Skip to main content

KU Leuven Magazine Sonar n°2 - Jan 2021

Page 1

WWW.KULEUVEN.BE/STORIES Nr 2 – januari 2021

Sonar

KU Leuven-magazine

Extra editie Tijdschrift Onderwijscommunicatie KU Leuven – P409886 – Afgiftekantoor: Leuven Masspost – V.u.: Dienst Marketing en Communicatie, Isabelle Van Geet, Minderbroedersstraat 8, 3000 Leuven

KU Leuven. Inspiring the Outstanding.

Sonar Nr 2 – januari 2021

Wie zijn de nieuwe eredoctores?

KU Leuven-magazine

Niet alle tradities wijken


Colofon Dit magazine is een uitgave van KU Leuven.

Werkten mee aan dit nummer

Hoofdredactie

Saskia De Coster, Lise Detobel, Lothe Ramakers

Tamara Broos Nel Bruneel Isabelle Van Geet

kuleuven

Kjell Corens (Universiteitsarchief)

Redactie en beeldredactie

Contact

Pieter-Jan Borgelioen Ilse Frederickx Greg Pokusa Ine Van Houdenhove Reiner Van Hove Julie Willems

Sonar@kuleuven.be

Fotografie

LeuvenU

Rob Stevens

kuleuven

Freelancers

Gaston Kooijmans Katrien Steyaert

WWW.KULEUVEN.BE/STORIES

Met dank aan

Abonnement

U kunt een abonnement nemen op Sonar op www.kuleuven.be/stories. Vormgeving

Altera Druk

Van der Poorten


3

Edito — Luc Sels Rector KU Leuven

‘I

t was the best of times, it was the worst of times’. Charles Dickens wist het al: goede en kwade tijden wisselen elkaar niet af, ze lopen door elkaar. We kennen tegelijk terrorisme en Artsen zonder Grenzen, klimaatopwarming en klimaat­ spijbelaars, armoede en generositeit, COVID-19 en wetenschap. Wetenschap: meer dan ooit is die een baken van hoop. Sterker dan ooit vertrouwen we op wetenschappelijk onderzoek om de weg naar morgen uit te stippelen. De zoektocht naar een vaccin lijkt een succes te worden, maar de wereld worstelt ook met tal van andere uitdagingen in zeer diverse domeinen. Elk jaar reikt KU Leuven daarom eredoctoraten uit aan uitmuntende wetenschappers die baanbrekend onderzoek verrichten of een uitzonderlijke bijdrage hebben geleverd aan onze maatschappij. Dat gebeurt normaal tijdens een academische zitting op ons Patroonsfeest van 2 februari – sinds 1834 al de jaarlijkse feestdag van KU Leuven. De professorenstoet waarmee die dag traditioneel begint, kan natuurlijk niet uitgaan. Ook professoren zijn niet immuun, dus de toga’s zullen voor één keer aan de haak moeten blijven. Maar de plechtige viering van de eredoctoraten zal wel plaatsvinden, voor de meesten van ons allicht online. In deze tweede editie van Sonar maakt u kennis met de ere­doctores van dit jaar; een uitgelezen gezelschap van wetenschappers, onder­ zoekers en vernieuwende denkers.

De wetenschap is meer dan ooit een baken van hoop. De Nederlander Hans Clevers slaagde erin mini-organen te ontwikkelen buiten het menselijk lichaam. Laboratoria over de hele wereld – ook in Leuven – gebruiken nu dergelijke ‘organoïden’ om ziektes beter te doorgronden en om te voorspellen hoe een patiënt zal reageren op een medicijn. De Franse filosoof, socioloog en antropoloog Bruno Latour verrichtte baanbrekend werk in de studie van wetenschap en techniek. Vandaag staat hij op de barricades voor het klimaat en leven we volgens hem in het antropoceen: het tijdperk waarin de aarde lijdt onder menselijke activiteit en zelfregulerend handelt om zichzelf in leven te houden. James Volmink is de eerste zwarte decaan van de faculteit geneeskunde van de universiteit van Stellenbosch – ooit het culturele centrum van de Apartheid. Hij is in Zuid-Afrika één van de bezielers van Evidence Based Medicine, dat alleen uitgaat van medische bewijzen om een behandeling te kiezen. Hij heeft enorm bijgedragen tot een betere gezondheidszorg bij minderbedeelde bevolkingsgroepen. Professor Zhenan Bao studeerde chemie in China en de VS. Zij ontwikkelt nieuwe, organische elektronische materialen; een tweede huid die boordevol elektrische circuits, transistoren en sensoren zit. De volgende generatie smartphones zou u weleens óp uw hand in plaats van ín uw hand kunnen dragen. Kate Raworth ten slotte onderzoekt in Oxford en Cambridge het verband tussen economische groei en wereldwijde uitdagingen als sociale ongelijkheid, de opwarming van de aarde en de achterstelling van ontwikkelingslanden. U merkt het: even divers als de uitdagingen die onze wereld kent, zijn de oplos­ singen. Niet zelden komen die uit labo’s, onderzoekscentra en wetenschappelijke instellingen. ‘It was the age of wisdom, it was the age of foolishness’. Laten we gaan voor de wisdom.


4 Inhoud EREDOCTORES

Hans Clevers

6 EREDOCTORES

Kate Raworth

18

Eredoctores

EREDOCTORES

Bruno Latour

6 28 En verder Wetenschat Aboriginaltaal te boek gesteld 15 – Blow-up Vliegjesbrein 16 – 1 jaar, 4 studenten 26 – Online Onderzoeks­verhalen 37 – Uitgelicht De mobiliteit van morgen 38 – Portret Emeritus professor Marc Waelkens 50 – Ontrafeld De empathische aap 54 – Droomjob Tuk op taal 64 – Kortverhaal Writer in residence Saskia De Coster 79


5

EREDOCTORES

Zhenan Bao

DENKTANK METAFORUM

Langer gezond werken

82

58 ONDERWIJS

Helemaal digitaal

66

ZES EEUWEN KU LEUVEN

Student m/v

85

In English EREDOCTORES

Jimmy Volmink

72

INTERNATIONAL ALUMNUS

Hans Kluge

41


6 Eredoctores 2021

HANS CLEVERS

Van petrischaaltje tot wereldschaal:

Gekweekte miniorgaantjes, een groeiend succesverhaal


7


8 Als Hans Clevers (63) geen onderzoeker was geworden, dan had een carrière als romancier hem wel wat geleken. Het is maar de vraag of die boeken even begeesterend hadden kunnen zijn als het wetenschappelijke verhaal dat de Nederlandse moleculair geneticus aan het schrijven is. Aan het Hubrecht Instituut in Utrecht bedachten Clevers en zijn team een manier om mini-versies van onze organen te kweken buiten het lichaam. In laboratoria over de hele wereld – ook in Leuven – worden nu dergelijke ‘organoïden’ ingezet, onder meer om ziektes beter te doorgronden en om te voorspellen hoe een patiënt zal reageren op een medicijn.

“Ik zag meteen: dit is echt spectaculair. Op twee-drie maanden tijd hadden die cellen enorm veel weefsel gemaakt.” De euforie die hij destijds voelde, borrelt weer op als Hans Clevers ons vertelt over het grote eureka-moment – zijn tweede – dat hij in 2008 beleefde. Samen met de Japanse postdoc Toshiro Sato had Clevers een plannetje uitgedokterd om een stamcel uit de darm van een muis in een petrischaal aan het delen te krijgen. Kan niet, zei het heersende dogma over stamcellen. Toch wel, dachten Clevers en Sato. Een kwestie van de juiste groeifactoren aanbieden, de juiste processen blokkeren én een omgeving maken waarin stamcellen goed gedijen: een gel die lijkt op het bindweefsel dat cellen omhult in het lichaam. “Daarin voelen ze zich prettig”, zegt Clevers, “wat dat ook mag betekenen.” Héél prettig zelfs, zo bleek. Dat zag hij in één oog­­ opslag toen de bescheiden Sato hem vroeg of hij even een kijkje wou komen nemen. “Onze bedoeling was om van één stamcel heel veel stamcellen te maken, maar het was meteen duidelijk dat er iets heel anders aan het gebeuren was.” De cellen hadden een structuur gevormd die eruitzag als een minidarmpje en in veel opzichten ook bleek te werken als een echte darm. De eerste organoïde was een feit. “Dat heet dan serendipiteit”, zegt Clevers.

Het juiste vlaggetje Iets ontdekken waar je niet naar op zoek was: het kan alleen als je je vizier wijd open houdt en niet bang bent om van je pad af te wijken. Het is Hans Clevers ten voeten uit. Hij studeerde biologie en geneeskunde, leek voorbestemd voor een carrière als kinderarts, maar besloot uiteindelijk dat hij meer onderzoeker dan dokter was. Hij trok naar Harvard voor een postdoc en werd daarna hoogleraar immunologie aan de Universiteit Utrecht en het Universitair Medisch Centrum Utrecht.

De focus van zijn onderzoek verschoof naar de darm toen hij één van de chemische talen bestudeerde die cellen onderling spreken: de zogenaamde ‘Wnt pathway’. Veel van onze organen bevatten stamcellen die beschadigde of versleten delen repareren door nieuwe cellen aan te maken. De stamcellen in de darm zijn bijzonder actief: ze zorgen ervoor dat het epitheel – de binnenbekleding van de darm – elke vijf dagen vernieuwd wordt. Het Wnt-signaal bleek een cruciale rol te spelen in dat proces. “Als we het bij muizen plat­ legden, dan stopte die hele aanmaak van de binnen­ bekleding”, zegt Clevers. “Bij een tevéél van dat Wnt-­ signaal zagen we de celdeling dan weer ontsporen. Dan ontstaan er poliepen, een voorstadium van kanker.” Het waren belangrijke nieuwe inzichten in de werking van de gezonde en de zieke darm, maar Clevers wou ook weten waar die stamcellen precies zitten. Daar heb je een marker voor nodig – een ‘moleculair vlaggetje’ zoals Clevers het noemt. “Mijn Engelse postdoc Nick Barker en ik hebben twee jaar lang allerlei vlaggetjes geprobeerd. Zonder succes. Logisch, want iedereen dacht dat die stamcellen op een andere plek zaten dan waar ze uiteindelijk bleken te zitten.” Dankzij een vlaggetje dat LGR5 heet, vonden ze de stamcel uiteindelijk helemaal onderin de crypten, de instulpingen van de darmwand. Het was Clevers’ eerste eureka-moment. “We hadden een cel blauw gemaakt en van daaruit zagen we een blauwe streep omhoog lopen. Dan weet je: die cel heeft in haar eentje op een week tijd al die nazaten gemaakt. Het was eigenlijk de eerste keer dat iemand een stamcel echt aan het werk zag.”

Zwart-witvoorspelling Het was de blauwdruk voor de ontwikkeling van de organoïde-methode, twee jaar later. Die technologie is het voorbije decennium zelf flink gegroeid: van muis naar menselijk weefsel, van de darm naar een hele


Eredoctores 2021

9

reeks andere organen. Er zijn inmiddels mini-versies van onder meer de lever, de longen, de maag, de nieren en de alvleesklier gemaakt. Dat was niet alleen meer het werk van Clevers en zijn collega’s in Utrecht. Onderzoekers over de hele wereld zijn met het recept voor de organoïden aan de slag gegaan. Het enthousiasme is begrijpelijk. De mini-orgaantjes kunnen vele vormen van proefdieronderzoek vervangen en ze bieden ongeziene mogelijkheden. Zo kan je op een organoïde uittesten of een geneesmiddel bij een individuele patiënt effect zal hebben. Een toepassing die Jeffrey Beekman, een moleculair bioloog aan het UMC Utrecht, samen met Hans Clevers uitwerkte voor patiënten met mucoviscidose of taaislijmziekte. Dat is een aangeboren aandoening die het water- en zouttransport verstoort. Het gevolg zijn taaie slijmen die verstoppingen teweegbrengen in onder meer de luchtwegen, het maagdarmstelsel en de lever. Van alle ernstige erfelijke aandoeningen is mucoviscidose bij ons de meest frequente. Het is al lang bekend in welk gen het probleem zit, maar er zijn meer dan tweeduizend mutaties die de ziekte kunnen veroorzaken. “Een Amerikaans bedrijf had als eerste een geneesmiddel op de markt gebracht dat de werking van dat gen corrigeerde”, vertelt Clevers. “Dat is op zich al een ongelooflijk wonder. Het medicijn was ontwikkeld voor een veel voorkomende vorm van taaislijmziekte, die ongeveer de helft van de patiënten treft. De andere helft had geen toegang tot het middel, terwijl daar mogelijk ook mensen tussen zaten die er baat bij konden hebben.”

— Een organoïde van de menselijke lever. Dankzij de fluorescente kleuring konden onderzoekers bestuderen wat er misgaat in de celdeling als het kankergen TP53 gemuteerd is. © Delilah Hendriks & Benedetta Artegiani – Hubrecht Instituut

“Als je dat wil testen bij de patiënt zelf, moet je het medicijn langdurig geven, want je moet kunnen vaststellen of de longen er al dan niet verder op achteruitgaan. Met een organoïde kan het veel sneller. Op een week tijd kan je met wat rectaal weefsel minidarmpjes maken en vervolgens gaan kijken of het medicijn aanslaat. Je krijgt echt een zwart-witvoorspelling of het middel zal werken of niet. Zo hebben we ervoor kunnen zorgen dat alle patiënten met een positieve organoïde-test het dure medicijn vergoed krijgen.”

“Onze bedoeling was om van één stamcel heel veel stamcellen te maken, maar het was meteen duidelijk dat er iets heel anders aan het gebeuren was.”


10 “Er zijn ondertussen enkele mogelijke medicijnen voor taaislijmziekte bijgekomen, die momenteel in de testfase zitten. Utrecht coördineert een Europese trial om te kijken of je die middelen kan matchen met individuele patiënten.”

Meteen raak Op een gelijkaardige manier zou je ook kanker­ therapieën meer op de patiënt kunnen afstemmen, zegt Clevers. “Als je nu kanker krijgt, word je in een groep geplaatst waarvan statistisch bekend is: ‘De vijfjaarsoverleving is zoveel procent, dit is de beste therapie en dit de op één na beste.’ Maar je weet niet of dat ook voor jou geldt. Zo’n veertig procent van de kanker­ therapieën helpt in mindere of meerdere mate, zestig procent niet. Maar je hebt wel in honderd procent van de gevallen bijwerkingen, en die zijn niet min.”

— Hans Clevers en onderzoeker Joep Beumer bespreken een organoïde van de menselijke darm.

Het zou dus een hele stap voorwaarts betekenen als je middelen eerst buiten de patiënt kunt testen. Bijkomend voordeel is dat je een patiënt meteen op een werkende therapie zet, legt Clevers uit. “Je pakt de ziekte vroeger aan dan wanneer pas het tweede of derde middel aanslaat. En je voorkomt de schade die een middel dat niet werkt kan aanrichten.” Hij is rotsvast overtuigd van het potentieel van organoïden voor kankerbehandeling. “Negentig procent van de kankers die bij volwassenen voor­ komen kunnen we kweken. En vorig jaar zijn er een vijftal artikels verschenen die aantonen dat je bij darmkanker met organoïden in 80 tot 90 procent van de gevallen de gevoeligheid voor een medicijn correct kunt voorspellen. Dat moet natuurlijk allemaal nog bevestigd worden in grote validatie-trials.


Eredoctores 2021

Ondertussen zijn er bedrijven die werken aan appa­ ratuur waarmee de tests sneller en goedkoper kunnen gebeuren.”

Een nieuw behangetje Organoïden kunnen niet alleen buiten het lichaam hun nut bewijzen, je kan ze ook als een soort hulptroepen naar binnen sturen. Dat toonde de onderzoeksgroep van Clevers – in samenwerking met Mamoru Watanabe in Tokio – aan bij muizen met een aangetaste darm die fungeerden als model voor inflammatoire darmziekten bij de mens. “De binnenbekleding van de darm neemt voedingsstoffen op, maar houdt ook de darminhoud buiten je lichaam”, legt hij uit. “Als er een lek zit in de bekleding, zoals bij de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa, proberen bacteriën te ontsnappen en krijg je chronische ontstekingen.” Dat kan je oplossen door “een nieuw behangetje” tegen de binnenbekleding te zetten, zoals Clevers het plastisch uitdrukt. En dat laagje behang is een organoïde. “Het moet wel blijven plakken: er moet dus meteen bloedvoorziening zijn. Dat is technisch niet zo simpel, maar Toshi (Toshiro Sato – red.) is erin geslaagd om bij muizen een stamcel te vinden waarmee dat kon lukken. Daar hebben we toen heel veel minidarmen van gemaakt, die we vervolgens ingevroren naar Tokio hebben gestuurd. Daar hebben ze de organoïden ingebracht bij veertig muizen met een ontsteking in de dikke darm. Tot onze stomme verbazing gingen ze zich spontaan hechten aan de beschadigde stukken binnenbekleding. De organoïden openen zich en herstellen het gat, als een soort pleister.” Op dit moment wordt die techniek in Japan getest met menselijke organoïden bij patiënten met een darmontsteking. Als die nieuwe stap mogelijk blijkt, zouden organoïden in de toekomst transplantaties overbodig kunnen maken voor een aantal organen, voorspelt Clevers. “Je zou een biobank kunnen aanleggen met mini-orgaantjes gemaakt van weefsel

11

van levende donoren – ze laten een hapje uit een orgaan nemen en gaan daarna gewoon naar huis. Daarmee zou je patiënten kunnen helpen op een moment dat het zieke orgaan nog een behoorlijke structuur heeft. Je hoeft dus niet eens een hele long of lever van anderhalve kilo in elkaar te zetten. En de patiënten hoeven niet meer te wachten op een orgaan van een verkeersslachtoffer: je hebt die organoïden gewoon klaar zitten in de vriezer.”

Andere koek Falende organen oplappen met behulp van organoïden: het klinkt als muziek in de oren voor mensen die graag enkele bonusjaren aan hun leven willen plakken. Maar daar ligt voor Hans Clevers niet de belangrijkste toepassing van zijn werk: “Het ageing research wordt nu als een enorm veld neergezet, maar ik vind het niet erg interessant. Onze stamcellen zijn goed genoeg om een jaar of tachtig-negentig mee te maken. Het is zoals met een oude auto: er gaan steeds meer dingen mis.” “Het klinkt misschien als een open deur intrappen, maar je kan beter iets doen dat iemand vroeg in het leven helpt. Een patiënt van zeventig met longkanker die z’n hele leven lang gerookt heeft: ik wens het niemand toe, maar een kind van drie met een neuroblastoom (kwaad­­aardig kankergezwel – red.) van een kilo is toch wel andere koek.” De aandacht voor het zieke kind is dan ook een rode draad in zijn carrière. Zo zette hij mee zijn schouders onder de oprichting van het Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie, ook in Utrecht. Het uitgangspunt: alle Nederlandse kinderen met kanker moeten op één plaats terechtkunnen. “Uniek in de wereld”, zegt Clevers. “Het was politiek ook onwaarschijnlijk ingewikkeld om het voor elkaar te krijgen. Maar we wisten gewoon: in bepaalde ziekenhuizen heb je een kleinere kans dat het goed gaat dan in andere. In dit centrum komen topzorg en toponderzoek samen. En dat mag je letterlijk nemen: de koffieapparaten zijn zo geplaatst dat dokters, verplegers en onderzoekers elkaar wel moeten tegenkomen.”

“Het ageing research wordt nu als een enorm veld neergezet, maar ik vind het niet erg interessant. Je kan beter iets doen dat iemand vroeg in het leven helpt.”


12 Populair recept Ook in het Hubrecht Instituut vinden de interessantste gesprekken vaak plaats rond het koffieapparaat, weet professor Marc Ferrante uit eigen ervaring. Hij is gastro-enteroloog in UZ Leuven, onderzoeker bij TARGID (Translational Research in GastroIntestinal Disorders) en één van de drie promotoren van het eredoctoraat dat Hans Clevers in februari ontvangt. Ferrante bracht één van zijn postdoc-jaren in Utrecht door. “Professor Paul Rutgeerts had al snel ingezien dat organoïden nuttig konden zijn voor het Leuvense onderzoek naar inflammatoire darmziekten, waarvan hij de bezieler was”, zegt Ferrante. “Dus trok ik in 2010 naar het lab van Hans. Net op het juiste moment: ze hadden tot dan toe alleen nog maar organoïden gemaakt van muisweefsel, en ik kon meewerken aan de eerste toepassingen met menselijk weefsel. Voor een clinicus is dat natuurlijk veel relevanter.” Na zijn periode in Utrecht nam Ferrante het recept voor de organoïden mee naar Leuven. Daar was de interesse groot, vertelt hij: “Ik denk dat er van binnenshuis minstens tien groepen zijn langs­ gekomen om de techniek aan te leren. Voor onderzoek rond taaislijmziekte heb ik bijvoorbeeld de knowhow aangeleverd en overleggen we nog geregeld met collega's van pediatrie. Ik heb hen geleerd hoe ze de biopsies moesten nemen en verwerken. De Leuvense mucoviscidose-kliniek past het organoïde-model inmiddels al meerdere jaren toe, in nauwe samenwerking met de Utrechtse groep van Jeffrey Beekman. Ze gebruiken organoïden om te bepalen welke patiënt in aanmerking zou komen voor welke therapie en ze participeren ook in het grote Europese project dat Hans vermeldde.” “Voor ons eigen onderzoek naar de ontstaans­ mechanismen van inflammatoire darmziekten hebben organoïden de grote winst opgeleverd dat we op korte tijd veel darmweefsel kunnen kweken. Dat

kunnen we gewoon in de diepvriezer bewaren en gebruiken wanneer we het nodig hebben. We platen het weefsel dan uit op een ‘Transwell-membraan’: aan de ene kant van dat plaatje bootsen we de darminhoud na, aan de andere kant simuleren we wat er in het lichaam van de patiënt gebeurt, met name in het immuunsysteem.”

Superslimme cellen Verschillende Leuvense onderzoeksgroepen die met organoïden werken hebben inmiddels een netwerk opgericht voor verdere interdisciplinaire samen­werking. Eén van de drijvende krachten is de groep van professor Hugo Vankelecom aan het Departement Ontwikkeling en Regeneratie, die in 2017 organoïden van baarmoederslijmvlies – of endometrium – maakte. Een primeur die nieuwe perspectieven opent voor onderzoek naar (on-)vruchtbaarheid en naar ziekten van het baarmoederslijmvlies, zoals endometriose en endometrium­kanker. De organoïde-modellen die de groep ontwikkelde op basis van zieke weefsels zullen helpen om de aandoeningen beter te begrijpen en nieuwe geneesmiddelen te vinden. De KU Leuven-­ technologie wordt op dit moment getest voor toepassingen in de reproductieve geneeskunde, waarmee uiteindelijk een start-up aan de slag zal gaan. “Wij waren in Utrecht zelf ook aan het werken rond baarmoederslijmvlies, maar we hebben de scoop aan Leuven moeten laten”, zegt Hans Clevers. “Dat vind ik alleen maar mooi, dat onze technologie overal ter wereld toegepast wordt en dat anderen het soms sneller en beter doen dan wij. Matteo Boretto, de eerste auteur van die Leuvense papers, werkt nu trouwens in mijn lab.” Wie ‘stamcellen’ en ‘Leuven’ zegt, zegt natuurlijk ook Catherine Verfaillie. Haar baanbrekende onderzoek gaat over embryonale en pluripotente stamcellen, die alles kunnen maken, terwijl Hans Clevers werkt met

“Dat vind ik alleen maar mooi, dat onze technologie overal ter wereld toegepast wordt en dat anderen het soms sneller en beter doen dan wij.”


13

— Professor Marc Ferrante nam het recept voor de organoïden mee naar Leuven en past het zelf toe in zijn onderzoek naar inflammatoire darmziekten.

adulte en orgaanspecifieke stamcellen. Toch hebben zijn inzichten ook een extra dimensie gegeven aan het onderzoek in het Leuvense Stamcelinstituut, vertelt Verfaillie, die ook promotor van het eredoctoraat is. “Als we bijvoorbeeld proberen om van pluripotente stam­ cellen levercellen te maken, dan zien we dat er in een driedimensionaal systeem zoals een organoïde dingen gebeuren die we in het klassieke twee­d imensionale kweekschaaltje niet kunnen nabootsen. Op het eind van de rit heb je cellen die veel beter op levercellen lijken. Hans Clevers heeft eigenlijk aan­­getoond dat de cellen slimmer zijn dan wij.”

Vleermuizen Organoïden worden ook volop ingezet in het onderzoek naar COVID-19. Samen met collega’s uit Rotterdam, Amsterdam en Maastricht toonde het team van Hans Clevers in organoïden aan dat het coronavirus darm­ cellen kan infecteren en zich daar kan vermenig­ vuldigen. Ook het team van Marc Ferrante onderzoekt wat het virus in de darm teweegbrengt. En aan het Leuvense Rega Instituut maken professor Johan Neyts en zijn collega’s eveneens gebruik van organoïden in hun zoektocht naar krachtige virusremmers.

Volgens Hans Clevers kunnen ze ook een rol spelen in het voorkomen van toekomstige epidemieën: “Alleen al bij vleermuizen zijn er een stuk of dertig-veertig coronavirussen gevonden. Je kunt er nauwelijks onderzoek naar doen, want ze groeien nog niet op mensencellen. Als die virussen je ziek maken, is het te laat, dus je wil ze wel graag nu kennen. Organoïden van vleermuizen zijn een goede ingang daarvoor. De vraag is of de wereld bereid is om er fondsen voor vrij te maken.”

Geoliede chaos Zoals een stamcel de juiste groeifactoren en omgeving nodig heeft om een organoïde te maken, zo heeft ook een laboratorium de juiste stimulansen nodig om succesvol te zijn. Het is één van de sterktes van Hans Clevers, vindt Marc Ferrante. “Zijn lab is een geoliede machine: het zit zo goed in elkaar dat het niet anders kan dan dat er schitterende resultaten uitvloeien. Hij moedigt zijn onderzoekers aan om met nieuwe ideeën te komen, en zorgt ervoor dat ze de nodige tijd en financiële middelen krijgen om die uit te werken.” “Nou, ik zie het eerder als een georganiseerde chaos dan een goed geoliede machine”, zegt Clevers. “Maar


14 “Ik heb er altijd voor gezorgd dat er veel geld is voor mijn mensen, met name voor onderzoek in de marge, want daar gebeuren alle belangrijke ontdekkingen.”

inderdaad, ik heb er altijd voor gezorgd dat er veel geld is voor mijn mensen, met name voor onderzoek in de marge, want daar gebeuren alle belangrijke ontdekkingen. We maken er hier een kunstvorm van om continu dingetjes te proberen zonder er meteen een project van een paar jaar van te maken. Ik zeg tegen mijn onderzoekers: ‘Kom met een brede kijk en doe zoveel mogelijk proeven. Als je echt een patroon ziet, dán gaan we er met z’n allen naar kijken.’ Dat is de filosofie van het lab.” De menselijke geest stuurt enorm wat je denkt te weten en te zien, vindt Clevers. Als je vertrekt van een hypothese, dan ga je die gewoon bewijzen. “Je beukt één richting in, met je ogen volstrekt gesloten voor alles wat je onderweg zou kunnen tegenkomen. Tijdens mijn postdoc in Amerika heb ik geleerd om echt fundamentele vragen te stellen: je begrijpt zelf nauwelijks wat die vraag eigenlijk inhoudt, laat staan hoe het antwoord eruit gaat zien.” Daarom maakt hij zich ook zorgen over de richting die de wetenschap lijkt uit te gaan, met een steeds grotere nadruk op onderzoek dat snel rendeert. Het parcours dat hij zelf heeft afgelegd lijkt hem voor de jonge wetenschappers van vandaag niet evident. “Als ik nu opnieuw zou moeten beginnen, en ik mag alleen die dingen doen waarvan ik kan beloven: over twee jaar heb ik dit apparaatje of deze test ... Dat heet dan translationele research, maar als je geen ont­­ dekkingen meer doet, is er na een paar jaar ook niets meer te vertalen.” Uiteraard kijkt hij met extra aandacht naar de situatie in zijn eigen land, die hij door en door kent, ook omdat hij van 2012 tot 2015 president was van de KNAW, de Koninklijke Nederlandse Akademie van Weten­ schappen. “Wereldwijd staat het vrije onderzoek onder druk, maar in Nederland is de verschuiving

echt enorm”, zegt Clevers. “Tijdens de vorige finan­ ciële crisis is Economische Zaken erin geslaagd om heel wat van de budgetten voor onderwijs en wetenschap richting industrieresearch te sturen. Je ideeën doen er niet meer toe als er geen bedrijf is dat al meteen geïnteresseerd is.”

Boek met betekenis Zijn eigen verdiensten voor de wetenschap zijn gelukkig allerminst onopgemerkt gebleven. De lijst met onderscheidingen is lang, van de Break ­through Prize in Life Sciences tot de titel van Chevalier de la Légion d'Honneur. En binnenkort mag hij zich dus doctor honoris causa noemen, voor het eerst. Ook voor KU Leuven een eer, vindt professor Séverine Vermeire, hoofd van het Leuvense onderzoek naar inflammatoire darmziekten en de derde promotor van het eredoctoraat. “Mensen die niet bang zijn om nieuwe wegen in te slaan en die openstaan voor verrassingen, dat zijn degenen die innoveren en inspireren. Hans Clevers zal dat ongetwijfeld ook de komende jaren blijven doen.” Clevers blijkt inderdaad niet van plan om op zijn lauweren te rusten. “Ik heb mijn bestuurlijke taken achter me gelaten en ben nu weer helemaal terug in het lab”, zegt hij. “We zijn echt geweldige dingen aan het doen. Zo zijn we hard aan het trekken om zelf een biotechbedrijf te mogen opzetten rond een toe­passing van onze organoïde-technologie voor metabole ziekten zoals diabetes en leververvetting. We denken dat we ook daar echt een verschil kunnen maken.” En die alternatieve droomcarrière als romanschrijver, sluimert die nog ergens? “Ik denk niet dat het zomaar voor de hand ligt dat ik het kan, maar ik zou heel graag een echt boek schrijven, ja. Ook buiten mijn wetenschappelijke wereld eens iets van betekenis doen: dat zou wel aardig zijn.” ●


15

WETENSCHAT — Het ABC van een Aboriginaltaal

Een woordenboek voor het nageslacht In de apps Google Translate of Duolingo zal je niet zo direct Umpithamu terugvinden: een Aboriginaltaal uit NoordoostAustralië. Taalkundige Jean-Christophe Verstraete bestudeert het Umpithamu al bijna twintig jaar en geeft nu een woordenboek uit dat veel meer omvat dan enkel woorden.

I

n het onmetelijke Australië spraken de Aboriginals ooit minstens 250 verschillende talen. Vandaag verkeert het gros daarvan in een lastig parket. Sommige talen zijn stilletjes uitgedoofd; andere worden nog wel begrepen, maar niet meer gesproken. In een aantal gevallen is het een race tegen de klok om de taal nog vast te leggen voor het nageslacht, omdat de laatste sprekers een gezegende leeftijd bereikt hebben. Dat ging ook op voor het Umpithamu, één van de vijf talen van de Lamalama, een Aboriginalvolk dat woont op het schiereiland Kaap York in het Noordoosten van Australië. Zeventien jaar geleden kwam professor Jean-Christophe Verstraete daar bij twee zussen terecht: Florrie Bassani en Joan Liddy, de laatste actieve sprekers van de taal. Hun kinderen begrepen het Umpithamu wel, maar antwoordden hun moeders in het Engels.

Zoals een antropoloog Verstraete bracht in totaal zowat anderhalf jaar door bij de Lamalama, om de verschillende talen én de cultuur te leren: “Je kan geen taal beschrijven zonder de cultuur te begrijpen. Net zoals een antropoloog moet je aan participerende observatie doen: samenleven met de mensen om gegevens te verzamelen. In mijn geval kreeg ik ook een plaats in hun verwantschapssysteem: ik noemde Florrie amitha – moeder –, een woord dat ook voor de jongere zus van de moeder gebruikt wordt.” De amitha’s die Verstraete de talen leerden, hebben het helaas niet meer mogen meemaken, maar nu is er een woordenboek voor het

“Er zijn talen met een klein aantal sprekers, maar er zijn geen ‘kleine’ talen.”

Umpithamu. Al doet de term ‘woordenboek’ het naslagwerk te weinig eer aan. Verstraete geeft uitleg over de geschiedenis van de Lamalama, de uitspraak van de taal, de grammatica. Hij geeft bij elk woord de oorsprong en geschiedenis, naast etnografische nota’s; bij namen van planten en dieren voegt hij zelfs de Latijnse namen toe, met uitleg over het traditioneel gebruik en de jacht.

Nationaal erfgoed Anders gezegd, het woordenboek legt een stuk erfgoed vast. “Het is uiteraard een naslagwerk voor de Lamalama. Maar het boek kreeg in Australië ook aandacht uit andere hoeken. Momenteel groeit daar het bewustzijn over de pijnlijke kolonisatieperiode en werkt men aan verzoening. Dat betekent dat Australië de Aboriginaltalen als nationaal erfgoed begint te beschouwen. En een woordenboek als dit is uiteraard ook interessant voor antropologen, historici en biologen.” En last but not least, het woordenboek levert taal­ kundige inzichten op. “Het Umpithamu geeft ons nieuwe kennis, bijvoorbeeld over naamvalsystemen en woordstructuur. De taal kent naamvallen met een dubbele functie: de naamval vertelt wie wat doet, maar ook wie belangrijk is in de zin. En hun woorden slijten af doorheen de tijd: doorgaans gebeurt dat achteraan het woord, maar in het Umpithamu gebeurt dat systematisch vooraan. Dat heeft te maken met veranderingen in het klemtoonsysteem.” Verstraete krijgt vaak de vraag waarom hij zo’n ‘kleine taal’ bestudeert: “Er bestaan zowat 7.000 talen en elk daarvan kan ons iets bijleren over hoe een menselijke taal kan worden opgebouwd. In die zin is het Umpi­ thamu gelijkwaardig aan pakweg het Engels. Er zijn talen met een klein aantal sprekers, maar er zijn geen ‘kleine’ of onbelangrijke talen.” ●


16

© Laboratorium voor Slaap en Synaptische Plasticiteit | VIB-KU Leuven


17

Blow-up VLIEGJESBREIN

Het lijkt misschien een dreigend kijkende alien, maar geen paniek. Het is een onschuldig beestje, meer bepaald een fruitvlieg. Op deze microscopische foto kijk je frontaal op de hersenen van het diertje. De kleurtjes zijn toegevoegd om bepaalde cellen uit te lichten. Het gaat om astrocyten: dat zijn ster­ vormige cellen in onze hersenen. Maar wat ze precies doen en hoe ze communiceren met zenuwcellen begrijpen we nog niet goed. Dat vertelt neuro­ wetenschapper Joana Dopp die in het Laboratorium voor Slaap en Synaptische Plasticiteit van VIBKU Leuven doctoreert over slaap. Fruitvliegjes slapen net zoals wij als het donker is, zo’n tien tot twaalf uur per nacht. Waarom dieren slapen is nog voer voor onderzoek. Standaard wordt slaap onderzocht met metingen zoals een elektro-­ encefalogram (EEG) of oogbewegingen. “Hier kijken we naar het niveau van de cellen en hun verbindingen. Wat gebeurt er met cellen zoals de astrocyten en zijn daar patronen in te vinden?” De beeldjes die dat onderzoek oplevert, zijn alvast allesbehalve slaap­ verwekkend. ●


18 Eredoctores 2021

KATE RAWORTH

Studenten kunnen Kate Raworths donuteconomie wel smaken


© Thijs Calu

19


20 Ze schreef een bestseller over economie en verspreidt haar boodschap via TED Talks en YouTube … maar evengoed bij de Verenigde Naties en op het World Economic Forum in Davos. Ook de studenten van KU Leuven wist ze te inspireren. Ze nomineerden haar voor een eredoctoraat: “Kate Raworth herinnert ons eraan waarom we aan de universiteit zitten.”

“Aanvankelijk dacht ik: is het wel wijs om zo’n suikerbom als de donut te kiezen als metafoor voor een nieuw economisch model? Maar je moet toegeven, het is een beeld dat blijft hangen.” Professor Ingrid Molderez, hoofd van de Onderzoeksgroep Centrum voor Economie en Duurzaam Ondernemen (CEDON) op Campus Brussel, ontmoette Kate Raworth in 2017 toen ze in ons land was naar aanleiding van de Nederlandse vertaling van haar boek Doughnut Economics: Seven Ways to Think Like a 21st Century Economist. In dat boek – een wereldwijde bestseller – pleit Raworth voor een economisch model dat een evenwicht vindt tussen het vervullen van de essentiële menselijke noden en het respecteren van de grenzen van onze planeet. Klaas Collin, voorzitter Studentenraad KU Leuven, licht toe: “Voor iedereen voldoende voedsel, onderwijs, gezondheid …: dat is de binnenste rand van de donut. Tegelijk moeten we rekening houden met de eindigheid van grondstoffen, met het behoud van biodiversiteit, met klimaatverandering … Dat is de buitenste rand van de donut. De uitdaging voor deze eeuw is om binnen de sweet spot van de donut te blijven, wat Raworth de safe and just space noemt.” Een inspirerend model, en een inspirerende dame, vindt ook professor Molderez: “Wat me erg aanspreekt is hoe Raworth economie bekijkt in de oorspronkelijke betekenis van het woord. Economie dus die teruggaat tot het Griekse begrip oikos, als een goede huisvader omgaan met de dingen – en dus ook met de natuur. Terwijl onze invulling van economie te veel chrematistike is geworden, winst­maximalisatie. Raworth heeft een veel bredere kijk.” Die ruimere blik dankt Raworth aan haar studie politieke wetenschappen, filosofie en economie in Oxford en aan haar werk met micro-ondernemingen in Zanzibar, en later voor de VN, waar ze meewerkte aan

het Human Development Report, en als onderzoeker voor Oxfam. Vandaag is ze verbonden aan het Environmental Change Institute van de Universiteit van Oxford en aan het Cambridge Institute for Sustainability Leadership.

Klimaattax “Wij richten ons op precies de thema’s die Raworth aansnijdt”, zegt Kris Bachus van het HIVA (Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving). “Met onze onderzoeksgroep Duurzame Ontwikkeling bestuderen we bijvoorbeeld de klimaattaxshift: een verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op grondstoffen en vervuiling, met als doel de klimaatverandering aan te pakken – denk aan de grenzen van de donut. Tegelijk is een belangrijk element van de klimaattaxshift dat je ervoor waakt dat de meest kwetsbare groepen in de samenleving er niet de dupe van worden. En dat gaat dan weer over de binnenste rand van de donut.” De grootste verdienste van Raworth is volgens Bachus dat ze een complex en moeilijk begrip als duurzame ontwikkeling uitlegt op een manier die voor iedereen toegankelijk is, zelfs voor kinderen: “Als wetenschappers moeten we durven toegeven dat maar enkelen van ons er echt in slagen om het brede publiek te bereiken.” Kate Raworth heeft daar weinig moeite mee. The Guardian noemde haar ‘one of the top ten tweeters on economic transformation’. Doughnut Economics werd intussen in achttien talen vertaald.

Knex-bal Raworth speelt op een heel eigen manier in op het verzet, onder meer bij studenten, tegen het neo­­ klassieke economisch denken dat nog dominant is binnen de universiteiten, aldus Molderez. Dat systeem


Eredoctores 2021

is er niet in geslaagd de kredietcrisis van 2008 te voor­komen, zorgt voor enorme ecologische schade en heeft heel wat sociale nadelen. Kate Raworth heeft gehoor gegeven aan de roep om op een andere manier invulling te geven aan economie. “Ik vind het interessant dat het een vrouw is die het voortouw neemt in dit domein”, zegt Molderez. “Raworth past daarmee in een rijtje vrouwelijke onderzoekers, van Rachel Carson, die in de jaren 60 de eerste was om de negatieve effecten van DDT aan te klagen, tot Elinor Ostrom, die in 2009 als eerste vrouw, samen met Oliver Williamson, de Nobelprijs voor economie kreeg.”

— Eén van de grootste verdiensten van Kate Raworth is dat ze een complex en moeilijk begrip als duurzame ontwikkeling uitlegt op een manier die voor iedereen toegankelijk is. © Bret Hartman

21

Uniek aan Raworth is de manier waarop ze haar ideeën aan de man brengt: “In 2018 heb ik opnieuw een lezing van haar bijgewoond. Op een gegeven moment haalt ze zo’n bol gemaakt van Knex uit haar zak en gooit die omhoog, om haar punt te illustreren. En het werkt.”

Picasso “Na de publicatie van Raworths boek hebben verschillende onderzoekers zo'n donut opgemaakt voor diverse landen”, zegt professor Karel Van Acker. “Dan zie je dat heel veel westerse landen die donut goed invullen – niet perfect maar goed – maar wel de buitenste limieten ervan overschrijden. Terwijl landen


22

uit de Global South meestal binnen die grenzen blijven, maar er niet in slagen te voldoen aan de basisnoden van de bevolking. Landen die de noden invullen zonder de limieten te overtreden zijn er nog niet. Je ziet wel dat verschillende steden – Amsterdam en Brussel bijvoorbeeld – het donut­ model als leidraad nemen om hun ambities aan te toetsen.” Professor Van Acker is eveneens – onder meer – aan CEDON verbonden en geeft geregeld lezingen over het werk van Kate Raworth: “Haar grote verdienste is dat ze veel verschillende elementen weet samen te brengen in een samenhangend geheel. Van het rapport van de VN-Commissie Brundtlandt uit ’87, dat ook al die idee van noden en limieten bevat, tot de ideeën van Johan Rockström van het Stockholm Resilience Center, die haar inspireren om de buitenste cirkel van de donut te beschrijven. Vanuit haar achtergrond bij Oxfam legt ze ook veel nadruk op de sociale kant. Ze slaagt erin de complexiteit van de economie te overzien. En ze weet dat ook heel bevattelijk over te brengen. Wetenschap gaat niet enkel over in de diepte bestuderen, maar ook over een holistisch concept uitwerken, zaken met elkaar in verband brengen. Dat is precies wat Kate Raworth doet.” Molderez: “Ken je dat beeld van Picasso, een stierenkop die hij maakte met het stuur en het zadel van een fiets? Dat had je inderdaad zelf ook kunnen ineenknutselen en misschien heb je die onderdelen zelfs in huis … maar het verschil is dat je het niet gedaan hebt. Zo is het bij Raworth ook: zij heeft een eigen geheel gemaakt van het werk van verschillende bestaande theorieën.”

Hulpmiddel Professor Sandra Rousseau bewaart goede herinneringen aan het bezoek van Kate Raworth aan Campus Brussel in oktober 2017: “Een heel enthousiaste persoonlijkheid, we hebben toen in een klein gezelschap van gedachten kunnen wisselen. Ik gebruik Raworths model in elk vak dat ik doceer, onder meer milieu-economie en sustainable management. Voor sommige studenten is het de eerste keer dat ze buiten de traditionele kaders gaan kijken. Het donutmodel is dan heel handig om te laten zien hoe je op een alternatieve manier kan nadenken over economie.”


“Raworth stelt theorieën, concepten en benaderingen in vraag die we al tientallen jaren volgen.”

Rousseaus collega professor Marc Craps bespreekt het werk van Kate Raworth al enkele jaren in zijn lessen Corporate Social Responsibility. “Het is soms een beetje een uitdaging om studenten in te wijden in zo’n vak op een moment dat ze al een paar jaar economie-opleiding achter de rug hebben. Raworths werk is daarbij een hulpmiddel omdat ze aanhaakt bij de klassieke economische theorieën. Het biedt studenten ideeën die voldoende nieuw en uitdagend zijn, maar ook weer niet té ver afstaan van hun referentie­kader.”

“Heel veel economen delen Raworths visie dat we naar een samenleving moeten die minder focust op economische groei”, zegt milieu-econoom professor Johan Eyckmans. “Maar soms doet ze de econo­ mische wetenschap wel wat onrecht aan. Een van haar zeven aanbevelingen is bijvoorbeeld om meer aandacht te hebben voor behavioral economics. Maar die aandacht is er al een hele tijd, er zijn zelfs al subdisciplines ontstaan zoals behavioral finance. Ook naar distributieve en duurzame economie wordt vandaag veel onderzoek verricht.”

Raworth heeft echter heel wat kritiek op de klassieke economische modellen en concepten. Dat spreekt veel studenten aan, zegt Klaas Collin: “Vandaag gebruiken we nog steeds dezelfde parameters als in het verleden om te meten of we goed bezig zijn: economische groei, bruto binnenlands product ... Daar moeten we mee stoppen, volgens Raworth. Onze economie kan niet oneindig blijven groeien, want dan overbelasten we onze planeet. Er is nood aan nieuwe indicatoren om ons te vertellen of we op de goede weg zijn.”

“Raworth heeft echter wel een punt als ze zegt dat veel van die inzichten hun weg nog niet gevonden hebben naar de klassieke handboeken of niet aan bod komen in inleidende cursussen. Daardoor leveren universiteiten nog steeds mensen af die wel de beginselen van economie hebben gezien, maar niets hebben meegekregen over onderwerpen als verdeling, publieke goederen, milieueffecten … Maar het KU Leuven-handboek Economie – een inleiding is een tegenvoorbeeld dat daar net wel heel veel aandacht aan besteedt, en bijvoorbeeld ook kritiek bevat op het klassieke bbp-groeiconcept.”

Onrecht Raworth zet professoren aan om meer te reflecteren over de economie die wij doceren, zegt Ingrid Molderez. “Ze richt haar pijlen op de klassieke economie-­o pleidingen”, vult Van Acker aan. “Ze meent dat die te veel vertrekken vanuit sterk vereenvoudigde modellen die slechts deelaspecten van de economie bekijken, terwijl volgens haar net de complexiteit heel belangrijk is. Zij wil van theorieën rond duurzaamheid de basis van de economie maken.”

— Het is enkel door fundamentele concepten in vraag te stellen dat we de maatschappij vooruit kunnen laten gaan, stelt Raworth. © Thijs Calu

Ook professor Sandra Rousseau benadrukt dat veel economen vandaag al een veel ruimere blik hebben dan velen misschien denken: “De traditionele benadering die je in een introductie tot de economie krijgt, reflecteert niet echt waar economen anno 2020 mee bezig zijn. Vandaag zijn economen zich heel erg bewust van het feit dat mensen méér doen dan trachten hun winst zo groot mogelijk te maken. We weten inmiddels wel dat er ook andere over­ wegingen meespelen in ons gedrag, zoals altruïsme.


24

— Raworth gelooft erin dat we een wereld kunnen creëren waarin op een duurzame manier aan de basisbehoeften van iedereen voldaan wordt. © Markus Spiske

Veel van Raworths ideeën rond bijvoorbeeld inkomensongelijkheid en consumentengedrag nemen we al langer mee; zeker economen die bezig zijn met milieu-­ economie en duurzaam ondernemen.” “Maar misschien laten wij niet voldoende zién dat we hier al mee bezig zijn. Wat Kate Raworth doet heeft alleszins veel mensen de ogen geopend. Ze vervult echt een brugfunctie tussen het academische en de maatschappij, iets wat ik zelf ontzettend belangrijk vind.”

Diehards Niet alle wetenschappers gaan meteen helemaal mee met Raworths visie. Dat hoeft niet te verwonderen, zegt Kris Bachus: “Ze stelt heel veel theorieën, concepten en benaderingen in vraag die we al tientallen jaren volgen. Tegelijk, en dat is eigenlijk uniek, slaagt Raworth er met


“Kate Raworth richt haar pijlen op de klassieke economie-opleidingen.”

haar donutmodel in om de kloof te overbruggen tussen diehard vrijemarkteconomisten en klimaat -en milieuactivisten die radicale verandering willen. Geen van beide partijen voelt zich bedreigd door haar model.” Raworth denkt zowel na over het grote economische systeem als over concrete invullingen daarvan, in vormen van duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het onderzoek van professor Molderez situeert zich in dat laatste domein: “Denk bijvoorbeeld aan platformcoöperativisme, waarbij je dingen, zoals auto’s, deelt, maar dan niet vanuit een winstgerichte motivatie. Net zoals Raworth denk ik dat we als professoren oog moeten hebben voor wat er zich afspeelt in de samenleving.” Met haar studenten bezoekt professor Molderez organisaties die een andere invulling geven aan economie, zoals Open Source, dat ervoor zorgt dat het grondwater dat bij bouwprojecten wordt opgepompt, gebruikt wordt om beplanting water te geven of straten schoon te maken. “Een mooi voorbeeld van wat Raworth create to regenerate noemt. Zulke fenomenen die zich een beetje aan de rand bevinden, daar beweegt iets, daar groeit vernieuwing en creativiteit. Het is waar ik zelf mijn enthousiasme uithaal, mijn passie voor onderzoek ook.”

Waarde “Raworth pleit ook voor een transformatie van ons begrip van waarde”, zegt professor Van Acker. “Volgens haar ligt economische waarde niet zozeer in het zoveel mogelijk verkopen van producten, maar in het telkens opnieuw waarde halen uit de materialen, het menselijk kapitaal, en de kennis waaruit ze zijn gemaakt.” “Waar de klassieke economie economisch gedrag ziet als een soort optelsom van rationeel rekenende individuen, ziet de ecologische economie een samenleving waarin gemeenschappen met elkaar proberen uit te maken wat voor hen waardevol is”, vult professor Craps aan. “Ik kan me voorstellen dat klassiek geschoolde economisten dat geen ‘economie’ meer noemen. Maar ik vermoed dat Kate Raworth daarop zou zeggen: ‘Maar het is wel het soort economie dat we nodig hebben’.” “Raworth stelt dat we dan ook nieuwe indicatoren voor ‘waarde’ moeten zoeken”, zegt Van Acker. “Dat

Eredoctores 2021

25

is eigenlijk ook wat wij in onze onderzoeksgroep doen voor circulaire economie. Voor het mobiliteitssysteem in Vlaanderen vertrekken we bijvoorbeeld van de vraag: ‘Wat is de behoefte, hoeveel willen we ons verplaatsen?’ En dan kijken we hoeveel materiaal en energie je daarvoor nodig hebt. Met die data maken we indicatoren, zodat beleidsmakers daarop kunnen inspelen. Open data zijn heel belangrijk om tot een donuteconomie te komen, zoals ook Raworth benadrukt.”

Wicked problems In haar boek breekt Raworth ook een lans voor een overstap naar circulaire economie. “Maar tegelijkertijd durft ze er kritiek op te geven”, zegt Van Acker. “Op dit moment pakken bedrijven en beleidsmakers circulaire economie immers nog te veel gefragmenteerd aan, het zou moeten gaan om een samenspel van alle actoren die in een materialenkring een rol spelen. Ook daar zijn open data belangrijk, want die verschillende partijen moeten natuurlijk informatie delen. Wij bekijken bijvoorbeeld hoe je dat zou kunnen doen via een materialen- of productie­ paspoort, iets wat ook de Europese Commissie nu propageert.” Doughnut Economics bevat inspirerende voorbeelden, maar het is uiteraard niet zo dat Raworth oplossingen heeft voor alle problemen van vandaag, stelt Sandra Rousseau. “Daarvoor zijn wicked problems als de klimaatverandering natuurlijk ook te complex. De donut kan dienen als tool om na te denken en het boek is vooral een call to action.” Maar haar boodschap is wel optimistisch: “Raworth gelooft erin dat we een wereld kunnen creëren waarin op een duurzame manier aan de basisbehoeften van iedereen voldaan wordt, en waarin het welbevinden van de mensen op de eerste plaats komt.” Kate Raworth is een bron van inspiratie voor studenten, besluit Klaas Collin. “Ze daagt ons uit om theorieën in vraag te stellen en toont ons dat we niet mogen blijven vastzitten in de doctrines die ons worden aangeleerd – in geen enkel wetenschaps­ domein. Ze moedigt studenten aan om kritisch te zijn, om out of the box te denken en te zoeken naar oplossingen voor de problemen van vandaag. Ze herinnert ons eraan waarom we aan de univer­ siteit zitten. Het is immers enkel door fundamentele concepten in vraag te stellen dat we de maatschappij vooruit kunnen laten gaan.” ●


26

1 JAAR — 4 STUDENTEN “Ik help mijn patiënten om zelfredzamer te worden”

Emma Biesbroeck (24) Gewapend met twee masters in de revalidatiewetenschappen ging Emma vorig jaar aan het solliciteren. Al snel kon ze als zelfstandige aan de slag bij een groepspraktijk in de buurt. “Als kinesist neurologische revalidatie werk je met mensen die een beroerte hebben gehad, of die bijvoorbeeld een dwarslaesie hebben of aan Parkinson lijden … In de pediatrische revalidatie gaat het om ontwikkelings­stoornissen, het syndroom van Down, aangeboren hersenletsel … Heel afwisselend dus.” Het zijn groepen patiënten met wie Emma heel graag werkt, omdat het heel veel voldoening geeft: “Vaak gaat het om op weg helpen naar meer zelfstandigheid: mensen opnieuw iets laten doen wat ze niet meer konden, of een sport vinden waar ze toch aan kunnen deelnemen. Het is telkens een uitdaging, en vaak een lang proces. Maar wel één dat je patiënten heel veel geluk brengt als het eindelijk lukt.” Emma is in een leuk team terechtgekomen, vindt ze: “En het fijne van een groepspraktijk is ook dat je er niet alleen voor staat.”

“Ik ben niet bij de pakken blijven neerzitten”

Ninelia Markarian (25) De Iraanse Ninelia behaalde in Isfahan een diploma Urban planning and Design en in Leuven een Master of Urbanism and Strategic Planning. Het is haar droom ooit een eigen adviesbureau voor ruimtelijke planning op te richten. Daarom ging ze na haar afstuderen in juni op zoek naar een job bij zo’n bureau, om ervaring op te doen. Maar dat bleek niet eenvoudig: “Er zijn wel vacatures, maar ik merkte dat veel werkgevers niet voldoende vertrouwen hadden in mijn taalkennis. Nochtans zit ik in het derde jaar Nederlands en had ik mijn cv en mijn motivatiebrief zelf opgesteld. Eén keer ben ik op gesprek mogen komen, maar dat is uiteindelijk toch niets geworden.” Ninelia is echter niet bij de pakken blijven neerzitten: “Ik ben op Campus Brussel begonnen aan de Master of International Business Economics and Management. Die opleiding kan goed van pas kan komen als ik later een eigen bureau wil opstarten. Omdat ik nog geen achtergrond heb in dit domein volg ik nu eerst een voorbereidend semester.”


Duizenden pagina’s geblokt, tientallen labo’s en seminaries achter de rug … En wat nu? Vier kersverse alumni laten u dit jaar meeleven met hun sollicitatie-avonturen en hun eerste stappen op de arbeidsmarkt. Hoe gaat het inmiddels met Emma, Ninelia, Michiel en Maarten?

27

“Het bedrijf was op zoek naar een pas afgestudeerde”

Maarten Michielsens (22) Een veelzijdige functie met de nadruk op digitalisering, dat zocht Maarten na zijn Master in Business Administration. En dat heeft hij gevonden: sinds september is hij Business Analyst bij Vivaldis Interim: “Ik maak analyses van opportuniteiten in de markt. Daarnaast hou ik ook de cijfers in het oog die onze 76 kantoren draaien, zodat we eventueel kunnen bijsturen.” Verder is Maarten ook back-up voor Credit Controlling: “Dat kan gaan van het opvolgen van bestaande debiteuren tot de afweging maken om met nieuwe klanten in zee te gaan. Meestal komen we samen met de klant wel tot een gepaste oplossing. Dat menselijke contact vind ik een heel plezierig aspect van mijn job.” Ten slotte werkt hij ook aan het automatiseren en optimaliseren van diverse bedrijfsprocessen. “Ik heb deze job gevonden via de VDAB. Vivaldis was op zoek naar een pas afgestudeerde, die de meest recente inzichten binnen kon brengen. Ik ben heel tevreden, want het takenpakket sluit mooi aan bij mijn opleiding.”

“Een halftijdse job, net wat ik wilde”

Michiel Van de Gucht (25) Tijdens zijn masters tolken en conferentietolken Frans, Italiaans en Pools was Michiel al aan de slag als student-zelfstandige. Na zijn afstuderen in juni zocht hij een halftijdse job die hij zou kunnen combineren met al zijn andere activiteiten. En die heeft hij gevonden: “Ik mag de tolkvakken Pools-Nederlands geven, in de master die ik zelf twee jaar geleden gevolgd heb … Dat is inderdaad héél snel, maar de ervaring die ik heb met tolken Frans en Italiaans gaf de doorslag. Daarnaast mag ik nog een docent vervangen voor een paar vakken. Alles bij elkaar kom ik aan 50 procent: net wat ik wilde!” Zo houdt Michiel tijd over voor zijn privéleerlingen Nederlands en voor zijn freelance werk, onder meer als redacteur voor het Brussels Parlement, het Federaal Parlement en de Vlaamse Gemeenschapscommissie: “Ik zet de discussies die plaatsvinden op papier, zodat het publiek ze dezelfde dag nog kan inkijken. Ik ben heel blij met mijn vaste baan. Soms heb je geluk in het leven!” ●


28 Eredoctores 2021

BRUNO LATOUR

“Wetenschappers zijn onze partners in een overlevingsstrijd”


© Dorothea Tuch

29


30 Eind jaren zeventig ontkrachtte filosoof Bruno Latour de mythes rond wetenschap en ontdeed hij haar van haar goddelijke status. Vandaag staat hij op de barricades voor het klimaat en tracht hij het brede publiek ervan te overtuigen dat ecologische veranderingen en de wetenschap erachter géén mythes zijn. De toestand van de planeet is kritiek, aldus Latour, en dat vergt een nieuw soort samenleving en politiek. “De vraag is niet of we het klimaatprobleem kunnen oplossen. Het is een existentiële crisis.”

Het werk van professor Bruno Latour (1947) valt niet makkelijk in één tijdschriftartikel te vangen. De Franse filosoof, socioloog en antropoloog boog zich over de meest uiteenlopende onderwerpen, gaande van het tot stand komen van wetenschap tot het begrip moderniteit, de geschiedenis van microben en een mislukte poging om het Parijse metrosysteem te moderniseren. Latour schreef over economie, religie, politiek en wetenschapsfilosofie – we vergeten ongetwijfeld nog enkele onderwerpen –, en werkt geregeld samen met andere wetenschappers en kunstenaars. De laatste jaren richt hij zich vrijwel volledig op geopolitiek en ecologie, maar ook dat doet hij vanuit de meest verschillende én verrassende invalshoeken. “Geen wonder dat sommige mensen mijn werk niet begrijpen”, vertelt hij ons. “Het is mijn schuld. Ik ben niet zo makkelijk vast te pinnen (lacht).”

Rationeel? Latour komt uit een familie van welgestelde wijnboeren uit de Bourgogne, maar besefte al snel dat hij ‘iets te onhandig’ was voor het werk in de wijngaarden. Hij studeerde filosofie aan de universiteit van Dijon, waar hij geboeid raakte door epistemologie – een tak van de filosofie die uitzoekt hoe kennis tot stand komt. Zijn zigzaggende carrièrepad begint wanneer hij zich begint te interesseren voor antropologie, en die discipline vermengt met sociologie en filosofie. De kiem daarvoor werd gelegd tijdens een verblijf in Ivoorkust. Hij werkte er als vrijwilliger mee aan een studie van de Franse overheid, die wilde uitzoeken waarom Franse bedrijven zo’n moeite hadden met het rekruteren van ‘competente’ zwarte leidinggevenden in hun voormalige kolonie. Latour zag dat binnen

het antropologisch onderzoek vooral de kaart van culturele verschillen werd getrokken en dat er te weinig rekening werd gehouden met sociale factoren. Het – toen nog Franse – onderwijssysteem leerde zwarte ingenieursstudenten bijvoorbeeld enkel abstracte theorieën over machines aan, terwijl ze die machines in werkelijkheid nog nooit hadden gezien. Als de zwarte studenten moeite hadden met het begrijpen van technische tekeningen, lag dat zogezegd aan hun ‘primitieve’, ‘Afrikaanse’ brein. “Het onderzoek had een vals opzet. Men wilde helemaal geen zwarte executives”, vertelde Latour in 2018 aan de The New York Times Magazine. “Het was racisme. Verborgen achter cognitieve, pseudo­ historische en culturele verklaringen.” Het zette Latour aan het denken. Aan de hand van etnografisch onderzoek bestuderen Westerse antropologen de gedragingen van exotische volkeren, terwijl ze zelf ontsnappen aan die antropologische blik. Wat als je de onderzoeksmethodes om pakweg een primitieve Afrikaanse stam te bestuderen zou toepassen op topwetenschappers – zowat het toonbeeld van ‘Westerse rationaliteit’? Latour nam de proef op de som en observeerde onder­zoekers in hun voornaamste habitat: het laboratorium. “Dat was nooit eerder gebeurd, dus ik was wel fier op die innovatie”, vertelt hij. “Via dit soort ‘symmetrische antropologie’ wilde ik komaf maken met het hele debat over wat ‘rationeel’ en ‘irrationeel’ is, wat ‘primitief’ en ‘modern’. Bovendien was er het heel oude idee dat wetenschap absoluut rationeel en onom­­­­stotelijk waar is, wat verschillende topics in het maat­­schappelijk debat verziekte, gaande van religie tot psychologie of de kunsten.”


Eredoctores 2021

Laboleven Twee jaar lang was Latour een vlieg op de muur in het gerenommeerde Salk Institute for Biological Sciences in de VS. Terwijl endocrinoloog en toekomstig Nobelprijswinnaar Roger Guillemin onderzoek deed naar neurohormonen, observeerde Latour het wetenschappelijke proces in het lab. Zijn onderzoek resulteerde in het invloedrijke boek Laboratory Life (1979), dat hij samen met de Britse socioloog Steve Woolgar schreef. De voornaamste stelling is dat wetenschappers een feit niet ontdekken maar ‘construeren’. Bij het tot stand brengen van wetenschappelijke kennis komt een heel techno-sociaal proces kijken: ideeën worden omgezet in experimenten, ruwe data worden geïnterpreteerd, gemanipuleerd of genegeerd en vertaald naar papers, die op hun beurt moeten

31

worden goedgekeurd door de wetenschappelijke gemeenschap. Pas als feiten breed genoeg zijn gedragen, worden ze ‘waar’. Daarnaast zijn ook zaken van belang die je niet meteen met wetenschap zou associëren: toevalligheden, moeilijk te checken cijfers, retoriek en overtuigingskracht, bijvoorbeeld. “Wetenschappers krijgen nooit zomaar naakte feiten onder ogen, ze moeten geproduceerd worden”, duidt Latour. “Beschermd ook, tegen misbruik door bedrijven of zelfs collega’s … Vandaag is het wellicht belangrijker dan ooit om je daarvan bewust te zijn.” “Ik raakte toentertijd geïnteresseerd in wat het de wetenschappelijke gemeenschap mogelijk maakt om feiten te produceren. Het gaat om een wisselwerking. Naast het brein van de wetenschapper zijn instrumenten of apparaten natuurlijk belangrijk, net zoals

— “Door de coronacrisis weet iederéén dat je de maatschappij niet kan beperken tot menselijke interactie. Virussen maken deel uit van de samenleving, en we passen er zelfs onze sociale interactie voor aan.” © Dorothea Tuch


32 — “Als een theorie niet blijkt te kloppen, wijst men de wetenschapper met de vinger. Omgekeerd lijken de menselijke processen die nodig zijn om tot wetenschappelijke kennis te komen vergeten zodra een feit onomstotelijk is bewezen.” © Luca Locatelli

“We moeten leren leven met het feit dat we niet op tijd zullen zijn om het klimaat te redden, zonder te wanhopen. Het is geen kwestie van het probleem kunnen oplossen, het is een existentiële crisis.”

theorieën en berekeningen. Maar ook de interactie tussen wetenschappers zélf speelt een grote rol. De zeer interessante entiteiten die elkaar proberen te overtuigen, data interpreteren, transformeren … En die tegelijk rekenschap moeten afleggen over hun handelswijze.”

onderzoeker … Omgekeerd lijken de al te menselijke processen die nodig zijn om tot wetenschappelijke kennis te komen vergeten zodra een feit onomstotelijk is bewezen. De feiten hebben immers ‘altijd voor zich gesproken.’ De menselijke hande­lingen achter een feit worden ‘geblackboxt’.

De sociale dimensie van wetenschap valt dus niet los te koppelen van de feiten. In Science in Action, dat verschijnt in 1987, werkt Latour zijn gedachtegoed verder uit. Opnieuw laat hij de ready made science die je aantreft in persberichten, krantenartikelen of beleidsstukken achterwege, en focust hij op ‘wetenschap in actie’.

Controversieel

Hij toont onder meer aan dat men wetenschappers snel met de vinger wijst als een theorie niet blijkt te kloppen of wordt ontkracht: het ligt aan menselijke slordigheden, foute berekeningen, fraude van de

Latour staat inmiddels bekend als een van de wegbereiders van Science and Technology Studies, het vakgebied dat de sociale aspecten en implicaties van wetenschap bestudeert. Tegelijk leidden zijn theorieën weleens tot kritiek en controverse, niet het minst omdat ze komaf maakten met de ooit zo onaantastbare, bijna ‘goddelijke’ status van de wetenschap. “Ik probeer veeleer onverschillig te staan tegenover kritiek”, zegt hij. “Het belemmert je om verder te gaan. De opwinding over een nieuwe


Eredoctores 2021

ontdekking vind ik veel belangrijker. Het was ook nooit mijn bedoeling om controverse te wekken. Het eredoctoraat van jullie universiteit – waar ik overigens erg vereerd door ben – wijst erop dat die theorieën al lang niet meer controversieel zijn. Ik had gewoon al vroeg gelijk (lacht).” “In de jaren zeventig was er een enorme onwetendheid over de manier waarop wetenschap tot stand komt”, zegt hij. “Mijn onderzoek leek toen misschien vreemd, maar nu blijkt het een wapen om wetenschap te verdedigen. Tegen degenen die geloven dat pakweg klimaatverandering compleet fake news is, maar ook tegen wie gelooft dat zonder meer zeggen dat iets ‘waar’ is volstaat om mensen te overtuigen. Ik besefte veertig jaar geleden al dat beide standpunten compleet verkeerd zijn.” In de jaren tachtig behoort Latour samen met Michel Callon en John Law tot de grondleggers van de actor-netwerktheorie, een nieuwe theorie en methode voor sociologisch onderzoek. Die stelt onder meer dat ook niet-menselijke elementen zoals technologie of natuur een rol spelen bij sociale processen én het tot stand komen van wetenschap. Tijdens zijn onderzoek in het lab had Latour gemerkt dat niet-menselijke actoren zoals een microscoop, computer of weefselstaal een even grote rol kunnen spelen bij het tot stand komen van een wetenschappelijk feit als de onderzoekers zelf. Hoe meer ‘actoren’ betrokken zijn bij de productie van een feit – dus hoe groter het ‘netwerk’ erachter is – , hoe moeilijker het wordt om zo’n feit te weerleggen. “Sociologen hadden lang de neiging om enkel reke­ ning te houden met menselijke relaties, als het ging om ‘sociale relaties’”, zegt Latour. “Toen ik Pasteur en zijn onderzoek naar microben bestudeerde, werd het zonneklaar dat je de definitie van ‘samen­­­leving’ moet uitbreiden. Door de coronacrisis weet iederéén onderhand dat je de maatschappij niet kan beperken tot puur menselijke interactie. Microben of virussen maken deel uit van de samenleving, en we passen er zelfs onze sociale interactie voor aan – met social distancing, tracing-apps of mondmaskers. Om nog maar te zwijgen over alle vormen van technologie die deel uitmaken van ons leven. Mocht sociologie enkel rekening houden met puur menselijke relaties, dan zouden we geen snars begrijpen van wat er in de wereld gaande is.”

33

Moderne mens Het meest prangende wat daarin volgens Latour gaande is, is niet de corona- maar de ecologische crisis. De laatste jaren richt hij zich in zijn werk dan ook volop op de klimaatkwestie. Volgens Latour – en met hem vele andere wetenschappers – leven we in het antropoceen, het tijdperk waarin de aarde de gevolgen ondervindt van onze activiteit. De planeet is niet langer de bühne waarop mensen vrolijk hun gang kunnen gaan, maar een actieve speler – een actor die reageert op ons handelen en ‘terugslaat’. Latour heeft het daarbij consequent over ‘Gaia’ – naar de omstreden Gaia-hypothese van James Lovelock, die stelt dat de planeet zelfregulerend handelt om zichzelf in leven te houden. De aanleiding voor zijn werk rond klimaat was volgens Latour niet meteen een speciale interesse in de natuur – “zoals die mensen die into bijen en insecten zijn” – , maar stroomde opnieuw voort uit zijn studie van de wetenschap. “Meer bepaald uit mijn filoso­ fische werk rond moderniteit en hetgeen waarmee de moderniteit de natuur de laatste driehonderd jaar heeft belast”, vertelt Latour. Hij heeft het over zijn meest bekende essay Nous n'avons jamais été modernes (1991). Daarin maakt hij komaf met de eeuwenoude scheiding tussen cultuur en natuur. In de moderniteit heeft de mens zichzelf centraal geplaatst, boven de natuur, die hij via de wetenschap in wetten heeft weten te vangen. Maar dat betekent niet dat de maatschappij zich écht heeft losgekoppeld van de Aarde. Ook nu nog heeft de natuur onmiskenbaar een invloed op de ‘moderne’ samenleving en vice versa. We zijn, kortom, nooit ‘modern’ geweest. De ecologische crisis – het grootste gevolg van de menselijke onderwerping van de natuur – is daar het beste voorbeeld van. Volgens Latour is de toestand van de planeet kritiek, maar waarom duurt het dan zo lang voor de mens het probleem van klimaatverandering aanpakt? “Ook dat heeft met onze moderniteitsverbeelding te maken”, zegt hij. “De reden waarom mensen zo traag reageren of helemaal geen actie ondernemen, is geen cognitief probleem – het ontbreekt hen niet aan kennis. Het heeft te maken met het hele modernistische streven naar ‘vooruitgang’, doorgedreven productie en materialisme, en dat is volledig tegengesteld aan de richting die we eigenlijk uit moeten. Ja, de mensen


34

zijn traag, maar als je kijkt hoe ze zijn opgevoed, hoe ze geleerd hebben zich te gedragen, bijna getraind zijn door het modernisme de voorbije driehonderd jaar … Dan kán het niet snel gaan.”

worden verenigd, wat een heel nieuwe manier van leven vergt. Eén die haaks staat op de heersende opvatting van economische groei, globalisering of modernisering.

Parlement der dingen

Kort samengevat: we moeten volgens Latour weer ‘landen op Aarde’. En dat vereist ook een nieuw soort politiek, waarover hij uitgebreid schrijft in zijn essay Où atterrir? Comment s'orienter en politique (2017). Die nieuwe politieke constellatie mag niet enkel rekening houden met de mens, maar moet ook onder meer technologie en ecologie in aanmerking nemen. Politieke keuzes hebben immers een – soms dramatische – invloed op de planeet waar we ons nog te weinig van bewust zijn.

Latour zegt dat het te laat is om het tij nog te keren. “Ik ben niet bevoegd om te twijfelen aan wat de meeste wetenschappers zeggen. We kunnen dit niet terugdraaien, maar tegelijk moeten we leren leven met het feit dat we niet op tijd zullen zijn, zonder te wanhopen. Het is geen kwestie van het probleem kunnen oplossen, het is eerder een existentiële crisis.” We moeten een soort nieuwe plek en een nieuwe identiteit uitvinden, meent Latour. “We bevinden ons in een staat van mutatie”, zegt hij. “En die brengt verwarring met zich mee. Zoals in Kafka’s Die Verwandlung: plots word je wakker en je bent een insect.” Die desoriëntatie als gevolg van klimaatverandering is ook het thema van Latours meest recente tentoonstelling en boek Critical Zones (2020), waarvoor hij zowel met collega-wetenschappers als met schrijvers en kunstenaars samenwerkte. Het uitgangspunt is dat de moderne mens schippert tussen twee werelden: één waarin ze produceren en consumeren, bezittingen hebben en zich een bepaalde levensstijl hebben aangemeten, én één waarin grondstoffen worden uitgeput, bossen worden gekapt en die geen enkele vorm van bescherming via de wet of politieke representatie geniet. “De wereld waarin we leven versus de wereld waarvan we leven”. Volgens Latour begint die laatste nu te reageren op menselijke acties, terug te vechten als het ware, en kunnen we hem niet meer negeren, zoals we al te lang hebben gedaan. De twee werelden moeten

De onderlinge verwevenheid van mens en ding is niet nieuw voor Latour. Het is de basis van zijn actor-netwerktheorie en in Nous n'avons jamais été modernes brak hij al een lans voor een ‘parlement der dingen’. Zijn essay Face à Gaïa: Huit conférences sur le Nouveau Régime Climatique (2015) eindigt met de beschrijving van een kunstexperiment dat dit min of meer in de praktijk brengt. In 2015 werd in Parijs het Théâtre des négociations opgevoerd. Studenten speelden de Kopenhaagse klimaatconventie na, maar ditmaal niet enkel met vertegenwoordigers van landen, maar ook met delegaties die de belangen verdedigden van niet-menselijke actoren zoals oceanen, de atmosfeer of dieren. Kwestie van met iederéén rekening te houden.

Generale repetitie Een parlement der dingen hebben we nog niet, maar het klimaat heeft hoe dan ook de politiek van de voorbije jaren bepaald, zegt Latour, zij het dan niet in positieve zin. “Denk maar aan Trump die zich terugtrekt uit het klimaatakkoord en ‘America First’ roept. Dat is hetzelfde als zeggen: ‘Hier is geen

“Geen enkele politieke kwestie is ooit aangekaart door een staat, zonder dat er mensen waren die ze pushten.”


—

© Maartje Geels

xxx

klimaat­­­verandering. Wat er met de rest van de wereld gebeurt kan ons niet schelen.’ Het is letterlijk de Aarde verlaten en op een andere planeet gaan wonen. Hetzelfde geldt voor de teleurstellende klimaattop van de VN, of het beleid van Rusland, India, Brazilië of China.” Latour vestigt zijn hoop op de EU. “Europa, terecht bekritiseerd om zijn imperialisme, loopt lichtjes voorop op het vlak van ecologische politiek”, zegt hij. “Maar dan nog: geen enkele politieke kwestie is ooit aangekaart door een staat, zonder dat er mensen waren die ze pushten.”

Latour kijkt dan ook vol bewondering naar de ‘School­ staking voor het klimaat’-beweging en het activisme van de Zweedse Greta Thunberg. In eerdere interviews noemde hij haar al een eigentijdse Jeanne d’Arc en zei zelfs tot tranen toe bewogen te zijn door haar speech voor de VN-klimaattop. “Ze heeft een groot verschil gemaakt. Ik zie haar als een zeer belangrijk profetisch figuur. En tegelijk heb ik me altijd zorgen over haar gemaakt. Ze zou opnieuw rustig naar school moeten kunnen gaan. Het is niet eerlijk dat zij het werk moet doen waar wij – de oudere generaties – mee bezig zouden moeten zijn. Dat we het oké vinden dat de volgorde van de generaties wordt omgedraaid, zoals ze het zelf verwoordde.”


36

De coronacrisis heeft de politieke en media-aandacht voor de klimaatkwestie weer naar de achtergrond gedrongen. Vindt hij het frustrerend dat landen overal ter wereld verreikende maatregelen nemen om het coronavirus te stoppen, terwijl ze dat niet doen om het klimaat te redden? “Ik heb al vaak beargumenteerd dat de coronacrisis een link heeft met klimaatverandering, niet enkel op ecologisch vlak – het coronavirus is deels ontstaan vanwege het kappen van bossen in China door de toenemende bevolkingsgroei – maar ook in termen van admini­s tratie en politiek. Het is een generale repetitie voor wat ons nog te wachten staat.”

“Wetenschappelijke informatie kan maar zoveel doen”, zegt Latour. “Om ervoor te zorgen dat ze begrepen wordt heb je nood aan heel sterke instituties, en coherente mensen. We moeten dus ook niet te hard zijn voor weten­­schappers omdat ze hun feiten niet aan de man kunnen brengen. Soms is het hun eigen schuld, maar er speelt ook iets anders. ‘De wil om niet te weten.’ Negeren waar je je eigenlijk bewust van bent, om bijvoorbeeld toch maar de economie vooruit te stuwen en te kunnen blijven doen waar je mee bezig bent. Dat is heel pervers, en lijkt me nieuw, eigen aan deze tijd.”

“De rem zetten op de ‘trein van de vooruitgang’ en op een heel korte tijd heel wat vanzelfsprekende activi­ teiten stopzetten zal ook belangrijk zijn in de klimaat­ strijd”, aldus Latour. “Maar er zijn uiteraard verschillen. De staat heeft de autoriteit om dat soort maatregelen te nemen voor de volksgezondheid, maar voor de ecologische kwestie kan ze niet op dezelfde manier in onze levens ingrijpen. Het zou moeten, maar het kan niet. Het zou niet aanvaard worden. Terwijl de volgende crisis veel groter zal zijn.”

Latour blijft zijn werk geduldig verderzetten. De voormalig professor sociologie aan Sciences Po Paris mag dan wel met emeritaat zijn, hij is er de man niet naar om op zijn lauweren te rusten. Hij zet wereldwijd verscheidene tentoonstellingen op poten en geeft overal in Frankrijk lezingen voor een breed publiek. Hij wil het gesprek tussen wetenschappers en de burger in een nieuwe richting sturen, maar doet naar eigen zeggen niet aan ‘wetenschapscommunicatie’.

Niet willen weten Wetenschappers spelen een enorm belangrijke rol in de strijd voor het klimaat. Tegelijk leven we in een ‘post-truth’-tijdperk waarin fake news de hele dag door wordt verspreid. Je zou kunnen stellen dat de wetenschap daardoor voor grotere uitdagingen dan ooit staat … “Wetenschappers zijn altijd in de minderheid geweest, en het is nooit makkelijk geweest om radicaal nieuwe ideeën ingang te laten vinden”, zegt Latour. “Het was niet makkelijker voor Descartes in de zeventiende eeuw dan voor wetenschappers vandaag. Wél anders is dat wetenschappers mensen moeten bereiken die op verschillende planeten tegelijk proberen te leven, zoals ik eerder zei. Mensen die geen oren hebben naar klimaatverandering. Je mag nog over zoveel feiten beschikken, zoveel lezingen geven, je zal hen niet overtuigen.” “Sommige mensen kiezen ervoor om in een andere werkelijkheid te leven. Kijk – opnieuw – naar de VS: eerst zaten we met Trump en nu is er QAnon, dat de meest bizarre complottheorieën verkondigt. En hierna zal er wellicht nog iets veel belachelijkers opduiken.”

“Omdat de nadruk daar te veel op ‘educatie’ ligt”, vertelt hij. “Dat volstaat niet, zeker niet nu weten­ schappers zo’n gebrek aan autoriteit hebben. Het laatste wat je nu moet doen, is hen laten overkomen als schoolmeesters. We zijn partners in een overlevingsstrijd, da’s iets anders (lacht).” ●

“De coronacrisis is een generale repetitie voor wat ons nog te wachten staat met de klimaat­verandering.”


37

Online Een greep uit de onderzoeksverhalen op www.kuleuven.be/stories.

01 De bliksemdemarrage van de elektrische fiets

02 Digitale opleidingen in opmars

© Imec

Het rijk van Koning Auto lijkt voorbij, nu de elektrische fiets steeds meer ingeburgerd raakt. Maar welke e-bike bolt het best? Onderzoekers van Technologiecampus Gent testten de prestaties en betrouwbaarheid van elektrische fietsen, en doen dat momenteel ook voor speed pedelecs, e-bikes die een snelheid van 45 kilometer per uur kunnen halen. Eerder ontwik­­­kelden ze al een slim laadsysteem voor elektrische fietsen.

Dankzij Massive Online Open Courses of MOOCs kan je van thuis uit gratis digitale opleidingen volgen van topuniversiteiten van over heel de wereld. KU Leuven heeft ondertussen twintig MOOCs in de aanbieding, goed voor meer dan 230 000 cursisten. De meest populaire KU Leuven-MOOC is een opleiding van de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen die maar liefst 54 623 cursisten overtuigde.

03 Wie beslist wat binnen het gezin? Wie beslist of een gezin gaat skiën? Of er geld gaat naar kleren voor de kinderen? Economen bestuderen hoe gezinnen omspringen met hun beschikbare tijd en middelen en hoe dat afhangt van de onder­ handelingspositie van de partners. Wist je dat hoog­ opgeleide ouders meer uren buitenshuis werken dan laagopgeleide ouders, maar desondanks drie uur per week meer tijd besteden aan hun kinderen?

Net zoals drugs kan ook SARS-CoV-2 worden opgespoord via rioolwater. In Leuven wordt dit al uitgetest. In een online video legt vicerector en professor geografie Gerard Govers uit dat deze nieuwe vorm van monitoring een vroeg waarschuwingssignaal voor broeihaarden op wijkniveau kan opleveren. ●

© Shutterstock

04 Coronavirus in het rioolwater


UITGELICHT — De mobiliteit van morgen

Retourtje toekomst ‘Where we're going, we don't need roads’, klinkt het in Back To The Future, vlak voordat de DeLorean koers zet naar een toekomst vol vliegende auto’s. Ook in Blade Runner zoeven voertuigen door de lucht, en in Star Trek heb je voor een ritje woon-werkverkeer voldoende aan een simpel ‘Beam me up, Scotty!’. We weten hoe Hollywood erover denkt, maar hoe kijken onze experts naar de mobiliteit van de toekomst? Hoe ziet het stadsverkeer eruit in 2050? Combineren we de metro met een autodeelapp? Of telewerken we in zelfrijdende bolides?


39

V

ooralsnog blijft de Belg met beide voeten op de grond. Vliegende auto’s zitten er niet meteen aan te komen, en de traditionele personenwagen blijft ons voornaamste vervoersmiddel. Komt daar in de toekomst verandering in? “Je kan mobiliteit niet los zien van de ecologische kwestie”, zegt mobiliteitsexpert Chris Tampère. “Voor veel mensen is de wagen de enige keuze, maar dat zal over pakweg vijftig jaar anders zijn. Op termijn zullen we op zoek moeten naar milieuvriendelijkere alternatieven. De bevolking neemt toe en het systeem kan maar zoveel auto’s aan, niet alleen qua wegcapaciteit maar ook qua duurzaamheid. Autorijden zal dus duurder worden. Of het nu is door middel van een kilometerheffing, een tolsysteem of duurdere parkeerplaatsen.” De elektrische wagen zou soelaas kunnen bieden, omdat die minder uitstoot, maar dat is volgens Tampère niet de beste oplossing. “We bouwen elektrische wagens op exact dezelfde manier als gewone auto’s, met een ander soort motor. Maar dan doe je niet meer dan een miniem deel van het oude systeem vervangen, en dat volstaat niet. Het gaat niet enkel om het verminderen van uitstoot, ook de ruimte die een voertuig inneemt speelt een rol. De individuele auto zoals we die nu kennen – een log voertuig dat hoge snelheden haalt – zal op termijn steeds minder compatibel zijn met een stedelijke omgeving waar veel kwetsbare weggebruikers samenkomen.” Volgens Tampère zal de auto nog een tijdje onmisbaar blijven op het platteland en in de brede rand rond steden, maar die laatste zullen op termijn autovrij of minstens ‘auto-arm’ worden. “Dat zie je nu al, kijk maar naar Gent of Leuven, waar auto’s niet meer toegelaten zijn in delen van de binnenstad. In steden zullen we eerder voetgangers, fietsers en lichte elektrische voertuigen zoals steps of hoverboards zien, aangevuld met een sterk uitgebouwd openbaar vervoer. Metro’s, bussen of trams die frequent rijden binnen een bepaald kernnet en héél grote massa’s mensen vervoeren.”

© Reiner Van Hove

Ritje delen Voor mensen die moeilijk toegang hebben tot openbaar vervoer, moeten we volgens Tampère op zoek naar duurzame en inventieve oplossingen. En daar kan de auto wél nuttig zijn. Tampère deed onderzoek naar een systeem van rittendelen of ‘ride sharing’, als aanvulling op het openbaar vervoer.


40

— “In de steden van de toekomst zien we voetgangers, fietsers en lichte elektrische voertuigen zoals steps of hoverboards, aangevuld met een sterk uitgebouwd openbaar vervoer.”

“Mensen zitten doorgaans alleen in de wagen. Per auto heb je dus zo’n vier lege stoelen die nog gevuld kunnen worden. Die zou je perfect kunnen inzetten. Er bestaan al systemen die het delen van autoritten mogelijk maken, maar daar zit je met het probleem van de kip of het ei. Waarom zou je een deelrit aanbieden, als er nooit iemand gebruik van maakt? En wie kan op zo’n ‘ride sharing’-systeem rekenen, als het aanbod schraal blijft?” Automatisering kan een oplossing bieden, zegt Tampère. “Denk aan een smartphone-app die patronen kan herkennen in ons mobiliteitsgedrag, en onze volgende verplaatsing kan voorspellen. Woon-werkverkeer, de voetbaltraining of café-avond vinden vaak plaats op vaste tijdstippen, en veel mensen houden vast aan een bepaalde routine. Als zo’n app weet waar je met de auto heen gaat, kan die automatisch een verplaatsing aankondigen. Omgekeerd kunnen geïnteresseerden ‘inchecken’ voor een lift.” Vindt iedereen het veilig om iemand mee te nemen in de auto, en wat met de privacy? “Zo’n app zou ook anoniem kunnen zijn, zoals de corona-app. Bovendien bestaan er voldoende sociale netwerk­ mechanismen om mensen te laten kennismaken. Via Tinder durven we wel iemand in ons bed toelaten, waarom zou dat voor de auto anders zijn? Natuurlijk moet het veilig gebeuren, en is er nood aan een gedragsprikkel. Je zou de kosten van een rit bijvoorbeeld kunnen delen. Als je passagier meebetaalt, is de kans groter dat automobilisten iemand meenemen. Het kan er ook voor zorgen dat er een auto minder op de baan is, wat een win-winsituatie oplevert.”

Out of the box Bedrijven als Google of Tesla experimenteren momenteel volop met zelfrijdende (elektrische) voertuigen. Zullen we die snel in het straatbeeld zien opduiken? “Qua technologie is er al veel mogelijk, maar dat wil niet zeggen dat we ze meteen op grote schaal gaan zien”, zegt Tampère. “Er is een maatschappelijke impuls nodig om technologie ingang te laten vinden. Kijk maar naar telewerk. Dat is al mogelijk sinds de eeuwwisseling, toen internet gemeengoed werd. Maar het is pas nu, door de coronacrisis, dat we massaal telewerken.” Volgens Tampère zal het nog even duren vooraleer die technologie qua wetgeving en veiligheid op punt staat. “Makkelijke omgevingen met weinig hindernissen zoals autosnelwegen lijken me geschikt voor zelf­ rijdende voertuigen, maar wat met gevaarlijke kruispunten of een drukke dorpskern waar onverwachts een fietser kan opduiken? De technologie zal wellicht stukje bij beetje worden ingevoerd. Aanvankelijk zullen we een paar kilometer automatisch kunnen rijden op snelwegen, zoals je nu al cruisecontrol kan opzetten, of de auto zelfstandig laten parkeren. Ook tragere zelfrijdende shuttlebusjes tussen een stadskern en -station zullen we volgens mij snel zien verschijnen. Misschien al over vijf jaar.” Het komt er volgens Tampère op neer om technologie slim in te zetten, zodat ze een meerwaarde creëert voor de maatschappij. “Je zou kunnen denken: ‘iedereen zijn eigen zelfrijdende wagen’, maar je kan ook opteren voor een vloot van geautomatiseerde voertuigen die je voor ‘ride sharing’ inzet, of als alternatief voor weinig gebruikte buslijnen die nu tot in het oneindige kronkelen om een handvol mensen te vervoeren. Pendelaars die anders met de wagen naar het station rijden zouden zich door een zelfrijdend voertuig kunnen laten vervoeren. Zo kunnen ze hun eigen auto thuislaten en kan de vrijgekomen parkeerruimte weer groen gemaakt worden. Er is véél mogelijk. We moeten alleen ‘out of the box’ durven denken.” ●


41 41

© WHO

INTERNATIONAL ALUMNUS — Regional director WHO

Dr Hans Kluge:

Mitigating future pandemics by learning from the last The director of the European region of the World Health Organisation has more than 900 million reasons to learn from the coronavirus pandemic. If being at the helm during the worst health crisis of the last 100 years has taught him anything, it is that no matter how hard we try, we cannot improve our response to pandemics without improving our approach to health as a whole.


42

T

he coronavirus pandemic will end. Though it has a taken a terrible toll, every pandemic from the Plague of Justinian in the 540s to the Spanish Flu of 1918 has taught us that there are perhaps only two certainties surrounding pandemics: they eventually end, and the latest will not be the last. The problem now is that increasing globalisation and urbanisation mean the rate that we see new and different pandemics is likely to increase. Without serious changes we can expect to see many of the hallmarks of 2020 replayed. But where to concentrate our efforts? Mask wearing? Vaccine development? If we are to improve our response, we will have to do so by learning from the events of this most recent epidemic. And to learn from the events of the coronavirus pandemic, we would do well to listen to the hard-earned wisdom of Dr Hans Kluge. Dr Kluge is the World Health Organisation (WHO) Regional Director for Europe, having taken office only about a month before the coronavirus came crashing down across the 53 European and Asian nations – and the more than 900 million people – that fall under his charge. Instantly, his plans for his term of office were rent asunder, with priority given to a quick and clear response to the crisis at hand. Throughout the year Dr Kluge and his team at the WHO/Europe have worked tirelessly to stem the tide of infection, to communicate the necessary measures to people across scores of different languages and cultures, and to fight the misinformation rampant in our connected age. The pandemic has not yet run its course, but at this stage Dr Kluge is able to examine the role of the citizenry, WHO/Europe, and educational institutions such as KU Leuven in times of need. This is not a consideration of tactical matters such as whether to close playgrounds or what time to set a nightly curfew. To improve our response during the next pandemic, and to build a resilient society capable of withstanding the inevitable shock of future health emergencies, we need a strategic examination of our ability to respond effectively to whatever plague we must confront, be it bacterial or viral, airborne or droplet, novel or an old foe.

What is clear from listening to Dr Kluge is that health is far more than access to a hospital, a doctor or a vaccine; health is the totality of the way we live our lives. Health is the sum of the choices we make and the circumstances surrounding us that we may not be able to choose. It is dynamic and elusive, and needs to be pursued throughout the course of our lives, not only when we are ill. We speak with Dr Kluge about the coronavirus largely in hindsight, but when it comes to real, resilient health, we talk with foresight and hope.

University pillars A university education has always meant more to Dr Kluge than simply earning a degree. Born in Roeselare, Belgium, Dr Kluge first attended Kulak Kortrijk for his bachelor’s degree before making the move to KU Leuven for his doctoral training. From the outset, the attraction to KU Leuven was the emphasis on values. He chose KU Leuven deliberately for the Catholic values of the school, and specifically those of solidarity and equity. Despite this lofty starting point, Dr Kluge enjoyed socialising and was in several student clubs, including the KVHV (Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond), and he found the camaraderie important, especially under the stressful circumstances faced by an aspiring doctor. Today, Dr Kluge sees research universities as offering three pillars of value to a society facing future pandemics: education, research, and social accounta­­­bility. Education may seem an obvious pillar


43

of a university, but what we study may not be. Interest in virology has exploded, but is this the best receptacle for the increase in public health consciousness? For Dr Kluge, the answer to this question is simple. “Follow your heart. You have to follow your heart, because you’re not going to be able to sustain otherwise. Virology is an extremely important profession, but sometimes I see that the scientific advisors to the ministers are only virologists, and we need public health people who have a broad outlook.” This idea that you cannot sustain your efforts if you do not follow your heart follows in lockstep with the most important tool Dr Kluge acquired during his own studies, something that has helped him get through the trials and tribulations of 2020: stamina. It was a lesson he learned from his own father, a former chief of surgery in Roeselare, and which was reinforced during his time at KU Leuven: “If you do medicine, you need to be able to sit on a chair for hours, to memorise, to structure, to analyse … so you really need stamina.” Dr Kluge also implores everyone not to take this education for granted. An education at a world-­ renowned school such as KU Leuven is very cheap for the benefit it confers, a luxury that is not readily accessible to those living in developing nations. “I realised this afterwards. And that’s why, I always try – within my limitations – to give something back afterwards. Whenever I go to a country, I go to a

university and I see how important it is for the stu­dents to tell them some stories, to fire them up, to show them that the sky is the limit. I never thought I would get into this position, and now I have the opportunity to give something back to society. It’s very important.” The research pillar may also seem obvious, given the emphasis during the coronavirus pandemic on developing new vaccines. This will certainly continue to be important going forward, but Dr Kluge notes that there are other medical benefits to university research, such as the development and improvement of diagnostic tests. More than simply expanding the medical toolkit, Dr Kluge sees promise in structural research models that promise large-scale benefits, specifically the utilisation of consortia in future research. “That’s something that we see more and more, [research] done not only at one university but conglomerates. If we want to continue to compete at the global and European level, this needs to be ongoing among universities.” If there is an unexpected role for universities in stemming future pandemics, it may be in Dr Kluge’s third pillar: social responsibility. Examples of this are the already-extant programmes at KU Leuven that assist those in disadvantaged circumstances gain access to higher education. These may be training programmes carried out in other countries, or those that provide necessary assistance to help students travel to and live in Belgium for their studies.

“The one thing that the pandemic has taught us is that the poor and vulnerable get targeted dis­proportionately.”


44

One example of this latter kind is the scholarship funded by the Flemish Interuniversity Council and Belgian Ministry of Development Cooperation for students from developing nations to pursue the Master of Science in Water Resource Engineering at KU Leuven. No matter the method, further emphasis on these sorts of programmes will put the brightest minds in nations around the world in a position to manage future crises, wherever they may arise. Yet social accountability can mean more than just delivering education. Dr Kluge recalls that students who had graduated and gone into international work could always count on KU Leuven for support in the field. In one instance, Dr Kluge was coordinating a tuberculosis programme in Somalia with Médecins Sans Frontières (MSF) when the UN pulled out in 1994. “I was completely isolated. Only MSF remained. It was completely dangerous, chaos, no rule of law or order. That’s typically when MSF goes in. And then, by hook or by crook, the university found a way to send me magazines, a medical journal and a news magazine, and this was very nice, a bit of normality. And then I had professors come to help me. I had Professor De Kraemer, who used to be in charge of the Gasthuisberg campus of University Hospitals Leuven, help me to get front-line anti-tuberculosis medicines which I couldn’t get, they were too expensive.” This, then, is the core of Dr Kluge’s message: a university is only as strong as its people. In this, Dr Kluge has his own advice for students, no matter what they study: read, read, read. As he says, “You stop reading, you stop writing, you stop thinking. Never stop learning, it keeps you sharp.”

Preventing health catastrophes Flash back to late 2019. Dr Kluge is in the middle of his campaign for WHO Regional Director, travelling to all 53 member states and asking the health and foreign affairs ministers what they thought worked well in their experiences with the WHO regional office and what needed to be abandoned. It gave Dr Kluge a deep well of information for later use, including the primary revelation that WHO/Europe has to have a country focus that achieves real results, not simply release theoretical proclamations or advice from an ivory tower at its headquarters in Copenhagen. Dr Kluge wins the election.

— You stop reading, you stop writing, you stop thinking. Never stop learning, it keeps you sharp. © Lasse Badsberg-Hansen


45 “We see that the voice of the minister of health is still not heard in many governments.”


46

In February 2020, Dr Kluge is installed as Regional Director. He is more than ready to promote better overall health in all 53 nations under WHO/Europe by delivering real improvements on a country-by-country basis, an outcome dependant on a fundamental political question: What can citizens legitimately expect from their health authorities? WHO/Europe is a collection of wildly disparate nations, with wildly disparate cultures and governmental structures. The challenges seem overwhelming, but Dr Kluge is not dissuaded. In his career, Dr Kluge has been threatened with beheading by Charles Taylor in Liberia; he has worked in Russian prisons in Siberia; and he has lived under a military dictatorship in Myanmar. He has seen a lot. He is ready for the moment. Dr Kluge rolls out the flagship programme for his term of office, the European Programme of Work 20202025: United Action for Better Health. The programme intends to deliver better health by focusing two goals. The first is to leave no one behind. This means achieving positive health gains for everyone, everywhere, no matter the level of development obtained in the country. The second goal is to empower national health leadership. This goal is intended to counter widespread public distrust in public health authorities, something Dr Kluge has encountered during his visits to nations across the region: “We see that the voice of the minister of health is still not heard in many governments.” Achieving these goals requires action on three fronts. The first of these fronts is scaling up to universal health coverage. “This means that everyone has access to good quality health care, without being pushed into poverty due to ill health. Then, have two flagship programmes: digital health and mental health.” Digital health will put the tools of modern medicine in the hands of caregivers across the region, whilst attending to mental health will help end the stigma that consequently degrades physical health. The second front is to prepare people and regional authorities to better respond to emergencies. Unbeknownst to Dr Kluge, this front is about to be tested to an almost unimaginable extent. An examination of the programme as it was affected by COVID-19 was

undertaken in September of 2020, and the stress test provided by the coronavirus revealed weaknesses in health delivery unanticipated only a year before. These were tragedies, but they are now also opportunities to fortify WHO/Europe’s approach. The third front is to improve whole health and well-­ being. “It means making a paradigm shift from a curative system to a preventative system. If we want to live longer, we have the four big risk factors: alcohol, tobacco, inactivity and obesity. So, prevention, because I always say most of our ministers are ministers of disease, not health. They focus on the hospital system, when it’s already too late, so we need to move the health focus to the population.” These behavioural risk factors are causes of what are called Non-Communicable Diseases, or NCDs, and they are perhaps the one aspect of health most within our control. All of these fronts are meant to operate in a mesh of mutually reinforcing practices, ensuring that indivi­ duals – and the systems designed to take care of those individuals – are healthy and robust against shock. They are meant to address the risk of epidemics, but also the more quotidian threat of NCDs that take a devastating but quiet toll on health. In short, they are meant to address a wide range of issues at multiple levels of governmental involvement. Then the coronavirus hit, and Dr Kluge’s plans were almost entirely eclipsed in the public mind. But they were never permanently laid aside, and the desire to enact the programme remains. As vaccines start to come to market, Dr Kluge is incorporating the lessons of the past year into his vision of broader health for Europe. “I created a new health initiative: Behaviour and Insights. WHO is a bit too populated by doctors and nurses. We need behavioural scientists, anthropologists. What’s the biggest problem of COVID now? It is what I call ‘pandemic fatigue’, people are tired of restrictive measures. So you have to understand what’s in people’s minds, and what can motivate them to protect themselves, their parents and their grandparents. That’s the key issue.” If motivating people to fight a pandemic is difficult, motivating them to consider their long-term health


“I always say most of our ministers are ministers of disease, not health. They focus on the hospital system, when it’s already too late, so we need to move the health focus to the population.”

47

and well-being will be no easier. Yet that is a fight that we must win if we are to be better prepared when the next short-term crisis hits.

A more balanced response Even with more robust general health, it is inevitable that a new pandemic will hit at some point. In the last 20 years, we have seen the rise of SARS, MERS, Bird Flu, Swine Flu, and so on down the line. When the next crisis hits, what should our response look like, in both the medical field and in society as a whole? To begin with, our response needs to be more balanced. “I was speaking to the World Health Assembly, a gathering of the world’s 193 ministers of health, and I was speaking to them of the dual-track health system. The hospitals are swamped by COVID-19, and we’re not paying attention to the collateral damage. In some countries, breast cancer mortality will increase by 10%, colon cancer by 15%, but screenings have stopped for breast cancer, for colon cancers. So these are people who never would normally have died, our sisters, our mothers, our grandmothers, just because everything went to COVID and the hospitals, the primary healthcare stopped doing those things, and that’s what we advocate for at WHO. The same for routine immunisation. Everyone is nuts about this COVID-19 vaccine, but in 40% of our countries, the basic routine immunisations for polio, tetanus, the forgotten diseases, have been halted.” We can also certainly do better in preventing the spread of the next pandemic. “We are working with the Institute of Health Evaluation and Metrics in Seattle, Washington, and we calculate that with systematic mask wearing and strict controls on social gatherings, we could save up to 261,000 lives by 1 February 2021. Compare Singapore, where mask use is 95%, to Europe, where it’s 65%. By elevating to Singapore levels, we could save so many lives.” This is also one area where developed nations could better partner with developing nations, where many of our textiles, including facemasks, are made.


48

Physical health is not the only consideration for Dr Kluge. One area of special concern is the need to stand up for European social values of solidarity and equity, values that can fall by the wayside when times are difficult. However much we prepare for the next pandemic, it is important to realise that any mass health crisis will affect different segments of the population differently and we must adjust our efforts accordingly. “The one thing that the pandemic has

taught us is that the poor and vulnerable get targeted disproportionately. This time it was the elderly people. This was a human catastrophe in Belgium, and not just in Belgium, in the first wave. We left too many people behind in the first wave.” Another vulnerable group are the young, who suffer more than may be expected during lockdowns. “We heavily advocate within WHO/Europe to keep the

— “You have to understand what’s in people’s minds, and what can motivate them to protect themselves, their parents and their grand­parents. That’s the key issue.” © Belga Image


49

schools open during lockdowns as much as possible. Pupils with special needs didn’t have anything to help them in digital learning. We always say we don’t want to have a COVID-19 Lost Generation.” Whilst mortality rates for the young who contract COVID-19 are generally very low, what may not be appreciated is the degree to which youth are suffering from mental health issues during lockdowns. “We see that more than 50% of youth have mental health issues like anxiety, depression, questions about the future.”

extends beyond WHO/Europe, and beyond the hospitals to workers in long-term care homes: “Workers there haven’t always received the most sophisticated training on pandemic control measures, nor were they necessarily given the right protective equipment. The priority simply wasn’t placed on them, and they were left to fend for themselves. Preparation can help with some of this neglect of healthcare workers, but it cannot stave off the indifference of a society should it turn a blind eye.”

A third group identified by Dr Kluge that suffers during lockdowns are those who suffer from gender-based violence. “One out of four women and one out of three children suffer some form of domestic abuse, and during a lockdown this increases. I mean, imagine you are locked up with your aggressor because the social support services do not function during a lockdown.”

The holistic themes of health and wellness that Dr Kluge has espoused are perhaps the only way to combat the extreme wear and tear felt by healthcare workers during a pandemic, a medicine for the tired soul to which Dr Kluge can personally attest. WHO/ Europe is a multicultural agency, and there are lots of staff in Copenhagen who are far from home, separated from their families. Many realised that 2020 would be the first time they would not see their families at Christmas. It is for this reason that – despite the long hours and hectic schedule – Dr Kluge has reminded himself often that he is very fortunate, as he has his family with him in Denmark, even if they haven’t seen him as often as they would like. “It’s very important to have this family base because you need to stay sane. For all those people in this field, you don’t want to come home and talk about COVID, but this family support is very important and we should not take it for granted.”

As bad as the coronavirus pandemic has been, things could have been worse. The virus could have been more virulent, or more easily communicable. Still, so much went wrong. We know now that a better response to a pandemic means taking better care of each other. But it shouldn’t take a pandemic to come to that realisation.

The personnel and the personal In late 2020, Dr Kluge was at a lunch for ambassadors in Copenhagen, being bombarded with the same questions that he always received (When will the pandemic stop?), when the Israeli ambassador asked him, “You talk about the health workforce, but how do you motivate your own people in the WHO workforce? They must be exhausted, working now 24/7 for all that time.” The ambassador was right. He’s right about the WHO/Europe workforce, and he’s right about healthcare workers across Europe and across the globe. As Dr Kluge puts it, “In the first wave, people were clapping for health care workers, and that has pretty much stopped, although the virus hasn’t stopped but the impact on society isn’t equal, and the pressure on healthcare workers is huge, and they never had the time to rest [between waves].” The unequal impact

Dr Kluge is looking to the future to try to prevent the next pandemic, but he is also looking to the future for renewal, and the same resumption of life that we all desperately await. After all, his own daughters are in their teens, looking around and considering where they want to attend university. Questions about the future, then, abound in his household. Will his daughters, too, go to KU Leuven? Will they go the virology route? Or will they perhaps pursue public health in a broader sense? Whether they attend KU Leuven is yet to be determined, but in this case, it appears that Dr Kluge’s advice to follow the heart makes a career in medicine unlikely. After such a trying year, it is good to hear him laugh when he says, “The eldest would like to be a lawyer.” ●


50

PORTRET — Emeritus professor Marc Waelkens

“Ik heb veel geluk gehad in mijn leven” Zeven jaar is professor Marc Waelkens intussen al met emeritaat. Al die jaren bleef zijn levenswerk, de opgraving en weder­ opbouw van de antieke stad Sagalassos in West-Turkije, hem na aan het hart liggen. Maar er is veel meer waarover hij enthousiast kan worden. Uitgebreid koken, naar Leonard Cohen luisteren en vliegtuigen spotten bijvoorbeeld. “Zeker nu ik ongeneeslijk ziek ben, zie ik elke dag als een geschenk.”


51

Wanneer wist u dat u archeoloog zou worden? “Toen ik zes was. In Robbedoes had ik een strip­ verhaal gelezen over Heinrich Schliemann, de negentiende-eeuwse ontdekker van Troje. Dat wilde ik ook, opgravingen doen in Turkije.” Wat is er zo bijzonder aan archeologie? En aan Sagalassos? “Archeologie probeert een maatschappij te reconstrueren in al haar aspecten: economie, religie, politiek, milieu … Dat gaat nooit vervelen. En Sagalassos is natuurlijk uitzonderlijk goed bewaard, vanwege de ligging bovenop een heuvel. Maar logistiek gesproken was het project bij de aanvang een nachtmerrie: er waren geen wegen, er was geen elektriciteit, geen water, geen telefoonverbinding …” Wat ziet u zelf als uw belangrijkste verwezen­ lijking? “De interdisciplinariteit die ik van bij het begin in het Sagalassos-project heb gebracht. Dat was destijds helemaal niet gebruikelijk in de klassieke archeologie; enkel in het prehistorisch onderzoek. Uiteindelijk zouden er zo’n twaalf disciplines betrokken worden, van antropologen tot zoölogen. Het mooiste compliment kreeg ik van een Turkse prehisto­­ricus. Hij zei me dat pas sinds ik naar Saga­ lassos gekomen ben, de prehistorie en de klas­sieke archeologie dezelfde taal spreken.” Wat was het meest pakkende moment van uw loopbaan? “Er zijn er zoveel geweest … Bijvoorbeeld toen we konden aantonen dat een bepaald soort vissen-DNA dat we in Sagalassos aantroffen, afkomstig is van katvissen die zeven eeuwen lang uit de Nijl naar daar zijn gebracht, gepekeld of gedroogd. Ik had daarvoor in Syrië een paar katvissen gekocht en in buisjes meegenomen naar huis – na tien dagen stonk dat behoorlijk (lacht). Of toen ik eind jaren 90 de brokstukken van een groot beeld van Dionysos – dat daar 1.300 jaar zo had gelegen – omdraaide en opeens in het intacte gezicht van de god staarde. Toen was ik tot tranen toe bewogen. Een ander mooi moment was toen ik in 2000 de Solvay-prijs kreeg uit handen van Koning Albert, en de koning met mijn moeder ging praten.”


52 “Ik draaide de brokstukken om van een groot beeld van Dionysos – dat daar 1.300 jaar zo had gelegen – en staarde opeens in het intacte gezicht van de god. Toen was ik tot tranen toe bewogen.”

Wat is het beste advies dat u ooit gekregen hebt? “Ik deed op school Latijn-wiskunde, tegen mijn zin, en studeerde ’s avonds op mijn eentje Grieks. Op mijn emeritaatsviering heb ik de leraars in de bloemetjes gezet die me gestimuleerd hebben om mijn eigen weg in te slaan en geen ingenieur te worden, zoals iedereen van me verwachtte.” Hebt u een hobby? “Ik heb er drie. Ik ben graag bezig met de bloemen en planten in mijn tuin en mijn serre. Voor ik ziek werd, kookte ik ook graag heel uitgebreid voor een groep vrienden, inclusief een mooi gedekte tafel met aangepaste bloemen en kaarsen. Kruidenolieën en dergelijke maakte ik ook zelf. Ik ben ervan overtuigd dat aan verschillende gerechten tegelijk werken en intussen orde houden in je keuken, zoals ik thuis geleerd heb, me in staat heeft gesteld om een project als Sagalassos te leiden. Multitasken.” “En ten slotte: ik ben gefascineerd door vliegen. Voor mijn zeventigste verjaardag wilde ik een duoparachutesprong doen, maar ik woog net iets te veel. En nu kan het niet meer. Op zolder staan enkele duizenden modelvliegtuigjes, de volledige geschiedenis van de luchtvaart. Ik ging geregeld planespotten in Zaventem en als ik naar een congres moest, hield ik naast de prijs van de vlucht ook rekening met het type vliegtuig – ik wilde overal eens in gevlogen hebben.” Hebt u een motto? “Toen ik in 2009 werd geridderd, koos ik als wapenspreuk Ex scientiarum concordia veritas, ex officiis humanitas: er is geen wetenschappelijke waarheid zonder interdisciplinariteit, en geen menselijkheid zonder dienstbaarheid.” Welk boek ligt er op uw nachtkastje? “Ik ben bezig in de trilogie van Hilary Mantel over Thomas Cromwell.” Van welke film of serie hebt u onlangs genoten? “Darkest Hour, over Churchill tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik hou van historische films, behalve als ze over de Oudheid gaan, want dan erger ik me aan de fouten in de kostuums en de decors. En de tv-reeks Big Little Lies vond ik grandioos.”

Waaraan hebt u een hekel? “Aan mensen die zichzelf te zeer au sérieux nemen.” Is er een voorwerp dat u zou redden als uw huis in brand stond? “Hier is ooit ingebroken, alles lag overhoop. Ik wilde enkel weten of mijn medailles er nog lagen, die van de Solvay-prijs, en die van de prijs voor grote staatsverdiensten die ik in 2002 had gekregen van Turkije. De rest kon me niet schelen.” Van welke muziek houdt u? “Een van mijn favorieten is Leonard Cohen. Op mijn begrafenis mag Joan of Arc klinken, zijn duet met Jennifer Warnes. If he was fire, oh she must be wood. Net zoals Sagalassos me eigenlijk een beetje heeft verteerd. En zoals mijn ziekte dat nu met me doet.” “Ook de Vier Letzte Lieder van Strauss in de versie van Gundula Janowitz kunnen me enorm ontroeren. Ik kreeg de plaat van collega’s toen ik in Princeton verbleef, in het Institute for Advanced Study. Nadat ze waren vertrokken heb ik het opgezet op het


— “Ik probeer elke dag te zien als een geschenk, vooral nu. Niemands pad gaat over rozen, wat telt is hoe je ermee omgaat.”

hoogste volume, met alle ramen open, en de tranen liepen over mijn gezicht. Of Maria Callas die Casta Diva zingt. Een ander magisch moment: de laatste avond vorig jaar in ons favoriete restaurant in Rome. Het regende pijpenstelen, maar plots klaarde het op, en begon een straatmuzikant, in een straal zonlicht, Pink Floyds Shine on You Crazy Diamond te spelen.” Welk boek zal u altijd bijblijven? “Come, Tell Me How You Live, van Agatha Christie. Geen detective, maar een dagboekverslag van een campagne in Syrië waarop ze haar echtgenoot, die archeoloog was, vergezelde. Ze vertelt daarin op meesterlijke en humoristische wijze over de kleine kantjes van de archeologen, over de grote en kleine wrijvingen.” “De enige ploeg die vóór ons in Sagalassos is geweest, was een Oostenrijks team, eind 19de eeuw. Vanwege een uitbraak van gele koorts hebben ze de site voortijdig verlaten. Toevallig heb ik in Wenen de nazaten ontmoet van de arts die mee was op die campagne. Zij hebben me zijn memoires gegeven. Daarin lees je precies dezelfde toestanden.”

53

Naar wie kijkt u op? “Naar Angela Merkel. Er zijn geen grote staatsmannen meer, en figuren als Trump en Poetin zijn om bang van te worden. Maar Merkel is zo eenvoudig, en heeft tegelijk zo’n autoriteit – zij houdt de EU recht op dit moment. Ik hoop dat ze nog lang mag aanblijven.” “Een historische figuur voor wie ik enorm veel respect heb, is keizer Augustus. Hoe hij van die republiek met al haar burgeroorlogen een geoliede staat heeft gemaakt die anderhalve eeuw gebloeid heeft, een gouden eeuw, ook op cultureel gebied. Zijn tijdgenoten moeten dat als een enorme omwenteling ervaren hebben, heel tastbaar ook in de aanleg van infrastructuur, riolering, watervoorziening … Ook Sagalassos kende onder zijn bewind een transformatie.” Wat is de grootste les die het leven u heeft geleerd? “Dankbaar zijn voor wat je krijgt en oog hebben voor de mooie dingen. Ik probeer elke dag te zien als een geschenk, vooral nu. Niemands pad gaat over rozen, wat telt is hoe je ermee omgaat. Toen ik mijn verdict kreeg, heb ik besloten om het beste te maken van de tijd die me nog rest.” “Je zal me niet horen klagen: ik heb een fantastisch leven gehad. Ik ben blij dat ik daar nu in mijn laatste maanden zo op kan terugkijken, dat is niet iedereen gegund. Ik heb heel veel geluk gehad.” ●


54

ONTRAFELD — De empathische aap


55

Waar komt ons inlevingsvermogen vandaan? Wat maakt onze soort uniek in vergelijking met chimpansees, bonobo’s, gorilla’s en orang-oetans? Het verschil in DNA tussen ons en de andere primaten maakt een procentje of twee uit, dus waar zit het hem precies in? Het rechtop lopen, onze taal of ons brein? Wat vaststaat, is dat mensen geboren worden met een groot inlevingsvermogen.


56

S

tel, je laat een paar driejarige kinderen of chimpansees een taak uitvoeren waarbij ze in duo moeten samenwerken om een beloning te bemachtigen. Wat gebeurt er als één van de twee onverwacht halverwege het karweitje de beloning al krijgt? De chimpansee neemt zijn beloning gretig in ontvangst, stopt met werken en laat zijn collega aan zijn lot over. Het mensenkind blijft samenwerken, zodat ook het andere kind een beloning kan krijgen. “Wij mensen hebben een aangeboren neiging om te helpen en te delen”, vertelt biologisch psycholoog Rudi D’Hooge. Zelfs kinderen die amper kunnen lopen of praten, zijn al geneigd om een handje toe te steken en te delen. Onze empathie komt al vroeg naar boven en zit heel diep. “Met onze cognitieve empathie kunnen we begrijpen wat een ander bedoelt en waarom iemand iets doet. Met onze affectieve empathie kunnen we plaatsvervangend de gevoelens van anderen ervaren. We begrijpen, bijvoorbeeld, dat iemand die de deur opent, naar buiten wil en we kunnen meehuilen als iemand anders verdriet heeft.”

Olifantenkerkhof Er doen heel wat verhalen de ronde over mensapen, dolfijnen of olifanten die lijken te suggereren dat ook dieren zich kunnen inleven. Maar in detail bekeken beschikt toch geen enkel ander dier over dezelfde empathische vermogens als de mens. “Chimpansees werken soms wel samen om aan eten te geraken, maar wie het eerst de banaan grijpt, eet ze op. Eten delen is iets dat voornamelijk gebeurt tussen moeder en kind. En het medeleven dat ouders ervaren wanneer ze een kind verliezen, staat bijzonder ver af van het gedrag van chimpansees als een moederaap haar baby verliest.” Er bestaan wel heel wat mythes, omdat wij graag menselijke gevoelens projecteren op

dieren. “Het olifantenkerkhof is daar een voorbeeld van: er bestaat geen wetenschappelijk bewijs voor.” Een groot verschil tussen mensen en andere dieren situeert zich op vlak van de hersenen – die van de mens zijn drie maal groter bijvoorbeeld dan die van de chimpansee. “Vooral het voorste deel van onze hersenen heeft een zeer snelle evolutionaire ontwikkeling gekend. Net die frontale kwab is verantwoordelijk voor sociale processen, zoals empathie. Dat zien we ook bij mensen met schade aan de frontale cortex, zoals patiënten met frontotemporale dementie: zij stellen zich soms heel ongevoelig op tegenover anderen.”

The killing ape Medeleven, empathie en barmhartigheid zijn dus typisch voor de menselijke soort. Paleoantropologen en evolutionair psychologen hebben hiervoor verschillende verklaringen, duidt D’Hooge. “In de jaren ’50 was er de hypothese van de killing ape, de primitieve mens die moest vechten of jagen om te overleven. Om dat als groep in goede banen te leiden, moesten mensen samenwerken en afspraken maken. En daar komt empathie bij kijken.” Maar het idee van de killing ape sneuvelde. “Het is een mensbeeld dat vooral het gedrag van mannen centraal stelt, alsof vrouwen geen rol zouden hebben gespeeld in onze evolutie.” Empathie levert een evolutionair voordeel op omdat het mensen goed laat samenwerken en afspraken maken. We zoeken de drijfveer daarvoor nu eerder bij het grootbrengen van onze kinderen dan bij oorlogsvoering. “Het kost tot zowat twintig jaar om een kind op te voeden, heel lang in vergelijking met andere dieren, en het vergt ook enorm veel energie. Boven­­dien voeden we dan meestal ook nog verschillende


57

kinderen gelijktijdig op, daar waar apen pas opnieuw een kind krijgen als het andere kind volwassen wordt.” De grote investering die een kind vergt, kunnen we alleen opbrengen door samen te werken met allerhande hulpouders. “Dat lossen we niet alleen op met grote hersenen die allerlei technologie kunnen bedenken, dat vraagt ook empathie. Het is eigenlijk de biopsychologische variant van It takes a village to raise a child. Empathie is essentieel voor ons succes als soort.”

Grenzen Ons inlevingsvermogen is van nature zelfs zo groot dat het vaak wordt ingeperkt tijdens onze opvoeding. We krijgen als kleuter te horen dat we onze koekjes niet aan de hele school hoeven uit te delen. “Onze opvoeding en socialisatie begrenst onze empathie. We delen met onze ‘eigen’ mensen, niet met iedereen.” Daar loopt het weleens mis. Dat zorgt ervoor dat we tóch eigen soortgenoten een kopje kleiner maken. Het idee over wie onze eigen mensen zijn – van familieleden tot landgenoten – is immers gebaseerd op symbolische constructies. “In het leger bijvoorbeeld schieten soldaten niet zomaar tegenstanders dood. Het vergt training om de vijand te ontmenselijken en tegen onze empathische natuur in te gaan.” Met andere woorden, we zijn van nature empathische apen. Onze omgeving kan van ons wel killing apes maken. “We zijn afgestapt van het idee dat de mens van bij de geboorte een vat vol agressie en frustraties is. Het tegendeel geldt: wij werken graag samen en verstaan elkaar zoals geen enkel ander dier dat kan. En dat vind ik in deze tijden toch een hoopvolle boodschap.” ●

© Getty Images

“Geen enkel ander dier beschikt over dezelfde empathische vermogens als de mens. Chimpansees werken soms wel samen om aan eten te geraken, maar wie het eerst de banaan grijpt, eet ze op.”


58 Eredoctores 2021

ZHENAN BAO

Een tweede huid vol elektronica


© Bao Lab, Stanford

59


60 Met deze generatie smartphones lopen we constant in de hand. De volgende generatie zou weleens op de hand kunnen zitten, als een artificiële huid die volgestouwd zit met elektrische circuits, actuatoren en sensoren. Dankzij nieuwe materialen gaat het richting skin electronics.

Wij zijn al wat gewoon geraakt aan wearables, zoals slimme brillen en horloges, fitness trackers en VR-brillen voor computergames. Tot nader order dragen we die mobiele gadgets als een soort accessoire. En dat heeft alles te maken met de materialen waarvan elektronische apparaten worden gemaakt en met de energie die deze wearables slurpen.

organische materialen licht, flexibel en biocompatibel zijn. Het bekendste voorbeeld in de organische elektronica is oled – organic light-emitting diode – een materiaal dat gebruikt wordt voor schermen voor televisies en smartphones. En er wordt ook geëxperimenteerd met ultradunne oprolbare zonnepanelen die worden geprint met organische materialen.

Over vijftien jaar leven we in een nieuw tijdperk, de smartphone voorbij. Zo vertelt ons Zhenan Bao, professor chemische ingenieurstechnieken aan de universiteit van Stanford en kersvers eredoctor aan KU Leuven. “De elektronica van vandaag is gebouwd met harde en breekbare materialen. De toekomstige technologie zal in onze kledij ingebouwd zijn, maar ook rechtstreeks op ons lichaam aan­­gebracht of zelfs geïmplanteerd. Daarom ontwerpen we nu nieuwe, organische elektronische materialen: die zijn buigzaam en ze kunnen zichzelf repareren, net zoals ons lichaam. Soms zijn ze zelfs biologisch afbreekbaar. En ze bevatten sensoren, elektrische circuits en displays, zodat er voortdurend kan worden gemeten en gecommuniceerd met de omgeving.”

De elektronische huid is eigenlijk een dun laagje elastisch plastic dat vooral bestaat uit polymeren. Dat zijn grote moleculen die uit een keten van kleine – in dit geval organische – bouwstenen bestaan. “Het is een nieuwe generatie van plastic materialen die biocompatibel en functioneel zijn. Biocompatibel omdat het om organische moleculen gaat die veilig zijn op of in het menselijk lichaam. En functioneel omdat deze polymeren elektriciteit kunnen geleiden. Je kan de atomen in de polymeren zo schikken dat ze geleiders worden, zoals koper, of halfgeleiders, zoals silicium.” En voor die skin electronics zijn er een hele reeks interessante toepassingen.

Artificiële huid

Een voorbeeld van een toepassing op korte termijn is de elektronische huid als kleefpleister die je gezondheid in het oog houdt: de band aid electronics kunnen bijvoorbeeld gegevens over je bloeddruk monitoren en doorsturen. De start-up Pyrames, waarvan Bao medestichtster is, werkt daaraan: “Bij baby’s die op de dienst intensieve zorgen liggen is het heel belangrijk om via de bloeddruk hun conditie goed op te volgen. Momenteel gebeurt dat nog via een naald: pijnlijk en heel moeilijk bij zo’n fragiel kleintje.” Daarom ontwikkelt de start-up nu een draagbare bloeddrukmeter met zeer gevoelige druksensoren op de pols: flinterdun en zo groot als een postzegel. Die wordt letterlijk onder een pleister aangebracht.

Met andere woorden, het is een zoektocht naar een tweede huid, een synthetische en verbeterde versie van de menselijke huid. “Skin electronics”, noemt Bao het. Net zoals ons eigen vel met miljoenen zenuw­ uiteinden aanraking, druk, hitte of pijn registreert, zo zou een artificiële huid met sensoren onze temperatuur, bloeddruk, hartslag en bloedsuikerspiegel kunnen meten. En net zoals onze huidprikkels worden omgezet in signalen naar de hersenen, zo kan de huidelektronica draadloos signalen doorsturen naar een smartphone of computer, en in de toekomst zelfs rechtstreeks naar ons brein. En komt er een scheurtje in, dan herstelt de elektronica zichzelf. De ontwikkeling van deze skin electronics is te danken aan nieuwe, organische materialen. Dat zijn materialen die uit dezelfde elementen bestaan als levende wezens: vooral koolstof, in combinatie met waterstof, stikstof, zuurstof en zwavel. Het maakt dat

Kleefpleister

Een stap verder is de elektronische huid als implantaat. Bijvoorbeeld om een kleine sensor op een slagader aan te brengen om de bloedstroom te monitoren. “Of, als we een stukje elektronische huid rond een zenuw zouden kunnen plaatsen, kan de e-huid die zenuw stimuleren: dat zou een oplossing


Eredoctores 2021

61

— De toekomstige elektronica zal rechtstreeks op ons lichaam aangebracht of zelfs geïmplanteerd worden, met buigzame en soms zelfs biologisch afbreekbare materialen. © Bao Lab, Stanford

kunnen bieden voor verlamde mensen.” Bio­degradeerbare skin electronics bieden dan weer andere opties. Na een operatie zou de chirurg een stukje elektronische huid kunnen inplanten dat een tijdje meet of alles goed gaat en daarna vanzelf vergaat. Dergelijke implantaten zullen wel langer op zich laten wachten omdat implantaten langdurig getest moeten worden op veiligheid.

Slimme prothese Een elektronische huid kan onze menselijke huid niet alleen aanvullen, maar ook echt vervangen: “Stel dat je een elektronische huid vol sensoren rond een prothesehand wikkelt, dan zou je daarmee de tastzin kunnen nabootsen. Zo kan je mensen die een

ledemaat hebben verloren, opnieuw laten voelen.” De uitdaging bij zo’n slimme prothese is dat je niet één sensor moet inbouwen, maar miljoenen – zoals de miljoenen zenuwuiteinden in onze vingertoppen. En daarbij nog de nodige circuits om alle signalen te verwerken die de patiënt in staat stellen om te voelen en de prothese te besturen. Bao denkt zelfs al verder: “Op termijn zouden we onze sensorische elektronica kunnen aansluiten op het menselijk zenuwstelsel.” Zo wordt de prothese echt verbonden met het brein. En wat op een prothesehand kan, kan ook op een robothand. Huidelektronica kan een robot meer behendigheid geven, vertelt Bao. “De huidige robotica bestaat uit harde materialen, zonder

“Net zoals ons eigen vel met miljoenen zenuw­ uiteinden hitte registreert, zou een artificiële huid met sensoren onze temperatuur kunnen meten.”


62 sensoren voor fijngevoeligheid. Dat leidt tot ongelukken als mens en robot interageren.” Een operatierobot die een chirurg assisteert, moet immers weten hoe diep ie moet snijden. Het Bao Lab in Stanford ontwikkelde een elektronische handschoen voor een robothand, met verschillende lagen van sensoren die de intensiteit en de richting van druk meten. “We kunnen al een robothand programmeren die een framboos kan aanraken zonder die te pletten. Maar het is nog geen robot die een framboos kan voelen, identificeren én vervolgens voorzichtig oppikken.”

Grotere energiedichtheid Met nieuwe materialen voor de wearables van vandaag of de skin electronics van morgen komen we er nog niet. Een groot probleem blijft dat al deze high­­­tech snufjes stroom nodig hebben, batterijen

dus. Terwijl de micro-elektronica razendsnel evolueerde, bleef de batterijtechnologie achterop hinken. Denk maar aan de lithium-ion batterij van de smart­ phone, die na een tijdje minder en minder lang meegaat. De uitdaging is dus om kleine, heroplaadbare batterijen met een grotere energiedichtheid te maken. Ook daar wordt gekeken naar nieuwe materialen, onder meer bij lithiummetaalbatterijen. Maar die nieuwe generatie batterijen heeft op haar beurt nadelen: het materiaal in de batterij zet uit bij het opladen en krimpt weer bij gebruik. Mettertijd gaat het materiaal er daardoor op achteruit en vermindert de capaciteit van de batterij – net niet de bedoeling. Bovendien kan zo’n batterij een kortsluiting veroorzaken of in brand vliegen.

— Skin electronics kan een robot de nodige behendigheid geven. © Bao Lab, Stanford.

“Stel dat je een elektronische huid vol sensoren rond een prothesehand wikkelt, dan zou je daarmee de tastzin kunnen nabootsen.”


Eredoctores 2021

63

“Het toekomstbeeld duikt al op: een elektronische huid met zijn eigen, rekbare batterij ingewerkt.”

Rekbare batterij In Stanford werken ze niet alleen op lithiummetaal­ batterijen die langer meegaan, maar ook op rekbare batterijen. Het team van Bao ontwikkelde een nieuwe coating voor lithiummetaalbatterijen: die bestaat uit een type polymeren dat lithiumionen helpt te bewegen, maar solide is en dus niet kan lekken. Tegelijk kan het materiaal uitrekken tot bijna twee­­­maal de originele lengte, zonder energieverlies. “We hebben al prototypes van batterijen met deze nieuwe technologie. Maar er is nog veel werk voor de boeg, want je moet een oplossing vinden die werkt voor alle onderdelen van de batterij.” Toch duikt het toekomstbeeld al op: een elektronische huid met zijn eigen, rekbare batterij ingewerkt. De onderzoeksgroep van Bao in Stanford is lang niet de enige die onderzoek doet naar skin electronics of nieuwe batterijen. Maar Zhenan Bao steekt er met kop en schouders bovenuit omdat ze een rechte lijn trekt van de chemie van nieuwe materialen naar de productie van toepassingen. “Ik heb geleerd om te vertrekken vanuit de problemen van vandaag om nieuwe fundamentele wetenschap te ontwikkelen.” Het klinkt heel vanzelfsprekend, maar dat is het niet en het is wat haar werk zo uniek en bijzonder maakt. Als wereldautoriteit op het vlak van organische elektronica ontvangt Bao op het Patroonsfeest van KU Leuven een eredoctoraat.

Rolmodel Professor Francisco Molina-Lopez van het Departement Materiaalkunde werkte als postdoctoraal onderzoeker een paar jaar in het Bao Lab in Stanford. “Bao is voor vele onderzoekers een inspiratiebron en rolmodel, omdat ze fundamenteel en toegepast onderzoek op een multidisciplinaire manier combineert. En ze leidt haar onderzoeksgroep op een manier die nieuwsgierigheid en samenwerking

vooropstelt.” Molina-Lopez is promotor van het ere­ doctoraat, samen met collega Marc Heyns die ook verbonden is aan onderzoekscentrum imec. Eigenlijk gaat het bij het werk van Bao om een heel ander type elektronica dan wat we gewoon zijn, voegt Heyns toe. De elektronische apparaten van nu zijn gebouwd met anorganische componenten: silicium, germanium, metalen ... “Die materialen zijn rigide en betrouwbaar. De technologie staat op punt, maar botst op haar grenzen. Om nog meer vooruitgang te boeken, zijn we afhankelijk van nieuwe materialen.” En net daar maakt Bao een verschil: “Ze toont in haar vele papers in Nature en Science niet enkel aan dat iets mogelijk is. Ze denkt ook telkens al een paar stapjes vooruit, over hoe je het materiaal kan fabriceren en toepassen.”

Chaotisch Dat met organische materialen bereiken is niet evident, ver volgt Molina-Lopez. “Organische materialen gedragen zich van nature wat meer chaotisch en presteren minder. Maar ze hebben vele voordelen: ze geleiden elektriciteit en zijn bovendien goedkoop en makkelijk te produceren. En doordat ze rekbaar en niet giftig zijn, kan je ze op of in het lichaam gebruiken.” Molina-Lopez bouwt ondertussen in Leuven zelf een onderzoeksgroep uit. Het doel is om te onderzoeken hoe je elektriciteit kan winnen uit restwarmte, warmte die vrijkomt bij allerlei industriële processen en die niet verder gebruikt wordt. “We onderzoeken hoe we met halfgeleidende polymeren die thermo-elektriciteit kunnen winnen en hoe we die nieuwe materialen met 3D-printing kunnen fabriceren. Maar het gaat er vooral om de prestaties van die polymeren te verbeteren door de moleculen op elkaar af te stemmen; ik ga – net zoals Bao – spelen met polymeren op moleculair niveau.” ●


64

DROOMJOB — Tuk op taal

“Ik wil niet kiezen” Soms is één droom niet genoeg. Ella Michiels combineert vijf jobs. “Hoeveel uur ik per week aan de slag ben? Geen idee. Maar meestal voélt het niet als werken.”

T

aalcoach? Check. Docent? Check. Presentator? Producer? Performer? Check. Check. Check. Ella Michiels (28) studeerde taal- en letterkunde en radio- en tv-journalistiek. Al die tijd hield ze een droom voor ogen: iets doen met haar passie voor verzorgd taalgebruik en theater. In haar jeugd had ze meer dan tien jaar lang dictie en woordkunst gevolgd, en heel wat podiumervaring opgedaan. Van radio proefde Ella voor het eerst bij de Stadsradio van Aalst en studentenradio STRAKfm. Bij Story FM, een zender met showbizz­ nieuws, mocht ze als stagiaire aan de zijde van Tanja Dexters en Wim Weetjens het ochtendprogramma presenteren. “Een heel kleine ploeg waarin ik ontzettend veel geleerd heb.” Ook bij Ketnet kon ze ervaring opdoen, en na haar afstuderen volgde een vrije stage bij MNM. En die leidde – bingo! – tot een deeltijdse job. “Op interimbasis. Ik mocht er het verkeer lezen, en meewerken aan de productie van programma’s. De Ochtendshow, Generation M en Marathonradio bijvoorbeeld.” Maar radio is niet Ella’s enige liefde, ze is ook docent in het kunst­ onderwijs, waar ze vakken geeft als spreken en presenteren voor een publiek. Daar is ze ook zelf al jaren gepassioneerd mee bezig. Al in de middelbare school was ze geregeld op een podium te vinden. Via via kreeg ze als negentienjarige studente het aanbod om op de Boekenbeurs auteurs te interviewen: “Dat was een geweldige leerschool, ik deed drie of vier interviews per dag. Dat heb ik mijn hele studententijd lang ieder jaar gedaan.” Een ervaring die haar vandaag helpt bij haar presentatiewerk. “Daar ben ik ingerold door een vervangopdracht bij Klara. Ik heb lang muziekschool gevolgd en ik vind het heel fijn om klassieke concerten te presenteren, bijvoorbeeld voor het Antwerp Symphony Orchestra.”

De afgelopen jaren werkte Ella ook zélf mee aan een aantal voorstellingen: “Als verteller bij een concert bijvoorbeeld. Soms speel ik ook een rol. En in het najaar ging mijn eigen voorstelling Brieven aan mijn lieven in première. De reacties zijn heel lovend!” Vanwege haar ervaring in het kunstonderwijs kreeg Ella van de VRT de vraag om taalcoach te zijn voor de jonge Ketnet-acteurs: “Ik leer hen bijvoorbeeld om natuurlijker te spreken en goed te articuleren, of ik schaaf wat aan eventuele regionale klanken. Heel leuk werk, want je ziet het resultaat heel concreet, op tv. En in dat werk komen eigenlijk al mijn passies samen.” Sinds haar afstuderen heeft ze nog nooit een week zonder werk gezeten, zegt ze: “Ik ben zes, soms zeven dagen per week in touw. Hoeveel uur precies? Ik weet niet of ik dat wel wil weten (lacht). Maar het voelt zelden als werk. Alles wat ik doe is een verlengstuk van wie ik ben. Ik kies mijn opdrachten ook heel bewust. En ik zorg voor een goed evenwicht met mijn privéleven.” “Ik krijg vaak te horen dat ik ooit keuzes zal moeten maken, maar ik weet niet of ik dat wel wil. Ik heb nog plannen en dromen – een podcast opnemen, ooit een cultuurprogramma presenteren … – maar dit mag van mij nog heel lang zo doorgaan.” ● www.ellamichiels.be


65

“Alles wat ik doe is een verlengstuk van wie ik ben.”


66

ONDERWIJS — Helemaal digitaal

Digitaal onderwijs: niet enkel omdat het moet Online schakelen in coronatijden. Het kan omdat KU Leuven al jaren inzet op digital learning, een van de speerpunten uit haar strategisch plan. Voortrekker Piet Desmet zag de afgelopen maanden de waaier aan tools alleen maar groeien. “Maar helemaal digitaal zal nooit ons nieuwe normaal worden. Contactonderwijs is en blijft essentieel.”


— “Voor innovatie geldt: 10 procent is technologie, 90 procent is de people-factor. Zijn mensen bereid om hun gewoontes, hun onderwijs- en begeleidingsmodellen aan te passen?”

67


68

B

ij het begin van dit academiejaar sneuvelden alle records. KU Leuven combineerde contactonderwijs met een stevige dosis online leren, en zag meteen de gebruikersaantallen van bijvoorbeeld Blackboard Collaborate verzestigvoudigen. Ook die van Kaltura Capture, voor kennisclips en vooral lesopnames, stegen pijlsnel; de video’s werden massaal bekeken. Het hoogste aantal gelijktijdige gebruikers van digitale leeromgeving Toledo overtrof het vorige record met maar liefst 70 procent. Het is de oogst van wat al langer was gezaaid, weet Piet Desmet. De vicerector Campus Kulak Kortrijk is sinds het aantreden van rector Luc Sels bevoegd voor educatieve technologie. “Ik sta daarmee op en ga ermee slapen”, glimlacht hij. “Als toegepast taalkundige onderzoek ik al meer dan twintig jaar hoe technologie een hefboom kan zijn voor acti­verend en toekomstgericht onderwijs. Het begon met de ontwikkeling van een oefenplatform, dat het mogelijk maakt verder te gaan dan de traditionele multiplechoice-oefeningen waartoe online leren in die tijd vaak beperkt bleef. Ik was zeer gedreven om manieren te vinden waarop de computer kon bijdragen aan efficiënter en vooral aantrekkelijker taal­onderwijs.” “Vandaag is het een plezier om met itec, de 45-koppige, multidisciplinaire onderzoeksgroep die ik coördineer, op ontdekking te mogen blijven gaan naar de mogelijkheden van technologie binnen een essentieel domein als het onderwijs. Dat rector Sels me aan boord haalde om ons onderzoek in de praktijk te brengen, zowaar in onze eigen instelling, vervult me dus met zeer veel drive.” De ambitie van de universiteit om hierin een voortrekkersrol te spelen vertaalde zich in 2017 in een strategisch plan, met ‘Going Digital’ als een van de pijlers. Het stelt duidelijk dat technologie geen doel op zich is, maar een middel om onder meer beter te leren, te doceren, te examineren en te internationaliseren.

Rolls Royce Niemand had natuurlijk kunnen vermoeden hoezeer een virus een stroomversnelling zou veroorzaken. “De pandemie zorgt ervoor dat we meer dan ooit met een moving target moeten werken, een doel dat continu in beweging is”, zegt Desmet. “Maar dankzij Going Digital is KU Leuven behoorlijk performant gebleken. We moesten niet holder­ debolder technologie inzetten in ons onderwijs, maar konden terugvallen op jarenlang opgebouwde ervaring.” Zo was er op het moment van de eerste lockdown al een stevige ruggengraat. Goede wifi en betrouwbare netwerken waren al geïnstalleerd. Toen die in maart plots veel meer belast werden, stak KU Leuven in geen tijd een tandje bij. Ook de juridische randvoorwaarden waren vervuld. “Dat lijkt misschien een detail”, zegt Desmet, “maar veel universiteiten zagen zich bij gebrek aan zo’n helder kader


“Geen enkel systeem is perfect en ook in een crisis moeten er keuzes gemaakt worden. Maar overall kregen we ronduit hartverwarmende reacties.”

geconfronteerd met rechtszaken over de inzet van tools zoals proctoring, online examenbewaking.” Ook Toledo, het learning experience-platform, was ten tijde van de eerste uitbraak al een Rolls Royce, waarvan Blackboard het chassis vormt. Het bevat tal van applicaties voor bijvoorbeeld portfolio-evaluatie, plagiaatdetectie of de aanmaak van kennisclips. Meteen in de eerste week van de lockdown zijn daar versneld Kaptura Capture, voor lesopnames, en Blackboard Collaborate Ultra, voor synchroon online lesgeven, aan toegevoegd. Technische hick-ups bleven erg beperkt, zegt Desmet. KU Leuven stond evenzeer paraat dankzij haar Massive Open Online Courses, kortweg MOOCs. Met 223.000 cursisten en een finaleplaats in de prestigieuze edX-wedstrijd voor ’s werelds beste MOOC van 2020 mag het zich tot de grotere Europese spelers rekenen. Alleen als het ging over online examens en technologie-­ ondersteunde leerruimtes zat de universiteit nog niet op kruissnelheid toen de pandemie losbarstte. “Maar ook daar schakelden we snel”, vertelt Desmet. “Sinds de zomer zijn vrijwel al onze aula’s volledig uitgerust, beschikken we over een krachtige live­streamservice en kunnen docenten ook van thuis uit aan de slag.” Pre-corona nam KU Leuven al zo’n 1.000 digitale examens per jaar af, zij het on campus. Die daar­ buiten organiseren, is nog iets helemaal anders en de universiteit wilde absoluut geen concessies doen op het vlak van fraudebestendigheid. Daarom werd er in de juni-zittijd een zeer strikt schema gemaakt dat aangaf welke examens veilig online konden worden georganiseerd en welke niet. Alles verliep uiteindelijk zonder noemenswaardige problemen. “Pas op”, zegt Desmet, “ik zal niet verhelen dat er door de snelheid waarmee we verplicht waren te schakelen al eens ontevredenheid ontstond en niet-onterechte kritiek te horen was. Dat kan ook niet anders; geen enkel systeem is perfect en ook in een crisis moeten er keuzes gemaakt worden, bijvoorbeeld in functie van de financiële haalbaarheid. Maar overall kregen we ronduit hartverwarmende reacties, uit alle geledingen van de universiteit.”


70

10% technologie, 90% mensen

“KU Leuven Learning Lab is de belangrijkste hefboom gebleken om onze digitale plannen waar te maken”, zegt Desmet, “en in die zin is de middelenkeuze die we er destijds voor maakten bijzonder relevant gebleken. Het gaat om een team van wat ik civil servants noem, mensen die beseffen dat ze een insti­ tutionele verantwoordelijkheid dragen om één van KU Leuvens kernactiviteiten, namelijk onderwijs, voor onze tienduizenden studenten mogelijk te blijven maken.”

© Imec

De appreciatie vormt de broodnodige brandstof voor het team dat de digitale trein op de rails houdt: KU Leuven Learning Lab. Het is een netwerk dat over diensten, faculteiten, groepen en campussen heen mensen samenbrengt die Going Digital en Future-­ Oriented Education, die andere belangrijke pijler in het strategisch plan, mee vormgeven.

KU Leuven Learning Lab genereert een schat aan online documentatie over het gebruik van de tools en organiseert trainingssessies. Dat gebeurt vaak op vraag, en altijd in samenwerking met iemand van de betreffende faculteit, zodat die daar ook na de opleiding eerstelijnsondersteuning kan blijven bieden. Op onze website staan inspirerende getuigenissen van zulke voortrekkers. Sinds kort is daarbovenop een systeem van job­­ studenten geïnstalleerd, meestal ouderejaars die hun proffen bijstaan bij het digitaliseren van een cursus of vakonderdelen, en hen helpen om die te integreren in een combinatie van contact- en onlineonderwijs. “Studenten hadden we tot nu toe te weinig op hun volle kracht durven aan te spreken, wel, ook daarin brengt KU Leuven Learning Lab verandering”, stelt Desmet. “De grote conclusie is dat nu alle actoren – van studenten tot personeelsleden – betrokken zijn in een netwerk waarvan ik ten zeerste hoop dat we het na corona zullen behouden. Voor innovatie geldt: 10 procent is technologie, 90 procent is de people-­ factor. Zijn mensen bereid om hun gewoontes, hun onderwijs- en begeleidingsmodellen aan te passen? Dat lukt alleen als je kiest voor een gedragen aanpak en een geïntegreerd, coherent ecosysteem. Die koers willen we aanhouden, wat betekent dat we onverkort voortgaan met de intelligente integratie van het digitale in onze didactiek.”

Nabijetoekomstmuziek De concrete ambities zijn niet min, en hebben in eerste instantie te maken met online examineren. “Fraudevermindering volstaat niet als criterium om meer online examens te organiseren. Daarin moeten we nauwgezet en terughoudend blijven”, vindt Desmet. “Maar dat wil niet zeggen dat we geen vooruitgang maken, integendeel, we zijn volop aan het bekijken welke bouwstenen we kunnen bij­­ plaatsen. Zo onderzoeken we mogelijkheden van proctoring in specifieke contexten, bijvoorbeeld als een buitenlandse student een examen aflegt. We schrijven ook een aanbesteding uit voor software die op basis van een bestaande vragen-pool meer examens kan genereren met een vergelijkbare moeilijk­h eidsgraad. Ook examens afleggen op je eigen laptop bekijken we grondig. We evolueren dus, maar zeer beredeneerd.” Als extra ambitie dit jaar formuleert Desmet een evolutie naar meer domeinspecifieke tools. Nu is


71

“Corona heeft ervoor gezorgd dat er aan KU Leuven vrijwel niemand meer te vinden is die nog nooit met educatieve technologie heeft gewerkt.”

Toledo er voor alle studenten en docenten, zonder onderscheid, maar binnen de groep Humane Wetenschappen is er bijvoorbeeld meer dan in andere domeinen nood aan een tool die (semi)automatisch feedback kan generen op open vragen. “Zulke specifieke applicaties willen we toe­­ voegen aan ons palet zodat we binnen ons gedeelde ecosysteem domeinspecifieke instrumenten kunnen aanbieden.” Het is voor Desmet ‘nabijetoekomstmuziek’. “Het digitale evolueert zodanig snel dat de technologische keuzes van vandaag overmorgen al passé kunnen zijn. Ik stel mijn dromen sowieso niet graag uit, en KU Leuven gelukkig ook niet.”

Universiteit van de 21ste eeuw Corona speelde in dit hele verhaal een onverwachte rol. Positief is alvast dat er aan KU Leuven vrijwel niemand meer te vinden is die nog nooit met educatieve technologie heeft gewerkt. “Tegelijk zat de context niet altijd mee en kwam online leren daardoor niet altijd in het goede daglicht te staan. Dat alles in maart helemaal digitaal, in louter afstandsonderwijs moest gebeuren, herbevestigde wat we al langer wisten: dat leren een sociale realiteit is en dat contactonderwijs essentieel blijft. Dat kunnen computers niet overnemen – en gelukkig maar.”

“Soms hoor je dat technologie het academische onderwijs in het hart aantast. Dat raakt me, want contactonderwijs blijft voor ons net essentieel. Een ander cliché – dat ‘maximaal digitaal’ ook aan universiteiten het nieuwe normaal moet worden of dat we anders de trein missen – klopt evenmin. Elke docent moet uit onze uitgebreide toolbox die instrumenten kiezen die voor zijn of haar vak het best kunnen bijdragen aan een optimale leersituatie.” “Als je de computer intelligent inzet, komt er meer tijd vrij voor individueel contact met en begeleiding van studenten, of voor intense discussies over actuele casussen. Technologie maakt een gepersonaliseerde aanpak mogelijk die we dankzij KU Leuven Learning Lab tegelijk instellingsbreed kunnen uitrollen.” “Educatieve technologie”, besluit Desmet, “maakt het mogelijk om op het vlak van toekomstgericht onderwijs de essentie van de universiteit te realiseren, in een 21ste-eeuws format. Digitaal en sociaal gaan daarbij absoluut hand in hand.” ●


72 Honorary doctors 2021

JIMMY VOLMINK

Evidence-based medicine and the future of healthcare in South Africa


73


74 ­

A life spent in service of better health for all South Africans has led to Jimmy Volmink’s unexpected position as Dean of the School of Medicine and Health Sciences at Stellenbosch University.

Professor Jimmy Volmink of Stellenbosch University will receive an honorary doctorate from KU Leuven, but what merits the honour? Consider that Professor Volmink is one of the foremost proponents of evidence-­ b ­ ased medicine, and has argued passionately that people at all levels of society must make medical decisions based on good-quality evidence, not on any preconceived notions. So it is only appropriate that we put his own candidacy to the test, gathering our evidence from a life spent in medicine, social outreach, and education. Only then can we draw our conclusion based on an honest appraisal of that evidence. Professor Volmink would expect nothing less. Professor Volmink’s rise has been long and remarkable, from his start as a family doctor in Khayelitsha township in Cape Town to his current position as dean of the medical school at Stellenbosch University. As a practicing doctor he helped to fight epidemics amongst the poorest and most at risk, particularly amongst those suffering from TB and HIV/AIDS. Professor Volmink’s influence is perhaps most strongly felt in the systematic improvement of medical access


Honorary doctors 2021

— "I think there is a commitment and a genuineness in terms of wanting to work for a better country at Stellenbosch that I find quite refreshing.”

75

© Shutterstock

for disadvantaged students across all of South Africa. This holds especially true in his current role, where his status as first Black dean in the medical school’s history has helped him institute change on both a practical and symbolic level. In Professor Volmink’s own estimation, “My career has been defined by three Es: Education over ignorance. Evidence over dogma and myth. Equity over social injustice.” In all of these efforts, Professor Volmink has succeeded almost beyond measure. This is strong evidence, a good indication that KU Leuven has found the right individual for the honour. But to be fair to the very concept of evidence-­b ased medicine, we must thoroughly examine each of the arguments for his nomination in turn. Doing so will give us sufficient evidence to understand Professor Volmink’s work, to better understand the man himself, and to see the full extent of the long path that has seen him do so much good for so many in South Africa.

Evidence-Based Medicine Evidence-based medicine (EBM) is an interesting specialty, in that in a perfect world it wouldn’t exist. All of our medicine would be based on strong, clear evidence grounded in unbiased clinical trials and best practices. But we don’t live in that world. We live in a world of biases and blind spots. According to Professor Volmink, “EBM sounds rational, but it’s a dangerous idea to think that people base their ideas on the best evidence. Sometimes they do, sometimes

they do not.” This is the fight Jimmy joined whilst a doctoral student at Oxford University, and it is a fight he brought to South Africa as the founding director of Cochrane South Africa, part of a network of Cochrane centres that spread the message of EBM around the world. EBM faces many obstacles to its acceptance. Part of the problem is that money influences politics, and politics influences medical outcomes: “The first big challenge that we had was fighting our own government, which was promoting unproven treatments for people with HIV/AIDS. They came to us and the minister said, ‘We want you to look at the evidence and show us that these drugs are toxic and they cause more harm than good.’ We said we couldn’t do that, but we would look at the evidence carefully and we’ll give you whatever the answer is, whether it’s what you want to hear or not.” In the end, Cochrane refuted the government’s position; a win for EBM, but politically risky for the nascent Cochrane South Africa. As Professor Volmink notes, “When policy makers want to go in a particular direction, they are very quick to embrace evidence in support of that direction, but if the evidence goes the other way, they will find reasons why that evidence cannot be believed.” There are many other drivers of biased medicine besides politics, including myth, folk wisdom and ideology. The dictates of traditional medicine in South Africa can be difficult to overturn should those treatments prove ineffective or harmful, a difficulty seen throughout the HIV/AIDS crisis. Influences on a scale

“My career has been defined by three Es: Education over ignorance. Evidence over dogma and myth. Equity over social injustice.”


76

as small as personal hubris can also be involved, such as when laboratory scientists extrapolate that successful tests in lab animals will work in humans without undertaking the rigorous clinical trials necessary to prove their efficacy.

The widespread acceptance of EBM is far from a certainty. It is an ongoing proposition, one that must be actively pursued by strong advocates. Thanks to the effort of Professor Volmink, it is well on its way to having a meaningful, lasting future in South Africa.

The coronavirus pandemic has created an opportunity for Professor Volmink to highlight EBM in practice, and to gauge the South African response. Much of the early course of the pandemic was rife with uncertainty, including well-intentioned measures that nonetheless would not, or could not, halt the spread of the virus. Professor Volmink sees a pressing need for EBM in this sort of situation: “EBM means basing your clinical practice or policy decisions on the best available evidence, but you have to have the evidence upon which to make those decisions. With corona­ virus it’s been hard. EBM requires a degree of rationality and calm to find the relevant evidence and see if the evidence is biased. But you can’t go with just one study, you have to synthesise all studies to see what the evidence says. It’s been a very difficult time for people practicing evidence-based medicine because things are wild at the moment.”

Helping the most disadvantaged

With this in mind, Professor Volmink has been relatively happy with the South African response to the coronavirus. The government has years of experience dealing with epidemics, such as TB or HIV/AIDS, and this experience has lent a sort of institutional expertise to its coronavirus effort: “The leadership at the top of government has been active in explaining the measures needed to pull through, to develop good social cohesion … we have a majority Black government now, so people will listen.”

Professor Volmink’s career is also characterised by his efforts to help those who have suffered from a lack of access to quality healthcare. Much of this lack of access stems from the social and economic inequalities that remain as painful leftovers of apartheid. For Professor Volmink, this means that good health must be created outside of the realm of healthcare: “The main drivers of health are social and economic. If you don’t start there, then all you’re doing is patching people up and sending them back into very difficult circumstances.” Professor Volmink’s efforts to deliver healthcare to the most disadvantaged has taken many forms. He is a member of several international organisations, such as the International Red Cross – Flanders, where he is a member of the Scientific Advisory Board. But his efforts are not reserved for grand international organi­ sations; a regular weekend activity for Professor Volmink is to return to Khayelitsha township with current students from the medical school at Stellenbosch. This personal, active role in the health of most disadvantaged citizens has been a hallmark of Professor Volmink’s entire career. Professor Volmink holds out hope that better healthcare can become a reality in South Africa. The South

“Evidence-based medicine sounds rational, but it’s a dangerous idea to think that people base their ideas on the best evidence. Sometimes they do, sometimes they do not.”


77

— “Our students should learn what the social, political and economic challenges are in South Africa that impact our health, our social cohesion, our ability to work together.”

African government has improved access to primary healthcare across the country, but the quality of that healthcare is not yet always where it needs to be: “Most people who have good specialist care in South Africa need to get it from the private sector, and yet 80% of people depend on state services for their healthcare.”

A new Stellenbosch Professor Volmink has brought his fight for improved healthcare to the field of education, serving as Dean of the School of Medicine and Health Science at Stellenbosh University for the past 10 years. Stellenbosch is infamous as the intellectual home to the apartheid regime, a symbol of White, and especially Boer, supremacy. In the 1980s, Professor Volmink himself was denied admittance to Stellenbosch because he was Black: “As a university and town, Stellenbosch has much to answer for in terms of its history with apartheid.” Yet so much has changed at Stellenbosch in the 21st century. The university is opening itself to the larger world, and much as he has shepherded the spread of EBM and community health in South Africa, Professor Volmink is helping to guide this institutional change.

Stellenbosch is fair game for the South African tradition of open reckoning with the historical involvement with apartheid: “Stellenbosch drove an agenda that favoured white Afrikaners, with the university created as a counterpoint to the White English and Jewish communities in power before the Nationalist Party took over, seeking to alleviate White Afrikaner poverty.” The curious outcome is that Stellenbosch’s racist past created a track record of success in achieving its development goals: “While they were in power, [the Boers] did uplift that group of people to become some of the most affluent people in the world, but it was at the expense of the majority of the population. In a way, Stellenbosch has created something that can be replicated for the whole population, and not just for an exclusive group.” Although hailing from nearby Cape Town, it was difficult for Professor Volmink to join the faculty of a university so intrinsically tied to such a traumatic period in South Africa’s history: “I thought, ‘How could I possibly join an institution that invented apartheid? This doesn’t seem right, I should avoid this like the plague.’ And there are still many people of colour in South Africa who would not go near Stellenbosch


78 “Things are not what they used to be, things have shifted, but people’s perceptions take much longer to shift.”

because they still have in their minds that perception that I had.” Nevertheless, Professor Volmink found a home at the university and the opportunity to facilitate change: “Things are not what they used to be, things have shifted, but people’s perceptions take much longer to shift. I’m hoping that we could become a catalyst for more unity in the country, for working together to address issues of social injustice and inequity I think there is an energy there, a serious­ness there, a genuineness there. I’m not saying there are no pockets of conservatism that want to go back to the past, but they are a minority, and there’s a much larger group of people who are much more forwardlooking and wanting change.” Professor Volmink was set to finish his second term as Dean at the end of 2020, but he is staying on for another year to help guide the school’s medical programme during the coronavirus pandemic. He is using this time to create a curriculum that teaches skills and critical thinking, but also a sense of perspective in his students: “Our students come here and stay for years, and it’s a chance to help people to become better citizens. Our students should learn what the social, political and economic challenges are in South Africa that impact our health, our social cohesion, our ability to work together. This is an opportunity for people to learn how to live together with people who are different from them.” In furtherance of this aim, Professor Volmink established the Department of Global Health within the medical school. The intention is to redefine global health to better address health issues outside of developing nations: “Global health is that branch of healthcare that focuses on problems of inequity, problems of injustice and how that impacts health. Often there are transnational forces that exert pressure and that promote ill health, whether you’re

talking about the food industry, big tobacco, even when you’re talking about the pharma­ceutical industry, alcohol, etc. These are things that cannot be dealt with in one country only, you have to have a global focus when dealing with these things.” Stellenbosch is now a global university. The Afri­­­kaans language remains a language of instruction, but the university has embraced a dual-­language curri­ culum, its language policy driven by the needs of its students, not political dictate. Every year the students are surveyed as to what language they’d like to be taught in, and nowadays they largely say English, both to travel overseas to study and work, but also because there are more students coming in whose first language is something other than English or Afrikaans. In the long run, this diversity and flexibility will help Stellenbosch serve South Africa: “I never thought in my wildest dreams that I would end up at Stellen­bosch, but I believe it was one of the best decisions of my career. I’m not going to argue that Stellenbosch is where it should be, but I think that there have been huge shifts at Stellenbosch, and I think there is a commitment and a genuineness in terms of wanting to work for a better country at Stellenbosch that I find quite refreshing. So I think we need to take the best that Stellenbosch has to offer, and we need to take that into a bigger arena, and I think we could see some really interesting things happening in South Africa.” Though he has only one year left as Dean, Professor Volmink has made that expansion possible. In the final analysis, does this evidence of a long and fascinating career merit Professor Jimmy Volmink an honorary degree from KU Leuven? Of course it does. Sometimes the evidence is crystal clear. ●


KORTVERHAAL — Writer in recidence Saskia De Coster

Mijn God Saskia De Coster is een academiejaar lang ‘writer in residence’ van KU Leuven. Speciaal voor Sonar schreef ze een tweeluik, waarvan u hier het eerste deel kan lezen.

79


80

"W

aarom ga je weg?”, hoor ik verderop in de gang. De gang is donker, zij licht haast op. Haar schaduw is langgerekt. Even denk ik aan een film, een scène in een hotelgang met een spookachtige verschijning. Het meisje op lichtblauwe sandalen. Niet dat ik bijzonder op schoenen let, maar soms kan je er niet naast kijken. Dat hele gezin liep op dezelfde sandalen, die ene keer dat ik hen allemaal samen zag. Allemaal dezelfde lichtblauwe plastic sandalen. Zeven kinderen en hun ouders. Dat zijn negen paar sandalen, achttien sandalen. In de lift rook ik hun goedkope kokos­ shampoo, een overdreven geurspoor dat ze achterlieten. Ik stapte met hen uit en zag hen verdwijnen in het appartement naast het mijne.

Ik vraag me af of ze me al een hele tijd in de gaten houdt. Of ze gewacht heeft achter de deur tot ik een voet buiten mijn appartement zette. Ik glimlach haar toe, het vreemde meisje met de schoenen die zo banaal en goedkoop zijn, zomaar uit een grabbelton in de goedkoopste supermarkt van de stad, dat ze onvergetelijk zijn.

Ik kan lang op bijna niets overleven maar er komt altijd een moment waarop de ijskast onherroepelijk leeg is. Helemaal leeg. Dat er zelfs geen allerlaatste restje mayonaise in de pot zit of geen korst brood in de broodzak. De buurtwinkel is het handigst. Dan ben ik snel terug. Ik weet niet precies waarom ik snel terug wil zijn. Alsof hier iets te bewaken valt. Het fort, het minifort van mijn appartement.

Op weg naar de winkel probeer ik me haar gezicht voor de geest te halen. Het lukt me niet. Sommige mensen moet je iedere keer opnieuw zien om je er een beeld van te kunnen vormen. Het vervaagt zodra ze weg zijn. Naar het schijnt hebben kappers en kassiers er ook last van, ze herkennen iedereen en niemand, omdat de hele wereld langs hen passeert. Voor even, of voor langer. Je moet al echt een blauwe bult op je hoofd hebben of drie ogen om een blijvende indruk achter te laten.

“Ik heb eten nodig”, zeg ik, zo gewoon mogelijk. Ik voel haar dichterbij komen. “Ik heb niets meer.” Ik sluit mijn deur af om naar de winkel te gaan. Ik heb een plastic tas op een propje in mijn hand. Ze staat naast me. Ze ziet er nog erg jong uit maar dat kan aan haar kinderachtige lichtblauwe sandalen liggen en aan haar zwarte haren die in twee staartjes vastgebonden zijn.

“Je kan langskomen”, zegt ze redelijk dwingend. Er gaat een rilling door me heen, alsof mijn lichaam niet goed weet hoe te reageren op dit spel. “Vanavond zes uur”, zegt ze en ze zweeft op haar lichtblauwe sandalen, met een vederlichte tred, terug naar haar voordeur en verdwijnt achter de deur.

Sommige mensen blijven ongrijpbaar, hoe hard je ook probeert te kijken en ze in je op te nemen. Dat had ik bij haar. Ik was zo weg van haar dat ik iedere avond in bed probeerde haar gezicht op te roepen. Telkens als ik mijn ogen sloot, wilde ik haar beeld tevoorschijn dromen maar het lukte me niet. Alsof mijn geest geen beginpunt vond om te beginnen, geen detail om zich aan af te stoten tot in de stroom van de droom.

Ze blijft staan en kijkt me afwachtend aan. “Waarom ga je van me weg?”, vraagt ze. Ik heb de afgelopen jaren veel gereisd, de vijf jaar tussen mijn afstuderen en nu heb ik volgereisd. Op mijn reizen ben ik veel mensen tegengekomen, de meest ongewone types, maar zij spant de kroon. “Kom maar gewoon snel bij me terug”, zegt ze. Haar blauwe ogen glanzen. Mijn rug jeukt. Ik moet me inhouden om niet te krabben. Ze daagt me uit. Ik wil haar spelletje wel meespelen.

Gevoelens scheen ze niet te hebben. Ze reageerde op niets, ze was van niets of niemand onder de


81

indruk. Niets wond haar op behalve spelletjes. Ik wilde zo graag indruk maken op haar maar zij was onaanraakbaar en onbereikbaar. Met een groepje vrienden maakten we muziek tijdens de vrije uren. We deden alsof we een bandje hadden maar er was nog niet eens een begin van een song. Toen zij erbij kwam, wist ik dat ik verloren was. Mijn gitaarspel was heel middelmatig. Daarmee zou ik het niet redden. Met mijn muziek kon ik me in geen geval doen opmerken. En ook niet met mijn looks. Ik was niet lelijk en niet mooi. Het was veel erger: ik was onopmerkelijk. Ik had geen kromme tanden maar ook geen parelwit gebit, ik was geen atleet maar ook geen dikke dwerg. Tussen de anderen verzonk ik in het niets. Mijn grapjes gingen verloren, mijn zinnen strandden halverwege of vervluchtigden in de sigarettenrook. Op een dag vroeg ze me in de cafetaria of ik mee ging logeren dat weekend, in het huis van haar familie bij het bos. Dat was het moment in mijn leven waarop ik besefte dat ik een lichaam ben. Niemand zal het je ooit vragen, in geen interview met een bekende persoon kom je die vraag tegen, maar het is een van de belangrijkste momenten in je leven. Het moment dat je beseft dat je een lichaam bent. Het meisje nodigde me uit en mijn lichaam werd wakker uit een levenslange winterslaap. Het zou te simpel zijn om te zeggen dat het aan seks dacht. Opgewonden was ik zeker wel. Mijn lichaam en mijn geest daverden. Het viel niet te verklaren dat ze aandacht voor me had. Ik was in de wolken dat ze me meevroeg en dat we wellicht met de hele vriendengroep een weekend zouden doorbrengen. Die vrijdagavond stond ik met mijn sportzak bij de bushalte, moederziel alleen, stampvoetend van de koude, een half uur lang. Net toen ik dacht dat mijn

vrienden een grap uithaalden of allang vertrokken waren, kwam zij als enige aangesjokt. Ze had enkel mij uitgenodigd, tot mijn verrassing. Het was schemer­ donker toen we aankwamen bij het afgelegen huis aan de rand van het bos. Mijn lichaam voelde elektrisch geladen toen ze de deur voor me open zwaaide en me rondleidde in het grote huis. In ieder vertrek waren de meubels ingepakt in plastic. Het huis was vol leven geweest. Er waren veel kleine kamertjes, voor alle kinderen. Er hing nog iets in de lucht van de overkokende drukte, de zindering van een bijennest vol kinderen en volwassenen die overdag in de natuur de tijd zoekmaakten en ‘s avonds rond de grote vuurkuil in de tuin zaten, waar als de sporen van een paddestoel zitjes rond gezaaid waren. Binnenshuis tikten de pootjes van de kat nog eenzaam op de uitgesleten parketvloer, in de keuken hingen achter plastic vijftien melkkoppen aan ijzeren haakjes te wachten. Onder de plastic zeilen leefden de voorwerpen verder. Los van haar en mij. Ik vond het een voorrecht om hier met haar te staan, al hoorde ik mijn hartenklop tegen de ramen. Ze merkte er niets van, hoe ik langzaam slappe benen kreeg en me steeds meer achter haar verschool tijdens de rondleiding door het merkwaardige huis. Ik was bang van haar verwachtingen. Het was al erg laat en aardedonker. Ze waren hier iedere zomer geweest. Tot het ophield. Af en toe kwam ze hier nog op haar eentje overnachten, vertelde ze. Ze maakte dan lange tochten in het bos. Ik was doodmoe maar ik wilde meer horen. Ik onderdrukte een geeuw. Prompt wees ze mij de kamer waar ik kon slapen, keurig aan het einde van de gang. Ze was niet beledigd, ze was niet blij, ze liet nooit iets merken. Behalve toen ze de deur achter me dichttrok. Toen knipoogde ze en zei ze dat ik bij haar mocht slapen als ik bang was. Ze lag in de kamer naast me. De deur was al dicht voor ik iets kon zeggen.●

Het was schemerdonker toen we aankwamen bij het afgelegen huis aan de rand van het bos. Mijn lichaam voelde elektrisch geladen toen ze de deur voor me open zwaaide.


DENKTANK METAFORUM — Langer gezond werken

Mick Jagger dartelt op z’n 77ste nog als een jong veulen over het podium, de inmiddels 85-jarige Woody Allen blikt nog jaarlijks een film in en van Winston Churchill is geweten dat hij tot z’n 89ste in het Britse parlement zetelde. Troostrijke voorbeelden, als je weet dat we allemaal wat langer moeten werken om de pensioenen betaalbaar te houden. Onze onderzoekers bekeken hoe we langer aan de slag kunnen blijven, zonder aan levenskwaliteit of gezondheid in te boeten.

Langer werken hoeft O

nze levensverwachting neemt gestaag toe en dat is uiteraard goed nieuws. Maar nu de nogal sterk vertegenwoordigde babyboomgeneratie de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, duiken ook enkele vragen op. Kunnen we de sociale zekerheid betaalbaar houden? Zal de pensioens­ leeftijd blijven stijgen? En mogen de jongere gene­ raties nog rekenen op een pensioen? We vragen het aan professor arbeidsgeneeskunde Lode Godderis. Samen met zijn collega’s bij de denktank Metaforum nam hij de pensioen­k westie onder de loep. “In België werken we met een repartitiesysteem”, legt professor Godderis uit. “Dat wil zeggen dat de huidige generatie werkkrachten betaalt voor wie met pensioen is. Door het stijgende aantal gepen­ sioneerden en de toenemende vergrijzing staat dat systeem nu onder druk. Wellicht gaan we nog tot 2040 problemen zien rond de betaalbaarheid van ons pensioenstelsel. Er zijn al aanvullende maatregelen, zoals pensioensparen, maar om een basisbedrag te kunnen blijven voorzien moeten we dat stelsel her­bekijken. Een optie zou kunnen zijn om de pensioenen te verlagen, maar die liggen sowieso al laag in België. Het enige alternatief is dus dat we met z’n allen langer werken.”

Zwaar werk De onderzoekers pleiten voor een pensioenstelsel met een puntensysteem, dat niet kijkt naar de leeftijd, maar wel naar het aantal gewerkte jaren en de zwaarte van een beroep. Wie een aantal jaren een zwaar beroep uitoefent, verzamelt bijvoorbeeld meer punten, en die spelen dan weer mee bij het bepalen van je pensioenbedrag of bij de leeftijd waarop je kan uittreden.

— xxx


83

geen straf te zijn “Er zijn verschillende manieren om een ‘zwaar beroep’ te definiëren”, zegt Godderis. “Maar er is geen een­­ duidig antwoord. Je zou bijvoorbeeld kunnen kijken naar de levensverwachting. Die ligt een pak lager bij mensen uit lage socio-economische klassen, en dat zijn vaak ook de mensen die fysiek zware beroepen als bouwvakker of dokwerker uit­­oefenen. Maar ook het aantal jaren dat iemand zijn of haar job op een gezonde manier kan blijven uit­­oefenen, kan een maatstaf zijn. En daar scoren mentaal zware beroepen dan weer slecht. Leerkrachten of zorgverleners, bijvoor­­beeld, die wél vaak een hoge levens­verwachting hebben.” “Voor beide benaderingen valt iets te zeggen, maar in de praktijk zal je het case per case moeten bekijken. Je moet zoiets bepalen in overleg, met werkgevers en vakbonden, maar ook met experts die duiding geven en de situatie overzien. Je kan niet alles overlaten aan sociale partners, want dan loop je de kans dat elk beroep wordt erkend als zwaar beroep, omdat het financieel interessant is of tal van andere voordelen oplevert. Er moet dus een bepaalde onderhandelingsmarge zijn, waarbinnen je tot een beslissing komt.” Gemaakte afspraken moeten na verloop van tijd opnieuw worden bekeken, zegt Godderis. “Of een beroep zwaar is of niet, kan veranderen. Bouwvakker is een fysiek zware job maar je kan de situatie vandaag totaal niet meer vergelijken met die van twintig jaar geleden. Er wordt op een totaal andere manier gebouwd en technologische vernieuwingen maken het werk minder zwaar. Misschien is het over tien jaar zelfs géén zwaar beroep meer. Omgekeerd heb je jobs die nu mentaal zwaarder zijn dan vroeger. Bijvoorbeeld door de komst van digitalisering en de smartphone, waardoor je continu bereikbaar bent en moeilijker tot rust komt.”

Flexibel Het komt er uiteraard ook op aan om mensen langer aan de slag te houden. Anders dan in het buitenland zitten we in België met heel wat onbenut arbeidspotentieel. “Een aanzienlijk deel van de vijftigplussers gaat met brugpensioen. Soms vanwege gezondheidsredenen, maar vaker omdat het financieel gunstiger is om vroegtijdig uit te treden dan om te blijven werken. We zitten dus met een grote groep die fysiek en mentaal nog perfect aan de slag zou kunnen zijn, maar bij wie dat wordt ontmoedigd. En dat terwijl uit onderzoek blijkt dat werken in goede omstandigheden bijdraagt tot de gezondheid, én we die arbeidskrachten nodig hebben voor de betaalbaarheid van de pensioenen. Wij willen dat systeem dan ook omdraaien en langer werken financieel aanmoedigen.” Volgens Godderis moet dat zo flexibel mogelijk gebeuren. “Voor iemand met een fysiek zwaar beroep – denk aan metselaars, timmerlieden of betonwerkers – is het natuurlijk niet evident om tot 67 te werken, maar dat wil niet zeggen dat vervroegde pensionering de enige oplossing is. Misschien kan je mensen naar het eind van hun carrière toe omscholen en begeleiden naar een lichtere job, waardoor ze aan het eind van de rit een mooier pensioen overhouden.”

“Voor iemand met een fysiek zwaar beroep hoeft vervroegde pensionering niet de enige oplossing te zijn.”


84

“Zo’n switch zou overigens niet enkel voor zware beroepen zinvol kunnen zijn. Je mag niet statisch denken over carrières. Ook interesses kunnen veranderen, en als iedereen langer werkt, moeten we op een andere manier naar arbeid gaan kijken. Je kan niet keihard werken vanaf de start en dat ritme volhouden tot je zeventigste. Er zijn ook periodes in het leven waarin je het op persoonlijk vlak druk hebt, als je moet zorgen voor jonge kinderen of zieke ouders, bijvoorbeeld. Misschien is het een optie om af en toe ‘rustpauzes’ in te bouwen: momenten waarop iemand wat minder werkt, en even wat minder ‘werkpunten’ spaart, zonder al te veel opbouw van rechten te verliezen.”

Stigma Volgens Godderis moeten we ook af van het stigma dat rust op oudere werknemers. “Nog te vaak wordt gedacht dat werknemers op een bepaalde leeftijd zijn uitgeteld, dat ze niet meer mee kunnen of willen. Dat klopt niet, maar werknemers die met zo’n stigma geconfronteerd worden of in die rol worden geduwd, kunnen zich daar op termijn wel naar gaan gedragen.” “De huidige generatie vijftigers en zestigers heeft het ook niet zo simpel gehad”, zegt Godderis. “Op korte tijd is heel wat gedigitaliseerd, en vaak hebben ze de inhoud van hun job drastisch zien veranderen. Werkgevers doen er dan ook goed aan om sterk in te zetten op opleidingen en begeleiding. Tegelijk hoeft niet iedereen exact hetzelfde takenpakket uit te voeren. Jongere werknemers zullen beter hun weg vinden in digitale omgevingen, maar oudere werknemers hebben al meer jaren ervaring op de teller of zien sneller verbanden. Hen kan je beter inzetten bij coaching of begeleiding. Je moet evolueren naar jobs op maat.”

“Telewerk kan bijdragen aan gezonder langer werken, maar ook daar moet je zoeken naar een evenwicht.”

We horen voortdurend dat we langer moeten werken, maar her en der gaan ook stemmen op voor de invoering van een 30-urenweek. In Zweden wordt er zelfs al volop mee geëxperimenteerd. “Dat zijn interessante denkoefeningen, maar je kan je afvragen of de werklast ook proportioneel vermindert. We zien nu al dat wie plots vier vijfde gaat werken, vaak dezelfde hoeveelheid werk blijft verzetten als een voltijdse werkkracht. En iemand met een halftime ervaart niet noodzakelijk minder mentale druk. De partner verwacht bijvoorbeeld dat je een groter deel van het huishouden voor je rekening neemt, of vaker voor de kinderen zorgt. Een argument pro zo’n 30-urenweek is dat wie minder uren werkt, frisser en geconcentreerder aan de slag gaat én productiever is. Wie acht uur per dag werkt, verzet niet noodzakelijk meer werk dan iemand die zes uur aan de slag is.”

Gezond evenwicht Sinds de coronacrisis heeft een groot deel van de bevolking kennis­gemaakt met telewerk, en dat biedt wél toekomstperspectieven, denkt Godderis. Het kan bijvoorbeeld bijdragen aan gezonder langer werken. “Mensen met milde gezondheidsproblemen vallen dikwijls uit omdat de verplaatsing naar de werkplek moeilijker wordt. Via telewerk zouden ze aan de slag kunnen blijven. Dat zie je ook nu heel wat mensen verplicht thuiswerken. Wie verkouden is of zich wat grieperig voelt, blijft vaak telewerken, terwijl je in andere omstandigheden wellicht een ziektebriefje zou halen.” “Daarnaast heb je ook de tijdswinst”, zegt Godderis. “De uren die je uitspaart met woon-werkverkeer kan je aan andere zaken besteden. Al bestaat daar wel het gevaar dat je het werk minder makkelijk loslaat en de tijd die je anders op de trein of in de auto doorbrengt, voor je werklaptop spendeert. We moeten dus zoeken naar een gezond evenwicht tussen telewerk en werken op kantoor. Geconcentreerd schrijven aan een onderzoekpaper of dossier lukt wellicht beter thuis, terwijl vergaderen iets is wat je liever en beter op kantoor doet, al is het maar voor het sociaal contact met je collega’s.” “‘Gezond evenwicht’ is het sleutelbegrip in de hele discussie”, besluit Godderis. “Gun mensen doorheen hun carrière voldoende ademruimte, geef hen de mogelijkheid om hun job zelf in te vullen waar het kan, en zorg voor een goede balans tussen werk en privé. Op die manier hoeft langer werken geen straf te zijn.” ●


85

ZES EEUWEN KU LEUVEN — Student m/v

Over blauwkousen en blokbeesten Precies honderd jaar geleden deden de eerste meisjesstudenten hun intrede in Leuven.

1873.

Isala Van Diest, dochter van een chirurgijn, wil zich inschrijven als studente geneeskunde, gesteund door een aantal professoren. Ze botst op weerstand van de Belgische bisschoppen, die de raad van beheer van de universiteit uitmaken. Ook rector Alexandre Namèche verzet zich hevig tegen de idee van een vrouw aan de medische faculteit. Van Diest weigert het voorstel om als vrij student fysiologie en verloskunde te volgen en zal uiteindelijk in Bern als arts afstuderen. 1920. Aan de universiteiten van Gent, Luik en Brussel worden meisjes al zo’n veertig jaar toegelaten. De Belgische bisschoppen, onder leiding van Kardinaal Van Roey, vrezen echter dat vrouwen met een universitair diploma hun taak als moeder en echtgenote zullen verzaken. Uiteindelijk zwichten ze toch, uit angst zieltjes te verliezen aan de niet-katholieke universiteiten. En omdat er leraressen nodig zijn voor de nieuwe hogere middelbare scholen voor meisjes. Rector Ladeuze voelt dat een grote meerderheid van zijn professorenkorps voorstander is. Aan de zijde van een hoogopgeleide man hoort een dito vrouw.

Aparte coupés

— De eerste meisjesstudenten verbleven, onder het waakzaam oog van kloosterzusters, in het Atrechtcollege of, zoals deze studentes uit academiejaar 1927-28, in de Sint-Geertrui-abdij.

Bij het begin van het academiejaar 1920-21 schrijven 39 meisjes zich in, onder wie zes buitenlandse. Ladeuze uit tijdens zijn openingsspeech de hoop dat ze zich ver zullen houden van beroepsuitwegen die ‘weinig in overeenstemming zijn met de normale functie die de natuur hen in de maatschappij aanwijst’. De meeste studentes kiezen voor een richting die naar het onderwijs leidt. Ruim 40% studeert aan de faculteit letteren en wijsbegeerte. Ook landbouw­ wetenschappen en farmacie zijn populair, en onder


86

meer verpleegsters, vroedvrouwen en dochters van artsen trekken zich steeds minder aan van de mening van het universiteitsbestuur dat geneeskunde niets voor vrouwen is. Vanaf de jaren 30 studeren ook steeds meer meisjes rechten – vrouwen worden aan de balie toegelaten vanaf 1928, binnen de magistratuur echter pas in 1948. Leuven telt in 1920 ruim 3.000 studenten. Het handjevol meisjes wordt ondergebracht in twee pedagogieën, het Atrechtcollege in de Naamsestraat en de Sint-Geertrui-abdij, onder het waakzaam oog van kloosterzusters. Na zeven uur moeten ze binnenblijven, en koffiehuizen en restaurants zijn verboden terrein. Het eerste jaar begeleiden de zusters de studentes in stoet naar en van de les, maar dat blijkt niet vol te houden. Vervolgens bepaalt het universiteitsreglement dat meisjes­ studenten enkel in elkaars gezelschap of met familieleden op straat gezien mogen worden. Ook in de aula’s worden de seksen van elkaar gescheiden: de jongensstudenten nemen plaats boven in het auditorium. Ze worden gevolgd door de paters en de nonnen, die op de rijen onder hen gaan zitten. Dan komt de prof binnen met de meisjesstudenten, die zich op de eerste rijen installeren. Zelfs in de trein zitten mannelijke en vrouwelijke studenten in aparte coupés. Naar verluidt bood de Standaard Boekhandel gelegenheid tot ontmoeting, maar over het algemeen stonden meisjes en

De Belgische bisschoppen vrezen dat vrouwen met een universitair diploma hun taak als moeder en echtgenote zullen verzaken.

jongens heel onwennig tegenover elkaar en was er vanuit de studenten weinig interesse voor die ‘blauwkousen’, die vaak van intimiderend goede komaf waren en heel ijverig studeerden. Rector Ladeuze kon niet anders dan tevreden zijn …

Mannen in de minderheid In 1930 maken meisjes zo’n vijf procent van de studentenpopulatie uit. Onder druk van buitenlandse studenten worden de reglementen wat versoepeld. Ouderejaarsstudentes huren nu ook kamers bij particulieren, al zullen kotbazen nog heel lang kamers voor ofwel jongens ofwel meisjes aanbieden. Met de oprichting van facultaire studentenkringen begin jaren 30 wordt de omgang tussen meisjes en jongens ongedwongener, wat niet naar de zin is van het rectoraat. De vicerector ziet zich voortdurend genoodzaakt studentes te wijzen op welk gedrag er van hen verwacht wordt. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog telt Leuven 450 meisjesstudenten op een totaal van 4.600. Het is wachten tot de eeuwwisseling voor het aantal vrouwelijke studenten het aantal mannelijke evenaart en vervolgens overtreft. ●

— Ook in de aula zaten mannelijke en vrouwelijke studenten apart, zoals tijdens dit college anatomie bij professor Gerard van der Schueren in 1958.


Colofon Dit magazine is een uitgave van KU Leuven.

Werkten mee aan dit nummer

Hoofdredactie

Saskia De Coster, Lise Detobel, Lothe Ramakers

Tamara Broos Nel Bruneel Isabelle Van Geet

kuleuven

Kjell Corens (Universiteitsarchief)

Redactie en beeldredactie

Contact

Pieter-Jan Borgelioen Ilse Frederickx Greg Pokusa Ine Van Houdenhove Reiner Van Hove Julie Willems

Sonar@kuleuven.be

Fotografie

LeuvenU

Rob Stevens

kuleuven

Freelancers

Gaston Kooijmans Katrien Steyaert

WWW.KULEUVEN.BE/STORIES

Met dank aan

Abonnement

U kunt een abonnement nemen op Sonar op www.kuleuven.be/stories. Vormgeving

Altera Druk

Van der Poorten


WWW.KULEUVEN.BE/STORIES Nr 2 – januari 2021

Sonar

KU Leuven-magazine

Extra editie Tijdschrift Onderwijscommunicatie KU Leuven – P409886 – Afgiftekantoor: Leuven Masspost – V.u.: Dienst Marketing en Communicatie, Isabelle Van Geet, Minderbroedersstraat 8, 3000 Leuven

KU Leuven. Inspiring the Outstanding.

Sonar Nr 2 – januari 2021

Wie zijn de nieuwe eredoctores?

KU Leuven-magazine

Niet alle tradities wijken


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook