die rare nacht in het huis van haar familie. Je kan heel veel verbergen, dat heb ik toen geleerd. Ook dat is een spel. Jarenlang heb ik zo hard geprobeerd om haar tevoorschijn te denken. Ik weet dat alles wat gebeurd is, voor eeuwig is. Gewoonweg omdat het gebeurd is. Er is geen weg terug. Omdat wij mensen zo zijn dat we een hart hebben en denken dat het een plaats is om onze herinneringen in te bewaren. Omdat we niet anders kunnen. Er komt geen licht binnen in het binnenste van je lichaam, het klopt en hamert en doordat het hart kabaal maakt weet je dat je bestaat. Sommige mensen blijven ongrijpbaar, hoe hard je ook probeert te kijken en ze in je op te nemen. Ik denk aan het meisje met de lichtblauwe sandalen en ga naar de winkel en verlummel de rest van de dag met de gedachte dat ik het meisje met de lichtblauwe sandalen zal volgen naar haar slaapkamer. Ze daagt me uit. Niets is dringend, de avond komt er wel, of ik nu iets nuttigs doe of niet. Misschien kan ik een geschenkje meenemen maar wat dan? En in ons spel kom ik

Die ochtend zei ze geen woord over de afgelopen nacht. Ze nam me mee naar buiten. De dauw hing in het wilde gras, de vogels kwetterden luid. Maar er klopte iets niet.


79

toch gewoon heel even langs om dag te zeggen tegen het meisje met de lichtblauwe sandalen. Ik zal haar op haar bed duwen. Misschien heeft het meisje me wel uitgenodigd maar weten haar ouders van niets en willen ze me er helemaal niet. Om klokslag zes uur trek ik de deur van mijn appartement achter me dicht. Ik kijk naar mijn voeten. Ze brengen me naar de buren. De deur gaat open en daar staat niet wie mijn lichaam verwachtte. Het is een fractie van een seconde heel verwarrend, de oudere versie van het meisje. Ze verwelkomt me hartelijk en luid. Aan de arm leidt ze me mee naar binnen, zo vanzelfsprekend. Het appartement zit bomvol leven, langs alle kanten is er activiteit. In de woonkamer is het allereerste wat me opvalt de geur. Ik herken de geur van die ene keer in de lift. De geur waarvan ik dacht dat het goedkope shampoo was, alsof het hele gezin alles deelde, samen onder de douche stond ook. Voor een groot plasmascherm zitten vijf kinderen. Voor de rest staan overal dozen en meubels die ingepakt zijn in plastic. Even vraag ik me af of ik niet beter zeg dat het een vergissing is en dat ik later wel eens terugkom. Als antwoord geeft ze me een bord met koekjes. Dat is de geur. Het is geen shampoo, het zijn de koekjes, zoet en geurend naar kokos. Ze vertelt me dat ze op het punt staan te vertrekken, naar Texas, en dat ze mij, hun buurman, toch eens wilden bedanken en uitnodigen voor ze verhuizen. Zwijgend zit ik daar op de sofa, met een bord koekjes op schoot. Ze zitten samen zwijgend voor de televisie. Te dromen of te wachten. De kinderen op lichtblauwe sandalen dollen een beetje met elkaar. Mijn hart klopt onstuimig. Onverklaarbaar zijn de zaken van het hart, en het lichaam rond dat hart dat alle kanten op danst.

Dankzij de satelliet die ze mogen aftappen van de buren boven hen, voor die dag dat ze hier nog zijn, kunnen ze rechtstreeks verbinding maken met hun broeders en zusters in Texas. Samen kijken we naar de wedergeborenen aan de andere kant van de oceaan, in hun feestelijke bonbondoos van een kerk. Alsof ze een perfect ingestudeerde dans uitvoeren, zo knielen de mensen in lichtblauwe sandalen neer voor de televisie, met uitgestoken handen, naar de lieve barmhartige God, om hem door het scherm de kamer in te trekken en in hun midden te ontvangen. Het hele gezin zit voor de televisie op de knieën. Ze besteden geen aandacht aan me. Ze zijn smal en beweeglijk, een school zilvervisjes onder water. Ik zit op de rugleuning van de sofa en kijk in de leegte naar beneden. Ik kijk naar hen, ik ben de buitenstaander. Zij zit aan mijn voeten. Ik weet nu wel zeker dat het meisje me niet zal meenemen naar haar kamer. Als je op straat door iemand op de voet gevolgd wordt, en die blijft je maar volgen, je hebt al een paar keer over je schouder heen gekeken maar het helpt niet, dan moet je soms gewoon abrupt stilstaan en die laten verdergaan. Zo denk ik daar, zittend op de sofa, dat ik het verleden moet laten voorgaan, het meisje op de lichtblauwe sandalen zal ook verdwijnen, in haar eigen wereld. Er daalt een rust over me neer, door hier te zitten bij wildvreemden die rare rituelen uitvoeren, met een bord koekjes op schoot. Alsof ik nu weet hoe ik verder moet leven, maar het is nog zo vaag en ijl dat ik het niet kan vastgrijpen. Misschien zijn woorden er niet tegen bestand. ●

Sommige mensen blijven ongrijpbaar, hoe hard je ook probeert te kijken en ze in je op te nemen.


80

SIX CENTURIES OF KU LEUVEN — In 1783 J.P. Minckelers discovered coal gas

When coal powered scientific imagination J

an Pieter Minckelers, the son of a pharmacist in Maastricht, was only sixteen when he arrived in Leuven to study theology in January 1765. Like all students, he first had to take two years of general courses at the Artes Faculty. Minckelers became so fascinated with physics, and turned out to have such an aptitude for the subject, that after his theology studies he was appointed professor of physics and started working as an assistant to Professor Jan Frans Thysbaert, manager of the laboratory for experimental physics. This lab was located in what is now Vanderkelenstraat; its portico still exists today, forming the entrance to Museum M. Louis Engelbert, also known as the Blind Duke after he lost his eyesight in a hunting accident, was a great science enthusiast and one of the first patrons of the University of Leuven to finance empirical research. He would take his guests to Thysbaert and Minckelers' laboratory whenever he stayed at his castle in Heverlee during the summer. The Duke had contacts with famous instrument makers in various foreign countries and provided the professors with both the materials and means for their research.

© KU Leuven – Universiteitsarchief

—

A Minckelers commemoration and balloon festival in Heverlee in 1905. Duke Engelbert Marie van Arenberg, great-grandson of the blind Duke, is releasing an exact replica of Minckelers' balloon.

And then there was light In the eighteenth century as well as today, the desire for knowledge led to scientific progress. Minckelers and Thysbaert, for example, wanted to find a flammable gas that could be used as a safe and cheap alternative to candles and oil lamps. In 1783, Minckelers wrote in his notebook how he had succeeded in producing such a lighting gas by filling the barrel of a gun with coal, cutting off the oxygen supply, and heating the barrel.


81 On the Kantineplein in Heverlee stands a statue of Duke Louis Engelbert of Arenberg and Jan Pieter Minckelers. They look out over the lawn of Arenberg Castle, where, one autumn day in 1783, the first unmanned balloon in the Low Countries was released.

Coal gas became widely used in public street lighting in the following decades. In 1817, Brussels became the first city in continental Europe to have gas lanterns; Leuven would have to wait until 1835. A gas plant was built along the Vaart, the Louvain canal. Cast-iron pipes transported the gas throughout the city, where lamplighters made their rounds every evening and morning. Gradually, public buildings, monasteries, castles and private homes were also equipped with gas chandeliers. Minckelers ensured that his own auditorium would be lit with the new technique as early as 1784. However, the system turned out to have a number of downsides as well, from blackened ceilings to carbon monoxide poisoning.

The research into coal gas had been boosted by the Blind Duke's fascination with the balloon experiments of the Montgolfier brothers and physicist Jacques Charles in Paris in August 1783. Those experiments respectively used burning wool and straw, and hydrogen. However, the former was prone to accidents, while the latter was expensive and difficult to manufacture. The duke had balloons made in Brussels from goldbeater’s skin – processed cow intestines – and wanted to find a gas that was lighter than air. He found his solution in the coal gas that was the subject of Minckelers’ and Thysbaert’s experimentation. That’s why, on 20 November 1783, the very first gas balloon in the Low Countries could be released on the lawn in front of Arenberg Castle. According to Minckelers’ notes, the balloon, which was almost two feet (56 centimetres) in diameter, flew in the direction of Maastricht. Political unrest during the Brabant Revolution led Minckelers to return to his home town in 1790, where he died in 1824. Eighty years later, a statue of him was unveiled there on the Markt. In his left hand, Minckelers holds a gas pipe that, to this day, produces a powerful flame in exchange for a coin. ● (ivh)

© KU Leuven – Universiteitsarchief

Minckelers ensured that his own auditorium would be lit with the new technique as early as 1784. However, the system turned out to have a number of downsides as well, from blackened ceilings to carbon monoxide poisoning.

To the sky


Online Een greep uit de onderzoeksverhalen op www.kuleuven.be/stories.

© VRT – Wim De Maeseneer

82

STORIES

Wat als je kunstprotheses van metaal of plastic zou kunnen vervangen door levende implantaten? Het lijkt futuristisch, maar in het lab lukt het al. ‘Weefsel­ ingenieurs’ maken miniweefsels met levende cellen en brengen die samen in de vorm van een stukje ontbrekend bot of kraakbeen. De volgende stap is zo’n biologische prothese op industriële schaal uit de 3D-printer laten rollen.

02 Architectuur zonder drempels

© KU Leuven – RS

01 Kunstgewrichten komen tot leven

Universal design (UD) is architectuur die met iederéén rekening houdt, en gebouwen of omgevingen zo inclusief mogelijk maakt. Of je nu een rolstoel gebruikt, in gebarentaal de weg moet vragen, of op pad gaat met een blindengeleidehond, je bestemming moet bereikbaar én toegankelijk zijn. KU Leuven-architect Marc Dujardin is één van de grondleggers van UD in België.

Sinds de coronacrisis weet elke scholier hoe het voelt om thuis les te volgen, achter de laptop. Digitaal onderwijs is niet voor iedereen evident, maar kan op termijn wél helpen om de leerkloof te dichten, zeggen onderwijsexperts van KU Leuven. “Als je de technologie inzet om ons onderwijssysteem te herdenken.”

© Shutterstock

03 Digitaal onderwijs als gelijkmaker?

Wist u dat sterren trillen en dat wetenschappers die trillingen kunnen verklanken? Astroseismologe Katrien Kolenberg onderzoekt de ‘muziek’ van sterren. Omdat elke ster anders klinkt, vertelt het geluid dat ze maakt meer over de opbouw: de grootte, de temperatuur, de druk binnenin ... En daaruit kan je dan weer afleiden in welke levensfase een ster zich bevindt. Onderzoek naar sterrenmuziek kan helpen bij de zoektocht naar exoplaneten en, wie weet, buitenaards leven. ●

© KU Leuven – RS

04 Er staat muziek in de sterren geschreven


Colofon Dit magazine is een uitgave van KU Leuven.

Werkten mee aan dit nummer

Hoofdredactie

Dirk Blijweert Saskia De Coster Lothe Ramakers

Lise Detobel Isabelle Van Geet

Met dank aan Redactie en beeldredactie

Pieter-Jan Borgelioen Ilse Frederickx Greg Pokusa Ine Van Houdenhove Reiner Van Hove Julie Willems

Kjell Corens (Universiteitsarchief) Contact

Sonar@kuleuven.be Abonnement

U kan een abonnement nemen op Sonar op www.kuleuven.be/stories.

Fotografie

Rob Stevens @KU_Leuven kuleuven

WWW.KULEUVEN.BE/STORIES

Vormgeving

Altera

kuleuven Freelancer

Gaston Kooijmans

Druk

Van der Poorten


Nr 3 – mei 2021

WWW.KULEUVEN.BE/STORIES Sonar

KU Leuven-magazine

Driemaandelijkse uitgave – Extra editie Tijdschrift KU Leuven – P409886 – v.u.: Dienst Marketing en Communicatie, Isabelle Van Geet, Minderbroedersstraat 8, 3000 Leuven

Sonar Nr 3 – mei 2021

KU Leuven. Inspiring the Outstanding.

Moslim in Europa Over traditie en toekomst

KU Leuven-magazine


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook